Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:336

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-04-2021
Datum publicatie
07-04-2021
Zaaknummer
19/05611
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:893
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Deelneming aan criminele organisatie. Middelen over 1. Grondslagverlating ten aanzien van het onderdeel dat verdachte leider en/of bestuurder was van de organisatie, 2. bewijsklacht oogmerk van de organisatie op het telen van hennep, 3. bewijsklacht t.a.v. uitvoer van 6 kg. Hennep, 4. bewijsklacht poging tot afpersing, 5. in de strafmotivering meewegen van de voortzetting van de criminele organisatie door de verdachte na de bewezen verklaarde periode, en 6. begrijpelijkheid oordeel hof dat overschrijding redelijke termijn in h.b. (zestien maanden of twee jaar) gelet op omvang en complexiteit van de zaak, gering is. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/05611

Zitting 6 april 2021

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

  1. De verdachte is bij arrest van 5 december 2019 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1 “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III”, 2 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 3 “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”, 5 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, 6 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, 7 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod”, 8 “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, 9 “medeplegen van voorbereiding van: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren en/of afpersing”, 10 “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 11 “medeplegen van: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren en zes maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. De zaak hangt samen met de zaken tegen medeverdachten, met zaaknummers 19/05598 ([medeverdachte 2]), 19/05600 P ([medeverdachte 2]), 19/05498 ([medeverdachte 11]), 19/05617 ([medeverdachte 3]), 19/05687 ([medeverdachte 4]), 19/05738 ([medeverdachte 5]), 19/05777 ([medeverdachte 6]),19/05732 ([medeverdachte 7]), 19/05967 ([medeverdachte 8]), 19/05773 ([medeverdachte 9]) en 19/05685 ([medeverdachte 10]).1 In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg, heeft zes middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

4. Deze zaak maakt onderdeel uit van het onderzoek Kapel, waarin in totaal 28 personen als verdachten zijn aangemerkt. Het hof heeft het volgende vastgesteld.

5. Tussen diverse verdachten was sprake van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Met uitzondering van [betrokkene 1], kenden alle deelnemers elkaar uit de Tilburgse Turkse gemeenschap. Zij zijn vrienden en/of familie van elkaar. Volgens het hof had de organisatie (ten minste) vier prominente leden, te weten [betrokkene 1], [medeverdachte 11], [betrokkene 2] en (in het bijzonder in relatie tot het aan te wenden geweld) de verdachte. Verder had de organisatie leden die vooral uitvoerend bezig waren: [betrokkene 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6].

6. Het hof heeft vastgesteld dat de organisatie gedurende een lange periode met name in softdrugs heeft gehandeld. In verband met het onderzoek zijn op diverse plaatsen in werking zijnde hennepkwekerijen aangetroffen. Verder hield de organisatie zich bezig met het exporteren van harddrugs. Het gebruik van geweld werd niet geschuwd.

7. Volgens het hof heeft de verdachte deel uitgemaakt van de organisatie en daarin, net als [medeverdachte 11] en [betrokkene 1], een prominente, gezaghebbende rol gehad. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van het reilen en zeilen van de organisatie, daar ook initiatieven in nam en het gebruik van geweld niet schuwde. Hij is degene die het geweld daadwerkelijk zelf uitoefende of dreigde dat te doen en is een van degenen die werd geraadpleegd wanneer er zich problemen binnen de organisatie voordeden. De verdachte was volgens het hof betrokken bij drugshandel, bedreigingen en het organiseren van een gewapende overval, die door ingrijpen van de politie geen doorgang heeft gevonden. Hij had regelmatig contact met andere leden van de groep.

De middelen

8. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof bij de bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie (feit 2) de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door tevens bewezen te verklaren dat de verdachte leider en/of bestuurder was van deze organisatie, terwijl dat onderdeel niet ten laste is gelegd.

9. Aan de verdachte is, voor zover relevant voor de beoordeling van dit middel, ten laste gelegd dat:

“hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 1 oktober 2013 te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in België en/of in Duitsland en/of in Turkije tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 11] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een aantal/genoemde natuurlijke personen), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid en/of artikel 11, derde, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet, namelijk

- het (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) plegen van strafbare voorbereidingshandelingen (zoals genoemd in artikel 10a, eerste lid Opiumwet) betreffende/ten aanzien van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote hoeveelheden) hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep en/of hash

EN/OF

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 1 oktober 2013 te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in België en/of in Duitsland en/of in Turkije tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 11] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een aantal/genoemde natuurlijke personen), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het plegen van liquidaties, althans pogingen daartoe en/of

- het (telkens) plegen van afpersing(en) en/of diefstal(len) met geweld en/of voorbereidingshandelingen daartoe en/of

- het (telkens) plegen van bedreigingen en/of

- het bezit/voorhanden hebben en/of dragen en/of vervoeren en/of de invoer en/of uitvoer van wapens (zoals genoemd in de Wet wapens en munitie) (zonder vergunning/consent)

ALTHANS

hij

* in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 15 mei 2013 te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in België en/of in Duitsland en/of in Turkije tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 11] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of

* in of omstreeks de periode van 16 mei 2013 tot en met 1 oktober 2013 te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in België en/of in Duitsland en/of in Turkije tezamen en in vereniging met [medeverdachte 11] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een aantal/genoemde perso(o)n(en)), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid en/of artikel 11, derde, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet, namelijk

- het (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) plegen van strafbare voorbereidingshandelingen (zoals genoemd in artikel 10a, eerste lid Opiumwet) betreffende/ten aanzien van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote hoeveelheden) hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep en/of hash

EN/OF

hij

* in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 15 mei 2013 te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in België en/of in Duitsland en/of in Turkije tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 11] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of

* in of omstreeks de periode van 16 mei 2013 tot en met 1 oktober 2013 te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in België en/of in Duitsland en/of in Turkije tezamen en in vereniging met [medeverdachte 11] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een aantal/genoemde natuurlijke perso(o)n(en)), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het plegen van liquidaties, althans pogingen daartoe en/of

- het (telkens) plegen van afpersing(en) en/of diefstal(len) met geweld en/of voorbereidingshandelingen daartoe en/of

- het (telkens) plegen van bedreigingen en/of

- het bezit/voorhanden hebben en/of dragen en/of vervoeren en/of de invoer en/of uitvoer van wapens (zoals genoemd in de Wet wapens en munitie) (zonder vergunning/consent) (zaak 5)”.

10. In dat verband is ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 15 mei 2013 te Tilburg en elders in Nederland en in België en in Duitsland en in Turkije met [betrokkene 1] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 11] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van genoemde personen), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of artikel 11, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet en andere misdrijven, namelijk

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het verkopen, afleveren, vervoeren en/of aanwezig hebben van (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en

- het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (grote hoeveelheden) hennep en/of hash en

- het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep en/of hash en

- het plegen van afpersing(en) en/of diefstal(len) met geweld en/of voorbereidingshandelingen daartoe en

- het plegen van bedreigingen en

- het bezit/voorhanden hebben en dragen en vervoeren van wapens (zoals genoemd in de Wet Wapens en Munitie) (zonder vergunning/consent), zulks terwijl hij, verdachte, leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was.”

12. Deze bewezenverklaring steunt inhoud van de op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in het arrest op p. 20 tot en met 124.

13. De bestreden uitspraak bevat voorts, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, de volgende overweging ten aanzien van het bewijs:

De verdachte wordt ten laste gelegd dat hij zich in de betreffende periode schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van één of meer misdrijven, zoals specifiek omschreven in artikel 1 la Opiumwet (oud), ook wel omschreven als deelneming aan een criminele organisatie. Meer bepaald wordt naast de specifieke delicten uit de Opiumwet tevens verwezen naar ‘en andere misdrijven’, waardoor de tenlastelegging tevens zich richt op artikel 140 Sr als delictsomschrijving. Voor een nadere toelichting wordt in het navolgende, onder verwijzing naar de uitleg van artikel 140 Sr, enkel ingegaan op de uitleg van artikel 11a Opiumwet (oud).

(…)

Het bewijs van deelneming aan een criminele organisatie door verdachte is aan de hand van het voorliggende dossier gevormd op grond van bewijsmiddelen, zoals processen-verbaal van verhoren van verdachten en getuigen, van observaties, tapverslagen en OVC- gesprekken.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het beeld dat meer bepaald uit de tapverslagen en OVC-gesprekken van de onderlinge gesprekken in de dienaangaande (vertaalde) processen-verbaal ontstaat, althans de invulling die daaraan door het Openbaar Ministerie wordt gegeven - zijnde gesprekken die betrekking hebben op onderlinge communicatie van verdachten die deelnemen aan een criminele organisatie die zich bezig houdt met drugshandel - onjuist is en niet overeenkomt met de daadwerkelijke achtergrond van de betreffende gesprekken. Volgens de verdediging gaat het om niet meer dan onderlinge communicatie van reguliere en vriendschappelijke contacten tussen verdachte en de medeverdachten, vanuit een Turks nationale achtergrond, waarbij men veelal met elkaar op cultureel bepaalde wijze en met typisch Turkse uitdrukkingen met elkaar van gedachten wisselt. Tevens heeft de verdediging in het verlengde van het voorgaande, opmerkingen gemaakt die zien op de betrouwbaarheid van de inhoud van met name de OVC-gesprekken in het geheel van de voorliggende bewijsmiddelen. Op grond van de inhoud van deze tap- en OVC-gesprekken kan volgens de verdediging niet worden bewezenverklaard dat er sprake was van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven, zoals specifiek omschreven in artikel 11 a Opiumwet (oud), noch dat verdachte heeft deelgenomen aan deze vermeende organisatie in die zin dat verdachte behoorde tot de organisatie en een aandeel had in gedragingen, dan wel gedragingen heeft ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Het hof merkt ter zake van de genoemde verweren van de verdediging ter duiding en nuancering van de bewijswaarde(ring) van de genoemde bewijsmiddelen het volgende op. Het hof heeft, mede naar aanleiding van de gemaakte op- en aanmerkingen hierover, de gerelateerde gesprekken en hetgeen daarin is besproken en gezegd, beoordeeld in de context van en geplaatst tegen de achtergrond van de voorliggende omstandigheden en de overige bewezenverklaarde strafbare feiten. De gesprekken die hebben plaatsgevonden en welke via de verslagen van tap- en OVC-gesprekken in het dossier zijn opgenomen, zijn in dezen inhoudelijk niet anders te duiden en maken duidelijk dat die gesprekken plaatsvinden in het kader van de handel in drugs in ruime zin en van andere strafbare feiten die daar veelal mee samenhangen. Veel gesprekken gaan daarbij over het (voorbereiden van het) uitvoeren en vervoeren van harddrugs, het telen, uitvoeren en vervoeren van softdrugs, het onderling melden van al dan niet mislukte deals dienaangaande en afspraken maken om via dreiging met geweld druk op betrokkenen uit te oefenen. Daarbij heeft het hof ter zake van de vraag wie met wie precies onderling contact heeft ook nadrukkelijk meegewogen welke andere strafbare feiten bewezen zijn verklaard ten aanzien van de betreffende personen. Dat een en ander daarbij heeft plaatsgevonden vanuit een Turks nationale achtergrond, waarbij men met elkaar op cultureel bepaalde wijze en met typisch Turkse uitdrukkingen met elkaar van gedachten wisselt en waarbij veelal ook sprake is van onderling familieverband, doet echter hieraan niet af.

In het dossier van deze zaak bevinden zich diverse OVC-gesprekken. Deze gesprekken zijn uitgewerkt in op ambtseed of -belofte opgemaakte processen-verbaal door bevoegde opsporingsambtenaren. Deze processen-verbaal van uitgewerkte gesprekken kunnen op grond van de bewijsregeling zoals opgenomen in het Wetboek van Strafvordering worden aangemerkt als overbrengende verklaringen van hetgeen in het proces-verbaal is gerelateerd. Verdachte heeft zijn deelname aan de gesprekken blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep niet ontkend. Echter, voor wat betreft de inhoud en de strekking van de betreffende gesprekken heeft verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bij herhaling na confrontatie met de weergave van de inhoud van diverse gesprekken gesteld dat de inhoud daarvan anders geduid moet worden, dan wel heeft hij niet meer te kunnen recapituleren wat de inhoud en de strekking daarvan was.

Het hof stelt dat het onder deze omstandigheden, gelijk de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie, niet zonder meer kan aannemen dat gesprekken over bepaalde strafbare gedragingen gaan als de verdachte dat ontkent of daarover geen helderheid kan verschaffen. Dat kan alleen dan, als die gesprekken in beginsel maar voor één uitleg vatbaar zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als de verdachte daarin zelf met zoveel woorden zegt dat hij die strafbare gedragingen heeft gepleegd. Als dat niet zo is, zijn die gesprekken dus voor meerdere uitleg vatbaar. Dat hoeft die gesprekken niet onbruikbaar te maken voor het bewijs, maar wel is dan behoedzaamheid vereist bij het geven van een interpretatie van die gesprekken. Die voorzichtigheid brengt mee dat het hof ter zake van de OVC-gesprekken naast de inhoud en het onderling verband van die gesprekken, tevens heeft gekeken naar het eventuele verband met andere bewijsmiddelen. Daarbij is van belang geacht wat er over de deelnemers aan de gesprekken, of over anderen die in die gesprekken ter sprake komen, nog meer is gebleken.

Ernst van de feiten en de aard van de criminele organisatie

Met betrekking tot de ernst van de feiten en de aard van de criminele organisatie in het onderzoek Kapel merkt het hof het volgende op.

Het deelnemen aan een criminele organisatie is een delict dat in de afgelopen jaren in Nederland een flinke vlucht heeft genomen. Criminele groepen die zich bezig houden met ernstige strafbare feiten hebben Nederland inmiddels overspoeld en het geweld dat zich hierbij voordoet is een groot probleem voor onze maatschappij geworden, evenals het ondermijnende effect dat hiervan uitgaat. In verband hiermee is een wetsontwerp aanhangig waarin onder andere wordt voorgesteld de maximale straf voor deelneming aan een ernstig ondermijnende criminele organisatie te verhogen (wetsvoorstel 35 080 - herwaardering strafbaarstelling actuele delictsvormen).

(…)

Uit de hiernavolgende bewijsmiddelen komt naar voren dat er tussen diverse verdachten sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, in die zin dat de organisatie zich bezig hield met de handel in soft- en harddrugs waarbij geweld niet werd geschuwd. Wat daarbij opvalt is dat het geweld zowel intern als extern is gericht. Intern tegen personen die deel uitmaken van de groep en zich niet aan de afspraken houden, extern om door anderen verdwenen drugs weer te achterhalen of om betalingen daarvan af te dwingen. Daarbij beschikten diverse leden van de organisatie over vuurwapens om zo nodig te gebruiken, om zichzelf of andere leden van de organisatie te beschermen, dan wel anderen te bedreigen of daadwerkelijk te verwonden. Dat maakt dat de organisatie een dusdanig afschrikwekkend karakter krijgt dat getuigen daardoor soms ook niet durven te verklaren of aangifte te doen. Niettegenstaande de verklaringen van de diverse verdachten ter zitting waarin zij aangeven dat zij weinig aandeel hebben gehad in de onderscheiden feiten (drugsfeiten dan wel geweldsfeiten), is het hof van oordeel dat deze verdachten (zijnde: [betrokkene 1], [medeverdachte 11], [verdachte], [medeverdachte 2], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6]) samen een organisatie vormden die als oogmerk had het plegen van ernstige drugs- en gewelddadige feiten en waarin elk van de betrokkenen zijn eigen aandeel had.

De strafbare feiten van de criminele organisatie

- De organisatie houdt zich bezig met de internationale harddrugshandel

[betrokkene 3] had contact met mensen in Turkije over het naar Turkije vervoeren van XTC- pillen. [betrokkene 3] heeft samen met [betrokkene 4] een personenauto, een Ford C-max met kenteken [kenteken 1], in Duitsland gekocht. De auto is vervolgens op verzoek van [betrokkene 3] door [medeverdachte 3] bij diens garage [A] te Tilburg geprepareerd. [medeverdachte 3] heeft een ruimte in het dashboard gemaakt om daar pakketjes in te verstoppen. [betrokkene 3] had contact met [betrokkene 5] over het leveren van de XTC-pillen. Door tussenkomst van [betrokkene 5] zijn XTC-pillen als monster aan [betrokkene 3] verstrekt. [betrokkene 3] heeft [betrokkene 6] gevraagd er één te testen. [medeverdachte 4] heeft geholpen met het in orde maken van de autopapieren en het verstoppen van de pakketjes in het dashboard van de auto. [betrokkene 3] regelde de chauffeur, [betrokkene 4], om met de geprepareerde auto naar Turkije te rijden. [betrokkene 3] zou met het vliegtuig naar Turkije gaan en [betrokkene 4] aldaar opvangen. [betrokkene 6] wist dat de auto was geprepareerd, immers [betrokkene 3] heeft op 4 maart 2013 met [betrokkene 6] besproken dat de pakketjes die ze samen hadden gedaan langer en smaller gemaakt moesten worden en ze bespraken welke garage de auto kon maken. Ook werd tijdens een observatie gezien dat [betrokkene 6] op 2 maart 2013 met zijn knokkels meerdere keren op de bovenzijde van de gehele rechterhelft van het dashboard sloeg. [betrokkene 3] en [betrokkene 6] hebben de geprepareerde auto met daarin de drugs op 2 maart 2013 naar Kerpen, Duitsland gebracht, van waaruit [betrokkene 4] de reis naar Turkije op zich heeft genomen. Op 7 maart 2013 is [betrokkene 4] met de auto vanuit Kerpen, Duitsland, via Oostenrijk, Slovenië, Kroatië, Servië en Bulgarije, naar Turkije gereden, alwaar hij op 8 maart 2013 aankwam. Gedurende deze periode onderhield [betrokkene 3] met regelmaat contact met [betrokkene 4] en met [betrokkene 6] over het verloop van de reis naar Turkije.

Vanaf de Turkse grens vond een gecontroleerde aflevering plaats. In Turkije heeft [betrokkene 4] contact gehad met twee Turkse mannen. Op dat moment zijn [betrokkene 4] en de twee Turkse mannen aangehouden door de Turkse politie. Deze trof een hoeveelheid van 4,3 kilogram pillen bevattende MDMA, oftewel ongeveer 21.000 XTC-pillen, in een verborgen ruimte in het dashboard van de auto aan. Het is het hof uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet duidelijk geworden of [betrokkene 5] daadwerkelijk na het verstrekken van het monster ook deze pillen heeft aangeleverd. Na de aanhouding van [betrokkene 4] kon [betrokkene 3] geen contact meer met hem krijgen, waardoor hij begreep dat er iets mis was gegaan. Hij is samen met [betrokkene 6] naar Turkije gegaan om uit te zoeken wat er aan de hand was en om geld op te halen. Uit tapgesprekken blijkt dat niet alleen [betrokkene 3], maar ook [betrokkene 6] een financieel belang bij het transport van de pillen had.

[betrokkene 3] sms’t op 10 maart 2012 naar [verdachte] dat zij hem een loer hebben gedraaid en er wordt door [medeverdachte 4] contact opgenomen met [betrokkene 2], die meedeelt dat zij in Istanbul veel invloed hebben. Later zoekt [betrokkene 6] contact met [betrokkene 2] om hem en [betrokkene 1] te bedanken.

(…)

- De organisatie houdt zich bezig met de internationale handel in hennep

Door de organisatie werd niet alleen nationaal maar ook internationaal gehandeld. Een voorbeeld hiervan is de levering van 5 kilo weed naar Duitsland.

In april 2013 heeft [betrokkene 3] contact met [betrokkene 7] in Duitsland over de levering van vijf kilo weed. De weed is aan [betrokkene 3] en [verdachte] geleverd, waarbij [betrokkene 8] voor [betrokkene 3] garant heeft gestaan. [betrokkene 7] heeft [betrokkene 3] laten weten dat het geld klaarligt. [medeverdachte 4] heeft [medeverdachte 10] bereid gevonden om tegen betaling de weed in zijn auto, een Audi A6 met Duits kenteken [kenteken 2], naar Duitsland te brengen. Op 22 april 2013 hebben [betrokkene 3] en [medeverdachte 4] een sporttas met weed in de kofferruimte van hun Mini Cooper met kenteken [kenteken 3] gelegd. Ze zijn vanuit Tilburg naar Venlo gereden en [medeverdachte 10] is achter hen aangereden. Bij Venlo/Tegelen zijn ze naar MacDonalds gegaan, alwaar [medeverdachte 4] op de parkeerplaats de tas met weed uit de Mini heeft gehaald en in de kofferbak van de Audi van [medeverdachte 10] heeft gelegd. Vervolgens zijn beide auto's achter elkaar aan naar Frankfurt am Main/Duitsland gereden. Daar zijn ze gestopt op een parkeerplaats bij een sportschool. De tas werd uit de kofferbak van de Audi gehaald en aan een Turkse man overgedragen. In de tas zat een hoeveelheid van ongeveer 6 kilogram weed. De man heeft de weed meegenomen, maar de betaling is uitgebleven. [betrokkene 8] is boos geworden, omdat hij borg stond en hieraan een schuld zou overhouden. [betrokkene 3] en [verdachte] zijn op 26 april 2013 naar Duitsland gegaan om te proberen het geld te krijgen. Ze hebben doodsbedreigingen geuit richting [betrokkene 7] om hem te dwingen tot de afgifte van geld.

Op 27 april 2013 heeft [betrokkene 3] contact opgenomen met [betrokkene 7] om druk op hem uit te oefenen. Hierbij uitte hij bedreigingen, waaronder: ‘Maak mij niet woest, anders kom ik daarheen. Ik hakje kop af en ‘Niemand zal je redden uit mijn klauwen, je krijgt tot maandag de tijd’. Toen dat niet voldoende bleek te helpen, heeft [verdachte] met instemming van [betrokkene 3] bedreigingen naar [betrokkene 7] geuit om hem tot betalen te dwingen.

- De organisatie houdt zich bezig met de nationale handel in hennep

Een voorbeeld van de deze nationale handel is zaak 6 die het volgende inhoudt. Uit de verklaring van [betrokkene 9] (verder: [betrokkene 9]) volgt dat hij een klus zou doen voor [medeverdachte 2] en [betrokkene 3]. Daarbij ging het volgens hem om het vervoeren van hennep naar Eindhoven. [betrokkene 9] heeft de hennep opgehaald bij de vader van [medeverdachte 2] alwaar [medeverdachte 2] zelf ook aanwezig was. Onderweg naar Eindhoven is de hennep geript, althans dit is door [betrokkene 9] meegedeeld. [betrokkene 9] heeft [medeverdachte 2] hierover opgebeld, waarna [medeverdachte 2] samen met [betrokkene 3] en nog een persoon hem is gaan ophalen. De verklaring dat [betrokkene 9] hennep vervoerde voor [medeverdachte 2] en [betrokkene 3], wordt niet alleen ondersteund door het feit dat [betrokkene 9] na de rip door hen is opgehaald, maar ook uit de tapgesprekken waaronder het gesprek van 4 januari 20142 te 18.14 uur tussen [medeverdachte 11] en [medeverdachte 2] en het gesprek van 5 januari 2013 van 14.48 uur tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 10]. Daaruit blijkt immers dat zij beiden aangeven te zijn geript. Daar komt bij dat uit de tapgesprekken blijkt dat [betrokkene 3] en [medeverdachte 2] zich beiden intensief hebben bemoeid met het terughalen van de hennep, hetgeen zonder enig eigen belang daarbij naar het oordeel van het hof niet voor de hand ligt. Op grond van de verklaring van [betrokkene 9], [betrokkene 3], alsmede de tapgesprekken waaronder het gesprek van 4 januari 2013 te 14.52 uur tussen [verdachte] en [betrokkene 11], stelt het hof vast dat de door [betrokkene 9] te vervoeren hoeveelheid hennep minimaal zes kilo bedroeg.

Op 3 januari 2013 heeft er een rip plaatsgevonden van een partij hennep die aan [betrokkene 3] en [medeverdachte 2] toebehoorde. Daarbij zouden [betrokkene 12] en [betrokkene 13] betrokken zijn geweest. Uit de diverse tapgesprekken die in het dossier zijn gevoegd, volgt dat naar aanleiding hiervan diverse gesprekken met [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] en/of de vrouw van [betrokkene 13] zijn gevoerd door [betrokkene 3], [medeverdachte 2] en [verdachte]. Hieruit blijkt dat [verdachte] op 4 januari 2013 is gaan informeren naar [betrokkene 13] omdat hij gisteren iets zou hebben meegenomen en dat hij dit moet teruggeven omdat het anders een probleem wordt. Tegen ene [betrokkene 11] heeft hij, [verdachte], vervolgens gezegd dat hij [betrokkene 13] op moet bellen en hem moet zeggen dat het niet het werk van [medeverdachte 2], [betrokkene 3] ofzo is, maar van [verdachte] en dat hij één uur heeft en zij anders langs komen en dat dit de enige waarschuwing is. Verder heeft [verdachte] in dit gesprek tegen die [betrokkene 11] gezegd dat hij ze lekker op moet naaien op een panische toon ‘zodat de flikker bang wordt’. Hij moet verder zeggen dat als hij niet binnen het uur komt, ze naar hem komen, naar het adres dat ze hebben achterhaald en ‘dat ze geen mededogen hebben met zijn moeder, vader, zus of wat dan ook en dat ze ze zullen neuken.’ Verder blijkt uit een aantal gesprekken tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] dat [verdachte] [medeverdachte 2] heeft geïnstrueerd over wat hij moet doen en wat hij tegen [betrokkene 12] moet zeggen. Zo moet [medeverdachte 2] van [verdachte] tegen [betrokkene 12] zeggen dat de tijd nadert en dat hij ze niet meer tegen kan houden. [medeverdachte 2] moet er druk op zetten van [verdachte]. In de avond van 4 januari 2013 heeft [verdachte] zelf met [betrokkene 12] gesproken en heeft tegen hem gezegd dat hij [medeverdachte 2] niet meer hoeft te bellen omdat hij vanaf nu zijn gesprekspartner is. In dit gesprek wordt tevens een afspraak gemaakt om elkaar te treffen in [B]. Over deze ontmoeting heeft [betrokkene 12] verklaard dat hij [verdachte] samen met [medeverdachte 2] en [betrokkene 3] zag binnenkomen. [betrokkene 12] wilde tegen [verdachte] vertellen dat hij niets met de ripdeal te maken had, maar dat wilde hij niet horen. Toen de eigenaar aan de tafel kwam om te zeggen dat het rustiger moest, trok [verdachte] een vuurwapen uit zijn broeksband en liet dit zien aan degenen die achterin het restaurant waren.

Dat [verdachte] een vuurwapen naar [betrokkene 12] heeft getrokken volgt ook uit het OVC-gesprek 27 januari 2013.

Nadat [betrokkene 12] er op 5 januari 2013 vier heeft gegeven, heeft [verdachte] met [betrokkene 13] gesproken en hem gezegd dat wat er is gebracht niets is en dat het als het zo doorgaat alleen maar erger en erger wordt en zij hem een kans geven.

Verder blijkt uit deze gesprekken dat [betrokkene 3] een gesprek met [verdachte] heeft gevoerd op 6 januari 2013 waarin hij zegt, dat hij heeft gezegd dat het er samen vijf zijn met je dinges en dat hij tot 15 uur de tijd heeft. Ook heeft [betrokkene 3] zelf gesprekken met [betrokkene 12] gevoerd waarin hij o.a. op 7 januari 2013 heeft gezegd: ‘Die vijf hoef je niet meer te brengen, kijk maar eens wat er met jou gaat gebeuren’, en dat er niet meer gerekt kan worden en het anders echt gaat escaleren. In een gesprek tussen hen op 8 januari 2013 zegt [betrokkene 12] tegen [medeverdachte 4] dat [medeverdachte 2] tegen hem heeft gezegd dat hij tot donderdag de tijd heeft en dat hij dan betaald moet hebben.

(…)

- De organisatie houdt zich bezig met het telen van hennep

Bij doorzoekingen in het kader van het onderzoek Kapel zijn op diverse plaatsen in werking zijnde hennepkwekerijen aangetroffen. Hieronder worden twee voorbeelden genoemd.

(…)

- De organisatie houdt zich bezig met afpersing(en) en/of diefstal met geweld

De organisatie schrikt er niet voor terug om via afpersing dan wel diefstal met geweld inkomen te verwerven. Een voorbeeld hiervan is zaak 12, waarbij [verdachte] een aantal niet bij de organisatie horende personen inschakelt om een diefstal met geweld/afpersing te plegen en daartoe opzettelijk voorwerpen voorhanden heeft gehad. Tevens wordt in afgeluisterde gesprekken gesproken over drugs en wordt zowel in de nationale als internationale handel overgegaan tot afdreiging wanneer drugs niet zijn betaald of gestolen.

(…)

- De organisatie bedreigt personen (bijvoorbeeld om te voorkomen dat zij getuigen)

In het kader van de organisatie worden door diverse personen bedreigingen geuit.

Voorbeelden hiervan zijn de hierboven genoemde zaak waarin [betrokkene 9] 6 kilogram hash was kwijtgeraakt, hetgeen uiteindelijk uitmondt in bedreigingen door [verdachte] en bedreigingen die gericht zijn richting [betrokkene 7] nadat drugs die naar Duitsland zijn uitgevoerd niet zijn betaald.

Tevens worden bedreigingen geuit jegens personen die voor de organisatie handelingen hebben verricht teneinde te bewerkstelligen dat tegenover de politie geen uitlatingen worden gedaan over personen uit de organisatie. Een voorbeeld hiervan is de verklaring van [betrokkene 14] die een hennepkwekerij heeft gehad op de [a-straat 1] in Tilburg en vervolgens nadat deze hennepkwekerij is ontmanteld tot twee keer toe wordt bedreigd. Hij heeft hierover onder ede een verklaring afgelegd tegenover de raadsheer-commissaris ter gelegenheid van een rogatoir verhoor in Antwerpen.

- De organisatie heeft de beschikking over wapens

Op 19 oktober 2012 zijn in de woning aan de [b-straat 1] te [plaats], waar onder meer [betrokkene 1] en [betrokkene 15] verbleven, twee vuurwapens en bijbehorende munitie aangetroffen. Uit de hierboven genoemde, in het licht van de criminele organisatie gepleegde feiten komt tevens naar voren dat ook [verdachte] en [medeverdachte 11] de beschikking hadden over vuurwapens. Zo had [verdachte] een wapen mee naar restaurant [B] in het kader van een bedreiging in de hiervoor genoemde zaak 6 en hebben [verdachte] en [betrokkene 3] een wapen geleverd aan een aantal personen om hiermee een beroving te laten plaatsvinden en ook had [verdachte] een wapen voorhanden in zijn woning. Bij [medeverdachte 11] werden wapens en munitie aangetroffen waarvan [medeverdachte 11] ook heeft verklaard dat het zijn wapens waren (zaak 16).

Op de vloer voor de bank waar [betrokkene 1] op lag, werd een vuurwapen aangetroffen dat binnen zijn handbereik lag. Dit betrof een vuurwapen van het merk Walther, type P22, kaliber .22 Ir. De hamer was gespannen en er zat een patroon in de kamer. [betrokkene 1] had dit wapen doorgeladen zodat het klaar was voor gebruik, omdat hij dacht dat zijn vijanden voor de deur stonden. Voorts werd in de bank die in de breedte van de woonkamer stond, nog een vuurwapen met houder aangetroffen. Dit betrof een vuurwapen van het merk Sig, model 210, kaliber 9mm para. Beide wapens betroffen vuurwapens in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. Bij de wapens werden patroonhouders met daarover verdeeld 16 centraalvuur kogelpatronen kaliber 9 mm Luger van het merk Sellier & Bellot en 19 randvuur kogelpatronen kaliber .22 Ir aangetroffen. Van deze randvuur kogelpatronen zijn 9 stuks van het merk Remmington en 10 stuks van het merk Omark. Alle munitie is geschikt voor vuurwapens van categorie III en derhalve munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie (zaak 4).

(…)

De leden van de criminele organisatie

Op grond van de uit het dossier naar voren komende bewijsmiddelen komt naar voren dat de organisatie (tenminste) vier prominente leden had. Deze leden zijn [betrokkene 1], [medeverdachte 11], [betrokkene 2] en (in het bijzonder in relatie tot aan te wenden geweld) [verdachte]. Verder had de organisatie nog een aantal leden die vooral uitvoerend bezig waren: [betrokkene 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6]. Het hof geeft eerst een overzicht van bewijsmiddelen die betrekking hebben op het functioneren van de criminele organisatie, zijnde een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon, waarna per persoon nader op de rol van de personen zal worden ingegaan.

(…)

De deelnemers aan de organisatie

Met betrekking tot het samenwerkingsverband blijkt naar het oordeel van het hof dat er "een breuk" is ontstaan in de samenwerkingsverband. In december 2012 is er onenigheid ontstaan tussen [medeverdachte 11] en [betrokkene 1]. [medeverdachte 11] heeft kennelijk iets gedaan dat [betrokkene 1] niet zinde. [medeverdachte 11] wilde daarna geen contact meer met [betrokkene 1], hij nam geen contact meer met hem op en reageerde niet meer op berichten van [betrokkene 1]. [medeverdachte 11], zo volgt uit tap- en OVC-gesprekken, wilde zich terugtrekken uit de criminele activiteiten. Vervolgens hebben ook [verdachte] en [betrokkene 2] ruzie gekregen met [betrokkene 1]. Er is duidelijk sprake van een vertrouwensbreuk. Deze vertrouwensbreuk heeft plaatsgevonden medio mei 2013. Na deze vertrouwensbreuk is de criminele organisatie zonder [betrokkene 1] en [medeverdachte 6] verder gegaan. Gebleken is dat ook [medeverdachte 11] hierin uiteindelijk toch verder gaat. Degenen die in de voortgezette criminele organisatie de meeste zeggenschap hebben, zijn [betrokkene 2], [verdachte] en [medeverdachte 11]. In een OVC-gesprek heeft [betrokkene 2] de voortzetting als volgt verwoord: "wat zeg ik tegen de meester? Wij drieën, [verdachte] ook, wij vormen een geheel. Tussen ons is er geen sprake van bedrog, niemand kan ons scheiden".

[betrokkene 1]

Door het hof wordt [betrokkene 1] beschouwd als een prominent lid van de groep. Uit de bovenstaande bewijsmiddelen komt naar voren dat hij door de anderen van de groep wordt aangeduid als meester. [betrokkene 1] heeft voortdurend mensen om zich heen uit de groep die hem helpen en verzorgen. [betrokkene 1] is voortdurend bewapend. Wanneer [betrokkene 1] wordt gearresteerd, wordt (de financiering van) een advocaat voor hem geregeld en is [verdachte] bereid om de zaak van het bezit van het vuurwapen op zich te nemen. [betrokkene 1] wordt op belangrijke momenten geraadpleegd door de leden van de groep, in het bijzonder als er problemen optreden, en verdachte heeft in die zin gezag binnen de organisatie en in die zin behoort hij tot de organisatie/het samenwerkingsverband en had hij een aandeel in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Anders dan de rechtbank ziet het hof [betrokkene 1] echter niet als de leider van de gehele groep omdat voldoende redengevend bewijs daarvoor ontbreekt, maar verdachte vormt tezamen met enkele anderen wel een vooraanstaand en gerespecteerd lid van de groep.

(…)

[verdachte]

Uit gesprekken zoals afgeluisterd in de sportschool en via de telefoon blijkt dat [verdachte] op de hoogte is van het reilen en zeilen van de organisatie, daar ook initiatieven in neemt en het gebruik van geweld niet schuwt. Hij is ook degene die het geweld daadwerkelijk zelf uitoefent of dreigt dat te doen. Tevens is hij één van degenen die wordt geraadpleegd wanneer er zich problemen voordoen binnen de organisatie. [verdachte] is betrokken bij drugshandel, bedreigingen en het organiseren van een gewapende overval (die door ingrijpen van de politie geen doorgang heeft gevonden). [verdachte] heeft regelmatig contact met andere leden van de groep waaronder, naast [betrokkene 1], [betrokkene 3], [betrokkene 2] en [medeverdachte 2]. Ook hij heeft gelijk [betrokkene 1] en [medeverdachte 11] een prominente, gezaghebbende rol binnen de organisatie. Daardoor behoort verdachte [verdachte] naar het oordeel van het hof tot de organisatie/het samenwerkingsverband en had hij een aandeel in, dan wel ondersteunde hij gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.”

13. De steller van het middel betoogt dat het hof door het onderdeel “zulks terwijl hij, verdachte, leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was” bewezen te verklaren de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Door het onderdeel toe te voegen en te betrekken in de bewijsoverweging en de strafmotivering, kan niet worden gezegd dat de grondslagverlating van ondergeschikt belang is geweest voor de bewezenverklaring, aldus de steller van het middel.

14. De grondslagleer brengt in essentie mee dat de rechter bij de bewijsvraag niet buiten de oevers van de tenlastelegging mag treden en aldus niet meer of anders bewezen mag verklaren dan ten laste is gelegd. Doet hij dat wel, dan is in de regel sprake van grondslagverlating. Daarbij moet worden bedacht dat de uitleg van de tenlastelegging is voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie moet worden geëerbiedigd zolang die uitleg niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.3 De kwalificatie dient op haar beurt haar grondslag te vinden in de bewezenverklaring, al is bij de kwalificatiebeslissing geen sprake van een soortgelijke gebondenheid aan de keuzes van de opsteller van de tenlastelegging als bij de bewijsvraag.4

15. Het onder 2 ten laste gelegde is toegesneden op het bepaalde in art. 140, eerste lid, Sr en art. 11 a Opiumwet (oud). Niet ten laste gelegd is de in art. 140, vierde lid, Sr en in art. 11a, derde lid, Opiumwet (oud) bedoelde strafverzwarende omstandigheid die geldt ten aanzien van de oprichters, leiders of bestuurders van de organisatie. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard – kort gezegd – dat hij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 15 mei 2013 met zeven anderen heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, terwijl de verdachte leider en/of bestuurder was van die organisatie. Het gaat om een organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven als bedoeld in art. 10, derde, vierde en vijfde lid en/of artikel 11, vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet, als ook om andere misdrijven zoals afpersing, diefstal met geweld, het plegen van bedreigingen en verboden wapenbezit. Op basis daarvan gaat het hier om een veroordeling wegens deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr. Het bewezen verklaarde feit is dienovereenkomstig gekwalificeerd als deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

16. De steller van het middel merkt terecht op dat het de rechter niet vrijstaat om bewezen te verklaren dat de verdachte de leider en/of bestuurder was van de organisatie ingeval dat onderdeel niet is ten laste gelegd. In zoverre gaat de bewezenverklaring bij letterlijke lezing de oevers van de tenlastelegging te buiten. Daarover klaagt het middel op zichzelf terecht.

17. De vraag rijst of de bewezenverklaring zich in die zin leent voor verbeterde lezing, dat daaruit de zinsnede “zulks terwijl hij, verdachte, leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was” wordt weggedacht. Daarbij stel ik voorop dat de toevoeging in de bewezenverklaring geen gevolg kan zijn van een verbeterde lezing van de tenlastelegging door het hof. In de omschrijving van het ten laste gelegde in de bestreden uitspraak is voor een dergelijke verbeterde lezing geen steun te vinden, terwijl met een dergelijke lezing het strafrechtelijk verwijt zoals dat in de tenlastelegging is verwoord in strijd met de grondslagleer zou worden uitgebreid.5 Ik houd het ervoor dat het hof de toevoeging van de zinsnede “zulks terwijl hij, verdachte, leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was” bij kennelijke vergissing heeft opgenomen en dat de bewezenverklaring zich in zoverre leent voor verbeterde lezing. Daartoe merk ik het volgende op.

18. Uit de bewijsoverwegingen van het hof blijkt dat het hof [betrokkene 1], [medeverdachte 11], [betrokkene 2] en (in het bijzonder in relatie tot aan te wenden geweld) de verdachte heeft aangewezen als prominente leden van de organisatie. Meer specifiek ten aanzien van [betrokkene 1] overweegt het hof, in afwijking van de rechtbank, geen aanleiding te zien hem als leider van de groep aan te wijzen. Uit de overwegingen van het hof ten aanzien van de rol van de verdachte kan vervolgens worden afgeleid dat het hof een vergelijkbare – prominente – rol aan de verdachte heeft toegedicht en ook hem dus niet als leider of bestuurder heeft willen aanwijzen. Voor zover de steller van het middel aanvoert dat het hof in de bewijsoverwegingen heeft betrokken dat de verdachte leider en/of bestuurder van de organisatie was, gaat hij aldus uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest.

19. Ook de kwalificatie wijst erop dat de bewezenverklaring een kennelijke misslag bevat. Het bewezen verklaarde feit is immers gekwalificeerd als deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (art. 140, eerste lid, Sr), zonder de toevoeging van het derde lid ten aanzien van leiders of bestuurders van de organisatie. Als geen sprake zou zijn van een kennelijke misslag, valt niet in te zien waarom het hof het bewezen verklaarde aldus heeft gekwalificeerd. Daarbij komt dat ook in de zaken tegen enkele medeverdachten bij kennelijke misslag de zinsnede “zulks terwijl hij, verdachte, leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was” in de bewezenverklaring is opgenomen. Het gaat dan niet slechts om een medeverdachte die – evenals de verdachte – als prominent lid wordt aangewezen door het hof,6 maar ook om een medeverdachte wiens rol evident als ondersteunend kan worden aangemerkt.7 Anders dan de steller van het middel aanvoert, leidt de strafmotivering niet tot andere inzichten. In dat verband overweegt het hof dat de organisatie bestond uit de leden [betrokkene 1], [medeverdachte 6], [medeverdachte 11], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [medeverdachte 4], [verdachte] en [medeverdachte 2] en dat die personen binnen de organisatie in wisselende samenwerking opereerden, terwijl de strafmotivering geen indicatie bevat dat het hof in strafverzwarende zin rekening zou hebben gehouden met een eventuele leidinggevende of bestuurlijke rol van de verdachte.

20. Gelet op het voorafgaande, leent de bewezenverklaring zich voor een verbeterde lezing, in die zin dat de zinsnede “zulks terwijl hij, verdachte, leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was” daaruit wordt weggelaten. Daardoor komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen.

21. Het middel faalt.

22. Het tweede middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van de onder 2 ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie ontoereikend is gemotiveerd, voor zover inhoudend dat in de bewezen verklaarde periode sprake is geweest van het oogmerk van de organisatie op het telen van hennep.

23. De bewezenverklaring onder 2 is hiervoor onder 10 geciteerd.

24. Ook voor de beoordeling van dit middel zijn de overwegingen van het hof, zoals hiervoor onder 11 geciteerd, relevant, in het bijzonder onder het gedachtestreepje ‘De organisatie houdt zich bezig met het telen van hennep’. In dat verband noemt het hof twee voorbeelden (zaak 15 en zaak 18) en neemt daartoe de bewijsmiddelen op p. 58 tot en met 69 van het arrest op. Uit de bewijsmiddelen ten aanzien van zaak 15 blijkt uit processen-verbaal van bevindingen onder meer dat op 13 september 2013 op het adres De Lobbert 54 in Heusden-Zolder een wietplantage is aangetroffen. Ten aanzien van zaak 18 blijkt dat aan de [a-straat 1] in Tilburg op 1 oktober 2013 twee kweekruimtes zijn gevonden. Voor het overige bestaan de bewijsmiddelen hoofdzakelijk uit OVC- en telefoongesprekken tussen personen die met de organisatie in verband worden gebracht.

25. Het oordeel van het hof dat sprake was van een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven wordt in cassatie niet bestreden. Hetzelfde geldt voor het oordeel dat de verdachte in zijn algemeenheid wist van dat oogmerk van de organisatie.8 Het middel concentreert zich op het oordeel van het hof dat de organisatie in de bewezen verklaarde periode (ook) het telen van hennep tot oogmerk had.

26. Art. 140 Sr stelt strafbaar het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Het moet hierbij gaan om meer dan één misdrijf. Niet vereist is dat al een of meer misdrijven zijn begaan of dat daartoe concrete voorbereidingen zijn getroffen.9 Het bestanddeel dat de criminele organisatie ‘tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ wordt door de Hoge Raad ruim uitgelegd.10 Het oogmerk van de organisatie – waartoe ook het naaste doel dat de organisatie nastreeft moet worden gerekend11 – behoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zal uit de bewijsmiddelen moeten “blijken”.12 Voor het bewijs van het oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.13

27. Voor zover de steller van het middel klaagt dat de bewijsmiddelen waarnaar het hof in verband met het de hennepteelt heeft verwezen – behoudens een aantal opgenomen telefoongesprekken van 26 en 27 februari 2013 – geen betrekking hebben op de bewezen verklaarde periode, wijs ik erop dat voor een veroordeling wegens art. 140 Sr niet is vereist dat de misdrijven waarop de organisatie het oogmerk had, tijdens de bewezen verklaarde periode reeds zijn begaan. Voor zover het middel berust op een ander uitgangspunt, kan het niet slagen omdat het berust op een eis die het recht niet kent.

28. Daarbij komt dat het hof opgenomen en afgeluisterde gesprekken van 26 en 27 februari tot het bewijs heeft gebezigd14 die duiden op een hennepkwekerij en waarbij onder meer wordt gesproken over twee tot drie oogsten tot de zomer. Besproken wordt dat het nog twee weken duurt voordat ‘het’ geknipt gaat worden. Die gesprekken hebben aldus plaatsgevonden binnen de bewezen verklaarde periode. [betrokkene 19] zegt in een van de gesprekken tegen [medeverdachte 2] dat het achter de woning van [betrokkene 20] is en dat er een of twee ‘negers’ verblijven, die de laatstgenoemde ook blijkt te hebben gezien ‘daar op de hoek’.15 Voorts blijkt dat [medeverdachte 2] heeft gebeld met een onbekende man. In dat gesprek zegt die man dat hij niet weet wat [medeverdachte 2] met [betrokkene 21] heeft besproken, maar dat zijn huis zijn huis is. Het nummer van die man behoort toe aan [betrokkene 14], geboren te [geboorteplaats] (Niger), wonende te Tilburg, [a-straat 1]. Die woning blijkt schuin achter de woning van [betrokkene 20] te zijn gelegen op een hoek. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 1 oktober 2013 op dat adres een hennepkwekerij is aangetroffen.16

29. Mede in het licht van de hiervoor weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen, acht ik het oordeel van het hof dat de criminele organisatie (ook) het oogmerk had op het telen van hennep niet onbegrijpelijk. Ook in zoverre is de bewezenverklaring naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.

30. Het middel faalt.

31. Het derde middel behelst de klacht dat het bewezen verklaarde medeplegen van de uitvoer van 6 kilogram hennep (feit 7) niet uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

32. Voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, is ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

“hij op 22 april 2013 te Tilburg en in Frankfurt en/of elders in Duitsland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 6 kg hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II”

33. De bewezenverklaring steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in het arrest op p. 49 tot en met 58.

34. De bestreden uitspraak bevat voorts, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, de volgende overweging ten aanzien van het bewijs:

“De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 7 ten laste gelegde. Volgens haar heeft verdachte geen enkele bijdrage geleverd aan dit feit, intellectueel noch materieel.

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen met betrekking tot zaak 11 stelt het hof in navolging van de rechtbank het volgende vast.

In april 2013 heeft [betrokkene 3] contact met [betrokkene 7] in Duitsland over de levering van vijf kilo weed. De weed is aan [betrokkene 3] en [verdachte] geleverd, waarbij [betrokkene 8] voor [betrokkene 3] garant heeft gestaan. [betrokkene 7] heeft [betrokkene 3] laten weten dat het geld klaarligt. [medeverdachte 4] heeft [medeverdachte 10] bereid gevonden om tegen betaling de weed in zijn auto, een Audi A6 met Duits kenteken [kenteken 2], naar Duitsland te brengen.

Op 22 april 2013 hebben [betrokkene 3] en [medeverdachte 4] een sporttas met weed in de kofferruimte van hun Mini Cooper met kenteken [kenteken 3] gelegd. Ze zijn vanuit Tilburg naar Venlo gereden en [medeverdachte 10] is achter hen aangereden. Bij Venlo/Tegelen zijn ze naar MacDonalds gegaan, alwaar [medeverdachte 4] op de parkeerplaats de tas met weed uit de Mini heeft gehaald en in de kofferbak van de Audi van [medeverdachte 10] heeft gelegd. Vervolgens zijn beide auto's achter elkaar aan naar Frankfurt am Main/Duitsland gereden. Daar zijn ze gestopt op een parkeerplaats bij een sportschool. De tas werd uit de kofferbak van de Audi gehaald en aan een Turkse man overgedragen. In de tas zat een hoeveelheid van ongeveer 6 kilogram weed. De man heeft de weed meegenomen, maar de betaling is uitgebleven. [betrokkene 8] is boos geworden, omdat hij borg stond en hieraan een schuld zou overhouden. [betrokkene 3] en [verdachte] zijn op 26 april 2013 naar Duitsland gegaan om te proberen het geld te krijgen. Ze hebben doodsbedreigingen geuit richting [betrokkene 7] om hem te dwingen tot de afgifte van geld.

Uit het voorgaande blijkt dat [verdachte] (mede)eigenaar was van de weed, dat hij een borg in de persoon van [betrokkene 8] heeft geregeld voor de levering van de weed en dat hij tijdens het transport van de verdovende middelen naar Duitsland op de hoogte werd gehouden van het verloop ervan. Nadat de weed op 22 april 2013 in Duitsland was afgeleverd, maar de betaling ervan uitbleef, werd verdachte door [betrokkene 3] ingeschakeld om samen met hem naar Duitsland te gaan en te proberen 'hun' geld in handen te krijgen. Verdachte had als (mede)eigenaar tevens een financieel belang bij het transport. Naar het oordeel van het hof - in navolging van de rechtbank - heeft verdachte aldus een wezenlijke bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan de uitvoer van de weed naar Duitsland. Derhalve acht het hof gelijk de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer zes kilogram hennep, wettig en overtuigend bewezen.”

35. Volgens de steller van het middel kan uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat sprake was van een gezamenlijke uitvoering met de verdachte. De omstandigheden dat de verdachte vier dagen later met [betrokkene 3] naar Duitsland is gegaan, zich met de situatie heeft bemoeid en zich voordoet als mede-eigenaar, zijn volgens de steller van het middel ‘achteraf’ en niet zonder meer voldoende om van een wezenlijke bijdrage aan het uitvoeren van de wiet op 22 april 2013 te kunnen spreken.

36. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor de kwalificatie ‘medeplegen’ vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Deze kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bestaat het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, dan rust op de rechter die desondanks oordeelt dat sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken, de taak in de bewijsvoering dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Als voorbeelden van gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht, noemt de Hoge Raad het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan en helpen bij de vlucht. In zijn oordeelsvorming kan de rechter onder meer rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het feit, maar noodzakelijk is dat niet. Zeker in andere, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest.17 Uit de meest recente rechtspraak van de Hoge Raad over medeplegen lijkt te kunnen worden afgeleid dat in toenemende mate het bestaan van een vooraf voor alle deelnemers duidelijk plan een relevant aandachtspunt kan zijn voor de beoordeling of sprake is van medeplegen.18 Ingeval sprake is van het gezamenlijk optrekken met het oog op het realiseren van een gezamenlijk plan kan sprake zijn van medeplegen, ook al zouden de gedragingen van de verdachte op zichzelf beschouwd niet als een bijdrage van voldoende gewicht aan het ten laste gelegde feit kunnen worden aangemerkt.19

37. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt niet dat de verdachte een bijdrage heeft gehad aan het daadwerkelijk uitvoeren van de drugs. Van een gezamenlijke uitvoering waaraan de verdachte heeft deelgenomen, blijkt aldus niet. Die omstandigheid staat op zichzelf niet aan het bewijs van medeplegen in de weg. Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte een “wezenlijke bijdrage van voldoende gewicht (heeft) geleverd aan de uitvoer van de wiet naar Duitsland” bovendien nader gemotiveerd. Daarbij wijs ik op het volgende.

38. Het hof heeft overwogen dat de verdachte mede-eigenaar van de partij hennep was. Die vaststelling vindt zijn grondslag in de bewijsmiddelen, die onder meer inhouden dat de verdachte in een telefoongesprek tegen [betrokkene 3] zegt dat hij [betrokkene 7] “als eigenaar van de zaak kan (…) bellen en wat druk op hem uitoefenen”.20 Daarnaast bevindt zich bij de bewijsmiddelen een OVC-gesprek van 7 april 2013 waarin de verdachte verslag doet van een gesprek dat hij met [betrokkene 3] heeft gehad, waaruit blijkt dat zij compagnons zijn, dat de verdachte bij alles wat [betrokkene 3] doet partner is en zelfs bij elke gram wiet die deze medeverdachte verkoopt een aandeel heeft. Ten aanzien van de partij wiet van ongeveer 6 kilogram is afgesproken dat deze aan [betrokkene 7] in Duitsland zou worden geleverd. Deze levering heeft plaatsgevonden op 23 april 2013, met behulp van de medeverdachte [medeverdachte 10] als chauffeur. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte betrokken is bij de voorbereiding daarvan. Zo blijkt uit de bewijsmiddelen dat [betrokkene 3] en de verdachte op 22 april 2013 aan het begin van de avond hebben gebeld en bespreken dat er ‘duizend’ aan de chauffeur is gegeven. [betrokkene 3] geeft aan dat hij nu voor de chauffeur rijdt en [medeverdachte 4] bij hem is en dat ze een adres hebben dat helemaal in Frankfurt is. Voorts heeft de verdachte [betrokkene 3] en [betrokkene 8] met elkaar in contact gebracht. Die [betrokkene 8] heeft als tussenpersoon opgetreden voor [betrokkene 3] en voor hem garant gestaan. Ten slotte is de verdachte, nadat de betaling uitbleef, samen met [betrokkene 3] naar Duitsland gegaan om het geld alsnog op te halen. Hij spreekt in dat verband van “mijn geld” en over zijn positie “als eigenaar van de zaak”.21

39. Uit de overwegingen van het hof, in samenhang met de bewijsmiddelen, volgt dat de rol van de verdachte verder ging dan zijn enkele bemoeienis met de betaling van de partij hennep. Het oordeel van het hof, dat inhoudt dat in het kader van de uitvoer van hennep sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking in verband waarmee de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van het voorafgaande niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat in de nadere bewijsvoering van het hof besloten ligt dat sprake was van een intensieve samenwerking, met name tussen de verdachte en [betrokkene 3], dat de verdachte als mede-eigenaar van de hennep gold en een significant financieel belang had bij de uitvoer, betrokken was bij de voorbereiding, contact heeft onderhouden tijdens de uitvoering en een prominente rol heeft gespeeld bij de pogingen het geldbedrag waarop hij aanspraak meende te maken te innen. De bewezenverklaring is in zoverre naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.

40. Het middel faalt.

41. Het vierde middel bevat de klacht dat het bewezen verklaarde medeplegen van een poging tot afpersing (feit 8) niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

42. Voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, is ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

“hij op 27 april 2013 te Tilburg of in Duitsland ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld NN [betrokkene 7] te dwingen tot de afgifte van ongeveer 40.000 euro, toebehorende aan die NN [betrokkene 7], daartoe die NN [betrokkene 7] opzettelijk dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: 'Ik hakje kop af en 'Mijn geld moetje regelen en je krijgt daarvoor tot maandag tijd... O wee als je het niet regelt! Dan kom ik je daar te grazen nemen, [betrokkene 7]! Heb je het gehoord? Degene die mij in deze toestand brengt, degene die hier verantwoordelijk voor is...' en 'Jij beseft niet met wie je aan het dansen bent! Niemand zal je redden uit mijn klauwen! Jij krijgt tot maandag tijd. Laten ze het met mijn moeder doen als ik dat jou of jouw kinderen niet betaald zet als maandag het geld niet klaar is!!!! Durf nog eens hier en daar een bericht achter te laten van datje er niets mee te maken hebt... Als je dat doet kom ik je hoofd eraf hakken! Maak mijn geld gereed anders maak ik je kapot' en 'Ik heb veel begrip getoond... Ik hou er niet van om bij het huis van iemand langs te gaan... Dat is wat mij betreft heilig... Ik weet overigens wel je huis... Deze maandag moetje ervoor zorgen dat het geld komt' en 'Mijn geld moet maandag hier zijn en je neef gaat anders maandagnacht om 12 uur op weg... Datje dat weet', terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.

43. De bewezenverklaring steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in het arrest op p. 52 tot en met 58.

44. De bestreden uitspraak bevat voorts, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, de volgende overweging ten aanzien van het bewijs:

“De verdediging heeft van het onder 8 ten laste gelegde feit vrijspraak bepleit. Volgens haar kan verdachte niet worden aangemerkt als medepleger.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe met de rechtbank het volgende.

Op grond van de gebruikte bewijsmiddelen met betrekking tot zaak 11 stelt het hof vast dat [verdachte] en [betrokkene 3] samen naar Duitsland zijn gegaan om te proberen hun geld van de onder feit 7 bewezen verklaarde transport van hennep in handen te krijgen. Op 27 april 2013 heeft [betrokkene 3] contact opgenomen met [betrokkene 7] om druk op hem uit te oefenen. Toen dat niet voldoende bleek te helpen, heeft [verdachte] met instemming van [betrokkene 3] doodsbedreigingen naar [betrokkene 7] geuit om hem tot betalen te dwingen.

Het hof is van oordeel dat op grond van de gebruikte bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing van [betrokkene 7] van ongeveer 40.000 euro.”

45. Ook voor de bespreking van dit middel zijn de vooropstellingen ten aanzien van het medeplegen, zoals hiervoor onder 36 weergegeven, relevant.

46. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat de verdachte één telefoongesprek heeft gevoerd met [betrokkene 7] zonder dat er doodsbedreigingen zijn geuit of anderszins wordt gedreigd. Een dergelijke rol kan bezwaarlijk als intellectuele en/of materiele bijdrage van voldoende gewicht worden aangemerkt aan een poging tot afpersing, terwijl een bijdrage van voldoende gewicht evenmin uit de overige gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, aldus de steller van het middel.

47. Voor zover de steller van het middel meent dat enkel de woorden van [betrokkene 3] in de bewezenverklaring zijn opgenomen, mist de klacht feitelijke grondslag. Uit de bewijsmiddelen kan immers worden opgemaakt dat het de verdachte is geweest die de woorden 'Ik heb veel begrip getoond... Ik hou er niet van om bij het huis van iemand langs te gaan... Dat is wat mij betreft heilig... Ik weet overigens wel je huis... Deze maandag moetje ervoor zorgen dat het geld komt' en 'Mijn geld moet maandag hier zijn en je neef gaat anders maandagnacht om 12 uur op weg... Datje dat weet' zelf heeft geuit in het telefoongesprek dat hij met [betrokkene 7] op 27 april 2013 voerde.22 Ook die – als bedreigend aan te merken – woorden zijn onderdeel van de bewezenverklaring. In zoverre faalt het middel dus.

48. Daarbij komt het volgende. Uit de bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat in het kader van de poging tot afpersing sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de medeverdachte [betrokkene 3] en de verdachte. Daaraan doet niet af dat de expliciete doodsbedreigingen door de medeverdachte [betrokkene 3] zijn geuit. Het gaat immers om een veroordeling wegens medeplegen. Bewezen is bovendien “door geweld en/of bedreiging met geweld”. Het gaat hier om de bewezenverklaring van het tezamen en in vereniging plegen van afpersing als bedoeld in art. 317, eerste en derde lid, Sr. In dat verband wijs ik nog op het volgende.

49. Het hof heeft overwogen dat de verdachte samen met [betrokkene 3] naar Duitsland is gegaan om alsnog geld te krijgen voor de uitgevoerde partij hennep (feit 7). Voorts heeft het hof vastgesteld dat [betrokkene 3] contact heeft opgenomen met [betrokkene 7] om hem onder druk te zetten en dat de verdachte met instemming van [betrokkene 3] doodsbedreigingen heeft geuit naar [betrokkene 7] om die tot betalen te dwingen. Of daadwerkelijk sprake is van doodsbedreigingen, kan in het midden blijven, omdat bewezen is verklaard “door geweld en/of bedreiging met geweld”. Uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat de verdachte en zijn medeverdachte het gezamenlijke plan hadden om het geld dat zij tegoed hadden van [betrokkene 7] op te gaan halen in Duitsland. De verdachte zegt daarover op 23 april 2013 tegen [betrokkene 3] dat hij zelf op vrijdag als hij klaar is met werken “naar de overzijde” toe gaat en “dat dan daar [zal] klaren”. Hij geeft aan dat “dat (…) dan tevens de push [is], de druk die we erachter zetten”.23 Twee dagen later belt de medeverdachte met [betrokkene 7] om aan te kondigen dat ze er de volgende dag om drie uur zullen zijn.24 Op 27 april belt de medeverdachte meermaals met [betrokkene 7]. In een van die gesprekken uit hij de (mede) in de bewezenverklaring genoemde dreigende woorden, onder meer “Klootzak! Luister [betrokkene 7], maak mij niet woest, anders kom ik daarheen. Ik hak je kop af”. Verder geeft hij meermaals aan dat [betrokkene 7] tot maandag de tijd krijgt.25 Later die dag overlegt de verdachte met [betrokkene 3] en stelt dat hij als eigenaar van de zaak [betrokkene 7] kan bellen en wat druk kan uitoefenen. [betrokkene 3] stemt daarmee in.26 Kort daarna vindt een telefoongesprek plaats tussen de verdachte en [betrokkene 7], waarin de laatstgenoemde vraagt om één of twee weken tijd om het af te handelen. De verdachte antwoordt dat die mogelijkheid er niet is, dat hij na maandag niets meer kan doen, dat hij liever niet bij iemands huis langsgaat omdat dat ‘heilig’ is wat hem betreft en dat hij overigens wel weet waar [betrokkene 7] woont. Verder zegt hij dat het geld er maandag moet zijn en ‘je neef’ anders maandagnacht om 12 uur op weg gaat.27 Het hof heeft deze uitlatingen, mede in samenhang met de uitlatingen van de medeverdachte [betrokkene 3], aldus kunnen uitleggen dat daarmee wordt gedreigd met geweld. Daarbij sluit aan dat de verdachte de volgende dag bij [betrokkene 3] verifieert of de dingen die hij de dag ervoor heeft gezegd behoorlijk invloed op hem – kennelijk doelend op [betrokkene 7] – hebben gehad.28

50. In het licht van het voorafgaande is het bewijs dat de verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van de poging tot afpersing van [betrokkene 7] naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.

51. Het middel faalt.

52. Het vijfde middel bevat de klacht dat het hof in verband met de opgelegde straf ten onrechte heeft overwogen dat de verdachte tot de dag van de aanhouding op 1 oktober 2013 verder is gegaan het de criminele organisatie, althans dat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd, omdat die voortzetting niet uit de bewezenverklaring blijkt.

53. Voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, heeft het hof de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

“Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie. Hierin werd gedurende een langere periode gehandeld in met name softdrugs, maar ook in harddrugs, waarbij tevens sprake was van export naar het buitenland. Daarnaast werden er hennepkwekerijen geëxploiteerd. De organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen [betrokkene 1], [medeverdachte 6], [medeverdachte 11], [betrokkene 2]. [betrokkene 3]. [medeverdachte 4], [verdachte] en [medeverdachte 2]. Met uitzondering van [betrokkene 1] kenden alle deelnemers elkaar reeds vóór het ontstaan van de criminele organisatie uit de Tilburgse Turkse gemeenschap. Zij zijn familie en/of vrienden van elkaar.

Op enig moment is er een vertrouwensbreuk ontstaan tussen [betrokkene 1] en [medeverdachte 6] en de overige deelnemers, en is de criminele organisatie vervolgens zonder hen verder gegaan tot 1 oktober 2013, de dag van de aanhouding. [verdachte] was betrokken bij de hennepteelt en was tevens degene die werd ingezet bij problemen in de criminele organisatie. [verdachte] schuwde hierbij geen geweld of dreiging met geweld door middel van o.a. het gebruik van vuurwapens.

Door deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid. Maar ook het criminele circuit waarvan deel wordt uitgemaakt. Andere vormen van criminaliteit worden door de deelnemers immers niet geschuwd, zoals het door middel van geweld achterhalen van geripte drugs of het afdwingen van betalingen. Diverse leden van de organisatie beschikten ook over wapens om zo nodig te gebruiken en om zichzelf of andere leden van de organisatie te beschermen.

Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij.

Gebleken is dat verdachte zich naast de deelname aan de criminele organisatie schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep, drugsgerelateerde afpersing, voorbereiding van een woningoverval en het bezit van diverse vuurwapens. De ernst van dergelijke feiten is reeds hiervoor aan de orde gekomen bij de bespreking van de criminele organisatie en het hof rekent verdachte die feiten dan ook zwaar aan.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft het hof acht geslagen op een Uittreksel van de Justitiële Informatiedienst d.d. 10 juli 2019, de verdachte betreffend, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor onder meer een Opiumwetdelict. Tevens blijkt daaruit dat hij eerder is veroordeeld op grond van de Wet wapens en munitie.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het vorenstaande en de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.”

54. In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat het hof de verdachte heeft vrijgesproken van de in de tenlastelegging opgenomen variant van deelneming aan een criminele organisatie zonder [betrokkene 1] en [medeverdachte 6] in de periode van 15 mei tot 1 oktober 2013. De vaststelling van het hof in de strafmotivering dat de verdachte is doorgegaan met de criminele organisatie tot 1 oktober 2013 is dan ook niet begrijpelijk, reden waarom de strafoplegging volgens de steller van het middel ontoereikend gemotiveerd is.

55. In verband met de strafoplegging heeft het hof overgewogen dat op enig moment een vertrouwensbreuk is ontstaan tussen [betrokkene 1] en [medeverdachte 6] en de overige deelnemers van de criminele organisatie en dat de organisatie vervolgens zonder hen verder is gegaan tot 1 oktober 2013, de dag van de aanhouding. Het hof heeft (slechts) de deelneming aan de criminele organisatie in de originele samenstelling – bestaande uit de in de bewezenverklaring genoemde zeven leden – bewezen verklaard.

56. Aan de steller van het middel moet worden toegegeven dat de strafmaatoverweging verwarring schept ten aanzien van het begrip ‘criminele organisatie’. In het onder 2 bewezen verklaarde gaat het daarbij immers om de criminele organisatie waarvan [betrokkene 1] en [medeverdachte 6] ook deel uitmaken. Het hof heeft vastgesteld dat medio mei 2013 een vertrouwensbreuk is ontstaan en dat de organisatie na mei 2013 niet in die samenstelling verderging.

57. Het voorafgaande betekent niet dat het middel slaagt. Het hof heeft in de straftoemeting kunnen meewegen dat de verdachte zich ook na medio mei 2013 samen met anderen – en deels met andere leden van de bewezen verklaarde criminele organisatie – heeft schuldig gemaakt aan strafbaar gedrag. De omvang van de bewezen verklaarde periode laat dan ook de mogelijkheid onverlet dat wel in een ander samenwerkingsverband strafbare handelingen kunnen plaatsvinden en hebben plaatsgevonden. De onder 6, 10 en 11 bewezen verklaarde feiten, die (deels) na medio mei 2013 zijn begaan, getuigen daar ook van. Daarbij wijs ik erop dat de verdachte tevens is veroordeeld wegens een negental andere strafbare feiten, die in verband kunnen worden gebracht met de strafbare feiten waarop het oogmerk van de organisatie was gericht. Het hof laat op zijn overweging dat de verdachte de organisatie (mede) heeft voortgezet volgen dat de verdachte betrokken was bij de hennepteelt en degene was die werd ingezet bij problemen in de criminele organisatie. Volgens het hof schuwde de verdachte hierbij geen geweld of dreiging met geweld door middel van het gebruik van vuurwapens. Kennelijk heeft het hof in het drietal bewezen verklaarde feiten waarvan de bewezen verklaarde periode doorloopt na het uiteenvallen van de criminele organisatie in zijn originele samenstelling bevestiging gezien dat de verdachte met diverse leden van de tot medio mei 2013 functionerende organisatie verder is gegaan met het plegen van strafbare feiten. Mede gelet op de aard van die feiten, te weten het telen van hennep, is dat oordeel niet onbegrijpelijk.29

58. Daarbij komt dat het middel wegens gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden. Het hof heeft in zijn strafoplegging rekening gehouden met de aard en de ernst van de strafbare feiten die ten laste van de verdachte bewezen zijn verklaard. In dat verband overweegt het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie waarin gedurende een langere periode gehandeld is in met name softdrugs, maar ook in harddrugs, waarbij tevens sprake was van export naar het buitenland en dat er daarnaast hennepkwekerijen werden geëxploiteerd. De overweging dat de verdachte de organisatie tot 1 oktober 2013 heeft voortgezet na de breuk met [betrokkene 1] en [medeverdachte 6] heeft betrekking op een periode van vierenhalve maand ten opzichte van de – door het hof als “langere periode” aangemerkte – bewezen verklaarde periode van 1 juni 2012 tot en met 15 mei 2013. Het onder 2 bewezen verklaarde betreft bovendien slechts een van de tien bewezen verklaarde feiten, waarvan drie feiten (deels) na medio mei 2013 hebben plaatsgevonden. Het gewraakte onderdeel van de straftoemeting is in het licht van de strafmotivering als geheel van zodanig ondergeschikte betekenis, dat een eventueel motiveringsgebrek niet tot cassatie hoeft te leiden.

59. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

60. Het zesde middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep niet tot gevolgen hoeft te leiden omdat deze overschrijding, gelet op de omvang en complexiteit van de zaak, gering is, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel onbegrijpelijk is.

61. Het hof heeft ten aanzien van de redelijke termijn in de strafmotivering het volgende overwogen:

“Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak, de vraag of verdachte al dan niet preventief is gedetineerd en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

De onderhavige zaak maakt deel uit van het omvangrijke onderzoek Kapel, waarin in totaal 28 personen als verdachten zijn aangemerkt. De redelijke termijn is aangevangen op 1 oktober 2013, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft in deze zaak vonnis gewezen op 18 september 2017. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Er is in eerste aanleg sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna twee jaar. Een deel van deze overschrijding vindt echter zijn rechtvaardiging in de omvang en de complexiteit van het onderzoek.

Verdachte heeft op 18 september 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 5 december 2019. Ook in hoger beroep is dus sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt iets meer dan twee maanden. Deze overschrijding is, gelet op de omvang en de complexiteit van de zaak, dermate gering dat het hof hieraan geen gevolg zal verbinden.

Aan de termijnoverschrijding in eerste aanleg zal het hof wel consequenties verbinden. Zonder schending van de redelijke termijn zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 jaren passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van na te melden straf.”

62. Het middel is slechts gericht tegen het oordeel van het hof ten aanzien van de redelijke termijn in hoger beroep. Het oordeel van het hof ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en de gevolgen daarvan wordt in cassatie niet bestreden. Bij de bespreking van het middel zal ik mij eveneens tot de fase van het hoger beroep beperken.

63. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende.

(i) Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 18 september 2017 hoger beroep heeft ingesteld.30

(ii) De verdachte is op 29 maart 2018 aangehouden31 en heeft vanaf deze datum tot en met 3 september 2018 in verband met de onderhavige zaak in voorlopige hechtenis verkeerd.

(iii) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 augustus 2018 volgt dat het hof termen aanwezig achtte om de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen onder de voorwaarden als vermeld in de afzonderlijk te minuteren beschikking, tot 3 oktober 2018. Bij die beschikking is bevolen dat de voorlopige hechtenis met ingang van maandag 3 september 2018 om 16:00 uur tot woensdag 3 oktober 2018 om 16:00 uur zal worden geschorst.

(iv) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2018 blijkt dat de voorzitter aldaar heeft opgemerkt dat de verdachte zich niet heeft gemeld. Op de daarop volgende zittingen verschijnt de verdachte niet.

(v) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 november 2019 en 21 november 2019 vermeldt als mededeling van de voorzitter dat het hof eerder de voorlopige hechtenis van de verdachte had geschorst, dat die schorsing inmiddels is opgeheven, maar dat de verdachte voortvluchtig is.

(vi) Het hof heeft de verdachte veroordeeld bij arrest van 5 december 2019.

64. Volgens de steller van het middel is het hof bij de beoordeling of de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden klaarblijkelijk en ten onrechte uitgegaan van een termijn van twee jaar. Hij stelt daartoe dat de verdachte in verband met de behandeling van deze zaak in hoger beroep grotendeels in voorlopige hechtenis verkeerde. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad geldt onder die omstandigheden een termijn van zestien maanden. Voor zover het hof ervan is uitgegaan dat de verdachte niet in voorlopige hechtenis verkeerde, getuigt dat oordeel volgens de steller van het middel van een onjuiste rechtsopvatting. Ook overigens is het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn slechts twee maanden bedraagt en dat hieraan geen gevolgen verbonden hoeven te worden, niet zonder meer begrijpelijk, aldus de steller van het middel.

65. Vooropgesteld kan worden dat voor de vraag of het recht van een verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, de vuistregels uit HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 dienen te gelden als richtsnoer. Voor de behandeling van de zaak in hoger beroep geldt het volgende. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak met een einduitspraak is afgerond binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld. In zaken die zich lenen voor toepassing van het jeugdstrafrecht en/of waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, geldt een termijn van zestien maanden. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn, omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.32

66. Voor de beoordeling van het middel is relevant wat moet worden verstaan onder een verdachte die in verband met de zaak ‘in voorlopige hechtenis verkeert’. Is daaronder mede begrepen de situatie waarin de verdachte gedurende een deel van de behandeling in hoger beroep uit hoofde van een bevel tot voorlopige hechtenis in detentie heeft verbleven en het overig deel op vrije voeten is geweest? Mijn ambtgenoot Hofstee is eerder op deze vraag ingegaan.33 De Hoge Raad heeft in de desbetreffende zaak geen uitsluitsel gegeven, omdat door of namens de verdachte in die zaak in hoger beroep geen verweer was gevoerd ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn. Wel heeft de Hoge Raad in een eerder arrest duidelijk gemaakt dat een situatie waarin de voorlopige hechtenis is geschorst niet is gelijk te stellen met die waarin de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert.34 Daaruit kan worden afgeleid dat niet de titel van voorlopige hechtenis, maar de feitelijke situatie maatgevend is. Dat sluit ook aan bij de ratio van het verschil in termijnen.

67. Vermeldenswaard is in dit verband ook HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:934. In deze zaak had de verdachte op 9 februari 2015 hoger beroep ingesteld en had het hof op 18 september 2018 einduitspraak gedaan. De verdachte bevond zich ten tijde van het instellen van hoger beroep in voorlopige hechtenis en werd op 16 maart 2017 in vrijheid gesteld. Het hof had kennelijk tot uitgangspunt genomen dat de verdachte niet in voorlopige hechtenis verkeerde, zodat de behandeling van de zaak behoorde te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel was ingesteld. De Hoge Raad oordeelde dit uitgangspunt niet begrijpelijk. Daarbij nam hij in aanmerking dat de verdachte tussen het instellen van hoger beroep en de uitspraak van het hof gedurende meer dan twee jaar in voorlopige hechtenis had verkeerd.

68. Uit dit arrest kan worden afgeleid dat de enkele omstandigheid dat de verdachte zich ten tijde van de einduitspraak niet in voorlopige hechtenis bevindt niet betekent dat de termijn van twee jaar geldt. Mijn ambtgenoot Aben merkt hierover terecht op dat een andere uitkomst onredelijk zou uitpakken in die gevallen waarin de verdachte eerst na ommekomst van zestien maanden na het instellen van het hoger beroep in vrijheid zou worden gesteld. In de regel is de redelijke termijn dan immers al verstreken, terwijl die overschrijding niet kan worden gecompenseerd door de verdachte in vrijheid te stellen. Lastiger wordt het indien de verdachte een beperkter deel van de tijd die de behandeling van het hoger beroep in beslag heeft genomen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zoals in de onderhavige zaak het geval is.

69. Een benadering waarbij de situatie op een bepaald moment, zoals op het moment van het instellen van het hoger beroep, maatgevend is, spreekt mij niet aan. Het gaat uiteindelijk om de daadwerkelijke duur van de vrijheidsbeneming uit hoofde van voorlopige hechtenis in verband met de strafzaak. Het hiervoor besproken arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:934 biedt steun aan deze laatstgenoemde benadering. De Hoge Raad heeft daarin immers de daadwerkelijke duur van de ondergane voorlopige hechtenis tijdens de behandeling in hoger beroep in aanmerking genomen en zich niet geconcentreerd op bepaalde momenten. Als de voorlopige hechtenis minimaal zestien maanden heeft geduurd, kan niet worden volgehouden dat de tweejaarstermijn geldt omdat de verdachte niet in voorlopige hechtenis verkeert. Heeft de daadwerkelijk ondergane vrijheidsbeneming uit hoofde van voorlopige hechtenis korter dan zestien maanden geduurd, dan zal dat anders kunnen liggen. Algemene regels zijn hiervoor bezwaarlijk te geven. Het ligt in de lijn van de rechtspraak van de Hoge Raad om de feitenrechter in dit opzicht de nodige speelruimte te laten ter beoordeling of zich de situatie voordoet dat de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert, zoals bedoeld in HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358. Daarbij lijkt mij betekenis toe te komen aan de verhouding tussen het deel dat in voorlopige hechtenis is ondergaan en het deel dat in vrijheid is doorgebracht.

70. Het hof heeft kennelijk tot uitgangspunt genomen dat de verdachte niet in voorlopige hechtenis verkeerde, zodat de behandeling van de zaak behoorde te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel was ingesteld. In het licht van de hiervoor onder 63 weergegeven omstandigheden van het geval, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte ongeveer 21 van de ruim 26 maanden die de behandeling van het hoger beroep in beslag heeft genomen in – deels zelf verkozen – vrijheid heeft doorgebracht. Voor zover het middel berust op de veronderstelling dat de verdachte zich tijdens de behandeling bij het hof “grotendeels” in voorlopige hechtenis bevond, mist het middel aldus feitelijke grondslag. Mede met inachtneming van de vrijheid die de feitenrechter in dit verband toekomt, acht ik het oordeel van het hof dat de termijn van twee jaar geldt noch onjuist noch onbegrijpelijk. Dat geldt evenzeer voor het mede daarop gebaseerde oordeel dat sprake is van een - gelet op de omvang en complexiteit van de zaak - geringe overschrijding van de redelijke termijn en dat met de constatering daarvan kan worden volstaan. Dat oordeel behoefde, mede in het licht van het zeer summiere verweer in hoger beroep, geen nadere motivering.

71. Het middel faalt.

Slotsom

72. De middel falen. De eerste vijf middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

73. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

74. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de eveneens met deze zaak samenhangende zaken 19/05606 ([betrokkene 2]), 19/05662 ([betrokkene 3]) en 19/05525 ([betrokkene 1]) is het cassatieberoep ingetrokken.

2 Bedoeld is kennelijk: 2013, AG.

3 HR 27 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0095, NJ 1996/126, rov. 6.2.2; HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2526; HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2187, NJ 2016/436 en HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1015. Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 205-206.

4 Vgl. uitvoeriger mijn conclusies ECLI:NL:PHR:2018:61 (onder 13 en 14), voorafgaand aan HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:381, NJ 2018/170 en ECLI:NL:PHR:2020:725 (onder 51-52) voorafgaand aan HR 10 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1753.

5 Vgl. HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9182 en daarover: B.F. Keulen & G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 462-463.

6 Zie de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 11] (19/05498).

7 Zie de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 6] (19/05777).

8 Vgl. HR 18 november 1997, NJ 1998/225 en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9814.

9 Zie ook de conclusie van mijn naamgenoot en voormalig ambtgenoot voorafgaand aan HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559, en J.H.J. de Vries-Leemans, Art. 140 Wetboek van Strafrecht, Arnhem: Gouda Quint 1995, p. 23-24.

10 A.N. Kesteloo, Strafbaarheid in de voorfase, Deventer: Kluwer 2015, p. 196.

11 Vgl. HR 8 mei 1978, LJN AC0341, NJ 1978/314; HR 6 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:AB9524, NJ 1993/100.

12 Vgl. HR 13 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC3222, NJ 1988/425, rov. 5.4

13 HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559.

14 Zie het bestreden arrest, p. 65-66.

15 Zie het bestreden arrest, p. 66.

16 Zie het bestreden arrest, p. 68.

17 Zie o.a. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. Mevis; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond; en HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:221, NJ 2020/141, m.nt. Vellinga.

18 Zie hierover uitgebreider de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voorafgaand aan HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187 (ECLI:NL:PHR:2019:1286). Vgl. ook zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:124, onder punt 15) voorafgaand aan HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:544 en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:472, onder punt 10), voorafgaand aan HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1162.

19 In dat verband kan worden gewezen op HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187, NJ 2020/140 m.nt. Vellinga. Zie in dit verband ook de noot van Rozemond onder HR 20 september 2016, NJ 2016/420 en W. Albers, T. Beekhuis & R. ter Haar, ‘Medeplegen: van wezenlijke bijdrage naar planverwezenlijking?’, DD 2020/23.

20 Zie het bestreden arrest, p. 55.

21 Zie het bestreden arrest, p. 55.

22 Zie het bestreden arrest, p. 55.

23 Zie het bestreden arrest, p. 53-54.

24 Zie het bestreden arrest, p. 54.

25 Zie het bestreden arrest, p. 54-55.

26 Zie het bestreden arrest, p. 55.

27 Zie het bewijsmiddel uit map Map 29 pagina's K 206 en K 207, op p. 55 van het arrest.

28 Zie het bewijsmiddel uit map Map 29 pagina's K 211, op p. 55 van het bestreden arrest.

29 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voorafgaand aan HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:2861, onder 10.

30 Uit een detentieoverzicht van 29 maart 2021 leid ik af dat de verdachte op dat moment niet was gedetineerd.

31 Zie ook het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 mei 2018.

32 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.7. m.nt. Mevis.

33 Zie zijn conclusie voorafgaand aan HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1094.

34 HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3731, NJ 2005/109.