Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:332

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-04-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
20/02164
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:982
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Onttrekking aan het verkeer van een (gevaarlijke) hond, art. 552f Sv en art. 36b.1.4 Sr. Voor een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer is geen plaats in de situatie dat de vervolging van de belanghebbende nog hangende is of de officier van justitie voornemens is een dergelijke vervolging in te stellen. Uit de gedingstukken rijst het ernstig vermoeden dat van deze situatie sprake is. Conclusie strekt daarom tot vernietiging van de beschikking en tot niet-ontvankelijkverklaring van de OvJ in zijn vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/02164 B

Zitting 6 april 2021

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[belanghebbende] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de belanghebbende.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 7 juli 2020 de vordering van de officier van justitie ex art. 552f Sv strekkende tot onttrekking aan het verkeer van een hond, Pitbull, grijs, genaamd [naam] , toegewezen.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de belanghebbende en mr. M.B. Brouwer, advocaat te Den Haag, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2 Het eerste middel

2.1.

Het eerste middel komt op tegen de ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vordering.

2.2.

De beschikking van de rechtbank luidt hieromtrent als volgt:


“De hond van belanghebbende is in beslag genomen na een bijtincident op 16 april 2020. De belanghebbende wordt ervan verdacht dat hij onvoldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier (artikel 425 Wetboek van Strafrecht).
(…)
Gelet op de conclusie van het Risk Assessment team dat de hond niet teruggegeven kan worden aan de eigenaar gezien de risico’s en gezien de diverse eerdere bijtincidenten, is de rechtbank van oordeel dat het ongecontroleerde bezit van de hond in strijd is met de wet en het algemeen belang omdat het bezit van de hond ertoe kan leiden dat de belanghebbende wederom een feit begaat soortgelijk aan het feit waarvan hij wordt verdacht, zoals bedoeld in artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht. Nu dit artikel ook ziet op de situatie dat de belanghebbende wederom een soortgelijk feit kan begaan indien de hond in zijn bezit is, is dit niet een situatie als bedoeld in de door de raadsman aangehaalde jurisprudentie en is de officier van justitie ontvankelijk in zijn vordering. De vordering van de officier van justitie is voor toewijzing vatbaar.”

2.3.

Uit het proces-verbaal van de behandeling van de vordering blijkt het volgende:


“De advocaat van belanghebbende voert het woord, verkort en zakelijk weergegeven:

Het Openbaar Ministerie dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering omdat het voornemen is belanghebbende strafrechtelijk te vervolgen en de onttrekking volgens jurisprudentie (HR 11 maart 1986, NJ 1986/574) dient te worden gekoppeld aan de hoofdzaak.
(…)
De officier van justitie voert het woord en concludeert tot toewijzing van de vordering.

Onttrekking aan het verkeer kan – als het honden betreft – ook plaatsvinden als er geen strafvervolging is. Er is sprake geweest van een bijtincident. Op basis daarvan kon de hond in beslag worden genomen. Er is sprake van recidive. (…)
De raadsman deelt hierop mee dat in de rechtspraak geen onderscheid wordt gemaakt tussen de onttrekking van honden of andere goederen zoals genoemd in 552f Sv. (…)
De officier van justitie voert andermaal het woord, verkort en zakelijk weergegeven:
(…) Bij andere goederen kan gemakkelijker de hoofdzaak worden afgewacht. Een hond is een levend dier. Het gevaar dat bestaat verwezenlijkt zich ook op dit moment. Aan het beslag zijn ook hoge kosten verbonden.”

2.4.

In het dossier bevindt zich een met deze zaak samenhangend klaagschrift ex art. 552a Sv namens de belanghebbende. Dit klaagschrift vermeldt het volgende:


“Klager is nog immer verdachte in onderhavige zaak, mede daar de Officier van Justitie dit te kennen heeft gegeven aan de advocaat van klager. Dit betekent ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad (HR11 maart 1986, NJ1986/574 en HR 28 januari 1986, NJ1986/551) dat het Openbaar Ministerie bij afzonderlijke beschikking niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering tot onttrekking, nu het Openbaar Ministerie nog steeds voornemens is om klager te vervolgen. De onttrekking dient volgens de Hoge Raad te worden gekoppeld aan de hoofdzaak en die zal vanwege het voornemen om klager te vervolgen nog moeten plaatsvinden.”

2.5.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat, zoals ook in het klaagschrift is gesteld en tijdens de zitting van 23 juni 2020 is herhaald, het openbaar ministerie volgens de Hoge Raad niet-ontvankelijk dien te worden verklaard nu de onttrekking niet aan de hoofdzaak is gekoppeld.1 De rechtbank heeft volgens de steller van het middel op onjuiste gronden geconcludeerd dat artikel 552f Sv en de uitleg die de Hoge Raad daaraan heeft gegeven in casu niet geldt indien er sprake is van een risico dat klager wederom een soort gelijk feit kan begaan indien de hond in zijn bezit is. Dat oordeel van de rechtbank geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het gaat er volgens de steller van het middel om dat de vordering in dit stadium te vroeg is gedaan, omdat in de hoofdzaak nog bepaald dient te worden of de belanghebbende überhaupt wel schuldig is aan de hem verweten strafbare gedraging. De hond blijft immers bij een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in haar vordering ex artikel 552f Sv nog steeds in beslag tot aan de behandeling van de hoofdzaak. De beslissing kan om deze redenen niet in stand blijven en dient vernietigd te worden, aldus de steller van het middel.

2.6.

Ik meen dat het middel slaagt en wel vanwege het volgende. Het gaat hier om een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer als bedoeld in art. 552f lid 2 Sv en art. 36b lid 1 onder 4 Sr. In laatstgenoemde bepaling is de mogelijkheid gegeven om voorwerpen op vordering van de officier van justitie bij afzonderlijke rechterlijke beschikking aan het verkeer te onttrekken. Die mogelijkheid is blijkens de wetsgeschiedenis en volgens de Hoge Raad echter (enkel) geschapen voor de gevallen waarin geen einduitspraak wordt gedaan of waarin de vervolging door een rechterlijke uitspraak tot een eind is gekomen en geen beslissing omtrent het voorwerp is of meer kan worden genomen. Uit de wettelijke systematiek volgt dat de vordering tot onttrekking aan het verkeer zo veel mogelijk in de hoofdzaak moet worden behandeld. Gelet daarop is, zowel indien de officier van justitie tot vervolging is overgegaan als indien hij nog niet tot vervolging is overgegaan, doch ervan uitgaat hiertoe te zullen overgaan, deze niet-ontvankelijk in een vordering als bedoeld in art. 552f lid 2 Sv.2 Met andere woorden, als de officier van justitie voornemens is te vervolgen, mag hij betrekking tot het beslag niet vooruitlopen op die vervolging met een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer.

2.7.

In dat verband heeft de Hoge Raad bepaald dat de rechter die over de vordering beslist, indien een gewichtig vermoeden rijst dat de officier van justitie voornemens is een strafvervolging in te stellen, dient te onderzoeken of de zaak zal worden vervolgd dan wel niet (meer) wordt vervolgd. Van dat onderzoek moet de rechter doen blijken in zijn beslissing.3 Als uit dat onderzoek blijkt dat de zaak zal worden vervolgd, dan dient, zoals gezegd, de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard. In de jurisprudentie van de Hoge Raad worden geen uitzonderingen op deze regel gemaakt, ook niet als het gaat om een (levend) dier zoals in deze zaak het geval is.4

2.8.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de vordering is gedaan met betrekking tot een hond die in verband wordt gebracht met de verdenking dat de belanghebbende het strafbare feit als bedoeld in art. 425 Sr heeft gepleegd. Uit de inhoud van het proces-verbaal van de behandeling van de vordering (en het klaagschrift – dat ook tot de gedingstukken behoort5) rijst een zwaarwegend vermoeden dat de officier van justitie in het kader van deze verdenking tegen de belanghebbende een strafvervolging zal instellen, althans daartoe het ernstige voornemen heeft. Hierin had de rechtbank dus aanleiding moeten zien te onderzoeken of de belanghebbende in deze zaak zou worden vervolgd, dan wel niet (meer) wordt vervolgd. De bestreden beschikking houd hierover echter niets in zodat deze ontoereikend is gemotiveerd. In elk geval kunnen de hiervoor geciteerde overwegingen van de rechtbank de verwerping van het verweer dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vordering, gelet op hetgeen ik hiervoor heb uiteengezet, niet dragen.

2.9.

Het voorgaande zou niet tot cassatie hoeven te leiden indien vastgesteld kan worden dat geen verdere vervolging van de belanghebbende heeft plaatsgevonden.6 Uit namens mij ingewonnen inlichtingen blijkt echter dat wel sprake is van een dergelijke vervolging7, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

2.10.

Tot slot merk ik ten overvloede nog op dat de opgeworpen argumenten van de officier van justitie dat het gevaar van de hond zich ook nu verwezenlijkt en hoge kosten aan het beslag zijn verbonden, geen hout snijden. Art. 117 lid 2 en 3 Sv geven aan de officier van justitie immers een afzonderlijke bevoegdheid om per machtiging voorwerpen tussentijds te ‘vernietigen’ (dan wel te ‘vervreemden’). Het laat zich evenwel denken dat bij levende dieren, gelet op de onomkeerbaarheid en onvervangbaarheid, daar zeer terughoudend mee wordt omgegaan. De rechtspositie van de belanghebbende is in dat geval ook veel zwakker aangezien tegen het verlenen van een dergelijke machtiging geen rechtsmiddel openstaat.8 Voor de uitkomst van deze zaak maakt dat overigens niet uit. Ook bij ‘vernietiging’ laat dit onverlet dat, nu er een strafvervolging loopt, de strafrechter krachtens art. 353 Sv nog een uitspraak zal moeten doen over het beslag.9

2.11.

Het eerste middel slaagt.

2.12.

Gelet op het voorgaande behoeft het tweede middel geen bespreking meer. Voor het geval de Hoge Raad anders mocht oordelen, bespreek ik hieronder kort alsnog het tweede middel.

3 Het tweede middel

3.1.

Het tweede middel komt op tegen de afwijzing van het verzoek de behandeling van de vordering aan te houden teneinde contra-expertise te laten verrichten.

3.2.

De beschikking van de rechtbank houdt hieromtrent het volgende in:


“Het Risk Assessmentteam van de Universiteit Utrecht heeft de in beslag genomen hond onderzocht en een risico-inschatting gemaakt. De conclusie van het rapport van 4 juni 2020 houdt onder meer het volgende in:
‘ [naam] heeft een teckel gebeten met aanzienlijke bijtschade tot gevolg, hij was daarbij moeilijk van de teckel los te trekken. De eigenaar had al een aanlijn- en muilkorfgebod voor [naam] opgelegd gekregen vanwege eerdere incidenten. Gezien de bijtincidenten en het gedrag naar andere honden bij de opslaghouder is duidelijk dat [naam] een zeer hoog risico vormt voor andere honden. Daarnaast is bovendien duidelijk dat hij een zeer hoog risico vormt voor mensen. [naam] heeft één van zijn verzorgers gebeten en kan niet op de normale manier veilig aan- en afgelijnd en uit zijn verblijf gehaald worden vanwege een grote kans op bijtgedrag. Dit is zeer ongebruikelijk, veruit de meeste honden vormen een band met hun verzorger en gaan graag met hun verzorger mee en hun verblijf uit. Daarnaast vertoont [naam] weinig sociaal contact naar onbekende mensen en is snel hoog opgewonden. [naam] kan niet terug naar de huidige eigenaar, deze is niet in staat de hond onder controle te houden en was ten tijde van het bijtincident onder invloed van alcohol en wiet. Eerder had deze eigenaar het aanlijn- en muilkorfgebod al niet opgevolgd, nu was de hond wel aangelijnd en had hij een muilkorf om, maar was deze niet passend of niet juist omgedaan. Daardoor kreeg hij de kans om ernstige bijtschade bij de teckel te veroorzaken. Kortom, ook het aanlijn- en muilkorfgebod is niet of onvoldoende opgevolgd en heeft niet geleid tot het voorkomen van nieuwe incidenten. Om die reden kan de hond niet terug naar de huidige eigenaar. De huidige eigenaar wist dat de hond een risico vormde (hij had immers een aanlijn- en muilkorfgebod) en toch heeft hij onvoldoende of onjuiste maatregelen genomen. Herplaatsing van de hond is niet mogelijk en blijft euthanasie als enige optie over.’
Blijkens het rapport is de risico-inschatting gebaseerd op het bijtincident op 16 april 2020 en de ernst van de bijtschade, eerdere incidenten, basis informatie over de hond, rasspecifieke eigenschappen, informatie van de eigenaar, verzorger respectievelijk dierenarts, beeldmateriaal van [naam] richting onbekende personen die voor de kennel staan en trainbaarheid. Het betoog dat het onderzoek onvolledig is geweest, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de behandeling aan te houden voor een contra-expertise.”

3.3.

Uit het proces-verbaal van de behandeling van de vordering blijkt het volgende:


“De advocaat van belanghebbende voert het woord, verkort en zakelijk weergegeven:
(…) De Universiteit Utrecht heeft de hond onderzocht. Één van de onderzoekers is door de hond gebeten. Vermoedelijk had de verzorger onvoldoende ervaring met dit soort gevallen. Het is verbazend dat enerzijds in het rapport wordt aangegeven dat er niets mis is met de hond maar in de aanbevelingen staat dat de hond slecht wordt onderhouden. Het onderzoek is onvolledig geweest. Het is gestopt nadat de verzorger gebeten is. Er had juist moeten worden onderzocht wat er gebeurd is en waarom dit gebeurd is. Dat is de reden dat cliënt wenst dat de hond opnieuw onderzocht wordt. Mogelijk kan een second opinion plaatsvinden zonder dat de verblijfsplaats van de hond bekend wordt. Cliënt wil graag de hond terug. Volgens cliënt is de hond niet in essentie agressief. Het is een jonge hond die getraind kan worden. Dit moet op de juiste wijze plaatsvinden
(…)
De officier van justitie voert het woord en concludeert tot toewijzing van de vordering.
(…) Er heeft een gedragsdeskundigenonderzoek plaatsgevonden. Volgens de rapporteur dient de hond te worden onttrokken aan het verkeer. Het rapport is door deskundigen uitgevoerd. Van de uitkomsten kunnen wij uitgaan. De raadsman heeft niet onderbouwd dat het rapport is opgesteld door mensen die niet deskundig waren. Het verzoek tot een second opinion is onvoldoende onderbouwd. Bovendien zijn er geen anderen deskundigen op dit gebied. Een second opinion is niet makkelijk uit te voeren. Het verzoek daartoe dient te worden afgewezen. (…)
De raadsman deelt hierop mee dat (…). Voorts is er voldoende expertise (zoals bijvoorbeeld de Martin Gaus Academie) om een second opinion te doen.
De officier van justitie voert andermaal het woord, verkort en zakelijk weergegeven:
(…) De Martin Gaus academie bestaat niet meer. Het ligt op de weg van de verdediging om nu te komen met een deskundige. Er is geen sprake van onwil aan de kant van het Openbaar Ministerie. Er ligt een rapport van een onafhankelijk deskundige.”

3.4.

In het licht van hetgeen aan het verzoek van de belanghebbende ten grondslag is gelegd en de rechtbank omtrent de inhoud en totstandkoming van het rapport van het Risk Assessmentteam van de Universiteit Utrecht heeft overwogen, acht ik de afwijzing van dat verzoek geenszins onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

3.5.

Het tweede middel faalt.

4 Conclusie

4.1.

Het eerste middel slaagt, het tweede middel faalt en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.

4.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

4.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn vordering ex art. 552f Sv.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de schriftuur wordt verwezen naar HR 11 maart 1986, NJ 1986/574; HR 28 januari 1986, NJ 1986/551; HR 25 november 2003 ECLI:NL:HR:2003:AK3614 en HR 2 maart 2010 ECLI:NL:HR:2010BK6319.

2 HR 10 januari 1984, NJ 1984/684; HR 28 januari, 1986, NJ 1986/551; HR 11 maart 1986, NJ 1986/574, m.nt. Van Veen; HR 25 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3614; HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6319.

3 Vgl. bijv. wederom HR 28 januari 1986, NJ 1986/551.

4 Zie HR 25 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3614, waarin het ging om 23 runderen (ondanks dat de officier van justitie hangende het cassatieberoep had bevolen de runderen te ‘vernietigen’).

5 Vgl. HR 11 maart 1986, NJ 1986/574 waarin de Hoge Raad de stukken van de samenhangende klaagschriftprocedure ook betrok bij de procedure tot afzonderlijke onttrekking aan het verkeer. Ik merk op dat in dit geval alleen cassatie is ingesteld tegen de vordering tot onttrekking en niets bekend is over de behandeling van het klaagschrift door de rechtbank.

6 Vgl. conclusie Wortel voor HR 25 november 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AK3614, onder 7.

7 Bericht van het openbaar ministerie d.d. 25 maart 2021 houdt onder meer in: “de strafzaak met parketnummer 09-252367-20 is gisteren op zitting aangehouden tot 25 mei nu de advocaat van de verdachte zich nog niet had gesteld.” Ook blijkt uit dit bericht dat er thans nog ‘beslag’ rust op de hond hangende de uitspraak van de Hoge Raad op onderhavige beschikking van de rechtbank.

8 HR 2 maart 1999, NJ 1999/416 en HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5406, rov. 3.4.4. De oude bepaling van art. 117 lid 3 Sv hield overigens (tot 1 januari 1996) in dat indien het ‘voorwerp’ niet geschikt is voor opslag gedurende langere tijd, de officier van justitie toestemming aan de rechter moest vragen alvorens tot vervreemding of vernietiging kon worden overgegaan. Dit is nu dus een zelfstandige bevoegdheid is van de officier van justitie geworden waartegen de belanghebbende zich niet tegen kan verweren.

9 Vgl. HR 27 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5210, rov. 3.3. en de conclusie van AG Machielse voor HR 14 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR4905, onder 3.6.