Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:327

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-04-2021
Datum publicatie
07-04-2021
Zaaknummer
20/01650
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:854
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Behandeling klaagschrift tegen inbeslagneming ex art. 552a Sv door de rechtbank buiten de raadkamerzitting in verband met corona. Volgens de AG is ondanks de instemming van partijen het niet mogelijk af te zien van een openbare behandeling. De AG stelt de Hoge Raad voor de beschikking van de rechtbank te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01650 B

Zitting 6 april 2021

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[klager] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

hierna: de klager.

  1. De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 1 mei 2020 de namens de klager ingediende klaagschriften ex art. 552a Sv, strekkende tot teruggave van in zaak A, een inbeslaggenomen auto en in zaak B, een scooter en een telefoon, ongegrond verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. S.J. van Galen, advocaat te Purmerend, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het tweede middel heeft betrekking op de door de rechtbank gevolgde procedure en klaagt dat in weerwil van de voorgestelde en gekozen procedure van een schriftelijke procedure met volledige schriftelijke rondes over en weer, de rechtbank de zaak heeft afgedaan op basis van het dossier en de voorhanden schriftelijke standpunten. Blijkens de toelichting klaagt het middel tevens erover dat de rechtbank niet de in art. 552a lid 7 Sv1 voorgeschreven procedure heeft gevolgd door de zaak niet in het openbaar te behandelen.

3.1.

De klacht over het niet volgen van de in art. 552a lid 7 Sv voorgeschreven openbare raadkamerprocedure strekt het verst en deze zal ik dan ook als eerste behandelen.

3.2.

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

“Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:

[klager],

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. S J. van Galen,

[a-straat 1] , [plaats] ,

klager, tevens beslagene.

Procesgang

De klaagschriften in de zaken A en B zijn beide op 7 januari 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op 8 januari 2020 schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt in beide zaken. Via de e-mail heeft de officier van justitie op 14 april aangegeven dat standpunt te handhaven.

Gelet op de LOVS-richtlijnen betreffende maatregelen ter beperking van verspreiding van het coronavirus is - met instemming van de verdediging en het Openbaar Ministerie - op 1 mei 2020 buiten raadkamer op de verzoekschriften besloten. Dit na partijen de gelegenheid te hebben geboden om, in plaats van de geplande behandeling ter raadkamerzitting van 17 april 2020, schriftelijk het standpunt nader toe te lichten.

Inhoud van de klaagschriften


Het klaagschrift strekt zich in zaak A tot teruggave van het in beslag genomen voertuig, te weten een personenauto van het merk Renault Megane met kenteken [kenteken 1] . Aangevoerd is dat de politierechter heeft beslist dat de personenauto aan klager moet worden geretourneerd en dat de officier van justitie pas na die beslissing, op volstrekt dubieuze wijze, conservatoir beslag op de personenauto heeft laten leggen. Hierbij is volstrekt onvoldoende onderbouwd waarom conservatoir beslag noodzakelijk is. Het strafvorderlijk belang verzet zich daarom niet tegen het opheffen van het beslag op de personenauto, zodat het klaagschrift gegrond verklaard moet worden.

Het klaagschrift strekt zich in zaak B tot teruggave van de in beslag genomen scooter van het merk Vespa [kenteken 2] met kenteken [kenteken 3] en een telefoon van het merk Samsung J6. Nadat de rekestenkamer op 6 november 2019 heeft beslist tot teruggave van beide voorwerpen is op de voorwerpen conservatoir beslag gelegd. De noodzaak hiervan is echter onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft de officier van justitie tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak een ontnemingsprocedure aangekondigd, maar op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt wat het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn. De raadsman meent dan ook, dat geen sprake is van een strafvorderlijk belang dat zich verzet tegen het opheffen van het beslag op deze voorwerpen, zodat het klaagschrift gegrond verklaard moet worden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft - onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie - verklaard zich te verzetten tegen teruggave van de op voet van artikel 94a Sv conservatoir in beslag genomen voorwerpen aan klager, omdat het strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

Daartoe is aangevoerd dat door de rechter-commissaris in zaak B een machtiging is verleend voor conservatoir beslag tot een bedrag van € 15.947,34. Dit bedrag overstijgt de waarde van de in beslag genomen scooter en telefoon, zodat deze voorwerpen onder de machtiging vallen. Tijdens de inhoudelijke behandeling van zaak B is een ontnemingsprocedure aangekondigd. Klager is in zaak B voor meerdere vermogensdelicten veroordeeld. De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld.

In zaak A is de personenauto niet verbeurd verklaard. Toen zaak A onherroepelijk was, heeft het Openbaar Ministerie de auto onder zichzelf conservatoir in beslag genomen. Dat is betekend aan verdachte, maar daar heeft het Openbaar Ministerie geen stukken van anders dan de machtiging conservatoir beslag.

Het Openbaar Ministerie acht het niet hoogstwaarschijnlijk dat de strafrechter aan klager, die in zaak B in eerste aanleg voor vele vermogensdelicten is veroordeeld, een ontnemingsmaatregel zal opleggen. Het strafvorderlijk belang verzet zich dan ook tegen teruggave van de in beslag genomen voorwerpen.


De beoordeling

Summier karakter onderzoek

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel.

Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

De casus

In de onderhavige zaken (A en B) heeft het Openbaar Ministerie, met machtiging van de rechter-commissaris, op voorwerpen waarop ex artikel 94 Sv beslag was gelegd vervolgens (tevens) conservatoir beslag gelegd.

(zaak A )

In de zaak met parketnummer 13/301001-19 (rekestnummer 10/80) is conservatoir beslag gelegd op de reeds in beslag genomen personenauto (merk Renault Megane). Dit beslag is gelegd nadat de politierechter op 27 december 2019 de teruggave van de (ex art. 94 Sv) in beslag genomen auto aan klager had bevolen. Dit vonnis is onherroepelijk. De officier van justitie heeft geen uitvoering gegeven aan de last van de rechtbank tot teruggave.

(zaak B)

In de zaak met parketnummer 13/698347-19 (rekestnummer 20/81) is conservatoir beslag gelegd nadat de rekestenrechter op 6 november 2019 had geoordeeld dat de in beslag genomen voorwerpen (ex art. 94 Sv, een telefoon Samsung J6 en een scooter) aan klager geretourneerd moesten worden. De meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam heeft op 28 november 2019 vonnis gewezen en teruggave van de telefoon en scooter aan klager bevolen. Tegen het vonnis is door de officier van justitie hoger beroep ingesteld en er is geen uitvoering gegeven aan de last van de rechtbank tot teruggave.

De rechter-commissaris in strafzaken heeft op 13 november 2019, op vordering van de officier van justitie, een machtiging conservatoir beslag verleend tot een totaalbedrag van € 15.947,34. Ter terechtzitting van de meervoudige kamer op 14 november 2019 heeft de officier van justitie in zaak B een ontnemingsvordering aangekondigd.

Uit onder meer een proces-verbaal van bevindingen van 24 december 2019 blijkt dat er in opdracht van de officier van justitie nader onderzoek is gedaan naar de inkomsten van klager, waarbij bleek dat er geen sprake was van een maandelijks inkomen zoals dat door klager was gesteld.

Conservatoir beslag en eerder beslag ex art. 94 Sv.

Een beslag ex art. 94a Sv kan ook worden gelegd op een voorwerp waarop al beslag ex. art. 94 Sv rust en ook als een beslag op een voorwerp ex art. 94 Sv is geëindigd en de teruggave daarvan is gelast (zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:630).

Maatstaf voor de beoordeling

In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het conservatoir gelegde beslag vordert, en zo neen, of klager redelijkerwijs als rechthebbende op het in beslag genomene kan worden aangemerkt.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor - in dit geval - artikel 94a Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.

In het onderhavig geval is sprake van voorwerpen die volgens het Openbaar Ministerie aan klager toebehoren en die dienen tot bewaring van het recht van verhaal voor een aan klager op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van het door klager wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de ontnemingszaak tegen klager, aan hem de verplichting tot betaling aan de staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen (artikel 94a lid 2 Sv).

Beoordeling

Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en de door partijen overgelegde schriftelijke standpunten, is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de aangekondigde ontnemingszaak aan klager de verplichting tot betaling aan de staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Klager is in zaak B in eerste aanleg veroordeeld ter zake van meerdere vermogensdelicten tegen welk vonnis de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld. Ter zitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie een ontnemingsvordering tegen klager aangekondigd. Dat nog niet duidelijk is welk bedrag het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft, maakt dat niet anders.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag in de zaken A en B.

Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

3.3.

Art. 552a lid 7 luidt als volgt:

“7. De behandeling van het klaagschrift of het verzoek door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.”

3.4.

Uit de hierboven weergegeven beschikking van de rechtbank blijkt dat de in art. 552a lid 7 Sv voorgeschreven behandeling door de raadkamer niet heeft plaatsgevonden. Een vergelijkbaar geval,2 met nietigheid als gevolg, deed zich voor in HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1663. Ik haal de belangrijkste overwegingen uit die beslissing hier aan:

“3.1. Het middel behelst de klacht dat ten onrechte geen openbare behandeling van het klaagschrift heeft plaatsgevonden, althans dat geen proces-verbaal van een raadkamerbehandeling is opgemaakt.

3.2. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich geen proces-verbaal van een behandeling van het klaagschrift door de raadkamer.

3.3. Ten aanzien van de procedure houdt de beschikking slechts in dat het klaagschrift ter kennisneming aan de Officier van Justitie is gezonden. Bij de stukken van geding bevindt zich een brief van de Rechtbank te Groningen aan de Hoge Raad van 1 mei 2006 waarin het volgende is opgenomen:

"Naar aanleiding van uw verzoek om stukken in bovengenoemde zaak bericht ik u dat er van deze zaak geen proces-verbaal ter terechtzitting is; deze zaak is zonder zitting, dus per beschikking afgedaan."

3.4. Ingevolge art. 23, tweede lid, Sv moeten door de raadkamer het openbaar ministerie, de verdachte en andere proces-deelnemers worden gehoord, althans hiertoe worden opgeroepen, tenzij anders is voorgeschreven. Ingevolge art. 552a, zesde lid, Sv dient het klaagschrift tijdens een openbare raadkamerzitting te worden behandeld. In art. 25, eerste lid, Sv is bepaald dat van het onderzoek van de raadkamer door de griffier een proces-verbaal moet worden opgemaakt, behelzende de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en voorts hetgeen verder bij dat onderzoek is voorgevallen, terwijl dit artikel tevens voorschriften bevat ten aanzien van de wijze waarop het proces-verbaal dient te worden ingericht, vastgesteld en ondertekend en bepaalt dat het proces-verbaal bij de processtukken wordt gevoegd.

3.5. Uit hetgeen hiervoor onder 3.3 is weergegeven volgt dat geen openbare raadkamerzitting heeft plaatsgehad. Dit verzuim leidt tot nietigheid van de bestreden beschikking.

3.6. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.”

3.5.

Uit de aangehaalde beslissing van de Hoge Raad kunnen twee belangrijke kenmerken die gelden voor de behandeling door de raadkamer van klaagschriften ex art. 552a Sv worden gedestilleerd. Dat is ten eerste een mondelinge behandeling door de rechter in raadkamer waarbij het openbaar ministerie is vertegenwoordigd en de (overige) procesdeelnemers in ieder geval in de gelegenheid moeten zijn daarbij aanwezig te zijn om hun standpunten kenbaar te maken. Ten tweede is die behandeling openbaar. Ter controle op naleving van de procesvoorschriften, ook door de Hoge Raad, is een proces-verbaal van de behandeling vereist. Aan al deze vereisten is in de onderhavige zaak niet voldaan.

3.6.

Daarmee lijkt de uitkomst in de onderhavige zaak wel vast te staan. Niettemin valt er nog wel wat meer over te zeggen.

3.7.

Ten eerste is het op het niveau van de rechtbanken niet ongebruikelijk om bepaalde raadkamerzaken buiten een zitting om te behandelen.

3.8.

Zo is volgens het Rolreglement van de rechtbank Amsterdam3 het – ook in normale tijden – buiten de zitting behandelen van raadkamerzaken mogelijk in een aantal gevallen. Art. 1.5.1 van dat regelement bepaalt als volgt:

“Afdoening zonder mondelinge behandeling ter zitting

Een rekest kan zonder mondelinge behandeling door de rechter worden afgedaan:

- indien dit uit de wet voortvloeit;

- in verzoekschriftprocedures indien het openbaar ministerie binnen een maand na ontvangst van een afschrift van het rekest akkoord gaat met een integrale toewijzing of, de raadsman/vrouw akkoord gaat met hetgeen waar de officier van justitie zich tegen verzet;

- indien het rekest niet voldoet aan de vormvoorschriften zoals in dit reglement opgenomen.”

3.9.

Met de uitzondering van mondelinge behandeling onder het tweede aandachtstreepje gaat het rolreglement van de rechtbank Amsterdam iets verder dan de voorziening in het Landelijk Strafprocesreglement.4 Daar is in art. 6.3.3 ook een voorziening opgenomen voor het zonder verschijning afdoen van bepaalde rekesten, die luidt als volgt:

“Behandelingen van verzoekschriften op de voet van artikel 89 Sv en artikel 591a Sv kunnen zonder verschijnen van partijen in raadkamer worden afgedaan, onder de voorwaarde dat het openbaar ministerie binnen een maand na ontvangst van het afschrift akkoord gaat met integrale toewijzing.”

3.10.

Wat opvalt, is dat de formulering op het punt van de wijze van afdoening anders luidt dan in het Amsterdamse rolreglement. In dat laatste staat immers dat de zaak kan worden afgedaan zonder verschijning van de partijen, waardoor de indruk ontstaat dat toch wel een behandeling in raadkamer plaatsvindt. Of bij die behandeling het openbaar ministerie dan wel verplicht is te verschijnen, blijft echter in het midden: dat hangt af van de uitleg die aan het begrip ‘partijen’ wordt gegeven.

3.11.

Kijkend naar de categorieën raadkamerzaken die op grond van zowel het Rolreglement van de rechtbank Amsterdam als het Landelijk strafprocesreglement zonder een mondelinge behandeling kunnen worden afgedaan, lijkt de behandeling van klaagschriften tegen inbeslagneming daaronder niet te vallen. Een eenduidige conclusie – los van de waarde daarvan – is op dit punt echter niet gemakkelijk te trekken, aangezien de gebezigde begrippen in de diverse regelingen niet eenduidig zijn. Zo kan men onder ‘rekest’ van alles verstaan wat uitmondt in een raadkamerbehandeling.

3.12.

Wel valt op bij de zaken, die volgens de beide behandelde reglementen buiten een zitting om kunnen worden afgedaan, dat daarvoor kennelijk een voorwaarde is dat de ‘partijen’ – enerzijds de klager/indiener en anderzijds het openbaar ministerie – zich akkoord hebben verklaard met de (voorgestelde) uitkomst van de procedure. In het Landelijk strafprocesreglement is voorwaarde dat het OM akkoord gaat met integrale toewijzing van de gevraagde vergoeding ex art. 89 Sv of art. 591a Sv, en in het rolreglement kan het daarnaast ook nog gaan om de instemming van de indiener met de door het OM voorgestelde wijze van afdoening. In dergelijke gevallen is het belang bij een ‘full dress’ behandeling door de raadkamer minimaal. Bovendien, en dat is de praktische kant ervan, is het aanwenden van een rechtsmiddel door een van de betrokken ‘partijen’ – zo dat open staat in de desbetreffende procedure – uiteraard in het geheel niet te verwachten. Bij mijn weten heeft de Hoge Raad zich dan ook nog nooit uitgelaten over de verenigbaarheid van een dergelijke werkwijze met de wet of beginselen van een behoorlijke procesorde.

3.13.

Nu zag de rechtbank in de onderhavige zaak zich geconfronteerd met een niet-normale situatie, namelijk de uitbraak van het coronavirus, die in maart 2020 leidde tot sluiting van de gerechtsgebouwen. Dat noopte de rechtbank kennelijk tot het geheel afzien van een mondelinge behandeling in raadkamer.

3.14.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt:

“Gelet op de LOVS-richtlijnen betreffende maatregelen ter beperking van verspreiding van het coronavirus is - met instemming van de verdediging en het Openbaar Ministerie - op 1 mei 2020 buiten raadkamer op de verzoekschriften besloten.”

3.15.

In die overweging zitten twee aspecten die tot het aannemen van een uitzondering op de strakke lijn van de Hoge Raad zouden kunnen leiden: de LOVS richtlijnen die zijn uitgevaardigd in verband met het coronavirus en daarnaast de instemming van de verdediging en het openbaar ministerie met de gevolgde procedure.

3.16.

Van het LOVS afkomstig is de Tijdelijke regeling strafrecht - voluit Tijdelijke regeling strafrecht met aanvullende richtlijnen en aanwijzingen voor het behandelen van strafrechtelijke zaken bij de rechtbanken en hoven in verband met de maatregelen als gevolg van het coronavirus. In de op rechtspraak.nl gepubliceerde versie d.d. 1 september 2020 is onder meer het volgende te lezen:

“Inleiding

In verband met de uitbraak van het coronavirus heeft de Rechtspraak besloten de wijze waarop rechtszaken worden behandeld per 17 maart 2020 aan te passen. Voor de wijze waarop rechtszaken in het algemeen gedurende deze periode worden behandeld heeft de Presidentenvergadering van de Rechtspraak een (tijdelijke) algemene regeling vastgesteld. De wijze waarop strafrechtzaken gedurende deze periode worden behandeld, wordt, met inachtneming van de uitgangspunten in de algemene regeling, weergegeven in deze tijdelijke regeling. Deze tijdelijk regeling volgt de tijdelijke regeling van 3 april, 11 mei, 26 juni en 19 augustus 2020 op.

Fysieke zittingen

Nadat gedurende een periode vanaf 17 maart 2020 alleen zeer urgente en daarna ook andere urgente zaken zijn behandeld, worden er vanaf 11 mei 2020 weer zoveel mogelijk zittingen gehouden in fysieke aanwezigheid van de procespartijen. Daarbij gelden coronamaatregelen, zoals het houden van anderhalve meter afstand. Voorts geldt de volgende werkwijze:

(…)
In de periode van 17 maart 2020 tot 11 mei 2020 zijn diverse zaken zoveel als mogelijk buiten zitting om, bijvoorbeeld door middel van schriftelijke standpuntenuitwisseling, behandeld. Het zoveel als mogelijk behandelen van diverse zaken buiten zitting om blijft uitgangspunt (zoals bijv. inzake rekesten, regiezaken, schadevergoedingen, artikel 12-zaken). Dergelijke zittingen worden in het zittingsrooster vervangen door zittingen met zaken die wel op fysieke zitting behandeld moeten worden.

(…)”

3.17.

De beschikking van de rechtbank dateert van 1 mei 2020, dus in de periode dat, zoals blijkt uit de geciteerde LOVS-regeling, er behoudens ‘zeer urgente zaken’ en later ‘urgente zaken’ geen fysieke zittingen plaatsvonden bij de gerechten. Volgens de regeling zijn in die periode “diverse zaken zoveel als mogelijk buiten zitting om, bijvoorbeeld door middel van schriftelijke standpuntenuitwisseling”, behandeld. Genoemd worden als die diverse zaken “bijv. inzake rekesten, regiezaken, schadevergoedingen, artikel 12-zaken.”

3.18.

Na 11 mei 2020 vonden weer zoveel mogelijk fysieke zittingen plaats, maar ook toen gold volgens de regeling nog steeds het “zoveel als mogelijk” behandelen van diverse zaken buiten zitting om als uitgangspunt.

3.19.

Bij lezing van die passage in het LOVS-reglement dringt zich de vraag op wat onder ’zoveel als mogelijk ’moet worden verstaan. Vanuit management-perspectief zou dat heel goed een louter kwantitatieve aansporing kunnen zijn. Enige begrenzing – afgezien van de die wordt bepaald door de inzetbaarheid van mensen en middelen – ontbreekt dan. Een meer rechtsstatelijke uitleg zou zijn: zoveel als mogelijk is, met inachtneming van de wezenskenmerken van de wettelijke regeling en met waarborging van de beginselen van een behoorlijke procesorde.

3.20.

Deze laatste uitleg lijkt mij aangewezen. Tegen de achtergrond van de voor ‘normale’ tijden geldende procesreglementen lijkt het mij dan op zijn minst twijfelachtig of de Tijdelijke regeling strafrecht in verband met de maatregelen als gevolg van het coronavirus ook mede het oog heeft op zaken die heel anders van karakter zijn, zoals het beklag tegen inbeslagneming. Als voorbeelden van het zoveel mogelijk buiten de zitting afdoen wordt in ieder geval niet expliciet de beklagprocedure ex 552a Sv genoemd, maar slechts “rekesten, regiezaken, schadevergoedingen, artikel 12-zaken.”

3.21.

Daarnaast, of misschien beter: daarenboven speelt de vraag wat nu de waarde kan zijn van de Tijdelijke LOVS-regeling, waarnaar de rechtbank verwijst. Het lijkt mij evident dat die regeling niet meer behelst dan een organisatorisch georiënteerde instructienorm, die niet als effect kan hebben dat – wezenlijke – strafprocessuele voorschriften daardoor opzij gezet kunnen worden.

3.22.

Daarmee komen we op het tweede punt dat de rechtbank noemt, en dat kennelijk voor de rechtbank als voorwaarde is gehanteerd voor het afdoen buiten de raadkamer van het klaagschrift. Dat is de instemming van partijen met die wijze van afdoening.

3.23.

Als het gaat om de externe openbaarheid, dus de mogelijkheid voor het publiek om de zitting van de raadkamer bij te wonen, geldt per definitie dat de instemming van de ‘partijen’, waaronder ik gemakshalve ook het openbaar ministerie reken, op dat punt niet relevant is. Onder voorwaarden is weliswaar een afwijking van de eis van openbaarheid van behandeling mogelijk – de deuren kunnen worden gesloten als zich een van de gevallen genoemd in art. 23 lid 2 Sv voordoet, en die overeenkomen met de uitzonderingen op de openbaarheid van de ‘normale’ zitting van de rechtbank, zoals geregeld in art. 269 lid 1 Sv, maar die uitzonderingen omvatten niet de enkele instemming van partijen.

3.24.

Hiertegen kan men dan wel trachten in te brengen dat de eis van openbaarheid bij de behandeling van een klaagschrift tegen inbeslagneming niet voortvloeit uit art. 6 EVRM, aangezien – volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad – bij dergelijke zaken geen sprake is van het vaststellen van burgerlijke rechten of verplichtingen, en zij evenmin de ‘determination of a criminal charge’ behelzen.5 En juist de mogelijke toepasbaarheid van art. 6 EVRM op procedures ex art. 552a Sv was volgens de wetgever, bij de wet Herziening raadkamerprocedure6 de reden om – ook voor art. 552a Sv procedures – openbaarheid voor te schrijven. In de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel7 dat leidde tot de opname in art. 552a Sv van de eis van een openbare behandeling staat:8

“5.4. Inbeslagneming

Op de procedures betreffende verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer (artikelen 552b en 552f) is ingevolge uitspraken van de Hoge Raad artikel 6 EVRM van toepassing. De uitkomst van deze procedure is immers direct bepalend voor het recht van de klager om als eigenaar over die voorwerpen te beschikken. Hoewel aan deze uitspraken een arrest voorafging waarin de Hoge Raad de toepasselijkheid van artikel 6 op de beklagprocedure over inbeslagneming van artikel 552a uitsloot, moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat dit standpunt inmiddels gewijzigd is, gelet op de nauwe verwantschap tussen de procedures van artikel 552b en artikel 552a. Om deze reden dienen alle voornoemde procedures, alsmede de daaraan verwante procedure in het kader van een verzoek om internationale rechtshulp (artikel 552p, vierde lid), danwel in verband met feiten begaan aan boord van luchtvaartuigen (artikel 552r, derde lid) in beginsel in het openbaar te worden gevoerd.”

3.25.

De in de Memorie van Toelichting voorziene mogelijkheid dat de Hoge Raad anders gaat denken over het verband tussen art. 6 EVRM en de beklagprocedure tegen inbeslagneming heeft zich (nog) niet gerealiseerd. Dat doet echter niet af aan de keuze voor de wetgever om bij procedures die in art. 552a Sv zijn geregeld openbaarheid te eisen. Dat is deels een praktische keuze, bijvoorbeeld als het gaat om de mogelijke samenloop met een procedure ex art. 552f Sv, de afzonderlijke onttrekking aan het verkeer, maar daar zijn inmiddels ook andere goede redenen voor. Art. 552a is sinds de wet Herziening van de raadkamerprocedure flink uitgebreid als het gaat om de mogelijkheden van beklag. Veel van die nieuwe mogelijkheden hebben te maken met kennisneming en gebruik van gegevens, en zijn rechtstreeks gerelateerd aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Gelet op die verbrede grondslag voor het beklag is de keuze voor openbaarheid bepaald niet achterhaald.

3.26.

Los daarvan geldt de nationale regeling van de raadkamerprocedure uiteraard volop, en dus ook de regel van art. 552a lid 7 Sv, die inhoudt dat de behandeling door de raadkamer van het klaagschrift in het openbaar geschiedt.

3.27.

Dat de coronapandemie feitelijke belemmeringen meebrengt op het punt van de openbaarheid van zittingen is duidelijk, maar in de kern kan daaraan toch worden vastgehouden. De Hoge Raad heeft, in een zaak die de behandeling door de rechtbank van een uitleveringszaak betrof, beschreven welke randvoorwaarden gelden om de behandeling, ondanks feitelijke belemmeringen, toch als openbaar te kunnen doen gelden. Zie HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2008, waarin de Hoge Raad overwoog:

“2.6.1 Het cassatiemiddel stelt vervolgens de vraag aan de orde of de omstandigheid dat ten tijde van de behandeling van de zaak de toegankelijkheid van het gerechtsgebouw was beperkt als gevolg van de uitbraak van de epidemie van COVID-19, moet leiden tot het oordeel dat – niettegenstaande de andersluidende vermelding in het proces-verbaal van de zitting – de rechtbank de zaak niet in het openbaar heeft behandeld. De Hoge Raad overweegt daarover het volgende.

2.6.2 Het onderzoek naar de toelaatbaarheid van een gevraagde uitlevering strekt niet tot het bepalen van de gegrondheid van een tegen de opgeëiste persoon ingestelde strafvervolging zoals bedoeld in artikel 6 EVRM (vgl. HR 10 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6597). De onder 2.6.1 genoemde vraag raakt echter niet alleen uitleveringsprocedures, maar ook zittingen in strafzaken die op grond van de wet in het openbaar plaatsvinden. Het gaat daarbij om zowel het onderzoek ter terechtzitting, zoals bedoeld in Titel VI van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafvordering, als de behandeling in raadkamer, voor zover is voorgeschreven dat die behandeling in het openbaar plaatsvindt. Het is daarom nuttig in meer algemene zin de hiervoor genoemde vraag te beantwoorden en daarbij ook de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) over het recht op een openbare behandeling van de zaak te betrekken.

2.6.3 Op grond van artikel 6 lid 1 EVRM vindt de behandeling van de zaak in het openbaar plaats, tenzij de toegang tot de rechtszaal aan de pers en het publiek kan worden ontzegd op één van de in artikel 6 lid 1, tweede volzin, EVRM genoemde gronden. Met betrekking tot dit recht op een openbare behandeling van de zaak heeft het EHRM in de zaak Riepan tegen Oostenrijk (14 november 2000, nr. 35115/97) onder meer het volgende overwogen:

“27. The Court reiterates that the holding of court hearings in public constitutes a fundamental principle enshrined in paragraph 1 of Article 6. This public character protects litigants against the secret administration of justice with no public scrutiny; it is also one of the means whereby confidence in the courts can be maintained. By rendering the administration of justice transparent, publicity contributes to the achievement of the aim of Article 6 § 1, namely a fair trial, the guarantee of which is one of the fundamental principles of any democratic society (...).

28. It was undisputed in the present case that the publicity of the hearing was not formally excluded. However, hindrance in fact can contravene the Convention just like a legal impediment (...).

29. (...) The Court considers that a trial complies with the requirement of publicity only if the public is able to obtain information about its date and place and if this place is easily accessible to the public. In many cases these conditions will be fulfilled by the simple fact that a hearing is held in a regular courtroom large enough to accommodate spectators.”

2.6.4 Zoals blijkt uit het onder 2.4.1 weergegeven bericht, was de toegankelijkheid van gerechtsgebouwen vanaf 17 maart 2020 in verband met de uitbraak van de epidemie van COVID-19 zodanig beperkt dat geen publiek meer welkom was bij de behandeling van rechtszaken in die gebouwen. Uit de onder 2.4.2-2.4.4 weergegeven praktische maatregelen blijkt dat, na het herinrichten van de gerechtsgebouwen met het oog op het afwenden van besmettingsgevaren, vanaf 17 augustus 2020 publiek binnen zekere begrenzing weer aanwezig mag zijn bij fysieke zittingen of het doen van uitspraak. In verband met de besmettingsrisico’s als gevolg van de uitbraak van de epidemie van COVID-19 zijn al deze maatregelen als noodzakelijk beoordeeld ter bescherming van de volksgezondheid en in het bijzonder van de gezondheid van degenen die zich in een gerechtsgebouw bevinden en om de behandeling van – aanvankelijk alleen (zeer) urgente en nadien ook andere soorten – rechtszaken door middel van een fysieke zitting mogelijk te (blijven) maken. Die maatregelen hebben een tijdelijk karakter, waarbij de duur van de maatregelen samenhangt met de door de regering getroffen landelijke maatregelen ter bestrijding van de besmettingsgevaren.

Met betrekking tot de media en journalisten – kort gezegd: de pers – geldt dat de toegankelijkheid van gerechtsgebouwen en openbare zittingen gehandhaafd is gebleven, onder de voorwaarde van overleg met het betreffende gerecht en/of behoudens eventuele met de inrichting van het gerechtsgebouw of de zittingszaal verband houdende beperkingen.

2.6.5 De hiervoor beschreven tijdelijke beperkingen in de toegankelijkheid van gerechtsgebouwen hebben gevolgen voor de mogelijkheid van het publiek om in de ruimte aanwezig te zijn waar de rechter een zaak behandelt. Niet iedere beperking in de toegankelijkheid van die ruimte ontneemt echter aan die behandeling het openbare karakter. Het komt erop aan of, gegeven de noodzaak van dergelijke beperkingen in verband met de bescherming van de (volks)gezondheid en de noodzaak van het waarborgen van een behoorlijke rechtspleging door de behandeling van met name (zeer) urgente zaken op een fysieke zitting zoveel mogelijk doorgang te laten vinden, op andere wijze recht kan worden gedaan aan de belangen die worden gediend met een openbare behandeling van de zaak, in het bijzonder het waarborgen van de publieke verantwoording van de rechtspleging en van het vertrouwen van het publiek in de rechtspraak (vgl. de onder 2.6.3 vermelde rechtspraak van het EHRM). Daarbij komt in het bijzonder gewicht toe aan de toegankelijkheid voor de pers van de ruimte waar de zaak wordt behandeld. Onder omstandigheden kan ook anderszins worden voorzien in de mogelijkheid voor het publiek om het verloop van de behandeling van de zaak te volgen, zonder daartoe fysiek in de betreffende ruimte aanwezig te zijn. Daarbij kan worden gedacht aan een beeld- en geluidverbinding (waaronder een zogenoemde livestream) in zaken die brede publieke aandacht trekken of waarvoor anderszins bijzondere belangstelling van derden bestaat.

2.7 De rechtbank heeft kennelijk geoordeeld dat hoewel het gerechtsgebouw op 26 maart 2020 tijdelijk niet toegankelijk was voor het publiek als gevolg van de uitbraak van de epidemie van COVID-19, het onderzoek ter zitting over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering ook feitelijk in het openbaar heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat het de pers was toegestaan om zittingen bij te wonen en dat daarmee op dat moment de controleerbaarheid voldoende was gewaarborgd. Gelet op wat onder 2.6 is overwogen, geeft dit oordeel van de rechtbank niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Ook in zoverre faalt de klacht.

2.8 Opmerking verdient nog het volgende. Op grond van de regeling van artikel 25 lid 1 Uw en ook regelingen over de openbaarheid van zittingen in strafzaken, waaronder met name artikel 269 Sv, kan de behandeling van een zaak achter gesloten deuren plaatsvinden op de in die regelingen aangeduide gronden. Zo’n behandeling achter gesloten deuren houdt in dat alleen de procesdeelnemers aanwezig zijn in de ruimte waar de zaak wordt behandeld, behoudens voor zover een andere persoon bijzondere toegang is verleend. De omstandigheid dat als gevolg van de onder 2.6.4 beschreven maatregelen het publiek niet of slechts in beperkte mate aanwezig kan zijn bij de behandeling van een zaak, vormt op zichzelf geen goede reden om de zaak achter gesloten deuren te behandelen. Het sluiten van de deuren zou immers in beginsel tot gevolg hebben dat de pers niet aanwezig kan zijn bij de behandeling van die zaak, terwijl de mogelijkheid van aanwezigheid van de pers juist bijdraagt aan de belangen die worden gediend met een openbare behandeling van de zaak. Daarnaast is van belang dat de genoemde beperkingen van de mogelijkheid om de behandeling van een zaak bij te wonen, niet in verband staan met de specifieke belangen die in de te behandelen zaak aan de orde zijn. De uitbraak van de epidemie van COVID-19 vormt een bijzondere oorzaak voor enkele generieke beperkingen van tijdelijke aard, waarop de regeling van artikel 25 lid 1 Uw en regelingen over de openbare behandeling van een strafzaak niet zijn toegesneden.

Beoordeling van de klacht over de openbaarheid van de uitspraak

2.9 Uit het proces-verbaal van de zitting van 9 april 2020 en de beslissing van de rechtbank van 9 april 2020 blijkt dat de beslissing in het openbaar is uitgesproken. De klacht van het cassatiemiddel dat de uitspraak niet in het openbaar heeft plaatsgevonden, mist feitelijke grondslag. Daaraan doet ook niet af dat ten tijde van de uitspraak het gerechtsgebouw niet toegankelijk was voor publiek. Het was, zoals onder 2.6.4 is weergegeven, de pers immers wel toegestaan om de zitting bij te wonen.

Opmerking verdient nog dat de openbaarheid van de uitspraak ook op andere wijze kan worden bevorderd dan door het uitspreken daarvan op een openbare zitting, bijvoorbeeld door het publiceren van uitspraken – zoals in het onderhavige geval is gebeurd door publicatie op de website uitspraken.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBNHO:2020:2720 – of het anderszins toegankelijk maken van gegevens over het doen van uitspraken en van de tekst van uitspraken. (Vgl. in verband met het in het openbaar wijzen van uitspraken, zoals gewaarborgd in artikel 6 lid 1 EVRM, EHRM 22 februari 1984, nr. 8209/78 (Sutter/Zwitserland), overweging 33.)”

3.28.

Uit de geciteerde uitspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat, gegeven de coronaproblematiek, de mogelijke aanwezigheid van publiek in de zittingzaal geen harde voorwaarde vormt voor de openbaarheid van de behandeling, mits de zitting wel toegankelijk is voor (een aantal) vertegenwoordigers van de pers. Uit het gestelde onder 2.2 volgt dat die regel ook geldt voor de zitting van de raadkamer, in de gevallen waarin voor die behandeling de openbaarheid is voorgeschreven. Uit het arrest kan niet volgen dat voor de behandeling in raadkamer een ander benaderingswijze geldt dan voor de reguliere openbare terechtzitting, ook niet als de openbaarheid van die zitting niet rechtstreeks voortvloeit uit art. 6 EVRM. In de berechte zaak, waar het ging om de toelaatbaarheid van een uitleveringsverzoek, was art. 6 EVRM, net als in de onderhavige zaak, immers niet in het geding.

3.29.

Ik ben derhalve van mening dat, ondanks de instemming met een afdoening buiten de raadkamer, de bestreden beschikking aan nietigheid lijdt vanwege het ontbreken van een openbare behandeling van het klaagschrift.

3.30.

Naast de eis dat de behandeling van het klaagschrift ex art. 552a Sv in het openbaar plaatsvindt, bestaat uiteraard de eis dat de behandeling door de raadkamer ook daadwerkelijk geschiedt. Dat volgt behalve uit art. 552a lid 7 Sv ook uit art. 21 lid 1, eerste volzin, Sv: “In alle gevallen waarin niet de beslissing door het rechterlijk college op de terechtzitting is voorgeschreven of aldaar ambtshalve wordt genomen, geschiedt de behandeling door de raadkamer.”

3.31.

De behandeling door de raadkamer betreft een soort ‘mini-proces’, waarvoor slechts enkele algemene regels zijn getroffen in de art. 21 t/m 25 Sv. Uitgangspunt van de procedure in raadkamer is, dat bleek al eerder, een mondelinge behandeling door de rechter, waarbij het openbaar ministerie in de persoon van de officier van justitie aanwezig is en waarvoor op grond van art. 23 lid 2 Sv – tenzij anders is voorgeschreven – de verdachte en de overige procesdeelnemers worden opgeroepen. Over de gang van zaken bij de behandeling door de raadkamer bevat de wettelijke regeling slechts summiere informatie, maar de behandeling zal in ieder geval moeten voldoen aan beginselen van een behoorlijke procesorde, zodat de aanwezige partijen het recht hebben om het woord te voeren, indachtig het beginsel ‘audi et alteram partem’. Wederzijdse standpunten kunnen aldus worden ingenomen en toegelicht, waarna de rechter – die daaromtrent ook nog vragen kan stellen - na sluiting van de behandeling zijn beslissing kan geven. Dezelfde beginselen behoeven in raadkamerzaken niet te leiden tot oeverloze of herhaalde debatten: dat hangt ook samen met de beperkte aard van de procedure in raadkamer. In ieder geval volgde uit HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7282 dat de opvatting dat beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat de klager, die eerst zijn standpunt naar voren had gebracht, in de gelegenheid moet worden gesteld te reageren op een tot ongegrondverklaring strekkend betoog van de officier van justitie en dat bij gebreke daarvan het onderzoek aan nietigheid leidt, onjuist is.

3.32.

In de thans aan de orde zijnde zaak is door de rechtbank aan de officier van justitie en de klager de gelegenheid gegeven om schriftelijk over en weer een standpunt in te nemen en toe te lichten. Daarmee is, zo kan gesteld worden, aan de belangrijkste functie van een mondelinge behandeling ten overstaan van de rechter wel tegemoet gekomen. Een dergelijke gang van zaken is in ‘normale’ tijden ook niet ongebruikelijk, om de druk op de zitting van de raadkamer zoveel mogelijk te verlichten. Niettemin blijft ook bij een min of meer uitgebreide ‘schriftelijke ronde’, naar ik meen een daarop volgende mondelinge behandeling essentieel, met name als de ingenomen standpunten uiteen lopen. De rechter kan dan in ieder geval verifiëren of van beide zijden al hetgeen relevant is naar voren is gebracht en zo nodig zelf nog een vraag daaromtrent stellen.

3.33.

Het is opvallend dat in de onderhavige zaak juist op het punt van de interne openbaarheid het een en ander is misgegaan. Daarmee raak ik tegelijk aan hetgeen in het tweede middel als eerste klacht naar voren is gebracht. In wezen vloeit die klacht voort uit het tamelijk informele karakter van de door de rechtbank gehouden schriftelijke ronde, waarbij steeds via e-mail is gecommuniceerd en waarbij de raadsman kennelijk een ander beeld had gekregen van de mogelijkheden om nogmaals te reageren op het standpunt van de officier van justitie. Dat die gang van zaken tot misverstanden heeft geleid blijkt uit een email van 7 mei 2020, van een medewerker van de rechtbank die is gestuurd nadat de raadsman zijn verwondering had uitgesproken over het feit dat de rechtbank inmiddels op het klaagschrift had beslist. Deze e-mail luidt als volgt:

“Geachte mr. Van Galen,

In antwoord op uw mail van 4 mei 2020 het volgende.

In verband met de beperkingen die de coronapandemie voor de behandeling van zaken ter zitting betekende is aan u en aan het openbaar ministerie gevraagd of u kon instemmen met een schriftelijke afdoening van de klaagschriften en of u dat kort of uitvoeriger wilde. Het openbaar ministerie gaf aan daarmee in te kunnen stemmen en te blijven bij het door haar reeds eerder ingenomen standpunt. U stuurde vervolgens op 20 april 2020 per mail een bestand met uw inhoudelijk standpunt. U vroeg in dat mailbericht van 20 april tevens 'op welke termijn de officier van justitie dient te reageren, hoeveel reactie tijd de verdediging daarop nog geboden wordt en wanneer de rechter uitspraak zal doen’. Die vraag is helaas door de rechtbank over het hoofd gezien, waardoor er -ten onrechte- is uitgegaan van een compleet dossier op basis waarvan een beslissing kon worden genomen.

Het spijt de rechtbank oprecht dat er sprake blijkt te zijn geweest van een onduidelijke communicatie. U heeft gelijk dat de beperkingen die coronamaatregelen opleggen niet mogen leiden tot een procedure die onvoldoende recht doet aan een zorgvuldige afdoening van zaken. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank op basis van de stukken, inclusief uw schriftelijke reactie van 20 april 2020 en het herhaalde standpunt van het openbaar ministerie, een - uitvoerig gemotiveerde - beschikking genomen. Dat neemt niet weg dat u had aangegeven nog een reactie van het openbaar ministerie te willen en daar weer op had willen reageren.

Uit deze miscommunicatie zal lering worden getrokken.

Met vriendelijke groet,

[betrokkene 1]

Senior juridisch medewerker”

3.34.

Nu kan men naar aanleiding van de gevolgde procedure nog wel een en ander opmerken over de vraag of de klager door de gang van zaken – die de rechtbank zelf kennelijk als ongelukkig oordeelt – in enig wezenlijk belang is geschaad, omdat de officier van justitie naar aanleiding van het schriftelijk standpunt van de raadsman niet anders heeft gesteld dan dat hij bij zijn eerder ingenomen standpunt blijft, maar ik zal de neiging daartoe onderdrukken, omdat het mij hier vooral gaat om de illustratie van het belang van een behandeling op de zitting, waarvoor ook de klager wordt opgeroepen. Ook op eventueel onterecht gekoesterde verwachtingen over de schriftelijke voorronde kan dan worden gesproken. Het is immers op de zitting dat de interne openbaarheid volledig tot haar recht komt. Dat is meen ik ook een van de belangrijke onderliggende beginselen, waarop de wetgever het Wetboek van Strafvordering heeft gebouwd. Ook op dit punt schiet de door de rechtbank gevolgde procedure tekort.

3.35.

Naar ik meen slaagt het tweede middel en moet dit leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking.

3.36.

Waar als gezegd in mijn opvatting het tweede middel slaagt zie ik geen aanleiding tot het bespreken van de overige middelen. Mocht de Hoge Raad daaraan behoefte hebben dan ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam teneinde op het bestaande klaagschrift te worden afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het middel klaagt over niet-naleving van art. 552a lid 6 Sv, zich daarbij kennelijk baserend op de wettekst zoals die tot 1 maart 2015 gold, en waar het voorschrift over de openbare behandeling van het klaagschrift in lid 6 was opgenomen. Nadien is het wetsartikel nog enkele keren gewijzigd, waarbij het bedoelde voorschrift steeds in lid 7 is opgenomen.

2 Zie ook HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5512. Idem t.a.v. art. 552p (oud) Sv HR 16 juni 1998, NJ 1998, 838 m. nt. T.M. Schalken. Vgl. ook HR 10 juni 1958, NJ 1958, 38, m.nt. B.V.A. Röling, HR 22 april 1986, NJ 1986, 783, m. nt. Th.W. van Veen.

3 Werkwijze (rolreglement) Rekestenkamer Strafsector Rechtbank Amsterdam, gepubliceerd op rechtspraak.nl.

4 Landelijk strafprocesreglement; voor de afdelingen Strafrecht van de gerechten en het Openbaar Ministerie. Gepubliceerd op rechtspraak.nl.

5 Zie reeds HR 3 juni 1986, NJ 1987, 174 en, onder meer HR 6 september 2011, LJN BQ8028, NJ 2011, 417 waarin de Hoge Raad oordeelde dat in de beklagprocedure geen rechten of verplichtingen van burgerlijke aard worden vastgesteld.

6 Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wegenverkeerswet en de Wet op de economische delicten in verband met herziening van de raadkamerprocedure, Stb. 1993, 591.

7 Kamerstukken II, 1991-1992, 22 584, nr. 3 (MvT), p. 13/14.

8 Met achterwege laten van een voetnoot.