Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:324

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
20/03997
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:950
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Onderbewindstelling en mentorschap. Verzoek tot ontslag bewindvoerder/mentor. Valt zodanig verzoek onder 'zaken van curatele, onderbewindstelling of mentorschap' als bedoeld in art. 798 lid 2 Rv?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03997

Zitting 1 april 2021

CONCLUSIE

R.H. de Bock

In de zaak

I. [verzoekster] (hierna: verzoekster)

waarbij als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [de rechthebbende] (hierna: de rechthebbende)

2. Toekomst Bewindvoeringen B.V. (hierna: Toekomst Bewindvoeringen)

3. [belanghebbende 3] , h.o.d.n. [A] (hierna: [A] )

en waarbij als informant is aangemerkt:

4. [informant] (hierna: de oudste dochter van de rechthebbende)

Prejudiciële vragen over het belanghebbende-begrip in familiezaken anders dan scheidingszaken (art. 798 Rv). Valt een verzoek tot ontslag van een bewindvoerder (dan wel mentor of curator) onder ‘zaken van curatele, onderbewindstelling of mentorschap’ als bedoeld in art. 798 lid 2 Rv?

1 Feiten

In deze zaak kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vastgesteld in de tussenbeschikking van het gerechtshof Den Haag van 2 december 2020.1

1.1

De rechthebbende is geboren op [geboortedatum] 1940 te [geboorteplaats] . Verzoekster is een dochter van de rechthebbende.

1.2

Bij beschikking van 22 december 2017 heeft de kantonrechter in de rechtbank Den Haag een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand. Hierbij is [A] tot bewindvoerder benoemd.

1.3

Bij beschikking van 24 mei 2018 heeft de kantonrechter in de rechtbank Den Haag Toekomst Bewindvoeringen tot mentor van de rechthebbende benoemd.2

1.4

Tussen verzoekster en haar zus, de oudste dochter van de rechthebbende, is sprake van een gespannen verhouding. Beide dochters van de rechthebbende hebben uiteenlopende visies op de wijze waarop de verzorging en begeleiding van hun moeder het beste gestalte kan krijgen. De rechthebbende heeft zelf met elk van haar dochters een band. Zij zit in de vete tussen de dochters als het ware ‘ertussenin’.

2 Procesverloop

2.1

Op 4 september 2018 heeft de griffie van de rechtbank Den Haag een brief van rechthebbende ontvangen. Bij verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 27 september 2018, heeft de rechthebbende de kantonrechter verzocht om het ontslag van de toenmalige bewindvoerder en de benoeming van een nieuwe bewindvoerder.

2.2

Toekomst Bewindvoeringen heeft bij brief, ter griffie ingekomen op 20 november 2018, de rechter-commissaris laten weten dat de rechthebbende haar klacht tegen Toekomst Bewindvoeringen (die zag op de werkzaamheden van Toekomst Bewindvoeringen als mentor van de rechthebbende) wenst in te trekken.3

2.3

Bij verzoekschrift van 29 januari 2019 heeft Toekomst Bewindvoeringen verzocht om haar ontslag als mentor van de rechthebbende, onder meer vanwege de vete tussen de twee dochters.

2.4

Op 20 maart 2019 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Ter zitting zijn verschenen: de rechthebbende, [A] (toen nog bewindvoerder), [betrokkene 1] namens Toekomst Bewindvoeringen (de mentor) en de oudste dochter van de rechthebbende met haar dochter. Verzoekster is niet opgeroepen als belanghebbende. Ter zitting heeft Toekomst Bewindvoeringen haar verzoek om te worden ontslagen als mentor ingetrokken en zich bereid verklaard om te worden benoemd als opvolgend bewindvoerder. Rechthebbende heeft zich hiermee akkoord verklaard.

2.5

Bij beschikking van 27 maart 2019 heeft de kantonrechter het verzoek tot ontslag van Toekomst Bewindvoeringen als mentor afgewezen en per 1 mei 2019 de voormalige bewindvoerder ontslagen en Toekomst Bewindvoeringen tot opvolgend bewindvoerder benoemd. Sinds 1 mei 2019 is Toekomst Bewindvoeringen dus niet alleen de mentor van rechthebbende maar ook haar bewindvoerder.

2.6

Tegen deze beschikking is verzoekster is op 15 juli 2019 in hoger beroep gekomen. Zij heeft onder meer aangevoerd dat zij ten onrechte niet als belanghebbende is opgeroepen in de procedure in eerste aanleg. Ook is aangevoerd dat het onwenselijk is dat bewindvoering en mentorschap nu in één hand zijn.

2.7

Toekomst Bewindvoeringen heeft op 19 maart 2020 een verweerschrift ingediend.

2.8

Op 15 augustus 2020 heeft het hof nadere stukken ontvangen van de zijde van verzoekster.

2.9

Bij handgeschreven brief van 4 maart 2020 heeft de rechthebbende het volgende geschreven: ‘Ik ben heel blij met de mentor en bewindvoering. [betrokkene 2] mag niet bemoeien. Ik ben moe, ik kom niet naar de rechtbank.’4

2.10

Op 10 september 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Verschenen zijn verzoekster, bijgestaan door haar advocaat, de advocaat van rechthebbende, Toekomst Bewindvoeringen (vertegenwoordigd door [betrokkene 1] ) en de oudste dochter van de rechthebbende. De voormalig bewindvoerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

2.11

Bij beschikking van 21 oktober 2020 heeft het hof verzoekster, de rechthebbende, Toekomst Bewindvoeringen en de oudste dochter van de rechthebbende in de gelegenheid gesteld om zich schriftelijk uit te laten over het voornemen om aan de Hoge Raad vragen te stellen en over de inhoud van de te stellen vragen. Elk van hen heeft met instemming gereageerd, met uitzondering van de rechthebbende die van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.

2.12

Bij tussenbeschikking van 2 december 2020 heeft het hof Den Haag op de voet van art. 392 Rv de volgende vijf prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd:

1. Is bij verzoeken tot ontslag van een bewindvoerder of een mentor (en benoeming van een andere) artikel 798 lid 2 Rv van toepassing?

2. Maakt het daarbij verschil of de bewindvoerder/mentor van wie het ontslag wordt verzocht behoort tot de in artikel 1:435 lid 4 BW en artikel 1:452 lid 4 BW bedoelde personen uit de eigen kring van de rechthebbende/betrokkene, dan wel een ander (veelal een professionele bewindvoerder/mentor)?

3. Is voor de beantwoording van de eerste vraag van belang of het verzoek tot ontslag wordt gedaan door de bewindvoerder/mentor zelf of door een van de andere personen, bedoeld in artikel 1:448 lid 2 BW en artikel 1:461 lid 2 BW?

4. Is voor de beantwoording van de eerste vraag van belang of het verzoek strekt tot benoeming van een andere bewindvoerder die behoort tot de in artikel 1:435 lid 4 BW en artikel 1:452 lid 4 BW bedoelde personen uit de eigen kring van de rechthebbende/betrokkene, dan wel een ander (veelal een professionele bewindvoerder/mentor)?

5. In hoeverre geldt voor verzoeken tot ontslag van een curator op grond van artikel 1:385 lid 1 onder d BW hetzelfde?

2.13

Op 22 januari 2021 heeft de griffie van de Hoge Raad de processtukken van het hof ontvangen.

2.14

De Hoge Raad heeft de prejudiciële vragen in behandeling genomen en partijen op 28 januari 2021 een termijn van zes weken verleend om schriftelijke opmerkingen in te dienen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3 Bespreking van de prejudiciële vragen

Beschermingsmaatregelen meerderjarigen

3.1

De beschermingsmaatregelen curatele, onderbewindstelling en mentorschap zijn bedoeld om kwetsbare volwassenen die niet goed in staat zijn voor zichzelf op te komen, te beschermen door de benoeming van een wettelijke vertegenwoordiger die hun belangen behartigt.5 Met de per 1 januari 2014 ingevoerd Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap zijn de verschillende beschermingsmaatregelen gestroomlijnd.6 Hierna, onder 3.26 e.v., zal nader worden ingegaan op deze wet.

3.2

Curatele is de meest verstrekkende beschermingsmaatregel. Het leidt tot een nagenoeg totaal verlies van handelingsbekwaamheid van de onder curatele gestelde7 en geldt als een ultimum remedium.8Dat eerst moet worden nagegaan of volstaan kan worden met een minder verstrekkende voorziening, volgt uit het in art. 1:378 lid 1 slot BW neergelegde criterium dat ‘een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd’. Curatele beoogt bescherming van een meerderjarige die, al dan niet tijdelijk, zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van hun lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel gewoonte van drank- of drugsmisbruik (art. 1:378 BW). De curator behartigt zowel de vermogensrechtelijke als de niet-vermogensrechtelijke belangen van de onder curatele gestelde.

3.3

Een minder vergaande beschermingsmaatregel is beschermingsbewind. Beschermingsbewind leidt niet tot handelingsbekwaamheid, maar tot onbevoegdheid tot beheer (art. 1:438 lid 1 BW) en een beperkte bevoegdheid tot beschikking (art. 1:438 lid 2 BW).9 Beschermingsbewind is bedoeld voor de meerderjarige die niet in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen zelfstandig behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke en/of geestelijke toestand of ten gevolge van verkwisting of het hebben van problematische schulden (art. 1:431 BW).

3.4

De derde beschermingsmaatregel voor meerderjarigen is het mentorschap.10 Mentorschap kan worden ingesteld indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke en/of geestelijke toestand, al dan niet tijdelijk, niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen (art. 1:450 BW). Mentorschap en beschermingsbewind kunnen naast elkaar bestaan; het eerste ziet op de bescherming van niet-vermogensrechtelijke belangen en het tweede op de bescherming van vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende.11 Tijdens het mentorschap is de rechthebbende in beginsel onbevoegd rechtshandelingen te verrichten in aangelegenheden betreffende zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding (art. 1:453 lid 1 BW). Met betrekking tot deze aangelegenheden treedt de mentor in beginsel op als vertegenwoordiger (art. 1:453 lid 2 BW). De mentor heeft tot taak de rechthebbende raad te geven betreffende aangelegenheden van niet-vermogensrechtelijke aard en over diens belangen ter zake te waken (vgl. art. 1:453 lid 4 BW).

Belanghebbende-begrip in verzoekschriftprocedures in het algemeen 12

3.5

In een dagvaardingsprocedure is altijd bekend wie de wederpartij is. Dit is anders in een verzoekschriftprocedure, omdat het verzoek aan de rechter is gericht. Strikt genomen is er in verzoekschriftprocedures dan ook geen sprake van een wederpartij. In verzoekschriftprocedures is het de taak van de rechter om te bepalen wie belanghebbenden – potentiële wederpartij – bij het verzoek zijn.13 Dat blijkt uit art. 279 lid 1, derde volzin, Rv, waarin staat dat de rechter te allen tijde bekende of onbekende belanghebbenden kan doen oproepen. Maar ook verzoeker kan in het verzoekschrift belanghebbenden noemen, die ‘voor zover nodig’ door de rechter worden opgeroepen (art. 279 lid 1, tweede volzin, Rv).

3.6

Het zijn van belanghebbende in een verzoekschriftprocedure heeft verschillende gevolgen:

- tenzij de rechter ‘zich aanstonds onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst’,14 worden belanghebbenden opgeroepen voor de mondelinge behandeling (art. 279 lid 1 Rv);

- bij de oproeping wordt de belanghebbenden een afschrift van het verzoekschrift toegezonden (art. 279 lid 2 Rv);

- iedere belanghebbende kan tot de aanvang van de behandeling of, indien de rechter dit toestaat, in de loop van de behandeling, een verweerschrift indienen, waarbij het niet uitmaakt of hij al dan niet is opgeroepen als belanghebbende (art. 282 lid 1 Rv);15

- belanghebbenden kunnen in het verweerschrift een zelfstandig verzoek indienen (art. 282 lid 4 Rv);

- belanghebbenden hebben recht op inzage en afschrift van processtukken (art. 290 Rv);

- aan de verschenen belanghebbende alsmede aan de belanghebbende die tot tenuitvoerlegging van de beschikking kan overgaan, wordt zo spoedig mogelijk een afschrift van de beschikking verstrekt (art. 290 lid 3 Rv).

3.7

Bovendien kunnen belanghebbenden, naast verzoeker, hoger beroep instellen tegen de eindbeschikking, voor zover geen appelverbod bestaat (art. 358 lid 2 Rv). Dit recht om hoger beroep in te stellen bestaat zowel voor belanghebbenden die in eerste aanleg zijn verschenen, als voor in eerste aanleg niet verschenen belanghebbenden. De appelrechter moet oproeping bevelen van de in eerste aanleg verschenen belanghebbenden. Bovendien kan de appelrechter te allen tijde bekende of onbekende belanghebbenden doen oproepen (art. 361 lid 1 Rv). Wie in hoger beroep als belanghebbenden moeten worden aangemerkt, hoeft dus niet samen te vallen met wie in eerste aanleg belanghebbenden waren.

3.8

Het begrip ‘belanghebbende’ is – afgezien van de hierna te bespreken belanghebbenden in zaken van personen- en familierecht – in de wet niet gedefinieerd of nader omschreven. De wetgever is ervan uitgegaan dat het aan de rechter is om te bepalen wie tot de ‘belanghebbenden’ zijn te rekenen.16 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad wordt het antwoord op de vraag of iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt, afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen.17 Daarbij zal een rol spelen in hoeverre iemand door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.18

Belanghebbenden in zaken van personen- en familierecht, anders dan scheidingszaken

3.9

Voor zaken betreffende het personen- en familierecht, in andere zaken dan scheidingszaken, geeft de wet voorschriften (art. 798-813 Rv) die afwijken van de algemene regels voor verzoekschriftprocedures (art. 261-291 Rv).

3.10

Eén van die afwijkende voorschriften is art. 798 lid 1 Rv, dat bepaalt wie voor de toepassing van Boek III, Titel 6, Afdeling 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering onder ‘belanghebbende’ wordt verstaan. Art. 798 Rv luidt als volgt:

1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, wordt aangemerkt als belanghebbende.

2. In zaken van curatele, onderbewindstelling of mentorschap worden onder belanghebbenden bovendien verstaan de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel en de kinderen of, bij gebreke van dezen, de ouders, broers en zusters van degene wiens curatele, goederen of mentorschap het betreft.

Wetsgeschiedenis van art. 798 Rv

3.11

Art. 798 Rv is ingevoerd per 1 april 1995, als onderdeel van de Wet tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht.19 Het doel van deze wet was om te komen tot één regeling voor de verschillende familieverzoekschriftprocedures, die op dat moment nog elk hun eigen wettelijke regeling hadden. In de memorie van toelichting is uiteengezet dat tot dan toe geen afstemming heeft plaatsgevonden van de procedureregels voor Boek 1 BW-zaken en de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure, en dat mede daardoor sprake is van ‘valkuilen’. Dat kan echter niet de bedoeling zijn van procedureregels.20 De toelichting vervolgt:21

In dit wetsvoorstel is een andere benadering dan de huidige gekozen. Gehandhaafd is het uitgangspunt dat de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure ook voor de familierechtelijke verzoekschriftprocedures ([toenmalige, A-G] artikelen 429a-429t Rv.) het algemene kader vormt. Deze bepalingen gelden dus voor zover er in de thans voorgestelde regeling niet van wordt afgeweken. Nieuw is dat de uiteenlopende familieprocedures tot één regeling zijn teruggebracht, welke - inclusief het scheidingsprocesrecht - iets meer dan dertig artikelen omvat.

Afwijkingen van en aanvullingen op de artikelen 429a-429t Rv. vindt men vooral in de voorgestelde nieuwe eerste afdeling van de Zesde Titel van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omvattende de artikelen 798 tot en met 813. (…). Een afwijking van de artikelen 429a e.v. Rv. vindt men bij voorbeeld in het eerste artikel (artikel 798), waarin men voor het procesrecht op het terrein van het personen- en familierecht een omschrijving vindt van het begrip belanghebbende.

3.12

Art. 798 lid 1 Rv geeft in de eerste volzin een beperking aan het belanghebbende-begrip, doordat is bepaald dat het gaat om ‘degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft’. Het woord ‘rechtstreeks’ impliceert dat een indirect belang niet voldoende is om als belanghebbende te worden aangemerkt.22

3.13

In antwoord op prejudiciële vragen oordeelde de Hoge Raad in zijn beschikking van 30 maart 2018 dat niet in algemene zin kan worden afgebakend wie valt binnen de door de eerste volzin bestreken kring van belanghebbenden.23 Overwogen werd dat welke persoon of instelling als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald – aan de ene kant – door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en – aan de andere kant – door de rechten of verplichtingen waarop de betrokken persoon of instelling zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv.

3.14

Art. 798 lid 2 Rv geeft een correctie op de beperking van lid 124 en bevat een uitbreiding van het belanghebbendenbegrip: in zaken van curatele, onderbewindstelling of mentorschap zijn bepaalde – specifiek aangeduide – personen belanghebbende, ook al vallen zij niet onder het lid 1-begrip. Dit is af te leiden uit het woord ‘bovendien’ in lid 2. De in art. 798 lid 2 Rv genoemde personen zijn zonder meer belanghebbenden in dergelijke zaken, waardoor in feite sprake is van een verruiming; voor hen hoeft immers niet afzonderlijk te worden vastgesteld of de zaak rechtstreeks betrekking op hun rechten of verplichtingen.25

3.15

Het tweede lid van art. 798 Rv is in de memorie van toelichting als volgt toegelicht:26

In de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure zal het begrip belanghebbende, als het een zaak van personen– en familierecht betreft, op de wijze als in artikel 798 lid 1 is bepaald, moeten worden geïnterpreteerd.

De bovenstaande benadering blijkt alleen in zaken van curatele en onderbewindstelling niet toereikend te zijn. In die gevallen rijst het probleem dat een aantal personen op wier rechten of verplichtingen de zaak in ieder geval niet rechtstreeks betrekking heeft, thans is toegelaten om verzoeken te doen en om verweer te voeren (zie de artikelen 379 en 432 Boek 1 B.W., alsmede de artikelen 884 en 894 Rv). Het lijkt mij niet gewenst deze mogelijkheid in het kader van dit wetsvoorstel ingrijpend te beperken. Daarom is in het tweede lid voor deze zaken het begrip belanghebbende nader gespecificeerd op een wijze die aansluit bij de zoëven genoemde artikelen 884 en 894 Rv. Dit houdt onder meer in dat in deze zaken onder omstandigheden ook broers en zusters van de betrokkene in rechte kunnen optreden, ook als zij geen belanghebbende zijn in de zin van artikel 798 lid 1.

3.16

Uit deze toelichting blijkt dat beoogd is het belanghebbende-begrip van art. 798 lid 2 Rv te laten aansluiten op de bepalingen waarin is geregeld welke personen bevoegd zijn om een verzoek te doen tot een maatregel tot curatele, onderbewindstelling of mentorschap (thans art. 1:379 BW, art. 1:432 BW en art. 1:451 BW). Zonder een aanvullende bepaling ten opzichte van het eerste lid, zouden mogelijk sommige van deze personen niet onder het belanghebbende-begrip vallen, zo was kennelijk de gedachte.

3.17

Die aansluiting is echter niet geheel geslaagd.27 Zo hadden de oude bepalingen ten aanzien van onderbewindstelling slechts betrekking op de instelling en opheffing van het bewind. Art. 798 lid 2 Rv spreekt echter over ‘zaken van curatele, onderbewindstelling of mentorschap’; dat is dus een ruimere omschrijving. Ook volgde uit de oude Rv-bepalingen niet dat alle daar genoemde personen als belanghebbenden hadden te gelden; bepaalde personen werden veeleer als informant beschouwd. Ook in dit opzicht is art. 798 lid 2 Rv dus ruimer geformuleerd dan waarschijnlijk was bedoeld.

De Hoge Raad over art. 798 lid 2 Rv

3.18

Tegen deze achtergrond ligt het voor de hand om art. 798 lid 2 Rv beperkt uit te leggen. Dat is ook de lijn van de Hoge Raad. In een beschikking uit 2002 besliste de Hoge Raad – overeenkomstig de conclusie van A-G Wesseling-van Gent28 – dat een machtigingsprocedure op de voet van art. 1:438 lid 2 BW en art. 1:441 lid 2 BW niet kan worden aangemerkt als een zaak van onderbewindstelling als bedoeld in art. 798 lid 2 Rv.29 Overwogen werd het volgende (mijn onderstreping):

3.4 (…) Bij de behandeling van het onderdeel moet het volgende worden vooropgesteld. Bij onderbewindstelling geldt dat het beheer over de onder bewind staande goederen toekomt aan de bewindvoerder (art. 1:438 lid 1 BW), die echter voor bepaalde handelingen de toestemming van de rechthebbende nodig heeft (art. 1:441 lid 2) en dat laatstgenoemde slechts met medewerking van de bewindvoerder beschikkingshandelingen kan verrichten (art. 1:438 lid 2). Voor het geval tussen hen verschil van mening bestaat over de wenselijkheid of noodzaak van bepaalde beschikkingshandelingen, kan de benodigde toestemming worden vervangen door een op verzoek van de bewindvoerder

(art. 1:441 lid 2) onderscheidenlijk de rechthebbende (art. 1:438 lid 2) door de Kantonrechter verleende machtiging. Hierbij gaat het — uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.9 weergegeven passage uit de parlementaire

geschiedenis blijkt dat dit de wetgever ook voor ogen stond — om een beperkte regeling, waarbij slechts de rechthebbende en de bewindvoerder zijn betrokken.

Uit het voorafgaande volgt dat een machtigingsprocedure als bedoeld in de art. 1:438 lid 2 en 1:441 lid 2 BW, waarover het in het onderhavige geding gaat, niet kan worden aangemerkt als een 'zaak van onderbewindstelling' als bedoeld in het tweede lid van art. 798 Rv., nu de in die bepaling opgenomen uitbreiding van de kring van belanghebbenden niet in overeenstemming is met de aard en strekking van een dergelijke procedure . De Rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat F. als belanghebbende beroep kon instellen tegen de beslissingen van de Kantonrechter. (…)”

3.19

Uit deze beschikking volgt dat niet elke zaak die ‘verband houdt’ met curatele, onderbewindstelling of mentorschap, onder de reikwijdte van art. art. 798 lid 2 Rv valt. In ieder geval is de bepaling niet van toepassing op machtigingsprocedures in het kader van onderbewindstelling (art. 1:438 lid 2 en art. 1:441 lid 2 BW).

3.20

In een beschikking uit 2014 heeft de Hoge Raad herhaald dat art. 798 lid 2 Rv niet geldt in dergelijke procedures. Dat het in die zaak ging om een machtiging tot het verrichten van een rechtshandeling van ingrijpende aard, maakt dat volgens de Hoge Raad niet anders.30 Overwogen werd het volgende:

3.5 De klacht onder (b) stuit af op hetgeen is beslist in de hiervoor in 3.2 vermelde beschikking van de Hoge Raad van 11 januari 2002. (…) Hieruit volgt, aldus die beschikking, dat een dergelijke machtigingsprocedure niet kan worden aangemerkt als een ‘zaak van onderbewindstelling’ als bedoeld in art. 798 lid 2 Rv, nu de in die bepaling opgenomen uitbreiding van de kring van belanghebbenden niet in overeenstemming is met de aard en strekking van een dergelijke procedure. Dat het in het onderhavige geval gaat om een machtiging tot het verrichten van een rechtshandeling van ingrijpende aard, zoals het middel betoogt, doet niet af aan hetgeen in de uitspraak van 2002 is overwogen omtrent de aard en strekking van de machtigingsprocedure, en kan niet meebrengen dat de onderhavige zaak alsnog moet worden aangemerkt als een ‘zaak van onderbewindstelling’ als bedoeld in art. 798 lid 2 Rv. Een andersluidend oordeel zou bovendien meebrengen dat de omstandigheid dat sprake is van een machtigingsprocedure niet steeds beslissend is, hetgeen tot onwenselijke rechtsonzekerheid zou leiden, nu het hier gaat om een regeling die, in verbinding met art. 806 lid 1 Rv, bepalend is voor het antwoord op de vraag aan wie een rechtsmiddel toekomt.”

3.21

Ook uit deze overweging volgt dus dat het bij de vraag of iemand als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 2 Rv moet worden aangemerkt, gaat om de aard en strekking van het concrete verzoek.

3.22

In zijn noot bij het arrest uit 2002 stelde De Boer dat de Hoge Raad er beter aan had gedaan om op grond van de wetsgeschiedenis ‘klip en klaar uit te spreken’ dat art. 798 lid 2 Rv slechts de instelling en opheffing van het bewind betreft, inclusief wellicht de uitbreiding van het bewind tot meer goederen of het ontslag van goederen, als bedoeld in art. 1:433 lid 2 BW, in plaats van het beperkte karakter van de regeling van de machtigingsprocedure te benadrukken.31

Feitenrechtspraak over art. 798 lid 2 Rv

3.23

In de tussenuitspraak waarin de voorliggende prejudiciële vragen zijn gesteld, is in rov. 5.19 opgemerkt dat het Landelijk Overleg van Vakinhoud Familie- en jeugdrecht van de hoven in 2019 voor intern gebruik een ‘Tabel belanghebbende’ heeft opgesteld. Daarin is ten aanzien van zaken over curatele, bewind en mentorschap onder meer vermeld:32

In een procedure die enkel de persoon van de curator/bewindvoerder/mentor betreft is art. 798 lid 2 Rv niet van toepassing.

3.24

Ik heb niet kunnen vinden of ook de rechtbanken op dit punt een beleid hebben afgesproken.

3.25

In overeenstemming met de ‘Tabel belanghebbende’ wordt door de hoven doorgaans aangenomen dat art. 798 lid 2 Rv niet van toepassing is in procedures die alleen zien op de persoon van de curator, bewindvoerder of mentor. De in art. 798 lid 2 Rv opgesomde betrokkenen worden in zo’n procedure dus niet als belanghebbende aangemerkt.33Zie bijvoorbeeld een uitspraak van het hof Amsterdam:34

5.4 (…) Gelet op de wetsgeschiedenis is op dit punt, is het hof van oordeel dat de uitbreiding van het begrip belanghebbende van artikel 798 lid 2 Rv slechts van toepassing is op de instelling of opheffing van bewind en mentorschap (…). Nu in deze hoger beroepsprocedure alleen de persoon van de bewindvoerder en mentor in geschil is en het (instellen van het) bewind en mentorschap zelf niet ter discussie staat, kan de onderhavige procedure niet worden gerekend tot de ‘zaken van onderbewindstelling of mentorschap’ als bedoeld in artikel 798 lid 2 Rv. (…)

3.26

De vraag is of deze benadering juist is. Die vraag zal moeten worden beantwoord door – in lijn met wat hiervoor is besproken – na te gaan wat de aard en strekking is van een ontslagprocedure bij een beschermingsmaatregel (in dit geval beschermingsbewind). Daartoe zal ik nader ingaan op de hiervoor (onder 3.1) reeds kort genoemde Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap.

Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap

3.27

De Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap35 is per 1 januari 2014 in werking is getreden. Deze wet bevat aanvullingen en wijzigingen van de in Boek 1 BW opgenomen regels omtrent curatele, onderbewindstelling van meerderjarigen en mentorschap.36 Bij deze wet is onder meer de kring van personen die om instelling van een beschermingsmaatregel kan verzoeken, aanzienlijk uitgebreid.37

3.28

De vijf uitgangspunten van deze wet zijn:

(i) de maatregel is passend en bevordert, waar mogelijk, de zelfredzaamheid van de rechthebbende;

(ii) de betrokkenheid van personen in de nabije omgeving wordt ondersteund;

(iii) de kwaliteit van wettelijke vertegenwoordigers wordt gewaarborgd;

(iv) de wet reflecteert de bestaande praktijk; en

(v) de regels omtrent curatele, bewind en mentorschap worden gestroomlijnd en afgebakend.38

3.29

Over het met (ii) aangeduide uitgangspunt, ondersteuning van de betrokkenheid van personen in de nabije omgeving, valt in de memorie van toelichting onder meer te lezen: 39

Het belang van actieve betrokkenheid van personen uit de nabije omgeving, bijvoorbeeld door het verzoeken om de instelling van een beschermingsmaatregel, alsook enige vorm van controle op de uitvoering daarvan, is groot. (…) Het wetsvoorstel voorziet in een uitbreiding van de kring van nabije personen die bevoegdheden toekomen en in een uitbreiding van de bevoegdheden van deze nabije personen.

3.30

Met de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap is de kring van personen die bevoegd is een verzoek te doen tot instelling van een beschermingsmaatregel, niet alleen uitgebreid maar ook gelijkgetrokken voor alle beschermingsmaatregelen.40 Wie bevoegd zijn om een verzoek te doen, is voor curatele geregeld in art. 1:379 lid 1 en lid 2 BW, voor beschermingsbewind in art. 1:432 lid 1 en lid 2 BW en voor mentorschap in art. 1:451 lid 1 en lid 2 BW.

3.31

Momenteel, na de uitbreiding en gelijktrekking van de kring van ‘nabije personen’ die bevoegd zijn om te verzoeken om de instelling van een beschermingsmaatregel, zijn de volgende personen of instellingen bevoegd om zo’n verzoek doen:41

- de betrokken persoon zelf,

- zijn echtgenoot,

- zijn geregistreerde partner dan wel andere levensgezel,

- zijn bloedverwanten in de rechte lijn en in de zijlijn tot en met de vierde graad,

- degene die ingevolge art. 1:253sa BW of art. 1:253t BW het gezag over hem uitoefent,

- zijn voogd,

- zijn curator, mentor of beschermingsbewindvoerder (afhankelijk van de getroffen beschermingsmaatregel),

- het openbaar ministerie,

- de zorg- of begeleidingsinstelling van rechthebbende,

- het college van burgemeester en wethouders, en

- de rechter (ambtshalve).

3.32

Bij de instelling van de beschermingsmaatregel benoemt de rechter direct of zo spoedig mogelijk daarna een curator (art. 1:383 lid 1 BW), een bewindvoerder (art. 1:435 lid 1 BW) dan wel mentor (art. 1:452 lid 1 BW). Bij de benoeming volgt de rechter zoveel mogelijk de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten (achtereenvolgens art. 1:383 lid 3 BW voor de curator, art. 1:435 lid 3 BW voor de bewindvoerder en art. 1:452 lid 3 BW voor de mentor).

Ontslag curator, bewindvoerder of mentor

3.33

De curator kan te allen tijde hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om curator te kunnen worden, door de kantonrechter worden ontslagen. De rechter kan dat zowel ambtshalve doen als op verzoek van degene die gerechtigd is de curatele te verzoeken (art. 1:385 lid 1, aanhef en sub d BW jo. art. 1:379 BW). Een zelfde bepaling geldt voor ontslag van de bewindvoerder (art. 1:448 lid 2 BW jo. art. 1:432 lid 1 en lid 2 BW) en de mentor (art. 1:461 lid 2 BW jo. art. 1:461 lid 1 en lid 2 BW). Ook de rechthebbende zelf is bevoegd het ontslag van zijn curator, bewindvoerder of mentor te verzoeken, zo volgt uit de verwijzingen naar achtereenvolgens art. 1:379 BW, art. 1:432 lid 1 BW en art. 1:461 lid 1 BW.

3.34

Aan een opheffings- of ontslagverzoek kan een klacht over het functioneren van de betrokken vertegenwoordiger (curator, bewindvoerder of mentor) ten grondslag liggen.42 Bij gewichtige redenen valt bijvoorbeeld te denken aan slechte bewindvoering.43 Ook een verstoorde relatie tussen de rechthebbende en de vertegenwoordiger kan tot ontslag leiden; in beginsel is een minimum aan vertrouwen tussen de rechthebbende en de wettelijk vertegenwoordiger vereist.44

3.35

Het ontslag van de curator, bewindvoerder of mentor leidt niet tot een beëindiging van de beschermingsmaatregel. Die maatregel eindigt van rechtswege door het verstrijken van de tijdsduur waarvoor het is ingesteld (indien sprake is van een voor een bepaalde tijdsduur ingesteld beschermingsmaatregel) en door de dood van de rechthebbende (achtereenvolgens art. 1:389 lid 1 BW voor curatele, art. 1:449 lid 1 BW voor bewind en art. 1:461 lid 1 BW voor mentorschap). De beschermingsmaatregel eindigt eveneens indien de kantonrechter die opheft. Daartoe kan worden overgegaan indien de noodzaak tot de maatregel niet meer bestaat of voortzetting van de maatregel niet zinvol is gebleken. Hiertoe kan de kantonrechter ambtshalve beslissen, op verzoek van de vertegenwoordiger of op verzoek van degene die gerechtigd is te verzoeken om de maatregel (art. 1:389 lid 2 BW voor curatele, art. 1:449 lid 2 BW voor bewind en art. 1:461 lid 3 BW voor mentorschap).

3.36

Indien de curator, bewindvoerder of mentor wordt ontslagen terwijl de beschermingsmaatregel niet eindigt, benoemt de rechter een nieuwe vertegenwoordiger.45 Dit is niet uitdrukkelijk in de wet opgenomen, maar volgt wel uit het stelsel. Aangenomen moet worden dat de rechter ook dan rekening houdt gehouden met de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende (art. 1:383 lid 3 BW voor de curator, art. 1:435 lid 3 BW voor de bewindvoerder en art. 1:452 lid 3 BW voor de mentor).

3.37

Bij het bepalen van de datum van de ingang van het ontslag zal de rechter rekening houden met de dag waarop de nieuwe vertegenwoordiger wordt benoemd.46 Hierbij is nog te wijzen op art. 1:448 lid 3 BW en art. 1:461 lid 3 BW, waarin een voorziening is getroffen voor de periode tussen het ontslag van bewindvoerder of mentor, en het moment waarop de nieuwe bewindvoerder respectievelijk mentor zijn of haar benoeming heeft aanvaard.47

3.38

De brede kring van personen of instellingen die bevoegd zijn om te verzoeken om ontslag van de curator, bewindvoerder of mentor, is niet los te zien van het met de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap beoogde doel om de invloed van personen uit de nabije omgeving van de rechthebbende op het functioneren van de wettelijke vertegenwoordiger te vergroten, daarmee de kwaliteit van die wettelijke vertegenwoordigers beter te waarborgen en misstanden te voorkomen.48 In de memorie van toelichting schrijft de minister daarover onder meer het volgende:49

Het belang van de actieve betrokkenheid van personen uit de nabije omgeving, bijvoorbeeld door het verzoeken om de instelling van een beschermingsmaatregel, alsook enige vorm van controle op de uitvoering daarvan, is groot. Hoe meer een persoon kan terugvallen op zijn sociale omgeving, hoe minder kwetsbaar en bevattelijk voor misbruik hij is. Het wetsvoorstel voorziet in een uitbreiding van de kring van nabije personen die bevoegdheden toekomen en in een uitbreiding van de bevoegdheden van deze nabije personen.”

En vlak daarna:

Mijns inziens kunnen problemen met vertegenwoordigers uit de familiekring het beste worden aangepakt door de invloed van de mensen uit de nabije omgeving op het functioneren van de vertegenwoordiger te vergroten, doordat zij zo nodig kunnen verzoeken om ontslag van de vertegenwoordiger en om het einde van de beschermingsmaatregel (zie hieronder onder 3.b).

3.39

En vervolgens onder 3.b, in het kader van uitgangspunt (ii) ten aanzien van de uitbreiding van de kring van personen die bevoegd is te verzoeken tot instelling en opheffing van de beschermingsmaatregel en ontslag van de vertegenwoordiger (mijn onderstreping): 50

Het wetsvoorstel vergroot de invloed van personen uit de nabije omgeving op de beschermingsmaatregel, in de eerste plaats doordat de kring van verzoekers tot instelling van een maatregel wordt uitgebreid. Naast de eigen partner en nabije familieleden van de betrokkene kan ook [de] partner van de ouder die gezamenlijk met de ouder het gezag over de persoon uitoefent, om instelling van een beschermingsmaatregel verzoeken. Daarnaast wordt voorgesteld dat ook de curator, bewindvoerder en mentor hiertoe bevoegd worden. Tenslotte wordt voorgesteld dat, naast het openbaar ministerie, eveneens bevoegd wordt de instelling waar de betrokkene wordt verzorgd of die aan de betrokkene begeleiding biedt. (…)

In de tweede plaats vindt uitbreiding van de invloed van personen uit de nabije omgeving plaats, doordat degene die bevoegd is te verzoeken om instelling van een beschermingsmaatregel eveneens bevoegd is om opheffing van de maatregel te verzoeken (zie onderdelen H, Y en EE) [art. 1:389, 449 en 462 BW, A-G], alsmede het ontslag van de curator, bewindvoerder en mentor te verzoeken (zie onderdelen F, X, en DD) [art. 1:385, 448 en 461 BW, A-G]. Op deze wijze kunnen de personen uit de nabije omgeving invloed uitoefenen op het voortduren van de maatregel en een zekere controle uitoefenen op het functioneren van de vertegenwoordiger.

3.40

Een vergelijkbare passage is te vinden in de nota naar aanleiding van het verslag:51

Het wetsvoorstel beperkt dit risico [A-G: het risico dat personen uit de nabije omgeving van rechthebbende in hun hoedanigheid van curator, bewindvoerder of mentor misbruik maken van rechthebbende] op andere wijze: door de invloed van de mensen uit de nabije omgeving op het functioneren van de vertegenwoordiger te vergroten, doordat zij zo nodig kunnen verzoeken om ontslag van de vertegenwoordiger en om het einde van de beschermingsmaatregel en door uitbreiding van het instrumentarium van de kantonrechter.”

3.41

Of dit betekent dat de bedoelde personen uit de nabije omgeving van de rechthebbende steeds als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 2 Rv zijn aan te merken, is tijdens de parlementaire behandeling niet expliciet aan de orde gekomen. Wel is in reactie op Kamervragen over de rol van familieleden in de situatie dat een instelling om een beschermingsmaatregel verzoekt, in de nota naar aanleiding van het verslag het volgende te lezen (mijn onderstreping):52

3. Uitgangspunt: Ondersteunen van betrokkenheid van personen in de nabije omgeving

a. Bevoegdheden familieleden

De leden van de PvdA-fractie wijzen erop dat, als familieleden weigeren om een beschermingsmaatregel te verzoeken, de instelling waar de betrokkene verblijft of die hem begeleidt het verzoek tot beschermingsmaatregel kan indienen. In hoeverre zal de rechter rekening houden met de weigering van de familie, zo vragen deze leden. Is er een mogelijkheid om de familie te horen om zodoende beter inzicht te krijgen in de problematiek van de betrokkene?

De rechter stelt de in het artikel 798 lid 2 Rv genoemde familieleden (kinderen, ouders, broers en zusters van de betrokkene) in de gelegenheid om zich als belanghebbende over het verzoek uit te laten . Indien familieleden van die gelegenheid geen gebruik maken, kan de rechter hun mening niet in zijn beoordeling betrekken. Als een familielid bezwaren uit tegen de instelling van een curatele, bewind of mentorschap, dan wel tegen de benoeming van de voorgestelde vertegenwoordiger, zal de kantonrechter alle belanghebbenden voor een mondelinge behandeling oproepen . In zijn beschikking zal hij, met inachtneming van de belangen van de te beschermen persoon en rekening houdend met alle bezwaren en overwegingen, op het verzoek beslissen.

3.42

Een vergelijkbaar antwoord is gegeven op de vraag op welke wijze een instelling onderzoek dient te doen naar de reden waarom de directe naasten niet zijn overgegaan tot indiening van een verzoek:53

Er is een aantal situaties denkbaar. (…)
In de derde plaats kan er sprake zijn van onenigheid tussen verschillende naaste familieleden. De instelling dient dan deze familieleden eerst te vragen of zij een beschermingsmaatregel willen verzoeken. Indien zij daartoe niet willen overgaan en de instelling het in het belang van de betrokkene acht dat er een beschermingsmaatregel wordt ingesteld, kan zij tot indiening van het verzoek overgaan met de toelichting waarom de naaste familieleden daartoe niet zijn overgegaan. De rechter stelt de in het artikel 798 lid 2 Rv genoemde familieleden (kinderen, ouders, broers en zusters van de betrokkene) in de gelegenheid om zich als belanghebbende over het verzoek uit te laten.”

3.43

Zie ten slotte ook de volgende passage uit de memorie van antwoord (mijn onderstreping):54

Uitbreiding kring van verzoekers tot instelling en opheffing van de beschermingsmaatregel en ontslag van de vertegenwoordiger

De leden van de VVD-fractie vragen, wanneer een instelling het verzoek tot curatele of onderbewindstelling conform het voorgestelde artikel 379, tweede lid, en artikel 432, tweede lid, doet en toelicht waarom de in het eerste lid genoemde personen niet tot indiening van het verzoek zijn overgegaan, of de toelichting door de verzoekende instelling op dit punt volstaat en de kantonrechter daar zonder meer op afgaat, of is de kantonrechter gehouden bij de in het eerste lid genoemde personen te verifiëren of hetgeen in het verzoekschrift op dit punt wordt verwoord, correct is, zo wensen deze leden te vernemen. De kantonrechter stelt de in artikel 798 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering genoemde familieleden (echtgenoot/partner en kinderen, of bij gebreke daarvan ouders, broers en zusters van de betrokkene) in de gelegenheid om zich als belanghebbende over het verzoek uit te laten . Indien familieleden van die gelegenheid geen gebruik maken, kan de rechter hun mening niet in zijn beoordeling betrekken. Als een familielid bezwaren uit tegen de instelling van een curatele, bewind of mentorschap, dan wel tegen de benoeming van de voorgestelde vertegenwoordiger, zal de kantonrechter alle belanghebbenden voor een mondelinge behandeling oproepen . In zijn beschikking zal hij, met inachtneming van de belangen van de te beschermen persoon en rekening houdend met alle bezwaren en overwegingen, op het verzoek beslissen.”

Aard en strekking van een verzoek om ontslag van een bewindvoerder

3.44

Uit het hiervoor besproken systeem van de wet en de toelichting die daarop is gegeven in de wetsgeschiedenis blijkt dat beoogd is om een ruime kring van personen uit de nabije omgeving van de rechthebbende het recht te geven om een beschermingsmaatregel te verzoeken, dan wel om beëindiging daarvan te verzoeken.

3.45

Verder blijkt daaruit dat tevens is beoogd dat dezelfde ruime kring van personen om ontslag van de wettelijke vertegenwoordiger kan vragen (zie onder 3.32 alsmede de onder 3.37-3.39 en 3.42 aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis). Een verzoek om ontslag van een wettelijk vertegenwoordiger zal gegrond zijn op feiten en omstandigheden die zien op het functioneren van de wettelijk vertegenwoordiger of over zijn of haar (vertrouwens)relatie met de rechthebbende. Aan zo’n verzoek zullen dan ook argumenten ten grondslag worden gelegd die zien op de persoon van de betrokken vertegenwoordiger, al dan niet in relatie tot de rechthebbende. Uit de in 3.37-3.42 weergegeven passages uit de parlementaire geschiedenis komt naar voren dat het een bewuste keuze is geweest om de bedoelde ruime kring van personen de gelegenheid te bieden zich te kunnen uitlaten over de persoon van de (beoogde) wettelijke vertegenwoordiger, zowel bij een verzoek om benoeming als bij een verzoek om ontslag. Dat draagt bij aan de betrokkenheid van personen uit de nabije omgeving bij het functioneren van de vertegenwoordiger, waarmee deze personen een zekere controle kunnen uitoefenen op het functioneren van de vertegenwoordiger, zo is de gedachte.

3.46

Op grond van het voorgaande moet worden aangenomen dat de aard en strekking van het verzoek waarom het in deze zaak gaat – een verzoek om ontslag van de bewindvoerder – met zich meebrengt dat art. 798 lid 2 Rv daarop van toepassing is. Derhalve moeten in deze verzoekschriftprocedure alle in die bepaling genoemde personen worden opgeroepen als belanghebbende.

3.47

Het voorgaande geldt ook voor een verzoek tot benoeming van een nieuwe bewindvoerder, en eveneens als sprake is van een verzoek om ontslag van een curator of mentor c.q. benoeming van een nieuwe curator of mentor.

3.48

Er is geen aanleiding om hierbij een onderscheid te maken naar de kring waartoe de betreffende curator, bewindvoerder of mentor behoort (wel of niet de eigen kring van de rechthebbende). De aard en strekking van de procedure verandert daardoor immers niet. Datzelfde geldt voor de persoon van een opvolgend curator, bewindvoerder en mentor; ook daar is niet relevant wie de indiener van het verzoek is.

3.49

Dit leidt ertoe dat de prejudiciële vragen als volgt moeten worden beantwoord.

Voorgestelde beantwoording prejudiciële vragen

3.50

Vraag 1 luidt als volgt:

1. Is bij verzoeken tot ontslag van een bewindvoerder of een mentor (en benoeming van een andere) artikel 798 lid 2 Rv van toepassing?”

Deze vraag moet aldus worden beantwoord dat art. 798 lid 2 Rv van toepassing is bij verzoeken tot ontslag van een bewindvoerder of een mentor. Dit geldt ook voor zaken tot benoeming van de opvolgend bewindvoerder of mentor.

3.51

De vragen 2 tot en met 4 luiden als volgt:

2. Maakt het daarbij verschil of de bewindvoerder/mentor van wie het ontslag wordt verzocht behoort tot de in artikel 1:435 lid 4 BW en artikel 1:452 lid 4 BW bedoelde personen uit de eigen kring van de rechthebbende/betrokkene, dan wel een ander (veelal een professionele bewindvoerder/mentor)?

3. Is voor de beantwoording van de eerste vraag van belang of het verzoek tot ontslag wordt gedaan door de bewindvoerder/mentor zelf of door een van de andere personen, bedoeld in artikel 1:448 lid 2 BW en artikel 1:461 lid 2 BW?

4. Is voor de beantwoording van de eerste vraag van belang of het verzoek strekt tot benoeming van een andere bewindvoerder die behoort tot de in artikel 1:435 lid 4 BW en artikel 1:452 lid 4 BW bedoelde personen uit de eigen kring van de rechthebbende/betrokkene, dan wel een ander (veelal een professionele bewindvoerder/mentor)?

Deze vragen moeten ontkennend worden beantwoord.

3.52

Vraag 5 luidt als volgt:

5. In hoeverre geldt voor verzoeken tot ontslag van een curator op grond van artikel 1:385 lid 1 onder d BW hetzelfde?

Deze vraag moet aldus worden beantwoord dat het voorgaande ook geldt voor verzoeken tot ontslag van een curator op grond van art. 1:385 lid 1 aanhef en onder d BW.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen als hiervoor onder 3.50-3.52 vermeld.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Hof Den Haag 2 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2330, RFR 2021/34 met wenk, rov. 3.1-3.3 en 5.9.

2 Ktr. Den Haag 24 mei 2018, zaaknr. 6062213 EJ VERZ 17-91109. Deze beschikking is ambtshalve door de kantonrechter verbeterd in verband met een kennelijke misslag ten aanzien van het adres van de benoemde mentor, zie Ktr. Den Haag 22 mei 2019, rep.nr: 6062213 EJ VERZ 17-91109.

3 Deze brief is overgelegd als prod. 2 bij het beroepschrift van 15 augustus 2019.

4 Deze brief is vermeld in Hof Den Haag 2 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2330, RFR 2021/34 met wenk, rov. 2.3. De inhoud hiervan heb ik overgenomen uit het procesdossier.

5 Zie ook Kamerstukken II 2011/12, 33 054, nr. 3, p. 1.

6 Wet van 16 oktober 2013 tot wijziging van enige bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek inzake curatele, onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen en mentorschap ten behoeve van meerderjarigen en enige andere bepalingen (Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap), Stb. 2013, 414.

7 Zie over curatele onder meer Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020, par. 9.2 (nr. 656 e.v.); Vlaardingerbroek e.a., Het hedendaagse personen- en familierecht 2020/13.1.

8 Vgl. recent K. Blankman, ‘Kroniek rechtspraak curatele, bewind en mentorschap’, FJR 2020/64, par. 7, met verwijzing naar EHRM 18 september 2014, 13006/13 (Ivinoviç/Kroatië), rov. 38 en 44.

9 Zie over beschermingsbewind onder meer Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020, par. 9.3 (nr. 688 e.v.).

10 Zie over mentorschap onder meer Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020, par. 9.4 (nr. 756 e.v.).

11 Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/691 en 772.

12 Zie ook mijn conclusie vóór HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463, NJ 2018/268 m.nt. S.F.M. Wortmann, onder 2.2-2.5.

13 Zie over de aard van de verzoekschriftprocedure S. Boekman, De verzoekschriftprocedure, 1996, p. 9 e.v.; Wesseling-van Gent, Hoofdlijnen van de contentieuze procedure, 1986, p. 19-30.

14 Het ‘zich aanstonds onbevoegd verklaren’ heeft alleen betrekking op het ontbreken van rechtsmacht in een zaak die niet ter vrije beschikking van partijen staat, het ontbreken van bevoegdheid van een burgerlijke rechter en op absolute onbevoegdheid. Zie Snijders, Klaassen & Meijer, Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2017, nr. 302 en Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 153-154 en 156 (MvT).

15 Kamerstukken II 1963-1964, 7753, nr. 3, p. 7 (MvT): “Iedere belanghebbende is bevoegd een verweerschrift in te dienen, onverschillig of hij ingevolge artikel 429f is opgeroepen of niet.”

16 Kamerstukken II 1963-1964, 7753, nr. 3, p. 7 (MvT): “Vrees dat nu ieder die zich als belanghebbende aandient aan de behandeling zou kunnen deelnemen behoeft niet te bestaan, want bij twijfel aan werkelijk belang is het laatste woord aan de rechter ook zonder uitdrukkelijke wetsbepaling.”

17 HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387, NJ 1992/149 m.nt. J.M.M. Maeijer (Veldhof/Leonhard Woltjer Stichting), rov. 4.2.

18 HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486 ([…]), rov. 3.3.2; HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45 ([…] / […]), rov. 3.4.2; HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9921, NJ 2012/339, rov. 3.3.3 en HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1338, NJ 2014/299 met red. aant., rov. 3.5.2; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3636, NJ 2016/172 m.nt. F.M.J. Verstijlen ([…] /Trade), rov. 4.3.1; HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1900, NJ 2018/412 met red. aant., rov. 4.1.2.

19 Wet van 7 juli 1994 tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht. Stb. 1994, 570. Stb. 1994, 774 (Inwerkingtredingsbesluit)

20 Kamerstukken II 1991/92, 22 487, nr. 3, p. 1.

21 Kamerstukken II 1991/92, 22 487, nr. 3, p. 2.

22 Zie nader mijn conclusie van voor HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463, NJ 2018/268 m.nt. S.F.M. Wortmann, onder 2.9 - 2.15, NJ 2018/267,

23 HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463, NJ 2018/268 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.4.3.

24 Zie ook Hof Den Haag 2 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2330, RFR 2021/34 met wenk, rov. 5.11.

25 B.E.S. Chin-A-Fat, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 3 bij art. 798 Rv (online, bijgewerkt t/m 20 december 2016).

26 Kamerstukken II 1991/92, 22 487, nr. 3, p. 8.

27 J. de Boer onder punt 3 van zijn noot bij HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4932, NJ 2002/463. Zie ook R.Y. Nauta, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 6.a bij art. 798 Rv (online, bijgewerkt t/m 31 december 2020). Zie ook Chin-A-Fat, die schrijft de regeling van art. 798 lid 2 Rv veel vragen oproept en weinig doordacht lijkt. B.E.S. Chin-A-Fat, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 3 bij art. 798 Rv (online, bijgewerkt t/m 20 december 2016).

28 A-G Wesseling-van Gent schrijft in haar conclusie dat het ervoor moet worden gehouden dat de wetgever bij art. 798 lid 2 Rv uitsluitend heeft gedacht aan verzoeken tot het instellen of opheffen van het bewind en zich niet ervan bewust is geweest dat deze nieuwe bepaling zich bij een letterlijke interpretatie (onbedoeld) ook zou kunnen uitstrekken tot machtigingsverzoeken (onder 2.13).

29 HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4932, NJ 2002/463 m.nt. J. de Boer, rov. 3.4.

30 HR 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:160, NJ 2014/168 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.5. Zie anders de conclusie van A-G Vlas (onder 2.7 en 2.8), die vanwege het ingrijpende karakter van de machtiging (wijziging huwelijkse voorwaarden) bepleitte dat betrokkene in dit geval wél als belanghebbende zou moeten worden aangemerkt.

31 J. de Boer onder punt 6. van zijn noot in NJ 2002/463 bij HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4932.

32 De Tabel belanghebbende is te vinden op de (interne) wiki-pagina’s van de rechtspraak. De hier geciteerde tekst is overgenomen uit rov. 5.19 van de beschikking waarin de prejudiciële vragen zijn gesteld.

33 Zie bijv. Hof Den Bosch 2 november 2017, ECLI:NL:GHSHE:20l7:4735, PFR-Updates 2017/0309 m.nt. B. Laterveer; Hof Arnhem-Leeuwarden 25 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3709, JPF 2019/95, rov. 5.3; Zie echter ook Hof Den Haag 19 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:319, rov. 4.5, waarin het hof de mogelijkheid lijkt open te laten dat art. 798 lid 2 Rv wél van toepassing is in een dergelijke procedure.

34 Hof Amsterdam 21 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:173, m.n. rov. 5.4.

35 Wet van 16 oktober 2013 tot wijziging van enige bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek inzake curatele, onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen en mentorschap ten behoeve van meerderjarigen en enige andere bepalingen (Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap), Stb. 2013, 414.

36 Kamerstukken II 2011/12, 33 054, nr. 3, p. 1.

37 Kamerstukken II 2011/12, 33 054, nr. 3, p. 4. Zie over de wetswijzigingen in 2014 ook Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/651.

38 Kamerstukken II 2011/12, 33 054, nr. 3, p. 2.

39 Kamerstukken II 2011/12, 33 054, nr. 3, p. 4.

40 Kamerstukken II 2011/12, 33 054, nr. 3, p. 8. Zie ook Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/704.

41 Zie voor een bespreking van elk van deze personen en instellingen, Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/705-711.

42 Zie voor een overzicht van enkele recente uitspraken waarin het ontslag van een wettelijk vertegenwoordiger aan de orde was, K. Blankman, ‘Kroniek rechtspraak curatele, bewind en mentorschap’, FJR 2020/64, onder 5.

43 M.J.C. Koens, in: T&C BW, aant. 2 bij art. 1:448 BW (online, bijgewerkt t/m 15 februari 2021). Voor voorbeelden uit de rechtspraak, zie J.H.M. ter Haar, in: GS Personen- en familierecht, aant. 2 bij art. 1:448 BW (online, bijgewerkt t/m 1 augustus 2020).

44 Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/674, 752 en 778. Vgl. bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 18 april 2019, RFR 2019/97 en Hof Arnhem-Leeuwarden 28 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2805.

45 Zie hierover ook de Aanbevelingen meerderjarigenbewind van het LOVCK&T d.d. 7 september 2018, onder G (onder meer sub 6), en de Aanbevelingen mentorschap van het LOVCK&T van 2 december 2019, onder D.

46 J.H.M. ter Haar, in: GS Personen- en familierecht, aant. 2 bij art. 1:448 BW (online, bijgewerkt t/m 1 augustus 2020).

47 Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/753 en 778.

48 Een belangrijke aanleiding voor het wetsvoorstel was het faillissement van een beschermingsbewindvoerder. Zie Kamerstukken II 2011/12, 33 054, nr. 3, p. 1.

49 Kamerstukken II 2011/12, 33 054, nr. 3, p. 8.

50 Kamerstukken II 2011/12, 33 054, nr. 3, p 9.

51 Kamerstukken II 2011/12, 33 054, nr. 6, p. 28

52 Kamerstukken II 2011/12, 33 054, nr. 6, p. 18.

53 Kamerstukken II 2011/12, 33 054, nr. 6, p. 20.

54 Kamerstukken I 2013/14, 33 054, nr. C, p. 6.