Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:319

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-04-2021
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
19/05905
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHDHA:2019:3407
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:809
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Schuldwitwassen, art. 420quater Sr. Middelen over (1) de afwijzing van een voorwaardelijk getuigenverzoek, en (2) het bewijs dat de onder de verdachte aangetroffen goederen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 19/5862 en 19/05866.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/05905

Zitting 6 april 2021

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 19 december 2019 wegens “medeplegen van schuldwitwassen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Daarnaast heeft het hof twee voorwerpen verbeurdverklaard en de teruggave gelast van andere in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

2. De zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (19/05904) en met de strafzaak (19/05862) en de ontnemingszaak (19/05866) tegen de medeverdachte [medeverdachte] . In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte.1 Mr. J.J. Bussink, advocaat te 's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

De middelen

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het bij pleidooi gedane verzoek om [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] als getuigen te horen op onjuiste gronden heeft afgewezen, althans zijn afwijzende beslissing onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.

5. Uit het proces-verbaal van de als regiezitting aangemerkte terechtzitting in hoger beroep van 28 september 2019 blijkt dat de raadsman van de verdachte zich aldaar heeft aangesloten bij het verzoek van de raadsman van de medeverdachte om [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] als getuigen te horen. De raadsman van de medeverdachte heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat deze getuigen kunnen verklaren over werkzaamheden van de medeverdachte in Spanje, waaruit de medeverdachte legale inkomsten zou hebben genoten. Deze getuigen zouden daarnaast kunnen bevestigen dat aangetroffen “bonnetjes en contante betalingen” geen uitgaven van de medeverdachte zelf betroffen, maar uitgaven van derden. Het hof heeft het verzoek tot het horen van deze personen afgewezen, omdat de verdediging onvoldoende heeft geconcretiseerd, laat staan onderbouwd, dat het horen van deze getuigen noodzakelijk is met het oog op de volledigheid van het onderzoek.

6. Op de terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2019 is het onderzoek opnieuw aangevangen. Het proces-verbaal houdt in dat de raadsman van de verdachte aldaar het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnotities. Deze pleitnotities houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“30. Uit de reacties op de rechtshulpverzoeken aan België en Spanje is gebleken dat [betrokkene 3] door meerdere bevraagde getuigen is herkend als zijnde een inkoper/verkoper van sieraden en horloges, dan wel als huurder van accommodaties in Spanje.

31. Hetgeen [verdachte] heeft verklaard over de wijze waarop [betrokkene 3] toentertijd zijn contante geld verdiende, wordt bevestigd door [betrokkene 3] , door getuigen in België en Spanje en door handelaren van tweedehands auto's.

32. Het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , welke getuigen op de regiezitting van 28 september 2018 zijn afgewezen, omdat zij naar het oordeel van het Hof niet noodzakelijk zouden zijn met oog op de volledigheid van het onderzoek, wordt alhier ter terechtzitting herhaald.

33. Al kunnen deze getuigen mogelijk geen directe verklaring afleggen over de contante verdiensten van [betrokkene 3] , zij kunnen wel verklaren op welke wijze [betrokkene 3] contacten legde met derden om accommodaties (onder) te verhuren of hierin te bemiddelen, alsmede dat hij horloges en/of sieraden aan de man bracht.

34. Nu de rechtbank [verdachte] heeft verweten dat zij welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de contante verdiensten van [betrokkene 3] een criminele herkomst zouden kunnen hebben, kunnen deze getuigen verklaren over hun eigen ervaringen met betrekking tot de handelsgeest van [betrokkene 3] en de wijze waarop hij dat etaleerde, hetgeen nader de stelling van de verdediging zou onderbouwen dat [verdachte] gedurende de ten laste gelegde periode te goeder trouw was en geen reden had te twijfelen aan de wijze waarop hij zijn contante geld verdiende.

35. Naar het oordeel van de verdediging mocht [verdachte] erop vertrouwen dat de wijze waarop [betrokkene 3] zijn contante geld verdiende, geen criminele herkomst kende.

(…)”

7. Het genoemde proces-verbaal houdt voorts in dat de raadsman op de terechtzitting in aanvulling op zijn pleitnotities onder meer het volgende naar voren heeft gebracht:

“Ik verzoek voorwaardelijk nadere personen als getuigen te horen in verband met het verifiëren van een aantal zaken. Daarnaast volgt uit de jurisprudentie niet meteen de conclusie dat, indien een verdachte niet bewust vragen heeft gesteld, hij of zij dan voorwaardelijk opzet op het plegen van het delict zou hebben. Ik blijf van mening dat de omstandigheden van het onderhavige geval de verdachte niet noopten tot het stellen van nadere vragen.”

8. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Voorwaardelijk verzoek horen getuigen
De raadsman heeft het verzoek gedaan tot het horen van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] voor het geval het hof zou twijfelen omtrent de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard. Het hof wijst dat verzoek af. Gegeven de door de raadsman aan dit verzoek ten grondslag gelegde motivering ontbreekt naar het oordeel van het hof de noodzaak tot het horen van deze getuigen, nu de door de raadsman aan het verzoek verbonden voorwaarde niet in vervulling is gegaan.”

9. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het proces-verbaal van de terechtzitting in beginsel de enige kenbron is van de ter terechtzitting in acht genomen vormen en van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen.2 Dit geldt ook voor aldaar door de verdediging gedane verzoeken.3 De uitleg van getuigenverzoeken is voorbehouden aan het hof als feitenrechter en dient in cassatie te worden geëerbiedigd.4

10. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota maakt van dat proces-verbaal deel uit.5 Uit de pleitnota van de raadsman blijkt dat hij het op de regiezitting afgewezen verzoek om [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] als getuigen te horen, bij pleidooi heeft herhaald. Uit de bewoordingen van de pleitnota kan niet worden afgeleid dat het verzoek is gedaan onder de voorwaarde dat het hof zou twijfelen over de vraag of het ten laste gelegde feit kan worden bewezen. De hiervoor onder 7 weergegeven opmerkingen die de raadsman in aanvulling op zijn pleitnota heeft gemaakt, heeft het hof kennelijk aldus uitgelegd dat deze betrekking hebben op het verzoek om [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] als getuigen te horen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat noch de pleitnota van de raadsman van de verdachte noch het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 december 2019 andere getuigenverzoeken behelst. Het hof heeft de opmerking over “nadere personen” in aanvulling op de pleitnota kennelijk en niet onbegrijpelijk bezien in samenhang met het verzoek dat in de pleitnota is neergelegd om [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] als getuigen te horen.

11. Bij het voorafgaande merk ik wel op dat het proces-verbaal niets inhoudt over de strekking van de voorwaarde die de raadsman heeft gesteld aan het verzoek de genoemde personen als getuigen te horen. Het hof heeft het voorwaardelijk getuigenverzoek aldus opgevat, dat het verzoek wordt gedaan onder de voorwaarde dat het hof twijfelt of het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

12. Ook daarmee is de puzzel nog niet gelegd. Het hof heeft immers overwogen dat de voorwaarde niet is vervuld. Deze overweging is alleen begrijpelijk als de voorwaarde aldus wordt opgevat, dat deze ziet op witwassen en niet op schuldwitwassen. Het hof heeft opzet immers niet bewezen geacht, maar wel het subsidiair ten laste gelegde schuldwitwassen bewezen verklaard. Steun voor de kennelijke uitleg van het verzoek door het hof kan worden gevonden in de motivering van het getuigenverzoek onder 34 van de pleitnota, waarin het getuigenverzoek nadrukkelijk wordt verbonden met het bestrijden van het ten laste gelegde (voorwaardelijk) opzet. Hetzelfde geldt voor de aanvulling op de pleitnota, die hiervoor onder 7 is weergeven. Aldus bezien en met inachtneming van de vrijheid van de feitenrechter bij de uitleg van verzoeken, is het oordeel van het hof dat de door de raadsman aan het verzoek verbonden voorwaarde niet in vervulling is gegaan niet onbegrijpelijk en draagt dat de beslissing van het hof zelfstandig, wat er ook zij van de daarmee moeilijk verenigbare overweging dat het hof het verzoek afwijst omdat de noodzaak tot het horen van deze getuigen ontbreekt. Het oordeel dat de voorwaarde die aan het verzoek is verbonden niet is vervuld, brengt immers mee dat geen sprake meer is van een verzoek waarop het hof moet beslissen.

13. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

14. Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaring, voor zover zij inhoudt dat de daarin genoemde geldbedragen en auto’s afkomstig uit enig misdrijf zijn.

15. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

“zij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 mei 2015 te Gouda en in Spanje, tezamen en in vereniging met één ander

- meerdere auto’s te weten een Mercedes E200, kenteken [kenteken 1] en een Mercedes SLK 200, kenteken [kenteken 2] , en
- geldbedragen
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en/of heeft omgezet
terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden, dat die auto’s en die geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren.”

16. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar het heeft verwezen in de aanvulling op het bestreden arrest als bedoeld in art. 365a (in verbinding met art. 415, eerste lid), Sv.

17. Uit de bewijsoverwegingen van het hof blijkt dat het bij zijn nadere motivering van de bewezenverklaring het toetsingskader uit HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 tot uitgangspunt heeft genomen. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf, wanneer het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een “concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring” geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Dit houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte een dergelijke verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen ten aanzien van het bewijs.6

18. Het hof heeft geoordeeld dat feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, zodat van de verdachte mocht worden verlangd dat zij een "concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring" gaf dat de aangetroffen auto's en geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Tot dit oordeel is het hof gekomen aan de hand van een kasopstelling, op basis waarvan het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 3] in de ten laste gelegde periode € 234.821,- meer contant geld hebben uitgegeven dan zij aan legale contante inkomsten beschikbaar hadden. Het oordeel dat de vastgestelde feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen rechtvaardigen, wordt in cassatie niet bestreden.

19. Vervolgens heeft het hof overwogen dat de rechtbank in het vonnis de in eerste aanleg naar voren gebrachte verweren zeer uitgebreid heeft besproken en weerlegd. Met uitzondering van een enkel onderdeel (financiële ondersteuning door [betrokkene 5] ) heeft het hof deze overwegingen van de rechtbank overgenomen. De overgenomen overwegingen van de rechtbank luiden als volgt:7

“3.4.2 Een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van verdachte

Ten aanzien van de door verdachte en [betrokkene 3] bij de politie en ter terechtzitting afgelegde verklaringen voor het grote verschil tussen de contante legale inkomsten en de contante bedragen waarover zij hebben beschikt, overweegt de rechtbank als volgt.

Geldleenovereenkomsten

[betrokkene 3] heeft bij de politie gesteld twee geldleenovereenkomsten te hebben afgesloten, waarvan hij de schriftelijke overeenkomsten aan de politie heeft verstrekt. Het gaat om een geldleenovereenkomst d.d. 1 augustus 2013 met [betrokkene 6] voor een bedrag van € 20.000,00 en een geldleenovereenkomst d.d. 9 juli 2012 met [A] voor een bedrag van € 30.000,00. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard niets te weten van deze leenovereenkomsten.

Met de officier van justitie acht de rechtbank niet aannemelijk dat [betrokkene 3] daadwerkelijk geld heeft geleend van [betrokkene 6] en [A] en overweegt daartoe als volgt.


[betrokkene 6] heeft op 1 juli 2015 bij de politie en op 31 maart 2017 bij de rechtercommissaris verklaard dat hij geen geld heeft geleend aan [betrokkene 3] en dat het om een papieren constructie ging. De rechtbank ziet geen aanleiding aan deze verklaring van [betrokkene 6] te twijfelen en gaat dan ook voorbij aan de verklaring van [betrokkene 3] dat hij € 20.000,00 contant van [betrokkene 6] heeft ontvangen.


Met betrekking tot de geldleenovereenkomst met [A] overweegt de rechtbank dat uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat [A] sinds 12 september 2013 niet meer actief is. In de administratie van [A] van 2012 is de geldleenovereenkomst niet terug te vinden en staat [betrokkene 3] niet in de openstaande debiteuren 2012 opgenomen. Volgens [betrokkene 7] , de voormalige boekhouder van [A] , was [A] in 2012 technisch failliet en beschikte dus niet over zo een groot geldbedrag. [betrokkene 8] , wiens naam namens [A] onder de overeenkomst staat, weet niet meer of hij voornoemd geldbedrag aan [betrokkene 3] heeft uitgeleend; de naam [betrokkene 3] daagt hem niet. Ook weet hij niet of er is afgelost. De rechtbank kan, gelet op het bovenstaande, niet anders concluderen dan dat het ook in dit geval gaat om een papieren constructie en dat [betrokkene 3] derhalve geen € 30.000,00 van [A] heeft ontvangen.

Aanvullende stukken

Op 15 mei 2017 heeft de verdediging een aantal stukken aan het openbaar ministerie en de rechtbank doen toekomen, waaruit zou moeten blijken dat het openbaar ministerie in de kasopstelling ten onrechte uitgaat van een contant beginsaldo van € 1.000,00. Volgens de verdediging waren er meer gelden beschikbaar voor het doen van uitgaven. De rechtbank zal hieronder de door de verdediging ingebrachte stukken bespreken.

1. Opbrengsten [B] , pot van [betrokkene 3] , fl. 221.271,00, omgerekend € 100.408,40.

Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel was [betrokkene 3] sinds 16 juli 1998 enig aandeelhouder van [B] . Uit de cheque van 27 augustus 1998 blijkt dat het bedrag van fl. 221.276,00 ten gunste is gekomen van [B] .

Verdachte heeft ter terechtzitting op dit punt geen toelichting gegeven.

[betrokkene 3] heeft bij de politie tegenstijdige verklaringen afgelegd over het al dan bestaan van een potje geld. In eerste instantie heeft hij verklaard dat hij een potje geld thuis heeft liggen, waar hij weinig aan heeft gezeten. Vervolgens heeft hij in het verhoor daarna verklaard dat hij nergens een pot met geld heeft, maar dat dit in de handel zit. Gelet op de wisselende verklaringen van [betrokkene 3] , die tevens geheel niet concreet en verifieerbaar zijn, acht de rechtbank niet aannemelijk dat genoemd bedrag aan [betrokkene 3] is uitgekeerd. Daarbij geldt dat, mocht dit wel zijn gebeurd, daarmee nog niet vaststaat dat [betrokkene 3] dit bedrag veertien jaren later, op 1 januari 2012, nog contant beschikbaar had. Hij heeft dit in elk geval niet opgegeven bij de Belastingdienst.

2. Een bedrag van fl. 40.852,00, omgerekend € 18.537,83, zou zijn uitgekeerd na een inbraak in 2000.

Dit bedrag is in drie delen giraal (en dus niet contant) overgemaakt naar een rekening van verdachte. Voor het geval dit bedrag vervolgens contant is opgenomen door verdachten, staat niet vast dat verdachten twaalf jaren later, op 1 januari 2012, nog steeds over dit bedrag beschikten. Deze post is dan ook niet deugdelijk onderbouwd en daarmee niet concreet en niet verifieerbaar.

3. Een bedrag van fl. 40.317,00, omgerekend € 18.295,06, ontvangen uit de erfenis van de vader van verdachte in 2000. Door verdachte en [betrokkene 3] is gesteld dat de opbrengst van de verkoop van de spullen van de overleden vader aan verdachte is gaan toebehoren. Dit is echter niet onderbouwd en evenmin verifieerbaar. Maar ook al zou verdachte een bepaald bedrag uit de erfenis hebben ontvangen, dan staat niet vast dat verdachte en [betrokkene 3] twaalf jaren later, op 1 januari 2012, nog steeds over dit bedrag beschikten.

4. Een bedrag van € 4.400,00 als opbrengst van de verkoop van een aantal goederen.

Dit bedrag is slechts onderbouwd met een overzicht van verkochte oude spullen en gekochte nieuwe spullen. Deze post is derhalve niet concreet en verifieerbaar.

5. Inkomen van verdachte over de jaren 2002-2005 en 2008

Dit betreft girale ontvangsten vóór aanvang van de periode van de kasopstelling. Deze inkomsten hebben derhalve geen invloed op de uitkomst van de kasopstelling en kunnen dan ook verder onbesproken blijven.

6. Lening van [A] van € 30.000,00.

Deze post is hiervoor onder het kopje ‘geldleenovereenkomsten’ besproken.
(…)

8. Lening van [betrokkene 9] , de broer van verdachte, van € 16.500,00 in 2012. Aangezien het bedrag van € 12.000,00 op 10 maart 2012 giraal is overgemaakt aan verdachte valt dit buiten de kasopstelling. Voorts wordt gesteld dat het bedrag van € 4.500,00 dat op 12 maart 2012 op de rekening van verdachte is gestort, afkomstig is van de door [betrokkene 9] verstrekte lening. Dit blijkt echter nergens uit, zodat ook de herkomst van dit bedrag niet concreet en verifieerbaar is.

9. Casino inkomsten van € 30.000,00.

Volgens bijgevoegde schriftelijke verklaring van [betrokkene 10] d.d. 10 april 2017 heeft [betrokkene 3] in augustus 2012 een bedrag van € 30.000,00 in een casino gewonnen. Uit de verklaring komt echter naar voren dat [betrokkene 10] een ander spel speelde dan [betrokkene 3] en dat hij van [betrokkene 3] hoorde dat deze had gewonnen. Deze verklaring is onvoldoende concreet. Daar komt bij dat deze verklaring pas in een laat stadium van het onderzoek in het proces is ingebracht. Verder strookt deze verklaring niet met de door [betrokkene 3] bij de politie afgelegde verklaring: “Ik gok niet. Bij de illegale lotto in Spanje heb ik wel eens € 5.500,00 gewonnen, maar dat was een jaar of anderhalf jaar geleden. Ik kom niet in een casino”. Gelet op de niet concrete verklaring van [betrokkene 10] , het tijdstip waarop deze verklaring in het proces is ingebracht en de verklaring van [betrokkene 3] zelf, acht de rechtbank de verklaring van [betrokkene 3] niet concreet, niet verifieerbaar en op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.

10. Storting van € 1.500,00 door [betrokkene 11] .

Uit bijgevoegde bankafschrift blijkt dat [betrokkene 3] op 24 juli 2013 een bedrag van € 1.500,00 giraal heeft overgemaakt aan [betrokkene 11] . Aangezien [betrokkene 3] dit bedrag niet heeft ontvangen, is dit niet van belang voor de kasopstelling.
11. Lening van [betrokkene 12] aan [betrokkene 3] ten bedrage van € 17.000,00.

Dit bedrag is op geen enkele wijze onderbouwd.

12. Aangifte inbraak 2005.

Bijgevoegd is een proces-verbaal van aangifte van inbraak d.d. 22 september 2005, gedaan door verdachte, met als bijlage een overzicht van gestolen goederen.

Het is de rechtbank niet duidelijk geworden welke invloed deze aangifte op de kasopstelling zou moeten hebben, zodat zij hieraan voorbij gaat.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen van de gestelde posten van invloed is op de uitkomst van de kasopstelling.

Autohandel

[betrokkene 3] heeft bij de politie verklaard dat hij in de in- en verkoop van auto’s zit.
Op 22 mei 2017, een dag voor de terechtzitting, heeft de verdediging een excel-bestand met een overzicht van auto’s aan het openbaar ministerie en de rechtbank doen toekomen. Volgens de verdediging blijkt uit dit overzicht welke auto’s door verdachten zijn ingekocht en vervolgens doorverkocht in de periode van 2005 tot en met 2014. In genoemde periode is een bedrag van € 92.583,00 betaald voor de auto’s en is bij doorverkoop een opbrengst van € 102.600,00 gegeneerd. Het verschil bedraagt € 10.017,00.

De rechtbank stelt vast dat stukken ter onderbouwing van deze bedragen ontbreken. Daar komt bij dat verdachte op 30 juni 2015 bij de politie heeft verklaard dat er van de autohandel nog niet zoveel terecht is gekomen. De auto’s die in voornoemd overzicht staan genoemd en die betrekking hebben op de periode van vóór 1 januari 2012, hebben voorts geen invloed op de kasopstelling. Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte en [betrokkene 3] daadwerkelijk contant inkomen hebben gegenereerd uit de autohandel.

Handel in sieraden/horloges

Bij de politie heeft [betrokkene 3] verder naar voren gebracht dat hij heeft gehandeld in sieraden en horloges. Verdachte heeft verklaard dat [betrokkene 3] een neus heeft voor de handel. Op generlei wijze is onderbouwd dat verdachte en [betrokkene 3] inkomsten uit deze veronderstelde handel hebben genoten, zodat ook deze verklaring niet concreet en niet verifieerbaar is.

Handel in vakantiewoningen

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat [betrokkene 3] heeft gehandeld in het onderverhuren van vakantiewoningen in Spanje aan buitenlanders en dat de huur contant werd betaald. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte niet concreet en niet verifieerbaar is. Ook anderszins is niet gebleken welke woningen zijn verhuurd, aan wie en wanneer deze zijn verhuurd en evenmin voor welk bedrag de woningen zijn verhuurd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaring van verdachte niet concreet en niet verifieerbaar is. Daar komt bij dat verdachte pas ter terechtzitting en dus in een zeer laat stadium van het onderzoek met deze verklaring is gekomen.
Aangaande het verblijf in Spanje heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat niet alle in de woning van verdachte en [betrokkene 3] op 29 juni 2015 aangetroffen kassabonnen uit Spanje van haar en [betrokkene 3] zijn. Volgens verdachte waren deze deels van familieleden die ook in Spanje in de woning verbleven. Alle bonnen van alle vakantiegangers werden verzameld en verdachte nam deze vervolgens mee naar Nederland. De rechtbank is van oordeel dat ook deze verklaring van verdachte niet concreet en niet verifieerbaar is. Zij heeft immers niet verklaard welke goederen wel door haar en [betrokkene 3] zijn aangeschaft en welke door de vakantiegangers. Deze verklaring is dan ook geenszins onderbouwd. Daar komt bij dat verdachte pas ter terechtzitting en dus in een zeer laat stadium van het onderzoek met deze verklaring komt.”

20. Het hof heeft aan de bovenstaande overwegingen de conclusie verbonden dat “van de kant van de verdachte geen concrete, verifieerbare op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaringen zijn gegeven omtrent de herkomst van de in de kasopstelling opgenomen geldbedragen en het verschil tussen het contante legale inkomen en de contante uitgaven van de verdachte en de medeverdachte.” Op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, komt het hof dan ook tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde auto’s en geldbedragen uit misdrijf zijn verkregen.

21. Het middel bevat ten eerste de klacht dat het hof de rechtspraak van de Hoge Raad heeft miskend door zelf onderzoek te doen naar de aannemelijkheid van de verklaring van de verdachte over de herkomst van de aangetroffen voorwerpen, terwijl die taak aan het openbaar ministerie had moeten worden toebedeeld. Het hof zou met de hiervoor weergegeven bewijsoverwegingen eraan voorbij hebben gezien dat het op grond van het ‘stappenplan’ dat de Hoge Raad in zijn genoemde arrest van 18 december 2018 heeft samengevat op de weg van het openbaar ministerie had gelegen nader onderzoek te doen naar de verklaring die de verdachte heeft gegeven.

22. Ik deel het standpunt van de steller van het middel niet. Het hof heeft geoordeeld dat de diverse verklaringen die de verdachte heeft gegeven geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring opleveren dat de auto’s en geldbedragen niet uit misdrijf afkomstig zijn. In het ‘stappenplan’ van de Hoge Raad is het hof daardoor aan een nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte niet toegekomen. Door aldus te oordelen heeft het hof de rechtspraak van de Hoge Raad niet miskend. Reeds daarom faalt de klacht.

23. Daarbij komt het volgende. De rechtspraak van de Hoge Raad komt erop neer dat van de verdachte niet mag worden gevergd diens concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring aannemelijk te maken. Heeft de verdachte een dergelijke verklaring gegeven, dan ligt het op de weg van het openbaar ministerie naar die verklaring nader onderzoek te doen, zo overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 18 december 2018. Waar het vooral om gaat is dat niet op de verdediging de last mag worden gelegd de gegeven verklaring aannemelijk te maken. Zeker indien de verdachte reeds in het voorbereidend onderzoek een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd, zal het doorgaans het openbaar ministerie zijn dat in dat stadium van het geding naar die verklaring nader onderzoek doet. De omstandigheid dat het in de woorden van de Hoge Raad op de weg van het openbaar ministerie ligt dat onderzoek te doen, wil echter niet zeggen dat de rechter niet ook zelf nader onderzoek zou kunnen (doen) verrichten. Ook als de zittingsrechter zelf onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte, respecteert hij immers het uitgangspunt dat de last die verklaring aannemelijk te maken niet op de schouders van de verdediging mag worden gelegd. Anders dan de steller van het middel suggereert, is van een omkering van de bewijslast in dat geval geen sprake. Bovendien moet de rechter volgens de rechtspraak van de Hoge Raad mede op basis van de resultaten van nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte beoordelen of witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Hieruit volgt dat de rechter zich bij deze finale beoordeling ook kan laten leiden door zijn eigen bevindingen ten aanzien van de verklaring(en) van de verdachte. Ook daarom faalt de klacht.

24. Het middel houdt daarnaast in dat het oordeel van het hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de legale herkomst van de voorwerpen heeft gegeven, ontoereikend is gemotiveerd.

25. Uit de hiervoor onder 19 weergegeven nadere bewijsoverwegingen blijkt dat diverse vermeende bronnen van legale inkomsten door de verdediging naar voren zijn gebracht. In de bewijsvoering zijn deze gestelde inkomstenbronnen elk afzonderlijk besproken. Het hof heeft daarmee telkens gemotiveerd en onder verwijzing naar wettige bewijsmiddelen uiteengezet dat en waarom de desbetreffende verklaring in zoverre niet concreet, niet verifieerbaar en/of op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

26. Voor zover daartegen in algemene zin in cassatie wordt opgekomen, komt het aangevoerde voor onderzoek door de cassatierechter niet in aanmerking. In zoverre is immers geen sprake van een duidelijke en stellige klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. 8 In de toelichting op het middel wordt slechts in algemene bewoordingen aangevoerd dat het oordeel van het hof dat geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is verschaft, onbegrijpelijk zou zijn “gelet op hetgeen in dat verband door de verdediging is aangevoerd (met name de gegeven concretisering van het legale vermogen en de verzoeken te dier zake getuigen te horen)”. De bezwaren tegen het bewijsoordeel van het hof zijn niet toegespitst op een of meer van de aangevoerde en door het hof besproken inkomstenbronnen, terwijl evenmin is aangegeven waarom het door het hof gegeven bewijsoordeel onbegrijpelijk is of ontoereikend is gemotiveerd.9

27. Het middel faalt.

Slotsom

28. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

29. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Uit een ‘Akte partiële intrekking cassatie’ van 4 december 2020 blijkt dat het cassatieberoep is ingetrokken wat betreft de vrijspraak van “het (impliciet) alternatief tenlastegelegde (gewoonte)witwassen”.

2 Zie o.a. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219 m.nt. Schalken en HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:37, NJ 2014/64. Zie over deze rechtspraak uitvoerig de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen (ECLI:NL:PHR:2020:828) voorafgaand aan HR 10 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1763.

3 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 191.

4 Vgl. HR 12 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2324 en HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9036.

5 Zie o.a. HR 26 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AD5647, NJ 1979/615 en HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3370, rov. 2.4.

6 Zie ook o.a. HR 13 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:668, NJ 2019/299, m.nt. Rozemond; HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1137, NJ 2019/350, m.nt. Reijntjes; HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:36; HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:156.

7 Met weglating van de voetnoten.

8 Zie o.a. HR 13 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZD2434, NJ 2001/296; HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2881, NJ 2001/605 en HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:16, NJ 2020/56.

9 Zie ook de voorbeelden van te vage en/of algemene klachten genoemd door A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 179-180.