Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:318

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-04-2021
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
19/05862
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHDHA:2019:3405
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:813
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Gewoontewitwassen, art. 420ter Sr. Middelen over (1) het oordeel van het hof dat opsomming van elf met naam genoemde getuigen in appelschriftuur niet kan worden opgevat als een opgave van getuigen als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv, zodat deze getuigen niet kunnen worden beschouwd als getuigen die bij tijdig ingediende appelschriftuur zijn opgegeven, en (2) het bewijs dat de onder de verdachte aangetroffen goederen afkomstig zijn uit enig misdrijf. De AG stelt zich op het standpunt dat het eerste middel terecht is voorgesteld, maar niet tot cassatie leidt, en het tweede middel faalt. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 19/05866 en 19/05905.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/05862

Zitting 6 april 2021

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

1. Het gerechtshof Den Haag heeft de bij arrest van 19 december 2019 door het gerechtshof Den Haag wegens “medeplegen van, van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

2. De zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (19/05866) en met de strafzaak (19/05905) en de ontnemingszaak (19/05904) tegen de medeverdachte [medeverdachte] . In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

De middelen

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof de verzoeken zes personen ( [betrokkene 13] , [betrokkene 12] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ) als getuigen te horen met toepassing van een onjuiste maatstaf heeft afgewezen, waardoor die afwijzende beslissingen onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn.

5. Het proces-verbaal van de als regiezitting aangemerkte terechtzitting in hoger beroep van 28 september 2019 vermeldt dat de voorzitter van het hof mededeling heeft gedaan van de binnenkomst van (i) een e-mailbericht van 29 juni 2017 van mr. Ten Berge, inhoudende een opsomming van een aantal personen die de verdediging als getuigen wenst te horen in de straf- en ontnemingszaken van de verdachte en de medeverdachte; en (ii) een faxbericht van 27 september 2018 van mr. R. Zilver inzake de straf- en ontnemingszaak van de verdachte, inhoudende de intrekking van eerder verzochte getuigen, een nadere toelichting op drie eerder verzochte getuigen en een opgave van vijf nieuwe getuigen.

6. Het bedoelde e-mailbericht van 29 juni 2017 van mr. Ten Berge bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden gedingstukken. Als onderwerp vermeldt het e-mailbericht dat het de appelmemorie in de strafzaken en de ontnemingszaken tegen de verdachte en de medeverdachte betreft. Het bericht houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Op 6 juni 2017 heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tegen [medeverdachte] (parketnummer 09/857409-14 witwassen en ontneming) en tegen [verdachte] (parketnummer 09/857410-14 witwassen en ontneming).

“ Er is op 15 juni 2017 tegen beide zaken appel in gesteld (4 aktes appel). Het hoger beroep ziet op de gehele bewezenverklaring van zowel witwassen als het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel: cliënten kunnen zich daarmee niet verenigen zo ook met de strafoplegging.

Ten behoeve van het appel verzoek ik u de volgende getuigen te doen horen:

-brigadier [verbalisant] (pagina 30 en 51 PV)

-buren van [medeverdachte] en [verdachte] (zie vonnis pagina 4 en PV van bevindingen pagina 28),

-getuige [betrokkene 6] ,

-getuige [betrokkene 8] en [betrokkene 13] (zowel vader als zoon) (zie pagina 557 pagina 655 PV),

-getuige [betrokkene 5] ,

-getuige [betrokkene 9] ,

-getuige [betrokkene 10] ,

-getuige [betrokkene 11] ,

-getuige [betrokkene 12] ,

-mogelijk getuigen in Spanje ten aanzien van de handel in vakantiewoningen, nog nader te benoemen.


Volledigheidshalve deel ik u mede dat mr R. Zilver het appel als raadsman zal overnemen dit kan met zich meebrengen dat er nog een aanvullingen dan wel wijzigingen van de hierboven genoemde getuigen kan plaatsvinden, hierover wordt u nog nader geïnformeerd.”

7. Het door het hof vermelde faxbericht van mr. Zilver van 27 september 2018 bevindt zich eveneens bij de gedingstukken. Het faxbericht houdt onder meer in:

“Door mijn voorgangster advocate mr. Ten Berge is zowel in de zaak van mijn cliënt als in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] (22-002736-17 en 22-002737-17) in de appèlschriftuur d.d. 29 juni 2018 verzocht om een aantal getuigen te horen. In verband met overname van de zaak, is dit verzoek niet onderbouwd. Wel is er expliciet melding van gemaakt dat in verband met de overname wijzigingen dan wel aanvullingen kunnen plaatsvinden.

In aansluiting hierop bericht ik u ten eerste de volgende getuigen niet worden gehandhaafd:

- Brigadier [verbalisant]

- buren van [medeverdachte] en [verdachte]

- getuige [betrokkene 8]

- getuige [betrokkene 5]

- getuige [betrokkene 9]

- getuige [betrokkene 10]

- getuige [betrokkene 11]

De getuigenverzoeken die wel worden gehandhaafd zullen in het volgende worden gemotiveerd. Tot slot wordt om het horen van nieuwe getuigen verzocht.”

Daarop volgt een toelichting op de verzoeken om (onder meer) de zes in het middel bedoelde personen als getuigen te horen.

8. Het proces-verbaal van de genoemde regiezitting in hoger beroep van 28 september 2019 houdt ten aanzien van de in het middel bedoelde getuigenverzoeken, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De voorzitter stelt de verdediging in de gelegenheid om de onderzoekswensen nader toe te lichten.

Daarop deelt mr. Zilver het volgende mede:

Aan cliënt wordt witwassen ten laste gelegd. In beginsel is het zo dat verdachten in een vroeg stadium in de gelegenheid worden gesteld om dit vermoeden van witwassen tegen te spreken. Wanneer zij dit niet doen worden hier bepaalde consequenties aan verbonden. Dat stadium is in dit geval 'thans verstreken, maar dat neemt niet weg dat het hof zal moeten beoordelen of de in de tenlastelegging vermelde voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn. De onderzoekswensen zijn gericht op het kunnen aantonen van een legale herkomst van de voorwerpen en geldbedragen. In witwaszaken wordt van de verdediging meer verwacht dan in een gemiddelde strafzaak, echter, dat is thans juist het probleem. Enerzijds wordt in eerste aanleg het verzoek tot het horen van getuigen afgewezen, waardoor de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld om haar standpunt te onderbouwen. Anderzijds wordt bij eindvonnis het standpunt van de verdediging verworpen, omdat dat onvoldoende is onderbouwd.

Ten aanzien van de bij appelschriftuur d.d. 29 juni 2017 verzochte getuigen die nog niet eerder zijn gehoord geldt het verdedigingsbelang.

(…)2. De rechtbank is er in eerste aanleg – ten onrechte – van uitgegaan dat sprake zou zijn van een zakelijke lening van [A] aan cliënt. Echter, cliënt heeft gesteld dat het ging om een persoonlijke lening van [betrokkene 13] aan hem.

3. Ten aanzien van de verzochte getuige [betrokkene 12] geldt eveneens het verdedigingsbelang. In eerste aanleg is reeds aangegeven waarom het van belang is om deze getuige te horen. Daarmee is reeds een begin van aannemelijkheid gegeven voor de stelling dat de voorwerpen een legale herkomst hadden.

4. [betrokkene 1] kan bevestigen dat [verdachte] werkzaamheden heeft verricht in Spanje, waaronder het zorgen voor accommodaties.

5. [betrokkene 2] kan eveneens bevestigen dat [verdachte] werkzaamheden heeft verricht in Spanje, waaronder het zorgen voor accommodaties.

De rechtbank achtte deze activiteiten niet aannemelijk. Het is derhalve noodzakelijk dat deze twee getuigen hier duidelijkheid over geven.

6. [betrokkene 3] kan verklaren over de verhuur van en bemiddeling bij de verhuur van vakantiewoningen in Spanje door cliënt, nu hij hier daadwerkelijk gebruik van heeft gemaakt.

7. [betrokkene 4] kan eveneens verklaren over de verhuur van en bemiddeling bij verhuur van vakantiewoningen in Spanje door cliënt.

Door het horen van deze getuigen kan aannemelijk worden gemaakt dat cliënt legale inkomsten heeft gehad. Deze getuigen kunnen eveneens verklaren over de bonnetjes van contante betalingen die zijn aangetroffen onder cliënt en bevestigen dat dit geen uitgaven van hemzelf betreffen.

(…)

Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de advocaat-generaal het volgende mede:

In de e-mail d.d. 29 juni 2017 van de verdediging is slechts een opsomming gegeven van verzochte getuigen. Dit verzoek is destijds niet nader gemotiveerd en dient derhalve niet te worden beschouwd als een appelschriftuur als bedoeld in de wet. Nu pas gisteren – en dus niet tijdig – een nadere motivering is binnengekomen, is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing ten aanzien van alle verzochte getuigen.

(…)

Daartoe in de gelegenheid gesteld deelt mr. Zilver mede:

Wat betreft het toepasselijke criterium voor de getuigenverzoeken stelt de verdediging zich op het standpunt dat voor wat betreft [betrokkene 13] en [betrokkene 12] het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing is, omdat zij tijdig bij appelschriftuur zijn opgegeven. Hoewel daarbij in eerste instantie nog geen motivering is gegeven, is gelet op de procedure in eerste aanleg volstrekt duidelijk waarover de verzochte getuigen zouden moeten worden gehoord.

(…)

Wat betreft de overige verzochte getuigen geldt het noodzakelijkheidscriterium, maar de advocaat- generaal hanteert een te zware eis. Van de verdediging kan niet worden verwacht dat precies wordt aangegeven in welke periode welke woningen zijn verhuurd en hoeveel geld dit precies heeft opgeleverd. De verdediging moet in de gelegenheid worden gesteld om aan te tonen dat de legale herkomst van de in de tenlastegelegde genoemde voorwerpen niet kan worden uitgesloten. Zeker in een witwaszaak als de onderhavige is het noodzakelijk dat de verdachte de mogelijkheid krijgt om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen.
(…)
De voorzitter deelt mede dat ten aanzien van de verzochte getuigen in de straf- en ontnemingszaken van [medeverdachte] en [verdachte] het noodzakelijkheidscriterium geldt, nu de in de appelschriftuur d.d. 29 juni 2017 opgenomen, niet onderbouwde opsomming van getuigen niet aangemerkt kan worden als een opgave van getuigen als bedoeld in artikel 410, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.1
De voorzitter deelt de volgende beslissingen van het hof mede:

In de straf- en ontnemingszaken van [verdachte] en [medeverdachte] :
(…)

- Het hof wijst af het verzoek strekkende tot het horen van [betrokkene 13] . De verdediging heeft dit verzoek onvoldoende onderbouwd en niet gestaafd met (verdere) schriftelijke bescheiden, hetgeen temeer klemt nu deze getuige ten overstaan van de politie reeds een duidelijke verklaring heeft afgelegd. De noodzakelijkheid van de verzochte getuige is het hof derhalve niet gebleken.

- Het hof wijst af het verzoek strekkende tot het horen van [betrokkene 12] . De verdachte, [verdachte] , heeft ter terechtzitting van 23 mei 2017 (onderaan blz. 7 van het PV in de strafzaken) nota bene zelf verklaard dat hij deze (gestelde) lening van

€ 17.000,- al voor zijn detentie in 2012 heeft terugbetaald. Van een in de relevante periode legale vermogensbron kan derhalve geen sprake zijn.

- Het hof wijst af het verzoek strekkende tot het horen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . De verdediging heeft onvoldoende geconcretiseerd, laat staan onderbouwd, dat het horen van deze getuigen noodzakelijk is met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Derhalve is de noodzakelijkheid van de verzochte getuigen niet gebleken.”

9. Het hof heeft geoordeeld dat bij de beoordeling van de getuigenverzoeken die in het middel worden bedoeld de maatstaf is of het horen van de desbetreffende personen noodzakelijk is. Aan dit oordeel heeft het hof ten grondslag gelegd dat de in de appelschriftuur van 29 juni 2017 opgenomen, niet onderbouwde opsomming van getuigen niet kan worden aangemerkt als een opgave van getuigen als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv, zodat deze getuigen niet kunnen worden beschouwd als getuigen die bij tijdig ingediende appelschriftuur zijn opgegeven.

10. De steller van het middel betoogt dat de verzoeken tot het horen van de zes in het middel bedoelde personen als getuigen dienden te worden beoordeeld aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang, omdat deze getuigen tijdig bij appelschriftuur zijn opgegeven. Hij is daarmee kennelijk ten dele teruggekomen van het standpunt dat hij als raadsman op de terechtzitting in hoger beroep van 28 september 2019 heeft ingenomen. Alleen ten aanzien van [betrokkene 13] en [betrokkene 12] voerde hij op die terechtzitting aan dat het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing is, omdat zij tijdig bij appelschriftuur zijn opgegeven. Hij meende toen dat ten aanzien van de overige in het middel bedoelde getuigen het noodzakelijkheidscriterium gold. Deze mening deel ik. Ik merk daartoe het volgende op.

11. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Een opgave van getuigen bij tijdig ingediende appelschriftuur wordt op grond van art. 410, derde lid, Sv aangemerkt als een opgave in de zin van art. 263 Sv, tweede lid, Sv waarop art. 264 Sv van overeenkomstige toepassing is. Weigert of verzuimt de advocaat-generaal bij het hof de desbetreffende getuige op te roepen, dan kan de verdediging ter terechtzitting aan het hof verzoeken om een bevel als bedoeld in art. 287, derde lid onder a, Sv tot oproeping van de niet verschenen getuigen. Het hof kan afzien van het geven van een dergelijk bevel tot oproeping op de in art. 288, eerste lid, Sv vermelde gronden, onder meer vanwege het niet geschaad zijn van het verdedigingsbelang.2 Over de eisen die worden gesteld aan een appelschriftuur en de daarin vervatte opgave van getuigen heeft de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 het volgende overwogen:

“2.40.

Ingevolge art. 410, eerste lid, Sv dient een appelschriftuur de grieven tegen het vonnis in eerste aanleg te bevatten. In die bepaling worden geen nadere materiële eisen gesteld waaraan de appelschriftuur, die ook door de verdachte zelf kan worden ingediend, dient te voldoen terwijl die schriftuur aan belang heeft gewonnen door de mogelijkheid om daarin getuigen op te geven met consequenties voor de bij de beoordeling daarvan aan te leggen maatstaf. Daarom ligt in de rede aan de formulering van de grieven thans geen hoge eisen te stellen en zal de rechter ingeval in het desbetreffende geschrift niet met zoveel woorden grieven zijn geformuleerd, maar wel een opgave van een of meer getuigen is gedaan, op grond van die opgave mogen aannemen dat is voldaan aan het voor de appelschriftuur geldende vereiste dat het de grieven tegen het vonnis bevat.

2.41.

Aan de opgave van getuigen bij appelschriftuur worden zekere eisen gesteld. Ten eerste kan een niet tijdig ingediende appelschriftuur niet worden aangemerkt als een schriftuur houdende de opgave van getuigen in de zin van art. 410, derde lid, Sv. Voorts kan niet worden volstaan met de opgave van bijvoorbeeld “alle personen, onder wie degenen doch niet uitsluitend, wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt”. Op verzoeken die in een dergelijke schriftuur zijn vervat, behoeft dus niet te worden beslist. Zo een schriftuur kan ook niet worden aangemerkt als een opgave van getuigen als bedoeld in art. 414, tweede lid, in verbinding met art. 263 Sv waaromtrent door de advocaat-generaal een beslissing dient te worden genomen.”

12. De eisen die aan een opgave van getuigen bij appelschriftuur zijn te stellen, dienen te worden gerelateerd aan de eisen die worden gesteld aan een getuigenverzoek.3 Alleen als het gedane verzoek als een getuigenverzoek kan worden aangemerkt, moet daarop een beslissing volgen. Voldoet een verzoek niet aan de aan een getuigenverzoek te stellen eisen, dan ontslaat dat degene tot wie het verzoek is gericht van de verplichting daarop te beslissen.4 Om als een getuigenverzoek te kunnen worden aangemerkt, moet het verzoek stellig en duidelijk zijn geformuleerd en voldoende identificerende gegevens bevatten. Van de getuige behoeft niet altijd een naam en adres te worden gegeven, maar hij of zij moet wel nauwkeurig worden aangeduid.5 Dat geldt ook voor een opgave van getuigen in de zin van art. 410, derde lid, Sv.

13. De beoordeling van de vraag of een appelschriftuur een opgave van getuigen in de hiervoor bedoelde zin bevat, is aan het hof. Dit oordeel van het hof steunt op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de gedingstukken en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.6 In art. 410, derde lid, Sv in verbinding met art. 263, tweede lid, Sv ligt besloten dat de bedoelde opgave van getuigen of deskundigen als zodanig voldoende stellig en duidelijk in de appelschriftuur moet zijn vermeld.7 Onvoldoende stellig is bijvoorbeeld de opmerking dat het horen van de getuige “aanbeveling verdient”.8 Onvoldoende duidelijk was bijvoorbeeld de appelschriftuur in de zaak die de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 1 juli 2014 aanhaalt, waarin was volstaan met de opgave van “alle personen, onder wie degenen doch niet uitsluitend, wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt”.9 In een andere zaak oordeelde de Hoge Raad dat het hof de inhoud van de appelschriftuur, te weten “cliënt herhaalt hier uitdrukkelijk zijn verzoek”, kennelijk en niet onbegrijpelijk niet had aangemerkt als een opgave van getuigen als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv. De Hoge Raad wees er daarbij op dat de desbetreffende zinsnede was opgenomen onder het kopje “grieven”, “bewijsverweren” en “wetenschap”.10

14. In de onderhavige zaak is onder meer aan de orde of ook het enkele ontbreken van een nadere onderbouwing van een op zichzelf voldoende stellig en duidelijk verzoek tot het horen van nauwkeurig aangeduide getuigen het oordeel kan dragen dat de appelschriftuur geen opgave als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv bevat. Ik meen dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.11 Daartoe wijs ik op het volgende.

15. In HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7088, NJ 2008/20 was namens de verdachte tijdig een appelschriftuur ingediend. Deze hield onder meer het verzoek in om “als getuigen te doen horen alle personen, die voorkomen in het dossier en/of gehoord zijn door de politie en/of die belastend dan wel ontlastend over cliënt hebben verklaard en/of wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt. Hieronder schaart cliënt in ieder geval de verbalisanten die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het dossier.” In een latere brief aan de advocaat-generaal bij het hof, had de raadsman het verzoek gedaan twee verbalisanten op te roepen en deze verzoeken nader onderbouwd. De advocaat-generaal riep een van de twee verbalisanten op. Ter terechtzitting handhaafde de raadsman zijn verzoek ook de andere verbalisant te horen. Het hof achtte de inhoud van de overgelegde appelschriftuur zo summier en in dermate algemene bewoordingen gesteld, dat deze schriftuur redelijkerwijs niet kon worden aangemerkt als een schriftuur in de zin van art. 410 Sv. Daarmee had het hof naar het oordeel van de Hoge Raad blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad overwoog voorts dat art. 410, derde lid, Sv ziet op een verzoek als hier was gedaan, zodat op het verzoek de verbalisant als getuige te horen om die reden het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing was. Naar het oordeel van de Hoge Raad was dus niet alleen sprake van een appelschriftuur, maar – ten aanzien van de betrokken verbalisant – ook van een opgave van getuigen in de zin van art. 410, derde lid, Sv.

16. Onder omstandigheden kan het ontbreken van enige onderbouwing wel relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of in de appelschriftuur een opgave van getuigen moet worden gelezen, zo blijkt uit de zaak die leidde tot HR 12 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2324. In die zaak had de raadsman bij appelschriftuur verzocht 61 bij naam genoemde personen als getuigen te horen. Een nadere onderbouwing voor deze onderzoekswensen had de verdediging in de appelschriftuur niet gegeven. In een later aan het hof verzonden brief had de raadsman zijn verzoek teruggebracht tot acht personen. Ter terechtzitting had hij het verzoek herhaald. Het hof was van oordeel dat van een appelschriftuur geen sprake was en het daarom slechts behoefde te reageren op het ter terechtzitting herhaalde verzoek, waarop het noodzakelijkheidscriterium van toepassing was. De Hoge Raad verstond het oordeel van het hof aldus, dat de appelschriftuur geen opgave van getuigen in de zin van art. 410, derde lid, Sv bevatte en achtte dit oordeel niet onbegrijpelijk. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat iedere motivering waarom het verhoor van deze personen was aangewezen, ontbrak.

17. De bovenstaande zaken hebben met elkaar gemeen dat de appelschriftuur een algemeen verzoek bevatte tot het horen van een groot aantal personen, zonder dat de appelschriftuur daarvoor een nadere onderbouwing bevatte. In beide zaken heeft de verdediging voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting bij brief het aantal te horen getuigen teruggebracht tot een overzichtelijk aantal, waarop het hof in redelijkheid zou kunnen beslissen. Het belangrijkste verschil lijkt te zijn dat in de zaak uit 2007 ook zonder acht te slaan op de zeer breed en algemeen geformuleerde onderzoekswens “alle personen…” te horen, het verzoek om de verbalisanten die het dossier tot stand hadden gebracht als getuigen te horen overeind bleef. Reeds in de appelschriftuur was kenbaar gemaakt dat de verdediging in het bijzonder het horen van deze verbalisanten wenste. Het was deze verbijzondering die het hof had moeten opvatten als een opgave van getuigen in de zin van art. 410, derde lid, Sv.

18. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Het e-mailbericht van 29 juni 2017, dat door het hof als appelschriftuur is aangemerkt, bevat een opsomming van in totaal elf met naam genoemde getuigen. Daarnaast wordt verzocht om “mogelijk getuigen in Spanje ten aanzien van de handel in vakantiewoningen, nog nader te noemen” te horen. In het faxbericht van 27 september 2018 zijn de verzoeken tot het horen van drie van de elf in de appelschriftuur met naam genoemde getuigen gehandhaafd. Daartoe behoorden [betrokkene 13] en [betrokkene 12] . Daarnaast heeft de raadsman in dit faxbericht verzocht [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] als getuigen te horen.

19. Het oordeel van het hof dat de namens de verdachte ingediende appelschriftuur wat [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] betreft niet een opgave van getuigen bevat, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat een verzoek “mogelijk getuigen” te horen onvoldoende stellig is om als een opgave van getuigen te kunnen worden aangemerkt. Bovendien zijn deze “getuigen in Spanje” niet aangeduid met de nauwkeurigheid die van een opgave van getuigen mag worden verlangd. Het hof heeft dan ook de juiste maatstaf toegepast door de bij faxbericht van 28 september 2018 gedane en op de regiezitting herhaalde verzoeken in zoverre te beoordelen aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.

20. De appelschriftuur bevat tevens het verzoek om onder meer [betrokkene 13] en [betrokkene 12] als getuigen te (doen) horen. Deze verzoeken zijn stellig en duidelijk geformuleerd. De bedoelde personen zijn voldoende nauwkeurig aangeduid, zodat geen twijfel kon bestaan over de inhoud van de onderzoekswens van de verdediging. De verzoeken maakten deel uit van een niet onderbouwde opsomming van getuigen die wat de omvang ervan betreft niet te vergelijken is met de lijst van 61 getuigen die aan de orde was in het hiervoor besproken en door het hof in een voetnoot aangehaalde arrest van 12 september 2017. De zaak is in dit opzicht beter vergelijkbaar met de hiervoor besproken zaak uit 2007, waarin de appelschriftuur eveneens deels in algemeenheden bleef steken, maar daarnaast voldoende duidelijke en stellige wensen tot het horen van getuigen die het hof als een opgave van getuigen behoorde op te vatten. Het oordeel van het hof dat ook ten aanzien van [betrokkene 13] en [betrokkene 12] geen sprake is van een opgave van getuigen als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv, acht ik dan ook niet begrijpelijk. Het oordeel van het hof dat de verzoeken [betrokkene 13] en [betrokkene 12] als getuigen te horen aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium moeten worden beoordeeld, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel klaagt daarover op zichzelf terecht.

21. Tot cassatie hoeft het voorafgaande evenwel niet te leiden. Daartoe wijs ik op het volgende.

22. In gevallen waarin het belang van de verdachte bij het cassatieberoep niet evident is, mag van de verdediging in redelijkheid worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft ten aanzien van het belang bij haar klacht. Zo mag ingeval de zaak op meer dan een terechtzittingen is behandeld van de verdediging worden gevergd dat zij toelicht waarom op een later gehouden terechtzitting niet is geklaagd over een op een eerdere zitting begaan verzuim ten aanzien van een verzoek tot oproeping van getuigen.12 Daarnaast levert de enkele omstandigheid dat het hof bij de afwijzing van een getuigenverzoek niet de juiste maatstaf heeft genoemd, niet zonder meer voldoende rechtens te respecteren belang op bij vernietiging van de bestreden uitspraak.13

23. Het hof heeft de verzoeken van de verdediging tot het horen van de getuigen [betrokkene 13] en [betrokkene 12] gemotiveerd afgewezen. Wat de getuige [betrokkene 13] betreft, heeft het hof overwogen dat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd en niet is gestaafd met schriftelijke bescheiden, terwijl de getuige ten overstaan van de politie reeds een duidelijke verklaring heeft afgelegd. Ten aanzien van de getuige [betrokkene 12] heeft het hof overwogen dat de betrokkene zelf heeft verklaard dat de lening waarover de getuige zou kunnen verklaren al voor de ten laste gelegde periode was terugbetaald. Op de nadere terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2019 zijn de verdachte en zijn raadsman verschenen. Het onderzoek ter terechtzitting is toen opnieuw aangevangen. Voor zover de afwijzende beslissingen van het hof moeten worden beschouwd als beslissingen op verzoeken tot het horen van bij appelschriftuur tijdig opgegeven getuigen, zijn deze beslissingen op grond van art. 322, vierde lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv in stand gebleven.14 Op de nadere terechtzitting is er evenwel niet over geklaagd dat het hof op de terechtzitting van 28 september 2019 aan de hand van de verkeerde maatstaf zou hebben beslist en zijn de desbetreffende verzoeken niet herhaald.

24. De cassatieschriftuur bevat geen nadere toelichting waarom op de terechtzitting van 5 december 2019 over de afwijzing van de getuigenverzoeken op de terechtzitting van 28 september 2019 niet is geklaagd. In de toelichting op het middel is evenmin nader onderbouwd waarin het belang van de verdachte is gelegen bij zijn klacht dat het hof een onjuiste maatstaf heeft toegepast. De enkele opmerking dat de toepassing van een onjuiste maatstaf ertoe heeft geleid dat de afwijzende beslissing van het hof op de getuigenverzoeken onbegrijpelijk is en ontoereikend is gemotiveerd, volstaat in dit verband niet. De enkele omstandigheid dat de verkeerde maatstaf is gehanteerd, maakt die afwijzende beslissingen nog niet onbegrijpelijk.

25. Voor de volledigheid merk ik nog op dat het middel niet inhoudt dat (de motivering van) de afwijzende beslissing op het verzoek [betrokkene 13] te horen onverenigbaar is met art. 6 EVRM.15

26. Het – in cassatie niet nader toegelichte – in rechte te respecteren belang van de verdachte bij de klacht is niet evident, terwijl een toelichting in dit verband in de schriftuur ontbreekt.

27. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

28. Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaring, voor zover zij inhoudt dat de daarin genoemde geldbedragen en auto’s afkomstig uit enig misdrijf zijn.

29. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 mei 2015 te Gouda en in Spanje, tezamen en in vereniging met één ander

- meerdere auto’s te weten een Mercedes E200, kenteken [kenteken 1] en een Mercedes SLK 200, kenteken [kenteken 2] , en
- geldbedragen
heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet
terwijl hij wist, dat die auto’s en die geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren, van welk misdrijf de verdachte een gewoonte heeft gemaakt.”

30. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar het heeft verwezen in de aanvulling op het bestreden arrest als bedoeld in art. 365a (in verbinding met art. 415, eerste lid), Sv.

31. Uit de bewijsoverwegingen van het hof blijkt dat het bij zijn nadere motivering van de bewezenverklaring het toetsingskader uit HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 tot uitgangspunt heeft genomen. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf, wanneer het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een “concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring” geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Dit houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte een dergelijke verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen ten aanzien van het bewijs.16

32. Het hof heeft geoordeeld dat feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, zodat van de verdachte mocht worden verlangd dat hij een "concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring" gaf dat de aangetroffen auto's en geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Tot dit oordeel is het hof gekomen aan de hand van een kasopstelling, op basis waarvan het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] in de ten laste gelegde periode € 234.821,- meer contant geld hebben uitgegeven dan zij aan legale contante inkomsten beschikbaar hadden. Het oordeel dat de vastgestelde feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen rechtvaardigen, wordt in cassatie niet bestreden.

33. Vervolgens heeft het hof overwogen dat de rechtbank in het vonnis de in eerste aanleg naar voren gebrachte verweren zeer uitgebreid heeft besproken en weerlegd. Met uitzondering van een enkel onderdeel (financiële ondersteuning door [betrokkene 5] ) heeft het hof deze overwegingen van de rechtbank overgenomen. De overgenomen overwegingen van de rechtbank luiden als volgt:17

“Een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van verdachte

Ten aanzien van de door verdachte bij de politie en ter terechtzitting gegeven verklaring voor het grote verschil tussen de contante legale inkomsten en de contante bedragen waarover hij heeft beschikt, overweegt de rechtbank als volgt.

Geldleenovereenkomsten

Verdachte heeft gesteld twee geldleenovereenkomsten te hebben afgesloten, waarvan hij de schriftelijke overeenkomsten aan de politie heeft verstrekt. Het gaat om een geldleenovereenkomst d.d. 1 augustus 2013 met [betrokkene 6] voor een bedrag van € 20.000,00 en een geldleenovereenkomst d.d. 9 juli 2012 met [A] voor een bedrag van € 30.000,00.

Met de officier van justitie acht de rechtbank niet aannemelijk dat verdachte daadwerkelijk geld heeft geleend van [betrokkene 6] en [A] en overweegt daartoe als volgt.

[betrokkene 6] heeft op 1 juli 2015 bij de politie en op 31 maart 2017 bij de rechtercommissaris verklaard dat hij geen geld heeft geleend aan verdachte en dat het om een papieren constructie ging. De rechtbank ziet geen aanleiding aan deze verklaring van [betrokkene 6] te twijfelen en gaat dan ook voorbij aan de verklaring van verdachte dat hij € 20.000,00 contant van [betrokkene 6] heeft ontvangen.

Met betrekking tot de geldleenovereenkomst met [A] overweegt de rechtbank dat uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat [A] sinds 12 september 2013 niet meer actief is. In de administratie van [A] van 2012 is de geldleenovereenkomst niet terug te vinden en staat verdachte niet in de openstaande debiteuren 2012 opgenomen. Volgens [betrokkene 7] , de Voormalige boekhouder van [A] , was [A] in 2012 technisch failliet en beschikte dus niet over zo een groot geldbedrag. [betrokkene 8] , wiens naam namens [A] onder de overeenkomst staat, weet niet meer of hij voornoemd geldbedrag aan verdachte heeft uitgeleend; de naam van verdachte daagt hem niet. Ook weet hij niet of er is afgelost. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen zaken heeft gedaan met [betrokkene 8] , maar met diens vader [betrokkene 13] , die de overeenkomst heeft ondertekend. [betrokkene 13] heeft bij de politie echter verklaard niets te maken te hebben met de zaak en heeft de politie verwezen naar zijn zoon. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij nog een bedrag van ongeveer € 27.000,00 op deze geldlening moet aflossen en dat [betrokkene 13] geen contact met hem heeft gezocht over het aflossen van dit bedrag. Dit is opmerkelijk aangezien uit de geldleenovereenkomst volgt dat het bedrag van € 30.000,00 op 9 juli 2014 afgelost had moeten zijn. De rechtbank kan, gelet op het bovenstaande, niet anders concluderen dan dat het ook in dit geval gaat om een papieren constructie en dat verdachte derhalve geen € 30.000,00 van [A] heeft ontvangen.

Aanvullende stukken

Op 15 mei 2017 heeft de verdediging een aantal stukken aan het openbaar ministerie en de rechtbank doen toekomen, waaruit zou moeten blijken dat het openbaar ministerie in de kasopstelling ten onrechte uitgaat van een contant beginsaldo van € 1.000,00. Volgens de verdediging waren er meer gelden beschikbaar voor het doen van uitgaven. De rechtbank zal hieronder de door de verdediging ingebrachte stukken bespreken.

1. Opbrengsten [B] , pot van verdachte, fl. 221.271,00, omgerekend € 100.408,40.
Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel was verdachte sinds 16 juli 1998 enig aandeelhouder van [B] . Uit de cheque van 27 augustus 1998 blijkt dat het bedrag van fl. 221.276,00 ten gunste is gekomen van [B] . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het bedrijf notarieel heeft overgedragen aan een andere persoon – verdachte heeft verklaard deze notariële stukken wel te hebben, maar hij heeft deze niet overgelegd – en dat genoemd bedrag wel ten gunste van hem privé is gekomen. In eerste instantie heeft hij ter terechtzitting verklaard dat hij het geld in een pot heeft gedaan en er heerlijk van heeft genoten. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij het potje niet hoefde open te breken, omdat hij leningen – die hem werden aangeboden door mensen die wilden meeliften in de winst in de autohandel – heeft afgesloten. Het potje zou hij bij vrienden in Spanje hebben ondergebracht voor zijn oude dag, aldus verdachte. Gelet op de wisselende verklaringen van verdachte, die tevens geheel niet concreet en verifieerbaar zijn, acht de rechtbank niet aannemelijk dat genoemd bedrag aan verdachte is uitgekeerd. Daarbij geldt dat, mocht dit wel zijn gebeurd, daarmee nog niet vaststaat dat verdachte dit bedrag veertien jaren later, op 1 januari 2012, nog contant beschikbaar had. Hij heeft dit in elk geval niet opgegeven bij de Belastingdienst.


2. Een bedrag van fl. 40.852,00, omgerekend € 18.537,83, dat zou zijn uitgekeerd na een inbraak in 2000.

Dit bedrag is in drie delen giraal (en dus niet contant) overgemaakt naar een rekening van [medeverdachte] . Voor het geval dit bedrag vervolgens contant is opgenomen door verdachten, staat niet vast dat verdachten twaalf jaren later, op 1 januari 2012, nog steeds over dit bedrag beschikten. Deze post is dan ook niet deugdelijk onderbouwd en daarmee niet concreet en niet verifieerbaar.
3. Een bedrag van fl. 40.317,00, omgerekend € 18.295,06, ontvangen uit de erfenis van de vader van [medeverdachte] in 2000.

Door verdachte en [medeverdachte] is gesteld dat de opbrengst van de verkoop van de spullen van de overleden vader aan [medeverdachte] is gaan toebehoren. Dit is echter niet onderbouwd en evenmin verifieerbaar. Maar ook al zou [medeverdachte] een bepaald bedrag uit de erfenis hebben ontvangen, staat ook hiervan niet vast dat verdachte en [medeverdachte] twaalf jaren later, op 1 januari 2012, nog steeds daarover beschikten.


4. Een bedrag van € 4.400,00 als opbrengst van de verkoop van een aantal goederen.

Dit bedrag is slechts onderbouwd met een overzicht van verkochte oude spullen en gekochte nieuwe spullen. Deze post is derhalve niet concreet en verifieerbaar.

5. Inkomen van [medeverdachte] over de jaren 2002-2005 en 2008

Dit betreft girale ontvangsten vóór aanvang van de periode van de kasopstelling. Deze inkomsten hebben derhalve geen invloed op de uitkomst van de kasopstelling en kunnen dan ook verder onbesproken blijven.

6. Lening van [A] van € 30.000,00.

Deze post is hiervoor onder het kopje ‘geldleenovereenkomsten’ besproken.
(…)

8. Lening van [betrokkene 9] van € 16.500,00 in 2012.

Aangezien het bedrag van € 12.000,00 op 10 maart 2012 giraal is overgemaakt aan [medeverdachte] valt dit buiten de kasopstelling. Voorts wordt gesteld dat het bedrag van € 4.500,00 dat op 12 maart 2012 op de rekening van [medeverdachte] is gestort, afkomstig is van de door [betrokkene 9] verstrekte lening. Dit blijkt echter nergens uit, zodat ook de herkomst van dit bedrag niet concreet en verifieerbaar is.

9. Casino inkomsten van € 30.000,00.

Volgens bijgevoegde schriftelijke verklaring van [betrokkene 10] d.d. 10 april 2017 heeft verdachte in augustus 2012 een bedrag van € 30.000,00 in een casino gewonnen. Uit de verklaring komt echter naar voren dat [betrokkene 10] een ander spel speelde dan verdachte en dat hij van verdachte hoorde dat deze had gewonnen. Deze verklaring is onvoldoende concreet. Daar komt bij dat deze verklaring pas in een laat stadium van het onderzoek in het proces is ingebracht. Verder strookt deze verklaring niet met de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring: “Ik gok niet. Bij de illegale lotto in Spanje heb ik wel eens € 5.500,00 gewonnen, maar dat was een jaar of anderhalf jaar geleden. Ik kom niet in een casino”.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij, anders dan verklaard bij de politie, wel eens naar het casino ging, naar illegale pokertoernooien.

Gelet op de niet concrete verklaring van [betrokkene 10] , het tijdstip waarop deze verklaring in het proces is ingebracht en de wisselende verklaringen van verdachte zelf, acht de rechtbank de verklaring van verdachte niet concreet, niet verifieerbaar en op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.
10. Storting van € 1.500,00 door [betrokkene 11] .

Uit bijgevoegde bankafschrift blijkt dat verdachte op 24 juli 2013 een bedrag van € 1.500,00 giraal heeft overgemaakt aan [betrokkene 11] . Aangezien verdachte dit bedrag niet heeft ontvangen, is dit niet van belang voor de kasopstelling.

11. Lening van [betrokkene 12] aan verdachte ten bedrage van € 17.000,00.

Dit bedrag is op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij deze lening reeds voor zijn detentie in 2012 heeft terugbetaald, zodat deze sowieso buiten de kasopstelling valt.

12. Aangifte inbraak 2005.

Bijgevoegd is een proces-verbaal van aangifte van inbraak d.d. 22 september 2005, gedaan door [medeverdachte] , met als bijlage een overzicht van gestolen goederen. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden welke invloed deze aangifte op de kasopstelling zou moeten hebben zodat zij hieraan voorbij gaat.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen van de gestelde posten van invloed is op de uitkomst van de kasopstelling.
Autohandel

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij in de in- en verkoop van auto’s zit. Op 22 mei 2017, een dag voor de terechtzitting, heeft de verdediging een excel-bestand met een overzicht van auto’s aan het openbaar ministerie en de rechtbank doen toekomen. Volgens de verdediging blijkt uit dit overzicht welke auto’s door verdachte zijn ingekocht en vervolgens doorverkocht in de periode van 2005 tot en met 2014. In genoemde periode is een bedrag van € 92.583,00 betaald voor de auto’s en is bij doorverkoop een opbrengst van € 102.600,00 gegeneerd. Het verschil bedraagt € 10.017,00.

De rechtbank stelt vast dat stukken ter onderbouwing van deze bedragen ontbreken. Daar komt bij dat [medeverdachte] op 30 juni 2015 bij de politie heeft verklaard dat er van de autohandel nog niet zoveel terecht is gekomen. De auto’s die in voornoemd overzicht staan genoemd en die betrekking hebben op de periode van vóór 1 januari 2012, hebben voorts geen invloed op de kasopstelling. Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte en [medeverdachte] daadwerkelijk contant inkomen hebben gegenereerd uit de autohandel.

Handel in sieraden/horloges
Bij de politie en ter terechtzitting heeft verdachte verder naar voren gebracht dat hij heeft gehandeld in sieraden en horloges. Op generlei wijze is onderbouwd dat verdachte en [medeverdachte] inkomsten uit deze veronderstelde handel hebben genoten, zodat ook deze verklaring niet concreet en niet verifieerbaar is.

Handel in vakantiewoningen

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij heeft gehandeld in het onderverhuren van vakantiewoningen in Spanje aan buitenlanders en dat de huur contant werd betaald. Aangezien verdachte niet in staat is geweest aan te geven welke woningen zijn verhuurd, aan wie en wanneer deze zijn verhuurd, en evenmin voor welke bedragen de woningen zijn verhuurd, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte niet concreet en niet verifieerbaar is. Daar komt bij dat verdachte pas ter terechtzitting en dus in een zeer laat stadium van het onderzoek met deze verklaring is gekomen.

Aangaande het verblijf in Spanje heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat niet alle in de woning van verdachte en [medeverdachte] op 29 juni 2015 aangetroffen kassabonnen uit Spanje van hem en [medeverdachte] zijn. Volgens verdachte waren deze deels van familieleden die ook in Spanje in de woning verbleven. Alle bonnen van alle vakantiegangers werden verzameld en verdachte nam deze vervolgens mee naar Nederland. De rechtbank is van oordeel dat ook deze verklaring van verdachte niet concreet en niet verifieerbaar is. Hij heeft immers niet verklaard welke goederen wel door hem en [medeverdachte] zijn aangeschaft en welke door de vakantiegangers. Deze verklaring is dan ook geenszins onderbouwd. Daar komt bij dat verdachte pas ter terechtzitting en dus in een zeer laat stadium van het onderzoek met deze verklaring is gekomen.”

34. In aanvulling op het vonnis van de rechtbank heeft het hof het volgende overwogen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman – in aanvulling op hetgeen in eerste aanleg is bepleit – primair naar voren gebracht dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt voor het ten laste gelegde – in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen – bestanddeel ‘van misdrijf afkomstig’. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat de in de tenlastelegging genoemde contante geldbedragen, en personenauto's van misdrijf afkomstig waren. Hiertoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van de auto's en geldbedragen niet alledaags kan worden genoemd, maar dat dat de geschetste gang van zaken nog niet onwaar maakt. De verdachte dient derhalve van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Ter zake van hetgeen door de raadsman bij pleidooi in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt het hof in aanvulling op het vonnis waarvan beroep als volgt.

Leningsovereenkomsten (punt 8 van de pleitnotities)

De raadsman heeft naar voren gebracht dat het feit dat de personen bij wie de verdachte een lening heeft afgesloten zich niet bereid hebben getoond het bestaan van die leningen te bevestigen niet betekent dat deze leningen niet hebben bestaan.

Het hof stelt vast dat [betrokkene 6] op 1 juli 2015 bij de politie en op 31 maart 2017 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij geen geld heeft geleend aan de verdachte en dat de tussen hen opgemaakte geldleenovereenkomst d.d. 1 augustus 2013 een papieren constructie is. Net als de rechtbank ziet het hof geen aanleiding aan deze verklaring van [betrokkene 6] te twijfelen en het hof gaat dan ook voorbij aan de verklaring van de verdachte dat hij € 20.000,- contant van [betrokkene 6] heeft ontvangen.

Met betrekking tot de door de verdachte gestelde geldleenovereenkomst d.d. 9 juli 2012 voor een bedrag van € 30.000,- met [A] geldt het volgende. Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel van 23 april 2015 blijkt dat [A] sinds 12 september 2013 niet meer actief is. In de administratie van [A] van 2012 is de geldleenovereenkomst niet terug te vinden. Voorts staat de verdachte niet op de lijst van openstaande debiteuren 2012. Volgens [betrokkene 7] , de voormalige boekhouder van [A] , was [A] in 2012 technisch failliet en beschikte het bedrijf dus niet over zo een groot geldbedrag. [betrokkene 8] , wiens naam namens [A] onder de overeenkomst staat, weet niet meer of hij voornoemd geldbedrag aan de verdachte heeft uitgeleend; de naam van de verdachte daagt hem niet. Ook weet hij niet of er is afgelost. Verdachte heeft ook in hoger beroep verklaard dat hij geen zaken heeft gedaan met [betrokkene 8] , maar met diens vader [betrokkene 13] , die de overeenkomst heeft ondertekend. [betrokkene 13] heeft bij de politie echter verklaard niets te maken te hebben met de zaak en heeft de politie verwezen naar zijn zoon. Uit deze feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat sprake is van een papieren constructie en dat nooit een geldlening heeft bestaan. Anders dan de raadsman heeft betoogd, kan uit de weergave van de telefoongesprekken van de verdachte met onderscheidenlijk [betrokkene 13] en een persoon, genaamd [betrokkene 14] , evenmin worden afgeleid dat werkelijk sprake van een lening is geweest. Nu uit die gesprekken blijkt, dat de gespreksdeelnemers zich ervan bewust waren dat zij werden afgeluisterd, heeft het hof reeds hierom gerede twijfel aan de oprechtheid van wat werd besproken. Het verweer van de raadsman, voor zover dit betrekking heeft op de overeenkomsten van geldlening, wordt daarom verworpen.

Pot [B] (punten 9, 10, 11 en 12 van de pleitnotities)

De raadsman heeft onder verwijzing naar een uitspraak van het hof Amsterdam betoogd dat het enkele feit dat inkomsten die niet aan de Belastingdienst zijn opgegeven geen reden zijn om aan te nemen dat een legale herkomst van die inkomsten dient te worden uitgesloten. Dat daarvan geen aangifte is gedaan, maakt immers niet dat de verdachte die inkomsten niet kan hebben gehad. Voorts is de verklaring van de verdachte concreet en wordt die voorts bevestigd door een uittreksel van de Kamer van Koophandel.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij de opbrengsten uit de verkoop in 1998 van [B] , van welk bedrijf de verdachte toen enig aandeelhouder was – het zogenoemde 'potje [B] ' – ook heeft gebruikt om te investeren. Zo had hij wel eens een café in Spanje gekocht om dit vervolgens weer te verkopen. Een naam van dit café heeft de verdachte evenwel niet kunnen noemen. Daarenboven stelt het hof vast dat deze verklaring weer anders luidt dan de andere door de verdachte bij de politie en in eerste aanleg gegeven verklaringen voor de herkomst van de betreffende geldbedragen. Gelet op de wisselende verklaringen van de verdachte, die ook overigens niet concreet en verifieerbaar zijn, acht het hof niet aannemelijk dat de door de verdachte gestelde opbrengst van (omgerekend) € 100.408,40 uit de verkoop van- [B] . aan hem is uitgekeerd. Daarbij geldt dat, mocht dit wel zijn gebeurd, daarmee nog niet vaststaat dat de verdachte dit bedrag veertien jaren later, op 1 januari 2012, nog contant beschikbaar had.
Handel in sieraden/horloges (punt 13 en 14 van de pleitnotities)
De raadsman heeft voorts betoogd dat niet gezegd kan worden dat de verklaring van de verdachte over de opbrengsten uit handel in sieraden en horloges niet concreet is.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte desgevraagd verklaard dat hij op bestelling handelde in sieraden en horloges. Bonnetjes en/of facturen ontving de verdachte nooit. Daarmee is naar het oordeel van het hof – nog daargelaten of sprake was van de door de verdachte gestelde handel – op generlei wijze een nadere onderbouwing gegeven voor de (hoogte van de) daaruit gestelde genoten inkomsten. Gelet hierop is de verklaring van de verdachte niet concreet en ook niet verifieerbaar.

Inkomsten uit de bemiddeling bij de verhuur van vakantiewoningen (punt 15 van de pleitnotities)

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaringen overgelegd van een aantal horecaexploitanten over de bemiddelende rol van de verdachte bij de verhuur van vakantiewoningen. Uit deze verklaringen blijkt aldus de raadsman dat de verdachte actief was in de bemiddeling bij de verhuur van vakantiewoningen in Spanje.

Ter terechtzitting heeft de verdachte nader toegelicht dat hij inkomsten had uit het onderverhuren van vakantiewoningen in Spanje en dat de huur contant aan hem werd betaald.

Het hof stelt vast dat voormelde door de raadsman overgelegde verklaringen in gelijkluidende algemene termen zijn opgesteld en geen informatie geven over welke woningen zijn verhuurd, aan wie deze zijn verhuurd en wanneer deze zijn verhuurd. Evenmin blijkt uit die verklaringen voor welke bedragen de woningen zijn verhuurd. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte over de inkomsten uit zijn rol van bemiddelaar nog steeds niet concreet en niet verifieerbaar is.


Aangetroffen kassabonnen (punt 16 van de pleitnotities)

Door de raadsman is voorts naar voren gebracht dat niet alle in de woning van de verdachte en de medeverdachte aangetroffen kassabonnen van hen zijn, maar dat ook huurders van de woningen kassabonnen bewaarden.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte daarover verklaard dat hij zijn huurders adviseerde de bonnen van aangekochte goederen te bewaren ten bewijze van de aankoop van deze goederen voor het geval in de woning zou worden ingebroken. Tijdens het schoonmaken van de appartementen kon het gebeuren dat deze bonnen onbedoeld door de verdachte werden meegenomen.

Naar het oordeel van het hof is deze in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte voor de aanwezigheid van een grote hoeveelheid kassabonnen niet aannemelijk geworden en valt uit die verklaring dus niet af te leiden dat de uit die bonnen blijkende contante uitgaven niet door de verdachte en/of de medeverdachte zijn gedaan. Gelet hierop dient het verweer van de raadsman in zoverre ook te worden verworpen.

Erfenis vader van de medeverdachte

Tot slot heeft de raadsman naar voren gebracht dat de medeverdachte uit de nalatenschap van haar vader een auto heeft verkocht, waaruit volgens de raadsman eveneens blijkt dat het beginsaldo waarvan in de onderhavige zaak wordt uitgegaan hoger is dan € 1.000,-.
Reeds omdat gesteld noch gebleken is dat de verdachte en de medeverdachte op 1 januari 2012, de datum van het beginsaldo voor de kasopstelling, nog beschikten over dit bedrag van de erfenis, dient ook dit verweer te worden verworpen.

(…)”

35. Het hof heeft aan de bovenstaande overwegingen de conclusie verbonden dat “van de kant van de verdachte geen concrete, verifieerbare op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaringen zijn gegeven omtrent de herkomst van de in de kasopstelling opgenomen geldbedragen en het verschil tussen het contante legale inkomen en de contante uitgaven van de verdachte en de medeverdachte.” Op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde auto’s en geldbedragen uit misdrijf zijn verkregen.

36. Het middel bevat ten eerste de klacht dat het hof de rechtspraak van de Hoge Raad heeft miskend door zelf onderzoek te doen naar de aannemelijkheid van de verklaring van de verdachte over de herkomst van de aangetroffen voorwerpen, terwijl die taak aan het openbaar ministerie had moeten worden toebedeeld. Het hof zou met de hiervoor weergegeven bewijsoverwegingen eraan voorbij hebben gezien dat het op grond van het ‘stappenplan’ dat de Hoge Raad in zijn genoemde arrest van 18 december 2018 heeft samengevat op de weg van het openbaar ministerie had gelegen nader onderzoek te doen naar de verklaring die de verdachte heeft gegeven.

37. Ik deel het standpunt van de steller van het middel niet. Het hof heeft geoordeeld dat de diverse verklaringen die de verdachte heeft gegeven geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring opleveren dat de auto’s en geldbedragen niet uit misdrijf afkomstig zijn. In het ‘stappenplan’ van de Hoge Raad is het hof daardoor aan een nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte niet toegekomen. Door aldus te oordelen heeft het hof de rechtspraak van de Hoge Raad niet miskend. Reeds daarom faalt de klacht.

18. Daarbij komt het volgende. De rechtspraak van de Hoge Raad komt erop neer dat van de verdachte niet mag worden gevergd diens concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring aannemelijk te maken. Heeft de verdachte een dergelijke verklaring gegeven, dan ligt het op de weg van het openbaar ministerie naar die verklaring nader onderzoek te doen, zo overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 18 december 2018. Waar het vooral om gaat is dat niet op de verdediging de last mag worden gelegd de gegeven verklaring aannemelijk te maken. Zeker indien de verdachte reeds in het voorbereidend onderzoek een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd, zal het doorgaans het openbaar ministerie zijn dat in dat stadium van het geding naar die verklaring nader onderzoek doet. De omstandigheid dat het in de woorden van de Hoge Raad op de weg van het openbaar ministerie ligt dat onderzoek te doen, wil echter niet zeggen dat de rechter niet ook zelf nader onderzoek zou kunnen (doen) verrichten. Ook als de zittingsrechter zelf onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte, respecteert hij immers het uitgangspunt dat de last die verklaring aannemelijk te maken niet op de schouders van de verdediging mag worden gelegd. Anders dan de steller van het middel suggereert, is van een omkering van de bewijslast in dat geval geen sprake. Bovendien moet de rechter volgens de rechtspraak van de Hoge Raad mede op basis van de resultaten van nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte beoordelen of (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Hieruit volgt dat de rechter zich bij deze finale beoordeling ook kan laten leiden door zijn eigen bevindingen ten aanzien van de verklaring(en) van de verdachte. Ook daarom faalt de klacht.

39. Het middel houdt daarnaast in dat het oordeel van het hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de legale herkomst van de voorwerpen heeft gegeven, ontoereikend is gemotiveerd.

40. Uit de hiervoor onder 33 en 34 weergegeven nadere bewijsoverwegingen blijkt dat diverse vermeende bronnen van legale inkomsten door de verdediging naar voren zijn gebracht. In de bewijsvoering zijn deze gestelde inkomstenbronnen elk afzonderlijk besproken. Het hof heeft daarmee telkens gemotiveerd en onder verwijzing naar wettige bewijsmiddelen uiteengezet dat en waarom de desbetreffende verklaring in zoverre niet concreet, niet verifieerbaar en/of op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

41. Voor zover daartegen in algemene zin in cassatie wordt opgekomen, komt het aangevoerde voor onderzoek door de cassatierechter niet in aanmerking. In zoverre is immers geen sprake van een duidelijke en stellige klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.18 In de toelichting op het middel wordt slechts in algemene bewoordingen aangevoerd dat het oordeel van het hof dat geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is verschaft, onbegrijpelijk zou zijn “gelet op hetgeen in dat verband door de verdediging is aangevoerd (met name de gegeven concretisering van het legale vermogen en de verzoeken te dier zake getuigen te horen)”. De bezwaren tegen het bewijsoordeel van het hof zijn niet toegespitst op een of meer van de aangevoerde en door het hof besproken inkomstenbronnen, terwijl evenmin is aangegeven waarom het door het hof gegeven bewijsoordeel onbegrijpelijk is of ontoereikend is gemotiveerd.19

42. Het middel faalt.

Slotsom

43. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

44. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

45. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Hoge Raad 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 en herhaald in Hoge Raad 12 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2324, r.o. 2.6.

2 Zie o.a. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.42-2.47.

3 Vgl. HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9036.

4 Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.16..

5 Zie daarover nader G. Pesselse en J.H.B. Bemelmans, ‘De geldigheid van getuigenverzoeken’, DD 2017, p. 629-652, p. 636-639. Vgl. ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:64, onder 20-22) voorafgaand aan HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:389.

6 HR 26 juni 2012, ECLI:HR:NL:2012:BW9036; HR 11 september 2012, ECLI:HR:NL:2012:BX4150; en HR 12 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2324.

7 HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9036 en HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4150.

8 Zie HR 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7658.

9 Het voorbeeld is ontleend aan HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4150.

10 HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9036.

11 Vgl. in dezelfde zin Pesselse & Bemelmans, a.w., par. 4.2.

12 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.75; HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2855, NJ 2014/450, m.nt. Borgers; en HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2022.

13 Zie HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.75; HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:464, NJ 2016/226 en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, rov. 2.4.3.

14 Zie o.a. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.64.

15 Zie daarover mijn conclusies van 9 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:231 en :234 (post-Keskin).

16 Zie ook o.a. HR 13 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:668, NJ 2019/299, m.nt. Rozemond; HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1137, NJ 2019/350, m.nt. Reijntjes; HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:36; HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:156.

17 Met weglating van de voetnoten.

18 Zie o.a. HR 13 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZD2434, NJ 2001/296; HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2881, NJ 2001/605 en HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:16, NJ 2020/56.

19 Zie ook de voorbeelden van te vage en/of algemene klachten genoemd door A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 179-180.