Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:317

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-04-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
20/01821
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv-AG. Beklag ex art. 552a Sv over het onder een derde gelegde beslag op een bestelauto van klager. Beslag is gelegd met het oog op verbeurdverklaring. Die verbeurdverklaring is op grond van art. 33a Sr mogelijk als klager het gebruik van de auto door de derde (de verdachte) redelijkerwijs had kunnen vermoeden. Slagende klacht over het oordeel van de beklagrechter dat verbeurdverklaring niet hoogst onwaarschijnlijk is. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01821 B

Zitting 6 april 2021

CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[klager] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de klager.

1 Het cassatieberoep

1.1.

Bij beschikking van 7 januari 2020 heeft de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift dat strekte tot opheffing van het beslag en tot teruggave aan klager van een op 3 november 2019 onder een ander inbeslaggenomen bestelauto, ongegrond verklaard.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, en mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2 De feiten

Klager is eigenaar van de op 3 november 2019 onder een ander, te weten onder [betrokkene 1] , in beslag genomen bestelauto (een Volkswagen Transporter met het kenteken [kenteken] ). De inbeslagneming vond plaats omdat de bestuurder, [betrokkene 1] , niet over een geldig rijbewijs beschikte. In de voorafgaande twee maanden was [betrokkene 1] al drie maal eerder betrapt op het rijden zonder rijbewijs in dezelfde bestelauto, namelijk op 5 september 2019, op 3 oktober 2019 en op 7 oktober 2019. Op 7 oktober 2019 is de auto voor de eerste keer (onder [betrokkene 1] ) in beslag genomen. Een dag later, op 8 oktober 2019 heeft klager zijn auto bij de politie opgehaald. De politie heeft toen aan klager verteld dat [betrokkene 1] , op dat moment een werknemer van klager, niet in het bezit is van een geldig rijbewijs en de politie heeft klager verzocht om [betrokkene 1] niet meer als bestuurder te laten rijden. Op 3 november 2019 wordt [betrokkene 1] opnieuw als bestuurder van de bestelauto betrapt. De auto wordt wederom in beslag genomen. Ditmaal wordt het beslag gehandhaafd en klager klopt tot op heden tevergeefs aan bij de beklagrechter. Het gaat om een (klassiek) beslag ex art. 94 Sv, welk beslag is gelegd met het oog op verbeurdverklaring van de auto.

3 Het middel

Het middel bevat de klacht dat de rechtbank bij de beslissing tot ongegrondverklaring van het klaagschrift het in art. 33a lid 2 aanhef en onder a Sr bepaalde, namelijk of klager bekend was met gebruik van het voertuig in verband met het strafbare feit, dan wel of hij dat gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden, heeft miskend, althans dat deze beslissing zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk is.

4 De beschikking

In de beschikking van de enkelvoudige beklagkamer van de rechtbank is te lezen dat uit de stukken en uit de behandeling in raadkamer het volgende is gebleken:

“Op 3 november 2019 is onder verdachte [betrokkene 1] voornoemd voertuig inbeslaggenomen.

-standpunten-

De raadsman van klager heeft in raadkamer ter aanvulling op het klaagschrift aangevoerd dat klager op 7 oktober 2019 voor het eerst wist dat [betrokkene 1] niet in het bezit is van een rijbewijs. Op dat moment heeft klager ook tegen [betrokkene 1] gezegd dat hij niet meer in het voertuig mag rijden. [betrokkene 1] heeft dat tegen de afspraak in toch gedaan. Klager was hier niet van op de hoogte. Klager is nu het slachtoffer van het gedrag van [betrokkene 1] .

Klager heeft aangevoerd dat hij zijn lesje heeft geleerd. [betrokkene 1] is niet meer in dienst bij klager. Klager had medelijden met hem toen hij hem vroeg of hij de nieuwe monteur mocht inwerken. [betrokkene 1] mocht niet in de bestelauto rijden, maar mocht alleen meerijden met de nieuwe monteur. Het was de bedoeling dat de bestelauto bij de zwager van klager neergezet zou worden.

[betrokkene 1] heeft toen tegen de nieuwe monteur gezegd dat de sleutel op de band gelegd moest worden en heeft de bestelauto vervolgens op een later moment meegenomen.

De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het inbeslaggenomen voertuig aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat klager er, ondanks waarschuwing vanuit de politie, niet alles aan heeft gedaan om te voorkomen dat [betrokkene 1] opnieuw in de bestelauto zou stappen.

De rechtbank overweegt het volgende.

In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, of klager redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor - in dit geval - artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat het voortduren van het beslag nodig maakt.

In het onderhavig geval is sprake van een voorwerp dat vatbaar is voor verbeurdverklaring.

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.

Vast is komen te staan dat het voertuig aan klager toebehoort. Voorwerpen die niet aan een verdachte toebehoren, kunnen slechts verbeurd worden verklaard indien degene aan wie zij toebehoren bekend was met het gebruik in verband met het strafbare feit of dat redelijkerwijs had kunnen vermoeden.

Uit het dossier volgt dat [betrokkene 1] op 5 september 2019 en 3 oktober 2019 is bekeurd in dit voertuig voor het rijden zonder rijbewijs. Op 7 oktober 2019 is [betrokkene 1] vervolgens weer in de bestelauto aangetroffen en is het voertuig in beslag genomen. Bij het ophalen van het voertuig door klager op 8 oktober 2019 is aan klager uitgelegd dat [betrokkene 1] niet in het bezit is van een rijbewijs en is nadrukkelijk verzocht [betrokkene 1] niet meer te laten optreden als bestuurder. Op 3 november 2019 heeft [betrokkene 1] vervolgens weer in het voertuig gereden zonder rijbewijs.

De rechtbank is van oordeel dat klager - gelet op voornoemde omstandigheden - onvoldoende maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat [betrokkene 1] in het voertuig kon rijden. Klager was gewaarschuwd door de politie en heeft [betrokkene 1] toch de gelegenheid gegeven om de sleutel van het voertuig te pakken. Het is dan ook niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen verbeurd zal verklaren.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave van het voertuig aan klager.”

5 De beoordeling van het middel

5.1.

Juridisch kader

5.1.1.

In de onderhavige beklagzaak gaat het om een beslag dat is gelegd op de voet van art. 94 Sv met het oog op een door de strafrechter op te leggen verbeurdverklaring. Het op art. 552a Sv gebaseerde klaagschrift is ingediend door een ander dan de beslagene. De klager wenst opheffing van het beslag en afgifte van het inbeslaggenomen goed aan hem. De beklagrechter dient in een geval als dit te toetsen i) of klager als belanghebbende in het beklag kan worden ontvangen en ii) of het in beslaggenomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring. Als die vragen bevestigend worden beantwoord, dient hij vervolgens te beoordelen iii) of het belang van strafvordering voortduring van het beslag vordert. Als dat laatste niet het geval is (en overigens ook als de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord) moet de beklagrechter beslissen iv) of het in beslaggenomen voorwerp aan een ander dan degene onder wie het is inbeslaggenomen, kan worden afgegeven.

5.1.2.

In zijn overzichtsbeschikking van 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. van P. Mevis heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt en dat dit summiere karakter tot uitdrukking komt in enkele van de toe te passen toetsingsmaatstaven. Voor de zojuist opgesomde vier vragen luiden die maatstaven als volgt.

Ad i: Belanghebbende in de zin van art. 552a Sv is – naast de beslagene – ieder ander die een zakelijk of een persoonlijk recht op het inbeslaggenomen voorwerp pretendeert te hebben.1

Ad ii: Een inbeslaggenomen voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring als is voldaan aan één of meer van de in art. 33a Sr opgesomde voorwaarden. Ten aanzien van voorwerpen die niet aan ‘de veroordeelde’ (lees in het onderhavige geval: ‘de verdachte beslagene’) toebehoren, bepaalt art. 33a lid 2 Sr onder meer dat deze alleen kunnen worden verbeurd verklaard als degene aan wie het voorwerp toebehoort bekend was met het gebruik van het voorwerp, dan wel dat gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden.

Ad iii: Het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering vordert voortduring van het beslag (en verzet zich tegen teruggave) zolang niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, verbeurdverklaring zal bevelen.2

Ad iv: Het inbeslaggenomen voorwerp kan aan een ander dan de beslagene worden afgegeven indien die ander (de klager) redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomen voorwerp kan worden aangemerkt.3

5.1.3.

Het cassatiemiddel legt de klemtoon op de tweede vraag/maatstaf. In feite gaat het er in deze zaak om of degene aan wie het voorwerp toebehoort, bekend was met gebruik van het voorwerp door de beslagene, dan wel of hij dat gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden. Als dat niet het geval is, is een verbeurdverklaring niet mogelijk.

5.1.4.

Oorspronkelijk was verbeurdverklaring alleen mogelijk bij voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoorden.4 Dat volgt logischerwijs uit het karakter van de verbeurdverklaring als vermogenssanctie. Het primaire doel van zo’n sanctie is dat de veroordeelde in zijn vermogen wordt geraakt. Wanneer het voorwerp aan een ander dan de veroordeelde toebehoort, wordt dat doel gemist.5

5.1.5.

Toch heeft de wetgever eind jaren vijftig van de vorige eeuw het uitgangspunt dat het verbeurd te verklaren voorwerp moet toebehoren aan de veroordeelde losgelaten.6 Eén van de argumenten daarvoor was dat dit ook in veel bijzondere regelgeving al het geval was en dat dit “de wetgeving in hoge mate onoverzichtelijk maakt”.7 In het op 1 februari 1959 inwerking getreden art. 33a Sr wordt expliciet de mogelijkheid geopend dat ook voorwerpen kunnen worden verbeurd verklaard die tijdens het begaan van het strafbare feit toebehoorden “aan een persoon door wiens opzet of schuld zij zich in verkeerde handen bevonden”. In de memorie van toelichting wordt in dit verband onder andere gesproken over gevallen die “grenzen aan medeplichtigheid” en over gevallen waarin de eigenaar van het goed wel moest weten dat het risico groot was, dat de ander het ter beschikking gestelde voorwerp zou gaan misbruiken. “Zo b.v. de garagehouder, die een auto verhuurt aan een persoon, die kennelijk onder invloed van sterke drank verkeert.”8 Remmelink spreekt in dit verband over de derde “te kwader trouw”.9 Hij voegt daaraan toe dat “(d)e termen opzet en schuld (…) hier in de gebruikelijke trant (zullen) moeten worden opgevat. Schuld betekent derhalve: aanmerkelijke – grove – schuld”10 en, zo voeg ik daar op mijn beurt aan toe, opzet omvat ook het voorwaardelijk opzet. In de memorie van toelichting wordt benadrukt dat “bonafide derden” niet het slachtoffer mogen worden van verbeurdverklaring.11

5.1.6.

In de eerste helft van de jaren tachtig is bij de invoering van de Wet vermogenssancties art. 33a Sr opnieuw gewijzigd.12 De wijziging strekte in hoofdzaak tot verbeterde bescherming van de derde-rechthebbende.13 Het artikel is toen gesplitst in een eerste en een tweede lid en de woorden ‘opzet’ en schuld’ worden niet langer gebezigd. Vanaf 1 mei 1983 luidt de tekst van het tweede lid als volgt:

“Voorwerpen als bedoeld in het vorige lid onder b-e kunnen, indien zij toebehoren aan een ander dan de veroordeelde, alleen verbeurd worden verklaard, wanneer die ander bekend was met het gebruik dat van die voorwerpen in verband met het feit is gemaakt, dan wel dat gebruik redelijkerwijze had kunnen vermoeden.”

Tien jaar later is het tweede lid nog een keer gewijzigd. Dat is gebeurd ter gelegenheid van de invoering van de ontnemingswetgeving op 1 maart 1993.14 Sindsdien luidt de tekst:

Voorwerpen als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met e die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien:

a. degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden, of

b. niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren.”

5.1.7.

Uit het voorgaande volgt dat de wetgever het verbeurd verklaren van voorwerpen die niet aan de veroordeelde maar aan een derde toebehoren aan banden heeft willen leggen door eisen te stellen aan de subjectieve kennis van die derde over het (foutieve) ‘gebruik’, de (foutieve) ‘verkrijging’, of de (foutieve) ‘bestemming’ van die voorwerpen. Het gaat erom wat die derde daarover ‘bekend was’, dan wel wat hij daarover ‘redelijkerwijs had kunnen vermoeden’. Het eerste duidt op ‘opzet’, het tweede op ‘schuld’ (en dat waren de woorden waarvan de wetgever zich eind jaren vijftig bediende).

5.1.8.

De wijze waarop in art. 33a Sr ‘de schuld’ wordt omschreven, behoeft nog wel wat aandacht. Er wordt gesproken over ‘redelijkerwijs had kunnen vermoeden’. Die omschrijving lijkt te duiden op een lagere mate van verwijtbaarheid dan die wordt vereist in situaties waarin schuld bestanddeel is van een strafbaar feit (dus bij schuld in de zin van culpa). ‘(R)edelijkerwijs had kunnen vermoeden’ gaat immers meer in de richting van (enkel) onoplettend, onachtzaam en/of onvoorzichtig gedrag, dan in de richting van de voor culpa vereiste aanmerkelijke onoplettendheid, onachtzaamheid en/of onvoorzichtigheid. In delictsomschrijvingen wordt de culpa in de regel omschreven in termen als ‘redelijkerwijs had moeten vermoeden’ of ‘redelijkerwijs moet vermoeden’. Die terminologie heeft een normatieve lading en duidt op ‘behoren te vermoeden’.15 Gelet op de wijze waarop de wetgever van begin af aan de verbeurdverklaring van voorwerpen van derden heeft willen beperken (namelijk door expliciet opzet of schuld van die derde te eisen; zie hiervoor onder randnummer 5.1.5.) plus het gegeven dat de wetgever zich ter gelegenheid van de wetswijziging in 1983 niet heeft uitgelaten over zijn vanaf dan gehanteerde andere woordkeuze16, moet er naar mijn oordeel vanuit worden gegaan dat het in art. 33a lid 2 Sr ook vandaag de dag nog altijd gaat om opzet dan wel culpa aan de zijde van de derde.17 Alleen dan kunnen voorwerpen die aan die derde toebehoren worden verbeurd verklaard. De bepaling ziet niet op de derde die ‘enkel’ even niet goed heeft opgelet; die derde heeft te gelden als een bonafide derde.

5.1.9.

In de actuele literatuur wordt – in navolging van Remmelink – ook bij de huidige tekst van art. 33a Sr kortweg gesproken over “derden te kwader trouw”.18 Dat is een pakkende typering. Van derden die te kwader trouw waren zal immers niet snel worden gevonden dat aan hen toebehorende voorwerpen ten onrechte worden verbeurdverklaard in de strafzaak van een ander. Dat komt doordat in het spraakgebruik ‘kwader trouw’ sterk refereert aan opzet, dus – in de context van art. 33a lid 2 Sr – o.a. op het vooraf ‘bekend zijn’ met het door een ander (de verdachte) foutief gaan gebruiken van een aan die derde toebehorend voorwerp. Daarmee komt – zie ook hiervoor onder 5.1.5. – het terrein van de strafbare deelneming in beeld, waarbij hier in het bijzonder moet worden gedacht aan de voorafgaande medeplichtigheid. Dat in dat soort constellaties, ook bij niet strafrechtelijke vervolging van die derde, een aan die derde (de “medeplichtige”) toebehorend voorwerp in de strafzaak van de pleger kan worden verbeurd verklaard, voelt niet als een groot onrecht.19 Maar dat ligt anders, om niet te zeggen lastiger, als die derde “slechts” culpa had. Dan zijn de strafbare deelnemingsfiguren per definitie uit beeld omdat voor de deelneming zelf altijd opzet wordt vereist.20

5.1.10.

Over de niet-bonafide, culpoze derden van art. 33a lid 2 Sr – waarover het in de onderhavige beklagzaak gaat – is nauwelijks jurisprudentie voorhanden. Dat kan duiden op rechterlijke terughoudendheid bij het in dit soort gevallen toepassen van de uitzonderingsregel van art. 33a lid 2 Sr. In de literatuur wordt in dit verband eigenlijk vooral verwezen naar al weer wat oudere jurisprudentie over zaken waarin met lease-auto’s ernstige verkeersfeiten zijn gepleegd. Hoewel die lease-auto’s geen eigendom zijn van de overtreder, kunnen deze – onder omstandigheden – bij veroordeling van de bestuurder wel worden verbeurd verklaard. Dat kan als rechter feiten of omstandigheden heeft vastgesteld op grond waarvan de leasemaatschappij er niet meer vanuit mocht gaan dat degene aan wie de auto ter beschikking is gesteld, zich in het verkeer bij het gebruik van die auto zal houden aan de bepalingen van de wegenverkeerswetgeving.21

5.1.11.

Soms wordt in dit verband – naar mijn mening ten onrechte – ook gewezen op HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9360, NJ 2004/323 (doodslag in Sint-Michielsgestel). In die zaak gaat het om een dodelijk verkeersongeval veroorzaakt door een dronken bestuurder in een geleasde terreinwagen. De Hoge Raad overweegt over de door de feitenrechter bevolen verbeurdverklaring van de aan de leasemaatschappij in eigendom toebehorende terreinwagen dat “het enkele bestaan van een lease-overeenkomst er niet aan in de weg behoeft te staan om aan te nemen dat de desbetreffende auto aan de verdachte toebehoort in de zin van art. 33a Sr” (cursivering van mij, plv-AG). 22 In deze benadering doet het opzet of de culpa van de leasemaatschappij niet ter zake. Hier wordt immers vastgesteld dat het voorwerp (ook) toebehoort aan de verdachte en dan wordt het terrein van art. 33a lid 2 Sr niet betreden. Een aanknopingspunt voor deze benadering is te vinden in de memorie van toelichting op de ontnemingswetgeving (welke wet heeft geleid tot de huidige tekst van art. 33a Sr):

“Onder «toebehoren aan» wordt, in overeenstemming met de in het Nieuw Burgerlijk Wetboek gebruikelijke terminologie, geduid op een rechtsbetrekking volgens welke een voorwerp (goed) tot het vermogen van een persoon behoort. Degene aan wie een voorwerp toebehoort heet doorgaans de rechthebbende (…) en (deze) kan alszodanig een recht op het voorwerp doen gelden. De stoffelijke zaak behoort de eigenaar toe, het vruchtgebruik de vruchtgebruiker en de vordering de schuldeiser.”23

5.2.

De bestreden beschikking getoetst

5.2.1.

In de bestreden beschikking heeft de beklagrechter vastgesteld dat de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen bestelauto aan de klager toebehoort. Die vaststelling leidt er toe dat de klager zonder meer als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv kan worden aangemerkt. Die vaststelling dwingt de beklagrechter er vervolgens ook toe om voor het antwoord op de vraag of de inbeslaggenomen bestelauto vatbaar is voor verbeurdverklaring, rekening te houden met hetgeen in art. 33a lid 2 aanhef en onder a Sr is bepaald over de voor verbeurdverklaring vereiste kennis van de klager over het (mogelijke) gebruik van de bestelauto door de beslagene. Hoewel de beklagrechter in zijn beschikking niet expliciet naar dit wetsartikel verwijst, haalt hij wel de voor de beoordeling van het beklag relevante onderdelen van art. 33a Sr vrijwel letterlijk aan met de zinsnede: “Voorwerpen die niet aan een verdachte toebehoren, kunnen slechts verbeurd worden verklaard indien degene aan wie zij toebehoren bekend was met het gebruik in verband met het strafbare feit of dat redelijkerwijs had kunnen vermoeden”.

5.2.2.

Uit de beschikking blijkt dat de beklagrechter van oordeel is dat de bestelauto van klager vatbaar is voor verbeurdverklaring. In dit verband heeft hij betekenis toegekend aan de omstandigheid dat [betrokkene 1] in de voorafgaande twee maanden driemaal eerder is betrapt op het besturen van de bestelauto van de klager zonder dat hij over een geldig rijbewijs beschikte. De derde keer (op 7 oktober 2019) is de bestelauto door de politie in beslag genomen. Klager heeft de auto toen (een dag later, op 8 oktober 2019) bij de politie kunnen ophalen. Bij die gelegenheid is klager verteld dat [betrokkene 1] niet in het bezit is van een rijbewijs en klager is door de politie “nadrukkelijk verzocht” [betrokkene 1] niet meer te laten optreden als bestuurder. Op 3 november 2019 gaat het echter wederom mis en wordt de auto opnieuw onder [betrokkene 1] in beslag genomen. Uit de beschikking blijkt dat de beklagrechter zwaar tilt aan hetgeen de politie nog geen maand daarvoor tegen de klager heeft gezegd. Hij oordeelt dat de klager onvoldoende maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat [betrokkene 1] in het voertuig kon rijden en dat hij - ondanks de waarschuwing van de politie - [betrokkene 1] toch de gelegenheid heeft gegeven de sleutel van het voertuig te pakken.

5.2.3.

Hoewel uit het oordeel niet expliciet blijkt of de beklagrechter de klager (voorwaardelijk) opzet dan wel culpa aanrekent, ga ik uit van het laatste. Dat zou betekenen dat de beklagrechter van oordeel is dat de klager aanmerkelijk onachtzaam/onvoorzichtig/nalatig is geweest door toe te laten dat [betrokkene 1] als bijrijder in de bestelauto plaatsnam en dat de klager op die manier een ongeoorloofd risico heeft genomen.24 Anders gezegd: kennelijk vindt de beklagrechter dat de klager op 3 november 2019 redelijkerwijs had moeten voorzien dat [betrokkene 1] de kans zou grijpen om opnieuw met de bestelauto te gaan rijden en dat de klager ten onrechte heeft vertrouwd op de goede afloop.

5.2.4.

Het komt mij voor dat de beklagrechter onvoldoende feiten en omstandigheden heeft vastgesteld om dit oordeel te kunnen schragen. Weliswaar heeft hij wel vastgesteld dat de politie aan de klager heeft verteld dat [betrokkene 1] geen geldig rijbewijs had en dat de politie aan de klager nadrukkelijk heeft verzocht [betrokkene 1] niet meer als bestuurder te laten optreden, maar niet is vastgesteld of klager ook is verteld – en daarmee wist – dat [betrokkene 1] een hardnekkige recidivist was die in betrekkelijk korte tijd al driemaal eerder door de politie was betrapt op het rijden zonder rijbewijs. Dan had de klager geweten dat hij niet de kat op het spek had moeten binden.

5.2.5.

De onvoldoende onderbouwing geldt ook voor het oordeel van de beklagrechter dat de klager aan [betrokkene 1] de gelegenheid heeft gegeven de sleutel van het voertuig te pakken. Wanneer de feitelijke gang van zaken is geweest zoals de klager daarover in raadkamer heeft verklaard (zie hiervoor onder randnummer 4), dan wordt de stap naar ‘het gelegenheid geven’ hier wel erg makkelijk genomen. Uit de door de beklagrechter aangehaalde verklaring van de klager volgt immers dat hij ervan uitging dat [betrokkene 1] slechts de bijrijder zou zijn. Mogelijk heeft de beklagrechter twijfels gehad bij de geloofwaardigheid van de lezing van de klager, maar daarover wordt in de beschikking niets gezegd.

5.2.6.

Denkbaar is dat de beklagrechter de lat ten aanzien van de klager lager heeft gelegd omdat hij als werkgever een bijzondere verantwoordelijkheid draagt ten aanzien van zijn personeel. Maar ook over een dergelijke Garantenstellung, daargelaten of en zo ja hoe dit zou werken bij de toepassing van art. 33a Sr, heeft de beklagrechter niets overwogen of vastgesteld.

5.2.7.

Als de beklagrechter onvoldoende feiten en omstandigheden heeft vastgesteld om klager als een niet bonafide derde aan te merken, dan komt ook zijn oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen de beslagene de bestelauto van klager zal verbeurd verklaren, in de lucht te hangen. Voor het andersluidende oordeel van de beklagrechter schiet de gegeven motivering tekort. Het summiere karakter dat het onderzoek in raadkamer kenmerkt, maakt dat niet anders.

5.2.8.

Ik stel vast dat het middel slaagt.

6 Conclusie

6.1.

Het middel slaagt.

6.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

6.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv-AG

1 HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3305. Zie ook de recente conclusie van mijn ambtgenoot Spronken d.d. 2 februari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:88.

2 HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9151, NJ 2009/149.

3 HR 15 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS1803 en HR 18 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8869, NJ 2008/35.

4 Zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel I, tweede druk, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 357 e.v..

5 Ook bij de vermogenssanctie pur sang, de geldboete, kan het primaire doel van de vermogenssanctie natuurlijk eenvoudig worden omzeild doordat iemand anders dan de veroordeelde de betaling van de geldboete voor zijn rekening neemt (F.W. Bleichrodt & P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 371).

6 Wet van 22 mei 1958, Stb. 1958, 296.

7 Kamerstukken II 1954/1955, 4034, p. 8.

8 Kamerstukken II 1954/1955, 4034, p. 9.

9 D. Hazewinkel-Suringa, Inleiding tot de studie van het Nederlandse strafrecht, bewerkt door J. Remmelink, Alphen aan den Rijn 1975, p. 607.

10 Idem, p. 608.

11 Zie wederom Kamerstukken II 1954/1955, 4034, p. 8.

12 Wet van 31 maart 1983, Stb. 1983, 153.

13 Kamerstukken II 1977/1978, 15012, nrs. 1-3, p. 18

14 Wet van 10 december 1992, Stb. 1993, 11. Volgens de memorie van toelichting is de verruimde mogelijkheid van verbeurdverklaring van voorwerpen die niet aan de veroordeelde toebehoren vooral van belang voor gevallen waarin een strafbaar feit door meer dan een persoon is gepleegd en onduidelijk is wie van de daders - die niet allen terecht hoeven te hebben gestaan of te zijn veroordeeld - zich de opbrengst heeft toegeëigend (Kamerstukken II 1989/1990, 21504, nr. 3, p. 19).

15 Zie respectievelijk bij schuldheling (art. 417bis Sr) en schuldwitwassen (art. 420quater Sr). Soms volstaat de wetgever – ik vermoed om grammaticale redenen – met ‘redelijkerwijs vermoedende’, zie bijvoorbeeld bij ambtelijke corruptie (art. 363 Sr). J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 270, constateert dat bij de culpoze delicten waarbij de culpa betrekking heeft op een bijkomende omstandigheid, de culpa ‘minder eenduidig’ wordt omschreven.

16 De wetgever heeft hierbij sterk geleund op het Eindrapport van de Commissie-Vermogensstraffen, Den Haag: Staatsuitgeverij 1972. Ook in het rapport van deze commissie (naar haar voorzitter ook wel de Commissie Van Binsbergen genoemd) wordt de gewijzigde woordkeuze inhoudelijk niet toegelicht. Volstaan wordt met de opmerking “dat het beoogde doel (plv-AG: voorkomen dat door schijnhandelingen voorwerpen buiten schot worden gebracht voor verbeurdverklaring) ook wel kan worden bereikt met een meer gematigde bepaling, overeenkomstig de (…) voorgestelde nieuwe tekst.” (Eindrapport, p. 35-36).

17 De Hullu, a.w., p. 271 merkt op dat de Hoge Raad ook geen al te zware eisen stelt aan de wijze waarop in de tenlastelegging van culpoze delicten de culpa wordt omschreven: “‘redelijkerwijs had kunnen begrijpen of vermoeden’ of ‘met verwaarlozing van de ten dezen geboden voorzichtigheid’ zijn bijvoorbeeld voldoende feitelijk voor de schuld op een bijkomende omstandigheid.”

18 Zie o.a. Bleichrodt & Vegter, a.w., p. 383-384.

19 In de kamerstukken van de wetswijziging van 1 februari 1959 is de formulering directer. Daar staat onomwonden dat “(i)n al deze gevallen (…) het uitblijven van een verbeurdverklaring onbevredigend (zou) zijn”. Zie Kamerstukken II 1954/1955, 4034, p. 10.

20 Eigenlijk ben ik er dus niet zo gelukkig mee wanneer alle ‘derden’ als bedoeld in art. 33a lid 2 Sr worden getypeerd als ‘derden te kwader trouw’. Die typering kan misleidend zijn doordat de culpoze derde hierbij uit beeld kan raken.

21 HR 10 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC8675, NJ 1992/627, m.nt. Th.W. van Veen. In HR 21 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0839, NJ 1998/211 gaat het niet om een leaseovereenkomst maar om een huurkoopovereenkomst van een auto. Probleem in die zaak was dat de beklagrechter helemaal niets had vastgesteld over ‘de wetenschap’ van de huurverkoper ten aanzien van het gebruik van de auto door de huurkoper.

22 In dit verband maak ik melding van een (heel) recente beschikking van de Hoge Raad van 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:488. In die (beklag)zaak was ook sprake van een leaseovereenkomst en rustte er conservatoir beslag op de leaseauto. De raadkamer van de rechtbank was van oordeel dat degene die de auto leaset in dit geval zozeer de status van civielrechtelijk eigenaar naderde, dat zij in het kader van de beklagzaak daaraan kon worden gelijkgesteld. De Hoge Raad leidt hieruit af dat de rechtbank van oordeel is dat de auto aan de lessee ‘toebehoort’ en hij acht dat oordeel niet begrijpelijk “in aanmerking genomen dat de rechtbank heeft vastgesteld dat met betrekking tot deze auto sprake is van een leaseconstructie, die inhoudt dat in beginsel (cursivering van mij, plv-AG) de lessor (BMW Financial Services) de eigenaar is van de auto totdat de klaagster aan alle betalingsverplichtingen heeft voldaan.”

23 Kamerstukken II 1989/1990, 21504, nr. 3, p. 18.

24 De Hullu, a.w., p. 267: “Handelen met geoorloofde risico’s valt buiten het schuldbegrip.”