Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:316

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-04-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
19/05110
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:786
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv-AG. Rijden terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (art. 9.2 WVW 1994). In het eerste middel wordt geklaagd dat het bewijs van de wetenschap van verdachte over de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs te kort schiet. In het tweede middel wordt geklaagd dat de strafmotivering in strijd met art. 359.6 Sv geen opgave bevat van redenen die i.h.b. hebben geleid tot keuze van opleggen van vrijheidsbenemende straf. Beide middelen slagen. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05110

Zitting 6 april 2021

CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De verdachte is bij arrest van 31 oktober 2019 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, voor het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Tevens heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een gedeelte van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2 Het eerste middel

2.1.

Het eerste middel houdt in dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen niet zonder meer kan volgen dat de verdachte een motorrijtuig heeft bestuurd terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

‘hij op 28 november 2017 te Gorredijk, gemeente Opsterland, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, Nijlan, als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie heeft bestuurd.‘

2.3.

Het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 17 oktober 2019 houdt voor zover relevant het volgende in:

‘De raadsman voert het woord tot verdediging en voert - zakelijk weergegeven - het volgende aan:

Uit vaste jurisprudentie over het aangetekend dan wel per gewone post versturen van brieven en besluiten volgt dat uit de enkele omstandigheid dat een brief zo verstuurd is en al dan niet geretourneerd wordt niet de wetenschap omtrent het ongeldig verklaard zijn van het rijbewijs kan worden afgeleid. Dit volgt onder meer uit het recente arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1146).

(…)

In mijn ogen leidt het bovenstaande tot de conclusie dat verdachte niet bekend was met de ongeldig verklaring van zijn rijbewijs ondanks dat sprake is van een aangetekende verzending van het besluit tot ongeldig verklaring. Wat betreft het besluit van 12 oktober dat per aangetekende post is verstuurd deel ik u mede dat deze brief blijkens de betekeningsstukken retour is gestuurd op 31 oktober 2016 omdat deze niet is afgehaald. Ik denk dat in deze zaak geen andere omstandigheden aanwezig zijn waaruit de wetenschap van mijn cliënt van het ongeldig verklaard zijn van zijn rijbewijs zou kunnen worden afgeleid.

Zoals gezegd heb ik geen wetenschap van het indienen van een aanvraag om een tweede onderzoek in te stellen naar het alcoholgebruik van mijn cliënt.

Ook wat betreft het maken van bezwaar tegen een besluit dat het rijbewijs ongeldig is verklaard, volgt uit vaste jurisprudentie dat dit niet voldoende is voor de vaststelling van wetenschap van de ongeldig verklaring.

Gelet op al deze argumenten verzoek ik u om mijn cliënt vrij te spreken (…).‘

2.4.

Het hof heeft in zijn arrest het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.1

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Toetsingskader

In het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2019 geeft de Hoge Raad een toetsingskader weer waaraan de bewijsvoering moet voldoen om tot een bewezenverklaring te komen van een op artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 toegesneden tenlastelegging.

Ten eerste zal uit de bewijsvoering moeten blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het desbetreffende besluit is bekend gemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. art. 3:40 en 3:41 Awb respectievelijk art. 124, derde lid, en 132, vierde lid, WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden.

Ten tweede moet uit de bewijsvoering blijken dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens het besturen door de verdachte.

Ten derde moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig "wist of redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daaromtrent niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, noch uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. art. 124, vierde lid, onderscheidenlijk art. 132, vijfde lid, WVW 1994).

Oordeel van het hof

Het hof overweegt als volgt.

Ten eerste ziet verbalisant [verbalisant] op 28 november 2017 verdachte als bestuurder van een personenauto op de openbare weg rijden.2 De verbalisant doet hierop de auto stilhouden en stelt een onderzoek in. De verbalisant constateert dat voor het besturen van de personenauto een rijbewijs is vereist van categorie B. Na onderzoek blijkt dat het rijbewijs van verdachte voor één of meer categorieën, namelijk categorie B, vanaf 19 oktober 2016 ongeldig is verklaard.

Uit het besluit van het CBR van 12 oktober 2016 blijkt dat het CBR constateert dat verdachte niet geschikt is om te rijden. Het CBR verklaart daarom het rijbewijs van verdachte ongeldig vanaf 19 oktober 2016. Blijkens de aan het voornoemde besluit gehechte betekeningsstukken is het besluit aangetekend aan verdachte verzonden op het adres waar verdachte destijds ingeschreven stond.

Aldus komt het hof tot de conclusie dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het desbetreffende besluit is bekend gemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking.

Ten tweede blijkt uit de bij het proces-verbaal van 28 november 2017 gevoegde uitdraai van de BVI-IB van 28 november 2017 dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven.

Ten derde stuurt het CBR op 24 oktober 2016 een brief aan verdachte met het onderwerp 'ontvangstbevestiging rijbewijs’. Hierin staat dat het CBR het rijbewijs van verdachte van de politie eenheid Assen heeft ontvangen. Daarnaast stuurt het CBR aan verdachte een brief op 7 januari 2016 met als onderwerp 'besluit onderzoek naar uw alcoholgebruik'. Uit de brief van het CBR van 26 mei 2016 met als onderwerp 'uitslag onderzoek' blijkt dat er een onderzoek naar het alcoholgebruik van verdachte heeft plaatsgevonden en dat de uitslag van het onderzoek is dat verdachte niet geschikt is om te rijden. Hierin staat tevens vermeld dat als verdachte het niet eens is met de resultaten van het onderzoek, hij een tweede onderzoek kan aanvragen. De brief gedateerd op 8 juni 2016 heeft als onderwerp 'uw betaling voor tweede onderzoek ontvangen'. Hieruit blijkt dat verdachte een tweede onderzoek heeft aangevraagd en betaald. Op 12 oktober 2016 volgt tot slot de brief van het CBR met als onderwerp 'uitslag na twee onderzoeken, besluit: rijbewijs ongeldig'. Hieruit blijkt dat twee onderzoeken hebben plaatsgevonden waaruit de conclusie volgt dat verdachte niet geschikt is om te rijden. Om die reden verklaart het CBR het rijbewijs met ingang van 19 oktober 2016 ongeldig.

De brieven van 7 januari 2016, 26 mei 2016 en 12 oktober 2016 van het CBR aan verdachte zijn aangetekend en per gewone post verstuurd naar hetzelfde adres, namelijk [a-straat 1], [postcode] te [plaats]. Verdachte stond destijds op dit adres ingeschreven. De brief van 26 mei 2016 kwam niet met een zogenoemde retourzending terug.

Uit vorengenoemde omstandigheden en gedragingen van verdachte blijkt dat verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.‘

2.5.

Uit het voorgaande blijkt dat het hof aansluiting heeft gezocht bij het door de Hoge Raad in zijn arrest van 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, NJ 2019/454, m.nt. W.H. Vellinga, gegeven toetsingskader. Dat toetsingskader bestaat uit de drie door het hof genoemde en nagelopen stappen. Het cassatiemiddel richt zich in het bijzonder tegen de wijze waarop het gerechtshof is omgegaan met de derde stap. Die stap betreft de vraag of uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.3 Dat het middel zich met name hierop richt is niet helemaal onbegrijpelijk. Het is juist op dit punt dat zaken in cassatie regelmatig over de kop gaan. Mijn ambtgenoot Harteveld en annotator Vellinga veronderstellen dat dit komt doordat de feitenrechters ervan uit lijken te gaan dat het ‘redelijkerwijs moeten weten’ van art. 9 WVW duidt op culpa, terwijl het in feite wel eens zou kunnen gaan om een bewijsvermoeden. Dat bewijsvermoeden leidt er toe dat ‘degene die redelijkerwijs op de hoogte moet zijn’ van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs gelijk wordt gesteld aan ‘degene die wist’ van die ongeldigverklaring.4 Dat is iets anders dan via de band van de culpa (beredeneerd) bewijzen dat de verdachte ernstig onzorgvuldig of grof nalatig is omgegaan met zijn rijbevoegdheid en dat hij ‘had behoren te weten’ dat daar iets mis mee was. Steun voor de opvatting dat het hier gaat om een bewijsvermoeden kan worden ontleend aan de wetsgeschiedenis5 én aan een passage uit het genoemde arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2019 waarin de Hoge Raad opmerkt dat de bewijsmotivering toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat het besluit tot ongeldigverklaring aan de verdachte in persoon is uitgereikt. Hoewel ook dan nog altijd de mogelijkheid bestaat dat de verdachte helemaal geen kennis heeft genomen van de inhoud van het stuk, doet dat er voor het bewijs van de in art. 9 WVW 1994 vereiste wetenschap kennelijk niet toe. Dat typeert een bewijsvermoeden. Overigens heeft de Hoge Raad zich tot op heden niet expliciet uitgesproken over de vraag of het hier inderdaad een bewijsvermoeden betreft.

2.6.

In het middel wordt als uitgangspunt geformuleerd dat “(u)it de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.”

2.7.

Vervolgens richt het middel zich specifiek op twee onderdelen uit de bewijsconstructie van het hof: i). de omstandigheid dat het rijbewijs van de verdachte door het CBR is ontvangen en ii). de omstandigheid dat de verdachte een tweede onderzoek naar zijn rijvaardigheid heeft aangevraagd en de daarvoor verschuldigde kosten heeft betaald.

Sub i). In het middel wordt er - terecht - de vinger op gelegd dat de omstandigheid dat de politie eenheid Assen het rijbewijs van de verdachte bij het CBR heeft ingeleverd niet impliceert dat de verdachte weet of redelijkerwijs moet weten dat het CBR voordien zijn rijbewijs ongeldig heeft verklaard. Gewezen wordt op het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:393, waarin de Hoge Raad overwoog:

‘2.3. Uit de bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat de verdachte op 20 juli 2016 ‘wist’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Anders dan het hof heeft geoordeeld, is de omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief is verzonden naar het toenmalige adres van de verdachte en de verdachte zijn rijbewijs kennelijk op 23 november 2012 heeft ingeleverd daartoe niet voldoende. Evenmin kan dit worden afgeleid (…) uit de overige omstandigheden die het hof in aanmerking heeft genomen. De bewezenverklaring is daarom op dit punt ontoereikend gemotiveerd (vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146).‘

Hoewel ik het beroep op dit arrest begrijp – in mijn woorden: als inlevering van het rijbewijs door de verdachte al niet resulteert in de conclusie dat hij wetenschap had van de ongeldigverklaring van het rijbewijs, dan geldt dat te meer als het rijbewijs wordt ingeleverd door de politie – toch gaat de verwijzing naar dit arrest niet helemaal op. In die zaak had het hof immers enkel bewezenverklaard dat de verdachte ‘wist’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (en dus niet ook de variant dat de verdachte dat ‘redelijkerwijs moest vermoeden’). Daarmee is echter niet gezegd dat de omstandigheid dat in de onderhavige zaak het rijbewijs van de verdachte door het CBR is ontvangen van de politie bijdraagt aan de conclusie dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat het CBR zijn rijbewijs ongeldig heeft verklaard. Dát ben ik met de steller van het middel eens.

Sub ii). In het middel wordt in de tweede plaats – wederom terecht – betoogd dat de omstandigheid dat de verdachte een tweede onderzoek naar zijn rijvaardigheid heeft aangevraagd en de daarvoor benodigde kosten heeft betaald nog niet betekent dat de verdachte op de hoogte is van het besluit van het CBR om zijn rijbewijs ongeldig te verklaren. In dit verband wordt gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8246, NJ 2012/321. Daarin ging het om een situatie waarin bezwaar was gemaakt tegen het door het CBR bevolen onderzoek naar de rijvaardigheid. Volgens de Hoge Raad kon uit dat bezwaar niet zonder meer volgen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs (op een later moment) ongeldig was verklaard. De steller van het middel ziet niet in waarom dat hier anders zou zijn. Ook dat ben ik met hem eens.

2.8.

Aan het voorgaande voeg ik ten overvloede nog toe dat het hof onder meer overweegt dat de brieven van het CBR van 7 januari, 26 mei en 12 oktober 2016 aan de verdachte aangetekend en per gewone post zijn verstuurd naar hetzelfde adres waar de verdachte destijds stond ingeschreven. Het hof heeft enkel ten aanzien van de brief van 26 mei 2016 overwogen dat deze niet met een zogenoemde retourzending is terug gekomen. Deze brief – voor zover door het hof in zijn arrest weergegeven – houdt in dat de uitslag van het onderzoek is dat de verdachte niet geschikt is om te rijden en dat als de verdachte het niet eens is met de resultaten van het onderzoek, hij een tweede onderzoek kan aanvragen, maar de brief houdt niet in een besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte.

Dat laatste is wel het geval in de brief waar het eigenlijk om draait, te weten de brief van 12 oktober 2016. Daarin wordt aan de verdachte medegedeeld dat zijn rijbewijs met ingang van 19 oktober 2016 ongeldig is verklaard. Over deze brief heeft het hof enkel vastgesteld dat deze aangetekend is verzonden aan het juiste adres van de verdachte, maar over een eventuele retourzending vermeldt het arrest niets.6 Dat klemt omdat de raadsman blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft opgemerkt dat die brief blijkens de betekeningsstukken retour is gestuurd op 31 oktober 2016 omdat deze niet is afgehaald.7

2.9.

Ik ben het met de steller van het middel eens dat het oordeel van het hof dat verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, onvoldoende is gemotiveerd.

2.10.

Het eerste middel slaagt.

3 Het tweede middel

3.1.

Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 359 lid 6 Sv heeft verzuimd in het arrest in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

3.2.

Het hof heeft de opgelegde straf, die vrijheidsbeneming meebrengt, als volgt gemotiveerd:

‘Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 28 november 2017 te Gorredijk een auto bestuurd terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Hierdoor heeft verdachte blijk gegeven zich weinig gelegen te laten liggen aan besluiten van een instantie die mede met het oog op de verkeersveiligheid belast is met onder meer de beoordeling van de geldigheid van rijbewijzen. Door zo te handelen heeft verdachte de regels die gelden in het verkeer en die de verkeersveiligheid dienen, niet nageleefd.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 oktober 2019. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder onder meer onherroepelijk is veroordeeld voor schendingen van de Wegenverkeerswet 1994. Het ging in die gevallen om aan het onderhavige delict verwante misdrijven, namelijk het rijden onder invloed van alcohol. Verdachte lijkt zich aldus weinig aan te trekken van de regelgeving waarmee wordt beoogd de belangrijke waarde van de verkeersveiligheid te bewaken en te bevorderen.

Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof zijn besproken.

Het hof sluit bij de strafoplegging aan bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS- afspraken nu het geen reden ziet om hiervan af te wijken.‘

3.3.

De hiervoor weergegeven strafmotivering bevat, in strijd met art. 359 lid 6 Sv geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Het hof heeft in zijn overwegingen immers niet uitdrukkelijk laten blijken dat in dit geval alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Dat verzuim leidt op grond van art. 359 lid 8 Sv tot nietigheid.8

3.4.

Het tweede middel slaagt.

4 Slotsom

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv-AG

1 Het hof heeft kennelijk een promis-arrest gewezen en dit tekstblok abusievelijk laten staan. De weergegeven bewijsoverweging bevat (nu weggelaten) voetnoten met verwijzing naar de processtukken.

2 Het hof heeft nagelaten hier (ook) op te nemen de bewezenverklaarde naam van de straat (Nijlan) en de plaats (Gorredijk, gemeente Opsterland). Hierover wordt in cassatie evenwel niet geklaagd.

3 Harteveld wijst er in zijn conclusie vóór het arrest van 9 juli 2019 op dat het maken van een keuze tussen de varianten ‘weten’ en ‘redelijkerwijs moeten weten’ voor de strafrechter niet verplicht is, niet bij de bewijsbeslissing en evenmin bij de kwalificatie van het bewezenverklaarde. Zie ECLI:NL:PHR:2019:349 onder randnummer 10.

4 Zie wederom de al eerder aangehaalde conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld ECLI:NL:PHR:2019:349, onder randnummer 10.1 t/m 10.5.

5 Kamerstukken II, 1933-1934, 484, nr. 3, p. 13.

6 Hoge Raad 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, rov. 2.4.4.

7 Wat daar overigens ook van zij, nu verificatie van deze opmerking in cassatie een blik achter de papieren muur vergt. In de zaak die leidde tot HR 24 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1694 heeft het hof vastgesteld dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte zowel bij aangetekende brief als bij gewone brief naar de verdachte is verzonden en - anders dan in de onderhavige zaak - dat deze brieven niet retour zijn gekomen. Ook heeft het hof in die zaak vastgesteld dat een advocaat namens de verdachte heeft verzocht om informatie bij het CBR omtrent de voortgang van de procedure met betrekking tot het dossier van de verdachte én dat de verdachte zijn ongeldig verklaarde rijbewijs heeft ingeleverd. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep (art. 81 RO). Daaraan voorafgaand concludeerde mijn ambtgenoot Harteveld dat het hof uit voornoemde omstandigheden tezamen kon afleiden dat de verdachte (op diverse data) wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

8 Zie o.m. HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:619 (dat ook ziet op een veroordeling voor art. 9 lid 2 WVW 1994) en HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2202.