Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:298

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-03-2021
Datum publicatie
01-04-2021
Zaaknummer
20/02289
Formele relaties
Oorspronkelijke conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:186
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aanvullende conclusie AG op ECLI:NL:PHR:2021:186. OM-cassatie. Beklag, beslag, art. 94 Sv, art. 552a Sv. Vooruitlopen beklagrechter op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak. Toepassing criterium dat 'niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van in beslag genomenvoorwerpen zal bevelen'. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/02289 B

Zitting 30 maart 2021

(AANVULLENDE) CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klaagster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: de klaagster.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 30 juni 2020 het klaagschrift van de klaagster op de voet van art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag op twee woningen en drie bedrijfspanden in Den Haag en teruggave daarvan aan haar, gegrond verklaard.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld door de officier van justitie en mr. H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Namens de klaagster heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.

1.3.

In deze zaak heb ik op 2 maart 20211 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep en het middel daarom onbesproken gelaten. De Hoge Raad heeft mij op 17 maart 2021 gevraagd aanvullend te concluderen, aan welk verzoek ik hierbij gevolg geef.

2 Het middel

2.1.

Het middel komt op tegen de gegrondverklaring van het klaagschrift en bevat twee deelklachten.
De eerste deelklacht houdt in dat de rechtbank ten onrechte vooruit is gelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak tegen de verdachte [medeverdachte] en/of tegen klaagster zelf.
In de tweede plaats wordt geklaagd dat het (impliciete) oordeel van de rechtbank dat jegens de klaagster niet een redelijk vermoeden van schuld aan de verweten gedraging ‘kan volgen’, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk is.

2.2.

De beschikking van de rechtbank houdt het volgende in:


“Het beklag strekt tot opheffing en/of teruggave van twee woningen en drie bedrijfspanden in Den Haag, die op bevel d.d. 4 juni 2019 van de officier van justitie op 7 juni 2019 onder klaagster in beslag zijn genomen.


Tegen [medeverdachte] loopt een strafzaak. Ten behoeve van zijn minderjarige dochter, [betrokkene 1] , heeft [medeverdachte] samen met zijn echtgenote [betrokkene 2] de onderhavige stichting opgericht ter beheer en uitbreiding van het vermogen van [betrokkene 1] .

De onderhavige stichting koopt onroerend goed dat vervolgens wordt doorverkocht of opgeknapt en verhuurd. Op 11 juni 2019 zijn het voornoemde bevel en het beslagexploot betreffende de registergoederen aan klaagster betekend.
(…)
Het standpunt van klaagster

Klaagster heeft verzocht om opheffing en/of teruggave van de woningen en bedrijfspanden omdat er geen strafvorderlijk belang was/is voor beslaglegging en voortzetting daarvan. Voorts is het beslag onrechtmatig gelegd en is voortduring van het beslag gelet op de belangen van klaagster onrechtmatig. Klaagster heeft niets met de verdachte [medeverdachte] te maken en is eigenaresse van alle panden waarop beslag is gelegd. De eerste registergoederen zijn gefinancierd met gelden die de minderjarige dochter van haar grootouders heeft gekregen. Alle overige registergoederen zijn gefinancierd middels hypotheken en uit het exploitatieresultaat van klaagster.

De stichting is opgericht met het doel om het vermogen van de minderjarige dochter te scheiden van de financiële positie/belangen/situatie van haar ouders.

Voor de oprichting van de stichting heeft de kantonrechter toestemming verleend. Verdachte [medeverdachte] is noch juridisch noch economisch eigenaar van de aan klaagster toebehorende panden. Door de beslaglegging kan klaagster geen hypotheken afsluiten bij de bank. De belangen van klaagster worden daardoor ernstig geschaad.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat onderhavige stichting een schijnconstructie is, die wordt gebruikt voor het witwassen van geld afkomstig uit criminele activiteiten van de vader van [betrokkene 1] , [medeverdachte] . [medeverdachte] is eigenaar van [A] . Hij wordt verdacht van het witwassen van crimineel vermogen via de klaagster door aankopen van onroerend goed door klaagster voor een belangrijk deel te financieren middels contante stortingen. Zonder deze gelden was er geen aanschaf mogelijk. De inkomsten gegenereerd met deze investeringen zijn derhalve crimineel besmet. Naast de in het klaagschrift genoemde verbouwing aan de [a-straat] zijn er meerdere verbouwingen aan panden uitgevoerd, welke alle zijn betaald uit criminele inkomsten van [medeverdachte] . Uit het proces-verbaal van de politie Eenheid Den Haag, met nummer 5KOOL79 d.d. 10 mei 2019 blijkt een aantal opvallende transacties die kenmerkend zijn voor witwassen. Het onderzoek betreffende de financiering van de panden loopt nog. Het valt op voorhand niet uit te sluiten dat een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel tegen [medeverdachte] zal worden toegewezen dan wel dat de betreffende panden waarop beslag is gelegd, verbeurd zullen worden verklaard. Het beslag dient daarom te worden gehandhaafd.
Het oordeel van de rechtbank

Op 7 juni 2019 zijn twee woningen en drie bedrijfspanden onder klaagster in (klassiek) beslag genomen. Al deze panden staan op naam van klaagster.

Voor zover uit de overgelegde processen-verbaal al zou blijken dat [medeverdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen door uit misdrijf verkregen gelden te investeren in de betreffende panden van klaagster, blijkt uit deze processen-verbaal niet of onvoldoende dat klaagster hieraan heeft meegewerkt dan wel dit wist of moest vermoeden. Een proces-verbaal met (concrete) verdenkingen jegens klaagster ontbreekt in het dossier, terwijl de inbeslagneming al meer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden.
Op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting acht de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de onder klaagster inbeslaggenomen panden verbeurd zal verklaren. Het belang van strafvordering verzet zich derhalve niet langer tegen opheffing van het beslag, zodat het beklag gegrond moet worden verklaard.”

2.3.

Uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer blijkt het volgende:


“De officier van justitie voert het woord en concludeert tot ongegrondverklaring van het klaagschrift.

De verdachten in deze zaak zijn geschorst, het financieel onderzoek loopt nog, maar wordt bemoeilijkt omdat het veelal gaat om contante geldstromen. Er is (nog) geen uitzicht op een zitting. Tegen de verdachten is de verdenking gerezen van witwassen en overtreding van de Opiumwet. De stichting is ook verdachte ter zake van witwassen. Er is geen proces-verbaal verdenking jegens de stichting.

Volgens de officier van justitie moet het beslag voortduren omdat er onderzoek gaande is en de panden (deels) gefinancierd zijn met crimineel geld. Er lopen criminele geldstromen uit opiumdelicten richting de financiering van panden, waarnaar nog onderzoek loopt.

2.4.

In de schriftelijke reactie van het openbaar ministerie op het klaagschrift staat onder andere het volgende vermeld:


“ [klaagster] is tijdens een strafrechtelijk onderzoek naar [medeverdachte] (de vader van een dochter genaamd [betrokkene 1] ) in beeld gekomen. [medeverdachte] is eigenaar van [A] . Gedurende het onderzoek is vastgesteld dat [A] op grote schaal goederen verkoopt die bestemd zijn voor het opbouwen van hennepkwekerijen en dat er hennepstekken werden geleverd aan klanten die hiervoor bestellingen plaatsten bij [A] .
[medeverdachte] wordt er tevens van verdacht zijn criminele vermogen te hebben witgewassen door het kopen van onroerend goed. Ik verwijs hierbij naar het bijgesloten proces-verbaal van verdenkingen ten aanzien van [medeverdachte] (bijlage 1).
(…)
De stichting heeft de aanschaf van de eerste onroerende zaken – de panden gelegen aan de [b-straat] – voor een belangrijk deel gefinancierd met een contante storting van [medeverdachte] ; het is aannemelijk dat deze gelden rechtstreeks afkomstig zijn van strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht. Zonder deze gelden was er geen aanschaf mogelijk. De inkomsten gegenereerd met deze investering zijn derhalve crimineel besmet.

Daarnaast wordt er in het klaagschrift niets genoemd over verbouwingen anders dan die aan de [a-straat] . Bij alle andere panden is fors verbouwd maar zijn er geen geldstromen zichtbaar vanuit de stichting (zie ook pv verdenkingen bijlage 1 p. 5). Het onderzoek hiernaar is nog gaande. Het is aannemelijk dat ook deze verbouwingen zijn betaald met inkomsten uit de criminele activiteiten van [medeverdachte] . In het bijzonder verwijs ik hierbij naar de tapgesprekken waaruit blijkt dat [medeverdachte] zich actief bemoeide met deze verbouwingen.

Verder blijkt uit het bijgesloten pv verdenkingen (bijlage 1) onder de kop "uitbreiding verdenking 10 mei 2019" een aantal opvallende transacties die kenmerkend zijn voor witwassen: i) zo koopt de stichting in 2017 een pand aan voor 125.000 euro en verkoopt dit pand op dezelfde dag voor een bedrag van 180.000 euro en ii) de stichting koopt in 2017 de appartementen aan de [b-straat] voor 88.500 euro dit terwijl de WOZ waarde 170.000 is.
De stichting wordt gezien het voorgaand als verdachte aangemerkt van witwassen.
Het voorgaande brengt met zich dat op voorhand niet uit te sluiten valt dat een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden toegewezen dan wel de panden verbeurd worden verklaard.”

2.5.

Toelichting op het middel

2.5.1.

In de toelichting op het middel wordt het volgende aangevoerd. Volgens art. 33a lid 2 aanhef en onderdeel a Sr kunnen voorwerpen die niet aan de veroordeelde toebehoren alleen verbeurd worden verklaard, indien degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden. Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan de veroordeelde komen dus slechts voor verbeurdverklaring in aanmerking, indien die ander – kort gezegd – te kwader trouw is. De rechtbank heeft overwogen dat, "[v]oor zover uit de overgelegde processen-verbaal al zou blijken dat [medeverdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen door uit misdrijf verkregen gelden te investeren in de betreffende panden van klaagster, uit deze processen-verbaal niet of onvoldoende [blijkt] dat klaagster hieraan heeft meegewerkt dan wel dit wist of moest vermoeden." Tevens heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat "[e]en procesverbaal met (concrete) verdenkingen jegens klaagster in het dossier [ontbreekt], terwijl de inbeslagneming al meer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden".

2.5.2.

De steller van het middel begrijpt de overwegingen van de rechtbank zo dat zij heeft onderzocht of de inbeslaggenomen panden in de strafzaak tegen de verdachte [medeverdachte] voor verbeurdverklaring in aanmerking komen op grond van het bepaalde in art. 33a lid 2 aanhef en onderdeel a Sr. Naar de mening van de steller van het middel heeft de rechtbank met voornoemde overwegingen als haar oordeel tot uitdrukking gebracht dat "niet ervan kan worden uitgegaan" dat aan de in art. 33a lid 2 aanhef en onderdeel a Sr gestelde voorwaarden is voldaan. Daardoor is de rechtbank, die in dit verband had moeten beoordelen of niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen panden zal bevelen, vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak tegen de verdachte [medeverdachte] . De beslissing van de rechtbank is derhalve ontoereikend gemotiveerd.

2.5.3.

Ter vergelijking wijst de steller van het middel op, en citeert uit, de uitspraken van de Hoge Raad van 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:865 en 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:487. In de eerste zaak ging het om beslag onder de ex-echtgenoot van klaagster, de belanghebbende tegen wie het strafrechtelijk onderzoek was gericht, waarbij de klaagster om teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen verzocht. De rechtbank Rotterdam verklaarde het klaagschrift gegrond met als dragende overweging dat "thans door het openbaar ministerie onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat (illegale) gelden van de belanghebbende zijn gebruikt om de inbeslaggenomen voorwerpen (...) aan te schaffen". De Hoge Raad vernietigde de bestreden beschikking en overwoog dat de rechtbank daarmee vooruitgelopen was op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak. In de andere zaak ging het om beslag op een geldvordering van een Amerikaans factoringbedrijf, de klaagster, die zij had op een Brits telecombedrijf. Deze vordering had zij namens Hilf Telecom B.V., voor wie zij facturen inde. Dit bedrijf werd echter verdacht van witwassen. De klaagster diende tegen de inbeslagneming een klaagschrift in dat door de rechtbank Amsterdam gegrond werd verklaard. Ook in dit geval vernietigde de Hoge Raad de bestreden beschikking. De Hoge Raad overwoog daartoe het volgende:


“2.4. De Rechtbank heeft het klaagschrift gegrond verklaard en daartoe (kort gezegd) overwogen dat voorwerpen (waaronder ook vorderingen worden verstaan) als bedoeld in het eerste lid van artikel 33a Sr, die niet aan de veroordeelde toebehoren, alleen verbeurdverklaard kunnen worden indien degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden en dat op grond van het dossier zoals dat voorligt, niet gezegd kan worden dat daarvan in dit geval sprake is. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat de klaagster heeft uitgelegd hoe de in de ogen van het Openbaar Ministerie verdacht geachte omstandigheden ten aanzien van haar bedrijfsvoering moeten worden geduid en aldus de bedenkingen van het Openbaar Ministerie op dit punt afdoende kunnen ontkrachten, alsmede dat het dossier verder onvoldoende aanknopingspunten bevat dat, voor zover sprake is van witwassen door Hilf Telecom B.V., de klaagster daar wetenschap van had of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de praktijk van Hilf Telecom B.V. niet door de beugel kon.

Hiermee heeft de Rechtbank miskend dat – zoals onder 2.3 is vooropgesteld – het onderzoek in raadkamer een summier en voorlopig karakter draagt en dat zij niet ten gronde mag treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofd- of ontnemingszaak.”

2.5.4.

Voor zover in de overwegingen van de rechtbank tevens als haar oordeel besloten ligt dat evenzeer hoogst onwaarschijnlijk is dat de inbeslaggenomen panden in een strafzaak tegen klaagster verbeurd zullen worden verklaard, geldt volgens de steller van het middel het volgende.

2.5.5.

In de schriftelijke reactie OM op het klaagschrift en tijdens de mondelinge behandeling in raadkamer heeft de officier van justitie aangevoerd dat klaagster zelf ook als verdachte van witwassen wordt aangemerkt. De officier van justitie heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het aannemelijk is dat er sprake is van een schijnconstructie en dat klaagster wordt gebruikt voor het witwassen van geld, afkomstig uit de criminele activiteiten van de verdachte [medeverdachte] . Tevens heeft de officier van justitie aangegeven dat het (financieel) onderzoek nog gaande is en dat dit wordt bemoeilijkt doordat het veelal gaat om contante geldstromen. Gelet op hetgeen de officier van justitie aldus naar voren heeft gebracht, is het zeer wel denkbaar dat in de strafprocedure het verhaal van klaagster wordt weerlegd en de strafrechter anders zal oordelen. De enkele omstandigheid dat een proces-verbaal met (concrete) verdenkingen jegens klaagster vooralsnog ontbreekt in het dossier, maakt dat niet anders.

2.5.6.

Volgens de steller van het middel heeft de rechtbank zich in de bestreden beschikking niet beperkt tot de vraag of jegens klaagster een redelijk vermoeden van schuld aan de verweten gedraging "kan volgen", maar heeft zij in wezen onderzocht of de aan klaagster verweten gedraging "voldoende blijkt uit het dossier". Daarmee heeft de rechtbank het summiere en voorlopige karakter van de beklagprocedure miskend en is zij te ver vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak tegen klaagster. De bestreden beschikking is mitsdien ook in dit opzicht ontoereikend gemotiveerd. Datzelfde geldt indien de Hoge Raad van oordeel is dat de rechtbank niet te ver vooruitgelopen is op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak tegen klaagster, ook dan is de steller van mening dat het oordeel onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd is.

3 Beoordeling van het middel

3.1.

Ik ben van mening dat het middel slaagt. Waar het in onderhavig geval om gaat is of de rechtbank de beoordelingsmaatstaf, dat (niet) hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen2, bij de beantwoording van de vraag of het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet, op een juiste wijze heeft toegepast.

3.2.

De steller van het middel wijst er terecht op dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een dergelijk beklag slechts summier kan zijn en de rechter niet vooruit mag lopen op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel van de zittingsrechter. Een van de redenen daarvoor is dat, als het strafrechtelijk onderzoek nog loopt, het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is.3 Dat betekent bijvoorbeeld dat de beklagrechter zich niet mag inlaten met de vraag of het inbeslaggenomen voorwerp als vrucht van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv heeft te gelden4, de vraag of een voorwerp geheel dan wel gedeeltelijk vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer5, de vraag of het strafbare feit waarvan de klager6 of belanghebbende7 wordt verdacht, kan worden bewezen, maar ook de vraag of voldaan is aan de eisen van art. 33a lid 2 Sr.8

3.3.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de inbeslaggenomen panden aan de klaagster toebehoren en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet omdat:


“[v]oor zover uit de overgelegde processen-verbaal al zou blijken dat [medeverdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen door uit misdrijf verkregen gelden te investeren in de betreffende panden van klaagster, blijkt uit deze processen-verbaal niet of onvoldoende dat klaagster hieraan heeft meegewerkt dan wel dit wist of moest vermoeden.”

3.4.

Het is niet helemaal duidelijk wat de rechtbank hiermee heeft willen uitdrukken. Als de rechtbank van oordeel is dat er niet vanuit kan worden gegaan dat aan de voorwaarden is voldaan voor verbeurdverklaring van voorwerpen die toebehoren aan een ander dan de veroordeelde als bedoeld in art. 33a lid 2 Sr, in het bijzonder het daarin vervatte wetenschapsvereiste, ben ik het met de steller van het middel eens dat de rechtbank is vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak.

3.5.

Uit de overweging van de rechtbank die daarop volgt:

“Een proces-verbaal met (concrete) verdenkingen jegens klaagster ontbreekt in het dossier, terwijl de inbeslagneming al meer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden.”

Zou kunnen worden afgeleid dat de rechtbank bij de gegrondverklaring van het beklag ook heeft meegewogen dat van de verdenking van witwassen jegens de klaagster niet of onvoldoende blijkt.

Wat dit laatste aangaat is het oordeel van de rechtbank in elk geval ontoereikend gemotiveerd.

3.6.

In beide gevallen is van belang dat door de officier van justitie met stukken onderbouwd is aangevoerd dat:

(i) [medeverdachte] , vader van de dochter voor wie de stichting (de klaagster) is opgericht, ervan verdacht wordt geld van een criminele herkomst te investeren in panden die aan de klaagster toebehoren;

(ii) dat bepaalde geldstromen en investeringen rondom verbouwingen van de panden onduidelijk zijn en klaagster deze niet allemaal concreet heeft kunnen verantwoorden, terwijl uit tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte] intensief betrokken is bij die verbouwingen;

(iii) dat de klaagster als schijnconstructie wordt gebruikt om crimineel besmet geld van [medeverdachte] te kunnen witwassen en klaagster inmiddels (daardoor ook) verdachte is geworden van witwassen.

3.7.

Weliswaar heeft de klaagster het een en ander tegen de gerezen verdenkingen en het betoog van de officier van justitie ingebracht, maar dat is niet dusdanig dat op grond hiervan kan worden gezegd dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat geen verbeurdverklaring zal volgen. Het is aan de zittingsrechter om definitief de discussie te beslechten of klaagster wel of niet aan de schijnconstructie heeft meegewerkt en daar wetenschap van had. De beklagrechter moet de vraag of aan de in art. 33a lid 2 onder a Sr gestelde voorwaarden voor verbeurdverklaring is voldaan beantwoorden aan de hand van de “niet hoogst onwaarschijnlijk”-formule.9 Datzelfde geldt voor de vraag of de verdenking van witwassen jegens de klaagster tot een veroordeling (en dus verbeurdverklaring in haar zaak) zal leiden.10 Alleen als op voorhand het antwoord op deze vragen overduidelijk is, kan worden gezegd dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de latere strafrechter anders zal oordelen. Dat is, meen ik, gelet op hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd en de rechtbank heeft vastgesteld niet zonder meer het geval. Dat er (nog) geen proces-verbaal van verdenking aanwezig is, zoals de rechtbank heeft overwogen, doet daaraan niet af. Ook die (enkele) overweging kan de gegrondverklaring van het klaagschrift niet dragen.

3.8.

Het middel slaagt.

4 Conclusie

4.1.

Het middel slaagt.

4.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

4.3.

Deze aanvullende conclusie strekt, indien de Hoge Raad het openbaar ministerie ontvankelijk acht in zijn cassatieberoep, tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Den Haag opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie ECLI:NL:PHR:2021:186.

2 Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823.

3 Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823.

4 HR 4 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2818.

5 HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:555.

6 HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:656.

7 HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:784.

8 HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:865. Vgl. HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:238.

9 HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:865. Vgl. HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:238.

10 Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:656 en HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:784.