Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:284

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-03-2021
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
20/01511
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1523, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Clausule voor dekking van stormschade. Hevige storm ('supercell') gepaard gaande met windstoten en hagel. Is schade aan opstallen door inslag van hagel gedekt? Uitleg clausule. Causaliteitsmaatstaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2022/17 met annotatie van Dijk, Chr.H. van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01511

Zitting 26 maart 2021

CONCLUSIE

T. Hartlief

In de zaak

1. [eiseres 1]

2. [eiser 2]

3. [eiser 3]

(hierna gezamenlijk: ‘ [eisers] ’)

tegen

Allianz Benelux N.V.

(hierna: ‘Allianz’)

Op 23 juni 2016 is de agrarische onderneming van [eisers] getroffen door een zogenoemde supercell: een fikse storm die met grote hagelstenen gepaard is gegaan. Er is schade ontstaan aan (onder meer) de daken van hun gebouwen. In dit verband hebben zij een beroep gedaan op hun bij Allianz lopende verzekering. Allianz heeft uitkering geweigerd, omdat sprake zou zijn van hagelschade en [eisers] niet voor clausule 593 hebben gekozen, waarmee zij dekking voor hagelschade zouden hebben gehad. Volgens [eisers] moet de schade worden aangemerkt als stormschade, waarvoor de verzekering wel dekking biedt. Zij hebben in dit verband ook aangevoerd dat de schade onder de dekking voor stormschade valt, omdat Allianz schade die indirect is veroorzaakt door storm niet met zoveel woorden van de dekking voor stormschade heeft uitgesloten.

Bij de rechtbank hadden [eisers] succes, maar het hof heeft de vorderingen van [eisers] alsnog afgewezen. Het hof heeft overwogen dat, nu de verzekeringsvoorwaarden geen causaliteitsmaatstaf bevatten, het antwoord op de vraag of de schade van [eisers] onder de verzekering is gedekt, moet worden gevonden met toepassing van de dominant cause-leer. Uitgaande van deze verzekeringsrechtelijke causaliteitsleer heeft het hof de hagel – en niet de storm – als de dominant cause aangewezen. De door [eisers] geleden schade valt daarom niet onder de dekking van de verzekering. Het hof is niet meegegaan met het betoog van [eisers] dat de schade onder de verzekering is gedekt, omdat Allianz schade die indirect is veroorzaakt door storm niet van dekking heeft uitgesloten.

In cassatie betogen [eisers] dat het hof er ten onrechte van is uitgegaan dat de dominant cause-leer van toepassing is. Ook zou het hof de dominant cause-leer en het daarbij horende common sense-criterium onjuist hebben toegepast. Volgens [eisers] had het hof de storm als de rechtens relevante oorzaak moeten aanwijzen of in elk geval als medeoorzaak. Ten slotte klagen zij over de verwerping door het hof van hun betoog dat de schade onder de verzekering is gedekt omdat Allianz schade die indirect is veroorzaakt door storm niet van dekking heeft uitgesloten.

1 Feiten

1.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1

1.2

[eisers] exploiteren een agrarische onderneming in Sterksel . Zij hebben met Aegon een verzekeringsovereenkomst gesloten onder de naam [de verzekering] (hierna: ‘de verzekeringsovereenkomst’ of ‘de verzekering’). De verzekering is stilzwijgend verlengd per 23 maart 2014 voor een periode van tien jaar.

1.3

Allianz is per 1 juli 2016 in de rechten en verplichtingen van Aegon ten aanzien van onder meer de verzekeringsovereenkomst getreden, ook voor zover de rechten en verplichtingen zijn ontstaan vóór 1 juli 2016. Hierna zal Allianz als verzekeraar worden genoemd ook als op het dan beschreven moment Aegon de verzekeraar was.

1.4

De polis luidt onder meer als volgt:

“Clausule(s) (...) 592 (...)

Dekking brand- en stormschade conform voorwaarden en clausule(s)

(...)

CLAUSULE 592

BIJZONDERE VOORWAARDEN STORMVERZEKERING VOOR AGRARISCHE BEDRIJVEN

Voor zover uit vermelding op het polisblad blijkt dat verzekerde objecten tegen het risico van stormschade zijn verzekerd, gelden de navolgende bepalingen naast de bij deze verzekering behorende voorwaarden brandverzekering voor agrarische bedrijven.

1 Storm

Onder storm wordt verstaan wind met een snelheid van ten minste 14 m/sec. Met schade door storm wordt gelijkgesteld schade door neerslag, voor zover deze schade het gevolg is van stormschade aan het (de) verzekerde gebouw(en) of aan het (de) gebouw(en) waarin de verzekerde objecten zich bevinden.”

1.5

Op 23 juni 2016 vond er in Sterksel en omgeving een hevige storm plaats die in de weerkunde wordt gekwalificeerd als supercell. Er is schade ontstaan aan (onder meer) de daken van de gebouwen van [eisers]

1.6

[eisers] hebben op 24 juni 2016 de schade gemeld bij Allianz. Allianz heeft op nog diezelfde dag Dekra Experts ingeschakeld om de schade vast te stellen. Dekra Experts heeft gerapporteerd bij eerste verslag van 13 juli 2016, dat onder andere als volgt luidt:

Evenement/oorzaak

Op 23 juni 2016 werd Sterksel en omgeving getroffen door hevig noodweer, gepaard gaande met extreme hagel, regen en bliksemontladingen. In de avond passeerde er een zogenaamde ‘supercell’ waarbij ondermeer hagelstenen met extreme afmetingen zijn gevallen. Ook was er sprake van windstoten, hevige neerslag en vele bliksemontladingen. (...) In de gehele omgeving ontstond ernstige schade aan auto’s, gewassen, daken, beglazing, rolluiken, et cetera.

Hoewel het, tijdens het passeren van de ‘supercell’ meest waarschijnlijk ook gestormd heeft, kan gesteld worden dat de storm niet heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade aan de (grotendeels asbesthoudende) daken. Uit eerdere onderzoeken van het KNMI is gebleken dat storm geen invloed heeft op de valsnelheid van de hagelstenen. Ons bureau heeft in de directe omgeving van het schadeadres tal van schaden in behandeling, die zijn ontstaan door het noodweer. Telkenmale is er sprake van schade door hagel en niet van directe schade door storm.

In enkele gevallen hebben wij uit het schadebeeld kunnen opmaken dat (storm)wind van invloed is geweest op het ontstaan van de schade, doordat verticale oppervlakten (zoals bijvoorbeeld beglazing en rolluiken) beschadigd raakten. Dit kan worden verklaard doordat de hagelstenen wel door de windvlagen onder een behoorlijke hoek het aardoppervlak hebben bereikt. Bij dergelijke schaden zijn wij van mening dat windstoten hebben bijgedragen aan de oorzaak van de schade, al is de exacte kracht van de maximale windstoot ons nog niet bekend. Als er geen sprake zou zijn geweest van wind(stoten) dan waren de hagelstenen loodrecht naar beneden gevallen en was schade aan verticale oppervlakten niet ontstaan.

Bij schade aan daken is dat anders. Hieraan zou ook schade zijn ontstaan als er geen sprake zou zijn geweest van storm. Zoals gememoreerd hebben de windstoten immers geen invloed op de valsnelheid van hagelstenen. (...)

Schadeomvang

Tijdens onze uitvoerige inspectie ter plaatse stelden wij vast, dat van de asbesthoudende golfplaten op twee stallen aan de lijzijde circa 20% en aan de windzijde circa 40% van de golfplaten door hagelinslag geperforeerd waren. Dat gold ook voor een aantal goten. (...) Van de asbestvrije golfplaten op de vleesvarkensstal raakten vele honderden platen geperforeerd. De stalen dakplaten van de opslagloods vertoonden vele duizenden deuken. (...).”

1.7

Bij brief van 27 juli 2016 heeft Allianz de assurantietussenpersoon van [eisers] het hiervoor bedoelde verslag toegestuurd en het volgende geschreven:

“De voornaamste oorzaak lijkt toch directe hagelschade te zijn en de polis geeft daarvoor geen dekking.

(...)

Dat betekent dat de schade niet volledig voor vergoeding in aanmerking komt.

De directe stormschade wordt wel vergoed.

De expert zal zijn werkzaamheden voortzetten en de schade vaststellen.”

1.8

Dekra Experts heeft een eindverslag opgemaakt, gedateerd 30 september 2016. In dat rapport is grotendeels hetzelfde opgenomen als in het eerste verslag en ook nog dat uit registraties van lokale weerstations blijkt dat er in Sterksel en omgeving windsnelheden zijn geregistreerd van 24 m/s. In het rapport is de schade begroot op in totaal € 75.566, met de vermelding, zakelijk weergegeven, dat daarover naar aanleiding van een uitvoerig mondeling onderhoud op de schadelocatie met verzekerde overeenstemming is bereikt.

1.9

Allianz heeft [eisers] bij e-mail van 18 oktober 2016 laten weten, zakelijk weergegeven, dat de opstalschade niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat de expert heeft vastgesteld dat de schade is ontstaan door hagel, en dat een niet verzekerde gebeurtenis is.

1.10

Op verzoek van [eisers] heeft een contra-expertise plaatsgevonden in welk kader op 9 februari 2017 een rapport is uitgebracht, waarin de door de verzekeringsovereenkomst gedekte stormschade wordt gesteld op € 208.952,57.

2 Procesverloop

Eerste aanleg

2.1

[eisers] hebben Allianz bij dagvaarding van 13 april 2017 in rechte betrokken bij de rechtbank Rotterdam. Zij hebben de rechtbank, voor zover in cassatie nog van belang, verzocht om Allianz te veroordelen tot betaling van € 221.921.2

2.2

Allianz heeft een beroep gedaan op de dominant cause-leer.3 Zij heeft aangevoerd dat de hagelstenen als de dominant cause van de schade moeten worden aangemerkt. Volgens Allianz biedt de verzekering geen dekking voor hagelschade.

2.3

De rechtbank heeft bij vonnis van 14 maart 2018 de vordering van [eisers] tot een bedrag van € 75.566 toegewezen.4 De rechtbank heeft eerst de vraag beantwoord of de door [eisers] geleden schade onder de dekking van de verzekering valt:

Dekking

(…)

4.2.

Uitgangspunt is dat het een verzekeraar vrijstaat om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen. Dat brengt de vrijheid met zich om daarbij binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten of omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet, dan wel onderscheid te maken tussen gevallen die feitelijk zeer dicht bij elkaar liggen.

4.3.

Tussen Allianz en [eisers] is een verzekering gesloten met als dekkingsomschrijving “brand- en stormschade conform voorwaarden en clausule(s)”. In de polis is, afgezien van de dekkingsomschrijving, alleen clausule 592 aan stormschade gewijd. In de verzekeringsvoorwaarden is geen bepaling opgenomen die betrekking heeft op stormschade.

4.4.

Voor het antwoord op de vraag of de door [eisers] geclaimde schade onder de dekking van de verzekering valt, komt het derhalve aan op de uitleg van de dekkingsomschrijving en het bepaalde in clausule 592.”

2.4

Volgens de rechtbank komt het bij deze uitleg aan op objectieve factoren:

“4.5. Door Allianz is onbetwist gesteld dat over de clausules en voorwaarden van de tussen partijen afgesloten verzekeringsovereenkomst niet is onderhandeld door partijen. Dit brengt mee dat het bij de uitleg van de tussen partijen geldende bepalingen met name aan komt op objectieve factoren zoals de bewoordingen van de bepalingen, gelezen in het licht van de verzekeringsovereenkomst als geheel.”

2.5

De toepassing van deze uitlegmaatstaf heeft de rechtbank tot het oordeel gebracht dat bij de beantwoording van de vraag wat de oorzaak van de door [eisers] geleden schade is, aansluiting moet worden gezocht bij de dominant cause-leer:

“4.6. Uit de bewoordingen van de dekkingsomschrijving en clausule 592 volgt dat schade als gevolg van storm is gedekt en dat onder storm wordt verstaan wind met een snelheid van ten minste 14 m/sec. In clausule 592 is geen causaliteitsmaatstaf opgenomen en ook uit het polisblad en de overige verzekeringsvoorwaarden volgt geen causaliteitsmaatstaf die op de aan de orde zijnde schade van toepassing is. Dit brengt mee dat bij de beantwoording van de vraag wat de oorzaak van de gestelde schade is aansluiting moet worden gezocht bij de zogenoemde dominant-cause-leer, zoals namens Allianz ook is aangegeven. Deze leer houdt in dat een of meer gebeurtenissen als oorza(a)k(en) van de schade kunnen worden aangewezen als zij effectief de schade rechtens relevant (heeft) hebben veroorzaakt en dat meer dan één oorzaak als rechtens relevant voor het ontstaan van de schade kan worden aangemerkt.

4.7.

Derhalve dient de vraag te worden beantwoord of de storm als rechtens relevante oorzaak van de door [eisers] geleden schade, bestaande uit gaten in de daken van hun gebouwen als gevolg van hagel, kan worden aangemerkt.”

2.6

Toepassing van de dominant cause-leer leidt er volgens de rechtbank toe dat de storm als rechtens relevante oorzaak van de schade van [eisers] moet worden aangemerkt:

“4.8. Partijen zijn het erover eens dat de sterke windstoten en de opwaartse en neerwaartse windbewegingen in de supercell een (bepalend) effect hebben gehad op de omvang en de samenklontering van de hagelstenen en dat deze hagelstenen de schade hebben veroorzaakt. Voorts is niet in geschil dat er op 23 juni 2016 windsnelheden zijn geregistreerd van 24 m/sec en dat deze wind derhalve is aan te merken als storm in de zin van de verzekeringsovereenkomst. Onder deze omstandigheden kan de storm als rechtens relevante oorzaak van de schade aan de daken van de gebouwen van de [eisers] worden aangemerkt. Hieraan doet niet af dat, zoals Allianz stelt, het de hagelstenen zijn geweest die daadwerkelijk de gaten in de daken hebben veroorzaakt. Immers, zonder de storm zouden deze hagelstenen er niet in deze omvang zijn geweest en derhalve deze schade niet hebben veroorzaakt.”

2.7

Het beroep5 van Allianz op twee vonnissen6 en één arrest7 in twee andere procedures, waarin is geoordeeld dat de door de verzekerde geleden schade is aan te merken als hagelschade, slaagt volgens de rechtbank niet:

“4.9. Allianz beroept zich ter onderbouwing van haar standpunt op uitspraken van rechtbank Gelderland van 2 augustus 2017 en rechtbank Rotterdam van 4 november 2016, in welke zaak in hoger beroep het gerechtshof Den Haag op 5 september 2017 uitspraak heeft gedaan. Dit beroep kan Allianz niet baten. Weliswaar is in deze uitspraken geoordeeld dat er geen dekking was voor schade als gevolg van de supercell van 23 juni 2016, maar in die zaken waren andere verzekeringsvoorwaarden van toepassing dan in de onderhavige zaak. In die zaken waren de vorderingen gebaseerd op een bij Interpolis afgesloten verzekering voor stormschade waarbij expliciet in de voorwaarden als uitsluiting was opgenomen dat onder schade door storm niet werd verstaan “schade die tijdens de storm door de inslag van hagel is ontstaan.” Een dergelijke uitsluiting heeft Allianz niet in haar voorwaarden opgenomen.

In dit verband wijst de rechtbank er nog op dat in de tweede zin onder 1 van clausule 592 een uitbreiding is opgenomen van het verzekerd risico in geval van schade door neerslag als gevolg van storm. Weliswaar ziet deze uitbreiding niet, zoals Allianz terecht stelt, op de thans aan de orde zijnde schade van [eisers] maar het maakt wel dat er des te minder aanleiding is om het verzekerd risico zoals geformuleerd in de eerste zin onder 1 beperkter uit te leggen dan uit de bewoordingen volgt.”

2.8

Ook het betoog van Allianz dat [eisers] bij de totstandkoming zijn bijgestaan door een assurantietussenpersoon gaat volgens de rechtbank niet op:

“4.10. Het voorgaande in aanmerking nemende, treft ook het betoog van Allianz dat de verzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen door bemiddeling van de assurantietussenpersoon van [eisers] en dat deze tussenpersoon [eisers] heeft geadviseerd dan wel had dienen te adviseren dat hagelschade niet was gedekt onder de polis en zij zich daarvoor apart konden verzekeren, geen doel.

Zoals volgt uit het voorgaande, geven de bewoordingen van de polis geen aanleiding voor de door Allianz voorgestane uitleg dat er in een situatie als de onderhavige, waarbij sprake is van een supercell en schade ontstaat door hagel als gevolg van storm, geen dekking is voor die schade. Als Allianz deze schade niet onder de verzekeringsdekking had willen laten vallen, had het op haar weg gelegen om, zoals Interpolis dat blijkbaar wel heeft gedaan, schade die tijdens storm door inslag van hagel ontstaat, uit te sluiten.”

2.9

De rechtbank is tot het volgende oordeel gekomen:

“4.11. De door [eisers] geleden schade als gevolg van de supercell van 23 juni 2016 is derhalve gedekt onder de verzekering.”

2.10

De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat partijen de hoogte van de schade in onderling overleg hebben vastgesteld op € 75.566 (rov. 4.19.).8 De rechtbank heeft Allianz veroordeeld om een bedrag van € 75.171 aan [eisers] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente (rov. 4.23. en 5.1.).9

Hoger beroep

2.11

Allianz heeft hoger beroep ingesteld bij het hof Den Haag. Zij heeft slechts één grief aangevoerd, gericht tegen rov. 4.8. tot en met 4.10. van het vonnis van de rechtbank.

2.12

[eisers] hebben deels voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. In cassatie is alleen de voorwaardelijk incidentele grief I van belang. Deze grief is gericht tegen de overweging van de rechtbank in rov. 4.6. dat “bij de beantwoording van de vraag wat de oorzaak van de gestelde schade is aansluiting moet worden gezocht bij de zogenoemde dominant-cause-leer, zoals namens Allianz ook is aangegeven”. In de toelichting op deze grief staat onder meer dat [eisers] van mening zijn dat de dominant cause-leer niet, althans niet de juiste causaliteitsmaatstaf is. Volgens [eisers] is de condicio sine qua non-leer meer passend of dient de leer van de adequate veroorzaking te worden toegepast.10

2.13

In het kader van de causaliteitskwestie die [eisers] en Allianz verdeeld houdt, heeft het hof eerst het volgende overwogen:

Causaliteit (grief 1 in het principaal appel en grief I in het incidenteel appel)

4.1

De (enige) grief in het principaal appel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat storm (en niet hagel) moet worden aangemerkt als rechtens relevante oorzaak van de door [eisers] geleden schade, en dat die schade onder de verzekering is gedekt. Allianz is van mening dat de rechtbank de dominant cause-leer onjuist heeft toegepast. Voor het geval deze grief slaagt, klaagt grief I in het incidenteel appel erover dat de rechtbank heeft geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag wat de oorzaak van de schade is, aansluiting moet worden gezocht bij de dominant cause-leer.

4.2

Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen, nu zij beide (de toepassing van) de zogenaamde dominant cause-leer aan de orde stellen.”

2.14

Vervolgens heeft het hof zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank dat de dominant cause-leer van toepassing is:

Het bepalen van de schadeoorzaak

4.3

Tussen partijen is niet in geschil dat op 23 juni 2016 sprake is geweest van een storm in de zin van de polisvoorwaarden, dat deze storm van invloed is geweest op de grootte en de zwaarte van de hagelstenen, en dat een causaliteitsmaatstaf in de polisvoorwaarden ontbreekt. Anders dan [eisers] betogen, leidt dit er echter niet toe dat de causaliteit tussen de storm en de schade in dit geval is gegeven. Aangezien de causaliteitsmaatstaf in de polisvoorwaarden ontbreekt, moet deze worden gevonden.

4.4

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat, aangezien de polisvoorwaarden geen causaliteitsmaatstaf bevatten, het antwoord op de vraag of de schade van [eisers] onder de verzekering is gedekt afhangt van het antwoord op de vraag of de storm de rechtens relevante oorzaak is geweest van de schade (dominant cause-leer). De voorwaardelijke incidentele grief van [eisers] kan reeds daarom niet slagen. Een oorzaak kwalificeert als rechtens relevant als die geldt als de meest effectieve of meest dominerende factor voor het ontstaan van de schade. De rechtens relevante schadeoorzaak wordt mede vastgesteld met inachtneming van de regels van gezond verstand.”

2.15

De toepassing van de dominant cause-leer heeft het hof echter tot een conclusie gebracht die tegenovergesteld is aan die van de rechtbank. Volgens het hof moeten de (inslaande) hagelstenen worden aangemerkt als de rechtens relevante oorzaak – en dus niet de storm – zodat de door [eisers] geleden schade niet onder de dekking van de verzekering valt:

Rechtens relevante schadeoorzaak

4.5

Tussen partijen staat vast dat er op 23 juni 2016 een combinatie van storm, wind(stoten) en hagel heeft plaatsgevonden. Daarbij zijn hagelstenen met extreme afmetingen gevallen, die onder meer de golfplaten op de varkensstallen van [eisers] hebben geperforeerd. Toepassing van de in het vorige punt omschreven maatstaf leidt tot het oordeel dat de (inslaande) hagelstenen de rechtens relevante oorzaak van de schade zijn. Een gemiddeld persoon met gezond verstand zal in een dergelijk geval immers – mede gezien het schadebeeld – de hagel en niet de storm als schadeoorzaak aanwijzen. Daaraan kan niet afdoen dat de extreme omvang van de hagelstenen heeft kunnen ontstaan door de hevige storm. Een gemiddeld persoon met gezond verstand zal zich immers veelal niet eens realiseren dat luchtbewegingen hoog in de atmosfeer hebben bijdragen aan het vormen en vallen van de hagelstenen. Voor zover [eisers] menen dat sprake is van stormschade omdat valwinden ervoor hebben gezorgd dat de hagelstenen met ongebruikelijke snelheid tegen de daken van haar gebouwen zijn gewaaid en dat daardoor de schade is ontstaan, miskennen zij dat ook dat juist als hagelschade, en niet als stormschade te kwalificeren valt. Dit betekent dat de schade niet op grond van clausule 592 als stormschade is gedekt.”

2.16

Volgens het hof faalt het betoog van [eisers] dat de schade onder de verzekering is gedekt, omdat Allianz indirecte schade veroorzaakt door storm niet van dekking heeft uitgesloten:

Dekking

4.6 (…)

Het gaat hier om een brandpolis waarbij de verzekerde de mogelijkheid heeft per object en per evenement voor een bepaalde dekking te kiezen (named perils-polis). Een uitsluitingsclausule komt pas aan de orde als eerst sprake is van een gedekt evenement. Dat doet zich hier niet voor. De door [eisers] afgesloten module voor onder andere stormschade dekt de schade aan de bedrijfsgebouwen van [eisers] niet. Daarbij merkt het hof op dat Allianz erop heeft gewezen dat clausule 593 “Bijzondere voorwaarden uitgebreide verzekering voor agrarische bedrijven” de mogelijkheid bood om naast stormschade ook hagelschade te verzekeren en dat [eisers] daar niet voor hebben gekozen. Door [eisers] is dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken.”

2.17

Het voorgaande leidt er volgens het hof toe dat:

“4.7 (…) de in het geding zijnde schade van [eisers] niet onder de verzekering is gedekt en dat Allianz ter zake van deze schade onder de verzekering niet tot enige uitkering is gehouden.”

2.18

Het hof is tot de slotsom gekomen dat het door Allianz ingestelde principaal hoger beroep slaagt en dat de door [eisers] voorwaardelijk ingestelde grief I faalt.11 Het incidenteel hoger beroep treft geen doel (rov. 5.1). Het hof heeft het bestreden vonnis vernietigd en de vorderingen van [eisers] alsnog afgewezen (rov. 5.2 en dictum).

Cassatie

2.19

[eisers] hebben bij procesinleiding van 4 mei 2020, derhalve tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. Allianz heeft verweer gevoerd en haar standpunt schriftelijk toegelicht. Vervolgens hebben [eisers] gerepliceerd.

3 Causaliteit in het verzekeringsrecht

Inleiding

3.1

De supercell van 23 juni 2016, een fikse storm die met grote hagelstenen gepaard is gegaan, heeft niet alleen geleid tot de onderhavige procedure tussen [eisers] en Allianz, maar tot nog tenminste acht andere procedures tegen verzekeraars en tot een nog groter aantal uitspraken.12 Eén van deze andere procedures bracht het vorig jaar tot Uw Raad (zaak 19/05704).13 Het gaat om de procedure tussen de exploitanten van een varkensfokbedrijf (hierna: ‘de varkensfokkers’) en Interpolis,14 waarin ik op 13 november 2020 heb geconcludeerd.15 Uw Raad heeft in deze zaak nog geen uitspraak gedaan.

3.2

Zowel in de zaak van de varkensfokkers, als in de onderhavige zaak tussen [eisers] en Allianz, spelen vragen over causaliteit in het verzekeringsrecht een hoofdrol, en in het bijzonder de vraag of de dominant cause-leer moet worden toegepast.16 Hoewel beide zaken vergelijkbaar zijn, zijn er ook enkele niet onbelangrijke verschillen. Zowel in de onderhavige procedure als in die tussen de varkensfokkers en Interpolis heeft de verzekerde geen dekking voor hagelschade genomen, terwijl dat wel tot de mogelijkheden behoorde. In beide zaken biedt de betrokken verzekering alleen dekking voor stormschade en is de vraag of de schade waarvan verzekerde vergoeding vordert is te beschouwen als gedekte stormschade. De contractuele context is in zoverre in beide procedures gelijk.17 Een belangrijk verschil tussen beide procedures is dat de varkensfokkers en Interpolis het er in de feitelijke instanties over eens waren dat de dominant cause-leer toepassing moest vinden.18 Omdat het hof vervolgens de dominant cause-leer op juiste wijze had toegepast, heb ik verwerping van het door de varkensfokkers ingestelde cassatieberoep voorgesteld.19 In de onderhavige procedure hebben [eisers] daarentegen het standpunt van Allianz dat de dominant cause-leer van toepassing is, bestreden, zowel in feitelijke instanties als in cassatie. Hierdoor is in deze zaak het debat in cassatie ruimer: het gaat niet alleen om de vraag of het hof de dominant cause-leer op juiste wijze heeft toegepast, maar vooral (en eerst) om de vraag of het hof deze leer mocht toepassen.

3.3

In beide zaken gaat het dus om causaliteit in het verzekeringsrecht en in het bijzonder om de vraag of de dominant cause-leer moet worden toegepast. In mijn conclusie voor de zaak van de varkensfokkers ben ik uitvoerig op deze thema’s ingegaan.20 Het is niet efficiënt om al mijn bevindingen hier te herhalen. Daarom zal ik hier volstaan met het weergeven van de hoofdlijnen, onder verwijzing naar de belangrijkste randnummers uit eerdergenoemde conclusie.

3.4

Daarbij zal ik ook aandacht besteden aan een eveneens recente conclusie van A-G Valk in een andere verzekeringsrechtelijke zaak, waarin het (mede) gaat over causaliteit en de vraag of de dominant cause-leer moet worden toegepast.21 Ook in deze zaak heeft Uw Raad nog geen uitspraak gedaan.

In hoofdlijnen: causaliteit in het verzekeringsrecht en de dominant cause-leer

3.5

Heeft degene die schade heeft geleden een verzekering waarop hij een beroep kan doen, bijvoorbeeld een opstalverzekering, dan kan zich in de verhouding verzekerde-verzekeraar de vraag aandienen of de oorzaak van de schade onder de dekking van die verzekering valt.22 In de onderhavige zaak doet zich zo’n causaliteitsvraagstuk voor. [eisers] zijn van opvatting dat de schade is veroorzaakt door storm, waarvoor zij verzekeringsdekking hebben.23 Allianz is van opvatting dat hagel als de oorzaak van de schade moet worden aangemerkt, zodat zij niet hoeft uit te keren.24 In dit verband heeft Allianz erop gewezen dat schade door hagel niet wordt gedekt door de verzekering. Daarbij heeft zij aangevoerd dat [eisers] er niet voor hebben gekozen om hagelschade aan hun opstallen te verzekeren.25

3.6

Bij de beantwoording van de vraag of het in de verzekeringsovereenkomst verlangde causaal verband aanwezig is, komt het in de eerste plaats aan op inhoud en strekking van die overeenkomst en, zo daarover geschil bestaat, op uitleg van die overeenkomst. Uw Raad heeft deze maatstaf aangereikt in het Hogenboom/Unigarant-arrest.26 De voor (wettelijke) aansprakelijkheid geldende leer van de toerekening naar redelijkheid (art. 6:98 BW) is hier niet aan de orde.27

3.7

In veel gevallen zal men uit de voeten kunnen met de door Uw Raad in het Hogenboom/Unigarant-arrest gegeven maatstaf. In lastige gevallen zoeken rechtspraak en literatuur hun toevlucht tot een uit een ‘normatieve causaliteitstheorie’28 voortvloeiende causaliteitsmaatstaf. Deze doet dan zijn intrede in de contractuele verhouding via het uitleg-leerstuk of op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW). De belangrijkste causaliteitstheorieën in dit verband zijn:29

- de causa remota-leer,30 die als een toepassing van de leer van de adequate veroorzaking wordt gezien;

- de leer van de toerekening naar redelijkheid in een verzekeringsrechtelijke variant;31 en

- de causa proxima-leer,32 die in feite de leer van de dominant cause33 is geworden.

Niet kan worden gezegd dat onder het huidige recht één van deze theorieën, met uitsluiting van de andere, moet worden toegepast.34 Dit kan dus ook niet van de dominant cause-leer worden gezegd.

3.8

De dominant cause-leer, die een zekere populariteit in feitenrechtspraak35 en verzekeringsrechtelijke literatuur36 lijkt te hebben verworven, is een uit Engeland overgewaaide causaliteitsleer die kort samengevat inhoudt dat moet worden gezocht naar de meest dominante, inwerkende oorzaak. Hierbij moet men dan het gezond verstand (common sense) gebruiken.37

3.9

Ik ben geen voorstander van deze leer. Het common sense-criterium dat in deze leer centraal staat, geeft te weinig richting. Wat met de dominant cause-leer wordt bereikt, het aanwijzen van een ‘rechtens relevante oorzaak’ in het geval meerdere oorzaken zich aandienen, kan bovendien net zo goed binnen een op verzekering toegespitste toerekening naar redelijkheid.38 Ik wijs in dit verband ook op de wankele basis van de dominant cause-leer waar het om het Nederlandse recht gaat: een richtinggevende uitspraak van Uw Raad is er niet.39

3.10

Mijn voorkeur gaat uit naar toepassing in lastige gevallen van de leer van de toerekening naar redelijkheid, zij het dus niet in de art. 6:98 BW-variant. Ik stel me juist een verzekeringsrechtelijke variant van deze leer voor, waarbij schade wordt toegerekend aan een of meerdere oorzaken in het licht van de (bepalingen van de) verzekeringsovereenkomst, dus in het licht van de (al dan niet geobjectiveerde) bedoelingen en verwachtingen van de verzekeraar en de verzekeringnemer. De aard van de verzekering kan hierbij een rol spelen. Dit zou goed passen bij de centrale overweging in het Hogenboom/Unigarant-arrest.40 Zo’n theorie biedt ook ruimte om onderscheid te maken naar de aard van de verzekering: bij de aansprakelijkheidsverzekering en de schadeverzekering voor inzittenden kan men, juist vanwege het verband met het aansprakelijkheidsrecht, bijvoorbeeld wél het accent leggen op de toerekening naar redelijkheid zoals art. 6:98 BW die meebrengt, terwijl men bij andere verzekeringen, bijvoorbeeld bij de CAR-verzekering, het accent kan leggen op de causa proxima.41

De conclusie van A-G Valk inzake Bosporus/ASR (zaak 19/04757)

3.11

In mijn conclusie in de zaak tussen de varkensfokkers en Interpolis heb ik nog kunnen verwijzen naar de conclusie van A-G Valk in een andere verzekeringsrechtelijke zaak waarin het (mede) gaat over causaliteit.42 In die zaak, tussen Bosporus Freight Forwarding B.V. (hierna: ‘Bosporus’) en ASR, gaat het niet over de supercell van 23 juni 2016, maar over een verzekerde tweedehands auto die is gestolen en daarna uitgebrand werd teruggevonden. Voor de diefstal bestaat geen verzekeringsdekking, omdat Bosporus niet aan een zogenaamde alarmklasseclausule in de verzekeringsvoorwaarden heeft voldaan. Voor de brandschade bestaat wel dekking. Het hof Arnhem-Leeuwarden is niet meegegaan met het beroep van ASR op de dominant cause-leer, inhoudende dat de diefstal moet worden aangewezen als de dominante en daarmee rechtens relevante oorzaak, zodat aan de brand geen zelfstandige betekenis toekomt: 43

“2.7 (…) Ook wanneer wordt uitgegaan van de “dominant cause” leer betekent dit in dit specifieke geval dus niet dat de schade als gevolg van de diefstal (als “dominant cause” moet worden beschouwd. Uiteindelijk bieden de polisvoorwaarden voor dit geval van polycausaliteit geen aanwijzing voor de door ASR voorgestane uitleg. Als ASR op een geval als dit de “dominant cause” leer had willen toepassen, had het op haar weg gelegen om dit in duidelijke bewoordingen in de polisvoorwaarden op te nemen. Dat heeft zij echter nagelaten.”

3.12

Het hof heeft voor een proportionele uitkomst gekozen en geoordeeld dat ASR 30% van de gedekte brandschade aan Bosporus moet vergoeden:

“2.8 De, niet gedekte, diefstal heeft voor Bosporus allereerst geleid tot het verlies van de feitelijke macht, de gebruikswaarde en gaandeweg ook van de vermogenswaarde van de auto. De, wel gedekte, brand heeft onmiddellijk geleid tot zaaks- en vermogensschade. De uiteindelijke schade is een gevolg van beide factoren, maar onduidelijk is wat hun afzonderlijke causaliteitsbijdrage is geweest. De schade is mede een gevolg van een, niet gedekte, diefstal, welke omstandigheid, in de verhouding tot ASR, aan Bosporus als benadeelde kan worden toegerekend. De vergoedingsplicht van ASR wegens de brandschade wordt daarom proportioneel verminderd door de schade over Bosporus en ASR te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Bij gebreke van nadere feitelijke informatie over de gebeurtenissen tussen de diefstal en de brand ligt als uitgangspunt voor de hand om de schade 50 - 50 te verdelen. Maar er kan toch ook niet zo maar worden voorbijgegaan aan het ervaringsgegeven dat een dief en zijn (directe) opvolgers als regel minder zorg zullen hebben voor de gestolen auto. Zo komt het nogal eens voor dat een auto wordt gestolen en vervolgens na kortere of langere tijd wordt gebruikt voor criminele activiteiten waarna de daders de sporen ervan door brandstichting aan de auto willen uitwissen. Dit rechtvaardigt de schade toch meer toe te rekenen aan de diefstal, namelijk voor 70%. ASR zal daarom 30% van de gedekte brandschade aan Bosporus moeten vergoeden.”

3.13

Beide partijen hebben cassatieberoep ingesteld. A-G Valk heeft geconcludeerd tot verwerping van beide cassatieberoepen. In zijn conclusie heeft ook hij vooropgesteld dat het in gevallen van meervoudige causaliteit gaat om uitleg van de verzekeringsovereenkomst.44 De diverse causaliteitstheorieën, waaronder ook de dominant cause-leer, kunnen als suggesties voor een mogelijke uitleg dienen. Het is volgens A-G Valk niet zo dat de rechter bij zijn uitleg aan één theorie is gebonden, ook niet in beginsel. De rechter is dus ook niet gebonden aan de dominant cause-leer.45 Die leer geldt volgens hem niet als hét uitgangspunt.46 Zelf heeft hij een voorkeur uitgesproken voor de leer van de toerekening naar redelijkheid.47 Uw Raad heeft als gezegd (randnummer 3.3 hiervoor) nog geen uitspraak gedaan in de zaak tussen Bosporus en ASR.

Slotsom

3.14

Uiteindelijk zijn A-G Valk en ik zijn het erover eens dat, waar zich in de verhouding verzekerde-verzekeraar de vraag aandient of de oorzaak van de schade onder de dekking van die verzekering valt, het aankomt op uitleg van die verzekering (het Hogenboom/Unigarant-arrest). In lastige gevallen kunnen normatieve causaliteitsleren hulp bieden (randnummer 3.6 hiervoor). Ik heb in dit verband een voorkeur uitgesproken voor een verzekeringsrechtelijke variant van de leer van de toerekening naar redelijkheid, met daarin ruimte voor het maken van onderscheid naar de aard van de verzekering. A-G Valk heeft ook een voorkeur voor de leer van de toerekening naar redelijkheid, maar heeft daarbij wel, als gezegd, opgemerkt dat geen van de causaliteitsleren tot regel kan worden verheven. Op het punt van de dominant cause-leer zitten A-G Valk en ik in ieder geval op één lijn: toepassing van die leer is niet hét uitgangspunt.

3.15

Na de publicatie van de zojuist besproken conclusies, hebben zich bij mijn weten geen nieuwe ontwikkelingen voorgedaan. Vanuit de literatuur of ‘het veld’ is, voor zover ik dit heb kunnen nagaan, slechts door een enkeling op deze conclusies gereageerd.48

4 Bespreking van het cassatiemiddel

4.1

[eisers] komen in cassatie op tegen het oordeel van het hof in rov. 4.4 en 4.5 dat de dominant cause-leer van toepassing is en tegen de wijze waarop het hof deze leer heeft toegepast. [eisers] klagen voorts over rov. 4.6, waarin het hof is voorbijgegaan aan het betoog van [eisers] , dat de schade onder de dekking valt omdat Allianz schade die indirect is veroorzaakt door storm niet heeft uitgesloten van de dekking voor stormschade.

Onderdeel 2 49

4.2

Dit onderdeel valt uiteen in zeven subonderdelen (2.1 tot en met 2.7), die zich richten tegen het oordeel van het hof dat de dominant cause-leer van toepassing is en tegen de wijze waarop het hof deze leer heeft toegepast. Twee van de subonderdelen – 2.1 en 2.3 – slagen wat mij betreft, zodat vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing naar een ander hof moet volgen. Het verwijzingshof moet de overeenkomst alsnog aan de hand van de maatstaf uit het arrest Hoogenboom/Unigarant beoordelen en, mocht dat geen uitkomst bieden, zijn heil zoeken in een van de beschikbare normatieve causaliteitsleren (randnummer 3.7 hiervoor). Dit vergt een feitelijke beoordeling, die aan de verwijzingsrechter is, al komt het mij voor dat de door het hof in het bestreden arrest bereikte uitkomst juist is. Of vernietiging en verwijzing [eisers] werkelijk wat gaat opleveren, is daarom de vraag. Ik kom daarop in de slotsom (randnummers 4.44 en 4.45) terug.

Subonderdeel 2.1

4.3

[eisers] klagen over de overweging van het hof in rov. 4.4 dat, aangezien de polisvoorwaarden geen causaliteitsmaatstaf bevatten, het antwoord op de vraag of de schade van [eisers] onder de verzekering is gedekt, afhangt van het antwoord op de vraag of de storm de rechtens relevante oorzaak is geweest van de schade (de dominant cause-leer). Volgens [eisers] brengt de omstandigheid dat verzekeringsvoorwaarden niet (uitdrukkelijk) een causaliteitsmaatstaf bevatten, niet (zonder meer) mee dat de dominant cause-leer moet worden toegepast. Volgens hen moet in een dergelijk geval door uitleg van de verzekeringsovereenkomst worden vastgesteld wat de inhoud daarvan is ter zake de voor dekking vereiste causaliteit. Vastgesteld moet bijvoorbeeld worden of ook minder directe gevolgen van een gedekt evenement zijn gedekt. Die uitleg moet volgens hen plaatsvinden aan de hand van de regels die in de jurisprudentie over uitleg van (standaard) verzekeringspolissen zijn ontwikkeld.

4.4

Deze rechtsklacht slaagt.

4.5

Het hof heeft ten onrechte overwogen dat, aangezien de polisvoorwaarden geen causaliteitsmaatstaf bevatten, de dominant cause-leer toepassing moet vinden. Bij de beantwoording van de vraag of het in de verzekeringsovereenkomst verlangde causaal verband aanwezig is, komt het in de eerste plaats immers aan op inhoud en strekking van die overeenkomst en, zo daarover geschil bestaat, op uitleg van die overeenkomst. Dit volgt uit het Hogenboom/Unigarant-arrest van Uw Raad (randnummers 3.5 en 3.12 hiervoor). Komt men er met deze maatstaf niet uit, dan kunnen diverse causaliteitsleren (randnummer 3.6 hiervoor), waaronder ook de dominant cause-leer, als suggesties voor een mogelijke uitleg dienen. Géén van de causaliteitsleren heeft daarbij in het algemeen voorrang boven de andere of is als het uitgangspunt aan te merken, ook de dominant cause-leer niet (randnummers 3.11 en 3.12 hiervoor). In dit verband verwijs ik ook naar hetgeen ik heb opgemerkt in randnummer 3.7 hiervoor. Anders dan in de literatuur naar voren is gebracht, kan het Che Guavara-arrest50 moeilijk als basis dienen voor de dominant cause-leer.51

4.6

Het hof heeft overwogen dat aangezien de polisvoorwaarden geen causaliteitsmaatstaf bevatten, de dominant cause-leer moet worden toegepast. Voor zover hier al kan worden gesproken van uitleg van de verzekeringsovereenkomst zoals voorgeschreven door Uw Raad in het Hogenboom/Unigarant, is deze uitleg te kort door de bocht. Het enkele feit dat de polisvoorwaarden geen causaliteitsmaatstaf bevatten, maakt immers niet dat dus de dominant cause-leer moet worden toegepast. Als gezegd kan dit niet uit het Che Guavara-arrest worden afgeleid. Het hof heeft hier ook miskend dat zich naast de dominant cause-leer ook andere causaliteitsleren aandienen als men er met uitleg van de verzekeringsovereenkomst niet uitkomt. De dominant cause-leer geldt niet als het uitgangspunt.

4.7

In kleinere letters voeren [eisers] in subonderdeel 2.1 nog aan dat voor zover het hof in rov. 4.6 alsnog de overeenkomst uitlegt (ook) op het punt van de vereiste causaliteit, dit van een onjuiste oordeelsvorming getuigt. Volgens [eisers] had het hof eerst moeten beoordelen of op basis van uitleg van de overeenkomst ook (meer) indirecte vormen van schadeveroorzaking onder de dekking vallen, alvorens te (kunnen) oordelen dat dit niet zo was en daarom (volgens het hof) de dominant cause-leer moet worden toegepast. Volgens [eisers] heeft het hof ten onrechte eerst, in rov. 4.5, aan de hand van de dominant cause-leer bepaald dat de storm niet de oorzaak is van de schade, en heeft het hof dit uitgangspunt vervolgens ten onrechte aan [eisers] tegengeworpen bij zijn (door [eisers] in cassatie veronderstelde) uitleg in rov. 4.6.

4.8

Aan [eisers] kan worden toegegeven dat de door het hof in rov. 4.6 genoemde omstandigheden (een named perils-polis,52 niet gekozen voor clausule 593) bij uitstek omstandigheden zijn die het hof had moeten meewegen in het kader van de in Hogenboom/Unigarant voorgeschreven uitleg van de verzekeringsovereenkomst. De in de kleine letters naar voren gebrachte klacht gaat echter uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist derhalve feitelijke grondslag. In rov. 4.6 heeft het hof zich uitgesproken over het betoog van [eisers] dat de schade onder de verzekering is gedekt, omdat Allianz schade die indirect is veroorzaakt door storm niet van dekking heeft uitgesloten.53 Het hof heeft dit betoog verworpen, omdat de gesloten verzekering een named perils-verzekering is, waarbij een uitsluitingsclausule pas aan de orde komt als sprake is van een gedekt evenement. Daarvan is geen sprake. [eisers] hadden voorts kunnen kiezen voor dekking tegen hagelschade. Deze overwegingen staan los van de door het hof in rov. 4.4 gemaakte ‘keuze’ voor de dominant cause-leer, waartegen subonderdeel 2.1 (en ook de in de kleinere letters geformuleerde klacht) zich richt en betreffen (ook) geen uitleg van de verzekeringsovereenkomst op het punt van de causaliteit. Het hof heeft slechts willen reageren op het voornoemde betoog van [eisers]

Subonderdeel 2.2

4.9

Subonderdeel 2.2 voert aan dat het onjuist is als het hof in rov. 4.4 heeft bedoeld dat op grond van ‘aanvulling’ van de verzekeringsovereenkomst de dominant cause-leer moet worden gehanteerd. Volgens [eisers] leidt de aard van de onderhavige verzekeringsovereenkomst, de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid niet (zonder meer) tot toepassing van de dominant cause-leer.

4.10

Deze klacht behoeft geen behandeling, nu subonderdeel 2.1 reeds slaagt.

Subonderdeel 2.3

4.11

[eisers] klagen dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd gelet op wat zij hebben aangevoerd. [eisers] geven hiervoor twee redenen, A en B.

4.12

In het kader van reden A voeren [eisers] aan dat zij in hoger beroep hebben uiteengezet dat, bij gebreke van een (uitdrukkelijke) causaliteitsmaatstaf in de polisvoorwaarden, uitleg van de verzekeringsovereenkomst meebrengt dat de schade is gedekt. Zij wijzen er in dit verband op dat zij in hoger beroep hebben benadrukt dat de rechtbank dit standpunt heeft onderschreven en heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om het verzekerd risico beperkter uit te leggen dan uit de bewoordingen van de polis en de voorwaarden volgt. In het licht hiervan kon het hof volgens [eisers] niet volstaan met de overweging dat de polisvoorwaarden geen causaliteitsmaatstaf bevatten en dat (enkel) daarom de dominant cause-leer, zoals door het hof geïnterpreteerd, moet worden toegepast.

4.13

In het kader van reden B wijzen [eisers] erop dat zij hebben aangevoerd dat, indien voor een causaliteitsleer moet worden gekozen, dit er een moet zijn die past bij de bepalingen in de polis en de omstandigheden van het geval en niet een die de causaliteit en dekking verdergaand beperkt dan aan de hand van de bewoordingen van de polis kenbaar was en dan Allianz heeft bedongen. [eisers] hebben in dit verband de condicio sine qua non-leer en op de leer van de adequate veroorzaking naar voren geschoven. Met betrekking tot de condicio sine qua non-leer hebben [eisers] aangevoerd dat hier sprake is van samenhangende en met elkaar in verband staande oorzaken, omdat de hagel niet kan bestaan zonder de wind, en dat het daarom meer passend is om deze leer te hanteren.54 Meer in aanmerking kwam volgens [eisers] ook de leer van de adequate veroorzaking, waarin als oorzaak wordt aangemerkt de meest verwijderde gebeurtenis die bij een normale gang van zaken c.q. naar redelijke verwachting de schade teweeg zou brengen, welke leer in verzekeringsrechtelijke verhoudingen steun heeft gekregen.55 Volgens [eisers] had het hof moeten toelichten waarom een andere maatstaf dan die van de dominant cause niet in aanmerking kwam.

4.14

De klacht slaagt. Reden A en reden B behoeven daarbij geen afzonderlijke bespreking. [eisers] hebben in hoger beroep nadrukkelijk de toepassing van de dominant cause-leer bestreden.56 In dit verband hebben zij aangevoerd dat, als dan toch een causaliteitsleer moet worden gekozen, gekozen zou moeten worden voor een leer die past bij de bepalingen van de verzekeringsovereenkomst en de omstandigheden van het geval en niet voor een leer die de causaliteit en dekking verdergaand beperkt dan aan de hand van de bewoordingen kenbaar was voor [eisers]57 [eisers] hebben vervolgens gesteld dat de condicio sine qua non-leer passender is, of althans de leer van de adequate veroorzaking. Het hof heeft in rov. 4.4, waarin het heeft gekozen voor de dominant cause-leer, geen enkel woord besteed aan deze stellingen van [eisers] Ook elders in de uitspraak heeft het hof zich niet over deze stellingen uitgelaten. Hiermee heeft het hof zijn overweging dat de dominant cause-leer van toepassing is aangezien de polisvoorwaarden geen causaliteitsmaatstaf bevatten, onvoldoende gemotiveerd.

Subonderdeel 2.4

4.15

[eisers] bestrijden in dit subonderdeel de toepassing van de dominant cause-leer met twee klachten. Volgens [eisers] heeft het hof het hoe dan ook verkeerd gedaan. Het hof had volgens hen ofwel langs route A) tot het oordeel moeten komen dat de schade moet worden toegerekend aan de storm dan wel langs route B) tot een proportionele toerekening van de schade aan beide oorzaken moeten komen, zodat [eisers] ten minste gedeeltelijk recht op uitkering zouden hebben.

4.16

Onder A) klagen [eisers] over de wijze waarop het hof de dominant cause-leer heeft toegepast, namelijk door van twee mogelijke schadeoorzaken (de storm en de hagel) één rechtens relevante aan te wijzen, met uitsluiting van de andere. Volgens [eisers] heeft het hof hiermee miskend dat in een geval als het onderhavige, waarin twee gebeurtenissen (de storm en de hagel) leiden tot schade die door die gebeurtenissen afzonderlijk niet zou zijn ingetreden, toerekening in beginsel behoort plaats te vinden aan de gedekte oorzaak.

4.17

Onder B) voeren [eisers] aan dat in een dergelijk geval in beginsel een proportionele verdeling van de schade moet worden toegepast aan de hand van het aandeel van iedere oorzaak in de schade of, als dat niet mogelijk is, door de schade gelijkelijk aan de wel, respectievelijk niet gedekte oorzaak toe te rekenen. Het hof zou dit hebben miskend.

4.18

Zowel de klacht onder A) als die onder B) faalt. De dominant cause-leer houdt in dat gezocht dient te worden naar de meest dominante, inwerkende oorzaak. Die oorzaak moet als ‘de’ oorzaak worden aangewezen. Men dient hierbij het gezond verstand als maatstaf te hanteren.58 Het hof heeft dit in rov. 4.5 gedaan. Het hof heeft immers, verwijzend naar “een gemiddeld persoon met gezond verstand” de inslaande hagelstenen als de dominante oorzaak aangewezen.

4.19

Met betrekking tot de klacht onder A) merk ik overigens op dat [eisers] niet hebben toegelicht waaruit volgt dat het hof, uitgaande van de dominant cause-leer en van twee mogelijke schadeoorzaken, de schade had moet toerekenen aan de gedekte oorzaak (storm). Zij hebben in dit verband niet verwezen naar rechtspraak of naar literatuur. In de tot nu toe gepubliceerde rechtspraak en literatuur over de dominant cause-leer is de door [eisers] naar voren gebrachte regel niet te vinden.59 Het bestaan van zo’n regel lijkt mij ook niet juist. Niet valt in te zien waarom, als twee gebeurtenissen hebben geleid tot schade die door die gebeurtenissen afzonderlijk niet zou zijn ingetreden, toerekening in beginsel behoort plaats te vinden aan de gedekte oorzaak. Voor de niet-gedekte gebeurtenis heeft de verzekeringnemer immers geen premie betaald.. Het zou tegenover de verzekeraar niet redelijk zijn om die niet-gedekte gebeurtenis te negeren door de schade in beginsel aan de wel gedekte oorzaak toe te rekenen.

4.20

Met betrekking tot de klacht onder B) merk ik nog op dat het niet zo is dat, indien twee meer of meer gebeurtenissen leiden tot schade die door die gebeurtenissen afzonderlijk niet zou zijn ingetreden (samenwerkende oorzaken), in beginsel een proportionele verdeling van de schade moet worden toegepast.60 Ik verwijs naar de randnummers 4.73 e.v. van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078) in de al eerder genoemde zaak tussen de varkensfokkers en Interpolis (randnummers 3.1 en 3.2 hiervoor). In de verzekeringsrechtelijke literatuur staat men in geval van samenwerkende oorzaken verschillende oplossingen voor. Sommige auteurs zijn van opvatting dat er doorgaans één oorzaak is aan te wijzen, zoals het hof in deze zaak heeft gedaan (rov. 4.5). Andere auteurs achten, wat mij betreft terecht, onder omstandigheden ook verdeling (en dus een gedeeltelijke uitkering) mogelijk. Er is echter geen sprake van een uitgangspunt dat er in geval van samenwerkende oorzaken verdeling plaatsvindt. Het hof kan dit ‘uitgangspunt’ dus ook niet hebben miskend. Het gaat uiteindelijk om hetgeen uit de verzekeringsovereenkomst volgt; de contractuele context is van groot belang.61

Subonderdeel 2.5

4.21

[eisers] voeren aan dat het hof in rov. 4.4 en 4.5 de maatstaf van de dominant cause onjuist heeft ingevuld, althans daaraan een verkeerde toepassing heeft gegeven. Volgens [eisers] heeft het hof in rov. 4.5 ten onrechte aangenomen dat het erop aankomt wat een gemiddeld persoon met gezond verstand en (slechts) gemiddelde kennis (mede gezien het schadebeeld) als de schadeoorzaak zou aanwijzen. Volgens [eisers] gaat het erom welke oorzaak met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval met het gezonde verstand als de rechtens relevante moet worden aangewezen. Dus inclusief de meer technisch of wetenschappelijk relevante omstandigheden, welke (of het belang waarvan) een gemiddeld weldenkend persoon wellicht niet kent, maar die feitelijk wel aan het ontstaan van de schade hebben bijgedragen.

4.22

Het subonderdeel houdt vervolgens ook een motiveringsklacht in. [eisers] hebben in hoger beroep62 gewezen op een vonnisvan 21 januari 2009 van de rechtbank Rotterdam, 63 waarin deze rechtbank bij toepassing van de dominant cause-leer wel degelijk rekening hield met rapporten van experts over de schadeoorzaak en zich dus niet enkel verliet op “de gewone man met gezond verstand” of in de woorden van Allianz “the man in the street”. Volgens [eisers] had het hof in het licht hiervan moeten motiveren waarom in dit geval geen rekening kon worden gehouden met de meer technische/wetenschappelijke aspecten van het ontstaan van de schade.

4.23

Zowel de rechtsklacht als de motiveringsklacht faalt. Bij een criterium als ‘het gezond verstand’, overeenstemmend met het Engelse common sense (randnummer 3.7 hiervoor), past het niet om daarbij ook “de meer technisch of wetenschappelijk relevante omstandigheden”, zoals [eisers] dit noemen, in acht te nemen. Het common sense-criterium bedoelt nu juist te breken met ingewikkelde wetenschappelijke benaderingen over causaliteit.64 Dat de rechtbank Rotterdam in een uitspraak uit 2009 wel rekening heeft gehouden met rapporten van experts over de schadeoorzaak, maakt dit niet anders. Daarbij komt dat het hof wel degelijk in rov. 4.5 rekening heeft gehouden met bepaalde meer technische/wetenschappelijke aspecten van het ontstaan van de schade, zoals [eisers] dat noemen. Het hof verwijst in rov. 4.5 bijvoorbeeld naar “luchtbewegingen hoog in de atmosfeer” en naar het beroep van [eisers] op de ongebruikelijke snelheid waarmee de hagelstenen zijn gevallen.

Subonderdeel 2.6

4.24

[eisers] komen op tegen het oordeel van het hof in rov. 4.5 dat een gemiddeld persoon met gezond verstand in een geval als dit de hagel – en niet de storm – als schadeoorzaak zal aanwijzen. Volgens [eisers] is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk, nu zij hebben aangevoerd dat (i) sprake was van een extreem weerbeeld met storm, hagel, bliksem en neerslag, (ii) het weerbeeld in de media werd omschreven als een hevige onweersbui, noodweer, storm, megabui, veel regen en hagel zo groot als pingpongballen, en dat werd vermeld dat de extreme hagel was veroorzaakt door de stormwinden, (iii) het gewone verstand geen woorden heeft voor een dergelijk verschijnsel, wat een supercell bleek te zijn en (iv) in ieder geval medewerkers van Allianz, die zich op het standpunt stellen dat hagel altijd ontstaat door stormwind, de schade niet (enkel) aan een hagelbui kunnen toeschrijven. Volgens het [eisers] had het hof in het licht van dit betoog (nader) moeten motiveren waarom een gemiddeld persoon met gezond verstand enkel de hagel als schadeoorzaak zou aanwijzen, in plaats van dit “extreme noodweer” c.q. deze extreme storm. Dit geldt volgens hen te meer omdat gewone hagel geen gaten in vaste daken slaat.

4.25

De klacht faalt. Aan de overwegingen van het hof in rov. 4.5 kleeft geen motiveringsgebrek. Gaat men immers uit van de dominant cause-leer en daarmee van het gezond verstand als criterium, dan is inderdaad – voor zover dit (feitelijke) oordeel in cassatie kan worden getoetst – de hagel als oorzaak van de schade aan te wijzen. Een persoon met gezond verstand zal, waar grote hagelstenen golfplaten van varkensstallen hebben geperforeerd (de tweede zin van rov. 4.5), de hagel als oorzaak aanwijzen en van hagelschade spreken, omdat dit past bij het schadebeeld (de vierde zin van rov. 4.5). Het geperforeerd zijn van de hagelplaten duidt op hagelschade. De extreme omvang van de neergekomen hagelstenen doet daar niet aan af, zoals het hof heeft overwogen. Er blijft ook dan sprake van hagel en van hagelschade. De stellingen onder (i) tot en (iii) van het subonderdeel, die het hof niet heeft miskend (de eerste zin van rov. 4.5), brengen hierin geen verandering. Op de stelling onder (iv)65 heeft het hof niet hoeven responderen. Deze stelling is terloops betrokken, in het kader van de betwisting door [eisers] dat de gewone man de schade aan de daken aan een (enkele) hagelbui zal toeschrijven.

Subonderdeel 2.7

4.26

Dit subonderdeel is gericht tegen de voorlaatste zin van rov. 4.5. Daar heeft het hof het volgende overwogen: “Voor zover [eisers] menen dat sprake is van stormschade omdat valwinden ervoor hebben gezorgd dat de hagelstenen met ongebruikelijke snelheid tegen de daken van haar gebouwen zijn gewaaid en dat daardoor de schade is ontstaan, miskennen zij dat ook dat juist als hagelschade, en niet als stormschade te kwalificeren valt.

4.27

Volgens [eisers] heeft het hof hiermee onvoldoende inzicht in zijn gedachtegang gegeven of een niet-begrijpelijk oordeel, mede gelet op de stellingen van [eisers] Ook heeft het hof art. 24 Rv geschonden en is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.

4.28

In dit verband voeren [eisers] aan dat niet (zonder meer) valt in te zien dat schade die ontstaat doordat een storm hagel met ongebruikelijk hoge snelheid tegen daken laat waaien, geen stormschade in de zin van de verzekeringsovereenkomst zou zijn. Van stormschade is immers ook sprake als een ander voorwerp als gevolg van een storm tegen een dak aanvliegt, in welk geval Allianz de schade wel vergoedt, en ook als hagel door storm horizontaal inslaat. Het rapport van Dekra Experts, de door Allianz zelf ingeschakelde schade-expert, houdt (dan ook) in dat indien hagel door windstoten onder een behoorlijke hoek inslaat, de daardoor opgetreden schade aan verticale oppervlakken (beglazing, rolluiken) aan de storm wordt toegerekend. Volgens [eisers] is niet te begrijpen waarom dit anders zou zijn als hagel door de storm met een ongebruikelijke snelheid inslaat. Allianz heeft dit volgens hen ook niet gesteld. Allianz heeft enkel betwist dat de storm in dit geval feitelijk van invloed is geweest op de valsnelheid van de hagel en dat de schade daarom (“dus”) niet valt onder stormschade. Dit laatste heeft het hof echter niet vastgesteld. In cassatie is daarom het standpunt van [eisers] uitgangspunt.

4.29

De klachten falen, omdat er geen motiveringsgebrek aan de bestreden overweging van het hof kleeft.

4.30

Volgens het hof maakt het feit dat de hagelstenen met ongebruikelijk hoge windsnelheden tegen de daken van [eisers] zijn ingeslagen, niet dat niet meer van hagelschade kan worden gesproken. Ik acht deze overweging niet onbegrijpelijk. Past men een gezond verstand-criterium toe, dan kan ook met inachtneming van dat feit heel goed van schade door hagel worden gesproken. Er blijft dan immers sprake van schade door hagelstenen. Het schadebeeld – zichtbare gaten in het dak – zal daarop ook duiden.

4.31

De stelling66 van [eisers] dat van stormschade ook sprake is als een ander voorwerp als gevolg van een storm tegen een dak aanvliegt, maakt de door het subonderdeel bestreden overweging van het hof niet onbegrijpelijk. Dat is immers een andere situatie dan die waarover het hof zich moest uitspreken. Waar door een storm een grote tak van een boom is afgebroken en op een woning is geland, kan men heel goed van stormschade spreken. In de situatie waarin door een storm hagelstenen met hoge snelheid tegen het dak van een woning zijn geworpen, kan men daarentegen heel goed van ‘hagelschade’ spreken. Toegespitst op het gezond verstand-criterium: in het voorbeeld van de boom kan men niet met gebruikmaking van het gezond verstand van iets anders dan stormschade spreken. In het voorbeeld van de hagel kan men daarentegen heel goed met het gezond verstand van hagelschade spreken.

4.32

De stelling67 van [eisers] met betrekking tot hetgeen uit het rapport van Dekra Experts blijkt, kan [eisers] evenmin baten. Ook deze stelling maakt de voorlaatste zin van rov. 4.5 niet onbegrijpelijk. Uit het rapport blijkt dat volgens Dekra Experts, een onderzoeksbureau dat meerdere schadegevallen in de omgeving van [eisers] in behandeling had, wel kan worden gesproken van stormschade waar de hagel onder een behoorlijke hoek schade heeft veroorzaakt aan verticale oppervlakten als beglazing en rolluiken (rov. 2.5 van het bestreden arrest). Dit maakt echter niet dat het hof had moeten aannemen dat ook bij [eisers] , bij wie zich deze situatie van horizontaal op verticale oppervlakten inslaande hagelstenen niet heeft voorgedaan,68 sprake is geweest van stormschade. In het geval van [eisers] heeft het hof de schade als hagelschade mogen aanmerken, ook al is van hoge windsnelheden sprake geweest.

4.33

Met betrekking tot de klacht dat het hof art. 24 Rv heeft geschonden en buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, merk ik het volgende op. Allianz heeft uitvoerig betwist dat sprake is geweest van stormschade.69 Het hof heeft deze uitvoerige betwisting van Allianz, die de kern van de zaak betreft, zo mogen verstaan dat het volgens Allianz ook niet uitmaakt dat de hagelstenen door de storm met ongebruikelijke snelheid zijn ingeslagen. Hieraan doet niet af dat Allianz niet precies deze stelling naar voren heeft gebracht.

Slotsom onderdeel 2

4.34

De klachten in subonderdelen 2.1 en 2.3, gericht tegen rov. 4.4 van het bestreden arrest waarin het hof heeft geoordeeld dat de dominant cause-leer moet worden toegepast, slagen. Beide subonderdelen bestrijden terecht het oordeel van het hof dat aangezien de polisvoorwaarden geen causaliteitsmaatstaf bevatten, het antwoord op de vraag of de schade van [eisers] onder de verzekering is gedekt, moet worden gevonden met toepassing van de dominant cause-leer. Subonderdeel 2.2 hoeft, gelet op het slagen van subonderdeel 2.1, geen bespreking. Subonderdelen 2.4 tot en met 2.7, gericht tegen rov. 4.5, waarin het hof, uitgaande van de dominant cause-leer en het daartoe behorende common sense-criterium, tot het oordeel is gekomen dat de storm als de rechtens relevante oorzaak moet worden aangewezen, falen. Het hof heeft, gegeven zijn ‘keuze’ voor de dominant cause-leer, deze leer op zich wel juist toegepast.

Onderdeel 3

4.35

Dit onderdeel bestaat uit twee subonderdelen, die zijn gericht tegen rov. 4.6.

Subonderdeel 3.1

4.36

[eisers] komen op tegen de verwerping van het hof van het betoog van [eisers] , dat de schade onder de verzekering is gedekt omdat Allianz indirecte schade veroorzaakt door de storm niet van dekking heeft uitgesloten. Het hof heeft in dit verband overwogen dat een uitsluitingsclausule pas aan de orde komt als eerst sprake is van een gedekt evenement (rov. 4.6, derde zin). Volgens [eisers] heeft het hof aldus miskend dat dit betoog van [eisers] zag op de uitleg van de (bewoordingen van de) verzekeringsovereenkomst zoals [eisers] die hebben gesloten (de bestaande tekst, waaruit niet bleek van de mogelijkheid om afzonderlijk een hagelclausule af te sluiten). Het hof zou in elk geval zijn verwerping van het betoog van [eisers] niet zonder meer begrijpelijk hebben gemotiveerd. De apodictische constatering van het hof dat hier geen sprake is van een gedekt evenement, vormt geen voldoende motivering. Dit geldt volgens [eisers] te meer nu de rechtbank tot een tegengesteld oordeel was gekomen en – in hoger beroep als zodanig onbestreden – had geoordeeld dat er geen aanleiding is om het verzekerd risico beperkter uit te leggen dan uit de bewoordingen volgt, waarop ook [eisers] in hoger beroep hebben gewezen.

4.37

De klacht faalt. Het hof heeft de stelling van [eisers] , dat de schade onder de dekking valt omdat Allianz schade die indirect door storm is veroorzaakt niet van dekking heeft uitgesloten, op goede gronden verworpen. Het hof heeft in dit verband terecht oog gehad voor de aard van de verzekering (named perils) en voor de omstandigheid dat clausule 593 “Bijzondere voorwaarden uitgebreide verzekering voor agrarische bedrijven” de mogelijkheid bood om naast stormschade ook hagelschade te verzekeren, waarvoor [eisers] evenwel niet hebben gekozen. Hieruit volgt inderdaad dat de schade van [eisers] niet onder de dekking valt (zie ook randnummer 4.35 hiervoor).

4.38

[eisers] voeren daarnaast aan dat het niet begrijpelijk is, indien het hof heeft gemeend dat de motivering van zijn in rov. 4.6 gegeven oordeel al besloten lag in rov. 4.5. [eisers] wijzen in dit kader op de voorgaande klachten, in het bijzonder die van subonderdeel 2.3 (reden A)). Ook rov. 4.5 bevat volgens [eisers] niet een (afdoende) motivering waarom het niet uitsluiten van indirecte schade door storm niet zou meebrengen dat de verzekeringsovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat ook dergelijke indirecte schade onder de dekking valt. Dit geldt te meer nu Allianz als gezegd heeft erkend dat hagel door storm wordt veroorzaakt.

4.39

Ook deze klacht faalt. Het hof heeft zich alleen in rov. 4.6 uitgesproken over de stelling van [eisers] dat de schade onder de dekking valt omdat Allianz schade die indirect door storm is veroorzaakt niet van dekking heeft uitgesloten. Hetgeen het hof in rov. 4.5 heeft overwogen, staat daar los van. Dit blijkt ook uit de kopjes die het hof boven rov. 4.5 en 4.6 heeft geplaatst (respectievelijk “Rechtens relevante schadeoorzaak” en “Dekking”).

Subonderdeel 3.2

4.40

[eisers] bestrijden de overweging van het hof in rov. 4.6 “dat Allianz erop heeft gewezen dat clausule 593 “Bijzondere voorwaarden uitgebreide verzekering voor agrarische bedrijven” de mogelijkheid bood om naast stormschade ook hagelschade te verzekeren en dat [eisers] daar niet voor hebben gekozen” en de daaropvolgende overweging dat [eisers] dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd, hebben weersproken. Volgens [eisers] zijn deze overwegingen onbegrijpelijk, althans kunnen deze overwegingen niet redengevend zijn voor het oordeel van het hof dat de schade van [eisers] niet onder de dekking valt. In dit verband betogen [eisers] dat zij hebben gesteld dat zij niet op de hoogte waren van de mogelijkheid om hagelschade afzonderlijk te verzekeren en (omdat) daarvan niet blijkt uit haar polisblad of polisvoorwaarden. Ook betogen zij dat zij hebben bestreden dat zij er bewust voor hebben gekozen om hagel door storm niet te verzekeren. [eisers] hebben aldus, zo betogen zij, wel degelijk gemotiveerd – want onder verwijzing naar de door hen geaccepteerde (tekst van de) verzekeringsovereenkomst – gesteld dat zij er niet voor hebben gekozen om hagel buiten de dekking te laten.70

4.41

De klacht faalt. Het hof heeft aan het slot van rov. 4.6 overwogen dat Allianz erop heeft gewezen dat clausule 593 (“Bijzondere voorwaarden uitgebreide verzekering voor agrarische bedrijven”) de mogelijkheid bood om naast stormschade ook hagelschade te verzekeren en dat [eisers] daar niet voor hebben gekozen. Volgens het hof hebben [eisers] dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. In cassatie bestrijden [eisers] dat zij de desbetreffende stelling van Allianz niet (voldoende) hebben weersproken, maar in geen van de vindplaatsen in de processtukken waarnaar zij verwijzen is een voldoende gemotiveerde betwisting van de stelling van Allianz te vinden. Wel staat in randnummer 14. van de pleitnota in hoger beroep dat [eisers] clausule 593 niet kenden en dat de stelling van Allianz dat [eisers] bewust zouden hebben gekozen om hagel door storm niet te verzekeren onjuist is en nergens op gestoeld. Het hof heeft hierin echter niet een voldoende gemotiveerde weerspreking van [eisers] moeten vinden, waarbij van belang is dat de interpretatie van processtukken een feitelijke kwestie is, aan de feitenrechter is voorbehouden en in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst.71 Het gaat om een blote ontkenning, die door [eisers] niet van enige context is voorzien. Die context had wel gegeven moeten worden. [eisers] hadden bijvoorbeeld bij hun stelling kunnen betrekken hoe het sluiten van de verzekeringsovereenkomst is verlopen. Zij hadden aldus aannemelijk kunnen maken dat de optie om ook hagelschade te verzekeren hen nimmer is voorgehouden, dus ook niet door hun assurantietussenpersoon.

4.42

[eisers] klagen voorts dat het onjuist, althans onbegrijpelijk is als het hof ervan is uitgegaan dat bewustheid bij [eisers] van de hen tegengeworpen keuzemogelijkheid niet van belang is. De omvang van de dekking wordt (hier) immers bepaald door wat [eisers] daaromtrent uit de bewoordingen van de polis en de voorwaarden mochten begrijpen en wat Allianz ter zake van [eisers] mochten verwachten. Nu uit de polis(voorwaarden) niet bleek van de mogelijkheid van een afzonderlijke hagelclausule, is niet in te zien dat Allianz toch mocht verwachten dat [eisers] bewust van hageldekking afzagen.

4.43

Ook deze klacht faalt. Het hof is er niet van uitgegaan dat bewustheid bij [eisers] ter zake van de mogelijkheid om ook dekking tegen hagelschade te nemen niet van belang is. Het hof heeft overwogen dat Allianz gesteld heeft dat [eisers] niet voor clausule 593 hebben gekozen en dat [eisers] dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd hebben betwist.

Slotsom

4.44

[eisers] klagen in cassatie terecht over de overweging van het hof in rov. 4.4 dat aangezien de verzekeringsvoorwaarden geen causaliteitsmaatstaf bevatten, het antwoord op de vraag of de schade van [eisers] onder de verzekering is gedekt, moet worden gevonden met toepassing van de dominant cause-leer. Deze overweging is onjuist om de hiervoor in randnummers 4.4, 4.5 en 4.14 genoemde redenen. Dit betekent dat het hof-arrest moet worden vernietigd en de procedure naar een ander hof moet worden verwezen. Het verwijzingshof zal de tussen [eisers] en Allianz gesloten verzekering alsnog moeten uitleggen aan de hand van de door Uw Raad in het Hogenboom/Unigarant-arrest gegeven maatstaf (randnummer 3.6 hiervoor). Biedt dat geen uitkomst, dan kan het hof zijn toevlucht zoeken tot een normatieve causaliteitsleer (randnummer 3.7 hiervoor). In de door mij voorgestane verzekeringsrechtelijke variant van de leer van de toerekening naar redelijkheid wordt schade toegerekend aan een of meerdere oorzaken in het licht van de (bepalingen van de) verzekeringsovereenkomst, dus in het licht van de (al dan niet geobjectiveerde) bedoelingen en verwachtingen van de verzekeraar en de verzekeringnemer. De aard van de verzekering kan hierbij een rol spelen (randnummer 3.10 hiervoor).

4.45

Of [eisers] daadwerkelijk zijn geholpen met vernietiging en verwijzing, is nog maar de vraag. Dat het verwijzingshof tot dezelfde uitkomst komt als het hof in het bestreden arrest (afwijzing van de vordering van [eisers] wegens het ontbreken van dekking voor de door hen geleden schade) is bepaald niet uitgesloten. In die richting wijzen immers het schadebeeld, de aard en inrichting van de verzekering en de door [eisers] gemaakte keuze om schade veroorzaakt door hagel niet te verzekeren (randnummer 4.41 hiervoor). Het schadebeeld – door hagelstenen geperforeerde golfplaten – duidt eerder op hagelschade dan op stormschade. Deze overweging van het hof in rov. 4.5 acht ik juist. Ook op het punt van de aard en inrichting van de verzekering heeft het hof het mijns inziens bij het juiste eind, in rov. 4.6. De door [eisers] gesloten verzekering betreft een named perils-verzekering,72 hetgeen betekent dat de verzekering dekking biedt voor met name genoemde risico’s (zoals in dit geval schade door storm en schade door hagel). Het is aan verzekerde om te bepalen voor welke risico’s hij dekking neemt. In dit geval hebben [eisers] wel gekozen voor dekking voor schade door storm, maar niet gekozen voor clausule 593 (schade door hagel). Het bestaan van deze keuzemogelijkheid duidt erop dat schade die is veroorzaakt doordat tijdens een storm hagel is ingeslagen, niet onder de dekking voor stormschade valt. Een ander oordeel, namelijk dat de schade wel onder de dekking voor stormschade valt, is niet goed met deze keuzemogelijkheid te rijmen. Met een dergelijk oordeel zou ook onvoldoende rekening worden gehouden met het belang van Allianz. Allianz heeft nu juist een named perils-verzekering op de markt gebracht, met de mogelijkheid voor de verzekerde om zich aanvullend, tegen een wat hogere premie, tegen hagelschade te verzekeren. Zou hagelschade onder de dekking voor stormschade kunnen vallen, dan zou dit in strijd zijn met de bedoeling van Allianz om stormdekking en hageldekking van elkaar te onderscheiden.

5 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De feitenweergave is gebaseerd op de in cassatie niet bestreden rov. 2.1-2.9 van het bestreden arrest, hof Den Haag 4 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:158, in het hoger beroep op Rb. Rotterdam 14 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2233.

2 Zie Rb. Rotterdam 14 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2233, rov. 3.1.

3 Conclusie van antwoord, randnummers 2.9. tot en met 2.11.8.

4 Rb. Rotterdam 14 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2233.

5 Randnummers 2.3. tot en met 2.5. van de spreekaantekeningen van Allianz ten behoeve van de comparitie van partijen in eerste aanleg. Dit processtuk is wel opgenomen in het door Allianz ingediende cassatieprocesdossier (dossier B), maar niet in het door [eisers] ingediende cassatieprocesdossier (dossier A).

6 Rb. Rotterdam 4 november 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:8456 (kort geding tussen de eigenaar van een melkveehouderij en Interpolis) en Rb. Gelderland 2 augustus 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4040 (bodemprocedure tussen een varkensfokkerij en Interpolis).

7 Hof Den Haag 5 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2476, JA 2017/150 m.nt. W.H. Bouman (hoger beroep in het kort geding genoemd in de vorige voetnoot).

8 [eisers] hebben de rechtbank verzocht om Allianz te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 221.921. Allianz heeft hiertegen onder meer als verweer gevoerd dat [eisers] gebonden zijn aan een eerder bereikte vaststelling van de hoogte van de schade (€ 75.566). Zie rov. 4.18. van het vonnis van de rechtbank. De rechtbank heeft Allianz op dit punt in het gelijk gesteld (rov. 4.19.).

9 Allianz had reeds een bedrag van € 395 aan [eisers] voldaan.

10 Memorie van antwoord in principaal appèl tevens houdende grieven in deels voorwaardelijk incidenteel appèl tevens houdende akte wijziging eis, randnummers 43., 44., 51. en 52.

11 De overige grieven in het door [eisers] ingestelde hoger beroep, die betrekking hebben op de hoogte van het door de rechtbank toegewezen schadebedrag, heeft het hof onbesproken gelaten.

12 Zie voor een overzicht voetnoot 15 van mijn conclusie van 13 november 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:1078). Daarin ontbrak nog Rb. Rotterdam 4 november 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:8456 (kort geding, uitleg van de verzekeringsovereenkomst, toepassing van de dominant cause-leer als voorgestaan door eiser leidt tot de uitkomst dat de hagel als oorzaak moet worden aangewezen). Verder kan nog een tweetal recente uitspraken worden toegevoegd. In de eerste plaats is dat Rb. Den Haag 11 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:12554. Dit eindvonnis is een vervolg op Rb. Den Haag 8 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:9972 (in voetnoot 15 van genoemde conclusie genoemd als vijfde zaak). In het eindvonnis heeft de rechtbank overwogen dat zij voorbijgaat aan het verzoek van de verzekerde om prejudiciële vragen aan Uw Raad te stellen over de toepassing van de dominant cause-leer in verzekeringszaken en over wat rechtens is als twee of meer mogelijke schadeoorzaken leiden tot schade, die door die gebeurtenissen afzonderlijk niet ingetreden zou zijn (rov. 2.10. en 2.11.). De tweede recente uitspraak betreft hof ’s-Hertogenbosch 16 februari 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:430 (dekking voor storm- en hagelschade, geschil over de hoogte van de door Achmea verschuldigde uitkering).

13 Hof Arnhem-Leeuwarden 17 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7566, JA 2020/17 m.nt. J.S. Overes, in het hoger beroep op Rb. Gelderland 2 augustus 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4040, Prg. 2017/252 m.nt. P.J.M. Ros.

14 Kort samengevat gaat het in de procedure tussen de varkensfokkers en Interpolis om het volgende. Door de supercell raakten bedrijfsgebouwen van de varkensfokkers beschadigd. De varkensfokkers hebben een beroep gedaan op hun bij Interpolis lopende verzekering, maar Interpolis weigert uitkering, omdat sprake zou zijn van hagelschade en de varkensfokkers bij het afsluiten van de verzekering niet voor de module ‘hagel’ hebben gekozen. De varkensfokkers voeren juist aan dat de schade moet worden aangemerkt als stormschade, waarvoor de verzekering wel dekking biedt. Bovendien zou, zelfs als sprake is van hagelschade, de storm als de rechtens relevante oorzaak (de ‘dominant cause’) van de schade moeten worden aangemerkt. Zonder de storm zouden de hagelstenen immers niet zo groot zijn geworden en niet zo hard hebben ingeslagen. De rechtbank Gelderland en het hof Arnhem-Leeuwarden hebben de vorderingen van de varkensfokkers afgewezen. Het hof heeft geoordeeld dat het begrip stormschade in de verzekeringsvoorwaarden niet mede omvat de schade als gevolg van hagelstenen (ongeacht de grootte van die hagelstenen) die met een flinke storm (de supercell) naar beneden komen. Toepassing van de dominant cause-leer heeft het hof tot het oordeel gebracht dat de geconstateerde schade als het gevolg van de hagel moet worden aangemerkt (en dus niet (mede) als gevolg van de storm). Daarvoor bestond geen verzekeringsdekking.

15 Deze conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078) strekt tot verwerping van het door de varkensfokkers ingestelde cassatieberoep. De varkensfokkers klagen (onder meer) over de toepassing van de dominant cause-leer door het hof (rov. 2.13). Zie randnummers 5.46 tot en met 5.48 van mijn conclusie. Aan het slot van deze conclusie (randnummer 5.58) heb ik opgemerkt dat het door het hof bereikte resultaat ook zonder de toepassing van de dominant cause-leer bereikt had kunnen worden, bijvoorbeeld met de door mij voorgestelde verzekeringsrechtelijke variant van de leer van de redelijke toerekening. De door het hof bereikte uitkomst – de varkensfokkers hebben geen dekking voor de schade veroorzaakt door de hagelstenen – acht ik juist, gelet op de inhoud van de specifieke contractuele verhouding (storm gedekt, niet gekozen voor de hagelmodule).

16 Zie rov. 4.3, laatste zin, en rov. 4.4 van het door de varkensfokkers bestreden arrest.

17 In de procedure tussen de varkensfokkers en Interpolis speelt de vraag of Interpolis een beroep toekomt op de volgende dekkingsomschrijving in versie 5.4 en 5.5 van de verzekeringsvoorwaarden: “storm, tenzij de schade is ontstaan aan gebouwen die aan drie of meer zijden open zijn. (...) Onder schade door storm verstaan wij niet de schade die tijdens de storm door de inslag van hagel is ontstaan.” De varkensfokkers hebben aangevoerd dat Interpolis geen toekomt op de laatste zin, omdat deze zin in versie 5.3 van de verzekeringsvoorwaarden nog niet voorkwam en de varkensfokkers niet van deze wijziging op de hoogte zijn gebracht. Volgens Interpolis is van een wijziging geen sprake geweest, maar slechts van een verduidelijking. Het hof heeft op dit punt Interpolis in het gelijk gesteld. Zie randnummer 2.19 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078). In de onderhavige procedure tussen [eisers] en Allianz speelt geen soortgelijke kwestie. Tussen [eisers] en Allianz staat niet ter discussie dat het onder randnummer 1.4 vermelde beding tussen hen geldt en uitgelegd moet worden. Een ander verschil tussen beide procedures is dat in de procedure tussen de varkensfokkers en Interpolis de definitie van het begrip ‘hagel’ (“neerslag in de vorm van ijskorrels”) in de verzekeringsvoorwaarden een rol speelt. De varkensfokkers doen hier een beroep op. De op 23 juni 2016 neergekomen ijsklompen kunnen volgens hen niet worden aangemerkt als ijskorrels. Zie randnummers 5.8 tot en met 5.17 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078). In de onderhavige procedure speelt de definitie van hagel in de verzekeringsvoorwaarden geen rol.

18 Zie randnummers 5.46 tot en met 5.48 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078).

19 Zie randnummers 5.49 tot en met 5.58 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078).

20 Zie deel 3 en deel 4 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078).

21 Conclusie van A-G Valk van 23 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:986.

22 Randnummers 4.1 tot en met 4.3 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078).

23 Rov. 4.3 van de door de varkensfokkers bestreden uitspraak.

24 Rov. 2.8 en rov. 4.1, eerste zin, van de door de varkensfokkers bestreden uitspraak.

25 Memorie van grieven, randnummers 1.2. en 2.1.3.

26 HR 8 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1045, NJ 1994/210 m.nt. M.M. Mendel, rov. 3.2.

27 Zie over het Hogenboom/Unigarant-arrest de randnummers 4.7 tot en met 4.14 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078).

28 Aan de hand van zo’n normatieve causaliteitstheorie kan een keuze worden gemaakt tussen verschillende oorzaken van een schadegeval. Zo’n theorie wijst, vanuit een bepaald beginsel, een bepaalde oorzaak aan (die vervolgens juridisch relevant wordt geacht). De condicio sine qua non-leer is niet zo’n theorie: deze leer wijst, in een wegdenkoefening, alle oorzaken van de schade aan en maakt daarin geen keuze.

29 Randnummer 4.17 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078).

30 Randnummers 4.21 tot en met 4.25 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078).

31 Randnummers 4.26 tot en met 4.53 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078). Het gaat hier dus niet om de toerekening naar redelijkheid zoals die op grond van art. 6:98 BW in het aansprakelijkheidsrecht geldt. Die leer knoopt aan bij factoren als voorzienbaarheid van de schade, aard van de aansprakelijkheid (schending van een verkeers- of veiligheidsnorm of juist van een andere zorgvuldigheidsnorm?) en aard van de schade (personenschade, zaakschade of zuivere vermogensschade?) en is in het bijzonder in rechtspraak van Uw Raad ontwikkeld. Voorstanders van toepassing van toerekening naar redelijkheid in het verzekeringsrecht denken aan een redelijke toerekening in het licht van de verzekeringsovereenkomst waarbij zij – in lijn met het Hogenboom/Unigarant-arrest – een hoofdrol weggelegd zien voor uitleg van de overeenkomst (en de bedoelingen van partijen). Zie randnummers 4.34 en 4.51 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078).

32 Randnummer 4.54 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078).

33 Randnummers 4.55 tot en met 4.72 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078).

34 Randnummer 4.88 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078).

35 Zie behalve de bestreden uitspraken in de zaak van de varkensfokkers en in de onderhavige zaak bijvoorbeeld Rb. Den Haag 8 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:9972 (tussenvonnis), rov. 4.4. (toepassing van de dominant cause-leer, omdat de verzekeringsvoorwaarden geen causaliteitsmaatstaf inhouden, waarop de rechtbank niet terugkomt in het eindvonnis (ECLI:NL:RBDHA:2020:12554)), Rb. Rotterdam 22 april 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:4148, rov. 4.5-4.6 (toepassing van de dominant cause-leer aanvaard, omdat partijen het erover eens waren dat deze leer moest worden toegepast), Rb. Den Haag 15 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6439, JA 2020/138 m.nt. Chr.H. van Dijk, rov. 4.3. (toepassing van de dominant cause-leer aanvaard, omdat partijen het erover eens waren dat deze leer moest worden toegepast), Rb. Rotterdam (ktr.) 14 augustus 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:7405, rov. 5.6. (toepassing van de dominant cause-leer aanvaard onder verwijzing naar hof Arnhem-Leeuwarden 17 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7566, JA 2020/17 m.nt. J.S. Overes (het bestreden arrest in zaak van de varkensfokkers)), hof Den Haag 5 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2476, JA 2017/150, rov. 5.2. (“Ten overvloede wordt overwogen dat toepassing van de leer van de “dominant cause”, waarbij met inachtneming van regels van gezond verstand wordt bepaald wat de oorzaak van de schade is, niet tot een andere uitkomst leidt.”), hof Den Haag 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3080, rov. 14. (idem, ten overvloede) en hof Den Haag 4 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:158, rov. 4.4 (Het hof is met de rechtbank van oordeel dat, aangezien de polisvoorwaarden geen causaliteitsmaatstaf bevatten, het antwoord op de vraag of de schade van [X] c.s. onder de verzekering is gedekt afhangt van het antwoord op de vraag of de storm de rechtens relevante oorzaak is geweest van de schade (dominant cause-leer).”).

36 Zie H.M.B. Brouwer, Eigen gebrek in het transportverzekeringsrecht, diss., Zutphen: Uitgeverij Paris 2017, p. 41, M.L. Hendrikse, ‘Eigen schuld, proportionaliteitsbeginsel en causaliteitstoerekening: een proportionele benadering bij eigen schuld in het (schade-)verzekeringsrecht’, RM Themis 2011/2, p. 66 en ook p. 69, Ph.H.J.G. van Huizen, Het transportverzekeringsbedrijf, diss., Apeldoorn/Antwerpen: Maklu Uitgevers 1988, p. 152 en Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde & F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Wolters Kluwer: Deventer 2019, nr. 510. Allianz beroept zich op deze auteurs. Zie randnummers 2.6. tot en met 2.8. van haar schriftelijke toelichting.

37 Randnummers 4.54 tot en met 4.71 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078).

38 Randnummer 4.72 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078).

39 Het in dit verband wel naar voren geschoven Che Guavara-arrest (HR 23 april 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4370, NJ 1982/520 m.nt. B. Wachter), waarbij ook Allianz aansluiting heeft gezocht in randnummer 2.18. van haar schriftelijke toelichting, kan moeilijk als basis dienen voor de dominant cause-leer. Uit de door Uw Raad in dit arrest gegeven overwegingen kan immers niet worden afgeleid dat Uw Raad daarin, expliciet of impliciet, heeft gekozen voor (de toepassing van) de dominant cause-leer in het verzekeringsrecht. Zie hierover randnummers 4.69 en 4.70 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078). In dezelfde zin A-G Valk in randnummer 3.8 van zijn conclusie van 23 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:986.

40 Randnummer 4.89 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078).

41 Een dergelijke differentiatie heeft nu reeds aanhangers in de literatuur. Zie randnummers 4.27, 4.32, 4.38 tot en met 4.41 en 4.52 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078).

42 Conclusie van A-G Valk van 23 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:986.

43 Hof Arnhem-Leeuwarden 16 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5884 (eindarrest). Het tussenarrest betreft hof Arnhem-Leeuwarden 2 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2909.

44 Conclusie van A-G Valk van 23 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:986, randnummer 3.12

45 Conclusie van 23 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:986, randnummer 4.15.

46 Conclusie van 23 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:986, randnummer 4.16.

47 Conclusie van 23 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:986, randnummers 3.9-3.12.

48 P.J.P. van Huizen heeft een blog geschreven op www.vast-online.nl getiteld “Blijft de ‘dominant cause’-leer nog wel zo dominant?” waarin hij, na een korte bespreking van beide conclusies, stelt dat de dominant cause-leer zijn tijd als dominante leer lijkt te hebben gehad.

49 De procesinleiding bevat geen onderdeel 1.

50 HR 23 april 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4370, NJ 1982/520 m.nt. B. Wachter.

51 Zie ook voetnoot 39.

52 Een named perils-verzekering biedt alleen dekking voor schadeoorzaken die in de verzekeringsvoorwaarden zijn genoemd. Wordt een oorzaak van de schade niet genoemd in de verzekering, dan is er voor die oorzaak geen dekking. Er is sprake van een ‘gesloten systeem van dekking’. Zie P.J. Hoepel, P.A. den Haan & H.C.A. Van der Houven van Oordt, ‘Cascoverzekering’, in N. van Tiggele-van der Velde e.a. (red.), Verzekering ter beurze. Coassurantie in theorie en praktijk, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 449 e.v., de wenk bij hof Amsterdam 14 maart 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:826, RAV 2017/73, de bijdrage ‘Named Perils Insurance Policy’ van J. Kagan op de webpagina www.investopedia.com en C.J. de Jong (bewerker van het origineel van R.A. Haverkorn van Rijsewijk), Assurantietermen en Wetsartikelen, Rotterdam: Media Business Press 2006, p. 30-31 (definitie ‘All risks’), p. 257 (definitie ‘Uitgebreide gevarenverzekering’) en overigens p. 74 voor de ‘Combinatieverzekering’ die een gemengd karakter heeft.

53 Randnummers 11., 13., 46. en 56. van de memorie van antwoord in principaal appèl tevens houdende grieven in deels voorwaardelijk incidenteel appèl tevens houdende akte wijziging eis.

54 Randnummers 49. tot en met 51. van de memorie van antwoord in principaal appèl tevens houdende grieven in deels voorwaardelijk incidenteel appèl tevens houdende akte wijziging eis.

55 Randnummer 52. van de memorie van antwoord in principaal appèl tevens houdende grieven in deels voorwaardelijk incidenteel appèl tevens houdende akte wijziging eis.

56 Randnummers 44. tot en met 48. van de memorie van antwoord in principaal appèl tevens houdende grieven in deels voorwaardelijk incidenteel appèl tevens houdende akte wijziging eis.

57 Randnummer 49. van de memorie van antwoord in principaal appèl tevens houdende grieven in deels voorwaardelijk incidenteel appèl tevens houdende akte wijziging eis.

58 Ph.H.J.G. van Huizen, Het transportverzekeringsbedrijf, diss., Apeldoorn/Antwerpen: Maklu Uitgevers 1988, p. 152, M.L. Hendrikse, ‘Eigen schuld, proportionaliteitsbeginsel en causaliteitstoerekening: een proportionele benadering bij eigen schuld in het (schade-)verzekeringsrecht’, RM Themis 2011/2, p. 66 en ook p. 69, H.M.B. Brouwer, Eigen gebrek in het transportverzekeringsrecht, diss., Zutphen: Uitgeverij Paris 2017, p. 27-28 en ook p. 41, Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde & F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Wolters Kluwer: Deventer 2019, nr. 510 en H.M.B. Brouwer, ‘Storm of supercel?’, NTHR 2020/5, p. 224. Zie ook de verwijzingen naar de Engelse literatuur over de dominant cause-leer in randnummers 4.54 tot en met 4.60 van mijn conclusie van 13 november 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:1078).

59 In dit verband wijs ik op H.M.B. Brouwer, ‘Cendor Mopu continued. Ontwikkelingen op het gebied van causaliteit in het (transport)verzekeringsrecht’, NTHR 2019-2/3, p. 69 e.v. waarin Brouwer het oordeel van de Britse Supreme Court in de zaak Cendor Mopu bespreekt. In deze zaak ging het om een boorplatform dat tijdens transport over zee zijn drie poten verloor. In haar conclusie (p. 76-77) merkt Brouwer op dat onder het Engelse recht bij meervoudige causaliteit geldt dat steeds als voor een van de oorzaken dekking bestaat op grond van de Marine Insurance Act 1906 (bijvoorbeeld omdat een van de oorzaken is aan te merken als een peril of the sea), men niet toekomt aan de mogelijkheid van samenwerkende oorzaken. De uitsluiting op grond van inherent vice (eigen gebrek), zoals bepaald in de Institute Cargo Clauses, is dan niet meer van belang. Dit komt in de buurt van de door [eisers] onder A) naar voren gebrachte regel. Brouwer merkt echter ook op dat dit onder Nederlands recht niet speelt, althans minder, omdat uitsluiting van eigen gebrek haar basis hier vindt in de Nederlandse wetgeving, te weten in art. 7:951 BW, waardoor de bewijslast anders ligt dan onder het Engelse recht. Naar Nederlands recht is het volgens Brouwer wel mogelijk om in geval van meervoudige causaliteit de schade proportioneel te verdelen als meer dan één oorzaak geldt als dominant cause. Indien niet is vast te stellen welk gedeelte van de schade door welke oorzaak is ontstaan, kan de schade volgens Brouwer in gelijke delen worden verdeeld. Zo ook M.L. Hendrikse, ‘Eigen schuld, proportionaliteitsbeginsel en causaliteitstoerekening: een proportionele benadering bij eigen schuld in het (schade-)verzekeringsrecht’, RM Themis 2011/2, p. 66-67.

60 Randnummer 5.52 van mijn conclusie van 13 november 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:1078).

61 Zie randnummers 3.5 en 3.12 hiervoor, alsmede randnummers 4.93 en 5.52 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:1078) in de zaak tussen de varkensfokkers en Interpolis.

62 In cassatie verwijzen [eisers] naar randnummers 28. en 29. van de memorie van antwoord in principaal appèl tevens houdende grieven in deels voorwaardelijk incidenteel appèl tevens houdende akte wijziging eis.

63 Rb. Rotterdam 21 januari 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BH1979, RAV 2009/51 met een wenk.

64 Zie voetnoot 91 van mijn conclusie van 13 november 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:1078) waarin ik naar Bennett heb verwezen. Bennett citeert Lord Wright, die het volgende opmerkte over het toepassen van het gezonde verstand (common sense) bij het bepalen van de ‘real or efficient cause’: “Causation is to be understood as the man in the street, and not as either the scientist or the metaphyisician, would understand it. Cause here means what a business or seafaring man would take to be the cause without too microscopic [‘an’, toevoeging van Bennett, A-G] analysis but on a broad view.” Zie H. Bennett, The law of marine insurance, Clarendon Press 1996, p. 117. Zie ook voetnoot 153 van genoemde conclusie, waarin ik heb opgemerkt dat de verwijzing in de Engelse rechtspraak naar ‘common sense’ niet zomaar een verwijzing naar gezond verstand is, maar eerder wetenschappelijk gemillimeter lijkt te willen te voorkomen en daarom als het ware op een soort boerenverstand (the man in the street) ziet.

65 Deze stelling is te vinden in randnummer 34. van de memorie van antwoord in principaal appèl tevens houdende grieven in deels voorwaardelijk incidenteel appèl tevens houdende akte wijziging eis. Daar staat het volgende: “Betwist wordt dan ook dat de gewone man, wie dat dan ook mag zijn, de schade aan de daken bij [eisers] aan een (enkele) hagelbui zal toeschrijven. Allianz en de mannen van vrouwen die werkzaam zijn bij Allianz, die stelt dat hagel altijd on[t]staat door stormwind, zal dit in ieder geval niet (kunnen) doen.

66 Randnummer 4., 5. en 11. van de Aantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van [eisers] (in eerste aanleg). Dit processtuk is wel opgenomen in het door Allianz ingediende cassatieprocesdossier (dossier B), maar niet in het door [eisers] ingediende cassatieprocesdossier (dossier A).

67 In cassatie verwijzen [eisers] naar randnummers 35. en 36. van de memorie van antwoord in principaal appèl tevens houdende grieven in deels voorwaardelijk incidenteel appèl tevens houdende akte wijziging eis en naar rov. 2.5 van het bestreden arrest.

68 Bij [eisers] hebben grote hagelstenen de golfplaten op de varkensstallen geperforeerd (rov. 4.5, tweede zin). Van met een behoorlijke hoek horizontaal op verticale oppervlakten ingeslagen hagelstenen is (in ieder geval in zoverre) dus geen sprake geweest.

69 Randnummers 3.2.2. e.v. van de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel.

70 Zij verwijzen in dit verband naar randnummers 17., 22., 55., 56. en 57. van hun memorie van antwoord in principaal appèl tevens houdende grieven in deels voorwaardelijk incidenteel appèl tevens houdende akte wijziging eis en naar randnummers 14. en 15. van hun pleitnota in hoger beroep.

71 Zie bijvoorbeeld HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1557, RvdW 2014/898 en JBPr 2014/39 m.nt. G.C.C. Lewin, rov. 3.2, Asser Procesrecht/E. Korthals Altes & H.A. Groen, Deel 7. Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 283 en W.D.H. Asser, Civiele cassatie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2018, p. 50-51.

72 Zie voetnoot 52.