Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:27

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-01-2021
Datum publicatie
14-01-2021
Zaaknummer
20/00615
20/00581
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:486
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:485
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag, beslag. Art. 552p (oud) Sv en art. 552a Sv. Beslag gelegd en gegevens vastgelegd n.a.v. rechtshulpverzoeken van Belgische en Franse autoriteiten. Vastgelegde gegevens zijn nadien gefilterd aan de hand van zoektermen. OvJ vordert tweemaal verlof en belanghebbenden/klagers dienen klaagschrift ex art. 552a Sv in met betrekking tot hetzelfde beslag. Rechtbank geeft daarop drie afzonderlijke beschikkingen. De daartegen gerichte cassatiemiddelen gaan onder meer over de vraag of tijdens de behandeling van de vorderingen en het klaagschrift de aanwezige raadslieden wel gemachtigd waren, de vordering tot verlof in de Belgische zaak terecht in beslotenheid en in afwezigheid van belanghebbenden (inhoudelijk) is behandeld, en of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het resterend beslag, zijnde het beslag na filtering van de geheimhoudergegevens en irrelevante gegevens, onder de reikwijdte van de rechtshulpverzoeken valt en dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave hiervan verzet. Conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking in de Belgische verlofzaak en tot gedeeltelijke vernietiging van de beschikking op het klaagschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00615 B en 20/00581 Bv

Zitting 12 januari 2021

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[belanghebbende 1] ,

[belanghebbende 2] (thans [A] ),

[belanghebbende 3] ,

hierna: de belanghebbenden of klagers.

1 Inleidende opmerkingen bij de cassatieberoepen

1.1.

In deze conclusie staan de cassatieberoepen tegen de volgende drie beschikkingen van de rechtbank Amsterdam van 19 november 20191 centraal:

(i) Een beschikking waarin de rechtbank op vordering van de officier van justitie ex art. 552p (oud) Sv verlof heeft verleend aan de rechter-commissaris om inbeslaggenomen stukken in handen te stellen van de officier van justitie teneinde de overdracht daarvan te bewerkstelligen aan de bevoegde Belgische autoriteiten (hierna: ‘de Belgische verlofzaak’).

(ii) Een (tussen)beschikking waarin de rechtbank op vordering van de officier van justitie ex art. 552p (oud) Sv verlof heeft verleend aan de rechter-commissaris om een deel van de inbeslaggenomen stukken in handen te stellen van de officier van justitie teneinde de overdracht daarvan te bewerkstelligen aan de bevoegde Franse autoriteiten en ten aanzien van een (ander) deel van het beslag de behandeling in raadkamer heeft heropend en geschorst (hierna: ‘de Franse verlofzaak’).

(iii) Een (eind)beschikking waarin de rechtbank het (gezamenlijk) klaagschrift van de hiervoor op het voorblad genoemde klagers op de voet van art. 552a Sv deels gegrond en deels ongegrond heeft verklaard (hierna: ‘de klaagschriftprocedure’). Opmerking verdient dat de rechtbank daarvoor op 30 maart 2017 en 17 april 2018 telkens een tussenbeschikking heeft gegeven op dit klaagschrift, waarin het zogenoemde ‘filteren’ van het beslag aan de orde is geweest.

1.2.

De hiervoor genoemde beschikkingen zijn een uitvloeisel van twee doorzoekingen en een bevel uitlevering poststukken die naar aanleiding van een Frans rechtshulpverzoek d.d. 25 november 2014 (aangevuld d.d. 8 december 2015) en een Belgisch rechtshulpverzoek d.d. 4 augustus 2015 (aangevuld d.d. 31 maart 2016) hebben plaatsgevonden. Hierbij zijn voorwerpen in beslag genomen en (digitale) gegevens vastgelegd, naar aanleiding waarvan zowel door de klagers/belanghebbenden een gezamenlijk klaagschrift op de voet van art. 552a Sv is ingediend als door de officier van justitie door middel van twee vorderingen om verlof ex art. 552p (oud) Sv is verzocht.

1.3.

Blijkens de rechtshulpverzoeken gaat het concreet om de betrokkenheid van belanghebbenden c.q. klagers bij onder andere valsheid in geschrift, oplichting en bedrog met handelsnaam of -merk bij het aanbieden van betaalde sms-diensten (spelletjes/quizzen) waarmee consumenten zogenaamd prijzen van andere bedrijven konden winnen (waaronder Decathlon en Delhaize). Consumenten die mee wilden dingen naar deze prijzen zaten vervolgens vast aan abonnementsdiensten voor logo’s en beltonen terwijl zij zich daarvoor niet hadden opgegeven.

1.4.

Bij de Hoge Raad zijn voor de cassatieberoepen die tegen de hiervoor genoemde drie beschikkingen zijn ingesteld, twee zaaknummers aangemaakt. Zaaknummer 20/00615 B heeft betrekking op de Belgische en Franse verlofzaak (art. 552p oud Sv) en zaaknummer 20/00581 Bv heeft betrekking op de klaagschriftprocedure (art. 552a Sv). In de klaagschriftprocedure wordt opgekomen tegen de (totale) beslagen en/of vastgelegde gegevens, waarvan telkens een deel in zowel de Belgische als de Franse verlofzaak centraal staat. Gelet op de samenhang tussen de drie bestreden beschikkingen en de twee cassatieschrifturen waarin over deze beschikkingen wordt geklaagd, zal ik de zaken 20/00615 B en 20/00581 Bv in deze conclusie gezamenlijk bespreken.2

1.5.

Het cassatieberoep in zaaknummer 20/00615 B (de Belgische en Franse verlofzaak) is ingesteld namens de belanghebbenden en mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel heeft betrekking op zowel de Franse als de Belgische verlofbeschikking. Het tweede en derde middel zien op de Belgische verlofbeschikking en het vierde middel op de Franse verlofbeschikking.

1.6.

Het cassatieberoep in zaaknummer 20/00581 Bv (de klaagschriftprocedure) is ingesteld namens de klagers en mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. In de schriftuur wordt in dit verband het volgende opgemerkt: ‘’Vanwege de samenhang en om onnodige herhaling te voorkomen, wordt in deze schriftuur verwezen naar middelen III en IV van de schriftuur in de verlofzaken, met het verzoek die – ook als bijlage bij deze schriftuur gevoegde – middelen en de toelichtingen daarop als herhaald en ingelast te beschouwen.’’ Gelet hierop zal ik het derde en vierde middel in de verlofzaken aanmerken als toelichting op het voorgestelde tweede middel in de klaagschriftprocedure.

1.7.

Omdat de klagers in de klaagschriftprocedure gelijk zijn aan de belanghebbenden in de verlofzaken zal ik hen in het vervolg in deze conclusie kortheidshalve telkens aanduiden als ‘de belanghebbenden’ waarmee in de context van de klaagschriftprocedure tevens ‘de klagers’ worden bedoeld.

2 Ontvankelijkheidsperikelen en de in acht te nemen termijnen in cassatie

2.1.

Allereerst wil ik met betrekking tot de ontvankelijkheid van de cassatieberoepen en de in cassatie te hanteren termijnen het volgende opmerken. Daarbij is van belang dat op de twee verlofprocedures art. 552p (oud) Sv van toepassing is.3

Ontvankelijkheid Belgische verlofzaak

2.2.

De indiener van de cassatieschriftuur wijst erop dat in de Belgische verlofzaak gedurende de gehele procedure bij de rechtbank ten aanzien van de belanghebbenden geheimhouding is betracht. De rechtbank heeft in dat verband bevolen dat de behandeling van de vordering van de officier van justitie met gesloten deuren en buiten aanwezigheid van belanghebbenden en hun raadslieden plaatsvindt. Het Belgische rechtshulpverzoek en de overige (proces)stukken zijn (pas) in de cassatiefase door de Hoge Raad aan de verzoekers verstrekt.

2.3.

Uit de stukken van het geding blijkt dat de Belgische verlofzaak (in elk geval de inhoudelijke behandeling) met toepassing van art. 23 lid 6 Sv buiten aanwezigheid van de belanghebbenden heeft plaatsgevonden en dat de beschikking vervolgens in beslotenheid en in afwezigheid van de belanghebbenden is gegeven.4 Dat betekent dat art. 24 lid 5 Sv van toepassing is, op grond waarvan de beschikking pas aan de belanghebbenden wordt toegezonden (art. 24 lid 4 Sv) wanneer naar het oordeel van de rechtbank het onderzoeksbelang daardoor niet meer ernstig wordt geschaad. Betekening van de beschikking, zoals art. 552d Sv normaalgesproken voorschrijft, is volgens de Hoge Raad in dat geval niet vereist.5

2.4.

Volgens de wet vangt de beroepstermijn van het cassatieberoep aan met de betekening (of toezending) van de bestreden beschikking.6 Datzelfde geldt voor zaken als de onderhavige, waarin de bestreden beschikking niet onverwijld aan de belanghebbende is betekend maar deze wordt toegezonden zodra het onderzoek dat toelaat. In dat geval brengt een redelijke wetsuitleg volgens de Hoge Raad mee dat de termijn voor het instellen van cassatieberoep aanvangt na de toezending van de beschikking.7

2.5.

Als de behandeling bij de rechtbank in het openbaar heeft plaatsgevonden en de belanghebbenden daarbij zijn gehoord, maakt de Hoge Raad er, met het oog op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, geen punt van als ná de beschikking maar vóór de betekening of toezending daarvan – en dus strikt genomen vóór aanvang van de beroepstermijn – cassatieberoep wordt ingesteld.8 Recent heeft de Hoge Raad echter bepaald dat indien een cassatieberoep door een belanghebbende is ingesteld tegen een (verlof)beschikking die in het geheim is gegeven en (nog) niet aan de belanghebbende is betekend dan wel is toegezonden, de belanghebbende niet-ontvankelijk is omdat het cassatieberoep in een dergelijk geval te vroeg is ingesteld.9 In dat geval heeft de belanghebbende geen kennis van de inhoud van de beschikking, waardoor het cassatieberoep een gemankeerde en weinig vruchtbare exercitie wordt.10 Inhoudelijke klachten kunnen immers moeilijk worden aangevoerd tegen een beschikking waarvan de (volledige) inhoud voor degene die cassatie instelt, niet bekend is en de Hoge Raad kan dit manco ook niet opheffen door de beschikking alsnog prijs te geven. Het is namelijk aan de rechtbank om te beslissen wanneer het onderzoeksbelang, op grond waarvan de behandeling en de uitspraak vertrouwelijk heeft plaatsgevonden, zich er niet meer tegen verzet dat de beschikking aan de belanghebbenden wordt toegezonden. De Hoge Raad mag dit niet doorkruisen, enkel en alleen omdat de belanghebbende op de hoogte is gekomen (of vermoedt) dat een beschikking is gegeven en daardoor (min of meer in het luchtledige) cassatieberoep heeft ingesteld.

2.6.

In onderhavige zaak is hangende het cassatieberoep het volgende gebeurd. Op 9 maart 2020 is door de griffie van de Hoge Raad bij (de cassatiedesk van) het openbaar ministerie navraag gedaan of de Belgische autoriteiten het nog steeds noodzakelijk achten dat in de Belgische verlofprocedure vertrouwelijkheid wordt betracht. Daarop hebben de Belgische autoriteiten via het openbaar ministerie aan de griffie van de Hoge Raad te kennen gegeven dat er met betrekking tot de Belgische verlofprocedure niet langer enige noodzaak bestaat de vertrouwelijkheid te bewaren. Daarop zijn op 5 juni 2020 door de griffie van de Hoge Raad afschriften van de processtukken, inclusief de beschikking in de Belgische verlofzaak, verstrekt aan de (raadsvrouw van de) belanghebbenden.

2.7.

Een latere navraag door de griffie van de Hoge Raad bij de rechtbank op 3 september 2020 heeft uitgewezen dat de toezending van de beschikking (art. 24 lid 4 Sv) aan de belanghebbenden en/of hun raadslieden door de rechtbank (nog) niet heeft plaatsgevonden.

2.8.

Ten gevolge van de hiervoor beschreven gang van zaken doet zich nu de situatie voor dat er geen (formele) verzending van de beschikking in de Belgische verlofzaak door de rechtbank heeft plaatsgevonden en dat de rechtbank tot op heden ook niet heeft besloten dat het onderzoeksbelang het toelaat de beschikking aan de belanghebbenden te verzenden, terwijl desbetreffende stukken inmiddels wel door de Hoge Raad aan de belanghebbenden zijn verstrekt.

2.9.

Ik heb mij afgevraagd welke implicaties dit dient te hebben voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep dat tegen de verlofbeschikking in de Belgische verlofzaak is ingesteld. Het cassatieberoep is weliswaar ná de gegeven beschikking11 ingesteld op 10 december 2019, maar vóórdat de belanghebbenden kennis hebben genomen van de inhoud van deze beschikking. Deze kennisneming heeft pas na 5 juni 2020 plaatsgevonden, door toezending van de zijde van de Hoge Raad, waartoe de Hoge Raad strikt bezien niet bevoegd was.

2.10.

Ik meen dat gelet op deze uitzonderlijke gang van zaken het onnodig formalistisch zou zijn het cassatieberoep met betrekking tot de Belgische verlofzaak niet-ontvankelijk te achten en wel op de volgende twee gronden:

(i) Ten eerste kan naar mijn oordeel worden aangenomen dat thans geen sprake (meer) is van de door de rechtbank aangenomen situatie waarin het belang van het onderzoek door toezending van de verlofbeschikking ernstig wordt geschaad. De Belgische autoriteiten (en in het verlengde daarvan het openbaar ministerie) hebben immers aangegeven dat er niet langer enige noodzaak is de vertrouwelijkheid rondom de verlofzaak te bewaren.12

(ii) Ten tweede kan in het onderhavige geval worden aangenomen dat op 5 juni 2020 aan de belanghebbenden een met toezending gelijk te stellen wijze van uitreiking of verstrekking heeft plaatsgevonden van de (gehele) inhoud van de bestreden beschikking.

2.11.

Dat de belanghebbenden pas na het instellen van het cassatieberoep kennis hebben genomen van de inhoud van de bestreden beschikking mag naar mijn mening gelet op de specifieke omstandigheden van het geval wat de ontvankelijkheid aangaat niet de doorslag geven. Ik wijs daarbij op hetgeen mijn ambtgenoot Hofstee heeft opgemerkt in zijn conclusie voorafgaand aan de hiervoor aangehaalde beschikking van de Hoge Raad van 23 juni 2020:


‘’Als moet worden gewacht met het instellen van cassatieberoep totdat de bestreden beschikking aan de belanghebbende is toegezonden, waarmee andere vormen van kennisneming van die beschikking – zoals uitreiking of verstrekking aan de raadsman – onder omstandigheden gelijk worden gesteld, kunnen zich […] gevallen voordoen waarin de belanghebbende niet zeker weet of de aan hem verstrekte mededeling van de inhoud van de beschikking gelijk moet worden gesteld aan de toezending daarvan in de zin van art. 24, vijfde lid, Sv en het dus voor hem onduidelijk is wanneer de cassatietermijn begint te lopen. Van belang is daarom de aan toezending gelijk te stellen omstandigheden scherp aan te duiden en/of coulant om te gaan met een te vroeg ingesteld cassatieberoep indien blijkt dat de belanghebbende ten tijde van de behandeling van zijn cassatieberoep inmiddels wel van de inhoud van de bestreden beschikking kennis draagt (onderstreping AG TS).’’13

2.12.

De door Hofstee bepleite coulance zou naar mijn mening bij uitstek betracht moeten worden in het onderhavig geval. De ratio om een te vroeg ingesteld cassatieberoep tegen een vertrouwelijke beschikking niet-ontvankelijk te verklaren speelt hier immers niet. Daarom staat er naar mijn mening thans niets meer aan in de weg het cassatieberoep tegen de Belgische verlofzaak in zijn volle omvang te behandelen.14

Ontvankelijkheid Franse verlofzaak

2.13.

Wat betreft de ontvankelijkheid in de Franse verlofzaak moet het volgende worden opgemerkt. Uitgangspunt is dat beroep in cassatie in beginsel slechts mogelijk is tegen een eindbeschikking.

2.14.

De Franse verlofbeschikking d.d.19 november 2019 wordt in de kop met "tussenbeschikking" aangeduid. In deze beschikking zijn twee soorten beslag aan de orde: namelijk het beslag dat reeds onder leiding van de rechter-commissaris is gefilterd op relevantie voor het Franse onderzoek en het beslag dat nog niet is gefilterd. In het ongefilterde beslag is vervolgens weer een onderscheid gemaakt tussen vastgelegde gegevens (‘digitaal’ beslag) en papieren beslag. De rechtbank heeft in deze beschikking verlof verleend met betrekking tot het gefilterde digitale beslag en het (ongefilterde) papieren beslag. Met betrekking tot het ongefilterde digitale beslag heeft de rechtbank aanhouding bevolen opdat dit beslag alsnog wordt gefilterd.

2.15.

Het voorgaande betekent dat de belanghebbenden ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep, voor zover dit opkomt tegen de beslissing van de rechtbank om verlof te verlenen.15 Die beslissing is namelijk naar zijn aard een eindbeschikking waartegen cassatieberoep openstaat. De belanghebbenden zouden echter niet-ontvankelijk zijn, indien zij tevens zouden willen opkomen tegen de beslissing van de rechtbank om de beslissing tot verlof op het ongefilterd digitale beslag aan te houden, nu die beslissing een tussenbeslissing is waartegen geen afzonderlijk cassatieberoep openstaat. Als ik het goed zie, wordt tegen deze laatste beslissing nadrukkelijk ook niet opgekomen.16

Ontvankelijkheid klaagschriftprocedure

2.16.

De beschikking van de rechtbank naar aanleiding van het klaagschrift ex art. 552a Sv is gegeven op 19 november 2019 en op 10 december 2019 is vervolgens cassatieberoep ingesteld. In het dossier bevindt zich geen akte van betekening van de beschikking, zoals is voorgeschreven in art. 552d lid 1 Sv. Naar aanleiding daarvan heeft de griffie van de rechtbank op vragen van de griffie bij de Hoge Raad op 31 augustus 2020 als volgt gereageerd:

‘’Deze beschikking is op 19 november 2019 door ons verwerkt en gelijktijdig aan de advocaat verzonden. Wij versturen als er een raadsman bekend is geen exemplaar rechtstreeks aan de belanghebbenden.’’

Hieruit blijkt dat de beschikking dus ten onrechte niet aan de belanghebbenden is betekend maar toegezonden aan hun advocaat (vgl. art. 24 lid 4 Sv).

2.17.

Dit leidt tot de volgende slotsom. Het cassatieberoep is ingesteld nadat de bestreden beschikking is gegeven. Aangezien van een (rechtsgeldige) betekening van die beschikking als bedoeld in art. 552d Sv geen sprake is geweest, was de beroepstermijn ten tijde van het instellen van het cassatieberoep niet verstreken. In aanmerking genomen dat geen sprake is van een in het geheim gegeven beschikking (zoals in de Belgische verlofzaak) kunnen de belanghebbenden daarom – ook al is de cassatietermijn door het ontbreken van de betekening formeel nog niet aangevangen – in het cassatieberoep worden ontvangen.17

Termijnen in cassatie

2.18.

Tot slot nog het volgende. De indiener van de schriftuur wijst erop dat in de aanzeggingen aan de belanghebbenden ten onrechte een termijn van veertien dagen is gegund voor het indienen van een schriftuur.

2.19.

Die opmerking is juist. Het huidige art. 552d lid 4 Sv bevat weliswaar het voorschrift dat de schriftuur binnen veertien dagen moet worden ingediend voor zaken waarin het beklag c.q. de vordering om verlof betrekking heeft op de uitvoering van een verzoek om rechtshulp. Het vierde lid van art. 552d Sv is evenwel in werking getreden op 1 juli 2018. Art. VI van de wet18 die aan de invoeging van lid 4 ten grondslag ligt, bepaalt dat op de inwilliging en de uitvoering van een verzoek om rechtshulp dat wordt ontvangen vóór inwerkingtreding van de wet, de wettelijke regeling van toepassing is zoals die luidt op het moment van ontvangst van het verzoek om rechtshulp. De rechtshulpverzoeken in deze zaken stammen uit 2014 en 2015. Dat betekent dat, zoals de indiener van de cassatieschriftuur terecht opmerkt, de verkorte termijnen als bedoeld in art. 552d lid 4 Sv niet van toepassing zijn. Gevolgen voor de zaak heeft dit niet, aangezien hoe dan ook tijdig een schriftuur houdende middelen is ingediend.19 Het niet van toepassing zijn van art. 552d lid 4 Sv betekent ook dat de Hoge Raad niet gehouden is binnen negentig dagen te beslissen.

3 Beschrijving van de procedurele en feitelijke voorgeschiedenis

3.1.

Alvorens ik overga tot de bespreking van de middelen, geef ik voor een goed begrip van de zaken, hierbij een korte schets van de procedurele en feitelijke gang van zaken in eerste aanleg.

3.2.

Het gaat in deze zaken, zoals gezegd, om de inbeslagneming van stukken en vastlegging van gegevens naar aanleiding van een Frans en Belgisch rechtshulpverzoek. Uit deze rechtshulpverzoeken komt naar voren dat de belanghebbenden/klagers, zijnde [belanghebbende 1] en de twee bedrijven die hij vertegenwoordigt, worden verdacht betrokken te zijn bij valsheid in geschriften, oplichting en merkenfraude. De rechtshulpverzoeken strekken er onder ander toe meer informatie te verkrijgen over de betrokken bedrijven en organisatiestructuren en om slachtoffers te achterhalen. De beslaglegging heeft op drie locaties plaatsgevonden, te weten:

(i) de woning van de belanghebbende [belanghebbende 1] aan de [a-straat] te [plaats] (hierna: ‘de woning’);

(ii) het kantoorpand aan het [b-straat] te [plaats] van de belanghebbende [belanghebbende 2] (hierna: ‘het kantoorpand’);

(iii) het postadres van de klager [belanghebbende 3] aan de [c-straat] te [plaats] (vanwege een bevel tot uitlevering van poststukken, hierna: ‘het postadres’).

3.3.

In de woning zijn meerdere gegevensdragers in beslag genomen, waaronder een aantal harde schijven en een Samsung notebook (laptop), een iPad en een iPad mini, en daarvan zijn gegevens vastgelegd door het maken van een kopie of image van de veiliggestelde gegevens. Ook zijn papieren stukken (administratie) in beslag genomen. Uit de gedingstukken leid ik af dat de gegevensdragers gedurende de procedure aan de belanghebbenden zijn geretourneerd.
In het kantoorpand zijn diverse papieren stukken (administratie) in beslag genomen en ter plekke is een kopie/image gemaakt van een deel20 van de kantoorserver (ongeveer 100 gigabyte aan gegevens).
Bij het postadres gaat het tot slot om poststukken gericht aan de klager [belanghebbende 3] . Het is mij niet duidelijk geworden wat daarmee is gebeurd, maar in de vorderingen tot het verlenen van verlof ex art. 552d (oud) Sv wordt hiervan geen melding gemaakt zodat ik aanneem dat voor deze stukken geen verlof is gevraagd.

De klaagschriftprocedure ex art. 552a Sv

3.4.

Naar aanleiding van het beslag en de vastlegging van gegevens hebben de belanghebbenden op 21 december 2016 een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend, welk klaagschrift zij op 4 januari en 28 februari 2017 hebben aangevuld. Dit klaagschrift is op 16 maart 2017, 17 april 2018 en 5 november 2019 behandeld in raadkamer.

3.5.

Tijdens de behandeling in openbare raadkamer op 16 maart 2017 voerden de belanghebbenden onder andere21 aan dat, gelet op de omvang van het beslag en de mededelingen van de officier van justitie, méér in beslag was genomen dan waarom door de Franse en Belgische autoriteiten was verzocht. Het beslag zou daarom disproportioneel zijn. De rechtbank wees die klachten van de hand met de overweging dat het niet ongebruikelijk is dat bij (een omvangrijk) digitaal beslag, dat zich niet goed leent voor gedeeltelijke inbeslagname, meer wordt gekopieerd dan waarvoor uiteindelijk verlof wordt gevraagd. Kennelijk achtte de rechtbank de door de officier van justitie in raadkamer aangekondigde werkwijze van de politie om het beslag na de beslaglegging verder inhoudelijk op relevantie te filteren aanvaardbaar waardoor naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich verzette tegen opheffing van het beslag, aangezien dat onderzoek (het filteren van het beslag) nog niet was afgerond. Deze selectie op inhoud zou, zo blijkt uit het dossier, plaatsvinden door middel van een zoekwoordenlijst die door de Belgische en Franse autoriteiten zou worden verstrekt.

3.6.

De rechtbank heeft vervolgens op 30 maart 2017 een tussenbeschikking gewezen. Daarin heeft de rechtbank het beklag ongegrond verklaard voor zover het zich richt tegen de inbeslagname, de voortduring van het beslag, kennisneming en het gebruik van de administratieve stukken en de digitale gegevens, voor zover deze geen geheimhouderstukken zijn. In deze tussenbeschikking heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de behandeling geschorst om – kort gezegd – in de door de rechter-commissaris inmiddels in gang gezette procedure ex artikel 98 Sv na te gaan of zich geheimhouderstukken in het beslag bevinden. De zaak is dus voor het uitfilteren van de geheimhouderstukken verwezen naar de rechter-commissaris en voor het overige is het beklag op 30 maart 2017 ongegrond verklaard.

3.7.

Op 17 april 2018 heeft een (tweede) behandeling in openbare raadkamer plaatsgevonden. Daarop heeft de rechtbank op 1 mei 2018 wederom een tussenbeschikking gewezen en de behandeling in raadkamer opnieuw geschorst om – kort gezegd – de uitkomst van de uitfiltering van geheimhouderstukken uit de image van de Samsung notebook uit de woning en de kopie van de server uit het kantoorpand af te wachten. De rechtbank constateerde in haar beschikking namelijk dat het uitfilteren van de geheimhouderstukken met betrekking tot de server van het kantoorpand nog niet was voltooid en de filtering van de Samsung laptop niet had plaatsgevonden omdat de rechter-commissaris van oordeel was dat dit niet mogelijk was zonder (technische) risico’s. De rechtbank heeft – kennelijk naar aanleiding van de aangevoerde klachten van de belanghebbenden en van een aantal inmiddels gevoegde verschoningsgerechtigden daarover – alsnog bevolen dat de image van de Samsung laptop zal worden gefilterd op geheimhouderstukken. Het filterproces op inhoud van de inbeslaggenomen stukken en gegevens door de politie, dat tijdens de eerste behandeling in raadkamer werd aangekondigd door de officier van justitie, is tijdens de tweede behandeling in raadkamer niet aan de orde geweest.

3.8.

Op 5 november 2019 heeft de laatste behandeling in raadkamer van het klaagschrift plaatsgevonden. Tijdens deze behandeling hebben de raadslieden van de belanghebbenden verklaard dat het beklag ten aanzien van de geheimhouderstukken slechts wordt gehandhaafd voor zover dit betrekking heeft op de niet definitieve en niet volledig uitgefilterde kopieën van het digitale beslag. Voor het overige hebben de raadslieden in raadkamer naar voren gebracht dat het beklag ten aanzien van de niet-geheimhouderstukken wordt gehandhaafd voor zover dit betrekking heeft op onderdelen die buiten de reikwijdte van het rechtshulpverzoek vallen.

De verlofprocedure ex art. 552p (oud) Sv

3.9.

De vorderingen tot verlof van het openbaar ministerie ex art. 552p (oud) Sv om de inbeslaggenomen bescheiden ter uitvoering van voormelde verzoeken om rechtshulp ter beschikking te stellen van de officier van justitie zijn (eveneens) op 5 november 2019 in raadkamer behandeld.22 De Franse verlofzaak is in het openbaar behandeld en de Belgische verlofzaak in een besloten zitting.

De drie beschikkingen d.d. 19 november 2019 waartegen het cassatieberoep is gericht.

3.10.

Op 19 november 2019 heeft de rechtbank naar aanleiding van de behandeling in raadkamer op 5 november 2019 de drie bestreden beschikkingen gewezen waar het thans in cassatie over gaat:

(i) In de eindbeschikking die is gewezen in de klaagschriftprocedure constateert de rechtbank dat het beklag met betrekking tot de geheimhouderstukken niet door de belanghebbenden wordt gehandhaafd omdat deze, gelet op het voltooide filterproces, zijn teruggegeven of vernietigd. Dit geldt echter niet voor zover er nog oude ongefilterde kopieën van het digitale beslag aanwezig zijn, aangezien bij het filterproces meerdere malen kopieën zijn gemaakt van de vastgelegde data en zich, volgens de belanghebbenden, in deze kopieën nog geheimhouderstukken bevinden. De rechtbank verklaart het beklag ten aanzien van deze oude kopieën (die dus niet volledig gefilterd zijn)23 gegrond.

Met betrekking tot de niet-geheimhouderstukken hebben de belanghebbenden in raadkamer van 5 november 2019 (opnieuw) aangevoerd dat ook ten aanzien van het resterende (digitale) beslag – waarop, zo constateert de rechtbank, in de tussentijd door justitie een inhoudelijke filtering heeft plaatsgevonden met behulp van een zoekwoordenlijst van de Franse en Belgische autoriteiten – nog steeds sprake is van stukken die buiten de reikwijdte van de rechtshulpverzoeken vallen. Volgens de belanghebbenden verzet het belang van strafvordering zich ten aanzien van die stukken dan ook niet tegen teruggave of vernietiging. De rechtbank herhaalt in de eindbeschikking echter haar oordeel dat zij eerder in de tussenbeschikking van 30 maart 2017 heeft gegeven, dat het beklag ongegrond is. De rechtbank overweegt dat het gehele beslag inhoudelijk is gefilterd en dat ook de geheimhouderstukken uit het beslag zijn verwijderd. Het beklag wordt dan ook in zoverre (met betrekking tot de niet- geheimhouderstukken) opnieuw ongegrond verklaard.

(ii) In de verlofbeschikking van 19 november 2019 die betrekking heeft op het Franse rechtshulpverzoek, welk verzoek eveneens in openbare raadkamer op 5 november 2019 is behandeld, constateert de rechtbank expliciet dat een deel van het digitale beslag (de kantoorserver en de Samsung notebook) is gefilterd op inhoud, dat wil zeggen gefilterd op relevantie voor het Franse onderzoek. De rechtbank verleent vervolgens verlof met betrekking tot de overblijvende gefilterde digitale gegevens en daarnaast de papieren administratie in het kantoorpand en de woning.24 Met betrekking tot de nog niet gefilterde digitale gegevens (in de woning25) houdt de rechtbank de zaak aan zodat deze alsnog kunnen worden gefilterd op relevantie. Geen verlof wordt verleend voor de gegevens uit de iPad en de iPad mini, gelet op het gewijzigde standpunt van de officier van justitie dat daar geen verlof meer voor wordt gevraagd.

(iii) In de verlofbeschikking van 19 november 2019 die betrekking heeft op het Belgische rechtshulpverzoek, welk verzoek op 5 november 2019 (inhoudelijk) tijdens een besloten raadkamerbehandeling en in afwezigheid van de belanghebbenden is behandeld, verleent de rechtbank verlof met betrekking tot de in de vordering van de officier van justitie genoemde papieren stukken en de veiliggestelde data van de kantoorserver uit het kantoorpand. Uit de beslissing van de rechtbank blijkt niet expliciet of de rechtbank daarbij het oog heeft op het gefilterde of ongefilterde beslag.

4 Leeswijzer bespreking middelen

4.1.

Dan kom ik nu toe aan de inhoudelijke beoordeling van de cassatieberoepen en -middelen waarbij ik de volgende volgorde zal aanhouden.

4.2.

In het cassatieberoep tegen de verlofbeschikkingen (20/00615 B) zijn vier middelen ingediend. De cassatieschriftuur in de beklagzaak (20/00581 Bv) bevat twee middelen.

4.3.

Ik zal eerst van beide cassatieberoepen (20/00615 B en 20/00581 Bv) het eerste middel bespreken, dat in beide zaken nagenoeg gelijk luidt. Het gaat hierbij telkens om de klacht dat de raadslieden niet uitdrukkelijk gemachtigd waren de belanghebbenden te vertegenwoordigen in raadkamer.

4.4.

Vervolgens zal ik het tweede middel in zaak 20/00615 B, dat uitsluitend betrekking heeft op de Belgische verlofzaak, bespreken. In dit middel wordt geklaagd dat de (inhoudelijke) behandeling van de vordering ten onrechte in beslotenheid en in afwezigheid van de belanghebbenden heeft plaatsgevonden.

4.5.

Tot slot zal ik het derde en vierde middel in de verlofzaken (20/00615 B) en het tweede middel in de beklagzaak ex art. 552a Sv (20/00581 Bv) in samenhang met elkaar bespreken, zoals de indiener van de schriftuur heeft verzocht. Hierbij gaat het in hoofdzaak om de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het resterend beslag, zijnde het beslag na filtering van de geheimhoudergegevens en irrelevante gegevens, onder de reikwijdte van de rechtshulpverzoeken valt en dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave hiervan verzet. Daarnaast bevatten de middelen nog afzonderlijke deelklachten.

5 Het eerste middel in de verlofzaken en de klaagschriftprocedure

5.1.

Het eerste middel in de Belgische en Franse verlofzaak (20/00615 B) houdt in dat de rechtbank ten onrechte de raadslieden mrs. E.Z. Perez en A.S. ten Doesschate de belanghebbenden heeft laten vertegenwoordigen tijdens de behandeling van de Belgische en Franse verlofzaken in raadkamer op 5 november 2019, nu niet blijkt dat zij daartoe uitdrukkelijk gemachtigd waren.

5.2.

Het eerste middel in de klaagschriftprocedure (20/00581 Bv) houdt in dat de rechtbank ten onrechte de raadslieden mrs. E.Z. Perez en A.S. ten Doesschate de belanghebbenden heeft laten vertegenwoordigen tijdens de behandeling van het klaagschrift in raadkamer d.d. 17 april 2018 en 5 november 2019, nu telkens niet blijkt dat zij daartoe uitdrukkelijk gemachtigd waren.

5.3.

Voor de beoordeling van deze middelen is het volgende van belang. Op 5 november 2019 vond de behandeling in raadkamer plaats van de vorderingen ex art. 552p (oud) Sv van de officier van justitie naar aanleiding van de Franse en Belgische rechtshulpverzoeken. Van die behandeling zijn twee afzonderlijke processen-verbaal opgemaakt. Beide processen-verbaal houden in dat de belanghebbenden niet in raadkamer aanwezig waren. Wel aanwezig waren mrs. E.Z. Perez en A.S, ten Doesschate. Opmerking verdient dat de raadslieden in de Belgische verlofprocedure alleen aan het begin van de zitting aanwezig waren omdat de rechtbank de inhoudelijke behandeling vervolgens in beslotenheid en afwezigheid van de belanghebbenden en raadslieden heeft behandeld. Deze besloten behandeling komt in het hierna te bespreken tweede middel aan bod. De processen-verbaal van de behandelingen op 5 november 2019 houden, voor zover hier van belang, het volgende in:


Inzake de Franse verlofprocedure:

‘’(…) Als raadslieden van betrokkenen zijn ter zitting aanwezig mrs. E.Z. Perez en A.S. ten Doesschate, advocaten te Rotterdam.’’

Inzake de Belgische verlofprocedure:

‘’(…) Als raadslieden van betrokkenen zijn ter zitting aanwezig mrs. E.Z. Perez en A.S. ten Doesschate, advocaten te Rotterdam. De raadslieden zijn niet opgeroepen."

5.4.

Voor zover het gaat over de klaagschriftprocedure is het volgende van belang. De belanghebbenden hebben, zoals gezegd, op 21 december 2016 een (gezamenlijk) klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend en dit aangevuld op 4 januari en 28 februari 2017. Het klaagschrift is opgesteld en ondertekend door mrs. E.Z. Perez en E. Benhaim en vermeldt voorts dat de raadslieden bepaaldelijk zijn gevolmachtigd tot ondertekening en indiening daarvan. De aanvullingen op het klaagschrift zijn ingediend door mr. E. Benhaim respectievelijk mr. E.Z. Perez. Vervolgens heeft de behandeling van het klaagschrift plaatsgevonden op 16 maart 2017, 17 april 2018 en 5 november 2019. Telkens blijkt uit het proces-verbaal van de behandeling dat de belanghebbenden daarbij niet aanwezig waren. Verder blijkt uit de processen-verbaal, voor zover hier van belang, het volgende. De namen van de belanghebbenden/klagers zijn door mij kortheidshalve vervangen door “de belanghebbenden”:


Op 16 maart 2017:

‘’Aan de orde is de behandeling van het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de belanghebbenden]
(…)

en te dezen woonplaats en domicilie kiezend op het kantooradres van de raadslieden mrs. E.Z. Perez, E. Janse en E. Benhaim, (…).
(…) Als raadslieden van belanghebbenden zijn ter zitting aanwezig mrs. E.Z. Perez en E. Janse. Zij verklaren dat zij namens belanghebbenden gemachtigd zijn hen ter zitting te vertegenwoordigen."


Op 17 april 201826:
‘’Aan de orde is de behandeling van het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de belanghebbenden],
woonplaats en domicilie kiezend op het kantooradres van hun raadsvrouw mr. E.Z. Perez (…),
E.Z. PEREZ,

[betrokkene 1] ,

[betrokkene 2] ,

[betrokkene 3] ,27


allen woonplaats kiezend op het kantooradres van hun raadsvrouw mr. A.S. ten Doesschate (…)

In raadkamer zijn aanwezig de raadslieden mr. E.Z. Perez en mr. A.S. ten Doesschate, waarbij mr. Perez zowel in hoedanigheid van klaagster als van gemachtigde is verschenen.
(…) Recent heeft de rechtbank geschriften ontvangen, die mogelijk als klaagschriften moeten worden aangemerkt, van geheimhouders. Deze geheimhouders zijn ter zitting vertegenwoordigd door hun raadsvrouw, mr. A.S. ten Doesschate.
(…)

De oudste rechter stelt de geschriften van de geheimhouders aan de orde.

Mr. Ten Doesschate verklaart, zakelijk weergegeven:

Het is wettelijk geregeld dat verschoningsgerechtigden kunnen klagen over in beslag genomen goederen indien daar mogelijk vertrouwelijke stukken tussen zitten. Van een aantal stukken is bekend dat het geheimhouderstukken zijn. Daarom hebben wij aan de verschoningsgerechtigden hun mening gevraagd, hetgeen heeft geresulteerd in de ingediende klaagschriften. Het betreft dezelfde zoekingen als waar de eerder ingediende klaagschriften van [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] over klagen.

Wij hebben dit besproken met parketsecretaris [betrokkene 4] .


Mr. Perez verklaart, zakelijk weergegeven:

Wij hebben inderdaad enkele weken gebeld met [betrokkene 4] en dit met hem besproken en de stukken aangekondigd.

Ik zit hier voor mezelf, als één van de verschoningsgerechtigden, en als advocaat van drie cliënten, de overige verschoningsgerechtigden.
(…)

Mr. Ten Doesschate voert vervolgens het woord aan de hand van de aangehechte pleitnotities.
(…)


Mr. Perez verklaart, zakelijk weergegeven:

De rechtbank gaat er ten onrechte van uit dat zowel van de laptop die is aangetroffen in de woning als van gegevensdragers die bij de kantoorzoeking zijn aangetroffen, een image is gemaakt. Een image is een kopie. Van de laptop is een image met hashwaarden gemaakt. Daarom doet de politie zo voorzichtig, vanwege de hashwaarden. Om onduidelijke redenen is er van de grotere kantoorzoeking geen image met hashwaarden gemaakt.

Op de laptop zijn door cliënt op de allocated data de geheimhouderstukken gevonden (de C-schijf). Cliënt kan niet zelf op de unallocated data zoeken. De gevonden stukken kunnen worden gewist.

Uit het rapport van Fox blijkt dat deskundige [betrokkene 5] geen onderscheid maakt tussen allocated en unallocated data.
(…)
De officier van justitie verklaart, zakelijk weergegeven:
(…) Als ik een fiat krijg van de verdediging dan kunnen de hits door de politie worden gewist en kan het beslag snel worden afgehandeld. Inderdaad is onze bedoeling dat de hits worden verwijderd.
Mr. Perez verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik heb geen bezwaar tegen het wissen van de hits. Ik wacht het proces-verbaal daarover af.
(…)
De officier van justitie verklaart, zakelijk weergegeven:

Hierbij overhandig ik een kopie van het rechtshulpverzoek aan de verdediging.

De vordering ex artikel 552p Sv trek ik in.’’
Op 5 november 2019:
‘’Als raadslieden van betrokkenen zijn ter zitting aanwezig mrs. E.Z. Perez en A.S. ten Doesschate, advocaten te Rotterdam.’’

5.5.

Kern van de klacht in de beide middelen is, dat de procesdeelnemer die bij de behandeling door de raadkamer niet is verschenen, zich volgens de Hoge Raad aldaar kan laten vertegenwoordigen door een raadsman of advocaat mits deze verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.28 In onderhavig geval hebben de raadslieden dit echter niet verklaard, althans dit blijkt niet uit de (in de middelen genoemde) processen-verbaal. De rechtbank heeft de raadslieden dan ook ten onrechte toegelaten de afwezige belanghebbenden te vertegenwoordigen. Dit moet tot nietigheid van de behandeling in raadkamer leiden, aldus de steller van het middel.

5.6.

Met betrekking tot de klaagschriftprocedure wordt specifiek aangevoerd dat uitsluitend in het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer 16 maart 2017 melding wordt gemaakt van een verklaring van de aldaar aanwezige raadslieden dat zij namens de belanghebbenden gemachtigd waren hen ter zitting te vertegenwoordigen. Dat die machtiging ook gold voor alle eventueel daaropvolgende zittingen blijkt nergens uit. Daarbij wijst de steller van het middel nog op het arrest van de Hoge Raad van 9 december 200329, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat indien het gaat om het onderzoek ter terechtzitting, de rechter in de omstandigheid dat dezelfde raadsman de verdachte op een eerdere zitting heeft bijgestaan dan wel aldaar is opgetreden op de voet van art. 279 Sv, aanleiding kan vinden om aan te nemen dat raadsman op de nadere terechtzitting – ook zonder een uitdrukkelijke verklaring dienaangaande – door de verdachte is gemachtigd het woord te voeren. Dat de rechtbank in onderhavige zaak een vergelijkbare aanname heeft gedaan blijkt echter niet en kan volgens de steller van het middel ook niet zonder meer worden aangenomen aangezien mr. A.S. ten Doesschate de belanghebbenden niet op een eerdere zitting als gemachtigde op de voet van art. 279 Sv heeft vertegenwoordigd.

5.7.

Beoordeling van het eerste middel

5.7.1.

Hoewel de steller van het middel een punt heeft dat uit de processen-verbaal van de behandeling van de vorderingen tot verlof (van 5 november 2019) en het klaagschrift (van 17 april 2018 en 5 november 2019) niet blijkt dat de aldaar aanwezige raadslieden (telkens) hebben verklaard dat zij uitdrukkelijk gemachtigd waren namens de belanghebbenden het woord te voeren, meen ik dat het middel niet tot cassatie kan leiden.

5.7.2.

In de eerste plaats mist de klacht ten aanzien van mr. Ten Doesschate in de klaagschriftprocedure (20/00581 Bv) deels feitelijke grondslag Op 5 november 2019 heeft namelijk alleen mr. Perez het woord namens de belanghebbenden gevoerd. Mr. Ten Doesschate heeft op die zitting in het geheel niet het woord gevoerd.

5.7.3.

Daarnaast ben ik – anders dan de steller van het middel – van oordeel dat de rechtbank in de omstandigheid dat mr. Perez eerder op 16 maart 2017 gemachtigd was, aanleiding heeft kunnen vinden dat zij gemachtigd was om ook op 17 april 2018 en 5 november 2019 namens de belanghebbenden het woord te voeren in de klaagschriftenprocedure. Gelet op de verwevenheid met de verlofprocedures, waarvan de behandelingen eveneens op 5 november 2019 door dezelfde (zittingscombinatie van de) rechtbank hebben plaatsgevonden meen ik dat de rechtbank ook heeft kunnen aannemen dat de machtiging van de belanghebbenden zich uitstrekte tot de verlofzaken. Daarbij merk ik nog op dat door de beide raadslieden gezamenlijk één en dezelfde pleitnota is opgesteld ten behoeve van de behandeling van zowel de verlofzaken als de klaagschriftprocedure op 5 november 2019. Ook de klacht ten aanzien van mr. Ten Doesschate met betrekking tot de verlofzaken en de klaagschriftprocedure op 17 april 2018, waar zij namens de belanghebbenden het woord heeft gevoerd, stuit daar mijns inziens op af.

5.7.4.

Tot slot ben ik van mening dat de jurisprudentie van de Hoge Raad waarop de steller van het middel een beroep doet, een andere strekking heeft dan die de steller van het middel daaraan geeft. De Hoge Raad heeft in die jurisprudentie bepaald dat een advocaat, ondanks het gebrek van een wettelijke grondslag daarvoor30, een procesdeelnemer in raadkamer kan vertegenwoordigen.31 Het gaat in deze jurisprudentie echter om een andere vorm van vertegenwoordiging dan bedoeld in art. 279 Sv, waar de klacht van de steller van het middel op is gebaseerd.32 Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan naar mijn mening niet worden afgeleid dat zonder een uitdrukkelijke verklaring van de advocaat dat hij gemachtigd is namens de belanghebbenden het woord te voeren, het onderzoek in raadkamer zonder meer aan nietigheid leidt, zoals door de steller van het middel bepleit. Ook wanneer de Hoge Raad hetgeen ik hiervoor heb betoogd niet zou volgen, zie ik niet in welk belang de belanghebbenden hebben bij cassatie op dit punt. Dat belang is namelijk niet op voorhand evident, terwijl in cassatie evenmin wordt verduidelijkt op welke wijze de belanghebbenden in hun belangen zijn geschaad doordat mr. Perez en/of mr. Ten Doesschate namens hen het woord hebben gevoerd (is daardoor iets ten nadele van hen beslist?). Dat de belanghebbenden niet akkoord waren met deze vertegenwoordiging blijkt niet, waarbij ik nog opmerk dat zij zich thans in cassatie laten bijstaan door een advocaat van hetzelfde kantoor waarvan advocaten hen in feitelijke aanleg hebben vertegenwoordigd in raadkamer.

5.8.

Het eerste middel in beide zaken (20/00615 B en 20/00581 Bv) faalt.

6 Het tweede middel in de Belgische verlofzaak (20/00615 B)

6.1.

Het tweede middel in zaak 20/00615 B komt op tegen de beslissing van de rechtbank de belanghebbenden niet op te roepen voor de behandeling van de Belgische verlofzaak en de (inhoudelijke) behandeling in afwezigheid van de belanghebbenden en met gesloten deuren te doen plaatsvinden. Het middel bevat tevens de klacht dat het oordeel van de rechtbank dat de belanghebbenden door middel van een brief van de officier van justitie van 25 oktober 201933 zijn opgeroepen, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.

6.2.

De bestreden beschikking houdt hieromtrent het volgende in:


“De Belgische autoriteiten hebben uitdrukkelijk verzocht om het dossier vertrouwelijk te behandelen.

De officier van justitie heeft bij brief van 25 oktober 2019 [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] opgeroepen voor de behandeling in raadkamer. Echter, in haar vordering ex artikel 552p (oud) Sv heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank zal afzien van het oproepen van betrokkene(n) en belanghebbende(n). In (besloten) raadkamer heeft de officier van justitie hierop toegelicht dat oproeping niet had mogen plaatsvinden en dat het verzoek van de Belgische autoriteiten om geheimhouding van de stukken nog steeds actueel is.
De rechtbank acht – gezien het gehandhaafde uitdrukkelijke verzoek van de Belgische autoriteiten om geheimhouding – gebleken dat openbaarheid van de behandeling het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden en dat door het horen van betrokkenen en hun raadslieden het onderzoek ernstig wordt geschaad.
Om die reden heeft de rechtbank op grond van artikel 22, tweede lid, Sv de behandeling van het rechtshulpverzoek met gesloten deuren bevolen. Tevens heeft zij op grond van artikel 23, zesde lid, Sv afgezien van het horen van betrokkenen en hun raadslieden.
De rechtbank heeft op 5 november 2019 de officier van justitie, mr. U.E.A. Weitzel, in besloten raadkamer gehoord.’’

6.3.

Het proces-verbaal van de behandeling van de vordering tot verlof in de Belgische zaak d.d. 5 november 2019 houdt het volgende in:


“De betrokkenen,

(…)


zijn niet in raadkamer verschenen. Zij hebben daartoe op 25 oktober 2019 wel een oproep ontvangen.

Als raadslieden van betrokkenen zijn ter zitting aanwezig mrs. E.Z. Perez en A.S. ten Doesschate, advocaten te Rotterdam. De raadslieden zijn niet opgeroepen.
De voorzitter belast de jongste rechter met de leiding van het onderzoek.
Op vragen van de jongste rechter deelt de officier van justitie mee, zakelijk weergegeven:

Ik ga ervan uit dat de Belgische justitiële autoriteiten persisteren bij hun verzoek om het dossier vertrouwelijk te behandelen.


De raadsvrouw mr. Perez deelt mee, zakelijk weergegeven:

Weliswaar heeft het Openbaar Ministerie in haar vordering ex artikel 552p, tweede lid (oud), Sv van 23 oktober 2019 inderdaad gevorderd dat de verdediging geen kennis mag nemen van de stukken, alsmede dat wordt afgezien van het oproepen van betrokkenen en van het toezenden van de beschikking, maar hoe verhoudt zich dat tot de brieven van het Openbaar Ministerie van 25 oktober 2019? Immers, in deze brieven is aan betrokkenen de datum en tijd van de raadkamerzitting meegedeeld. Bovendien is vermeld dat betrokkenen het recht hebben hun visie op de vordering kenbaar te maken.


De officier van justitie deelt mee, zakelijk weergegeven:

Dat is een goed punt. Ik heb hier niet direct bij stilgestaan.


De raadsvrouw mr. Perez deelt mee, zakelijk weergegeven:

De verdediging is van oordeel dat betrokkenen onverkort moeten worden opgeroepen voor de behandeling van deze vordering. Het niet-oproepen van betrokkenen leidt tot nietigheid van het onderzoek in raadkamer. Daarom verzoekt de verdediging primair dat het onderzoek op dit punt zal worden aangehouden.

Subsidiair verzoekt de verdediging dat zij – op grond van de mededelingen in de brief van het Openbaar Ministerie van 25 oktober 2019 en overeenkomstig artikel 23 Sv en artikel 552p, vierde lid (oud), Sv – het woord mag voeren met betrekking tot de vordering.


De raadsvrouw mr. A.S. ten Doesschate deelt mee, zakelijk weergegeven:

De officier van justitie heeft enkel meegedeeld dat zij ervan uitgaat dat de Belgische justitiële autoriteiten persisteren bij hun verzoek om geheimhouding, maar is dit nagevraagd?
De officier van justitie deelt mee, zakelijk weergegeven:

Het Openbaar Ministerie heeft geheimhouding gevorderd. Wanneer de verdediging niet wordt opgeroepen voor de procedure, ga ik ervan uit dat de verdediging niet zal worden gehoord over die betreffende procedure.

De jongste rechter deelt mee dat, alvorens de rechtbank een beslissing zal nemen over – kort gezegd – het geheime karakter van de behandeling van het verzoek om rechtshulp van de Belgische justitiële autoriteiten, de rechtbank eerst de klaagschriften ex artikel 552a Sv en de vordering ex artikel 552p, tweede lid (oud), Sv ter uitvoering van een verzoek om rechtshulp van de Franse justitiële autoriteiten zal behandelen.


Noot griffier: dit proces-verbaal geeft slechts weer het verhandelde in raadkamer voor zover dit betrekking heeft op of relevant is voor de behandeling van de vordering ex artikel 552p, tweede lid (oud), Sv ter uitvoering van een verzoek om rechtshulp van de Belgische justitiële autoriteiten.


Nadat de rechtbank de klaagschriften ex artikel 552a Sv en de vordering ex artikel 552p, tweede lid (oud), Sv ter uitvoering van een verzoek om rechtshulp van de Franse justitiële autoriteiten heeft behandeld, wordt de behandeling van de vordering ex artikel 552p, tweede lid (oud), Sv ter uitvoering van een verzoek om rechtshulp van de Belgische justitiële autoriteiten voortgezet.
De jongste rechter deelt als beslissing van de rechtbank mee dat – gelet op het verzoek van de Belgische justitiële autoriteiten het dossier vertrouwelijk te behandelen – de officier van justitie buiten aanwezigheid van de raadslieden van betrokkenen haar vordering tot – kort gezegd – geheimhouding dient toe te lichten.

De jongste rechter beveelt vervolgens overeenkomstig artikel 22, tweede lid, Sv de behandeling in raadkamer met gesloten deuren. Tevens beveelt de jongste rechter overeenkomstig artikel 23, zesde lid, Sv (tijdelijke) behandeling in raadkamer buiten aanwezigheid van betrokkenen en hun de raadslieden.

De raadslieden verlaten de rechtszaal.
Op vragen van de jongste rechter deelt de officier van justitie mee, zakelijk weergegeven:

De Belgische justitiële autoriteiten zijn gedurende de gehele procedure heel vasthoudend in het verzoek om geheimhouding. Het Openbaar Ministerie heeft gevraagd of dat verzoek ook nu nog actueel is, wat zij hebben bevestigd. Het belang ligt er voornamelijk in dat een groot deel van het mogelijke bewijs in hun zaak nog steeds in Nederland ligt, waardoor het onderzoek niet kan worden voortgezet. Het belang van geheimhouding is voor België nog net zo groot als toen de stukken net in beslag waren genomen.


Na beraad worden de raadslieden verzocht de rechtszaal weer te betreden.


De jongste rechter deelt als beslissing van de rechtbank mee dat de rechtbank ervan uit dient te gaan dat openbaarheid van de behandeling het belang van het onderzoek en een goede rechtspleging ernstig zou schaden en dat door het horen van betrokkenen en hun raadslieden het onderzoek ernstig zal worden geschaad.
Aldus beveelt de jongste rechter overeenkomstig artikel 22, tweede lid, Sv de behandeling in raadkamer met gesloten deuren. Tevens deelt de jongste rechter mee dat de rechtbank overeenkomstig artikel 23, zesde lid, Sv afziet van het horen van betrokkenen en hun raadslieden.

De raadslieden verlaten de rechtszaal.

(…)
De jongste rechter sluit de behandeling in raadkamer en deelt mee dat op de vordering ex artikel 552p, tweede lid (oud), Sv ter uitvoering van een verzoek om rechtshulp van de Belgische justitiële autoriteiten zal worden beschikt en dat deze gelet op hetgeen eerder is vastgesteld met betrekking tot de openbaarheid en het belang van het onderzoek en een goede rechtspleging zal worden uitgesproken in besloten raadkamer op 19 november 2019 om 12:30 uur. Tevens deelt de jongste rechter mee dat de beschikking niet aan betrokkenen en hun raadslieden zal worden toegezonden.’’

6.4.

De vordering van de officier van justitie houdt onder meer het volgende in:


‘’Vordert dat de rechtbank gelet op het onderzoeksbelang afziet van het oproepen van verdachte(n) voor de raadkamerbehandeling alsmede dat verdachte(n) (en/of diens raadsman/raadslieden) geen kennis nemen van de stukken welke op deze raadkamerbehandeling betrekking hebben;

Tevens wordt gevorderd af te zien van toezending van de beschikking zoals vermeld in artikel 24 lid 4 en 5 van het Wetboek van Strafvordering.”

6.5.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat op de zitting van 5 november 2019 twee maal op grond van art. 22, lid 2 Sv de behandeling in raadkamer met gesloten deuren is bevolen. De eerste beslissing tot sluiting van de deuren is genomen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen haar vordering tot sluiting van de deuren vanwege het verzoek van de Belgische justitiële autoriteiten het dossier vertrouwelijk te behandelen en buiten aanwezigheid van de betrokkenen en hun raadslieden toe te lichten. Daarbij heeft de rechtbank er geen blijk van gegeven op welke van de in art. 22 lid 2 Sv opgesomde gronden de sluiting is gebaseerd. De rechtbank heeft in dit verband immers uitsluitend overwogen dat “de officier van justitie buiten aanwezigheid van de raadslieden van betrokkenen haar vordering tot – kort gezegd – geheimhouding dient toe te lichten.” Een bevel tot sluiting van de deuren op grond van art. 23 lid 6 Sv kan slechts worden gegeven indien en voor zover door de aanwezigheid van de belanghebbenden en/of hun raadslieden het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad. Uit de beslissing van de rechtbank blijkt niet dat zij dit criterium heeft aangelegd.

6.6.

De steller van het middel meent dat de rechtbank ook bij de tweede beslissing de deuren te sluiten (nadat de officier van justitie in de gelegenheid was gesteld zijn verzoek toe te lichten) een onjuiste maatstaf heeft toegepast. Immers van de oproeping en het horen in raadkamer van de betrokkenen kan slechts worden afgeweken indien en "voor zover het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad". De rechtbank heeft slechts overwogen “dat de rechtbank ervan uit dient te gaan dat openbaarheid van de behandeling het belang van het onderzoek en een goede rechtspleging ernstig zou schaden en dat door het horen van betrokkenen en hun raadslieden het onderzoek ernstig zal worden geschaad.” Hieruit blijkt niet, althans niet zonder meer, dát openbaarheid in dezen het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden en dat het horen van de betrokkenen het belang van het onderzoek ernstig zou schaden. De rechtbank heeft de aan te leggen maatstaf dus telkens miskend en ten onrechte besloten tot toepassing van art. 22 lid 2 Sv en art. 23 lid 6 Sv, althans heeft zij deze beslissingen volgens de steller van het middel ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd gelet op het volgende.

6.7.

De uitzondering op de openbaarheid dient door de officier van justitie in voldoende mate te worden gemotiveerd, op basis van concrete omstandigheden van de buitenlandse strafzaak die ten grondslag ligt aan het rechtshulpverzoek. Noch het enkele verzoek van de buitenlandse autoriteiten om vertrouwelijke behandeling van het dossier, noch de mededeling dat het onderzoek loopt of – zoals in casu is medegedeeld – stilligt, volstaan in dit verband.34

6.8.

Tot slot merkt de steller van het middel nog op dat de rechtbank haar beslissingen anders heeft verwoord in de beschikking dan in het proces-verbaal, en in dat verband het proces-verbaal als kenbron dient te gelden. Maar ook de beslissingen zoals weergegeven in de beschikking van de rechtbank zijn volgens de steller van het middel zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd.

6.9.

Dan bevat het middel nog een tweede deelklacht, namelijk dat het niet aan de officier van justitie is de belanghebbenden op te roepen voor de behandeling in raadkamer, maar dat dit ingevolge art. 23 lid 2 Sv door de rechtbank had moeten geschieden. Volgens de steller van het middel getuigt het oordeel van de rechtbank dat zij door de brief van de officier van justitie van 25 oktober 2019 zijn opgeroepen, van een onjuiste rechtsopvatting.

6.10.

Juridisch kader van het tweede middel in de Belgische verlofzaak (20/00615 B)

6.10.1.

Het gaat in deze zaak, zoals al eerder is opgemerkt, om een verlofprocedure als bedoeld in art. 552p (oud) Sv. Conform deze procedure mogen inbeslaggenomen stukken van overtuiging en gegevensdragers niet aan de uitvaardigende autoriteiten van een internationaal rechtshulpverzoek worden verstrekt dan nadat de raadkamer van de rechtbank hiertoe op vordering van de officier van justitie verlof verleent. Dit betekent dat de algemene bepalingen van de raadkamerbehandeling (art. 21-25 Sv) van toepassing zijn. Ingevolge art. 552a lid 7 Sv en 552p lid 4 (oud) Sv is de behandeling van de vordering tot verlof in beginsel in het openbaar voorgeschreven. Art. 22 en 23 Sv luiden in dit verband als volgt:


“Art. 22
1. De behandeling door de raadkamer vindt, tenzij anders is voorgeschreven, niet in het openbaar plaats.

2. Indien behandeling in het openbaar is voorgeschreven, kan de raadkamer gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren bevelen. Dit bevel kan worden gegeven in het belang van de goede zeden, de openbare orde, de veiligheid van de staat, alsmede indien de belangen van minderjarigen, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eisen. Een dergelijk bevel kan ook worden gegeven indien openbaarheid naar het oordeel van de rechtbank het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.

3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid wordt door de raadkamer ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, dan wel op het verzoek van de verdachte of andere procesdeelnemers gegeven. De raadkamer geeft het bevel niet dan na het openbaar ministerie, de verdachte alsmede andere procesdeelnemers, zonodig met gesloten deuren, hieromtrent te hebben gehoord.

4. De raadkamer is bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, en van de getuige op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste en tweede volzin, indien over de identiteit van de verdachte of getuige twijfel bestaat. Artikel 29c, tweede lid, is ten aanzien van de getuige van overeenkomstige toepassing.

5. Tot bijwoning van de niet openbare behandeling kan de voorzitter bijzondere toegang verlenen.

Art. 23
1. De raadkamer is bevoegd de noodige bevelen te geven, opdat het onderzoek hetwelk aan hare beslissing moet voorafgaan, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek zal plaats vinden.
2. Door de raadkamer worden het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers gehoord, althans hiertoe opgeroepen, tenzij anders is voorgeschreven. Artikel 22, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De verdachte en andere procesdeelnemers kunnen zich bij de behandeling door de raadkamer door een raadsman of advocaat doen bijstaan.
4. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt de bijstand van een tolk ingeroepen. Het openbaar ministerie roept de tolk op. Artikel 276, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. Het openbaar ministerie legt aan de raadkamer de op de zaak betrekking hebbende stukken over. De verdachte en andere procesdeelnemers zijn, evenals hun raadsman of advocaat, bevoegd van de inhoud van deze stukken kennis te nemen.
6. Het tweede tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing, voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad.’’

6.10.2.

De toepasselijkheid van art. 23 lid 2 Sv betekent in dit geval dat door de raadkamer het openbaar ministerie en de belanghebbenden worden gehoord, althans opgeroepen. Het verzuim te voldoen aan art. 23 lid 2 Sv is volgens de Hoge Raad dusdanig in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde dat dit tot nietigheid van de beschikking dient te leiden.35 Het zesde lid van art. 23 Sv biedt echter een grondslag om van (onder meer) het bepaalde in het tweede lid af te wijken. Voorwaarde daarbij is dat het belang van het onderzoek (bij het niet afwijken van het voorschrift) “ernstig wordt geschaad”. De rechter moet dit nadrukkelijk motiveren.36 Zo heeft de Hoge Raad eerder geoordeeld dat een algemene niet nader gemotiveerde overweging, dat “het belang ernstig geschaad kan worden” onvoldoende is om af te wijken van het bepaalde in art. 23 lid 2 Sv.37 De Hoge Raad toont zich dus strikt wat betreft de toepassing van deze maatstaf en eist van de rechter een inhoudelijke toetsing, ook als het gaat om een verzoek tot geheimhouding van de verzoekende autoriteit in het kader van een rechtshulpverzoek.38

6.10.3.

Het voorgaande betekent overigens niet dat het ongebruikelijk is om in het kader van rechtshulpverzoeken vertrouwelijkheid te betrachten en toepassing te geven aan art. 23 lid 6 Sv. Integendeel. Veel internationale rechtshulpverzoeken die ten grondslag liggen (of lagen) aan zaken als bedoeld in art. 552p (oud) Sv gaan gepaard met verzoeken tot geheimhouding van de kant van de buitenlandse autoriteiten omdat anders kort gezegd het buitenlands onderzoeksbelang ernstig wordt geschaad. De gewenste geheimhouding heeft bovendien vaak een (verplichtende) grondslag in internationale verdragen – hoewel het bestaan van een dergelijke verdragsverplichting aan de eisen van art. 23 lid 6 Sv niet afdoet.39 Wanneer met toepassing van art. 23 lid 6 Sv geen gevolg wordt gegeven aan het tweede lid is de procedurele waarborg van de verlofprocedure met name daarin gelegen dat in ieder geval een rechter ambtshalve dient te beoordelen of aan de vereisten voor het verlenen van rechtshulp is voldaan.

6.10.4.

De toepassing van art. 23 lid 6 Sv, waardoor de interne openbaarheid wordt ingeperkt, heeft ook gevolgen voor de externe openbaarheid die in art. 552a lid 7 Sv wordt voorgeschreven. De grondslag hiervoor ligt niet in art. 23 lid 6 Sv maar in art. 22 lid 2 Sv. De daarin genoemde gronden om tot sluiting van de deuren over te gaan zijn bij de wetswijziging van 1994 letterlijk in overeenstemming gebracht met de verdragsrechtelijke beperkingen van art. 6 en 8 EVRM in verband met het (Europeesrechtelijke) openbaarheidsbeginsel. De daarin genoemde gronden zijn tegelijkertijd opgenomen in wat nu art. 269 Sv is (destijds art. 273 Sv), waarbij het gaat om de sluiting der deuren van het onderzoek ter terechtzitting, zodat daarbij ook geen publiek wordt toegelaten.40

6.10.5.

Met betrekking tot de toepassing van art. 22 lid 2 Sv heeft de Hoge Raad bepaald dat uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer moet blijken dat het bevel tot besloten behandeling steunt op art. 22 lid 2 en 3 Sv.41 Specifieke nadere motiveringseisen, bijvoorbeeld of de in art. 22 lid 2 bedoelde gronden dienen te worden vermeld in het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling, heeft de Hoge Raad tot nu toe niet gegeven. Hiervoor kan evenwel aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie over het oude en huidige art. 269 Sv en de voorganger daarop (art. 273 Sv). Het gaat in die bepaling immers om dezelfde gronden als genoemd in art. 22 Sv.

6.10.6.

Uit de jurisprudentie met betrekking tot art. 269 Sv blijkt dat volgens de Hoge Raad deze bepaling een nadere invulling bevat van art. 4 lid 2 Wet RO (voorheen art. 20 lid 1 Wet RO). Dit artikel houdt in dat wegens ‘’gewichtige redenen’’ de zitting met gesloten deuren kan plaatsvinden en dat deze redenen in het proces-verbaal van de zitting moeten worden vermeld. Art. 269 Sv bepaalt op grond van welke belangen (goede zeden, openbare orde, veiligheid van de staat, belangen van minderjarigen, persoonlijke levenssfeer van de verdachte of andere procesdeelnemers) inbreuk op de openbaarheid kan worden gemaakt. De behandeling met gesloten deuren mag niet via andere weg dan op grond van art. 269 Sv plaatsvinden.42 De Hoge Raad heeft in oudere jurisprudentie steeds streng vastgehouden aan de eis dat de (gewichtige) reden voor sluiting van de deuren moet worden genoemd in het proces-verbaal.43 Slechts in een enkel geval is aanvaard dat de gewichtige reden voldoende kon blijken uit de gang van zaken ter zitting in samenhang met de inhoud van het proces-verbaal.44 Een recentere uitspraak van de Hoge Raad laat echter zien dat de Hoge Raad thans bereid lijkt te zijn de gewichtige reden, hoewel niet expliciet genoemd, in te lezen in het proces-verbaal.45 Tegelijkertijd worden, indien de genoemde reden overeenkomt met een van de wettelijke gronden de deuren te sluiten en indien deze reden voortvloeit uit de aard van de zaak, geen strenge motiveringseisen gesteld. Er mag dan van worden uitgegaan dat de rechter zich terdege rekenschap heeft gegeven van de vraag of de reden voor sluiting onder één van de gronden te brengen is.46 Volgens het EHRM moet toepassing van (een van) de gronden in de gegeven situatie wel steeds ‘’strictly required’’ zijn.47

6.10.7.

In Melai/Groenhuijsen wordt opgemerkt dat de openbare orde als grond voor sluiting van de deuren een duidelijk voorbeeld is van een belang dat doorgaans met even veel gemak onder één van de andere sluitingsgronden kan worden gebracht, waardoor onduidelijk is geworden wat er nu nog onder openbare orde moet worden verstaan. De grond ‘’een goede rechtspleging’’ is ook zo een restcategorie. Deze gronden overlappen elkaar dan ook vaak.48

6.11.

Beoordeling van het tweede middel in de Belgische verlofzaak (20/00615 B)

6.11.1.

Uit het hiervoor geciteerde proces-verbaal van de behandeling in raadkamer blijkt dat op 5 november 2019 eerst het klaagschrift ex art 552a Sv is behandeld, daarna de vordering tot verlof in het kader van het Franse rechtshulpverzoek en tot slot – in besloten raadkamer buiten aanwezigheid van de belanghebbenden en hun raadslieden – het Belgische rechtshulpverzoek. Het middel heeft uitsluitend betrekking op de beslissingen in de Belgische verlofzaak en bevat twee deelklachten. De eerste deelklacht is gericht op de vraag of de rechtbank bij de beslissing tot geheime behandeling de juiste maatstaf heeft aangelegd en de tweede deelklacht houdt in dat de rechtbank verzuimd heeft de belanghebbenden op te roepen. Net als de steller van het middel, begin ik met de tweede deelklacht waarover ik kort kan zijn.

Beoordeling tweede deelklacht: wie dient de belanghebbende op te roepen?

6.11.2.

Met de steller van het middel ben ik van oordeel dat uit de gedingstukken inderdaad niet blijkt dat de belanghebbenden zijn opgeroepen in raadkamer en dat het aan de rechtbank – en niet het openbaar ministerie – is om procesdeelnemers op te roepen. Dat betekent echter nog niet dat de gang van zaken in onderhavige zaak tot nietigheid van het onderzoek in raadkamer moet leiden. De overwegingen van de rechtbank, dat de officier van justitie de belanghebbenden bij brief van 25 oktober 2019 heeft opgeroepen voor de behandeling in raadkamer, kunnen naar mijn mening zo worden gelezen dat de rechtbank slechts tot uitdrukking heeft willen brengen dat en waarom de belanghebbenden en hun raadslieden op de hoogte zijn gekomen van de behandeling van de vordering, maar niet, zoals de steller van het middel meent, dat daarmee een (rechtsgeldige) oproeping door de rechtbank (zoals in de wet voorgeschreven) zou hebben plaatsgevonden. Dat laatste heeft de rechtbank gelet op haar overwegingen en beslissing nadrukkelijk ook niet gewild. De toepassing van art. 23 lid 6 Sv houdt immers mede in dat art. 23 lid 2 Sv, waarin is geregeld dat de raadkamer de betrokkenen oproept, buiten toepassing wordt gelaten. Daarbij merk ik nog op dat de rechtbank in dit verband uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat de raadslieden niet zijn opgeroepen.

6.11.3.

De tweede deelklacht faalt.

Beoordeling eerste deelklacht

Heeft de rechtbank de juiste maatstaf toegepast?

6.11.4.

Anders dan de steller van het middel ben ik de mening toegedaan dat de rechtbank telkens de juiste maatstaf heeft aangelegd. Naar aanleiding van het nadrukkelijk verzoek van de Belgische autoriteiten en hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd, heeft de rechtbank met de gewraakte woordkeuze:

“dat de rechtbank ervan uit dient te gaan dat openbaarheid van de behandeling het belang van het onderzoek en een goede rechtspleging ernstig zou schaden en dat door het horen van betrokkenen en hun raadslieden het onderzoek ernstig zal worden geschaad”

klaarblijkelijk willen uitdrukken dat zij van oordeel is dat indien de vordering in het openbaar en/of in aanwezigheid van de belanghebbenden plaatsvindt, het onderzoeksbelang en de goede rechtspleging ernstig zal worden geschaad. Deze zaak verschilt naar mijn mening dan ook met die gevallen waarin de rechtbank slechts had overwogen dat het onderzoeksbelang ernstig geschaad ‘’kan’’ worden49 of waarin werd overwogen dat het opsporingsonderzoek nog volop gaande was en de volkenrechtelijke verplichting tot geheimhouding prevaleert.50

6.11.5.

Anders dan de steller van het middel naar voren brengt, blijkt uit de inhoud van het proces-verbaal dat het bevel tot besloten behandeling steunt vindt in art. 22 lid 2 Sv. Daarbij merk ik nog op dat de rechtbank expliciet art. 22 Sv aanhaalt als grond waarop sluiting is bevolen. De opvatting dat zij specifiek een of meerdere van de in art. 22 genoemde gronden expliciet moet benoemen vindt geen steun in het recht (zie het juridisch kader hiervoor onder 6.10.5 en 6.10.6.).

6.11.6.

In zoverre faalt de eerste deelklacht.

Is het oordeel van de rechtbank begrijpelijk?

6.11.7.

Een andere vraag is of het oordeel van de rechtbank ook begrijpelijk is. De gang van zaken in onderhavige zaak lijkt wat dat betreft sterk op de situatie zoals die aan de orde was in HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2326. Die zaak is door de Hoge Raad gecasseerd wegens het niet toepassen van de juiste maatstaf. AG Vellinga meende in zijn voorafgaande conclusie echter dat het oordeel van de rechtbank ook onbegrijpelijk was gelet op het feit dat de belanghebbenden al grotendeels op de hoogte waren van het buitenlands strafrechtelijk onderzoek en kennis hadden van wat in beslag was genomen.

6.11.8.

In dat verband verdient ook het volgende aandacht. In de onderhavige dossiers bevinden zich geen stukken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de Belgische autoriteiten om geheimhouding hebben verzocht. Ook het rechtshulpverzoek zelf bevat dat verzoek niet. Anders dan in HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5096 is er bijvoorbeeld ook geen mededeling van de Belgische onderzoeksrechter waarin wordt aangegeven dat het onderzoeksbelang ernstig wordt geschaad bij het prijsgeven van het rechtshulpverzoek. Het gestelde onderzoeksbelang wordt dus kennelijk louter gebaseerd op de mededelingen van de officier van justitie, die daar verder geen stukken aan ten grondslag heeft gelegd.

6.11.9.

Daarnaast acht ik nog het volgende van belang:

(i) De Belgische onderzoeksrechter heeft ook niet uit eigener beweging om geheimhouding gevraagd, dat is gelet op de inhoud van de mededelingen van de officier van justitie gebeurd naar aanleiding van het voorleggen van die vraag door de officier van justitie (zie bijlage 8 oorspronkelijk klaagschrift).

(ii) Tijdens de regiebijeenkomst van de rechter-commissaris op 30 januari 2017 heeft de officier van justitie aangegeven dat de Belgische onderzoeksrechter had gemeld geen bezwaar te hebben tegen inzage van processtukken nadat de uitvoering van het rechtshulpverzoek was afgerond. De officier van justitie achtte dat toen nog niet het geval, omdat nog onderzoek moest worden gedaan aan het beslag door de politie. Ten tijde van de zitting van 5 november 2019 was dit onderzoek echter reeds afgerond want de filtering van het beslag was toen naar het oordeel van politie en justitie voltooid.

6.11.10.

De officier van justitie heeft op 16 maart 2017 en 5 november 2019 weliswaar gemeld dat de Belgische autoriteiten hebben aangegeven dat het verzoek tot geheimhouding nog steeds actueel was, maar deze mededeling is weinig concreet, terwijl de situatie mede vanwege het tijdsverloop daarna inmiddels aanzienlijk was gewijzigd. Zo hadden de belanghebbenden reeds kennis genomen van de inbeslagname en het strafrechtelijk onderzoek, mede omdat vanaf 17 april 2018 inzage is verstrekt in het Franse rechtshulpverzoek. Ook waren de belanghebbenden toen op de hoogte van de zoekwoordenlijst (in zowel de Belgische als Franse zaak) en waren zij betrokken geweest bij het filterproces van de geheimhouderstukken.

6.11.11.

Gelet hierop vind ik het oordeel van de rechtbank dat de vordering in de Belgische verlofzaak zowel in een besloten raadkamerzitting als in afwezigheid van de belanghebbenden moest worden behandeld, niet zonder meer begrijpelijk. Daarom ben ik van mening dat het middel slaagt. De rechtbank had meer maatwerk kunnen leveren51 en er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om de vordering wel te behandelen in aanwezigheid van de klagers, maar alleen het rechtshulpverzoek niet te verstrekken (art. 23 lid 5, tweede volzin, Sv) indien dit het onderzoeksbelang zou schaden. Uit de stukken van het geding kan worden afgeleid dat het de Belgische autoriteiten volgens de officier van justitie vooral daarom om te doen was. Maar ook met betrekking tot de weigering tot inzage van het rechtshulpverzoek is het oordeel van de rechtbank niet zonder meer begrijpelijk. De klagers waren immers al op de hoogte van het onderzoek en hadden inzage in het Franse rechtshulpverzoek, dat zich uitstrekte tot vergelijkbare feiten en deels hetzelfde beslag. Bovendien waren de klagers betrokken bij het filteren van het beslag en kregen zij inzage in de zoektermen die door de Belgische autoriteiten werden gebruikt.

6.11.12.

Het tweede middel in de Belgische verlofzaak slaagt. Hoewel op grond hiervan een bespreking van de overige middelen, voor zover zij betrekking hebben op de Belgische verlofzaak, niet meer nodig is, zal ik deze toch bespreken voor het geval de Hoge Raad mij ten aanzien van het tweede middel in de Belgische verlofzaak niet volgt.

7. Inleiding tot de bespreking van de overige middelen: het derde en vierde middel in 20/00615 B (verlofzaken) en het tweede middel in 20/00581 Bv (beklagzaak).

7.1.

De overige nog te bespreken middelen zijn het derde en vierde middel in de verlofzaken en het tweede middel in de klaagschriftprocedure. Gelet op de verwevenheid van de procedures, de inhoud van de beschikkingen en de gelaagdheid van de middelen die diverse deelklachten bevatten, heeft het mij hoofdbrekens geks een structuur te vinden om de middelen in een enigszins toegankelijke en leesbare vorm te bespreken. Dat komt door het volgende:

- Het derde en het vierde middel in respectievelijk de Belgische en Franse verlofzaak en de eerste deelklacht van het tweede middel in de klaagschriftprocedure lees ik zo dat zij alle in essentie de klacht bevatten dat een deel van de inbeslaggenomen voorwerpen en gegevens buiten de reikwijdte van de Belgische en Franse rechtshulpverzoeken vallen en geen 'stukken van overtuiging' zijn, omdat deze redelijkerwijs niet kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen met betrekking tot de feiten waarop de rechtshulpverzoeken betrekking hebben. Als gevolg hiervan, zo is de stelling van de belanghebbenden in de klaagschriftprocedure, verzet het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave van deze voorwerpen. In de verlofprocedures wordt gesteld dat de rechtbank ten aanzien van deze stukken geen verlof had mogen verlenen deze aan de Franse en Belgische autoriteiten over te dragen, althans dit onvoldoende of onbegrijpelijk gemotiveerd heeft.

- In de klaagschriftprocedure en de Franse verlofprocedure (de Belgische verlofprocedure is buiten aanwezigheid van de belanghebbenden behandeld) hebben de belanghebbenden hiertoe ten overstaan van de rechtbank onder meer aangevoerd dat méér digitale gegevens en papieren stukken in beslag zijn genomen, dan waarom in de rechtshulpverzoeken is verzocht en dat dit ook na de filtering nog het geval was.

- In de Belgische verlofprocedure wordt – thans in cassatie – daarnaast nog aangevoerd, dat in het Belgische rechtshulpverzoek is verzocht om doorzoekingen ter inbeslagneming bij verschillende ondernemingen, op verschillende adressen, die geen betrekking hebben op de belanghebbenden. In cassatie wordt dan ook opgekomen tegen het (impliciete) oordeel van de rechtbank dat het gelegd beslag in het kantoorpand van [belanghebbende 2] aan het [b-straat 1] – welk adres niet is vermeld in het rechtshulpverzoek – ‘ter uitvoering van het Belgisch rechtshulpverzoek’ is geschied.

- In de tweede deelklacht van het tweede middel in de klaagschriftprocedure wordt ook nog geklaagd over het (eveneens impliciete) oordeel van de rechtbank dat de wijze waarop beslag is gelegd, mede gelet op het daarop gevolgde onderzoek, rechtmatig en proportioneel is geweest.

- Tot slot richt de derde deelklacht van het tweede middel in de klaagschriftprocedure zich tegen de omstandigheid dat de rechtbank heeft nagelaten in haar beschikking van 19 november 2019 de met de gedeeltelijke gegrondverklaring van het klaagschrift overeenkomende last te geven, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de belanghebbenden.

7.2.

Om enige orde aan te brengen in de bespreking van deze kluwen van middelen en klachten heb ik ervoor gekozen:

(i) eerst het juridische kader te schetsen dat voor alle middelen van belang is;

(ii) Daarna zal ik de inhoud van de bestreden beschikkingen weergeven.

(iii) Vervolgens zal ik telkens per middel samenvatten waarover wordt geklaagd en de uit het dossier de relevante stukken aanhalen of beschrijven die in dat kader nog van belang zijn.

(iv) Ik rond vervolgens af met een gezamenlijke beoordeling van de middelen, voor zover deze dezelfde klachten bevatten en zal de resterende deelklachten afzonderlijk bespreken. Daarbij hanteer ik het uitgangspunt dat ook een klacht tegen de ene beschikking kan worden verworpen c.q. gegrond worden verklaard indien de (on)gegrondheid van die klacht voldoende blijkt uit een of meerdere van de andere beschikkingen.52

8. Juridisch kader van het derde en vierde middel in 20/00615 B (verlofzaken) en het tweede middel in 20/00581 Bv (beklagzaak)

8.1.

In onderhavige zaken is art. 552p (oud) van toepassing:


‘’ 1. De rechter-commissaris doet het verzoek, na bijvoeging van de processen-verbaal van de door hem afgenomen verhoren en van die van zijn verdere verrichtingen, zo spoedig mogelijk teruggaan naar de officier van justitie.

2. De door de rechter-commissaris in beslag genomen stukken van overtuiging en onder hem berustende gegevensdragers waarop gegevens zijn opgenomen die zijn vergaard met gebruikmaking van enige strafvorderlijke bevoegdheid worden ter beschikking van de officier van justitie gesteld, voor zover de rechtbank, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, daartoe verlof verleent. De afgifte aan buitenlandse autoriteiten van door de officier van justitie in beslag genomen stukken van overtuiging en de onder hem berustende gegevensdragers waarop gegevens zijn opgenomen die zijn vergaard met gebruikmaking van strafvorderlijke bevoegdheden ter inbeslagneming geschiedt eveneens voor zover de rechtbank, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, daartoe verlof verleent.

3. Tenzij aannemelijk is dat de rechthebbenden op de in beslag genomen stukken van overtuiging niet in Nederland verblijf houden, wordt het krachtens het vorige lid vereiste verlof slechts verleend onder het voorbehoud, dat bij de afgifte aan de buitenlandse autoriteiten wordt bedongen, dat de stukken zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.

4. Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 116 tot en met 119, 552a en 552ca tot en met 552e is ten aanzien van het gestelde in het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing. In de plaats van het volgens die artikelen bevoegde gerecht treedt de rechtbank die bevoegd is tot het verlenen van het krachtens het tweede lid van dit artikel vereiste verlof.’’

8.2.

Kortom, de rechter-commissaris dient het verzoek om rechtshulp, na bijvoeging van de processen-verbaal van de door hem afgenomen verhoren en die van zijn verdere verrichtingen, zo spoedig mogelijk te retourneren aan de officier van justitie (lid 1). De door de rechter-commissaris en officier van justitie inbeslaggenomen stukken van overtuiging en gegevensdragers waarop gegevens zijn opgenomen die zijn vergaard met gebruikmaking van enige strafvorderlijke bevoegdheid, mogen slechts door de officier van justitie worden overgedragen aan de buitenlandse autoriteiten voor zover de rechtbank – met inachtneming van het toepasselijke verdrag – daartoe verlof heeft verleend (lid 2). De rechtbank heeft in dat kader vastgesteld dat de rechtshulpverzoeken zijn gegrond op het Europees Verdrag aangaande wederzijdse hulp in strafzaken.53 Het bepaalde bij en krachtens de art. 116 tot en met 119, 552a en 552ca tot en met 552e Sv is van overeenkomstige toepassing (lid 4).54

8.3.

Teneinde het hiervoor bedoelde verlof te verkrijgen zal de officier van justitie een vordering tot verlof indienen. Bij de beoordeling door de rechtbank hiervan geldt dat in beginsel aan een rechtshulpverzoek zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven.55 Van inwilliging van het verzoek kan slechts worden afgezien indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen, die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag onderscheidenlijk de wet, in het bijzonder art. 552l (oud56) Sv, dan wel indien door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht.57 Het uitgangspunt dat aan het rechtshulpverzoek zoveel mogelijk het verlangde gevolg wordt gegeven, neemt echter niet weg dat het aan de rechter is te toetsen of aan de wettelijke voorschriften is voldaan.

8.4.

Art. 552o lid 3 (oud) Sv bepaalt in dat verband dat vatbaar voor inbeslagneming, overeenkomstig lid 1 van dit artikel, stukken van overtuiging zijn die daarvoor vatbaar zouden zijn indien het feit, in verband waarmee de rechtshulp is gevraagd, in Nederland was begaan en dat feit aanleiding kan geven tot uitlevering aan de verzoekende staat. Stukken van overtuiging zijn dus, gelet op art. 94 lid 1 Sv, stukken die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen met betrekking tot het feit waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft.58 Daarbij is niet vereist dat de stukken gebruikt worden voor het bewijs van het ten laste gelegde feit. Voorwerpen kunnen bijvoorbeeld ook van belang zijn voor het aantonen van de toepasselijkheid van een strafuitsluitingsgrond.59 Wel zal de rechter moeten toetsen of de stukken kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding.60

9 De inhoud van de bestreden beschikkingen

De Belgische verlofbeschikking

9.1.

De beschikking van 19 november 2019 in de Belgische verlofzaak houdt, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:

‘’De rechtbank verleent verlof aan de rechter-commissaris om aan de officier van justitie bij deze rechtbank op de voet van het bepaalde in artikel 552p (oud) Sv, ter beschikking te stellen de, ter uitvoering van het verzoek om rechtshulp d.d. 4 augustus 2015 (en aangevuld d.d. 31 maart 2016), in beslag genomen voorwerpen, zoals vermeld op de bij de vordering van de officier van justitie gevoegde en aan deze beschikking gehechte bijlage, ter overdracht aan de verzoekende Belgische autoriteiten.’’

9.2.

In de hiervoor genoemde bijlage bij de beschikking staat het volgende:

‘’Bijlage bij de vordering 552p lid 2 Sv d.d. 23 oktober 2018

[b-straat 1] [plaats]

Lijst van inbeslaggenomen stukken van overtuiging:

- één zwarte ordner administratie ( […] .a.44.001/5276212);

- deel administratie uit ordner ‘netsize cont’ ( […] .e.01.002/5276232);

- administratie ( […] .a.40.003/5276234);

- administratie ( […] .a.40.001/5276235 & […] .a.40.002/5276244) met uitzondering van de twee documenten die door de rechtercommissaris als geheimhouderstukken werden aangemerkt bij proces-verbaal van 4 augustus 2017;

- één witte ordner administratie ( […] .a.43.001/5276217);

- door medewerker uitgeprinte gegevens vanpr( […] .a.01.001/5276221V

- administratie ( […] .a.3 0.001/5276224);

- blauw schriftje, middelste lade van ladeblok ( […] .d.24.001/5276625);

deel administratie afkomstig van bureau 8 ( […] .a.8.001/5276226);

- administratie ( […] .a.41.002/5276228);

- deel administratie uit ordner ‘netsize cont’ ( […] .e.01.001/5276229);

- administratie ( […] . a.41.001/5276230);

- De van de kantoorserver veiliggestelde data, zoals beschreven in het proces-verbaal van de politie eenheid Amsterdam d.d. 27 oktober 2016, met pv nummer 2015149288;’’

De Franse verlofbeschikking

9.3.

De beschikking van 19 november 2019 in de Franse verlofzaak houdt, voor zover in cassatie nog van belang, het volgende in:


‘’2. Het standpunt van de betrokkenen

Gefilterd deel van het beslag

De raadslieden van betrokkenen hebben in raadkamer naar voren gebracht dat primair geen verlof dient te worden verleend ten aanzien van de gefilterde data (afkomstig van de image van de (op de [a-straat] in beslag genomen) Samsung Notebook en aan het digitale beslag (kopie van de op het [b-straat 1] in beslag genomen server)), nu een deel van deze data buiten de scope van het Franse rechtshulpverzoek valt. Weliswaar zijn de data gefilterd op door Frankrijk aangeleverde zoektermen die verband houden met de verdenking, maar dit betreft een aantal (te) algemene termen. Bovendien bevatten de data bijvoorbeeld stukken van voor 1 januari 2012, dus van voor de in het rechtshulpverzoek genoemde pleegperiode. Om die reden moet het ervoor worden gehouden dat niet alle data kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding.
Subsidiair hebben de raadslieden verzocht de behandeling van de verlofvraag aan te houden totdat betrokkenen de data inhoudelijk hebben kunnen controleren op relevantie. Zij vinden niet begrijpelijk dat dit tot op heden niet aan de betrokkenen is toegestaan, nu het immers om data gaat die bij betrokkenen vandaan komen en die dus toch al bij hen bekend zijn.
Ongefilterd deel van het beslag

De raadslieden hebben in raadkamer naar voren gebracht dat primair geen verlof dient te worden verleend ten aanzien van de niet-gefilterde data afkomstig van onder meer vier harde schijven en het ‘papieren’ beslag, nu deze informatie niet is gefilterd en derhalve een deel van de data en stukken buiten de scope van het Franse rechtshulpverzoek valt.

Subsidiair hebben de raadslieden verzocht de behandeling van de verlofvraag aan te houden totdat betrokkenen de data inhoudelijk hebben kunnen controleren op relevantie.
3. Het standpunt van de officier van justitie

Gefilterd deel van het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat verlof zal worden verleend ten aanzien van het gefilterde deel van het beslag. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor data van voor 1 januari 2012 omdat nog sprake is van een verdenking. Bovendien betreft de vraag welke stukken naar het oordeel van Frankrijk kunnen worden aangemerkt als stukken van overtuiging een vraag van bewijsrechtelijke aard.

Ongefilterd deel van het beslag

De officier van justitie heeft in raadkamer meegedeeld dat zij haar vordering wenst te wijzigen, in die zin dat bijlage I (die ziet op de doorzoeking van de Frans van ’Mierisstraat) niet langer bevat:

• (de uitgelezen bestanden van) één Apple iPad, type Al396, chroomkleurig (5275585);

• (de uitgelezen bestanden van) één Apple iPad mini, type A1432, kleur grijs (5275589).

De officier van justitie heeft verzocht verlof te verlenen voor de overige in de bijlagen bij de vordering genoemde stukken van overtuiging.


Indien de rechtbank van oordeel is dat de nog niet gefilterde uitgelezen bestanden moeten worden gefilterd voordat daar verlof voor kan worden verleend, heeft de officier van justitie aangevoerd dat dezelfde procedure dient te worden gevolgd als is gevolgd met betrekking tot de image en het digitale beslag.


4. De beoordeling.

Het verzoek is gedaan in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen bovengenoemde persoon en rechtspersonen ter zake van de verdenking dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan de feiten, zoals in het rechtshulpverzoek omschreven. Het verzoek is gegrond op de hierna te vermelden verdragen. Het verzoek betreft stukken van overtuiging die vatbaar voor inbeslagneming zouden zijn, indien de feiten in Nederland waren begaan. De feiten zijn zowel naar Frans recht als naar Nederlands recht strafbaar gesteld met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste zes maanden.


Gefilterd deel van het beslag

De rechtbank constateert dat een deel van het digitale beslag op relevantie is gefilterd aan de hand van een door de Franse autoriteiten aangeleverde zoekwoordenlijst. Dit is over het algemeen een aanvaardbare wijze van het uitfilteren van voor het Franse onderzoek relevante gegevens, mits de zoektermen voldoende relevant en specifiek zijn voor dat onderzoek en dus niet een te ruim net over de inbeslaggenomen data werpen waardoor een onaanvaardbare hoeveelheid irrelevante gegevens naar Frankrijk zouden worden overgedragen. Daarbij merkt de rechtbank op dat enige bijvangst (irrelevante gegevens) tot op zekere hoogte onvermijdelijk zal zijn bij de inbeslagname en overdracht van grote hoeveelheden digitale gegevens. Het belang van een effectieve en doelmatige rechtspleging moet worden afgezet tegen het belang van de betrokkenen om die bijvangst te minimaliseren.

De rechtbank is van oordeel dat de door Frankrijk aangeleverde zoektermen in dit verband specifiek genoeg zijn. De rechtbank is het niet eens met de stelling van de raadslieden dat woorden als ‘prijs’, ‘winnaars’, ‘Apple’ en ‘iPhone’ zo algemeen zijn dat daarmee een onaanvaardbaar ruime selectie wordt gemaakt. Dit zijn immers geen termen die in de gemiddelde administratie, bedrijfsstukken of correspondentie voortdurend voorkomen. De raadslieden hebben niet gesteld dat/waarom dat in het geval van de betrokkenen anders zou zijn. Deze zoektermen (en de andere woorden op de lijst) zijn anderzijds klaarblijkelijk relevant voor het Franse onderzoek en niet denkbaar is hoe het opnemen van deze/dergelijke woorden in de woordenlijst te vermijden zou zijn zonder het onderzoeksbelang aanzienlijk te schaden. De veiliggestelde data die na het digitale filteronderzoek aan de image van de Samsung Notebook en aan het digitale beslag zijn overgebleven, moeten worden aangemerkt als stukken van overtuiging waar Frankrijk expliciet om heeft verzocht. Het proportionaliteitsvereiste is in acht genomen.

Dat na de filtering stukken zijn overgebleven die dateren van vóór de genoemde pleegperiode brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De officier van justitie heeft terecht opgemerkt dat die datering nog niet wil zeggen dat die stukken niet relevant zouden zijn voor het onderzoek. De rechtbank weet bovendien niet of het gaat om véél stukken uit mogelijk minder relevante periodes: Dat de filtering ook deze stukken heeft overgelaten, wil daarom niet zonder meer zeggen dat de filtering een onaanvaardbare hoeveelheid bijvangst heeft overgelaten.

Aldus is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat ten aanzien van het gefilterd deel van het beslag sprake is van stukken van overtuiging. De rechtbank zal met betrekking tot deze data verlof verlenen.

De rechtbank ziet geen aanleiding de behandeling van de verlofvraag aan te houden teneinde betrokkenen in de gelegenheid te stellen de data inhoudelijk te beoordelen op relevantie. De verdediging is nauw betrokken geweest bij en heeft inspraak gehad over de procedure van het digitale filteronderzoek. Echter, het voert te ver de verdediging op detailniveau inspraak op individuele stukken te geven. De rechtbank heeft de gehanteerde filterprocedure beoordeeld en aanvaard. Het belang van een effectieve en doelmatige rechtspleging staat er aan in de weg dat in het kader van deze procedure over de relevantie van ieder afzonderlijk stuk gedebatteerd zou moeten worden. De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek dan ook af.

Ongefilterd deel van het beslag
De rechtbank is ten aanzien van het (op de [a-straat] in beslag genomen) ongefilterde deel van het beslag – voor zover het ziet op uitgelezen digitale bestanden – van oordeel dat deze data zullen moeten worden gefilterd op door Frankrijk aangeleverde zoektermen die verband houden met de verdenking, voordat verlof kan worden verleend.


Anders dan het gefilterde deel van het beslag is nu onvoldoende gebleken dat ten aanzien van al deze ongefilterde bestanden (steeds) sprake is van stukken van overtuiging. Mede gelet op het proportionaliteitsvereiste dienen deze bestanden nog te worden gefilterd. Daarbij heeft de rechtbank in ogenschouw genomen dat de filterprocedure reeds is bepaald en door de rechtbank aanvaardbaar is geacht, zodat het herhalen van dezelfde procedure voor de rest van het digitale beslag geen discussie en weinig vertraging meer zou moeten opleveren.


Dit is anders voor wat betreft de (op de [a-straat] in beslag genomen) schriftelijke/papieren stukken. Mede gelet op de opschriften en titels van de stukken is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat sprake is van stukken van overtuiging. Voorts heeft de verdediging onvoldoende onderbouwd om welke reden deze stukken eveneens gefilterd zouden moeten worden. De rechtbank zal met betrekking tot de schriftelijke/papieren stukken dan ook verlof verlenen.


De rechtbank ziet geen aanleiding betrokkenen – nadat de uitgelezen digitale bestanden zijn uitgefilterd – in staat te stellen de data inhoudelijk te controleren op relevantie. Zoals hiervoor uiteengezet is de rechtbank van oordeel dat het ongefilterde deel van het beslag – voor zover het ziet op uitgelezen digitale bestanden – alsnog zal moeten worden gefilterd. Op deze manier wordt reeds tegemoet gekomen aan de belangen van de verdediging. Echter, het voert – zoals hiervoor vermeld – te ver de verdediging op detailniveau inspraak op individuele stukken te geven. Om deze reden wijst de rechtbank dit verzoek af.


Conclusie

Nu aan alle daarvoor in de wet en de toepasselijke verdragen gestelde eisen is voldaan en zich geen belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit de toepasselijke verdragen onderscheidenlijk de wet, terwijl door de inwilliging van het rechtshulpverzoek evenmin wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht, zal de rechtbank het gevraagde verlof verlenen ten aanzien van:

Bijlage I (die ziet op de doorzoeking van de [a-straat] )

• (de definitieve en uitgefilterde data uit) één Samsung Notebook, type NP900x3e, kleur zwart (5275620);

• alle op de bijlage I genoemde schriftelijke/papieren stukken van overtuiging;

Bijlage II (die ziet op de doorzoeking van het [b-straat 1] )
• alle op de bijlage II genoemde stukken van overtuiging, met dien verstande dat de rechtbank onder de van de kantoor server veiliggestelde data (...) verstaat: (de definitieve en uitgefilterde data uit) de van de kantoorserver veiliggestelde data (...).

Voorts zal de rechtbank – gelet op het standpunt van de officier van justitie – géén verlof verlenen ten aanzien van:

Bijlage I (die ziet op de doorzoeking van de [a-straat] )

• (de uitgelezen bestanden van) één Apple iPad, type A1396, chroomkleurig (5275585);

• (de uitgelezen bestanden van) één Apple iPad mini, type A1432, kleur grijs (5275589).

Tot slot zal de rechtbank de behandeling van de verlofaanvraag heropenen en aanhouden omtrent het gevraagde verlof ten aanzien van:
Bijlage I (die ziet op de doorzoeking van de [a-straat] )

• (de uitgelezen bestanden van) één Apple MacBook, chroomkleurig (5275582);

• (de uitgelezen bestanden van) één Sony Notebook, type PCG-71211m, zilverkleurig (5275620);

• (de uitgelezen bestanden van) één Apple iMac, chroomkleurig (5275592);

• (de uitgelezen bestanden van) één Western Digital harde schijf, kleur zwart, serienummer WCAU46719064 (5275593);

• (de uitgelezen bestanden van) één Western digital harde schijf, kleur zwart, serienummer WXM1AA3A2710 (5275597);

• (de uitgelezen bestanden van) één Lacie harde schijf, chroomkleurig (5275601);

• (de uitgelezen bestanden van) één Lacie harde schijf, kleur zwart (5275608);

• (de uitgelezen bestanden van) één Sony Vaio Notebook, type PCG-6Q2M, kleur zwart (5275614),

nu de rechtbank van oordeel is dat deze uitgelezen bestanden eerst moeten worden gefilterd op door Frankrijk aangeleverde zoektermen die verband houden met de verdenking.
Digitale filteronderzoek

De rechter-commissaris heeft in haar proces-verbaal van bevindingen van 10 december 2018 vermeld dat de procedure van het digitale filteronderzoek aan de image van de Samsung Notebook in overleg met procespartijen is afgestemd. Voorafgaand aan deze procedure hebben op 5 juli 2018 en op 1 oktober 2018 overleggen plaatsgevonden waar (procedurele) afspraken zijn gemaakt met alle betrokken partijen. De gevolgde procedure is – inclusief de zoekwoordenlijst van Frankrijk – vastgelegd in een proces-verbaal van bevindingen van 29 november 2018. Dit digitale filteronderzoek bestond eruit dat – kort gezegd – de data van de image eerst zijn gefilterd op door Frankrijk aangeleverde zoektermen die verband houden met de verdenking, waarna die hits zijn gefilterd op door de verdediging aangeleverde zoektermen die verband houden met geheimhouders. Vervolgens zijn op verzoek van de verdediging resterende aangetroffen foto’s verwijderd.
Blijkens de processen-verbaal van 26 oktober 2018 en 28 juni 2019 van de digitaal rechercheur is dezelfde procedure gevolgd met betrekking tot het digitale filteronderzoek aan het digitale beslag, met dien verstande dat de data in dit geval eerst zijn gefilterd op door Frankrijk en België aangeleverde zoektermen.
De rechtbank is van oordeel dat deze procedure ook dient te worden gevolgd met betrekking tot het ongefilterde deel van het beslag – voor zover het ziet op uitgelezen digitale bestanden – waarbij kan worden volstaan met het filteren op de zoektermen die zijn aangeleverd door Frankrijk. Immers, er is geen sprake van geheimhouderstukken en het Belgisch rechtshulpverzoek is in deze procedure niet relevant. In dit kader merkt de rechtbank voorts op dat het niet de bedoeling is dat de procedure opnieuw wordt bedacht/opgezet of dat procespartijen wederom in de gelegenheid worden gesteld zich over de procedure uit te laten. Evenmin is vereist dat Frankrijk om zoekwoorden wordt gevraagd, nu deze lijst reeds is overgelegd en niet de verwachting bestaat dat deze lijst is gewijzigd. Aldus kan naar het oordeel van de rechtbank de uitfilteringsprocedure zo spoedig mogelijk in gang worden gezet.’’

9.4.

De hiervoor bedoelde bijlagen I en II bij de beschikking houden het volgende in:


Bijlage I:

‘ [a-straat 1] [plaats]

Lijst van inbeslaggenomen stukken van overtuiging:


• één Apple Macbook, chroomkleurig (5275582);

• één Sony Notebook, typePCG-71211m, zilverkleurig (5275620);

• een Samsung Notebook, type NP900x3e, kleur zwart (5275625);

• één Apple iPad, type A1396 chroomkleurig (5275585);

• één Apple iPad mini, type A1432, kleur grijs (5275589);

• één Apple iMac, chroomkleurig (5275592);

• één Western Digital harde schijf, kleur zwart, serienummer WCAU46719064 (5275597);
• één Western Digital harde schijf serienummer WXM1AA3A2710 (5275597);

• één Lacie harde schijf, chroomkleurig (5275601);

• één Lacie harde schijf, kleur zwart (5275608);

• één Sony Vaio Notebook, type PCG-6Q2M, kleur zwart (5275614);
(bovenstaande gegevensdragers zijn door de politie Amsterdam uitgelezen en teruggegeven aan de beslagene. Het verlof ex artikel 552p lid 2 Sv wordt gevraagd voor de uitgelezen bestanden).


• één rode map met opschrift “Rules 2010” (5275607);

• één document “Rapport Rules 2008” (5275648);

• één Aangifte Vennootschapsbelasting 2008 Rules (5275652);

• eén Aangifte Vennootschapsbelasting 2011 Rules (5275653);

• één Aangifte Inkomstenbelasting 2011 Rules (5275654);

• één Aangifte Inkomstenbelasting 2011 K. Bodor (5275655);

• één Aangifte Vennootschapsbelasting 2009 Rules (5275656);

• één Aangifte Vennootschapsbelasting 2010 Rules (5275657);

• één zwarte map met opschrift “Rules 2011” (5275623);

• één rode map met opschrift “ [I] 2010” (5275630);

• één gele map met opschrift “Rules 2009” (5275637);

• één gele map met opschrift “Rules 2007/2008” (5275640);

• één gele map met opschrift “Rules 2009 facturen” (5275641);

• één gele map met opschrift “Rules 2009 betaalrekening” (5275643):

• één jaarrekening [I] 2011 (5275646);

• één jaarrekening Rules 2009 (5275647);’’


Bijlage II:
‘’ [b-straat 1] [plaats]
Lijst van inbeslaggenomen stukken van overtuiging:

Lijst van inbeslaggenomen stukken van overtuiging:

• één zwarte ordner administratie ( […] .a.44.001/5276212);

• deel administratie uit ordner ‘netsize cont’ ( […] .e.01.002/5276232);

• administratie ( […] .a.40.003/5276234);

• administratie ( […] .a.40.001/5276235 & […] .a.40.002/5276244) met uitzondering van de twee documenten die door de rechtercommissaris als geheimhouderstukken werden aangemerkt bij proces-verbaal van 4 augustus 2017;

• één witte ordner administratie ( […] .a.43.001/5276217);

• door medewerker uitgeprinte gegevens vanpr( […] .a.01.001/5276221V

• administratie ( […] .a.3 0.001/5276224);

• blauw schriftje, middelste lade van ladeblok ( […] .d.24.001/5276625);

deel administratie afkomstig van bureau 8 ( […] .a.8.001/5276226);

• administratie ( […] .a.41.002/5276228);

• deel administratie uit ordner ‘netsize cont’ ( […] .e.01.001/5276229);

• administratie ( […] . a.41.001/5276230);

• De van de kantoorserver veiliggestelde data, zoals beschreven in het proces-verbaal van de politie eenheid Amsterdam d.d. 27 oktober 2016, met pv nummer 2015149288;’’

De beschikkingenen op het klaagschrift ex art. 552a Sv

9.5.

De op 30 maart 2017 door de rechtbank gegeven tussenbeschikking op het klaagschrift vermeldt, voor zover in cassatie nog van belang, het volgende:


‘’2. Inhoud klaagschrift en standpunt klagers

(…)

2.3. De omvang van het digitale beslag is disproportioneel.

Tijdens de doorzoeking in het bedrijfspand zijn er diverse documenten in beslag genomen. Ook is er een kopie gemaakt van digitale gegevens van de server (hierna ook: het digitaal beslag). Dit betreft 100 gigabyte, en bevat miljoenen pagina’s aan excelbestanden, e-mails en pdf-bestanden. Tijdens de regiebijeenkomst op 30 januari 2017 bij de rechter-commissaris is door rechercheur [verbalisant] meegedeeld dat het om meer dan 40.000 bestanden gaat.

De officier van justitie heeft tijdens de doorzoeking meegedeeld dat er op deze wijze meer in beslag is genomen dan uiteindelijk op grond van de rechtshulpverzoeken aan de Belgische en Franse autoriteiten zal worden verstrekt.


De raadslieden hebben reeds tijdens de doorzoeking bezwaar gemaakt tegen de gevolgde werkwijze en de inbeslagneming/vastlegging van de digitale gegevens en verzocht om verzegeling van de door de politie gemaakte kopie van de digitale gegevens uit het bedrijfspand en deze verzegeling in stand te laten tot de rechtbank zich heeft uitgelaten over de (on)rechtmatigheid van de inbeslagneming/vastlegging.

Klagers stellen vast dat er zonder enige concrete selectie een kopie is gemaakt van vrijwel de gehele harde schijf. Dit voert klagers te ver, mede in verband met het feit dat de in beslag genomen/vastgelegde digitale gegevens vertrouwelijke en concurrentiegevoelige informatie behelzen. Door de integrale inbeslagneming/vastlegging van digitale gegevens kan niet worden gesteld dat enkel inbeslaggenomen/vastgelegd zijn gegevens die (beweerdelijk) verband houden met de Franse en/of Belgische strafzaak. Terwijl dit een voorwaarde is voor beslag/vastlegging op grond van artikel SS2o lid 3 juncto artikel 94 Sv. De omvang van het digitale beslag is dusdanig groot dat de relatie met het rechtshulpverzoek kennelijk al bij voorbaat ver te zoeken was.
Daarnaast staat het Openbaar Ministerie een nadere selectie voor door een geheimhoudermedewerker, niet onder leiding van de rechter-commissaris, en een tweede selectie, van het overgebleven beslag, door het opsporingsteam zelf.

Het is van belang, juist bij een doorzoeking niet onder leiding van een rechter-commissaris, dat de selectie onder rechterlijk toezicht plaatsvindt omdat alleen dan inbeslagneming met selectie achteraf aanvaardbaar is. Verder is van belang dat het rechterlijk verlof tot de verstrekking van de gegevens aan de buitenlandse autoriteiten ook al marginaal zal zijn en bovendien geen toezicht zal geven op de dan reeds gebruikte zoektermen. Het is dan te laat om rechterlijk toezicht op het selectieproces en de selectie in deze zaak te laten plaatsvinden.
Tijdens de doorzoeking had in ieder geval eenvoudig met zoektermen gewerkt kunnen worden zodat alleen de “hits” waren bekeken en de rest van de bestanden niet.

Op grond hiervan verzoeken klagers dat de rechtbank primair beslist dat de inbeslagneming van de digitale gegevens in het bedrijfspand, alsook de voortduring van het beslag, het gebruik en de kennisneming van het beslag onrechtmatig is geweest nu de omvang daarvan de reikwijdte van de rechtshulpverzoeken in grote mate te buiten gaat en voor grote delen van het beslag geen strafvorderlijk belang bestaat. Het klaagschrift dient op grond hiervan gegrond verklaard te worden, het beslag dient te worden opgegeven en de digitale gegevens dienen vernietigd te worden.

Subsidiair verzoeken klagers het laten selecteren (door een digitaal rechercheur niet aan het onderzoek verbonden) van de gegevens onder leiding van de rechter-commissaris, aan de hand van zoektermen die in overleg met de verdediging bepaald zullen worden.
(…)
4. Het oordeel van de rechtbank
(…)

4.4. Rechtmatigheid van het beslag

De klacht van klagers dat de disproportioneel ruime vordering de inbeslagneming van de digitale gegevens onrechtmatig maakt wegens strijd met het proportionaliteitsvereiste, wordt verworpen.

De rechtbank stelt vast dat de in beslagname van de goederen gebaseerd kan worden op voornoemde rechtshulpverzoeken en niet in strijd is met het proportionaliteitsvereiste.

Ingevolge artikel 125i Sv kunnen bij een doorzoeking aangetroffen gegevens die op een gegevensdrager zijn opgeslagen, worden vastgelegd in het belang van het onderzoek. Gegevens die op inbeslaggenomen gegevensdragers worden aangetroffen, kunnen in het belang van het onderzoek eveneens worden vastgelegd. Het gebruik van gegevensdragers ten behoeve van het vastleggen van gegevens als hiervoor bedoeld, is niet in strijd met het recht. Dat wellicht door het kopiëren van bestanden op de server meer gegevens zijn opgeslagen dan uiteindelijk in het kader van de rechtshulpverzoeken, indien daartoe verlof wordt verleend, zullen worden overgedragen, is onontkoombaar gezien de enorme hoeveelheid data die bij de doorzoekingen zijn aangetroffen, waarbij geldt dat computerbestanden of e-mailboxen zich naar hun aard niet lenen voor eenvoudig gespecificeerde inbeslagneming en afzonderlijk onderzoek.

De rechtbank oordeelt dat de inbeslagname van de gegevensdragers, waaronder de gemaakte kopie van diverse bestanden/data op de server van [belanghebbende 2] rechtmatig is geschied. Hierbij geldt tevens dat daarbij het proportionaliteitsvereiste in acht is genomen, nu deze werkwijze voor klagers het minst bezwaarlijk is.


4.5. Belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave/vernietiging

In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, of klagers redelijkerwijs als rechthebbenden van de inbeslaggenomen goederen kunnen worden aangemerkt. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Daarbij geldt dat het belang van strafvordering zich verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor – in dit geval – artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.

Nu het onderzoek naar de inbeslaggenomen bestanden/data nog gaande is, zal de rechtbank het verzochte verbod op het gebruik van de gegevens afwijzen evenals de verzochte last tot teruggave van de inbeslaggenomen bestanden.

Gelet op het bovenstaande en nu niet gebleken is dat er enig ander gebrek aan de doorzoekingen, inbeslagnemingen en de vastlegging van de opgeslagen gegevens kleeft, acht de rechtbank de doorzoeking, inbeslagname en de vastlegging van de opgeslagen gegevens rechtmatig.
(…)
Gesteld noch gebleken is dat het belang van strafvordering het voorduren van het beslag niet langer vordert, zodat ook hierin geen aanleiding wordt gezien om de teruggave aan de rechthebbenden te gelasten.
(…)
5. Beslissing

(…)

De rechtbank verklaart het beklag ONGEGROND voor zover het beklag zich richt tegen de inbeslagname, de voortduring, kennisneming en het gebruik van de administratieve stukken en de digitale gegevens, niet zijnde geheimhoudersstukken;

De rechtbank HEROPENT en SCHORST de behandeling in raadkamer voor onbepaalde tijd om de uitkomst van de ten aanzien van de gestelde geheimhoudersstukken reeds door de rechter-commissaris in gang gezette procedure ex artikel 98 Sv af te wachten.

De rechtbank VERWIJST de zaak daartoe naar de rechter-commissaris.

(…)’’

9.6.

De op 1 mei 2018 door de rechtbank gegeven tussenbeschikking op het klaagschrift houdt onder andere het volgende in:


‘’Stand van zaken

Bij haar tussenbeschikking van 30 maart 2017 heeft de rechtbank het beklag ongegrond verklaard voor zover dat betrekking heeft op niet-geheimhoudersstukken. De heropening heeft primair betrekking op de vraag of zich geheimhoudersstukken in het beslag bevinden en hoe daaromtrent moeten worden beslist.

(…)

De beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissingen.

De rechtbank:

VERKLAART het klaagschrift ten aanzien van de op het [b-straat 1] in beslag genomen en door de rechter-commissaris genummerde stukken 1 en 2 gegrond en gelast - voor zover dat nog niet is geschied - de teruggave daarvan aan klagers,

VERKLAART het klaagschrift ten aanzien van de op het [b-straat 1] in beslag genomen en door de rechter-commissaris genummerde stukken 3 t/m 7 ongegrond,

De rechtbank:

HEROPENT en SCHORST de behandeling in raadkamer voor onbepaalde tijd om de uitkomst van de uitfrltering van geheimhoudersstukken uit de image (van de op de [a-straat] in beslag genomen Samsung notebook) en uit het digitale beslag (kopie server [b-straat 1] ) af te wachten,

verwijst de zaak met betrekking tot de image van de op de [a-straat] in beslag genomen Samsung notebook naar de rechter-commissaris, teneinde in overleg met de officier van justitie alsnog de procedure ex artikel 98 Sv op de minst schadetoebrengende wijze uit te voeren.’’

9.7.

De op 19 november 2019 door de rechtbank gegeven eindbeschikking op het klaagschrift houdt het volgende in:


‘’2. De stand van zaken

Na de tussenbeschikking van 30 maart 2017 had de heropening uitsluitend betrekking op de vraag of zich geheimhouderstukken in het beslag bevinden en hoe daaromtrent moest worden beslist.

Na op de tussenbeschikking van 1 mei 2018 had de heropening nog betrekking op het afwachten van de uitkomst van de uitfiltering van geheimhouderstukken uit de image (van de op de [a-straat] in beslag genomen Samsung Notebook) en uit het digitale beslag (kopie van de op het [b-straat 1] in beslag genomen server).


Image van de Samsung Notebook
De rechter-commissaris heeft in haar proces-verbaal van bevindingen van 10 december 2018 uiteengezet dat het digitale filteronderzoek aan de image van de (op de [a-straat] in beslag genomen) Samsung Notebook is voltooid.

Dit digitale filteronderzoek bestond eruit dat de data van de image eerst zijn gefilterd op door Frankrijk aangeleverde zoektermen die verband houden met de verdenking, waarna de hits zijn gefilterd op door de verdediging aangeleverde zoektermen die verband houden met geheimhouders. Vervolgens zijn op verzoek van de verdediging resterende aangetroffen foto’s verwijderd. De veiliggestelde data die middels dit digitale filteronderzoek zijn overgebleven, bevatten dus nog slechts materiaal waar Frankrijk om heeft verzocht en waar alle geheimhouderstukken uit zijn verwijderd.

Kopie van de server
De digitaal rechercheur heeft in zijn processen-verbaal van 26 oktober 2018 en 28 juni 2019 uiteengezet dat het digitale filteronderzoek aan het digitale beslag (kopie van de op het [b-straat 1] in beslag genomen server) eveneens is voltooid.


Kort gezegd is bij dit filteronderzoek dezelfde procedure gevolgd als omschreven met betrekking tot de image, met dien verstande dat de data in dit geval eerst zijn gefilterd op door Frankrijk en België aangeleverde zoektermen. De veiliggestelde data die middels dit digitale filteronderzoek zijn overgebleven, bevatten dus nog slechts materiaal waar Frankrijk en/of België om heeft verzocht en waar alle geheimhouderstukken uit zijn verwijderd.


3. Het standpunt van de klagers

Geheimhouderstukken: image van de Samsung Notebook

De raadslieden hebben in raadkamer verklaard dat het beklag ten aanzien van de geheimhouderstukken niet wordt gehandhaafd voor zover dit betrekking heeft op de image uit de Samsung Notebook. Klagers hebben geen belang meer bij voortzetting van het beklag, nu hieraan wat betreft de geheimhoudergegevens tegemoet is gekomen.

Geheimhouderstukken: kopie van de server

De raadslieden hebben in raadkamer verklaard dat het beklag ten aanzien van de geheimhouderstukken evenmin wordt gehandhaafd voor zover dit betrekking heeft op de definitieve en volledig uitgefilterde kopieën van het digitale beslag (kopie van de in beslag genomen server).

De raadslieden hebben verklaard dat het beklag ten aanzien van de geheimhouderstukken wel wordt gehandhaafd voor zover dit betrekking heeft op de niet definitieve en niet volledig uitgefilterde kopieën van het digitale beslag. Anders dan de definitieve en volledig uitgefilterde kopieën bevatten deze kopieën nog geheimhouderstukken.

Niet-geheimhouderstukken

Tot slot hebben de raadslieden in raadkamer naar voren gebracht dat het beklag ten aanzien van de niet-geheimhouderstukken wordt gehandhaafd voor zover dit betrekking heeft op onderdelen die buiten de reikwijdte van het rechtshulpverzoek vallen.
4. Het standpunt van de officier van justitie

Geheimhouderstukken: kopie van de server

De officier van justitie heeft in raadkamer meegedeeld dat geen belang bestaat bij het laten voortduren van het beslag op en het bewaren van de niet definitieve en niet volledig uitgefilterde kopieën van het digitale beslag (de A en B-kopieën). Aldus kan het beklag op dit punt gegrond worden verklaard. Voorts heeft de officier van justitie toegezegd dat deze kopieën zullen worden vernietigd.

Niet-geheimhouderstukken

De officier van justitie heeft in raadkamer naar voren gebracht dat de rechtbank in haar tussenbeschikking van 30 maart 2017 reeds het beklag ten aanzien van de niet-geheimhouderstukken ongegrond heeft verklaard.

5. De beoordeling

Geheimhouderstukken: image van de Samsung Notebook

Gelet op het standpunt van klagers dat het beklag ten aanzien van de geheimhouderstukken niet wordt gehandhaafd voor zover dit betrekking heeft op de image uit de Samsung Notebook, zal de rechtbank hierop geen beslissing nemen.

Geheimhouderstukken: kopie van de server

Gelet op het standpunt van klagers dat het beklag ten aanzien van de geheimhouderstukken niet wordt gehandhaafd voor zover dit betrekking heeft op de definitieve en volledig uitgefilterde kopieën van het digitale beslag (kopie van de in beslag genomen server), zal de rechtbank ook hierop geen beslissing nemen.

Nu de officier van justitie heeft meegedeeld dat geen belang bestaat bij het laten voortduren van het beslag op en het bewaren van de niet definitieve en niet volledig uitgefilterde kopieën van het digitale beslag, en is toegezegd dat deze zullen worden vernietigd, zal het klaagschrift ten aanzien van deze kopieën gegrond worden verklaard.

Niet-geheimhouderstukken
De rechtbank verwijst naar haar tussenbeschikking van 30 maart 2017 waarin zij heeft geoordeeld dat de inbeslagname, de voortduring, de kennisneming en het gebruik van de administratieve en de digitale gegevens, voor zover dat betrekking heeft op niet-geheimhouderstukken, rechtmatig is (geweest) en waarin het beklag met betrekking tot alle niet-geheimhouderstukken al ongegrond is verklaard.


De raadslieden staan een andere interpretatie van deze beslissing voor op de grond dat in een latere beschikking (van 1 mei 2018) het woord ‘primair’ is gebruikt bij een weergave, van de reden van heropening van het onderzoek in raadkamer (op pagina 1 van die beschikking, onderaan). De rechtbank volgt die interpretatie niet. In de beschikking van 30 maart 2017 heeft de rechtbank het beklag expliciet ongegrond verklaard ten aanzien van alle niet-geheimhouderstukken en daarbij helder weergegeven welke overwegingen tot die beslissing hebben geleid. Er is geen reden om aan te nemen dat die overwegingen niet golden ten aanzien van niet-geheimhouderstukken die zich bevonden op gegevensdragers die nog niet op geheimhouderstukken waren gefilterd en in de beslissing zijn die stukken ook niet uitgezonderd of apart benoemd. In raadkamer zijn nu ook geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de rechtbank thans tot een ander oordeel zou moeten komen. Aldus zal het klaagschrift ten aanzien van deze stukken (opnieuw) ongegrond worden verklaard, ter bevestiging van die reeds eerder gegeven beslissing.
6. De beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank:

- VERKLAART het klaagschrift ten aanzien van de niet definitieve en niet volledig uitgefilterde kopieën van het digitale beslag (de A en B kopieën van de op het [b-straat 1] in beslag genomen server) gegrond;

- VERKLAART het klaagschrift ten aanzien van de niet-geheimhouderstukken ongegrond.’’

10 Het derde middel in 20/00615 B: de Belgische verlofzaak

10.1.

Dit middel komt op tegen het verlenen van verlof ten aanzien van de voorwerpen zoals vermeld op de aan de beschikking van de rechtbank gehechte bijlage in de Belgische verlofzaak en valt uiteen in drie deelklachten:

(i) Ten eerste is het oordeel van de rechtbank dat de betreffende voorwerpen/gegevens op grond of ter uitvoering van het Belgisch rechtshulpverzoek in beslag zijn genomen onjuist, dan wel zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Daarvoor wordt aangevoerd dat in het Belgisch rechtshulpverzoek doorzoekingen en inbeslagnemingen werden gevraagd op diverse plekken in Nederland, maar niet bij de betrokkenen, in het bijzonder niet het kantoorpand van de betrokkene [belanghebbende 2] aan de [b-straat 1] , alwaar de voorwerpen zoals vermeld in de bijlage bij de beschikking in beslag zijn genomen.

(ii) De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel van de rechtbank dat de bedoelde voorwerpen alle stukken van overtuiging betreffen niet begrijpelijk is, gelet op hetgeen door de belanghebbenden is aangevoerd in de samenhangende procedures en gelet op hetgeen door de rechtbank is geoordeeld in de Franse verlofzaak en de klaagschrift-procedure. De (enorme) omvang van het beslag en het feit dat een zeer groot deel van de inbeslaggenomen stukken buiten de reikwijdte van de rechtshulpverzoeken valt, is namelijk veelvuldig bediscussieerd en heeft in zowel de Franse verlofprocedure als in de klaagschriftprocedure meermalen tot heropening en schorsing geleid, opdat het beslag op zoektermen kon worden gefilterd, en tot afzonderlijke beslissingen van de rechtbank ten aanzien van het gefilterde en niet-gefilterde beslag; die beslissingen zien op hetzelfde beslag als dat in de Belgische verlofzaak, namelijk het beslag uit het kantoorpand. In de Belgische verlofprocedure heeft de rechtbank echter verlof verleend ter zake van alle in beslag genomen voorwerpen zoals vermeld op de bij de vordering van de officier van justitie gevoegde en aan de beschikking gehechte bijlage, terwijl in die bijlage geen melding of onderscheid wordt gemaakt tussen gefilterd of niet-gefilterd beslag. Dit in tegenstelling tot de beschikking in de Franse procedure, waarin de rechtbank heeft beslist tot verlofverlening ten aanzien van "alle op de bijlage II genoemde stukken van overtuiging met dien verstande dat de rechtbank onder de van de kantoorserver veiliggestelde data (...) verstaat: (de definitieve en uitgefilterde data uit) de van de kantoorserver veiliggestelde data (...)."

(iii) De derde deelklacht houdt in dat de rechtbank in elk geval heeft verzuimd met voldoende nauwkeurigheid te bepalen op welke inbeslaggenomen voorwerpen het verleende verlof in de zin van artikel 552p (oud) Sv betrekking heeft. Uit de gedingstukken lijkt, aldus de steller van het middel, te kunnen worden afgeleid dat de Belgische justitiële autoriteiten wel een zoekwoordenlijst hebben verstrekt teneinde de inbeslaggenomen voorwerpen te kunnen filteren. Of dit daadwerkelijk is gebeurd en zo ja, ten aanzien van welke op de in de bijlage genoemde voorwerpen, kan uit de beschikking niet worden afgeleid. De rechtbank heeft dan ook in elk geval verzuimd met voldoende nauwkeurigheid te bepalen op welke inbeslaggenomen voorwerpen het verleende verlof in de zin van art. 552p (oud) Sv betrekking heeft.61

10.2.

Uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 5 november 2019 van de Belgische verlofzaak blijkt, voor zover voor deze klachten van belang, het volgende:

‘’De officier van justitie licht de vordering toe en deelt op vragen van de jongste rechter mee,

zakelijk weergegeven:

Ik heb niet eerder een verlofprocedure met concurrerende rechtshulpverzoeken gehad. Aangezien het verzoek alleen op papieren stukken en de geschoonde kopie van de server ziet, zou ik me kunnen voorstellen dat die stukken worden gekopieerd en zowel naar België als naar Frankrijk worden verzonden. Ik vraag me af of dit een punt is waar uw rechtbank een beslissing op moet nemen. Het klopt dat dit bij overleveringszaken wel vereist is, maar de Overleveringswet biedt daar een wettelijke basis toe. Dat is in dit geval niet zo. Ik meen dat het Openbaar Ministerie hier zorg voor moet dragen.

Ik persisteer bij de vordering zoals deze er ligt. Ik verzoek dus ook verlof te verlenen voor de gehele papieren administratie.

Op vragen van de voorzitter deelt de officier van justitie mee, zakelijk weergegeven:

De papieren administratie is in beslag genomen omdat de Belgische justitiële autoriteiten op pagina 5 van het rechtshulpverzoek van 4 augustus 2015 hebben verzocht dat een bankonderzoek wordt verricht en dat alle nuttige boekhoudkundige stukken worden opgevraagd.’’

11 Het vierde middel in 20/00615 B: de Franse verlofzaak

11.1.

Het vierde middel dat zich richt tegen de beschikking van de rechtbank in de Franse verlofzaak komt op tegen de verlofverlening van het papieren beslag zoals vermeld op de aan de beschikking van de rechtbank gehechte bijlagen I en II en valt uiteen in drie deelklachten:

(i) In de eerste deelklacht wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat het papieren beslag in de woning en in het kantoorpand 'stukken van overtuiging' betreffen.

(ii) De tweede deelklacht komt op tegen het verlenen van het verlof met betrekking tot het papieren beslag uit de woning en het kantoorpand, en/of de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de vordering opdat het papieren beslag kan worden gefilterd aan de hand van door de Franse autoriteiten aangeleverde zoektermen.

(iii) De derde deelklacht houdt in dat de rechtbank heeft verzuimd te beslissen op laatstgenoemd verzoek ten aanzien van het papieren beslag uit het kantoorpand.

11.2.

Ter toelichting op deze klachten voert de steller van het middel het volgende aan. Het oordeel van de rechtbank dat ‘mede gelet op de opschriften en titels’ van het papieren beslag voldoende is vast komen te staan dat sprake is van stukken van overtuiging en dat daarom het verzoek om filteren van het papieren beslag dient te worden afgewezen, is onbegrijpelijk nu daaruit niet zonder meer volgt dat de stukken als stukken van overtuiging kunnen worden aangemerkt. Bovendien heeft de rechtbank dit oordeel, gelet op – zo begrijp ik – de zinsnede ‘’(op de [a-straat] in beslag genomen) schriftelijke/papieren stukken’’ alleen gegeven ten aanzien van de papieren stukken in de woning. De rechtbank heeft daarmee verzuimd een oordeel en beslissing te geven over de papieren stukken in het kantoorpand. Voor zover het oordeel van de rechtbank moet worden gelezen dat het ook betrekking heeft op de papieren stukken uit het kantoorpand, geldt dat uit de opschriften of titels van die stukken (zoals vermeld op bijlage II bij de beschikking) niet kan worden afgeleid dat dit stukken van overtuiging betreffen. Die stukken zijn immers slechts getiteld ‘’administratie’’, ‘’uitgeprinte gegevens’’ of ‘’blauw schriftje’’. Om dezelfde redenen is de (impliciete) afwijzing van het verzoek tot het alsnog filteren van het papieren beslag onbegrijpelijk.

11.3.

Uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 5 november 2019 blijkt, voor zover voor deze klachten van belang, het volgende:


‘’De raadsvrouw mr. Perez legt haar pleitnota over, die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud - meer specifiek vanaf hoofdstuk 4.2 (pagina 21 van de pleitnota) - als hier ingevoegd geldt


Op vragen van de jongste rechter antwoordt de raadsvrouw mr. Perez, zakelijk weergegeven:

Kort samengevat is ons standpunt ten aanzien van het gefilterde deel van het beslag dat de zoekwoorden die Frankrijk heeft aangeleverd te algemeen zijn, waardoor zich nog steeds stukken in het beslag bevinden die niet relevant zijn voor het onderzoek.

Ten aanzien van het niet gefilterde deel van het beslag - zowel het digitale beslag als het ‘papieren’ beslag - is ons standpunt dat dit eveneens op relevantie moet worden gefilterd. Zolang dit niet wordt uitgefilterd, kan geen verlof worden verleend.

Het klopt dat deze punten niet eerder naar voren zijn gebracht. Op de eerdere zittingen zijn alleen de klaagschriften ex artikel 552a Sv behandeld. Aan de behandeling van de vordering ex artikel 552p, tweede lid (oud), Sv is nog niet eerder toegekomen. Ik merk overigens op dat ik geen proportionaliteitsverweer voer.

De officier van justitie deelt mee, zakelijk weergegeven:

Uw rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 30 maart 2017 reeds geoordeeld dat het gezien de enorme aangetroffen hoeveelheid data onontkoombaar is dat ook data in beslag is genomen en zal worden overgeleverd die wellicht niet relevant is voor Frankrijk.


De voorzitter merkt op dat de raadsvrouw in haar pleitnota niet alleen spreekt over de gefilterde data (afkomstig van de image van de (op de [a-straat] in beslag genomen) Samsung Notebook), maar ook over andere gegevensdragers die op de [a-straat] in beslag zijn genomen. De rechtbank vraagt zich af wat de stand van zaken is ten aanzien van het overige digitale beslag uit de [a-straat] en of dit niet reeds aan betrokkenen is geretourneerd.

11.4.

De hiervoor in het proces-verbaal van de zitting van 5 november 2019 aangehaalde pleitnota houdt vanaf hoofdstuk 4.2. kort samengevat het volgende in. Op grond van de reikwijdte van de rechtshulpverzoeken verzoeken de klagers tot partiële afwijzing van de vorderingen tot verlof in zowel de Franse als de Belgische verlofzaak. Verlof wordt, zo begrijpen de klagers, gevraagd voor overbrenging van al hetgeen in beslag is genomen, gelet op de inhoud van de vorderingen tot verlof in samenhang met de bijlagen bij die vorderingen, waarop lijsten zijn opgenomen van alle stukken en gegevens(dragers). Wellicht berust dit volgens de klagers op een vergissing en wordt bedoeld om enkel verlof te vragen van al hetgeen na filtering op basis van Franse en Belgische zoekwoorden, en na uitfiltering van geheimhouderstukken en -gegevens, van het beslag resteert. In beide gevallen zijn de klagers echter van mening dat een deel van het beslag, zowel ongefilterd als gefilterd, buiten de reikwijdte van de rechtshulpverzoeken valt en daarom niet in aanmerking zou moeten komen voor verlof. Daartoe wordt aangevoerd dat op grond van art. 552 lid 3 (oud) Sv juncto art. 94 en 125i Sv met betrekking tot de feiten waarop een rechtshulpverzoek betrekking heeft, enkel stukken worden verstaan die dienen om de waarheid aan de dag te brengen in een onderzoek naar een concrete verdenking. Anders gesteld: er moet een strafvorderlijk belang zijn. Onder verwijzing naar een conclusie van AG Knigge62 en een beschikking van de Hoge Raad63 wordt aangevoerd dat de rechter dient te toetsen of de inbeslaggenomen stukken en gegevens kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen met betrekking tot het feit waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft. De verlofrechter zal zich een eigen oordeel moeten vormen over de vraag of aannemelijk is dat de inbeslaggenomen stukken kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding. Onder omstandigheden, mede afhankelijk van hetgeen door de klager is aangevoerd, zal daarbij niet met een globaal oordeel kunnen worden volstaan.

11.5.

Aan de hand van de inhoud van het Franse rechtshulpverzoek en de aanvulling wordt vervolgens door de belanghebbenden aangevoerd dat gelet op a) de periode waarop die rechtshulpverzoeken zien64, b) de beweerdelijke feiten die daaraan ten grondslag liggen, c) de stukken waarom in die verzoeken expliciet wordt gevraagd, en d) de voor de selectie gebruikte zoektermen, het ervoor moet worden gehouden dat ten aanzien van de gegevens waarvan verlof wordt gevraagd een groot deel buiten de reikwijdte van de rechtshulpverzoeken valt en niet kan bijdragen aan de waarheidsvinding. Hoewel de klagers geen inzage hebben gehad in het Belgische rechtshulpverzoek, wordt ten aanzien daarvan min of meer hetzelfde gesteld, gelet op de omvang van het beslag en de gebruikte filtermethode, waarbij algemene zoekwoorden zijn gebruikt. Daarnaast voeren de klagers aan dat ze geen mogelijkheid hebben gehad het beslag na het uitfilteren, anders dan om te beoordelen of er nog geheimhouderstukken aanwezig waren, in te zien. Daarom is het voor de klagers niet mogelijk geweest om aan te geven welke stukken overblijvende stukken niet kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding. Wel is reeds geconstateerd dat zich na het filteren nog documenten uit 2009 tussen het beslag bevonden, evenals documenten betreffende Australië en het Verenigd Koninkrijk, terwijl deze periode en landen op geen enkele wijze in het onderzoek voorkomen.

12 Het tweede middel in de klaagschriftprocedure (20/00581 Bv)

12.1.

Het tweede middel in de klaagschriftprocedure (20/00581 Bv) komt op tegen zowel de (gedeeltelijke) ongegrondverklaring als (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het klaagschrift en bevat drie deelklachten:

(i) Het oordeel van de rechtbank dat de (voortduring van de) inbeslagneming niet in strijd is met het proportionaliteitsvereiste daar de gevolgde werkwijze voor de belanghebbenden "het minst bezwaarlijk is", getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Ook is dat oordeel onbegrijpelijk, omdat in de Franse verlofzaak de rechtbank oordeelde dat het beslag moet worden gefilterd mede gelet op proportionaliteitsvereiste.

(ii) Het (herhaalde) oordeel van de rechtbank dat de doorzoekingen in de woning en het kantoor, de inbeslagnemingen, de voortduring daarvan en het gebruik van de gegevens rechtmatig zijn en het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van (een deel van) het beslag en/of de ongegrondverklaring van het klaagschrift ten aanzien van de niet-geheimhouderstukken, is onjuist, althans onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd. In dit verband wordt in de toelichting onder andere aangevoerd dat de belanghebbenden uitvoerig hebben betoogd dat en waarom in elk geval een groot deel van het beslag buiten de reikwijdte van de rechtshulpverzoeken valt. Ook wordt erop gewezen dat de rechtbank in de Franse verlofzaak heeft bevolen dat het niet gefilterde digitale beslag alsnog gefilterd moet worden omdat ten aanzien daarvan onvoldoende gebleken is dat dit stukken van overtuiging betreffen. Tegen deze achtergrond is het oordeel van de rechtbank dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave of vernietiging verzet, dan ook onbegrijpelijk.

(iii) De rechtbank heeft nagelaten in haar beschikking van 19 november 2019 de met de gedeeltelijke gegrondverklaring van het klaagschrift overeenkomende last te geven, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de belanghebbenden.

12.2.

Ter nadere toelichting op het middel heeft de steller van het middel, zoals gezegd, onder andere gewezen op de inhoud van het derde en vierde middel in de verlofzaken.

12.3.

Uit het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer op 5 november 2019 blijkt het volgende:


‘’De jongste rechter stelt de klaagschriften ex artikel 552a Sv en de in dat kader gewezen tussenbeschikking van 30 maart 2017 en 17 april 2018 aan de orde.


Op vragen van de jongste rechter antwoordt de officier van justitie, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat de geheimhouderstukken uit de image (van de op de [a-straat] in beslag genomen Samsung Notebook) en uit het digitale beslag (kopie van de op het [b-straat] in beslag genomen server) zijn gefilterd.


De raadsvrouw mr. Perez legt haar pleitnota over, die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud – meer specifiek tot en met hoofdstuk 3.2.3. (pagina 13 van de pleitnota) – als hier ingevoegd geldt.


Op vragen van de jongste rechter antwoordt de officier van justitie, zakelijk weergegeven:

Wat mij betreft bestaat geen belang bij het laten voortduren van het beslag op en het bewaren van de niet definitieve en niet volledig uitgefilterde kopieën van het digitale beslag (de A en B-kopieën) waar de raadsvrouw in alinea 4 van haar pleitnota verwijst.


Het Openbaar Ministerie heeft alleen belang bij het laten voortduren van het beslag op de definitieve en uitgefilterde data.
Ik beslis hierbij dat de eerdere en niet definitieve kopieën van het digitale beslag zullen worden vernietigd.
Op vragen van de jongste rechter antwoordt de raadsvrouw mr. Perez, zakelijk weergegeven:
Zo lang en voor zover de niet definitieve en niet volledig uitgefilterde kopieën van het digitale beslag niet daadwerkelijk zijn vernietigd, meen ik dat het beklag gegrond moet worden verklaard. Mochten deze kopieën in de tussentijd worden vernietigd, kan de verdediging het beklag op dit punt intrekken waarna de rechtbank klagers in dit kader niet-ontvankelijk kan verklaren.
De jongste rechter met betrekking tot alinea 6 van de pleitnota op dat de rechtbank in haar tussenbeschikking van 30 maart 2017 reeds heeft geoordeeld dat het beklag ongegrond moet worden verklaard voor zover het betrekking heeft op de inbeslagname, de voortduring, de kennisneming en het gebruik van de administratieve stukken en digitale gegevens, niet zijnde geheimhouderstukken.
Op vragen van de jongste rechter antwoordt de raadsvrouw mr. Perez, zakelijk weergegeven:
De rechtbank heeft in haar tussenbeschikking van 1 mei 2018 geoordeeld dat de heropening ‘’primair’’ betrekking heeft op de vraag of zich geheimhouderstukken in het beslag bevinden en hoe daarop moet worden beslist.
De rechtbank heeft in haar tussenbeschikking van 30 maart 2017 alleen geoordeeld dat de inbeslagname rechtmatig is geweest, maar heeft geen beslissing genomen ten aanzien van de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag.
De jongste rechter houdt het dictum van de tussenbeschikking van 30 maart 2017 voor.
Op vragen van de jongste rechter antwoordt de raadsvrouw mr. Perez, zakelijk weergegeven:
In de aanloop naar het dictum wordt niet gesproken over het voortduren van het beslag. Bovendien is gezegd dat altijd opnieuw beklag mag worden gedaan.
Op vragen van de officier van justitie antwoordt de raadsvrouw mr. Perez, zakelijk weergegeven:
Ten aanzien van de opmerkingen over de harde schijven ‘C1’ en ‘C2’ in alinea 50 en 51 van mijn pleitnota: kort samengevat is ons standpunt ten aanzien van het gefilterde deel van het beslag dat de zoekwoorden die Frankrijk en België hebben aangeleverd te algemeen zijn, waardoor zich nog steeds stukken in het beslag bevinden die niet relevant zijn voor het onderzoek. Voor een toelichting op dit standpunt verwijs ik naar de hoofdstukken 4.2.2.3 en 4.2.2.4 van mijn pleitnota.
De officier van justitie deelt mee, zakelijk weergegeven:
Uw rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 30 maart 2017 reeds geoordeeld dat het gezien de enorme aangetroffen hoeveelheid data onontkoombaar is dat ook data in beslag is genomen die wellicht niet relevant is voor de verzoekende landen.
De voorzitter merkt op dat de raadsvrouw in haar pleitnota niet alleen spreekt over de gefilterde data afkomstig van de image van de (op de [a-straat] in beslag genomen) Samsung Notebook), maar ook over andere gegevensdragers die op de [a-straat] in beslag zijn genomen. De rechtbank vraagt zich af wat de stand van zaken is ten aanzien van het overige digitale beslag uit de [a-straat] en of dit niet reeds aan betrokken is geretourneerd.
(…)
Op vragen van de jongste rechter antwoordt de officier van justitie, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat de gegevensdragers die op bijlage I bij de vordering worden genoemd – nadat zij zijn uitgelezen – zijn geretourneerd. Dit volgt ook uit de kennisgevingen van inbeslagneming. Echter, de uitgelezen data zijn vervolgens opgeslagen. Overigens is dit ook besproken bij de rechter-commissaris. Aldus heeft de verdediging niet eerder aangevoerd dat deze data geheimhouderstukken bevatten.


De jongste rechter merkt op dat de verdediging niet heeft betoogd dat deze data geheimhouderstukken bevatten, maar dat deze data eveneens op relevantie hadden moeten worden gefilterd.


De voorzitter deelt mee dat het dossier een proces-verbaal bevat waarin is vermeld dat een aantal van de gegevensdragers niet kon worden uitgelezen. Aldus bestaat ten aanzien van die data geen kopie waar beslag op kan rusten.
(…)
Op vragen van de jongste rechter deelt de officier van justitie mee, zakelijk weergegeven:

Gelet op de twee processen-verbaal van 7 november 2016 zijn de Apple iPad, type A1396, en de Apple iPad mini, type A1432, inderdaad niet uitgelezen. Aldus bestaan daar geen kopieën van en rust daar dus geen beslag op. Op de uitgelezen en gekopieerde bestanden van de andere gegevensdragers en voor de gehele papieren administratie rust dus nog wel beslag.


De officier van justitie deelt mee, zakelijk weergegeven:

Ten aanzien van de geheimhouderstukken: zoals reeds meegedeeld zullen de eerder en niet definitieve kopieën van het digitale beslag worden vernietigd. Of uw rechtbank het beklag op dit punt gegrond of niet-ontvankelijk verklaart, is mij of het even.
Ten aanzien van de niet-geheimhouderstukken: ik verwijs naar de tussenbeschikking van 30 maart 2017 waarin de rechtbank het beklag op dit punt reeds ongegrond heeft verklaard. Aldus heeft de rechtbank al geoordeeld over de rechtmatigheid van (het voortduren van) het beslag en is dit punt een gepasseerd station.


De raadsvrouw mr. Perez deelt mee, zakelijk weergegeven:
Ten aanzien van de niet-geheimhouderstukken: in dit kader herhaal ik mijn betoog dat een beslissing over de rechtmatigheid van het beslag iets anders is dan een beslissing over de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag. De rechtbank heeft daar in haar tussenbeschikking van 30 maart 2017 niet op beslist. Bovendien verwijs ik opnieuw naar de tussenbeschikking van 1 mei 2018, waarin is geoordeeld dat de heropening ‘’primair’’ betrekking heeft op eventuele geheimhouderstukken. Ik kan dit niet anders begrijpen dan dat uw raadkamer geen definitieve beslissing heeft genomen ten aanzien van de niet-geheimhouderstukken.


De officier van justitie deelt mee, zakelijk weergegeven:

Ik verwijs naar rechtsoverweging 4.5 van de tussenbeschikking van 30 maart 2017 waarin wel degelijk wordt gesproken over het voortduren van het beslag. Net als ten tijde van die raadkamerzitting is ook nu gesteld noch gebleken dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet langer vordert. Voor het overige persisteer ik bij mijn reeds ingenomen standpunt.
De raadsvrouw mr. Perez deelt mee, zakelijk weergegeven:

Misschien was het (voortduren van) het beslag in 2017 niet onrechtmatig, maar dat dit in 2019 nog voortduurt is een andere situatie.’’

12.4.

In de pleitnotities wordt onder verwijzing naar het proces-verbaal van de politie d.d. 29 november 2019 het volgende aangevoerd. Op verzoek van de RC d.d. 1 oktober 2018 is de image van de laptop uit de woning eerst gefilterd op relevantie aan de hand van de zoekwoordenlijst van Frankrijk, en daarna op geheimhoudergegevens. Op verzoek van het onderzoeksteam d.d. 6 september 2018 is de kopie van de server uit het kantoor – aangeleverd op een externe harde schijf (in de pleitnotities ‘A’ genoemd) – eerst gefilterd op relevantie aan de hand van de zoekwoordenlijsten van Frankrijk en België, en daarna op geheimhoudergegevens. Op 28 juni 2019 zijn de resterende gegevens namens klagers, voor zover mogelijk, gecontroleerd op de vraag of deze daadwerkelijk van geheimhoudergegevens waren geschoond. Bij die exercitie bleek dat zich zowel in de gegevens bestemd voor België als in die bestemd voor Frankijk, nog geheimhoudergegevens bevonden. Het ging respectievelijk om in elk geval nog ‘’24 en 21 items’’. Hierop zijn er nieuwe images gemaakt, met uitzondering van de hiervoor bedoelde ‘’24 en 21 items’’ (in de pleitnotities worden deze kopieën/images ‘C1’en ‘C2’ genoemd).

12.5.

Vervolgens wordt in de pleitnotities aangevoerd dat met betrekking tot de doorzoeking in de woning op de laptop na, de gegevensdragers niet inhoudelijk zijn gefilterd. Ook het papieren beslag is niet inhoudelijk gefilterd. De laptop is dat wel, maar op basis van zeer algemene zoektermen. Met betrekking tot de doorzoeking in het kantoorpand geldt hetzelfde, waarbij ook het papieren beslag in zijn geheel niet is gefilterd. Volgens de pleitnotities zitten er, door het deels niet en deels globaal filteren, daarom stukken en gegevens tussen het beslag die buiten de reikwijdte van de rechtshulpverzoeken vallen. Die stukken/gegevens dienen derhalve geen strafvorderlijk doel (ex art. 94 / 125i Sv voorwaarde voor inbeslagneming en voortduren van het beslag). Er bestaat kortom geen wettelijke grondslag voor het voortduren, kennisnemen en gebruiken van die delen van het beslag, aldus de pleitnotities.

12.6.

In hoofdstuk 4.2.2.3 van de pleitnotities wordt betoogd dat het filteren van het beslag aan de hand van zoektermen die de Franse en Belgische autoriteiten hebben aangeleverd niet voldoende is om te voorkomen dat stukken of gegevens worden overgedragen die niet relevant zijn voor de rechtshulpverzoeken. Volgens de pleitnotities gaat het om zeer algemene zoektermen die zeer veel hits zullen hebben gegenereerd vanwege hun algemeenheid en daardoor niet zonder meer bijdragen aan de waarheidsvinding in het Franse of Belgische onderzoek. Als voorbeelden worden genoemd de termen ‘Apple’, ‘Sony’, ‘Winnaar’, ‘Winnaars’, ‘Prijs’, ‘Prijzen’, Iphone’, ‘Total’, en cijfers als ‘73973’, ‘6819’ of ‘6631’. Mede gelet op het feit dat na filtering het bij de kantoorserver nog gaat om 35.216 bestanden voor België respectievelijk 24.126 voor Frankrijk en bij de laptop om 1.340 logical en 69 carved bestanden voor Frankrijk, moet het ervoor worden gehouden dat het niet anders kan zijn dat de data waarvoor verlof wordt gevraagd voor een groot deel buiten de reikwijdte van de rechtshulpverzoeken vallen en niet kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding. Tot slot wordt in hoofdstuk 4.2.2.4 van de pleitnotities uiteengezet dat de belanghebbenden door het OM niet in de gelegenheid zijn gesteld om de resultaten na het filteren te kunnen inzien. Inzage werd alleen verleend ter controle van de filtering op geheimhouderstukken. Daarom is voor de klagers niet mogelijk om in extenso aan te geven welke stukken onder het beslag vallen terwijl deze niet kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding. Wel wordt opgemerkt dat tijdens de ‘geheimoudercontrole’ door de aanwezige medewerker van de klagers is opgevallen dat tussen het beslag documenten zaten uit 2009, een periode die ligt voor de periode waar het rechtshulpverzoek op ziet. Ook werden documenten aangetroffen betreffende Australië en het Verenigd Koninkrijk, terwijl deze landen op geen enkele wijze in het onderzoek voorkomen. Dat bevestigt, aldus de pleitnotities, voor Frankrijk in elk geval reeds concreet dat het beslag breder is dan op basis van het rechtshulpverzoek is gerechtvaardigd. Gelet op al het vorenstaande kan echter van hetzelfde worden uitgegaan in de Belgische zaak, ondanks dat de belanghebbenden daar geen inzage hebben gehad.

12.7.

Naast het bovenstaande is voor de beoordeling van het middel tot slot nog van belang hetgeen uit de Franse verlofbeschikking blijkt en reeds hiervoor onder het derde en vierde middel is geciteerd.

13 Beoordeling van de middelen

13.1.

Hiervoor heb ik onder 7.1. kort weergegeven op welk punt het derde en vierde middel in de verlofzaken en het tweede middel in de beklagzaak elkaar overlappen. Dat punt heeft betrekking op de vraag of (een deel van) de in beslag genomen gegevens en stukken buiten de reikwijdte van de Belgische en Franse rechtshulpverzoeken vallen en daarom redelijkerwijs niet kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding. Uit de deelklachten blijkt dat daarvoor verschillende argumenten worden aangedragen. Ten aanzien van het Belgische rechtshulpverzoek wordt erop gewezen dat de adressen waar de doorzoekingen hebben plaatsgevonden niet in het rechtshulpverzoek staan vermeld.65 Verder is aangevoerd dat het filterproces en de daarbij gehanteerde zoektermen onvoldoende onderscheidend zijn geweest.66 Ik zal beginnen met het eerste argument in de Belgische verlofzaak.

13.2.

Uit het Belgische rechtshulpverzoek blijkt kortgezegd, dat door de Belgische autoriteiten met betrekking tot de daarin genoemde strafbare feiten onderzoek is ingesteld naar de bedrijven [belanghebbende 3] en [belanghebbende 2] . In het oorspronkelijk Belgische rechtshulpverzoek van 4 augustus 2015 is aan de Nederlandse autoriteiten onder meer de volgende opsporingshandelingen verzocht:

‘’1. identificatie van alle betrokken vennootschappen (…)

4. Opvragen van alle nuttige boekhoudkundige stukken (overeenkomsten, facturen, enz.) en informaticabestanden m.b.t. de vermogensstromen tussen de verschillende vennootschappen;

(…)

7. alle andere nuttig geoordeelde onderzoeksverrichtingen die zich zouden opdringen.’’

13.3.

In de aanvulling op het rechtshulpverzoek van 31 maart 2016 wordt ten aanzien van het hiervoor in het citaat genoemde punt 4 het een en ander nader geconcretiseerd:

‘’Bij deze heb ik de eer, verwijzende naar en ter aanvulling van het rechtshulpverzoek d.d. 04/08/2015, (…) u te verzoeken om de in punt 4 van het oorspronkelijke rechtshulpverzoek beoogde informatie te willen verzamelen door het gelasten van de daartoe nodige huiszoekingen.

Het zou met name gaan om huiszoekingen bij de volgende vennootschappen en op de volgend adressen:

• [B] B.V., gevestigd te [plaats] , [d-straat 1] ;

• [C] B.V. gevestigd te [plaats] , [e-straat 1] ;

• [D] , gevestigd te [plaats] , [f-straat 1] ;

• [E] B.V., gevestigd te [plaats] , [g-straat 1] ;

• [F] , gevestigd te [plaats] , [h-straat 1] ;

• [G] , gevestigd te [plaats] , [i-straat 1] ;

• [H] B.V., gevestigd te [plaats] , [c-straat 1]
(…)’’

13.4.

Onder de adressen is inderdaad het adres van het kantoorpand aan het [b-straat 1] niet vermeld. Maar dat is mijns inziens niet relevant omdat het bij de aanvulling van het rechtshulpverzoek, gelet op de woorden ‘’met name’’, gaat om een nadere aanwijzing en niet om een beperking van de relevante opsporingshandelingen waarom wordt verzocht. Het rechtshulpverzoek en de aanvulling daarop hoeven in elk geval niet zo te worden opgevat dat deze zich slechts beperken tot (het doorzoeken van) de in de aanvulling genoemde adressen, zoals de steller van het middel veronderstelt. Aangezien een doorzoeking heeft plaatsgevonden in het kantoorpand van [belanghebbende 2] , een bedrijf waartegen het Belgisch onderzoek blijkens het rechtshulpverzoek is gericht, is het oordeel van de rechtbank dat het beslag dat tijdens die doorzoeking is gelegd, heeft plaatsgevonden in het kader van het Belgische rechtshulpverzoek geenszins onbegrijpelijk.

13.5.

In zoverre faalt de eerste deelklacht van het derde middel in de Belgische verlofzaak (20/00615 B).

13.6.

Dan kom ik toe aan de klachten over de reikwijdte van het beslag in zowel de Belgische als de Franse verlofzaak en impliciet ook in de beklagzaak. Uit de beschikkingen van 30 maart 2017 en 19 november 2019 in de beklagzaak en uit hetgeen tijdens de behandeling van de verschillende zaken is besproken, volgt dat – in elk geval met betrekking tot het digitaal beslag – aanvankelijk op méér gegevens beslag is gelegd dan op grond van de rechtshulpverzoeken gerechtvaardigd was, maar dat dit onontkoombaar was gelet op de aard van het beslag en de verzochte gegevens. Volgens het oordeel van de rechtbank betekent dat nog niet dat de beslaglegging daarmee onrechtmatig was of het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave zou verzetten. Zoals de steller van het middel ook erkent, heeft immers nadien op basis van een zoekwoordenlijst een inhoudelijke filtering plaatsgevonden. Deze werkwijze heeft de rechtbank blijkens haar beschikkingen van 30 maart 2017 en 19 november 2019 aanvaardbaar geoordeeld in zowel de klaagschriftprocedure als de Franse verlofzaak. Het is met name dat laatste oordeel dat, als ik het goed zie, in cassatie wordt bestreden. In de klaagschriftprocedure is dit geformuleerd als een klacht tegen het oordeel van de rechtbank dat deze wijze van beslagleggen en onderzoek naar het beslag het minst bezwarend voor de belanghebbenden is en als een klacht tegen het oordeel van de rechtbank dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave van het (resterende) beslag verzet.

13.7.

Anders dan de steller van het middel vind ik dat het oordeel van de rechtbank dat de wijze van beslaglegging rechtmatig en proportioneel is, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en ook niet onbegrijpelijk is. De rechtbank overweegt immers in haar beschikking van 30 maart 2017 dat het gebruik van gegevensdragers ten behoeve van het vastleggen van gegevens niet in strijd is met het recht en dat het onontkoombaar is dat wellicht meer bestanden zijn gekopieerd dan uiteindelijk zullen worden overgedragen gezien de enorme hoeveelheid data die bij de doorzoekingen zijn aangetroffen. Daarbij geldt dat computerbestanden of e-mailboxen zich naar hun aard niet lenen voor eenvoudig gespecificeerde inbeslagneming en afzonderlijk onderzoek. De rechtbank oordeelt vervolgens dat de gehanteerde wijze van inbeslagneming het minst bezwarend is voor de belanghebbenden. De rechtbank heeft kennelijk, mede gelet op hetgeen door de officier van justitie in het kader van de proportionaliteit op de raadkamerzitting van 16 maart 2017 is aangevoerd67, het belang van strafvordering afgewogen tegen de persoonlijke belangen van de belanghebbenden. Daarmee heeft de rechtbank de juiste maatstaf toegepast. Haar oordeel is ook niet onbegrijpelijk, omdat de rechtbank kennelijk heeft aangenomen en ook heeft mogen aannemen dat het voor de belanghebbenden – gelet op de aard van het beslag – inderdaad het minst bezwarend is als de bedrijfsvoering in het kantoorpand slechts voor een korte tijd wordt opgehouden voor inbeslagneming en het maken van kopieën, waarna op het politiebureau een en ander in detail nader kan worden uitgezocht.68 Ik wijs erop dat uit een proces-verbaal van de politie dat zich in het dossier bevindt, volgt dat bij de doorzoeking in het kantoorpand een kopie is gemaakt van een deel van de server. De steller van het middel gaat er dus ten onrechte aan voorbij dat tijdens de doorzoeking al een eerste afbakening heeft plaatsgevonden welke gegevens zouden worden vastgelegd en eventueel overgedragen aan de buitenlandse autoriteiten. Ook was – blijkens de inhoud van het dossier, in het bijzonder de correspondentie tussen partijen – reeds op het moment van de eerste tussenbeschikking duidelijk dat nog een inhoudelijke filtering zou plaatsvinden aan het beslag en de omvang van het beslag dus zou afnemen. Dit leidt ertoe dat het oordeel van de rechtbank op 30 maart 2017 dat het beslag rechtmatig was en dat het belang van strafvordering zich op dat moment nog verzette tegen teruggave van al het beslag, totdat het onderzoek daarnaar was afgerond, niet onbegrijpelijk is.

13.8.

De eerste deelklacht van het tweede middel in de klaagschriftprocedure (20/00581 Bv) stuit hier op af.

13.9.

Het filterproces dat vervolgens heeft plaatsgevonden, zo oordeelt de rechtbank in haar latere beschikkingen, heeft ertoe geleid dat slechts nog stukken en gegevens zijn overgebleven die als stukken van overtuiging kunnen worden aangemerkt, waaruit de geheimhouderstukken (na meerdere rondes bij de rechter-commissaris) zijn verwijderd. Dit geldt in elk geval met betrekking tot de kantoorserver en de Samsung notebook. Dat oordeel blijkt zonder meer uit de Franse verlofbeschikking maar ook uit de beschikkingen van de rechtbank in de klaagschriftprocedure. Ik wijs daarbij naar het kopje onder 2 ‘’Stand van zaken’’ in de eindbeschikking van 19 november 2019 waarin de rechtbank met betrekking tot de kantoorserver en de Samsung laptop overweegt dat de veiliggestelde data die middels het digitale filteronderzoek zijn overgebleven, nog slechts materiaal bevatten waar Frankrijk en/of België om heeft verzocht en waar alle geheimhouderstukken uit zijn verwijderd.

13.10.

Ook dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. De overwegingen van de rechtbank in de Franse verlofzaak, dat de zoektermen die de Fransen hadden aangeleverd voldoende concreet waren in het licht van de verdenkingen waar het Franse onderzoek op gericht was en dat van de filtering – ondanks de verweren van de belanghebbenden in dat kader – niet gezegd kan worden dat daarmee een onaanvaardbare hoeveelheid bijvangst is overgebleven, spreken voor zich. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de diverse processen-verbaal van politie die zich in het dossier bevinden, blijkt dat vanwege het filterproces een aanzienlijk deel van de gegevens is verwijderd en dus een substantieel kleiner deel van het oorspronkelijke beslag (kopie van gegevens) is overgebleven. Hoewel de rechtbank dit niet expliciet overweegt in haar beschikking met betrekking tot de Belgisch verlofzaak, meen ik dat in de beschikking van de rechtbank in de klaagschriftprocedure besloten ligt dat de rechtbank hetzelfde oordeel is toegedaan met betrekking tot het filterproces aan de hand van de door België aangeleverde zoektermen.

13.11.

Het voorgaande leidt er mijns inziens toe dat ook het oordeel van de rechtbank, dat het belang van strafvordering zich (telkens) tegen teruggave van het (resterende) beslag verzet, niet onbegrijpelijk is. De rechtbank heeft immers vastgesteld dat zowel in de Belgische als Franse zaak een filterproces heeft plaatsgevonden. Nu de rechtbank in de klaagschriftprocedure en de Franse verlofzaak heeft vastgesteld dat het filterproces is uitgevoerd, heeft de rechtbank de overblijvende stukken als stukken van overtuiging kunnen aanmerken en ook terecht overwogen dat in zoverre het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing en teruggave of vernietiging ervan.

13.12.

De steller van het middel lijkt een punt te hebben met betrekking tot het niet gefilterde digitale beslag uit de woning. De rechtbank heeft namelijk vastgesteld dat de kantoorserver en de Samsung laptop van de woning wel zijn gefilterd, maar het overige digitale beslag uit de woning niet. Met betrekking tot dat laatste digitale beslag beveelt de rechtbank, zo blijkt uit de Franse verlofbeschikking, dat alsnog filtering moet plaatsvinden omdat ‘’[a]nders dan het gefilterde deel van het beslag (…) onvoldoende gebleken [is] dat ten aanzien van al deze ongefilterde bestanden (steeds) sprake is van stukken van overtuiging.’’69 Hieruit volgt dus dat de rechtbank van oordeel is dat met betrekking tot een deel van de stukken een reële kans bestaat dat dit geen stukken van overtuiging zijn.

13.13.

Anders dan de steller van het middel wil doen voorkomen, doet dit echter niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van de rechtbank van 19 november 2019 in de klaagschriftprocedure, dat het belang van strafvordering zich (nog immer) verzet tegen teruggave van het op dat moment resterende beslag.

Ten aanzien van de niet gefilterde digitale stukken geldt immers, zoals de rechtbank reeds in haar eerste tussenbeschikking van 30 maart 2017 niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld, dat het belang van strafvordering zich juist tegen teruggave verzet, omdat het gewenste filterproces nog moet plaatsvinden. Gelet op de verwevenheid van de verschillende procedures, ligt daarom mijn inziens in het oordeel van de rechtbank van 19 november 2019 op het klaagschrift besloten, dat de rechtbank van oordeel is dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet omdat het ofwel om stukken van overtuiging gaat, ofwel omdat het uitfilteren van de gegevens nog niet heeft plaatsgevonden. Zelfs indien het oordeel van de rechtbank in de klaagschriftprocedure niet begrijpelijk zou zijn, omdat de rechtbank in haar eindbeschikking van 19 november 2019 alleen (expliciet) spreekt over de kantoorserver en de Samsung laptop (maar niet het overige digitale beslag), hebben de belanghebbenden geen belang bij cassatie gelet op hetgeen de rechtbank in de Franse verlofbeschikking heeft geoordeeld. Daaruit volgt immers duidelijk dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave van het ongefilterde digitale beslag verzet, om de reden dat het eerst gefilterd moet worden.

13.14.

De tweede deelklacht van het tweede middel in de klaagschriftprocedure (20/00581 Bv) stuit daar – met betrekking tot het digitale beslag – op af.

13.15.

Dan blijven de klachten over die zich richten tegen de oordelen van de rechtbank met betrekking tot het ‘papieren beslag’. In cassatie wordt daar blijkens het vierde middel in de Franse verlofzaak (en impliciet in de tweede deelklacht van het tweede middel de klaagschriftprocedure) over geklaagd. Volgens de steller van het middel is het oordeel van de rechtbank dat ‘mede gelet op de opschriften en titels’ van de stukken voldoende is vast komen te staan dat sprake is van stukken van overtuiging en dat daarom het verzoek om filteren van het papieren beslag dient te worden afgewezen, onbegrijpelijk nu daaruit niet zonder meer volgt dat de stukken als stukken van overtuiging kunnen worden aangemerkt. Bovendien heeft de rechtbank dit oordeel alleen gegeven ten aanzien van de papieren stukken in de woning. De rechtbank heeft daarmee verzuimd een oordeel en beslissing te geven over het verzoek om ook de papieren stukken in het kantoorpand te filteren. Voor zover het oordeel van de rechtbank zo moet worden gelezen dat het ook betrekking heeft op de papieren stukken uit het kantoorpand, geldt volgens de steller van het middel dat uit de opschriften of titels van die stukken (zoals vermeld op bijlage II bij de beschikking) niet kan worden afgeleid dat dit stukken van overtuiging betreffen. Die stukken zijn immers slechts getiteld ‘’administratie’’, ‘’uitgeprinte gegevens’’ of ‘’blauw schriftje’’. Om dezelfde redenen is de (impliciete) afwijzing tot het alsnog filteren van het papieren beslag onbegrijpelijk.

13.16.

Ook hierin kan ik de steller van het middel niet volgen. De rechtbank heeft overwogen dat de papieren stukken uit de woning, gelet op de opschriften en titels, als stukken van overtuiging kunnen worden aangemerkt. De bedoelde opschriften en titels hebben weldegelijk onderscheidend vermogen omdat in de opschriften de bedrijven van [belanghebbende 1] , waaronder ‘’ [I] B.V.’’ worden vemeld, zijnde de bedrijven waartegen de verdenking is gericht. Daaruit kan worden afgeleid dat in de woning alleen de relevante informatie van de bedrijven die in de rechtshulpverzoeken voorkomen in beslag zijn genomen en de overige (persoonlijke) voorwerpen en bescheiden in de woning ongemoeid zijn gelaten. Dat betekent dat ook de afwijzing tot het alsnog filteren van het papieren beslag niet onbegrijpelijk is.

13.17.

Wat betreft de (papieren) stukken van het kantoorpand heeft de steller van het middel gelijk, dat de rechtbank niet expliciet heeft gerespondeerd op het verweer en het verzoek van de belanghebbenden daaromtrent (de derde deelklacht van het vierde middel met betrekking tot de Franse verlofzaak). Maar dit hoeft mijns inziens niet tot cassatie te leiden want het kennelijke oordeel van de rechtbank dat ook dit stukken van overtuiging zijn, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de belanghebbenden niet meer hebben aangevoerd dan dat net als bij het digitaal beslag een filterproces (aan de hand van zoekwoorden) dient plaats te vinden. Een dergelijk filterproces kan ik mij bij fysieke stukken moeilijk voorstellen. In elk geval zou het filteren van deze stukken een andere aanpak vergen. Daarbij is van belang dat de belanghebbenden niet, zelfs niet bij wijze van het noemen van een voorbeeld, concreet hebben aangevoerd welk stuk of welke stukken om welke reden(en) buiten de reikwijdte van het rechtshulpverzoek zou(den) vallen. Ook meen ik, anders dan de steller van het middel, dat in elk geval met betrekking tot een deel van de stukken die in beslag zijn genomen in het kantoorpand, mede gelet op de opschriften en titels kan worden aangenomen dat dit stukken van overtuiging (kunnen) zijn. Voor zover dat niet het geval zou zijn, geldt het volgende. Anders dan in de woning – waar zich vanzelfsprekend ook privéstukken bevinden die niets met de verdenking te maken hebben, zijn deze stukken aangetroffen in het kantoorpand van het bedrijf (of bedrijven) waartegen het Franse onderzoek zich richt. Het Franse rechtshulpverzoek strekte zich uit tot de bedrijfsinformatie die lag opgeslagen in het kantoorpand. Mede gelet op het feit dat slechts delen van de kantoorserver zijn gekopieerd en een Franse opsporingsambtenaar aanwezig was bij de doorzoeking, volgt uit het dossier dat gericht is gezocht naar bepaalde bedrijfsadministratie en -informatie. Het kennelijk hierop gebaseerde oordeel dat het bedoelde papieren beslag stukken van overtuiging betreffen, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk. Daarmee is tegelijkertijd de impliciete afwijzing van het verzoek om dit beslag alsnog te filteren niet onbegrijpelijk.

13.18.

Het vierde middel in de Franse verlofzaak (20/00615 B) en het tweede middel in de klaagschriftprocedure (20/00581 Bv) – met betrekking tot het papieren beslag – stuiten op het voorgaande af.

13.19.

Dan blijven nog enkele resterende klachten over. Dit betreft de derde deelklacht van het tweede middel in de klaagschriftprocedure (dat de rechtbank heeft verzuimd een last tot opheffing c.q. vernietiging te bevelen) en de tweede en derde deelklacht van het derde middel in de Belgische verlofzaak voor zover daarin gesteld wordt dat de rechtbank onvoldoende nauwkeurig heeft bepaald op welke inbeslaggenomen voorwerpen het verleende verlof in de zin van artikel 552p (oud) Sv betrekking heeft).

13.20.

Met betrekking tot de derde deelklacht van het tweede middel in de klaagschriftprocedure kan ik kort zijn. Deze deelklacht slaagt. Terecht merkt de steller van het middel op dat de rechtbank heeft verzuimd de met de gegrondverklaring overeenstemmende last tot opheffing en vernietiging van de nog niet uitgefilterde kopieën te bevelen. De Hoge Raad kan dit verzuim zelf herstellen door alsnog de last tot teruggave dan wel vernietiging te geven.70

13.21.

Ik heb nog overwogen een alternatief voor te stellen om deze klacht af te doen. Men kan zich namelijk afvragen of de belanghebbenden, voor zover geklaagd wordt over het beslag van de nog niet uitgefilterde kopieën, wel ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep. De redenering is dan, dat de rechtbank de klagers op dit onderdeel niet ontvankelijk had moeten verklaren omdat de officier van justitie tijdens de behandeling in raadkamer op 5 november 2019 (zie onder 12.3. hiervoor) heeft verklaard:

“zoals reeds meegedeeld zullen de eerder en niet definitieve kopieën van het digitale beslag worden vernietigd. Of uw rechtbank het beklag op dit punt gegrond of niet-ontvankelijk verklaart, is mij of het even.”

Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de officier van justitie het voornemen had de niet uitgefilterde kopieën te vernietigen en dat dit ook naar alle waarschijnlijk is gebeurd. In dat geval zou het beslag, gelet op het bepaalde in art 134 lid 1 Sv, zijn geëindigd.71

Omdat het echter niet zeker is of inderdaad kan worden aangenomen dat de officier van justitie met een aan zekerheid grenzende aannemelijkheid ook daadwerkelijk tot vernietiging van de nog niet uitgefilterde kopieën is overgegaan, kies ik toch voor het slagen van deze deelklacht.

13.22.

Het tweede middel in de klaagschriftprocedure (20/00581 Bv) slaagt dus ten dele.

13.23.

Wat betreft de Belgische verlofbeschikking merkt de steller van het middel in de derde deelklacht van het derde middel terecht op dat blijkens de letterlijke tekst van de beschikking en de daaraan gehechte bijlage volgt dat de rechtbank verlof heeft verleend met betrekking tot al het oorspronkelijk (ongefilterde) beslag uit het kantoorpand. In de bijlage wordt immers gesproken over de veiliggestelde data van de kantoorserver zoals omschreven in het proces-verbaal van de politie van 27 oktober 2016. Op dat moment was het beslag nog niet gefilterd. In de beschikking wordt geen onderscheid gemaakt tussen het wel en niet gefilterde beslag, zoals dat wel is gebeurd in de beschikking in de Franse verlofzaak.

13.24.

Ten gevolge daarvan slaagt ook de tweede deelklacht van het derde middel omdat het oordeel dat alle (ongefilterde) stukken op de bijlage stukken van overtuiging zijn, gelet op wat is aangevoerd en de rechtbank heeft overwogen in de andere procedures, niet zonder meer begrijpelijk is. Ook los daarvan heeft de rechtbank niet met voldoende nauwkeurigheid bepaald op welke inbeslaggenomen voorwerpen het verleende verlof in de zin van artikel 552p (oud) Sv betrekking heeft. Dat betekent dat in zoverre de tweede en derde deelklacht van dit middel terecht zijn voorgesteld.

13.25.

Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden als de beschikking van de rechtbank in de Belgische verlofzaak verbeterd wordt gelezen, waardoor de feitelijke grondslag aan de klachten kan komen te ontvallen.72 Uit de gang van zaken tijdens de procedures blijkt namelijk onmiskenbaar dat de rechtbank telkens heeft bedoeld verlof te willen verlenen voor het gefilterde beslag op basis van de zoekwoordenlijst van de respectievelijk Franse en Belgische autoriteiten. Ik wijs daarvoor allereerst op de mededelingen van de officier van justitie in raadkamer tijdens de behandeling van haar vordering in de Belgische verlofzaak, waarin zij aangeeft alleen verlof te willen vragen voor het gefilterde beslag. Daarnaast wijs ik op het oordeel van de rechtbank in de samenhangende Franse verlofzaak en in de klaagschriftprocedure.

13.26.

Bij verbeterde lezing falen ook de tweede en derde deelklacht van het derde middel en daarmee het hele derde middel in de Belgische verlofzaak (20/00615 B).

14 Conclusie

14.1.

Het tweede middel in de Belgische verlofzaak met zaaknummer 20/00615 B slaagt en het tweede middel in de beklagzaak met zaaknummer 20/00581 Bv slaagt ten dele. De overige middelen zowel in de zaak met zaaknummer 20/00615 B en zaaknummer 20/00581 Bv falen.

14.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraken aanleiding behoren te geven.

14.3.

Deze conclusie strekt:

(i) tot vernietiging van de bestreden beschikking in de Belgische verlofzaak met zaaknummer 20/00651B en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam om de vordering tot verlof opnieuw de behandelen en af te doen;

(ii) tot vernietiging van de beschikking in de beklagzaak met zaaknummer 20/00581 Bv, doch uitsluitend ten aanzien van de daarin genomen beslissing tot opheffing van het beslag en dat de Hoge Raad, doende wat de rechtbank had behoren te doen, de vernietiging van de nog niet uitgefilterde kopieën zal bevelen, en

(iii) tot verwerping van de beroepen voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met daarbij telkens de door de rechtbank gegeven kenmerken/raadkamernummers 16/8620, 16/8621 en 16/8622.

2 Vgl. bijv. conclusie AG Harteveld 12 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:57.

3 De 552p Sv-procedure is sinds 1 juli 2018 vervallen door de inwerkingtreding van de Wet van 7 juni 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten met het oog op het moderniseren van de regeling van internationale samenwerking in strafzaken (herziening regeling internationale samenwerking in strafzaken), Stb. 2017, 246. Zie voor de inwerkingtreding per 1 juli 2018 Stb. 2017, 492 en Stb. 2018, 199. Het huidige recht bevat een afgeslankte vorm van de verlofprocedure ex art. 552p (oud) Sv en deze is thans opgenomen in art. 5.1.10 Sv.

4 Zie de inhoud van de beschikking en het proces-verbaal van de behandeling van de vordering tot verlof in de Belgische verlofzaak. Vgl. HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4086.

5 Vgl. HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5096, rov. 5.2.

6 Vgl. HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5096, rov. 3.1.

7 Vgl. HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5096, rov. 3.3; HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4086, rov. 4.5 en HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2584, rov 3.5.

8 Vgl. HR 14 oktober 1975, ECLI:NL:HR:1975:4804, NJ 1976/150 en HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM0781.

9 HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:987.

10 Zie de aan HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:987 voorafgaande rolconclusie van mijn ambtgenoot, AG Hofstee d.d. 19 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1177, onder 28-35, in het bijzonder 29 (in navolging van AG Jörg).

11 Bij een (openbare) behandeling waarbij de belanghebbende aanwezig is en de inhoud van de beschikking al wel kent, acht de Hoge Raad het cassatieberoep in dat soort gevallen, zoals gezegd, wel ontvankelijk, vgl. HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM0781.

12 Onderhavige situatie is daarom anders dan die van in de rolconclusie van AG Hofstee d.d. 19 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1177, onder 37.

13 Rolconclusie AG Hofstee d.d. 19 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1177, onder 36.

14 In het geval de Hoge Raad over het voorgaande anders mocht oordelen, wijs ik er ten overvloede op dat de belanghebbenden zelf bij het openbaar ministerie en de rechtbank aan de bel kunnen trekken en vervolgens opnieuw cassatieberoep kunnen instellen na toezending van de beschikking door de rechtbank.

15 Vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:372.

16 Navraag op 11 november 2019 bij de rechtbank leert overigens dat nog geen eindbeschikking is gegeven en onbekend is wanneer de zaak weer op zitting komt.

17 Vgl. bijv. HR 14 oktober 1975, ECLI:NL:HR:1975:4804, NJ 1976/150 en HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM0781.

18 Dit betreft de Wet van 7 juni 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten met het oog op het moderniseren van de regeling van internationale samenwerking in strafzaken, Stb. 2017, 246, en in werking getreden op 1 juli 2018.

19 Ik merk daarbij nog op dat de indiener van de schriftuur haar opmerking ook aan de rolraadsheer had kunnen toekomen en zodoende de juiste dan wel nadere termijn had kunnen vragen voor de indiening van de schriftuur.

20 Zie proces-verbaal van bevindingen van de politie ‘’veiligstellen data’’ d.d. 27 oktober 2016.

21 Tijdens deze behandeling is ook aandacht besteed aan het verwijderen van geheimhouderstukken uit het beslag. Dat laat ik hier buiten beschouwing omdat daarover in cassatie niet geklaagd wordt.

22 Nadat de officier van justitie met betrekking tot de Franse verlofzaak de eerder voorgenomen vordering op de zitting van 17 april 2018 tussentijds introk.

23 Het gaat hierbij om de niet definitieve en niet volledig uitgefilterde kopieën van het digitale beslag, de zogenaamde A en B kopieën van de op het [b-straat 1] in beslag genomen server.

24 In de woning gaat het om de Samsung notebook die is gefilterd.

25 Het gaat hierbij om alle gegevensdragers uit de woning, behalve de Samsung notebook (die wel is gefilterd en waarvoor de rechtbank wel verlof verleent) en de iPad en de iPad mini (waarvoor geen verlof is verleend omdat de officier van justitie de vordering met betrekking tot deze apparaten ter zitting van 5 november 2019 introk).

26 Nadat een eerste proces-verbaal is opgemaakt is nadien, naar aanleiding van opmerkingen van de raadslieden een herstel proces-verbaal opgemaakt, maar de wijziging ten opzichte van het eerste aanvankelijke proces-verbaal is hier niet van belang.

27 Dit zijn de namen van de verschoningsgerechtigden die zich in de procedure hebben gevoegd.

28 In de toelichting wordt verwezen naar HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1633 en HR 17 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN7749.

29 HR 9 december 2003, NJ 2004/167.

30 De Hoge Raad staat doorgaans vormen van vertegenwoordiging die niet in de wet zijn voorzien, niet toe. Zie conclusie AG Hofstee voor HR 26 april 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO1633, onder 18 en de daar genoemde jurisprudentie.

31 HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1633, NJ 2013/70, m.nt. Mevis.

32 Vgl. conclusie AG Hofstee 14 september 2010, ECLI:NL:PHR:2011:BN7749, onder 9.

33 In de schriftuur wordt gesproken over 25 november 2019 maar dit is gelet op de datum van de bewuste brief (en de zitting) een kennelijke misslag.

34 Verwezen wordt naar HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2783.

35 De Hoge Raad heeft dit reeds meermalen bepaald in tal van verschillende raadkamerprocedures, zie bijv. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:972; HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:9; HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2461; HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1023; HR 31 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ1084; HR 23 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1930, NJ 2001/205 en HR 16 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1202, NJ 1998/838 m.nt. Schalken. Zie ook reeds HR 11 oktober 1955, ECLI:NL:HR:1955:186, NJ 1956/24, ten aanzien van de in lid 2 opgenomen plicht om het openbaar ministerie te horen.

36 Vgl. HR 23 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1203, NJ 1998/837.

37 HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8999 en HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2326.

38 Vgl. recent HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:659 maar bijvoorbeeld ook HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2783. Zie in dit verband ook de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 14 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:58, onder randnummer 4.5.

39 Dit is anders onder het huidige recht met betrekking tot kortgezegd rechtshulpverzoeken afkomstig van buiten de Europese Unie. Het huidige art. 5.1.10 lid 4 Sv bepaalt dat indien door de autoriteiten van de verzoekende staat om geheimhouding is verzocht, dan wel uit de aard van het verzoek blijkt dat geheimhouding van het verzoek om rechtshulp is geboden, wordt verondersteld dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad indien toepassing wordt gegeven aan art. 23 lid 2 t/m 5 Sv. In dat geval is dus geen verdergaande inhoudelijke toets van de rechter meer vereist. Kamerstukken II 2015/16, 34493, 3, p. 30. Overigens merkt J.M. Reijntjes in R. van Elst en E. van Sliedregt (red.), Handboek internationaal strafrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2015, op p. 364 op dat de rechter in de oude verlofprocedure bij gebrek aan eigen wetenschap meestal ook niet anders kon dan verwijzen naar het oordeel van de verzoekende partij. AG Knigge heeft de verhouding tussen de internationale grondslagen tot geheimhouding en art. 23 lid 6 Sv eens geproblematiseerd, zie zijn conclusie van 28 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:58.

40 Zie Kamerstukken II 1991/92, 22 584, nr. 3, p. 8-9 en 19.

41 HR 4 februari 2013, ECLI:NL:HR:2003:AE9642; HR 8 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2087. Vgl. ook HR 21 mei 1996, NJ 1996/620 en HR 24 september 1996, NJ 1997/87. Vgl. m.b.t. het onderzoek ter terechtzitting en art. 269 Sv HR 4 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5346, NJ 2000/633 m.nt. ’t Hart.

42 Het voorgaande volgt uit de meest recente jurisprudentie, zie o.a. HR 4 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5346, NJ 2000/633 m.nt. ’t Hart; HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:689 en HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1311.

43 Zie (oud) Melai/Groenhuijsen e.a., artikel 269 Sv, aant. 9.5 (actueel t/m 1 oktober 2001) en de daarin genoemde jurisprudentie, waaronder HR 24 oktober 1921, NJ 1922, p. 74-75; HR 25 november 1986, NJ 1987/684. Zelfs wanneer de raadsman en de verdachte zijn gehoord en geen bezwaar tegen sluiting hebben gemaakt, kan desalniettemin in cassatie worden geklaagd over het ontbreken van de motivering daartoe, zie HR 6 mei 1986, NJ 1987/79 (in Melai/Groenhuijsen per abuis als NJ 1986/79 aangehaald).

44 HR 29 juni 1993, NJ 1994/77. De verdachte had blijkens het proces-verbaal van de zitting over twee getuigen die beweerden bang te zijn voor represailles, het volgende gezegd: 'eigenlijk zou ik haar kop moeten afsnijden' en 'ze hoeft nu niet bang te zijn, pas als ik op vrije voeten kom'. Hier meende de Hoge Raad wel dat in het proces-verbaal van 'genoegzame vermelding van de gewichtige reden tot sluiting' sprake was. Maar zie ook reeds HR 2 april 1918, NJ 1918, p. 501-502, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het hof kennelijk het (de openbare orde betreffende) bezwaar van de getuige-deskundige tot het zijne had gemaakt en daarin reden gevonden tot sluiting der deuren.

45 HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:473.

46 HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5616 en HR 4 juni 1991, NJ 1991/790 (Maurikse incestzaak).

47 EHRM 26 september 1995, Series A 325-A (Diennet v. Frankrijk).

48 Zie Melai/Groenhuijsen, art. 269 Sv, aant. 7.2 en 7.6.

49 Vgl. HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8999 en HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2326.

50 HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2783.

51 Vgl. Conclusie AG Knigge d.d. 28 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:58.

52 Vgl. bijv. de conclusie van AG Harteveld d.d. 12 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:635, onder 4.15-4.16.

53 Trb. 1965, 10, laatstelijk gewijzigd bij Trb. 2008, 157.

54 Vgl. HR 13 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:ZD2927, NJ 2002/580.

55 Art. 552k (oud) Sv, thans art. 5.1.4 lid 2 Sv. HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1450 & HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:ZD2927.

56 Thans art. 5.1.5 Sv.

57 HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:ZD2927; HR 8 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1153.

58 Zie hierover ook de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge, voorafgaand aan HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1069.

59 H.G. van der Wilt in Melai/Groenhuijsen e.a., Internationale en interregionale samenwerking in strafzaken, Deel III. Rechtshulp, hoofdstuk 5, par. 7, aant. 3.2 (bijgewerkt tot november 2013).

60 Zie bijv. HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN4301, NJ 2010/563 en HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1069.

61 Verwezen wordt naar HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1103.

62 Conclusie Knigge 6 juni 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BN4301.

63 HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN4301, NJ 2010/563

64 Dit is volgens de klagers 1 januari 2012 t/m 25 november 2014 respectievelijk 8 december 2015 (in de rechtshulpverzoeken staat immers telkens ‘t/m vandaag’).

65 Eerste deelklacht van het derde middel in 20/00615 B.

66 Tweede deelklacht van het derde middel in 20/00615 B; alle deelklachten van het vierde middel in 20/00615 B en met name de tweede deelklacht in de beslagzaak.

67 Uit het proces-verbaal blijkt dat de officier van justitie onder andere het volgende heeft aangevoerd: ‘’De omstandigheid dat het beslag omvangrijk is, vormt evenmin een reden om het onrechtmatig te achten. Op het politiebureau zal een selectie worden gemaakt en dan pas zullen de stukken overhandigd worden. De zoekingen zijn proportioneel geweest, zeker nu [belanghebbende 1] niet mee heeft willen werken aan het strafrechtelijke onderzoek van de Fransen.’’

68 Vgl. Conclusie AG Knigge voor HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BN4301, NJ 2010/563, onder 32: ‘’Men kan er begrip voor opbrengen dat in gevallen als de onderhavige tot inbeslagneming van de gehele administratie wordt overgegaan omdat het op het moment van de doorzoeking veelal niet doenlijk zal zijn de aangetroffen documenten en digitale bestanden inhoudelijk te selecteren. Die integrale inbeslagneming zal dan echter wel moeten geschieden met het oog op een zo spoedig mogelijk te verrichten selectie achteraf. Dat de inbeslagneming niet onrechtmatig was, wil daarom niet zeggen dat het voortduren van het beslag dat niet is. De waarborg tegen willekeur wordt daarbij gevonden in de mogelijkheid zich te wenden tot de beklag- en verlofrechter. Anders gezegd: integrale inbeslagneming met selectie achteraf is aanvaardbaar mede omdat in rechterlijk toezicht is voorzien. Maar dan moet van dat toezicht wel werk gemaakt worden. Dat geldt in het bijzonder in gevallen waarin de selectie achteraf niet, of niet onder toezicht van de Rechter-Commissaris, heeft plaatsgevonden.’’

69 Zie pagina 4 van de (tussen)beschikking van 19 november 2019 in de Franse verlofzaak.

70 Vgl. HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7591.

71 Vgl. HR 14 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2861, rov. 2.1. en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot AG Harteveld ECLI:NL:PHR:2017:1239, onder 3.6, 3.12 en 3.13.

72 Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1139 en de conclusie van AG Aben daarbij, ECLI:NL:PHR:2019:759, onder 8 en 9 en HR 25 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1037, rov. 1 en de conclusie van AG Paridaens daarbij, ECLI:NL:PHR:2019:584, onder 1.