Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:266

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
19/03191
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Hof bevestigt vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de strafoplegging en strafmotivering. De klacht dat het hof bij vernietiging van de strafoplegging heeft verzuimd (opnieuw) te beslissen omtrent het beslag faalt naar het oordeel van de AG omdat deze beslissing onmiskenbaar onder het bevestigde deel van het vonnis van de rechtbank valt. AG benadrukt aanbeveling van de HR aan hoven in ECLI:NL:HR:2018:372 en ECLI:NL:HR:2018:1431 om bij (een gedeeltelijke) bevestiging van een vonnis in eerste aanleg alle relevante beslissingen op te nemen in het dictum van het arrest teneinde misverstanden (in de tenuitvoerlegging) te voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03191

Zitting 23 maart 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

1. Het cassatieberoep

1.1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 27 juni 2019 het vonnis van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 8 december 2015 bevestigd (met aanvulling van de bewijsmiddelen), uitgezonderd de (motivering van de) strafoplegging. De verdachte is door het hof wegens:

(i) onder feit 1) “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”;

(ii) onder feit 3) “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”;

(iii) en onder feit 4) “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden (waarvan 10 voorwaardelijk).

1.2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/03145 en 19/03158 met betrekking tot respectievelijk de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3.Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2. Het eerste middel

2.1. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de strafoplegging heeft vernietigd maar heeft nagelaten om in hoger beroep een beslissing te nemen omtrent een in beslag genomen en nog niet teruggegeven telefoon (GSM).

2.2. Het vonnis van de rechtbank houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:


7 Het beslag

Tijdens het onderzoek werd onder verdachte een gsm van het merk Samsung in beslag genomen. Nu de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat deze gsm enig verband houdt met de strafbare feiten, zal deze worden teruggegeven aan verdachte.
(…)
9 De beslissing
De rechtbank:
(…)
Beslag

- gelast de teruggave aan de verdachte van het volgende inbeslaggenomene:

1 GSM Samsung (goednummer 2343975).”

2.3. Het arrest van het hof houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:


Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde (…) en is zij ter zake van:

(…), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.

Tevens heeft de rechtbank beslist ten aanzien van het beslag en is de teruggave aan de verdachte gelast van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven GSM Samsung (goednummer 2343975).
(…)
Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met aanvulling van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen met het proces-verbaal van bevindingen als weergegeven op pagina 84 van het dossier (zie voetnoot) en met uitzondering van de opgelegde straf en de strafmotivering.

(…)
BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenstaande.”

2.4. Volgens de steller van het middel heeft het hof gelet op bovenstaande ten onrechte geen beslissing genomen over de inbeslaggenomen GSM. In de toelichting op het middel wordt daarvoor allereerst kort gezegd aangevoerd dat de Hoge Raad in zijn arrest van 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430 heeft bepaald dat indien door de Hoge Raad een bestreden uitspraak 'uitsluitend wat betreft de strafoplegging' wordt vernietigd, in een dergelijke vernietiging (onder andere) ook de beslissingen als bedoeld in art. 353-354 Sv omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen worden begrepen. Hoewel dit een andere situatie betreft dan wanneer het hof een vonnis van de rechtbank vernietigt en/of bevestigt, valt volgens de steller van het middel niet in te zien waarom hoven analoog aan de jurisprudentie van de Hoge Raad bij vernietiging van de strafoplegging niet ook een (nieuwe) beslissing dienen te nemen over het beslag.

2.5. Daarbij is volgens de steller van het middel van belang dat de in dit opzicht te volgen lijn in de appelrechtspraak niet eenduidig is. Zo heeft het hof in de onderhavige zaak niet opnieuw een beslissing genomen ten aanzien van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp. Maar in een andere zaak, afkomstig uit hetzelfde ressort, nam het hof in een vergelijkbare situatie (te weten: vernietiging voor wat betreft de strafoplegging en -motivering) wel opnieuw een beslissing over de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Daarvoor wordt verwezen naar gerechtshof 's-Hertogenbosch 3 augustus 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3477 waarin in het arrest onder andere het volgende staat opgenomen:


“Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van (de primair ten laste gelegde) poging tot moord vrijgesproken. De rechtbank heeft verdachte ter zake van (de subsidiair ten laste gelegde) poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen genomen over diverse inbeslaggenomen goederen.
(...)


Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de strafmotivering en de opgelegde straf.

(...)


Evenals de rechtbank, zal ook het hof het mes waarmee de poging doodslag is gepleegd (goednummer 620547) verbeurdverklaren.

BESLISSING
Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafmotivering en de straf en doet in zoverre opnieuw recht;
(…)
verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen mes, goednummer 620547;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, inclusief de overige beslissingen ten aanzien van het beslag.”

Tevens wijst de steller van het middel op diverse arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden en Amsterdam waarin bij vernietiging van de strafoplegging en -motivering wel opnieuw beslissingen werden genomen omtrent het beslag1 maar ook op een arrest van het hof Den Haag2 waarin dat (weer) niet werd gedaan.

2.6. Tot slot wordt voor wat betreft het belang bij cassatie, met het oog op HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:BX0146, rov. 2.2.3, HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1610 en HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3166, door de steller van het middel nog het volgende aangevoerd. Het is volgens de steller van het middel niet duidelijk of het hof hetzij is vergeten om een nieuwe beslissing over het in beslag genomen maar nog niet teruggegeven voorwerp te nemen, hetzij dat het hof van oordeel was dat het geen nieuwe beslissing omtrent het in beslag genomen maar nog niet teruggegeven voorwerp hoefde te geven. De afwezigheid van een beslissing omtrent de in beslag genomen GSM vormt dus niet een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de raadsheren die op de zaak hebben gezeten. Het is dan ook niet evident dat de verdachte, indien zij zich binnen de in art. 552a lid 3 Sv gestelde termijn richt tot het hof over het uitblijven van een last tot teruggave van het in beslag genomen maar nog niet teruggegeven voorwerp, in het gelijk zou worden gesteld. Tot slot kan, gelet op de verschillen in de hiervoor aangehaalde arresten van hoven, aan het middel niet een zekere zaaksoverstijgende betekenis (en dus belang bij cassatie) worden ontzegd.

2.7. Beoordeling van het middel

2.7.1. Naar mijn mening mist het middel feitelijke grondslag zodat het niet tot cassatie kan leiden. De door de rechtbank gegeven beslissing omtrent het beslag valt namelijk, anders dan door de steller van het middel wordt betoogd, onmiskenbaar onder de partiele bevestiging door het hof van het vonnis van de rechtbank. Het hof heeft immers overwogen dat het vonnis wordt bevestigd, met aanvulling van de bewijsmiddelen maar met uitzondering van de strafoplegging en de strafmotivering. Uit het dictum van het arrest volgt dat alleen de opgelegde straf wordt vernietigd en in zoverre opnieuw recht wordt gedaan. Het hof stelt in het dictum vervolgens een nieuwe straf vast (nadat het de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in hoger beroep voor wat betreft feit 2). Voor het overige wordt het vonnis van de rechtbank bevestigd, aldus het dictum. De beslissing omtrent het beslag is daarmee, anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, dus niet uitgezonderd van de bevestiging. Dat het hof in onderhavige zaak niet heeft beoogd de beslissing van de rechtbank omtrent het beslag te vernietigen blijkt tevens in samenhang met het arrest in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 2], waarin het hof het vonnis ook heeft bevestigd met uitzondering van de strafoplegging en strafmotivering. In dat arrest overweegt het hof echter, anders dan in deze zaak, dat het om efficiency overwegingen tevens opnieuw zal beslissen omtrent het beslag. Die (nieuwe) beslissing is vervolgens ook opgenomen in het dictum.

2.7.2. Het feit dat de Hoge Raad in cassatie in het geval van vernietiging van de strafoplegging daaronder – tenzij de Hoge Raad in het desbetreffende arrest anders bepaalt – ook de beslissing omtrent het beslag verstaat, betekent nog niet dat dit ook geldt ten aanzien van de vernietiging van de strafoplegging van de rechtbank door het hof. Dat kan worden afgeleid uit de arresten van de Hoge Raad van HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:372 en HR 4 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1431. Daaruit volgt kort gezegd dat het hof vrij is om een vonnis al dan niet gedeeltelijk te bevestigen en in dat opzicht weinig beperkingen bestaan zolang de constructie maar logisch is. De enige eis die de Hoge Raad stelt is dat het arrest van het hof niet onverenigbaar dient te zijn met het gedeeltelijk bevestigde vonnis van de rechtbank, en uit het arrest van het hof in samenhang met het vonnis van de rechtbank, voor zover dit is bevestigd, ondubbelzinnig moet blijken welke straf(fen) en/of maatregel(en) aan de verdachte zijn opgelegd.

2.7.3. Ook het feit dat uit andere beslissingen van hetzelfde hof of andere hoven volgt dat bij een vernietiging van de strafoplegging soms wel expliciet nieuwe beslissingen omtrent het beslag worden genomen, betekent nog niet zonder meer dat het hof in onderhavige zaak daarmee de beslissing van de rechtbank omtrent het beslag dus (ook) heeft vernietigd. Daarbij merk ik nog op dat in het door de steller van het middel genoemde arrest van het hof ’s-Hertogenbosch, waarin bij een vernietiging van de strafoplegging wel opnieuw zou zijn beslist omtrent het beslag, slechts expliciet opnieuw is beslist omtrent de verbeurdverklaring van een mes, terwijl de rest van de beslissingen van het beslag zijn bevestigd.

2.7.4. Naar mijn mening blijkt uit het arrest van het hof in samenhang met het vonnis ondubbelzinnig welke beslissingen zijn genomen en is er ook van onverenigbaarheid met het gedeeltelijk bevestigde vonnis van de rechtbank geen sprake.

2.7.5. Wel meen ik dat het middel het belang van de aanbeveling, die de Hoge Raad in zijn arrest van 20 maart 2018 heeft gedaan, nog een keer onderstreept. Die aanbeveling houdt in dat, om misverstanden (ook met betrekking tot de tenuitvoerlegging) te voorkomen, het de voorkeur verdient in het dictum een integrale weergave op te nemen van alle opgelegde straffen en maatregelen zodat daarmee expliciet wordt welke beslissingen wel of niet worden bevestigd.3 Deze aanbeveling geldt wat mij betreft ook voor de beslissingen omtrent het beslag, die geen straf of maatregel zijn, zoals de teruggave van een voorwerp. De Hoge Raad zou zijn aanbeveling in dat kader kunnen verruimen naar alle beslissingen die in de rechter bij uitspraak moet geven en die normaal gesproken in het dictum worden opgenomen, al was het maar om cassatieberoepen als de onderhavige te voorkomen.

Dat het hof deze aanbeveling kennelijk niet heeft overgenomen vormt echter geen reden (of cassatiebelang) om het middel alsnog te doen slagen.

2.7.6. Tot slot kan in deze zaak nog een laatste reden worden genoemd waarom het middel, indien het feitelijke grondslag zou hebben, niet tot cassatie hoeft te leiden. Ingevolge art. 353 Sv dient de strafrechter weliswaar bij zijn uitspraak een beslissing te nemen over de met toepassing van art. 94 Sv inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Uit de (ook door de steller van het middel genoemde) jurisprudentie van de Hoge Raad volgt echter dat, indien de rechter heeft verzuimd een dergelijke beslissing te nemen, de verdachte op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk is in zijn of haar cassatieberoep bij gebrek aan een rechtens te respecteren belang. De reden daarvoor is dat de verdachte een klaagschrift ex art. 552a Sv kan indienen om (alsnog) een rechterlijk beslissing omtrent het beslag te krijgen.4 Dat is in onderhavig geval naar mijn mening niet anders, ook niet in het licht van hetgeen door de steller van het middel is aangevoerd.

2.8. Het eerste middel is vergeefs voorgesteld.

3. Het tweede middel

3.1.

Het tweede middel bevat de klacht dat door het hof de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

3.2.

Deze klacht slaagt. Op 5 juli 2019 heeft de verdachte tijdig cassatieberoep doen instellen, waarna de stukken van het geding vervolgens op 20 april 2020 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. Dat betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met anderhalve maand is overschreden. Dit verzuim kan niet meer door een voortvarende behandeling in cassatie worden hersteld zodat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden, zonder dat er bijzondere omstandigheden zijn, die overschrijding van deze termijn zouden kunnen rechtvaardigen. Dit moet leiden tot strafvermindering.

3.3.

Het tweede middel slaagt.

4. Conclusie

4.1. Het eerste middel faalt en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan, het tweede middel slaagt.

4.2. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het gaat om de volgende arresten: gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10171; gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5420; gerechtshof Amsterdam 20 maart 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1493 en gerechtshof Amsterdam 25 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3428.

2 Gerechtshof Den Haag 25 maart 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:770.

3 HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:372, rov. 3.4., herhaald in HR 4 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1431, rov. 2.4.

4 Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, rov. 2.2.3 en HR 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:14, rov. 3.3.