Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:256

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-03-2021
Datum publicatie
01-04-2021
Zaaknummer
20/00565
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Heling (art. 416 Sr) van valse kentekenplaat en cd's in buddyseat van scooter bewezenverklaard. Wist verdachte ten tijde van het verkrijgen van de voorwerpen dat deze van misdrijf afkomstig waren? Geen aannemelijke verklaring van verdachte voor hun aanwezigheid.

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep o.b.v. art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00565

Zitting 30 maart 2021

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboortepaats] op [geboortedatum] 1997,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 14 februari 2020 door het gerechtshof Amsterdam vrijgesproken van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde en wegens 1. subsidiair en 2. subsidiair telkens “opzetheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde werkstraf.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel is gericht tegen de motivering van de bewezenverklaring.

3.1.

Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

“1. subsidiair
hij op 6 mei 2017 te Amsterdam,
- een kentekenbewijs en
- cd's
voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist, dat het door diefstal verkregen goederen betrof.

2. subsidiair
hij op 6 mei 2017 te Amsterdam, een kentekenplaat (met het kenteken: [kenteken 1]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist, dat het een door diefstal verkregen goed betrof.”

3.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen, die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkort arrest:

“Ten aanzien van feit 1 subsidiair, en feit 2 subsidiair

1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2017078056-4 van 6 mei 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 14-15).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant(en):

Op 6 mei 2017 omstreeks 04:35 uur bevonden wij ons in uniform gekleed en met motorsurveillance belast op de openbare weg de Ookmeerweg te Amsterdam, rijdende in de richting van de Baden Powellweg. Op de Ookmeerweg kwam een scooter uit een zijstraat rijden. De scooter had een opvallend oranje achterlicht dat fel licht uitstraalde. De scooter reed met ongeveer dezelfde snelheid als de onze op het fietspad parellel aan de Ookmeerweg. Onze snelheidsmeter gaf 80 km/u aan. Wij besloten achter de scooter aan te rijden om de scooter staande te houden en te controleren. Wij zagen dat de scooter met hoge snelheid vanaf de Ookmeerweg linksaf de [a-straat] inreed en vervolgens rechtsaf de Willemskerkestraat in. Het leek erop alsof de scooter ons probeerde kwijt te raken in de woonwijk.

Ik, [verbalisant 2], reed als eerste de Willemskerkestraat in. Ik zag het felle oranje achterlicht van de scooter aan het einde van de Schoonboomstraat. Ik gaf de positie van de scooter portofonisch door aan mijn collega motorrijder.

Ik, [verbalisant 2], zag een manspersoon met een rode scooter lopen. Ik hield de persoon staande en vorderde inzage van het rijbewijs. De bestuurder draaide plotseling zijn sleutel om in het contactslot en startte de scooter. De bestuurder stak met hoge snelheid de Osdorperban over en reed het trottoir aan de overzijde op.

De jongen reed met hoge snelheid weg. Het achterlicht van de scooter was fel oranje van kleur.

Wij zetten de achtervolging in en zagen dat de verdachte tussen de hekjes door over het trottoir het Botteskerkpark door reed en vervolgens de Cruuskerkstraat in reed.
Bij de hekjes die via de steeg toegang geven naar Tussen Meer, kwam de scooter tot stilstand tegen het hekwerk en ten val. De verdachte kwam ook ten val en stak vervolgens rennend Tussen Meer over. Hij rende de Evertsweerstraat in. Daar was hij plotseling uit het zicht verdwenen.
Wij hebben de straat afgesloten zodat er niemand meer uit kon. Een collega, die bij de scooter. stond, gaf portofonisch door dat de kentekenplaat van diefstal afkomstig was en dat er diverse inbrekerswerktuigen om en in de scooter lagen.

Wij hebben de hondengeleider ter plaatse laten komen en die trof de verdachte aan op een afstand van 4 meter van de plek waar wij de verdachte uit het zicht waren verloren. De verdachte had zich liggend verstopt in de bosschages. Wij herkenden de verdachte voor 100% als de bestuurder van de scooter.

Na onderzoek op de plaats waar de scooter ten val was gekomen kwam het volgende naar voren:
- de scooter was voorzien van een blauwe kentekenplaat [kenteken 1] welke van diefstal afkomstig was;

- de scooter betrof een motorscooter 125cc afkomstig uit Duitsland; een rode Vespa, oud model;
- uit de buddy van de scooter was een kleine moker gevallen;
- in de buddy van de scooter lagen kentekenpapieren van een Duitse BMW die op 5 mei 20l7 waren weggenomen na een inbraak uit een auto, gepleegd door de twee opzittenden van een rode Vespa, oud model; in de buddy lagen 3 cd’s van Queen.
Verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboortepaats].

Ten aanzien van feit 1 subsidiair
2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2017093930-1 van 5 mei 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 11-12).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 5 mei 2017 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Op 4 mei 2017 omstreeks 20 uur stond onze auto geparkeerd bij hotel [A] aan de [a-straat 1] te Amsterdam. Wij hadden de auto goed afgesloten en in deugdelijke staat achtergelaten. Op 5 mei 2017 omstreeks 9 uur zagen wij dat er in onze auto was ingebroken.

Het glas aan de bestuurderszijde was ingeslagen. Uit de auto zijn de volgende goederen weggenomen:

- het kentekenbewijs van de auto;

- 3 cd’s.

De aangever verstrekte over het bij het incident betrokken voertuig de volgende aanvullende informatie:

Voertuig: Personenauto

Merk/type: BMW 320ed

Kleur: Grijs

Land: Bondrepubliek Duitsland

Kenteken: [kenteken 2]

Chassisnummer: [001]

Eigenaar: [betrokkene 1].

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL 1300-2017093930-2 van 5 mei 2017,

in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (doorgenummerdé pagina 13).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant(en):

Op 5 mei 2017 omstreeks 7:55 uur bevonden wij ons in uniform gekleed en belast met surveillancewerkzaamheden op de [a-straat], ter hoogte van perceel [1], [A] Hotel. Wij werden aangesproken door een automobilist die wij ambtshalve kennen als beveiliger. Hij verklaarde dat hij op 5 mei 2017 omstreeks 3:00 uur aanwezig was op de parkeerplaats ter hoogte van de [a-straat]. Aldaar zag hij dat twee jongens aan het inbreken waren in een donkerkleurige personenauto. De beveiliger verklaarde dat zij meerdere pogingen hadden gedaan om de autoruit te forceren met een breekvoorwerp, zonder succes. Toen hij in wilde grijpen, reden de jongens weg op een rode Vespascooter in de richting van de Schoonboomstraat.

De scooter was van een oud model en niet voorzien van een kentekenplaat.

Wij liepen naar het betreffende geparkeerde voertuig, een Ford Kuga, voorzien van een Duits kenteken [kenteken 3] en zagen dat de autoruit schade vertoonde van braaksporen. Door een ingebouwd folie in het raam hadden de verdachten het voertuig niet kunnen betreden. Verder zagen wij naast de Ford Kuga een grijze BMW, voorzien van een Duits kenteken [kenteken 2], waarvan de autoruit aan de bestuurderszijde was ingeslagen.

Voertuig: personenauto BMW 320 ed, kleur grijs, Bondsrepubliek Duitsland, kenteken [kenteken 2], chassisnummer [001].

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2017078056-12 van 6 mei 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (doorgenummerde pagina 23).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 6 mei 2017 heeft verbalisant [verbalisant 7] in mijn bijzijn gebeld met aangever [betrokkene 1].

De aangever verklaarde telefonisch het volgende: de cd’s zijn van Queens (het hof begrijpt: Queen). En mijn kentekenbewijs is ook weggenomen.

Goed(eren): 3 cd’s van Queen greatest hits.

5. Een bewijs van ontvangst met nummer PL1300-2017078056-7 van 6 mei 2017, ondertekend door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pagina 40).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Ondergetekende verklaart op 6 mei 2017 uit handen van [verdachte], geboren [geboortedatum] 1997 in beslag te hebben genomen:

Kentekenbewijs; Bondsrepubliek Duitsland, [kenteken 2] (Duitse Bmw), aangifte: [002].

Ten aanzien van feit 2 subsidiair

6. Een niet ondertekend proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2017078056 van 13 april 2017, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 8] (doorgenummerde pagina’s 4-5).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk-weergegeven:

Gegevens aangever: [betrokkene 2]
Pleegplaats: Amsterdam .

Omschrijving voorval: kentekenplaat gestolen

Merk: Peugeot

Kleur (het hof begrijpt: van de kentekenplaat): blauw

Inscriptie: [kenteken 1]

Tijdstip achtergelaten: 28 maart 2017 te 17:00 uur
Tijdstip geconstateerd: 3 april 2017 te 22:00 uur”

3.3.

Verder bevat het bestreden arrest de volgende bewijsoverwegingen:

“De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken van beide feiten.

De raadsvrouw van de verdachte heeft naar voren gebracht dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde opzetheling bij beide feiten, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte in de buddyseat van de scooter heeft gekeken en hij aldus ook niet op de hoogte was van de (herkomst van de) goederen daarin. Ten aanzien van de kentekenplaat heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het dossier geen aanwijzing bevat dat de verdachte had moeten weten dat deze van diefstal afkomstig waren.

De verdachte wist ook niet dat de scooter voorzien zou zijn van een onjuiste kentekenplaat, zoals overwogen door de politierechter.

Het hof overweegt als volgt.

Op 6 mei 2017 ’s morgens, omstreeks 04:35 uur, wordt de verdachte door verbalisanten gezien, rijdend op een scooter. Als de verbalisanten hem staande willen houden, slaat hij - tot twee keer toe - op de vlucht, waarna hij wordt aangehouden. De verdachte had zich liggend verstopt in de bossages nadat hij met de scooter was gevallen.

In de buddyseat van de scooter, waarop de verbalisanten de verdachte hebben zien rijden, zitten drie cd’s en een kentekenbewijs. Deze goederen zijn gestolen op 5 mei 2017 uit een auto. Op de scooter zat een blauwe kentekenplaat met nummer [kenteken 1]. Deze kentekenplaat is gestolen in de periode tussen 28 maart 2017 tot en met 3 april 2017.

Bij de politie heeft de verdachte na zijn aanhouding verklaard dat hij niet reed op de scooter en dat hij geen idee had van wie die scooter was. Ter terechtzitting in eerste aanleg is de verdachte op deze verklaring teruggekomen. Hij heeft toen wel verklaard dat hij op de scooter reed, dat hij de scooter van een jongen die hij kent had gekregen, maar zijn naam wilde hij niet noemen. Hij had net voor zijn staandehouding de scooter gepakt om een rondje te rijden. Ook heeft hij verklaard dat hij vluchtte voor de politie omdat hij een boete voor te hard rijden wilde voorkomen.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof allereerst vast dat de onder de verdachte in beslag genomen goederen van misdrijf, te weten van diefstal, afkomstig waren. Het hof stelt voorts vast dat niet is gebleken van een concrete aanwijzing dat de verdachte zelf op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de diefstal van deze goederen.

Gelet op de in de bewijsmiddelen opgenomen feiten en omstandigheden waaronder de goederen onder de verdachte werden aangetroffen (waaronder het korte tijdsverloop tussen de diefstal van het kentekenbewijs en de cd’s en het aantreffen van de verdachte op de scooter) en in aanmerking genomen dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben daarvan, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen wist dat deze van misdrijf afkomstig waren. Het hof acht de verklaringen van de verdachte met betrekking tot de scooter (en daarmee de goederen die zich daarop en daarin bevonden) niet aannemelijk omdat hij over zijn betrokkenheid bij de scooter wisselende verklaringen heeft afgelegd bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Hij heeft (in eerste instantie bij de politie) in strijd met de waarheid ontkend dat hij op de scooter heeft gereden. Zijn latere verklaringen (in hoger beroep) met betrekking tot de vriend van wie hij de scooter zou hebben geleend om een ritje te maken zo heel vroeg in de ochtend, acht het hof - zonder nadere substantiëring - ongeloofwaardig. Het hof is van oordeel dat de verdachte met deze wisselende verklaringen heeft getracht de waarheid, dat hij opzettelijk de gestolen goederen voorhanden had, te bemantelen. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling met betrekking tot het kentekenbewijs, de cd’s en de kentekenplaat. Het bewijsverweer wordt verworpen.”

3.4.

Uit de toelichting op het middel blijkt dat in het bijzonder wordt geklaagd dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van de in de bewezenverklaring vermelde goederen, wist dat het door diefstal verkregen goederen betroffen.

3.5.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voor het aannemen dat een verdachte ‘ten tijde van het voorhanden krijgen’ van een goed ‘wist dat’1 het van misdrijf afkomstig is, is niet vereist dat dit direct uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt. Wel moet dit opzet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, waarbij een bijzondere bewijsoverweging dienstig kan zijn.2 Deze bewijsoverweging kan vervolgens in cassatie op begrijpelijkheid worden getoetst. Het komt hierbij aan op de omstandigheden van het geval. De rechtspraak van de Hoge Raad ter zake is aldus tamelijk casuïstisch te noemen.3

3.6.

Uit deze rechtspraak kunnen wel enkele algemene lijnen worden afgeleid. Zo kan (i) de benodigde wetenschap soms worden afgeleid uit de uiterlijke kenmerken van de goederen die een verdachte voorhanden heeft.4 Ook kan (ii) een rol spelen onder welke omstandigheden een verdachte de betreffende goederen voorhanden heeft gekregen of wat hij in de periode (kort) daarna met die goederen heeft gedaan.5 Vervolgens (iii) kan betekenis toekomen aan hoe een verdachte zich gedraagt op het moment dat hij met opsporingsactiviteit wordt geconfronteerd. Hoewel het enkele vluchten voor de politie – in een gestolen auto – niet voldoende is om te kunnen vaststellen dat een verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen moet hebben geweten dat deze van misdrijf afkomstig was,6 lijkt het vluchten wel als relevante omstandigheid te mogen worden meegewogen.7 Ten slotte (iv) kan betekenis toekomen aan wat de verdachte omtrent de aanwezigheid van het voorwerp heeft verklaard.8 Opnieuw geldt hier dat niet elke onwilligheid om openheid van zaken te geven genoeg is. Zo is het voor het vaststellen van de benodigde wetenschap in elk geval onvoldoende als een verdachte wordt aangehouden op een gestolen scooter en hij vervolgens verklaart deze te hebben geleend van iemand wiens naam hij niet wil noemen.9 Wanneer echter sprake is van voldoende bijkomende omstandigheden kan het anders komen te liggen. In een arrest uit 201910 liet de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand dat sprake was van opzetheling omdat (1) de verdachte reed in een gestolen auto, (2) deze auto op dat moment niet was voorzien van het originele kenteken, (3) de verdachte niet beschikte over de autopapieren van die personenauto en (4) de verdachte geen geloofwaardige hem ontlastende verklaring heeft gegeven voor het voorhanden hebben van deze auto. De verdachte had in deze zaak verklaard de auto te hebben geleend van iemand waarvan hij niet wist hoe zijn naam moest worden geschreven, van wie hij evenmin de achternaam kende en van wie hij geen adres- en/of telefoongegevens kon overleggen, terwijl deze persoon bovendien lange tijd op vakantie zou zijn. Bovendien had de verdachte verklaard de auto op het moment van zijn aanhouding zes tot acht weken onder zich te hebben gehad, terwijl de auto pas vijf weken daarvoor gestolen was.11

3.7.

De vraag is nu hoe de onderhavige zaak past in het kader dat ik hierboven, onder 3.6 heb aangegeven. Als ik de bewijsvoering van het hof vergelijk met dit kader valt op (ad i) dat het hof niets heeft vastgesteld omtrent de (uiterlijke) kenmerken van de scooter in relatie tot de aangebrachte (valse) kentekenplaat. De gestolen bromfietskentekenplaat was blauw en dus behorende bij een zogenaamde snorscooter, maar het hof heeft in het midden gelaten of dit iets was wat de verdachte had moeten opvallen.12 Ook de in het verlengde daarvan liggende vraag naar het – kennelijk - niet aanwezig hebben van de papieren die bij het motorrijtuig horen is niet besproken door het hof. Evenmin is komen vast te staan of de verdachte in de buddyseat, waarin zich de gestolen cd’s bevonden, heeft gekeken. Wel (ad ii) legt het korte tijdsverloop (een kleine 24 uur) tussen de diefstal van het kentekenbewijs en de cd’s en het aantreffen van deze goederen bij de verdachte voor het hof gewicht in de schaal. Uit de bewijsvoering van het hof kan verder (ad iii) worden afgeleid dat betekenis toekomt aan het gegeven dat de verdachte (tot twee keer toe) voor de politie is gevlucht en zich uiteindelijk heeft geprobeerd te verschuilen in de bosschages. Ten slotte (ad iv) kent het hof betekenis toe aan het gegeven dat het de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij de scooter van een vriend had geleend om ‘een ritje te maken’, als ongeloofwaardig beschouwt. Het hof baseert zijn oordeel omtrent die (on)geloofwaardigheid ten dele op het feit dat de verdachte gedurende het onderzoek ‘wisselend’ zou hebben verklaard. De verdachte heeft eerder in het onderzoek ‘(in eerste instantie bij de politie)’13 ontkend op de scooter te hebben gereden en aangegeven niet te weten van wie de scooter was. Ter terechtzitting, zowel in eerste aanleg als ten overstaan van het hof, heeft de verdachte verklaard wel op de scooter te hebben gereden maar deze te hebben geleend van een jongen wiens naam hij niet wilde noemen. Deze laatste verklaring acht het hof onvoldoende gesubstantieerd om voor geloofwaardig te kunnen doorgaan. Daarnaast heeft het hof het vroege tijdstip waarop de verdachte zijn ‘ritje’ maakte (omstreeks 4:35) betrokken bij zijn oordeel dat de verklaring van de verdachte dat hij de scooter zou hebben geleend ongeloofwaardig is. Al met al acht ik het oordeel van het hof, dat de verdachte geen aannemelijke verklaring voor de aanwezigheid van de gestolen voorwerpen heeft gegeven, niet onbegrijpelijk.

4. Het komt mij voor dat het hof op basis van dit samenstel aan omstandigheden tot het oordeel heeft kunnen komen dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen wist dat deze van misdrijf afkomstig waren. Het hof heeft dit oordeel ook toereikend gemotiveerd.

5. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Hieronder is ook voorwaardelijk opzet begrepen, HR 19 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1812, NJ 1993/491, m.nt. Th. W. van Veen.

2 Vgl. voor dit punt na een uitgebreidere analyse van relevante arresten de conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens (27 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1329) voorafgaand aan HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97, NJ 2019/310, onder 3.13.

3 Vgl. in vergelijkbare zin de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken, ECLI:NL:PHR:2018:1263 voorafgaand aan HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:132, NJ 2019/313, onder 5.2.

4 Zo aanvaarde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat een verdachte zich schuldig had gemaakt aan opzetheling, nu hij achterop was gesprongen op een scooter waarvan het voorkapje ontbrak en waarbij bedrading loshing, HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:711, NJ 2019/175, m.nt. H.D. Wolswijk. Vgl. ook HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:678. De Hoge Raad liet hier een veroordeling voor opzetheling in stand, waarbij hij mede in aanmerking nam dat zich op de vloer achter de rugleuning van de bestuurdersstoel (dus in het zicht) een ‘jammer’ bevond.

5 Vgl. o.a. HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:132, NJ 2019/313. Hier aanvaarde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de verdachte ook "ten tijde van" het voorhanden krijgen van de in de bewezenverklaring vermelde aanhanger wist dat deze aanhanger afkomstig was uit enig misdrijf, nu het bij dit oordeel onder meer had betrokken dat de verdachte op deze aanhanger een ander kenteken had gemonteerd.

6 HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:538, NJ 2015/164. Het hof had in deze zaak vastgesteld dat de verdachte had geprobeerd weg te vluchten nadat hij een stopteken als bedoeld in art. 160 WVW 1994 had gekregen. De Hoge Raad casseerde, omdat hieruit niet zonder meer kon worden afgeleid dat de verdachte ‘ten tijde van het voorhanden krijgen van die personenauto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.’ (r.o. 2.3).

7 Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:652, NJ 2017/278. De Hoge Raad overwoog hier dat het oordeel van het hof dat een verdachte zich schuldig had gemaakt aan opzetheling van een personenauto niet onbegrijpelijk was, omdat het blijkens de bewijsvoering bij het oordeel had betrokken (i) de omstandigheden waaronder de verdachte de auto kennelijk in zijn bezit had, (ii) dat niet is gebleken dat de verdachte rechtmatig over de auto beschikte, (iii) dat de verdachte niet een aannemelijke verklaring heeft gegeven omtrent de rechtmatige verkrijging van de auto, alsmede (iv) dat de verdachte toen hij als bestuurder van de van een vals kenteken voorziene auto door een getuige werd aangesproken met de mededeling dat zij de politie wilde bellen, niet wilde wachten totdat de politie arriveerde, een valse naam en adres opgaf en als bestuurder wegreed (r.o. 3.3).

8 HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:644, NJ 2017/277, m.nt. Kooijmans, r.o. 2.3.1: “Van belang is ook dat voor een bewezenverklaring van opzet- of schuldheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte ‘ten tijde van’ bijvoorbeeld het voorhanden ‘krijgen’ wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een ‘door misdrijf verkregen goed’ betrof. Daarbij kan onder omstandigheden een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben van het voorwerp.”

9 Dit was het geval in HR 13 december 2005, ECLI:NL:HR:AU5804. De Hoge Raad casseerde. Zie voor een vergelijkbare situatie – hier betrof het een gestolen auto waarin een verdachte zat die beweerde onderweg te zijn om te tanken voor iemand wiens naam hij niet wilde noemen – HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:536, NJ 2015/163. Ook in deze zaak casseerde de Hoge Raad het arrest van het hof.

10 HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97, NJ 2019/310.

11 Zie de bewijsoverweging van het hof als weergegeven in r.o. 2.2.3 in HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97, NJ 2019/310.

12 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter blijkt dat de verdachte daar heeft verklaard dat aan het model van de scooter niet te zien valt of op dit model een blauw of een geel kenteken hoort (p. 2). Overigens blijkt uit het proces-verbaal van de politie, opgenomen als bewijsmiddel 1., dat het voertuig een zogenaamde motorscooter betrof, met een cilinderinhoud van 125 cc.

13 Ik merk hierbij op dat uit de stukken niet blijkt van meer dan één kantelpunt in de inhoud van de verklaringen van de verdachte. Zowel in eerste aanleg (p. 2 van het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter) als in hoger beroep (p. 2 van het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof) heeft de verdachte verklaard op de ‘brommer’ resp. de ‘scooter’ te hebben gereden, nadat hij deze van een derde had geleend. In het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter wordt ook gewag gemaakt van een verhoor bij de rechter-commissaris, maar de inhoud hiervan heeft het hof niet kenbaar bij de overwegingen betrokken.