Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:253

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
19/04787
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Rijden terwijl verdachte wist dat rijbewijs ongeldig was verklaard. Art. 9.2 WVW 1994. 1. Falende klachten over ontbrekende stukken in het dossier. 2. Klachten over de bewezenverklaring van overtreding art. 9.2 WVW 1994. AG: Het hof heeft toereikend gemotiveerd geoordeeld a) dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig was verklaard, dat dit besluit bekend is gemaakt aan de verdachte en van kracht was, b) dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en c) dat de verdachte niet beschikte over een (geldig) rijbewijs. Strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04787

Zitting 16 maart 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 16 oktober 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1 “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (465 microgram)” en 2 ”overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden.

  2. Namens de verdachte heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat de aanvulling op het verkorte arrest houdende de bewijsmiddelen, alsmede het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 16 oktober 2017, zich niet bevinden in het aan de Hoge Raad toegezonden dossier.

4. Beide stukken bevonden zich niet bij de door het hof aan de Hoge Raad toegezonden stukken en zijn – naar aanleiding van een tijdig verzoek van de raadsman om toezending daarvan1 – op 24 september 2020 door de griffie van de Hoge Raad bij het hof opgevraagd. De Hoge Raad benut daarmee de in art. 83 RO opgenomen bevoegdheid om na te gaan of in het dossier ontbrekende stukken zich nog bij het gerechtshof bevinden.2

5. Een afschrift van de op 7 oktober 2020 bij de Hoge Raad binnengekomen aanvulling op het verkorte arrest houdende de bewijsmiddelen is aan de advocaat toegestuurd. Daarbij is aangegeven dat de rolraadsheer een nadere termijn heeft verleend teneinde de advocaat in de gelegenheid te stellen om met betrekking tot het opgevraagde processtuk de eerder ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel een of meer middelen in te trekken. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

6. De aanvulling op het verkorte arrest blijkt op 5 oktober 2020, en dus pas nadat de aanvulling door de Hoge Raad was opgevraagd, te zijn ondertekend. Deze ondertekening wordt gevolgd door de volgende verklaring: “Gelet op de bijlagen heb ik de aanvulling die in eerste instantie op 28 februari 2020 door mij is ondertekend en die kennelijk in het ongerede is geraakt, nogmaals ondertekend en wel op 5 oktober 2020.” De verklaring is voorzien van een handtekening die overeenkomt met de daarboven geplaatste handtekening van mr. E.M.J. Brink, zijnde de voorzitter van de zittingscombinatie. Deze verklaring beoogt kennelijk te verduidelijken dat het betreffende stuk niet moet worden beschouwd als een nieuw opgemaakt stuk, maar als een afschrift conform het origineel van 28 februari 2020, hoewel het in dat geval ten onrechte opnieuw is ondertekend.

7. Het middel, dat met betrekking tot de aanvulling op het verkorte arrest houdende de bewijsmiddelen (uitsluitend) klaagt over het ontbreken van dit stuk in het dossier, mist – nu het inmiddels deel uitmaakt van het dossier – feitelijke grondslag.

8. Met betrekking tot het opgevraagde proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 16 oktober 2017 is aan de advocaat een afschrift van de op 14 oktober 2020 bij de Hoge Raad binnengekomen verklaring van de griffier van het hof toegestuurd, waarin wordt bevestigd dat geen proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is opgemaakt nu het een verstekzaak betreft, waarin ongeveer zes maanden na het vonnis hoger beroep is ingesteld.

9. Voor zover het middel klaagt over het ontbreken van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 16 oktober 2017, wijs ik op het volgende. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2019 is aldaar noch door de aldaar aanwezige verdachte noch door zijn raadsman een beroep gedaan op het ontbreken van bedoeld proces-verbaal, terwijl in cassatie niet voor het eerst met vrucht over het ontbreken van dat proces-verbaal kan worden geklaagd.3 Het middel is daarmee in zoverre tevergeefs voorgesteld.

10. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

11. Het tweede middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.

12. Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat:

“hij op of omstreeks 6 juli 2017 te Almere terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [b-straat] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”

13. Namens de verdachte is ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde het volgende verweer gevoerd:

“De omstandigheid dat het besluit per aangetekende brief is verzonden, is niet voldoende. Niet is vast te stellen dat cliënt wist of redelijkerwijs kon weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

Er is nergens bewijs dat de brief aan cliënt aangetekend is verstuurd. In ieder geval heb ik geen verzend- of ontvangstbewijs gezien.

Mijns inziens dient vrijspraak te volgen voor feit 2. Subsidiair verzoek ik het hof, indien u toch tot een bewezenverklaarde van feit 2 komt, om cliënt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen alsmede een geldboete. Eventueel kan als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact worden opgelegd.”

14. Naar aanleiding van dit verweer bevat het bestreden arrest de volgende overweging met betrekking tot het bewijs van feit 2:

“Ter zitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Vooropgesteld wordt dat uit de bewijsvoering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig "wist of redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daaromtrent niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, noch uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren. In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte "wist of redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Bij brief van 9 februari 2010 is aan verdachte kenbaar gemaakt dat hij vanwege zijn aanhouding(en) een Educatieve Maatregel en verkeer (EMA) moet volgen en dat de kosten hiervoor voor zijn eigen rekening zijn. In de brief staat vermeld dat als verdachte niet betaalt of niet verschijnt op de EMA zijn rijbewijs ongeldig wordt verklaard.

Dat verdachte op de hoogte is van de opgelegde EMA blijkt uit de brief van 8 maart 2010, waarin het CBR reageert op het verzoek van verdachte om een betalingsregeling. In deze brief gericht aan verdachte staat vermeld:

"Onlangs heeft het CBR u een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) opgelegd. U heeft verzocht om een betalingsregeling. In deze brief delen wij u onze reactie mee. Betalingsregeling niet toegekend.

Wij hebben besloten om met u geen betalingsregeling te treffen. Wij gaan niet in op uw verzoek, omdat u niet binnen de gestelde termijn om een betalingsregeling heeft verzocht. (...) Als u niet tijdig betaalt, zijn wij genoodzaakt uw rijbewijs ongeldig te verklaren.’

Uiteindelijk is het rijbewijs van verdachte bij besluit van 6 juli 2010 vanaf de zevende dag na dagtekening van dat besluit ongeldig verklaard omdat hij niet (voldoende) heeft meegewerkt aan de EMA. Daarbij wordt verzocht om het rijbewijs naar het CBR op te sturen.

Uit de brief van 4 mei 2012 afkomstig van het CBR met als onderwerp ‘ontvangstbevestiging rijbewijs [0001] ’ volgt dat het CBR het rijbewijs van verdachte heeft ontvangen van het Openbaar Ministerie.' Ten tijde van zijn aanhouding beschikte verdachte dan ook niet over een (geldig) rijbewijs.

Verder blijkt uit het strafblad van verdachte dat hij voorafgaand aan dit feit meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld wegens het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs én dat hij de aan hem opgelegde taakstraffen en geldboetes heeft voldaan, onder meer:

- Politierechter rechtbank Midden-Nederland d.d. 21 maart 2014 ter zake rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs op 8 januari 2014 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf, voldaan van 18 april 2014 tot 12 september 2014. Onherroepelijk op 5 april 2014.

- Politierechter rechtbank Midden-Nederland d.d. 16 mei 2014 ter zake van rijden onder invloed en rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs op 27 oktober 2013 tot een werkstraf van 30 uren, voldaan van 1 november 2014 tot 13 februari 2015, en een geldboete, voldaan van 17 juni 2014 tot 28 november 2018. Onherroepelijk op 1 november 2014.

- Politierechter rechtbank Amsterdam d.d. 26 mei 2014 ter zake van - onder meer - rijden onder invloed en rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs op 20 februari 2014 tot een werkstraf van 80 uren, voldaan van 1 november 2014 tot 11 januari 2016. Onherroepelijk op 1 november 2014.

- Politierechter rechtbank Gelderland d.d. 31 oktober 2014 ter zake van rijden onder invloed en rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs op 22 april 2012 tot een gevangenisstraf van vier weken en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. De executie heeft plaatsgevonden in de periode van 15 januari 2015 tot en met 22 september 2015. Onherroepelijk op 15 januari 2015.

- Politierechter rechtbank Midden-Nederland d.d. 12 maart 2015 ter zake van rijden onder invloed en rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs op 21 november 2013 tot een geldboete van € 1000,- , een gevangenisstraf van zestien dagen en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. De executie heeft plaatsgevonden in de periode van 20 oktober 2015 tot en met 5 november 2015. Onherroepelijk op 16 september 2015.

Bovengenoemd samenstel van omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van het hof de conclusie dragen dat verdachte op 6 juli 2017 wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dat het dossier geen ontvangst- of verzendinformatie van voormelde brieven bevat doet aan dit oordeel niet af.

Het verweer wordt verworpen.”

15. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 2 vervolgens bewezenverklaard dat:

“hij op 6 juli 2017 te Almere terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [b-straat] , als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”

16. Deze bewezenverklaring steunt in het bijzonder op de volgende bewijsmiddelen:

“4. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal nr. 060720172330008115 d.d. 7 juli 2017, inhoudende:

als verklaring van verbalisanten, althans een hunner:

Ik verbalisant zag dat op 6 juli 2017 verdachte, genaamd [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 19878 [ik begrijp: 1987, DP] te [geboorteplaats] , als bestuurder van een motorrijtuig, reed op de [b-straat] te Almere.

Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften heb ik, verbalisant, een onderzoek ingesteld.

Na onderzoek bleek dat het op naam van de bestuurder gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig is verklaard.

5. Als bijlage bij het hiervoor onder 4 genoemde proces-verbaal gevoegde overzichten van CBR Divisie Vordering, inhoudende:

datum/tijd: 07-07-2017 01:40:26

Soort Vorderingsprocedure

Autoriteit CBR Divisie Vorderingen (Divisie Vordering)

Registratie 06-07-2010

VORDERING

Ingeleverd bij Cbr Divisie Vorderingen

CBRdossiernummer [...]

Ingang ongeldigverklaring 06-07-2010

Reden ongeldigverklaring Geschiktheid

Feitelijke inleverdatum ongeldig 03 mei 2012

CATEGORIEËN

Categorie Periode Soort

B vanaf 13-07-2010 Ongeldigheid

NL-RDW

Identiteit [verdachte] , Geboren [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats]

Rijbewijsnummer [0001]

Land uitgifte Nederland

Datum afgifte 05-07-2007

Autoriteit afgifte [plaats]

6. Een schriftelijk stuk, te weten een brief d.d. 9 februari 2010, inhoudende:

DIT IS EEN KOPIE VAN DE HEDEN AAN U TOEGEZONDEN AANGETEKENDE BRIEF

[verdachte]

[a-straat 1]

[plaats]

Onderwerp: Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer

U bent één of meerdere malen aangehouden. Als gevolg hiervan vermoedt het CBR dat u niet langer voldoet aan de eisen die worden gesteld aan houders van een rijbewijs. In bijgaand besluit, kunt u lezen waarom.

Gevolg: Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer

Wij hebben besloten dat u een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) moet volgen. Een EMA bestaat uit een individueel voorgesprek en drie cursusdagen, verspreid over meerdere weken. U bent volgens de wet verplicht aan de EMA mee te werken.

Wij hebben dit besluit zowel aangetekend als onaangetekend verzonden. Alle toekomstige correspondentie zal niet meer worden gevolgd door een onaangetekende kopie.

Consequenties niet meewerken

Als u meewerkt aan deze maatregel, dan ondervindt u geen andere nadelige gevolgen. Betaalt u echter niet of verschijnt u niet op de EMA zonder geldige reden, dan zijn wij genoodzaakt uw rijbewijs ongeldig te verklaren.

7. Een schriftelijk stuk, te weten een brief d.d. 8 maart 2010, inhoudende:

AANTEKENEN

Betalingsregeling niet toegekend.

Geachte [verdachte] ,

Onlangs heeft het CBR u een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) opgelegd.

U heeft verzocht om een betalingsregeling. In deze brief delen wij u onze reactie mee.

Betalingsregeling niet toegekend

Wij hebben besloten om met u geen betalingsregeling te treffen. Wij gaan niet in op uw verzoek, omdat u niet binnen de gestelde termijn om een betalingsregeling heeft verzocht.

Betaling

Zorg ervoor dat wij het bedrag van € 714,00 vóór 27 april 2010 ontvangen hebben. Stort dit bedrag op rekeningnummer 373601 (ING) ten name van het CBR, divisie Vorderingen te Rijswijk. Vermeld bij uw betaling het dossiernummer [...].

Als u niet tijdig betaalt, zijn wij genoodzaakt uw rijbewijs ongeldig te verklaren, Doe dit dus tijdig, dan ondervindt u verder geen vervelende gevolgen. Mocht u nog vragen hebben, dan vindt u op www.cbr.nl meer informatie.

8. Een schriftelijk stuk, te weten een brief d.d. 4 mei 2012, inhoudende:

Onderwerp: ontvangstbevestiging rijbewijs [0001]

Geachte [verdachte] ,

Het CBR heeft uw rijbewijs met het nummer [0001] ontvangen van het Openbaar Ministerie te Arnhem-Zutphen.

9. Een schriftelijk stuk, te weten een brief d.d. 6 juli 2010, inhoudende:

DIT IS EEN KOPIE VAN DE HEDEN AAN U TOEGEZONDEN AANGETEKENDE BRIEF

Onderwerp: gevolgen niet meewerken EMA

In het besluit van 9 februari 2010 heeft het CBR u een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) opgelegd. Daarbij hebben wij vermeld dat medewerking aan de EMA verplicht is. U heeft niet (voldoende)

meegewerkt aan de EMA. In deze brief leest u welk besluit wij als gevolg hiervan hebben genomen en wat de gevolgen voor u zijn. In bijgaand besluit, kunt u lezen waarom.

Wat zijn de gevolgen?

Wij hebben uw rijbewijs ongeldig verklaard. Dat betekent dat uw rijbewijs ongeldig is vanaf de zevende dag na dagtekening van dit besluit.

Wij verzoeken u het rijbewijs naar ons op te sturen.

Als u het rijbewijs niet in bezit heeft, kunt u het opsturen zodra u er weer over beschikt. Wij adviseren u het rijbewijs aangetekend te verzenden. Stuur het naar:

CBR, divisie Rijgeschiktheid, afdeling Vorderingen

Postbus 3012

2280 GA Rijswijk

De ongeldigverklaring staat geregistreerd in het centraal rijbewijzenregister van de RDW. In dit register hebben onder meer de politie en het Openbaar Ministerie inzage.

De hierboven weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen levert op de redengevende feiten en omstandigheden, op grond waarvan het hof bewezen acht en de overtuiging heeft verkregen, dat verdachte hetgeen in het arrest als bewezen verklaard is aangenomen, heeft begaan.”

17. Het middel klaagt onder i.) dat het hof het verweer, inhoudende dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat hij niet wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, ten onrechte en op ontoereikende gronden heeft verworpen en dat ii.) de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde door het hof niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, in het bijzonder voor zover deze bewezenverklaring inhoudt dat (a.) het rijbewijs van de verdachte op 6 juli 2017 ongeldig was verklaard, (b.) de verdachte zulks wist, en (c.) aan de verdachte nadien geen ander rijbewijs was afgegeven.

18. De bewezenverklaring in het bestreden arrest is gebaseerd op art. 9, tweede lid, eerste volzin, WVW 1994. Art. 9, tweede lid, WVW 1994 – voor zover hier van belang – luidt:

“Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen.”

19. Over de bewijsvoering van overtreding van artikel 9, tweede lid, eerste volzin, WVW 1994 heeft de Hoge Raad in een arrest van 9 juli 2019, het volgende overwogen:

“2.4.2. Om tot een bewezenverklaring van een op art. 9, tweede lid, eerste volzin WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, zal uit de bewijsvoering allereerst moeten blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het desbetreffende besluit is bekend gemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. art. 3:40 en 3:41 Awb respectievelijk art. 124, derde lid, en 132, vierde lid, WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden.

2.4.3. In de tweede plaats moet uit de bewijsvoering blijken dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens het besturen door de verdachte.

2.4.4. In de derde plaats moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig "wist of redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat art. 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; een dergelijk vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van art. 107 WVW 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daaromtrent niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, noch uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. art. 124, vierde lid, onderscheidenlijk art. 132, vijfde lid, WVW 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte "wist of redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dat wordt geïllustreerd door het overzicht van de Advocaat-Generaal onder 10.1 tot en met 10.6. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden.”4

20. De Hoge Raad heeft in dit arrest een drie-stappenplan ontwikkeld aan de hand waarvan de strafrechter kan nagaan of hij overtreding van art. 9, tweede lid, eerste volzin, WVW 1994 bewezen kan achten. Daarmee heeft de Hoge Raad overigens tegelijkertijd een signaal afgegeven aan het openbaar ministerie in verband met de opbouw van het strafdossier. Ik bespreek de klachten in de volgorde van dit drie-stappenplan.

21. De eerste stap stelt eisen aan de bewijsvoering in verband met de beslissing tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. Uit de bewijsvoering zal moeten blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, dat dit besluit aan de verdachte bekend is gemaakt en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking. In dit kader wordt in het middel onder (ii.) sub (a.) aangevoerd dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed voor zover die inhoudt dat het rijbewijs van de verdachte op 6 juli 2017 ongeldig was verklaard. Daartoe wordt aangevoerd dat die ongeldigverklaring niet ingaat vanaf de zevende dag na dagtekening van het besluit zoals wordt gemeld in de als bewijsmiddel 9 gebezigde brief van het CBR, maar “met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan de houder van het rijbewijs is bekendgemaakt”, terwijl de bewijsmiddelen geen blijk geven van enige vorm van bekendmaking van het besluit aan verzoeker.

22. Uit de als bewijsmiddel 9 voor het bewijs gebruikte (aangetekend verzonden) brief van het CBR van 6 juli 2010 (dus exact zeven jaar vóór het moment van het strafbare feit waarvan de verdachte in de onderhavige zaak wordt verdacht) kan worden afgeleid dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard en dat dit besluit op 6 juli 2010 aan de verdachte is bekendgemaakt. Op grond van art. 132, vierde lid, WVW 1994 is de ongeldigverklaring van kracht met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan de houder van het rijbewijs is bekend gemaakt. Uit de brief van het CBR van 6 juli 2010 kan worden afgeleid dat de ongeldigverklaring van het rijbewijs van kracht is geworden zeven dagen na 6 juli 2010, zijnde zeven dagen ná de dagtekening van de verzendbrief. Daarmee is in mijn ogen voldaan aan de eisen die door de Hoge Raad in zijn eerste stap worden gesteld en is de klacht onder (ii.) sub (a.) tevergeefs voorgesteld.

23. De tweede stap vereist dat uit de bewijsvoering blijkt dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dit kan bijvoorbeeld worden vastgesteld aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens het besturen door de verdachte. Het middel klaagt in dit verband onder (ii.) sub (c.) dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed voor zover zij inhoudt dat aan de verdachte nadien geen ander rijbewijs was afgegeven.

24. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte op 6 juli 2017 niet beschikte over een (geldig) rijbewijs. Dat de verdachte op dat moment niet beschikte over een (geldig) rijbewijs heeft het hof, gezien zijn bewijsoverweging, afgeleid uit de brief van 4 mei 2012 van het CBR met als onderwerp “ontvangstbevestiging rijbewijs [0001] ”. Uit deze brief volgt dat het CBR het rijbewijs van de verdachte heeft ontvangen van het openbaar ministerie. Uit de omstandigheid dat het CBR in 2012 het rijbewijs op naam van de verdachte heeft ontvangen, kan evenwel nog niet zonder meer worden afgeleid dat aan hem sindsdien geen ander rijbewijs is afgegeven. Deze omstandigheid kan wel worden afgeleid uit de in bewijsmiddel 5 opgenomen onderdelen van de bijlage bij het als bewijsmiddel 4 gebezigde proces-verbaal. Deze bijlage wordt door het hof weliswaar aangeduid als “overzichten van CBR Divisie Vordering”, maar betreft – bij een blik over de papieren muur – een op 7 juli 2017 om 01:40:26 vervaardigde uitdraai van gegevens uit het NL-RDW-register, waarin kennelijk ook gegevens van de Divisie Vordering van het CBR zijn opgenomen. Uit deze bijlage blijkt – voor zover hier van belang – dat op naam van de verdachte (als laatste) op 5 juli 2007 een rijbewijs is afgegeven met als nummer [0001] en daaruit kan vervolgens worden afgeleid dat hem sindsdien geen ander rijbewijs is afgegeven. De betreffende NL-RDW gegevens die onder het kopje “Rijbewijs” op de uitdraai voorkomen, zijn ook opgenomen in bewijsmiddel 5 en daarmee is het oordeel van het hof dat de verdachte op 6 juli 2017 niet beschikte over een (geldig) rijbewijs toereikend gemotiveerd en is de klacht onder (ii.) sub (c.) tevergeefs voorgesteld.

25. De derde en laatste stap vereist dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig "wist of redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het middel klaagt onder (ii.) sub (b.) dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed voor zover die inhoudt dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs op 6 juli 2017 ongeldig was verklaard.

26. Uit de bewijsmiddelen blijkt – zoals hiervoor al naar voren is gekomen – dat het CBR het rijbewijs van de verdachte begin mei 2012 heeft ontvangen van het openbaar ministerie. Hieruit volgt dat de verdachte dit rijbewijs vlak daarvoor heeft afgestaan. Dit sluit aan bij het uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte waaruit naar voren komt dat hij op 31 oktober 2014 door de politierechter rechtbank Gelderland is veroordeeld wegens (onder meer) het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs op 22 april 2014, dus vlak voor de binnenkomst van het rijbewijs bij het CBR. Het hof wijst voorts op vier andere veroordelingen waarbij de verdachte is schuldig verklaard wegens het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. Alle in verband daarmee aan hem opgelegde straffen heeft hij vóór 6 juli 2017 geheel of gedeeltelijk ondergaan. Uit voorgaande omstandigheden – in onderlinge samenhang bezien – heeft het hof zonder meer kunnen afleiden dat de verdachte op 6 juli 2017 wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Daarmee faalt ook de klacht onder (ii.) sub (b.).

27. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

28. Beide middelen falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

29. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Art. 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden luidt, voor zover hier van belang, aldus: “Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet – voordat hij in een middel over die onvolledigheid wenst te klagen – binnen de in artikel 437, tweede lid, Sv onderscheidenlijk artikel 447, vijfde lid, Sv genoemde termijn een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer”.

2 Die bevoegdheid strekt er niet toe het hof te verzoeken om stukken die niet zijn opgemaakt, alsnog op te maken en in te sturen. Zie HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:235, r.o. 2.5.

3 Vgl. HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5953, NJ 2013/901, r.o. 3.3.

4 ECLI:NL:HR:2019:1146, NJ 2019/454 m.nt. W.H. Vellinga. Zie voor het overzicht van de rechtspraak van mijn ambtgenoot Harteveld, waarnaar het arrest verwijst: ECLI:NL:PHR:2019:349.