Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:240

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
20/00998
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Meermalen poging tot doodslag in het verkeer. Bijna frontale botsing met motoragent en flankaanrijding met achtervolgende politieauto. Middelen over voorwaardelijk opzet, m.n. het welbewust aanvaarden van het gevolg en de aanmerkelijke kans op overlijden. Conclusie strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00998

Zitting 16 maart 2021

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 13 maart 2020 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. primair en 2. primair “telkens: poging tot doodslag”, en 3. “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, wegens 4. “overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994” tot een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van een maand, met proeftijd voor de duur van twee jaren, en ter zake van het onder 1. primair en 2. primair bewezen verklaarde tevens tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaren. Bovendien heeft het hof beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader omschreven in het arrest.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Voordat ik overga tot een bespreking van de middelen zal ik hieronder eerst een korte samenvatting geven van de zaak en vervolgens de bewezenverklaring en de gebezigde bewijsmiddelen weergeven.

De zaak

4. Het gaat in deze zaak volgens de vaststellingen van het hof om het volgende. Op 10 januari 2019 omstreeks 11.15 uur heeft de verdachte voor de aankomsthal bij Schiphol een taxibusje gestolen van een taxichauffeur die op dat moment koffers stond in te laden (feit 3). Hierop volgde een ‘dollemansrit’ over de wegen op en rond Schiphol waarbij door onder meer de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar) is geprobeerd om de verdachte tot stilstand te brengen. Tijdens die rit is de verdachte tegen een bus aangereden, van de weg geraakt en tegen een stellage met verkeersborden aangereden, heeft hij voetgangers bij een zebrapad in gevaar gebracht, rode verkeerslichten genegeerd, tegen het verkeer in gereden (spookrijden) en heeft hij snelheidslimieten overtreden (feit 4). De rit is uiteindelijk geëindigd op het moment dat de verdachte een doodlopende weg inreed en hij kon worden aangehouden.

5.Gedurende die rit is de verdachte ook betrokken geraakt bij twee verschillende verkeersongevallen. Het eerste ongeval betrof een bijna-aanrijding met marechaussee [verbalisant 1] (feit 1). De verdachte reed tegen het verkeer in met een snelheid van 100 kilometer per uur in de richting van [verbalisant 1] die hem op zijn dienstmotor tegemoet kwam rijden. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de verdachte uiteindelijk kunnen ontwijken door op het laatste moment de middenberm in te rijden, alwaar hij van zijn motor is gevallen. De verdachte is vervolgens met onverminderde snelheid doorgereden.

Het tweede verkeersongeval speelde zich enkele minuten later af tussen de door de verdachte bestuurde taxibus en de dienstauto van de marechaussees [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (feit 2). [verbalisant 2] en [verbalisant 3] trachtten op dat moment de verdachte met hun dienstauto tot stoppen te bewegen. De verdachte reed links naast het dienstvoertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en heeft met de taxibus een ferme stuurbeweging naar rechts gemaakt. Hierbij heeft hij het voertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] aan de linker achterzijde geraakt. Als gevolg daarvan heeft [verbalisant 2] (de bestuurder van het dienstvoertuig) stuurmanoeuvres moeten uitvoeren om niet te verongelukken. [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zijn uiteindelijk in de middenberm tot stilstand gekomen.

6. De verdachte ontkent dat hij een botsing wilde veroorzaken met de marechaussees [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en ontkent eveneens dat hij opzet heeft gehad op hun dood.

De bewezenverklaring en de bewijsmiddelen

7. Ten laste van de verdachte heeft het hof, voor zover voor een beoordeling van de middelen van belang, bewezen verklaard dat:

“1 primair

Hij op 10 januari 2019 in de gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [verbalisant 1] (wachtmeester 1e-klasse van de Koninklijke Marechaussee) van, het leven te beroven, met dat opzet,

- met een taxibus (merk Volkswagen Kombi) met hoge snelheid (van ongeveer 100 km/u) op de hem op zijn dienstmotor tegemoetkomende [verbalisant 1] is afgereden en

- in zijn richting is gestuurd en

- de dienstmotor zeer dicht is genaderd,

- waardoor die [verbalisant 1] (met kracht) moest remmen en zijn motor de verhoogde middenberm heeft

opgestuurd en van zijn motor is gesprongen,

terwijl de uitvoering van dat, voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. primair

Hij op 10 januari 2019 in de gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (wachtmeester en wachtmeester Ie klasse van de Koninklijke Marechaussee) van het leven te beroven, met dat opzet, met een taxibus (merk Volkswagen Kombi):

- met hoge snelheid van ongeveer 100 km/u het dienstvoertuig van die [verbalisant 2] en [verbalisant 3] aan de linkerachterzijde heeft geramd,

- waardoor die [verbalisant 2] de macht over het stuur is verloren, is gaan slingeren en in de berm van de weg terecht is gekomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

8. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“De bewijsmiddelen

Ten aanzien feit 1 primair en 2 primair:

“1. De verklaring van de verdachte , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg 2 juli 2019. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik een taxibusje stal en dat dit de aanleiding vormde voor mijn achtervolging door de KMar (het hof begrijpt:, op 10 januari 2019 te Schiphol). Ik denk dat ik een andere auto heb geschampt op het parkeergedeelte van het vliegveld. Ik weet nog van de rode lichten en de voetganger. Ik heb optische en geluidssignalen gezien en gehoord. Ik was al tegen het verkeer in aan het rijden en toen heb ik de motorrijder waargenomen. Ik heb het stopteken van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] die voor mij reden gezien en begrepen. Ik kwam met hen in botsing. Het klopt dat ik daarna verder ben gereden.

2. De verklaring van de verdachte , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2020. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

U vraagt mij naar het eerste incident van 10 januari 2019 waarbij de motorrijder [verbalisant 1] betrokken was. Ik reed tegen het verkeer in. De motor kwam mij tegemoet rijden. U houdt mij voor dat agenten hebben gezegd dat ik 100 kilometer per uur reed. Ik heb niet echt op mijn snelheid gelet. Ik heb helemaal niet geremd en ben niet uitgeweken. De motorrijder maakte zigzagbewegingen waarop ik reageerde. De politiesignalen, sirenes en zwaailichten heb ik waargenomen. Ik denk dat de bedoeling van de agenten was om mij tot stoppen te brengen.

3. Een proces-verbaal van bevindingen van-10 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], wachtmeester der 1e klasse van de Koninklijke Marechaussee (doorgenummerde pagina’s 115-116). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van [verbalisant 1] :

Op 10 januari 2019 wilde ik mijn collega’s assisteren bij de aanhouding met mijn dienstmotor met optische- en geluidssignalen. Ik zag op de Hendrik Walaardt Sacréstraat, ter hoogte van McDonalds op de Loevestijnse Randweg, een Volkswagenbusje, grijs van kleur, met een taxibord boven op het voertuig, rijden. Ik zag dat de taxi (het hof begrijpt hier en verder: het taxibusje) vanaf de kruising voor de McDonalds, op de Loevestijnse Randweg, de verkeerde weghelft opreed. Ik zag dat het voertuig op dezelfde weghelft reed als waar ik reed en ik zag dat hij mij tegemoet reed. Ik zag dat de taxi met zeer hoge snelheid in mijn richting kwam rijden. Ik zag dat de optische en geluidssignalen van mijn dienstmotorfiets geen indruk maakten op de verdachte, omdat hij bleef doorrijden. Ik zag dat de taxi zijn snelheid verhoogde, terwijl hij op mij inreed. Ik zag dat de taxi recht op mij af kwam rijden. Ik heb met beide remmen mijn motorfiets heel hard proberen af te remmen. Ik zag dat ik de rijstrook niet af kon komen zonder hierbij de verhoogde rijbaan afscheiding op te rijden. Ik voelde mij op dit moment erg angstig en kwetsbaar. Ik zag de taxi geen snelheid minderen en zag dat hij nog steeds op mij af reed. Ik was erg bang dat de taxi doelbewust op mij in wilde rijden. Ik dacht dat de bestuurder doelbewust op mij inreed om mij te verwonden, met het taxibusje. Ik voelde mij erg kwetsbaar omdat ik geen mogelijkheid had om mij in veiligheid te brengen zonder hiervoor veel risico te nemen. Ik heb hierop de dienstmotor tegen de rijbaanafscheiding gereden en hierna in het gras losgelaten. Ik ben van de motor afgesprongen om te proberen mijzelf in veiligheid te brengen.

Ik reed op dit moment ongeveer 30 km/u. Ik zag dat de taxi nog steeds met zeer hoge snelheid langs mij reed. Ik zag dat de taxi rakelings langs mijn dienstmotorfiets reed. Ik denk dat de taxi ruim over de 100 km/u reed toen hij mij passeerde. Ik was erg opgelucht dat de taxi mij niet had geraakt. Ik zag dat er meerdere eenheden achter de taxi aanreden. Ik ben teruggelopen naar mijn dienstvoertuig en heb de optische en geluidsignalen uitgeschakeld. Ik zag dat de dienstmotorfiets op de valbeugels in het gras lag.

4. Een proces-verbaal van bevindingen van 10 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3], wachtmeester der 1e klasse van de Koninklijke Marechaussee en [verbalisant 2], wachtmeester van de Koninklijke Marechaussee (doorgenummerde pagina’s 108-112). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van deze verbalisanten of één van hen :

Op (naar het hof begrijpt: 10 januari 2019) wilden wij assisteren naar aanleiding van een noodoproep betreffende een taxibusje. Toen wij de Walaardt Sacréstraat opreden hoorden wij de collega via de portofoon zeggen dat de bestuurder van het taxibusje tegen het verkeer in ging rijden. Wij zagen dat voor ons collega [verbalisant 1] op zijn dienstmotor reed. Collega [verbalisant 1] had zich ook aangemeld en reed ook met optische- en geluidssignalen. Wij zagen het taxibusje tegen het verkeer inrijden en onder de verkeerslichten rijden ter hoogte van de McDonald’s. De desbetreffende weg bestond uit één rijstrook richting Schiphol centrum met een verhoogde middenberm en aan de andere kant van de verhoogde middenberm één rijstrook vanaf Schiphol centrum richting de Brugstraat.

Wij zagen het taxibusje, een grijze Volkswagen voorzien van Nederlandse taxikenteken [kenteken], tegen het verkeer in rijden tussen de verhoogde middenberm aan de verdachte zijn rechterkant en een hoge stoeprand aan de linkerkant van de verdachte. Wij zagen dat de taxibus met hoge snelheid reed en recht op ons af kwam rijden. Wij zagen dat collega [verbalisant 1], welke nog voor ons reed, de middenberm was opgereden en van zijn motor was afgesprongen in een ultieme poging de snel naderende taxibus te ontwijken. Wij zagen dat de bestuurder collega [verbalisant 1] miste.

Wij zijn weer achter de verdachte komen te rijden. Wij bleven achter de verdachte rijden tot we aan het einde van de Fokkerweg waren gekomen. Wij zagen dat dit een scherpe rechterbocht is die halverwege naar links afbuigt. Wij zagen dat de verdachte met zeer hoge snelheid deze bocht nam en bij het verkeerslicht een vrachtwagen rechts inhaalde. Wij zagen toen wij de vrachtwagen inhaalden, dat het taxibusje snelheid had verloren door de manoeuvre. Wij zijn vervolgens voor de verdachte gaan rijden en hebben ons stop transparant aangezet. Wij moesten bijtrekken om de snel accelererende taxi voor te blijven. Wij reden op dat moment tussen de 100 à 120 kilometer per uur. Hierop heb ik, [verbalisant 2], geprobeerd de snelheid eruit te halen.

Ik, [verbalisant 2], zag in mijn spiegels dat het taxibusje links achter mij reed. Wij voelden en hoorden kort hierop een harde klap linksachter, ter hoogte van het achterwiel. Wij voelden de auto meteen aan de achterkant uitbreken door de klap waarmee het taxibusje ons raakte. Wij reden op dat moment rond de 100 à 120 kilometer per uur. Ik, [verbalisant 2], voelde dat de achterwielen van onze auto uitbraken naar rechts. Ik heb toen meteen tegengestuurd om niet tegen de vangrail aan te klappen. Ik heb zes à zeven manoeuvres moeten verrichten om niet te verongelukken tegen de vangrail of tegen het verkeer in te geraken. Ik heb de auto in de middenberm tot stilstand kunnen brengen. Ik voelde toen de taxi ons ramde een pijnscheut in mijn rechterhand. Het ambulancepersoneel had het vermoeden dat er een kneuzing zou zitten in mijn rechterhand. Ik, [verbalisant 2], was bang dat ik met hoge snelheid in de vangrail zou klappen of dat andere voertuigen tegen ons aan zouden rijden als wij tot stilstand waren gekomen. Ik, [verbalisant 3], had het gevoel dat we hard tegen de vangrail aan zouden klappen doordat het taxibusje ons ramde.

5. Een proces-,verbaal van bevindingen van 10 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde pagina’s 132-134). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van deze verbalisant :

Op 10 januari 2019 zag ik dat het taxibusje de Loevestijnse Randweg opreed. Ik zag dat de bestuurder in plaats van te stoppen, accelereerde en probeerde van mij weg te rijden. Ik zag dat de bestuurder steeds harder probeerde weg te rijden. Ik zag dat het taxibusje in de verkeerde rijrichting ging rijden. Ik zag dat hij met hoge snelheid links van de weg reed. Ik zag vervolgens dat het tegemoetkomende verkeer een collega op motor van de Koninklijke Marechaussee was die met optische en geluidssignalen de bestuurder tegemoet reed. Ik zag dat de bestuurder van het taxibusje niet remde of snelheid minderde. Ik zag, dat de bestuurder van het taxibusje richting de motor stuurde. Ik zag dat de motorrijder het talud opreed (het hof begrijpt: de verhoogde middenberm). Ik zag dat de motorrijder hierbij van de motor afviel.

6. Een proces-verbaal van verhoor van 21 juni 2019, opgemaakt door mr. H.A. Stalenhoef, rechtercommissaris belast met de behandeling van strafzaken in dé rechtbank Noord-Holland (los in het dossier opgenomen). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 21 juni 2019 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van getuige [verbalisant 4] :

Ik reed op 10 januari 2019 in een voertuig van de KMar. Ik hoorde inmiddels over de porto dat er collega’s vanuit [verbalisant 3] mijn kant op kwamen. Ik gaf direct een gil over de porto om te waarschuwen dat de verdachte tegen het verkeer in reed. Ik zag een motor ons tegemoet komen. Ik reed op dat moment 90 à 100 km per uur. Ik zat er vrij ver achter omdat ik het taxibusje niet kon bijhouden. Hij reed dus zeker rond de 100. Ik zat er 30 à 40 meter achter. De snelheid van de motor weet ik niet. Hij verminderde wel snelheid en reed de verhoogde middenberm op. Hij had geen keuze ook. Anders was hij er vol op gereden. Hij kon ook niet uitwijken naar de andere kant. Hij had vanuit hem gezien naar rechts niet meer gehaald, daarvoor reed hij teveel aan de voor hem linkerkant van de rijstrook en zat het taxibusje te dicht op hem. De motor ging in ieder geval hard genoeg de middenberm op om flink te kunnen vallen.

7. Een proces-verbaal van bevindingen van 10 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (doorgenummerde pagina’s 135-137). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van deze verbalisant :

Op 10 januari 2019 bevond ik mij te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Ik hoorde dat er een achtervolging plaatshad van een taxibusje. Ik zag dat de taxi op de verkeerde weghelft reed. Ik zag dat er een motorrijder van de Koninklijke Marechaussee op deze weg reed. Ik zag dat de taxi recht op de motorrijder af reed. Ik zag dat de motorrijder moest uitwijken om een aanrijding te voorkomen. Ik zag dat de motorrijder vanaf hem zelf gezien naar links uitweek en een hoge berm opstuurde. Ik zag dat de motorrijder in het gras viel.

Ik zag dat het voertuig op de N201 reed. Ik zag dat het voertuig op dat moment ongeveer 140 kilometer per uur reed. Ik zag dat de verdachte het voertuig met een ruk naar rechts stuurde waardoor hij de KM41.01 (het hof begrijpt: de auto waarin [verbalisant 2] en [verbalisant 3] reden) in de linker achterkant van het voertuig ramde. Ik zag dat de KM41.01 links achter een lekke band kreeg. Ik zag dat het voertuig van de verdachte door reed, terwijl de KM41.01 de berm in stuurde.

8. Een proces-verbaal van verhoor van 21 juni 2019, opgemaakt door mr. H.A. Stalenhoef, rechtercommissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland (los in het dossier opgenomen). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 21 juni 2019 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van getuige [verbalisant 5] :

Ik was op 10 januari 2019 werkzaam in de basis politiezorg. Ik zag het taxibusje langskomen, daarna mijn collega hondengeleider in een onopvallend voertuig en daarna nog een voertuig dat er niets mee te maken had. Daar achter ben ik aangesloten. Het taxibusje ging tegen het verkeer in rijden. Ik zag dat een motor hem tegemoet kwam rijden. Dat was collega [verbalisant 1]. Ik nam net als de taxi de rijstrook tegen het verkeer in. Er zat nog geen 100 meter tussen het taxibusje en mij in. De afstand bleef ongeveer gelijk. Hij ging harder door de bochten heen dan ik, maar op de rechte stukken kon ik hem weer bijtrekken. De hondengeleider (het hof begrijpt: verbalisant [verbalisant 4]) koos in eerste instantie voor de rijstrook de goede, kant op. Ik zag het taxibusje recht op motorrijder [verbalisant 1] afrijden. De weg versmalt daar naar een rijstrook links van de middenberm. Rechts is dus de verhoogde middenberm en links ligt er gras. Ik zag dat de motorrijder naar links vanuit mij gezien stuurde en daarna dat het busje diezelfde kant op stuurde, richting het gras dus. Vervolgens stuurde [verbalisant 1] naar rechts richting de middenberm en weer stuurde het busje dezelfde kant op. [verbalisant 1] reed daarop de middenberm op, maar die is te hoog voor een motor, dus viel hij er van af. Op dat moment zat ik er minder dan 100 meter achter. Ik reed daar ongeveer 80 kilometer per uur. Het busje was daar op mij aan het uitlopen. Hij reed dus harder. De snelheid van [verbalisant 1] durf ik niet te zeggen. U vraagt mij naar de afstand tussen de motor en het busje op het moment van insturen naar de middenberm door de motor. Het ging heel snel. Ik had het zelf in ieder geval heel eng gevonden in zijn plaats. Ik denk dat ik dezelfde keus zou hebben gemaakt als [verbalisant 1]. U vraagt mij of hij nog andere opties had. Nee, die had hij niet. Als hij nogmaals naar links had gestuurd dan had die manoeuvre te lang geduurd en was die dus niet geslaagd. Ik had goed zicht op de situatie. Alleen het laatste stukje zag ik de motor even niet, omdat het taxibusje er zo dicht op zat.

U wilt met mij naar het voorval op de N201. [verbalisant 2] en [verbalisant 3] volgden de zelfde weg als het taxibusje. Het taxibusje nam de bocht naar rechts kort voor de aanrijding niet goed en kwam daarbij tegen de vangrail aan. Hierdoor vertraagde het taxibusje iets en konden [verbalisant 2] en [verbalisant 3] er voor komen. Zij deden hun stopbord aan. Ik zag dat het taxibusje hen opnieuw probeerde in te halen. Na het optrekken in de bocht denk ik dat we weer 90 à 100 kilometer per uur reden. Die taxi gaf dus extra gas om er langs te komen. [verbalisant 2] en [verbalisant 3] schoven wat op om de taxi de weg te versperren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] gingen van de linkerbaan iets meer naar het midden toe en verminderden hun snelheid. Ik zag hun remlichten oplichten. Dat zag ik niet bij de taxi gebeuren. Die taxi dook ineens naar links waardoor die al snel voor een deel (ter hoogte van de achterwielen) naar [verbalisant 2] en [verbalisant 3] kwam te rijden. Vervolgens zag ik de taxi een heel heftige beweging naar rechts maken tegen het voertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] aan. Ik zie dit niet als een mislukte poging om er voorbij te komen, maar als het opzettelijk van de weg af proberen te rammen. Er was aan de linkerkant gewoon ruimte genoeg om er langs te gaan. Daarna zag ik vonken en ik zag het voertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] 6 of 7 keer heen en weer slingeren. Ik zag dat het busje links [verbalisant 2] en [verbalisant 3] passeerde. Ik zag dat het voertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] net voorbij de vangrail de middenberm in reed. Ik heb het busje geen snelheid zien minderen, dat was pas 2 kilometer verderop.

9. Een proces-verbaal ‘Onderzoek Plaats Delict’ van 1 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] (los in dossier). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten :

Het verkeersongeval (het hof begrijpt: op 10 januari 2019 waarbij [verbalisant 1] betrokken was) had plaatsgevonden op de voor het Openbaar verkeer openstaande weg, de Loevesteinse Randweg, gelegen buiten de bebouwde kom van Schiphol, in de gemeente Haarlemmermeer. De wettelijk toegestane maximumsnelheid betrof ter plaatse 70 km/h. Wij zagen dat de Loevesteinse Randweg ter plaatse het volgende profiel had: één rijstrook richting Schiphol Centrum, één rijstrook voor tegengesteld verkeer in de richting Schiphol Oost, verhoogde middenberm.

Het verkeersongeval (het hof begrijpt: op 10 januari 2019 waarbij [verbalisant 2] en [verbalisant 3] betrokken waren) had plaatsgevonden op de voor het openbaar verkeer openstaande autoweg, de Rijkerdreef N201, gelegen buiten de bebouwde kom van Schiphol-Rijk, in de gemeente Haarlemmermeer. De wettelijke toegestane maximumsnelheid betrof ter plaatse 80 km/h. De Rijkerdreef had het volgende profiel: twee rijstroken voor het verkeer richting Hoofddorp, middenberm met vangrail, twee rijstroken met tegengesteld verkeer richting Aalsmeer. Wij hebben beide voertuigen (het hof begrijpt: het door de verdachte bestuurde taxibusje van het merk Volkswagen en de door [verbalisant 2] bestuurde dienstauto van het merk Opel) laten overbrengen naar een Forensische voertuig onderzoeksruimte. Aan de hand van de aangetroffen schades en de aangetroffen sporen aan beide voertuigen, werden de voertuigen tegen elkaar geplaatst. Dit om een duidelijk beeld te krijgen hoe de voertuigen zich ongeveer ten opzichte van elkaar bevonden op het moment van de botsing. Wij zagen dat de afgetekende zwarte veegsporen aan de linker achterzijde van de Opel zeer waarschijnlijk zijn ontstaan door een draaiende band. Wij zagen aan de beweegrichting van deze veegsporen; dat deze sporen zijn ontstaan door een vooruit draaiende band. Op de rechtervoorband van de Volkswagen (waarin de verdachte had gereden) zagen wij blauwkleurige verf/lakresten, zeer waarschijnlijk afkomstig van de linker achterzijde van de Opel. Wij zagen, tijdens de bepaling van de bots posities, dat deze sporen zeer waarschijnlijk alleen afgetekend konden worden als de band van de Volkswagen naar rechts was ingedraaid op het moment van het ontstaan van deze sporen.”

De eerste twee middelen van cassatie

9. De eerste twee middelen van cassatie komen met motiveringsklachten op tegen de bewijsoordelen van het hof omtrent het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde, en met name tegen het oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de daarin genoemde marechaussees [verbalisant 1] (middel 1), [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (middel 2). Alvorens tot een bespreking van de middelen over te gaan is het nuttig stil te staan bij de toepassing van het leerstuk van voorwaardelijk opzet in verkeerssituaties.

Algemene beschouwingen over voorwaardelijk opzet in verkeerssituaties

De eisen die de Hoge Raad stelt aan het aannemen van voorwaardelijk opzet

10. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van een ander – aanwezig wanneer de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.1 Uit die rechtspraak kan worden afgeleid dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg drie condities dienen te zijn vervuld. Dat zijn:

(1) de berispelijke gedraging heeft een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven geroepen;

(2) de verdachte heeft ten tijde van de gedraging wetenschap gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg door zijn gedraging zal intreden. Met andere woorden, de verdachte is zich van die aanmerkelijke kans bewust geweest;

(3) de verdachte heeft die aanmerkelijke kans ten tijde van de gedraging aanvaard, c.q. op de koop toe genomen.

11. Conditie 2 betreft het kenniselement van voorwaardelijk opzet, en conditie 3 het wilselement van voorwaardelijk opzet, tezamen het ‘willens en wetens’. Conditie 3 heeft naast conditie 2 zelfstandige betekenis. Uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard. Immers kan ook sprake zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.

12. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Het ‘kanselement’ van voorwaardelijk opzet

13. Conditie 1 betreft een meer objectief element dat de Hoge Raad aan het cognitieve begrip ‘voorwaardelijk opzet’ heeft toegevoegd.2 Conditie 1 behelst de eis dat de aanmerkelijke kans waarvan de verdachte zich bewust is geweest daadwerkelijk heeft bestaan. Niet strafbaar onder de noemer van ‘voorwaardelijk opzet’ is wat ik noem ‘putatief voorwaardelijk opzet’, dat wil zeggen: het geval waarin de verdachte abusievelijk in de veronderstelling verkeert dat hij met zijn gedraging een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept.

14. Over dit kanselement overweegt de Hoge Raad standaard het volgende. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg.3 Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. In zijn arrest van 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103 m.nt. Wolswijk, heeft de Hoge Raad hieraan toegevoegd:

“In de conclusie van de Advocaat-Generaal wordt de vraag opgeworpen of nadere algemene aanknopingspunten kunnen worden gegeven om te bepalen onder welke omstandigheden sprake is van een aanmerkelijke kans als hiervoor bedoeld. Daaromtrent merkt de Hoge Raad het volgende op. Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met de thans gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954, NJ 1955/55, gebruikte formulering "de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans".

De Hoge Raad kan geen algemene regels geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken.”

15. Dat geen algemene regels zijn te stellen over de exacte grootte van de kans die minimaal is vereist om die als ‘aanmerkelijk’ te kunnen betitelen, aldus de Hoge Raad, strookt naar mijn inzicht in theoretisch opzicht niet helemaal met de notie (ik herhaal) dat “het (…) in alle gevallen [zal] moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.4 Er bestaat dus volgens de Hoge Raad ergens (gelegen tussen 0% en 100%) een grenswaarde c.q. drempelwaarde voor de aanmerkelijkheid van een kans op het intreden van bepaalde gevolgen. Alle waarschijnlijkheden die deze drempel overstijgen kunnen in dit verband als ‘aanmerkelijke kans’ worden beschouwd. In principe is deze drempel te kwantificeren en – dus – “uit te drukken in een percentage”. Niettemin is zeer goed te begrijpen waarom de Hoge Raad geen algemene regels heeft willen stellen over de exacte hoogte van die drempel. Die reden is niet principieel, maar pragmatisch van aard. Dat is namelijk om de strafrechtspraak niet op te zadelen met weinig vruchtbare, oeverloze discussies over frequenties en statistieken. Met gemillimeter achter de komma is niemand gebaat. In veruit de meeste gevallen is de grootte van de kans op het intreden van een bepaald gevolg immers niet wetenschappelijk verantwoord te calculeren, terwijl tegelijkertijd op basis van algemene ervaringsregels wel degelijk redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de kans op het intreden van dat gevolg geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen is, of dat het intreden van een bepaald gevolg een reële mogelijkheid betreft die niet onwaarschijnlijk is. Elke kans die groter is dan dat, is dus een aanmerkelijke kans.

16. De hier besproken – op zijn aanmerkelijkheid te beoordelen – kans drukt in essentie de onzekerheid uit van onze kennis van de fysieke werkelijkheid. Wat ik daarmee bedoel is het volgende. Een vrouw is bijvoorbeeld hetzij zwanger, hetzij niet zwanger. ‘Een beetje zwanger’ bestaat niet. Niettemin kunnen we onder omstandigheden wel degelijk zeggen dat de kans dat een bepaalde vrouw zwanger is 50% bedraagt. Het gebrekkige karakter van onze kennis van de werkelijkheid brengen we tot uitdrukking door over die werkelijkheid waarschijnlijkheidsuitspraken te doen. Als er meer informatie tot ons komt, kunnen we de genoemde kans zo nodig aanpassen, hoewel er aan de werkelijkheid zelf niets is veranderd.

17. Zo werkt het ook bij het kanselement van voorwaardelijk opzet. Bij het bepalen van de kans op de aantasting van het beschermde rechtsgoed (bijvoorbeeld het leven of de gezondheid van anderen) zijn we onbekend met allerlei detailkennis omtrent de gedraging die de aantasting van het beschermde rechtsgoed tot gevolg kan hebben en omtrent de omstandigheden waaronder die gedraging plaatsvindt. Indien bij het bepalen van de kans op het intreden van een bepaald gevolg alle details van de fysieke werkelijkheid tot in de finesses bekend zouden zijn, was achteraf bezien iedere poging tot de voltooiing van een delict gedoemd te mislukken, en stond de ongelukkige afloop van een met voorwaardelijk opzet voltooid delict reeds bij voorbaat vast. Dergelijke bovenmenselijke kennis speelt in het recht geen rol. Het gaat bij het bepalen van de grootte van de kans op de aantasting van een rechtsgoed slechts om informatie over de gedraging en haar mogelijke gevolgen, beoordeeld naar de kenbare, uiterlijke verschijningsvorm van die gedraging.5Het bepalen van de omvang van deze kans vindt plaats op basis van globale kennis van de gedraging, bezien naar haar aard en tegen de achtergrond van de omstandigheden van het geval, en met de kennis van algemene ervaringsregels omtrent het optreden van causale verbanden tussen een dergelijke gedraging en de potentiële gevolgen ervan.

18. Leidend bij de beoordeling van de aanmerkelijkheid van de kans op het gevolg is dus de vraag of die kans naar betrekkelijk objectieve maatstaven aanwezig kon worden geacht. ‘Objectief’ omdat het gaat om een beoordeling van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging en de kans op het intreden van de potentiële gevolgen ervan door de rechter. Doorslaggevend is dus niet de inschatting van de dader. Die inschatting komt pas bij de tweede conditie, het kenniselement, aan bod.6 Zoals mijn voormalige ambtgenoot Knigge al eens benadrukte, is met name die objectieve maatstaf van belang ingeval het – zoals in casu – gaat om een poging. Voor een strafbare poging mag worden geëist dat – ofschoon het gevolg niet is ingetreden – het beschermde rechtsgoed daadwerkelijk in gevaar is gebracht.7

Voorwaardelijk opzet op dood en letsel in het verkeer

19. Ook in gevallen waarin de bestuurder van een voertuig zich in het verkeer schuldig heeft gemaakt aan zeer gevaarzettende gedragingen met dodelijke afloop, kan onder omstandigheden – over de band van het voorwaardelijk opzet – worden aangenomen dat de bestuurder het slachtoffer van dat ongeval opzettelijk van het leven heeft beroofd. Bepaalde gedragingen kunnen immers naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het fatale gevolg heeft aanvaard. Ten aanzien van deze “contra-indicaties” heeft de Hoge Raad in het zogeheten ‘Porsche-arrest’ het volgende overwogen:

“5.4 In gevallen als het onderhavige, dat zich hierdoor kenmerkt dat de gebezigde bewijsmiddelen nopen tot de gevolgtrekking dat de verdachte door zijn handelwijze ook zelf aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen, dient de rechter evenwel in zijn oordeel te betrekken dat - behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - naar ervaringsregelen niet waarschijnlijk is dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een frontale botsing met een tegemoetkomende auto zal plaatsvinden, en hij als gevolg van zijn gedraging zelf het leven zal verliezen, eveneens op de koop toe neemt.8

20. Het ging hier om een geval waarin de bestuurder van een Porsche – na het gebruik van alcoholhoudend drank – reed over een provinciale weg, een eenbaansweg waar een maximumsnelheid gold van 80 kilometer per uur, daarbij snelheden behaalde van om en nabij de 120 à 130 kilometer per uur, rode verkeerslichten negeerde en gevaarlijke inhaalmanoeuvres uitvoerde. Meermalen trachtte de bestuurder een voor hem rijdend voertuig in te halen, waarbij hij telkens zijn poging afbrak en terugkeerde naar de rijstrook voor het verkeer in zijn rijrichting (kennelijk om een ongeval te vermijden), totdat hij bij een hernieuwde poging om in te halen op de rijstrook bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer frontaal botste op een voertuig dat in een tegengestelde rijrichting reed. Vijf dodelijke slachtoffers waren te betreuren.

21. Uit dit arrest kan worden afgeleid dat voor het aannemen van opzettelijke levensberoving in het verkeer het enkele uitvoeren van gevaarlijke verkeersmanoeuvres en het (in ernstige mate) overtreden van de verkeersregels niet altijd voldoende is. Roekeloos rijgedrag hoeft niet zonder meer een gedraging te betreffen die naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer is gericht op levensberoving dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het overlijden van een ander als gevolg heeft aanvaard (de derde conditie voor het aannemen van voorwaardelijk opzet). Het moet dus gaan om méér dan roekeloos rijgedrag; roekeloos rijgedrag is tegenwoordig immers als zodanig reeds strafbaar gesteld. Wanneer bovendien uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte door zijn handelwijze zelf ook aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen, dient de rechter in zijn oordeel te betrekken dat – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – het naar ervaringsregels niet waarschijnlijk is dat de verdachte met deze gedraging ook de kans dat hij zijn eigen leven zou verliezen op de koop toe heeft genomen. Met andere woorden: de rechter is gehouden een bewezenverklaring van opzet op de dood in de gevallen waarin de verdachte door zijn handelwijze zelf ook aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen nader te motiveren.9

Het voertuig als wapen: doelbewuste geweldshandelingen

22. Dergelijke hoge motiveringseisen worden echter niet gesteld in zaken waarin de verdachte zijn auto heeft ingezet als ‘wapen’ en deze inzet kan worden gezien als een ‘doelbewuste jegens een ander gerichte geweldshandeling’ (of dreiging daarmee).10 Het gaat dan immers niet meer om ‘gewone’ – zij het eventueel roekeloze – deelneming aan het verkeer door de verdachte. Van Dijk noemt als schoolvoorbeeld van een handeling die kan worden gekarakteriseerd als een ‘doelbewuste geweldshandeling’ het inrijden op een politieagent.11 Illustratief in dat verband is de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 6 februari 1951, ECLI:NL:HR:1951:2, NJ 1951/475 m.nt. Röling, waaruit blijkt dat het aannemen van opzet op de dood bij het inrijden op personen door de Hoge Raad is geaccepteerd. In die zaak kreeg de verdachte ’s nachts de vordering van een politieagent in uniform om zijn auto tot stilstand te brengen. Dit stopteken werd door de agent gegeven door zijn arm recht omhoog te steken. Hij stond op dat moment midden op de weg. De verdachte reed echter door en slechts doordat de agent opzij sprong wist hij nog maar net een ongeval te voorkomen. De verdachte werd, ondanks dat hij ontkende de dood van de agent te hebben gewild en hij het voor waarschijnlijk had gehouden dat de agent wel opzij zou springen, veroordeeld voor poging tot doodslag. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand en overwoog daartoe als volgt:

“de automobilist, die bewust een kans om een ander omver te rijden en dan naar redelijke verwachting van het leven te beroven, zo hachelijk dat hem alleen een ijlings opzij springen van die ander zelf nog aan haar verwezenlijking kan onttrekken, in het leven roept en blijkens zijn doorrijden blijft aanvaarden, handelt met het voor poging tot doodslag vereist opzet.”

24. In zijn analyse van de rechtspraak van doodslag in het verkeer heeft Van Dijk aandacht besteed aan deze bijzondere categorie van gevallen, namelijk van ‘inrijden op politieagenten’.12 Allereerst staat hij langer stil bij de eerste conditie voor het aannemen van voorwaardelijk opzet: de aanmerkelijke kans. “De vraag hoe groot de kans op de dood van het slachtoffer in een individueel geval is, kan het best uiteengesplitst worden in twee vragen. De eerste vraag heeft betrekking op de kans dat de agent betrokken raakt bij een ongeval dat letsel veroorzaakt. De tweede vraag heeft betrekking op de kans dat de agent komt te overlijden als gevolg van een dergelijk ongeval”, aldus Van Dijk.13 Klaarblijkelijk sluit Van Dijk hier aan bij het referentiekader dat te vinden is in wetenschappelijke studies naar de omvang van risico’s in het verkeer.

25. Om het risico op overlijden of letsel in het verkeer meer accuraat te kunnen onderzoeken wordt in die studies dit risico ontleed in (onder meer) voorwaardelijke kansen, namelijk:14

(i) de mate van blootstelling aan risico in het verkeer,15

(ii) de kans op een verkeersongeval bij blootstelling aan risico in het verkeer, en

(iii) de kans op de dood of letsel als gevolg van een verkeersongeval.

Over die separate kansen is op basis van wetenschappelijk onderzoek soms meer te zeggen. Ik kom daarop terug.

26. Wat betreft de kans onder (iii) is het onderscheid tussen de mogelijke gevolgen van een verkeersongeval, met name het onderscheid tussen hetzij de dood, hetzij zwaar lichamelijk letsel, van belang voor de beoordeling van het kanselement van ‘voorwaardelijk opzet’. Aangenomen mag immers worden dat in geval van een verkeersongeluk het overlijden van het slachtoffer als gevolg van zwaar lichamelijk letsel een bijkomende specificatie vormt van de mogelijkheid dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel ondervindt. De kans op een dodelijke afloop van een verkeersongeval is daardoor noodzakelijkerwijze kleiner dan de kans op zwaar lichamelijk letsel als gevolg van een verkeersongeval.16 Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat onder bepaalde omstandigheden de kans op zwaar lichamelijk letsel als gevolg van een verkeersongeval wél aanmerkelijk is te achten, maar – onder exact dezelfde omstandigheden – de kans op overlijden niet. Daarmee wordt de drempel voor ‘aanmerkelijkheid’ niet afhankelijk gesteld van de aard van de gevolgen van de gedraging; dit verschil wordt immers geheel verklaard doordat bij een verkeersongeval de kans op het optreden van zwaar lichamelijk letsel altijd groter is dan de kans op het intreden van de dood als gevolg van dat zwaar lichamelijk letsel.

27. Thans de door mij hiervoor onder (ii) bedoelde kans op een verkeersongeval bij blootstelling aan risico in het verkeer. Van Dijk noemt twee redenen (die ook door de steller van de middelen zijn aangehaald onder de noemer van ‘ervaringsregels’) waarom het inrijden op een politieagent in de regel niet tot ongevalsletsel (of de dood) zal leiden. De eerste reden die Van Dijk noemt is dat de verdachte vaak niet (noch letterlijk, noch figuurlijk) ‘in aanraking’ wenst te komen met de politie. Het doel van de verdachte is immers te voorkómen dat hij zal worden aangehouden door de politie. Het zal dus niet zijn doel zijn om de politieagent om het leven te brengen. Daarbij komt dat de verdachte gewoonlijk niet gebaat is bij het veroorzaken van een verkeersongeval: het levert gevaar op voor hemzelf en het kan aanleiding geven tot strafrechtelijke dan wel civielrechtelijke aansprakelijkheid. Het valt daarom te verwachten dat de verdachte een uitwijkmanoeuvre zal maken wanneer de politieagent in kwestie niet op tijd opzij springt.

28. Een tweede reden ziet Van Dijk in de manifestatie van het ‘zelfbehoudinstinct’ van de politieagent, wat op enig moment van die zijde tot een ontwijkende reactie zal leiden. Verwacht mag worden dat een politieagent over zodanige fysieke en psychische capaciteiten beschikt dat hij in staat is om dit te kunnen doen, aldus Van Dijk.17 Van Dijk is van mening dat alleen ‘bijzondere risicoverhogende omstandigheden’ een aanmerkelijke kans op de dood van een politieagent opleveren. Op de vraag wat dan ‘bijzondere risicoverhogende omstandigheden’ zijn geeft Van Dijk als voorbeeld dat “de inrijder buitengewoon hard rijdt, de agent weinig tijd of ruimte heeft om te ontwijken en de inrijder niet van zins is een ontwijkingsmanoeuvre te maken”, evenals de (im)mobiliteit van de politieagent.18

29. Met betrekking tot de kans dat een politieman als gevolg van een letselongeval daadwerkelijk komt te overlijden (dat betreft wederom de door mij genoemde kans onder (iii)), geeft Van Dijk een tabel weer waarin op basis van een analyse van onderzoeksgegevens uit Duitsland een relatie is gelegd tussen enerzijds de botssnelheid en anderzijds de kans op overlijden bij een aanrijding met een voetganger.19 Bij een snelheid van 100 kilometer per uur is deze kans reeds 90%. De kans neemt nog eens snel toe wanneer de snelheid hoger is.20

30. Van Dijk concentreert zich in zijn studie (ter illustratie van zijn betoog) op het geval van het inrijden door de bestuurder van een voertuig op politiemensen te voet. Hoewel zijn (hiervoor weergegeven) beschouwingen over de door mij bedoelde kans onder (ii) ook relevantie hebben voor het thans voorliggende geval waarin een bestuurder frontaal inrijdt op een motoragent alsmede een flankaanrijding veroorzaakt met een voertuig dat zich begeeft in dezelfde rijrichting als hijzelf, is het goed om allereerst ook separaat stil te staan bij de kans op letsel en overlijden bij frontale botsingen van auto’s. Informatie daarover vond ik in een rapport van het Britse Department for transport.21 De kans op ernstig letsel bij een frontale botsing tussen twee auto’s is in dat rapport in een grafiek afgezet tegen de zogeheten ‘delta-v’ (in dit geval uitgedrukt in mijlen per uur), een eenheid die staat voor het snelheidsverschil dat het slachtoffer als gevolg van de botsing ondergaat. Door toepassing van die grootheid worden de snelheden van de betrokken voertuigen in aanmerking genomen, alsook de massa en de stijfheid (rigiditeit) van de verschillende voertuigen. Deze maat is volgens de opsteller van het rapport een betere voorspeller voor het ontstaan van letsel en overlijden dan bijvoorbeeld enkel het verschil in snelheid van de betrokken voertuigen. Uit die grafiek is naar mijn inzicht af te leiden dat bij een frontale botsing tussen een lichte auto die zich voortbeweegt met een snelheid van 30 kilometer per uur en een zware auto die zich in tegengestelde richting voortbeweegt met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur, de bestuurder van het eerste voertuig weinig tot vrijwel geen kans op overleven heeft. Zoals gezegd wordt in deze grafiek bovendien geen rekening gehouden met de verhoogde kwetsbaarheid van motorrijders; de grafiek betreft immers frontale botsingen van auto’s. Ik heb hiervoor bij mijn gevolgtrekking wél geprobeerd rekening te houden met het verschil in massa van de motor en het taxibusje.

31. Het geval van de flankaanrijding tussen de taxibus en de politieauto laat zich lastiger analyseren, omdat ik daarvan geen algemene onderzoeksgegevens heb kunnen vinden. Zoals ik het begrijp hangt de kans op letsel (of overlijden) van de inzittenden van een auto in het algemeen vooral af van de wijze waarop de auto (vervolgens) tot stilstand komt, en van de grootte van de ‘delta-v’ die daarvan het gevolg is. Ik laat dit alles graag over aan het inlevingsvermogen van de lezer, omdat zich daarbij – sterk afhankelijk van de verkeerssituatie ter plekke – allerlei scenario’s laten denken, zowel met een goede als met een slechte afloop.

32. Thans besteed ik aandacht aan enige jurisprudentie over het aanrijden van politiewagens. Ik heb die jurisprudentie getracht te rubriceren, enerzijds in gevallen die met name zien op de problematiek van het (meer objectieve) kanselement van het begrip ‘voorwaardelijk opzet’, en anderzijds in gevallen die vooral betrekking hebben op de problematiek rondom de twee cognitieve elementen van het begrip voorwaardelijk opzet, te weten het ‘welbewust aanvaarden’ van het gewraakte gevolg.

Rechtspraak over met name conditie 1 (het kanselement)

33. Eerst het geval van HR 4 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4918, dat zich overigens lastig laat rubriceren vanwege de ongemotiveerde afdoening ervan door de Hoge Raad. Bewezen verklaard waren twee pogingen tot doodslag op de A27 bij Breda, namelijk door het aanrijden van twee politieauto’s bij snelheden van 80 kilometer per uur, respectievelijk 80 tot 100 kilometer per uur. De feiten lagen als volgt. Bij een achtervolging trachtte de politie met meer politiewagens de auto van de verdachte in te sluiten teneinde hem tot stoppen te dwingen. In het eerste geval reed de verdachte met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur en maakte hij met zijn auto (welbewust) een krachtige stuurbeweging naar links, waarbij hij de aldaar rijdende politieauto met een “enorme klap” raakte. In het tweede geval reed de verdachte met een snelheid van 80 tot 100 kilometer per uur en maakte hij wederom een abrupte stuurbeweging naar links. Daardoor kwam zijn auto hard in aanraking met de rechter voorzijde van een andere politieauto. Als gevolg daarvan kwam de auto van de verdachte tegen de linker vangrail aan. Daarna kwam zijn auto met hoge snelheid weer in de richting van het politievoertuig. De auto van de verdachte raakte vervolgens de politieauto hard tegen de linkerzijdeur. De motiveringsklacht over het bewijs van voorwaardelijk opzet werd zoals gezegd door de Hoge Raad verworpen op de voet van artikel 81 lid 1 RO.

34. Een geval van louter ‘afsnijden’ liep anders af. In HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:132, NJ 2015/346 m.nt. Keulen, had de verdachte geen gevolg gegeven aan de aanwijzingen van de achtervolgende politiemensen om zijn voertuig tot stilstand te brengen en wilde hij kennelijk ontkomen aan zijn aanhouding. Terwijl hij reed met een snelheid van 140 kilometer per uur, heeft de verdachte meermalen zijn personenauto naar links gestuurd op een moment dat het politievoertuig zich met nagenoeg dezelfde snelheid naast hem dan wel kort achter hem bevond. Op de weghelft van de verdachte bevonden zich geen obstakels die maakten dat hij moest uitwijken naar de weghelft waarop het politievoertuig op dat moment reed. De bestuurder van het politievoertuig wist een aanrijding te voorkomen door hard te remmen. Het hof oordeelde dat de verdachte door deze gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans had aanvaard dat daardoor een dodelijk ongeval zou ontstaan. Daartoe overwoog het hof als volgt:

“Indien twee auto's met de gegeven snelheid met elkaar in aanraking komen is naar algemene ervaringsregels de kans aanmerkelijk dat er een dusdanig ongeval zal plaatsvinden dat een bestuurder en bijrijder komen te overlijden. Hetgeen de raadsvrouwe heeft aangevoerd ten aanzien van onder meer de zwaarte en grootte van de beide auto's, de geoefendheid van de bestuurder en het feit dat een botsing kon worden voorkomen door uit te wijken dan wel af te remmen, doet daar niet aan af.”

35. De Hoge Raad casseerde. De Hoge Raad overwoog daartoe dat het in de bewezenverklaring omschreven opzet van de verdachte niet zonder meer uit de bewijsvoering kon worden afgeleid. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat het hof niets had vastgesteld waaruit kon volgen dat en in welke mate een ongeval met dodelijk afloop waarschijnlijk was.

36. In HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2075, NJ 2016/1717, had de verdachte (eveneens) een stopteken van de politie genegeerd, waarop een achtervolging was ontstaan. Tijdens die achtervolging was het de politie uiteindelijk gelukt om vóór de verdachte te gaan rijden. Op het moment dat het politievoertuig zich rechts naast de auto van de verdachte bevond, stuurde de verdachte met zijn auto naar rechts. Door krachtig te remmen wist de politie een aanrijding met de verdachte te voorkomen. Na dit eerste incident zette de politie de achtervolging van de verdachte voort. De politie reed op enig moment op de rechterrijstrook en de verdachte op de linkerrijstrook. Door het afremmen van een ander politievoertuig nam de snelheid van de achtervolging iets af. De politiewagen kwam daardoor weer ter hoogte van de verdachte te rijden, waarna de verdachte wederom naar rechts heeft gestuurd. De snelheid van de politieauto bedroeg op dat moment 97 kilometer per uur. De auto van de verdachte schampte vervolgens langs de politieauto en draaide rechtsom voor de politieauto langs, terwijl er contact was tussen de rechter achterzijde van de auto van de verdachte en de linker voorzijde van de politieauto. De politiewagen schoof uiteindelijk de berm in en is daar tot stilstand gekomen.

37. Het hof oordeelde dat de verdachte door deze gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans had aanvaard dat daardoor de inzittenden van de politieauto zouden komen te overlijden. Daartoe overwoog het hof onder meer dat door de eerste stuurbeweging van de verdachte “een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans [bestond] dat de rijrichting van het dienstvoertuig dusdanig zou worden beïnvloed dat het uit de baan zou raken, kantelen, spinnen of ergens tegenaan zou botsen en dat de beide inzittenden – al dan niet door vervorming van de carrosserie van het dienstvoertuig – daarbij om het leven zouden komen”. Ten aanzien van de tweede stuurbeweging overwoog het hof onder meer dat indien onder de gegeven omstandigheden een auto van de weg wordt gedrukt de bestuurder van die auto daardoor de macht over het stuur kan verliezen en/of in een botsing terecht kan komen met fatale afloop voor de inzittenden van het voertuig.

38. De Hoge Raad casseerde wederom. De Hoge Raad overwoog dat uit de bewijsvoering het opzet van de verdachte niet zonder meer kon worden afgeleid. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat het hof in zijn nadere bewijsoverweging ten aanzien van de eerste en tweede stuurbeweging niets had vastgesteld waaruit kon volgen dat en in welke mate een ongeval met dodelijke afloop waarschijnlijk was. Dit kon evenmin zonder meer volgen uit de ten aanzien van de tweede stuurbeweging vastgestelde omstandigheden waaronder de auto van de verdachte in aanraking was gekomen met het politievoertuig.22

Rechtspraak over met name condities 2 en 3 van voorwaardelijk opzet (‘willens en wetens’)

39. Thans enkele strafzaken die enigszins vergelijkbaar zijn met de voorliggende zaak, en die vooral betrekking hebben op de onder 2 en 3 genoemde condities voor het aannemen van voorwaardelijk opzet. In de eerste zaak is de verdachte voor het inrijden op andere verkeersdeelnemers veroordeeld voor poging doodslag en in de laatste twee zaken voor een poging tot zware mishandeling wegens inrijden op politiemensen.

40. Als eerste de zaak die heeft geleid tot het arrest van HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1668, NJ 2006/663. Ook in deze zaak probeerde de verdachte, rijdend in een bestelbus, te ontkomen aan de politie. Hij reed daartoe met een snelheid van 100 kilometer per uur tegen het verkeer in over de vluchtstrook. Op het moment dat verkeer hem tegemoetkwam heeft de verdachte tot drie keer toe zijn bestelbus naar de rijbaan gestuurd en is hij op die rijbaan blijven rijden. Om een botsing met de verdachte te voorkomen moesten de bestuurders van het hem tegemoetkomende verkeer uitwijken. Elke keer als er geen tegenligger was stuurde de verdachte zijn wagen weer terug naar de vluchtstrook. Bij zijn aanhouding had de verdachte verklaard dat hij het ‘kicken’ vond om met zijn auto tegen het verkeer in te rijden. Na herhaling van de standaardjurisprudentie met betrekking tot voorwaardelijk opzet overwoog de Hoge Raad als volgt:

“3.5 Het oordeel van het Hof dat de verdachte aldus en onder die omstandigheden handelend zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zich in de hem tegemoetkomende auto’s bevindende personen door zijn toedoen zouden verongelukken en dat derhalve het opzet van de verdachte in de zin van voorwaardelijk opzet op de dood van die personen was gericht, geeft geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent hetgeen hiervoor onder 3.3 is vooropgesteld. Het is evenmin onbegrijpelijk.”

41. In HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7888, NJ 2008/609 m.nt. Mevis,23 was de verdachte met een personenauto in de nacht met gedoofde lichten met toenemende snelheid en terwijl hij gas bleef geven op een politieagent ingereden. In die zaak was als bewijsmiddel onder meer een verklaring van de verdachte gebruikt, inhoudende dat hij de politieagent die vrijwel midden op de weg stond heeft gezien, dat de verdachte zonder licht reed en dat hij gelet op zijn snelheid en de manier waarop hij reed die agent omver had kunnen rijden. De verdachte had verklaard niet te zijn gestopt, dat hij gas was blijven geven totdat hij vlakbij de agent was en toen naar links is uitgeweken omdat hij de agent niet wilde raken. De Hoge Raad overwoog als volgt:

"5.2. Tegen de achtergrond van 's Hofs vaststellingen - zoals vervat in de hiervoor onder 3 weergegeven bewijsmiddelen en overwegingen - geeft zijn oordeel dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de politieagent, die H bleek te zijn genaamd, zwaar lichamelijk letsel zou bekomen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de verklaring van de verdachte dat hij, naar links is uitgeweken omdat hij hem niet wilde raken, aangezien dit uitwijken zoals het Hof heeft vastgesteld, eerst geschiedde toen hij vlak voor H was."

42. Tot slot nog de zaak die heeft geleid tot HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:454. In die zaak was de verdachte met zeer hoge snelheid richting een politieauto gereden en op de rijstrook gaan rijden waarop de politieauto hem, met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur, tegemoetkwam. De verdachte week niet uit en kwam in korte tijd en met onverminderde snelheid steeds dichterbij. De bestuurder van de politieauto heeft uiteindelijk een noodstop en uitwijkmanoeuvre gemaakt waarop de auto van de verdachte de politieauto op een haar na niet heeft geraakt. De verdachte vervolgde vervolgens met onverminderde snelheid zijn weg. Doordat er langs de rijbaan betonnen paaltjes stonden waren de uitwijkmogelijkheden voor de politieauto beperkt. Mijn voormalige ambtgenoot Machielse merkte hierover op dat de vraag of kan worden gesproken van voorwaardelijk opzet in dit verband eenvoudig te beantwoorden was, nu de verdachte niet eens had geprobeerd om een uitwijkmanoeuvre te maken en hij zijn snelheid niet had verminderd. Machielse concludeerde uiteindelijk dat de gedragingen van de verdachte “naar hun uiterlijke verschijningsvorm [kunnen] worden aangemerkt als zozeer gericht op het – minstens – toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de inzittenden van de politieauto dat het, bij gebrek aan contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg willens en wetens heeft aanvaard”. De Hoge Raad deed de zaak af met artikel 81 RO.

Samenvatting van en conclusie over voorwaardelijk opzet in het verkeer

43. Samengevat kan uit de hierboven weergegeven literatuur en rechtspraak het volgende worden opgemaakt. Of een verdachte – over de band van voorwaardelijk opzet – kan worden veroordeeld voor (een poging tot) doodslag of voor (een poging tot) het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in het verkeer is afhankelijk van de berispelijke gedragingen van de verdachte en van de omstandigheden waaronder die hebben plaatsgehad.

Wat betreft het bewijs van de ‘aanmerkelijke kans’ op zwaar lichamelijk letsel of de dood zal het hof zodanige omstandigheden dienen vast te stellen waaruit kan volgen dat en in welke mate een ongeval met dat letsel, respectievelijk met een dodelijke afloop waarschijnlijk was. Bezwaarlijk laten zich meer algemene regels ontwikkelen. Vergelijkenderwijze zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld of de bedoelde omstandigheden kunnen worden vastgesteld.

De aard en ernst van de gevolgen hebben op zichzelf geen invloed op de hoogte van de drempel voor de ‘aanmerkelijkheid’ van de kans op het intreden van die gevolgen.

44. Bij het beantwoorden van de vraag of de verdachte het zwaar lichamelijk letsel of de dood van het slachtoffer welbewust heeft aanvaard, kan onderscheid worden gemaakt tussen twee categorieën van gedragingen:

(a) een gevaarlijke verkeersmanoeuvre (méér dan roekeloos rijgedrag), en

(b) een doelbewuste, tegen het slachtoffer gerichte geweldshandeling.

Bij categorie (a), gevaarlijke verkeersmanoeuvres, vormt de omstandigheid dat de verdachte zelf ook gevaar loopt zijn leven te verliezen een contra-indicatie voor het aannemen van voorwaardelijk opzet. Daarbij geldt een hoge motiveringseis voor de rechter.24

Daarentegen kan een doelbewuste geweldshandeling (categorie (b)) een zelfstandig argument opleveren voor het bewijs van (voorwaardelijk) opzet op het gevolg, bijvoorbeeld de dood.25 Bij een dergelijke ‘doelbewuste geweldshandeling’ vervalt de motiveringseis voor de rechter om nader toe te lichten of de verdachte de kans op zijn eigen dood al dan niet heeft aanvaard.26Bij geweldshandelingen gepleegd met een voertuig kan de omstandigheid dat het leven van de verdachte zelf ook in gevaar was in beginsel niet als een contra-indicatie worden aangemerkt.27

Het eerste middel

45. Het eerste middel richt zich – gelezen en begrepen in het licht van de daarop gegeven toelichting – tegen de motivering van het onder 1. primair bewezen verklaarde (voorwaardelijk) opzet op de dood van marechaussee [verbalisant 1]. Het middel valt uiteen in twee deelklachten.

46. De eerste deelklacht houdt in dat, in het licht van de door de verdediging aangevoerde overige omstandigheden en contra-indicaties, het oordeel van het hof dat naar de uiterlijke verschijningsvorm bij de verdachte sprake is geweest van het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat verbalisant [verbalisant 1] zou komen te overlijden, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende is gemotiveerd.

47. De steller van het middel heeft daartoe aangevoerd dat het hof vooral “de gedragingen van de verdachte kort voor en tijde van een dreigende confrontatie met [verbalisant 1] en de (algemene) constatering van irrationeel verkeersgedrag van de verdachte centraal heeft gesteld”. De door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheden die van belang zijn voor het bepalen van de uiterlijke verschijningsvorm en die maken dat de “drempel om aan de hand daarvan te komen tot een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet niet wordt gehaald”, zijn door het hof ten onrechte buiten beschouwing gelaten. In de cassatieschriftuur worden daartoe verschillende passages geciteerd uit de pleitnota die ter terechtzitting in hoger beroep is overgelegd. Daaruit blijkt – kort gezegd – dat een beroep is gedaan op een drietal ervaringsregels waarvan ook in de onderhavige zaak kan worden aangenomen dat deze van toepassing zijn geweest. Een van die ervaringsregels is de aan het ‘Porsche-arrest’ ontleende ervaringsregel dat het niet waarschijnlijk is dat de bestuurder die gevaarlijk gedrag heeft getoond, de kans op een ook voor hemzelf dodelijke frontale botsing met een andere auto op de koop toe heeft genomen. In dat verband is ook gewezen op het ‘uitwijkgedrag’ dat de verdachte heeft laten zien en de door de verdachte van meet af aan afgelegde verklaringen, namelijk dat hij op geen enkel moment wilde dat het gevolg van zijn handelen de dood of het letsel van iemand, inclusief van hemzelf, zou zijn. Dat [verbalisant 1] naar de middenberm is uitgeweken omdat hij, zoals het gerechtshof overweegt, niet meer de andere kant het gras kon inrijden betekent immers niet dat de verdachte niet, mocht dat noodzakelijk zijn geweest, nog de (voor hem links gelegen) uitwijkstrook én graskant kon en zou inrijden om een botsing te vermijden. Volgens de steller van het middel moet gelet daarop worden aangenomen dat het verkeersgedrag van de verdachte weliswaar gevaarlijk is geweest, maar dat dit onvoldoende is om aan te nemen dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een dodelijk ongeval dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Daarbij is aangevoerd dat de onderhavige zaak vergelijkbaar is met het geval van het Porsche-arrest en dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte zijn auto als ‘wapen’ heeft gebruikt. Het gedrag van de verdachte is door het hof ook niet op die manier beoordeeld nu uit de overwegingen van het hof blijkt dat het heeft geoordeeld dat het hier gaat om “verkeersdeelneming met gevaarlijk verkeersgedrag”.

48. De tweede deelklacht luidt dat het hof ontoereikend gemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte niet tot de conclusie kan worden gekomen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van marechaussee [verbalisant 1].

49. Daartoe heeft de steller van het middel aangevoerd dat het hof weliswaar bepaalde redenen heeft opgegeven, maar dat deze redenen – in het licht van hetgeen is aangevoerd – niet genoegzaam zijn. Vervolgens merkt de steller van het middel nogmaals op dat onderhavige zaak, anders dan het hof meent, wel degelijk vergelijkbaar is met de zaak van het Porsche-arrest. Zo reed de verdachte in onderhavige zaak ook in een tegengestelde rijrichting waardoor gevaar op een frontale botsing bestond en kan uit het rijgedrag van de verdachte voorafgaand aan de confrontatie met [verbalisant 1] worden opgemaakt dat hij een botsing meerdere keren heeft willen vermijden. Waarom de vergelijking met het Porsche-arrest ‘mank’ gaat heeft het hof niet nader toegelicht.

50. Het kostte mij wat moeite om te begrijpen waarop de steller van het middel precies doelt. Als ik de toelichting op de klachten echter goed begrijp, richten beide klachten zich voornamelijk op de vraag of het gedrag van de verdachte in de onderhavige zaak is aan te merken hetzij als een gevaarlijke verkeersmanoeuvre zoals bedoeld in het ‘Porsche-arrest’, hetzij als een doelbewuste tegen [verbalisant 1] gerichte geweldshandeling, en of het oordeel van het hof daaromtrent – gelet op de vaststellingen die het heeft gedaan – niet-onbegrijpelijk is. Om die reden zie ik aanleiding voor een gezamenlijke bespreking van de deelklachten.

51. De namens de verdachte in hoger beroep gevoerde verweren ten aanzien van feit 1. primair zijn door het hof als volgt samengevat en verworpen:

“Bewijsoverweging en bespreking van de gevoerde bewijsverweren

Het standpunt van de verdediging

In haar tot vrijspraak van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde strekkende verweer, heeft de raadsvrouw voorafgaand aan haar meer specifieke betoog over de feitelijke toedracht van die onderscheiden feiten, een beroep gedaan op een drietal ervaringsregels. Ten eerste de aan het Porsche-arrest ontleende ervaringsregel dat het niet waarschijnlijk is dat de bestuurder die gevaarlijk gedrag vertoont, de kans op een ook voor hemzelf dodelijke frontale botsing met een andere auto op de koop toeneemt. Ten tweede de ervaringsregel dat wie aan de politie probeert te ontkomen in het algemeen juist geen botsing zal willen veroorzaken en ten derde de ervaringsregel dat een politieagent in het algemeen in een gevaarlijke verkeerssituatie op lijfsbehoud gericht gedrag zal vertonen, waarmee hij er in de regel in zal slagen een ongeval te voorkomen. Deze ervaringsregels werpen horden op om te komen tot de vaststelling van voorwaardelijk opzet op de dood van de betrokken opsporingsambtenaren.

Daar komt bij de verklaring van de verdachte van de strekking dat hij absoluut niet het voornemen had iemand letsel toe te brengen. Ook heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de verdachte gedurende de achtervolging op diverse momenten verkeersgedrag heeft vertoond waaruit blijkt dat hij ongevallen juist wilde vermijden.

Meer in het bijzonder ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte op het moment dat hij de motorrijder [verbalisant 1] naderde, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het tot een botsing zou komen waardoor [verbalisant 1] gewond kon raken of zou komen te overlijden. Dat standpunt is gegrond op de volgende lezing van de feiten. De verdachte heeft, terwijl hij op de verkeerde weghelft reed, gezien dat de motorrijder [verbalisant 1] vaart minderde en naar de berm uitweek. Daardoor was het voor de verdachte niet nodig om snelheid te minderen of uit te wijken. Als [verbalisant 1] geen snelheid had geminderd en niet was uitgeweken, dan was de verdachte uitgeweken naar de berm aan de linkerkant.

Er zat aanzienlijke afstand tussen de verdachte in het taxibusje en motorrijder [verbalisant 1] op het moment dat [verbalisant 1] uitweek: meer dan 150 meter, zo heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard. De verklaringen van de getuigen die ertoe strekken dat tussen het uitwijken door [verbalisant 1] en het passeren van het taxibusje zeer korte tijd zat, zijn onbetrouwbaar en moeten worden uitgesloten van het bewijs.

De eerdere stuurbewegingen die de verdachte maakte bij het op [verbalisant 1] afrijden waren juist gericht op het ontwijken van [verbalisant 1].

[…]

Het oordeel van het hof

Bij zijn beoordeling neemt het hof het volgende in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader tot uitgangspunt. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op bepaald gevolg dat het - behoudens contra- indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Bij de vaststelling van de feiten heeft het hof niet alleen gebruik gemaakt van de processen-verbaal die kort na het gebeuren zijn opgemaakt door [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], waarin het bijzonder ook van de door [verbalisant 5] en [verbalisant 4] kort na het voorval opgemaakte processen-verbaal en hun verklaringen bij de rechter-commissaris. Die sluiten op relevante onderdelen nauw op elkaar aan en zijn concreet en specifiek over hetgeen is waargenomen. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen en evenmin aan de mogelijkheid die de verbalisanten hadden om de waarnemingen te doen waarover zij hebben geverbaliseerd en verklaard.

Opmerking verdient dat de in deze zaak tenlastegelegde strafbare feiten deel uitmaken van een opeenvolging van gebeurtenissen die zich op 10 januari 2019 vanaf omstreeks 11.15 uur, in iets meer dan een kwartier tijd op en rond Schiphol heeft voorgedaan. Zij ving aan voor de aankomsthal met de diefstal door de verdachte van een taxibusje waarvan de chauffeur koffers stond in te laden. Daarop volgde een dollemansrit over de wegen op en rond Schiphol, waarbij leden van de Koninklijke Marechaussee probeerden de verdachte tot stilstand te bewegen. Bij die rit is de verdachte tegen een bus aangereden, van de weg geraakt en tegen een stellage met een verkeersbord gereden, heeft hij voetgangers bij een zebrapad in gevaar gebracht, rode verkeerslichten genegeerd, heeft hij spook gereden, snelheidslimieten, overschreden en is hij betrokken geraakt in de hierna te bespreken situaties die onder 1 en 2 ten laste zijn gelegd. De rit eindigde toen de verdachte een doodlopende weg in reed en hij kon worden aangehouden. Reeds deze context van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten maakt dat de vergelijking met het Porschearrest mank gaat. Het gaat hier immers om in hoge mate irrationeel verkeersgedrag met een aaneenschakeling van momenten van grote gevaarzetting, met niet alleen voor de bestuurder zelf, maar ook voor degenen die op de drukke wegen rond Schiphol op zijn pad kwamen, een aanzienlijke kans op (dodelijk) letsel.

Ten aanzien van feit 1 primair

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op 10 januari 2019 diverse verbalisanten hebben geprobeerd de verdachte, die in het taxibusje reed, te laten stoppen. Daartoe heeft [verbalisant 1], die op een als zodanig herkenbare dienstmotorfiets van de Koninklijke Marechaussee (verder: de dienstmotor) reed, de optische en geluidssignalen aangezet en is hij richting de Loevestijnse Randweg gereden om zijn collega’s te assisteren. De verdachte, komend vanuit de tegenovergestelde richting, is op enig moment de verkeerde weghelft opgereden en is spookrijdend met ongeveer 100 km/u motorrijder [verbalisant 1] tegemoet gereden op een weg waarvan de twee weghelften door een verhoogde middenberm van elkaar waren gescheiden en waar een maximumsnelheid gold van 70 km/u. De verdachte minderde op geen enkel moment vaart en naderde motorrijder [verbalisant 1], die zelf eerst ongeveer 70 km/u reed, heel snel. Uit de verklaring van getuige [verbalisant 5] volgt dat telkens wanneer [verbalisant 1] probeerde uit te wijken, de verdachte richting [verbalisant 1] stuurde. Dat dit pogingen waren van de verdachte om uit te wijken, is niet aannemelijk geworden. Daarop heeft [verbalisant 1], in een ultieme poging niet met de verdachte in botsing te komen, hard afgeremd en is hij - omdat de afstand met de verdachte zo kort was dat hij niet meer de andere kant het gras in kon rijden - uitgeweken naar de verhoogde middenberm, waar hij met ongeveer 30 km/u tegenop is gereden en waarbij hij ten val is gekomen.

Het hof gaat daarmee uit van een andere lezing van de feiten dan de verdediging en ziet in het aangevoerde geen reden om de verklaringen over het korte tijdsverloop tussen het uitwijken door [verbalisant 1] en het langs hem rijden door de verdachte niet voor het bewijs te gebruiken.

Het hof is van oordeel dat de verdachte door zijn handelwijze bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een (frontale) aanrijding tussen het taxibusje en motorrijder [verbalisant 1] zou plaatsvinden. Daarbij neemt het hof in overweging dat - gelet op de snelheid van naderen en de kwetsbaarheid van de zich op de dienstmotor bevindende [verbalisant 1] - de kans op een ongeval met voor [verbalisant 1] dodelijke afloop naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk was te achten.

Dat de verdachte achteraf, ook ter zitting in hoger beroep, meermalen heeft verklaard dat hij nooit de bedoeling heeft gehad een ander letsel toe te brengen, doet aan het voorgaande niet af: hij heeft die aanmerkelijke kans bewust in het leven geroepen en niets gedaan om de verwezenlijking daarvan te voorkomen. Dat zich geen dodelijk ongeval heeft voorgedaan is daarmee geenszins aan de verdachte te danken, maar uitsluitend aan het adequate - en voor hemzelf nog steeds gevaarlijke - optreden van [verbalisant 1].

[…]

Opmerking verdient ten slotte dat het beroep op de door de verdediging aangehaalde ervaringsregels niet opgaat. Er is in de confrontatie tussen het taxibusje en de voertuigen met [verbalisant 1] en met [verbalisant 2] en [verbalisant 3] geen sprake geweest van situaties waarbij de verdachte de aanmerkelijke kans nam dat hijzelf het leven zou laten. Ook hebben die confrontaties er niet aan in de weg gestaan dat de verdachte zijn rit kon voortzetten, terwijl een beroep op het adequate optreden van de betrokken leden van de Koninklijke Marechaussee de verdachte niet kan baten.

Het verweer wordt dan ook in alle onderdelen verworpen.”

52. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte op de Loevesteinse Randweg met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur tegen het verkeer in reed op het moment dat verbalisant [verbalisant 1] hem op zijn dienstmotor tegemoetkwam. De wettelijk toegestane snelheid op die weg bedroeg 70 kilometer per uur en de weg bestond uit één weghelft voor het verkeer in de richting van Schiphol-Centrum en één weghelft voor tegengesteld verkeer in de richting van Schiphol-Oost. De weghelften werden door middel van een verhoogde middenberm van elkaar gescheiden. De verdachte heeft politiesignalen, sirenes en zwaailichten waargenomen en genegeerd. Bij het zien van de motorrijder [verbalisant 1] heeft hij zijn snelheid verhoogd, is hij door blijven rijden en heeft hij telkens wanneer [verbalisant 1] probeerde uit te wijken in zijn richting gestuurd. De verdachte heeft niet geremd en is evenmin uitgeweken. Voor [verbalisant 1] waren er op dat moment geen goede mogelijkheden om uit te wijken zonder hiervoor veel risico te nemen. In een ‘ultieme poging’ om niet met de verdachte in frontale botsing te komen heeft [verbalisant 1] vervolgens hard afgeremd en is hij – omdat de afstand tussen hem en de verdachte zo kort was en hij geen andere kant meer op kon – met zijn dienstmotor met een snelheid van ongeveer 30 kilometer per uur de middenberm ingereden, waarbij hij ten val is gekomen. De verdachte is vervolgens met een snelheid van 100 kilometer per uur rakelings langs de dienstmotor van [verbalisant 1] gereden.

53. De bewijsoverweging wijst uit dat het hof uitgaat “van een andere lezing van de feiten dan de verdediging” en dat het hof niet aannemelijk heeft geacht dat het sturen van de verdachte in de richting van [verbalisant 1] pogingen waren om hem te ontwijken. Voor zover in de toelichting hierover wordt geklaagd geldt dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter, dat het niet-onbegrijpelijke oordeel van het hof op dit punt met redenen is omkleed en dat dit feitelijke verweer niet in cassatie opnieuw kan worden beoordeeld.

54. Vervolgens heeft het hof overwogen dat het beroep op de door de verdediging aangehaalde ervaringsregels niet opgaat nu “geen sprake is geweest van situaties waarbij de verdachte de aanmerkelijke kans nam dat hijzelf het leven zou laten”. Daarnaast heeft het hof overwogen dat de verklaring van de verdachte dat hij nooit de bedoeling heeft gehad om een ander persoon letsel toe te brengen hieraan niet afdoet. De verdachte heeft bewust een aanmerkelijke kans op de dood van [verbalisant 1] in het leven geroepen en heeft niets gedaan om de verwezenlijking ervan te voorkomen. Dat er geen frontale aanrijding heeft plaatsgevonden is te danken aan het adequate handelen van [verbalisant 1].

55. In het licht van het voorgaande kon het hof oordelen dat de vergelijking met het Porsche-arrest ‘mank’ gaat. In dat oordeel ligt besloten dat het hof in de door de verdediging aangevoerde omstandigheden geen contra-indicaties heeft gezien. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. In de onderhavige zaak gaat het immers – anders dan in het Porsche-arrest – niet om een verkeersmanoeuvre met een daarbij door de verdachte op de koop toe genomen kans op een botsing met [verbalisant 1] (of andere weggebruikers), maar heeft het hof gelet op de feitelijke vaststellingen aangenomen dat de verdachte (rijdend in een taxibusje) spookrijdend met hoge snelheid is afgereden op [verbalisant 1] (die op een dienstmotor reed en daardoor kwetsbaarder was) en geen enkele poging heeft ondernomen om een botsing met hem te voorkomen. Dit handelen heeft het hof gelet op de aard daarvan en bij gebrek aan contra-indicaties kennelijk en niet-onbegrijpelijk beschouwd als een doelbewuste tegen het slachtoffer gerichte geweldshandeling.

56. In de overweging van het hof ligt, naast de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, de verwerping van een – daaraan tegengesteld – uitdrukkelijk onderbouwd standpunt besloten. De bewezen verklaarde poging tot doodslag is, mede in het licht van hetgeen ik hiervoor heb vooropgesteld, niet-onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

57. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

58. Het tweede middel richt zich tegen de motivering van het onder 2. primair bewezen verklaarde (voorwaardelijk) opzet op de dood van de marechaussees [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. Het middel valt uiteen in vier deelklachten.

59. Voor de leesbaarheid zal ik hieronder de bewezenverklaring van feit 2. primair herhalen:

“2. primair

Hij op 10 januari 2019 in de gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (wachtmeester en wachtmeester 1e klasse van de Koninklijke Marechaussee) van het leven te beroven, met dat opzet, met een taxibus (merk Volkswagen Kombi):

- met hoge snelheid van ongeveer 100 km/u het dienstvoertuig van die [verbalisant 2] en [verbalisant 3] aan de linkerachterzijde heeft geramd,

- waardoor die [verbalisant 2] de macht over het stuur is verloren, is gaan slingeren en in de berm van de weg terecht is gekomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

60. Deze bewezenverklaring berust op de hierboven weergegeven bewijsmiddelen.

61. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2020 houdt in dat de raadsvrouw van de verdachte het woord heeft gevoerd overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnota. Deze pleitnota heeft, voor zover voor de beoordeling van het tweede middel van belang, de volgende inhoud (met overneming van onderstrepingen):

“III - Surveillance-auto [verbalisant 2] en [verbalisant 3] situatie Fokkerweg/Rijkerdreef (N201) (2.

primair 2e cumulatief tlg):

65. De verklaringen daarover zijn van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zelf alsmede van [verbalisant 4], in zijn hondengeleidersauto, en [verbalisant 5].

66. Ik pak eerst die van [verbalisant 4], hij heeft ook een tekening van het geheel gemaakt. Daarop zien we dat de surveillancewagen voor de taxibus uitrijdt en dat daarachter nog een surveillancewagen rijdt. [verbalisant 4] rijdt nog achter de vrachtwagen en blijft daar om ruimte te geven aan de surveillancewagens (p. 3 verklaring RC, 2e alinea). Eigenlijk ziet hij niet zo veel, hij herinnert zich het bij de RC in ieder geval niet. In het proces-verbaal staat, en daar vraagt de OvJ ook naar tijdens het getuigenverhoor bij de RC, dat het taxibusje vol op de achterzijde van de surveillanceauto reed, maar ik denk dat we voor wat waarnemingen betreft betrouwbaarder verklaringen hebben van de surveillancewagen waar [verbalisant 5] in rijdt, die achter zowel het taxibusje als de auto van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] aan rijdt.

67. Hij ziet (verklaring RC, p. 3, alinea 4) dat [verbalisant 2] en [verbalisant 3] voor het taxibusje rijden en dat het taxibusje hen probeert in te halen. Verder ziet hij dat [verbalisant 2] en [verbalisant 3] wat op schoven om de taxi de weg te versperren en dat zij daarbij van de linkerbaan iets meer naar het midden toe gingen en hun snelheid verminderden. Hij ziet ook hun remlichten oplichten. De taxi dook naar links en kwam zo ter hoogte van de achterwielen naast [verbalisant 2] en [verbalisant 3] rijden, maakte vervolgens een heftige beweging naar rechts en kwam tegen de achterkant van het voertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] aan. Ik denk dat we overigens even buiten beschouwing moeten laten wat [verbalisant 5] daarvan vervolgens vindt en hoe dat geïnterpreteerd moet worden, meer in het bijzonder of daarbij sprake was van opzettelijk willen raken. Ook voor deze getuige geldt immers dat conclusies, gissingen en meningen voor de bewijsvoering niet van belang zijn.

68. Wat ik in het verband van zijn waarnemingen wel interessant vind is dat hij zijn mening tracht enige grond te geven door te zeggen dat ‘er aan de linkerkant gewoon ruimte genoeg was om er langs te gaan’, maar dat hij een paar zinnen verder verklaart: ‘Het taxibusje probeerde het voertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] links in te halen en reed daarbij over de uitloopstrook aan die zijde van de weg. Die uitloopstrook is ongeveer 1 meter breed . (onderstr. JK).

69. Te zien is dat het als je half op de uitloopstrook rijdt, krap manoeuvreren is tussen een auto die ‘ de snelheid er uit probeert te halen’ zoals [verbalisant 2] en [verbalisant 3] verklaren en ook anderen (p. 110 dossier), en de berm. Daarbij komt, en dat zien we in het filmpje maar ook op de foto op bijvoorbeeld p. 168 van het dossier, dat juist daar waar dit plaats vond de bocht naar links buigt. Als het taxibusje wilde voorkomen in de berm te geraken, was het wel genoodzaakt iets naar rechts te sturen. Had de surveillancewagen nog de snelheid gehad die hij eerst had, dan had cliënt er achterlangs kunnen gaan en had hij de linker achterkant van de auto niet geraakt. Nu minderden [verbalisant 2] en [verbalisant 3] snelheid, zoals zij zelf hebben verklaard bij de RC en in hun proces-verbaal van relaas ([verbalisant 2], p. 4 verklaring RC, 6e alinea/[verbalisant 3], p. 3 verklaring RC, 1e alinea), en verklaarde [verbalisant 5] zelfs dat zij remden, hij zag hun remlichten rood uitstralen. Door de combinatie van de stuurbeweging naar rechts om te voorkomen dat hij bij de bocht de berm in zou rijden, cliënt reed tenslotte al op de strook naast de weg, en het verminderen van de snelheid door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], raakte cliënt hun achterkant. Maar dat was niet met opzet. In ieder geval kan uit zijn handelen gelet op de omstandigheden waarin hij zich bevond op dat moment en wat [verbalisant 2] en [verbalisant 3] deden, niet buiten twijfel worden afgeleid dat hij daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij daar gevolgen van zouden moeten dragen. Dat [verbalisant 2] en [verbalisant 3] dit anders hebben ervaren en daar een op hun leven en gezondheid gerichte opzettelijke handeling in menen te zien is menselijk gezien voorstelbaar, maar voor de vraag of dat daadwerkelijk zo is zullen we bij de feiten moeten blijven.

70. Er is onder deze omstandigheden overigens voor die situatie ook geen ruimte voor een bewezenverklaring van bedreiging, zoals de rechtbank heeft geoordeeld: het opzet van cliënt was er op gericht niet in de berm te geraken en daar was de manoeuvre ook op gericht. Gelet op de afgelegde verklaringen is er geen sprake van geweest dat cliënt ‘met hoge snelheid is afgereden op de hem in hun dienstvoertuig tegemoet komende [verbalisant 2] in [verbalisant 3]’, noch dat hij ‘hun dienstvoertuig zeer dicht is genaderd en in hun richting is gestuurd dan wel ‘met hoge snelheid het dienstvoertuig van die [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (heeft) ingehaald, althans van achteren heeft genaderd en aan de linkerzijde (heeft) geramd, althans daartegenaan gereden.’

(…)

74. Ik vraag u dan ook cliënt van de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten vrij te spreken.”

62. Het hof heeft in het bestreden arrest het verweer van de verdediging als volgt samengevat en verworpen:

“Bewijsoverweging en bespreking van de gevoerde bewijsverweren

Het standpunt van de verdediging

In haar tot vrijspraak van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde strekkende verweer, heeft de raadsvrouw voorafgaand aan haar meer specifieke betoog over de feitelijke toedracht van die onderscheiden feiten, een beroep gedaan op een drietal ervaringsregels. Ten eerste de aan het Porsche- arrest ontleende ervaringsregel dat het niet waarschijnlijk is dat de bestuurder die gevaarlijk gedrag vertoont, de kans op een ook voor hemzelf dodelijke frontale botsing met een andere auto op de koop toeneemt. Ten tweede de ervaringsregel dat wie aan de politie probeert te ontkomen in het algemeen juist geen botsing zal willen veroorzaken en ten derde de ervaringsregel dat een politieagent in het algemeen in een gevaarlijke verkeerssituatie op lijfsbehoud gericht gedrag zal vertonen, waarmee hij er in de regel in zal slagen een ongeval te voorkomen. Deze ervaringsregels werpen horden op om te komen tot de vaststelling van voorwaardelijk opzet op de dood van de betrokken opsporingsambtenaren. Daar komt bij de verklaring van de verdachte van de strekking dat hij absoluut niet het voornemen had iemand letsel toe te brengen. Ook heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de verdachte gedurende de achtervolging op diverse momenten verkeersgedrag heeft vertoond waaruit, blijkt dat hij ongevallen juist wilde vermijden.

[…]

Meer in het bijzonder ten aanzien van het onder 2 primair als tweede cumulatief tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zouden komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel op zouden lopen. Dat standpunt is gegrond op de volgende lezing van de feiten. De verdachte werd door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] klemgereden. Het opzet van de verdachte was er enkel op gericht zelf niet in de berm te geraken. Daarom was hij genoodzaakt naar rechts te sturen. Doordat [verbalisant 2] en [verbalisant 3] snelheid minderden raakte hij hun dienstvoertuig aan de achterkant.

Het oordeel van het hof

[…]

Ten aanzien van feit 2 primair, 2e cumulatief tenlastegelegde

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat tijdens de achtervolging [verbalisant 2] en [verbalisant 3] in hun dienstvoertuig van de Koninklijke Marechaussee (verder: de dienstauto) met optische en geluidssignalen en ‘STOP’ uitstralend transparant op de N201 vóór de verdachte kwamen te rijden. Zij reden 100 à 120 km/u. De verdachte ging links naast hen rijden en heeft met een ruk naar rechts gestuurd en zodoende de linker achterzijde van de dienstauto geramd. Als gevolg van deze harde klap voelde [verbalisant 2] de achterzijde van de door hem bestuurde auto uitbreken. Hij was bang met de door hem gereden snelheid van ongeveer 100 à 120 km/u in de vangrail te klappen, maar wist dit door direct tegen te sturen te voorkomen. Na zes of zeven verdere door hem uitgevoerde manoeuvres, waarmee hij wist te voorkomen dat de dienstauto de vangrail raakte, of tegen het verkeer in zou komen te staan, heeft [verbalisant 2] de auto in de middenberm tot stilstand kunnen brengen. Die hiervoor beschreven stuurbeweging van de verdachte is door de getuige [verbalisant 5] waargenomen als een ‘ruk’ en een ‘heel heftige beweging’ naar rechts. De bevindingen met betrekking tot de sporen die zijn aangetroffen op de dienstauto en het taxibusje, zoals weergegeven in het proces-verbaal ‘Onderzoek Plaats Delict’, geven steun aan deze verklaringen.

Ook door dit handelen te beschouwen in de context van het overige gedrag van de verdachte om aan de politie te ontkomen, stelt het hof vast dat de verdachte met opzet de dienstauto heeft geramd, om deze uit te schakelen, zodat hij zijn vlucht kon voortzetten. Het hof neemt in zoverre de conclusie van verbalisant [verbalisant 5] (hierna vermeld in bewijsmiddel 8) over en maakt deze tot de zijne.

Het hof is van oordeel dat de verdachte door zijn handelwijze bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dienstauto met daarin [verbalisant 2] en [verbalisant 3] met ongeveer 100 km/u tegen de vangrail zou botsen of anderszins zou verongelukken. Daarbij neemt het hof in overweging dat, gelet op de snelheid waarmee [verbalisant 2] en [verbalisant 3] reden en de plaats en impact van de manier waarop de verdachte hen met het taxibusje heeft geramd, de kans op een ongeval met voor [verbalisant 2] en [verbalisant 3] dodelijke afloop naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk was te achten.

Een dergelijke manier van rammen, waarbij op hoge snelheid de achterkant van een auto in een slip wordt gebracht zal, naar algemene ervaringsregels, tot gevolg hebben dat de bestuurder de controle over het stuur zal verliezen, met een aanmerkelijke kans op een dodelijk ongeval tot gevolg. [verbalisant 2] is aanvankelijk ook de macht over het stuur kwijt geraakt, maar is er met een aantal stuurmanoeuvres in geslaagd de controle terug te krijgen en de auto in de berm te sturen zonder daadwerkelijk te verongelukken.

Het hof verwerpt het verweer dat de verdachte slechts reageerde op het remmen van het dienstvoertuig en enkel wilde voorkomen dat hij zelf met het taxibusje in de berm zou geraken; de verklaringen van de verdachte daarover zijn ongeloofwaardig, omdat zij worden weerlegd door de bewijsmiddelen.

Opmerking verdient ten slotte dat het beroep op de door de verdediging aangehaalde ervaringsregels niet opgaat. Er is in de confrontatie tussen het taxibusje en de voertuigen met [verbalisant 1] en met [verbalisant 2] en [verbalisant 3] geen sprake geweest van situaties waarbij de verdachte de aanmerkelijke kans nam dat hijzelf het leven zou laten. Ook hebben die confrontaties er niet aan in de weg gestaan dat de verdachte zijn rit kon voortzetten, terwijl een beroep op het adequate optreden van de betrokken leden van de Koninklijke Marechaussee de verdachte niet kan baten.

Het verweer wordt dan ook in alle onderdelen verworpen.

Eerste en vierde deelklacht

63. De eerste deelklacht luidt dat de bewijsvoering onvoldoende redengevend is voor de bewezenverklaring van het opzet op levensberoving van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] mede in het licht van de door de verdediging aangevoerde (overige) omstandigheden en/of contra-indicaties. De vierde klacht bouwt voort op de eerste klacht en houdt in dat het hof ten onrechte en ongemotiveerd is voorbijgegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen in het licht van de omstandigheden waaronder deze zijn verricht (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de dood van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] niet bewezen kan worden verklaard. Deze deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

64. Aangevoerd is onder meer dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte links naast het dienstvoertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] is gaan rijden. Uit de verklaring van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (bewijsmiddel 4) kan immers enkel worden opgemaakt dat [verbalisant 2] en [verbalisant 3] vóór de verdachte zijn gaan rijden. Daarbij wijst de steller van het middel op de verklaring van verbalisant [verbalisant 5] (bewijsmiddel 8), waaruit enkel volgt dat de verdachte [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heeft geprobeerd in te halen en niet dat hij ‘links naast hen is gaan rijden’.

65. In de toelichting wordt verder betoogd dat de bewijsmiddelen niet uitsluiten dat de verdachte met zijn beweging heeft gereageerd op het remmen van het dienstvoertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en hij hiermee wilde voorkomen dat hij zelf met het taxibusje de berm zou raken. Van een bewuste botsing met het dienstvoertuig is geen sprake geweest. Daarbij wordt gewezen op de verklaring van verbalisant [verbalisant 5] (bewijsmiddel 8), waaruit op het eerste gezicht zou kunnen worden opgemaakt dat deze de verklaring van de verdachte weerlegt, maar dat hiertegen door de verdediging in hoger beroep gemotiveerd verweer is gevoerd, namelijk dat en waarom er geen sprake is geweest van ‘genoeg ruimte om erlangs te gaan’. De steller van het middel verwijst daarbij naar nummer 68 en 69 van de pleitnota en de door de verdediging overgelegde camerabeelden waarvan het hof heeft kennisgenomen en die deel uitmaken van het dossier. Gelet op deze gemotiveerde betwisting is het enkele verwijzen van het hof naar de bewijsmiddelen die de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig zou maken ontoereikend gemotiveerd.

66. Tot slot is aangevoerd dat ‘door in dit verband’ af te wijken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt artikel 359 lid 2 Sv is geschonden.

67. Uit de door het hof gebezigde verklaring van de marechaussees [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (bewijsmiddel 4) kan het volgende worden afgeleid. Nadat het incident met marechaussee [verbalisant 1] had plaatsgevonden continueerden [verbalisant 2] en [verbalisant 3] in hun dienstvoertuig de achtervolging van de verdachte. Zij reden op enig moment op de N201, een provinciale weg waarvan het wegprofiel bestond uit een rijbaan met twee rijstroken voor het verkeer richting hoofddorp, een middenberm met vangrail en een rijbaan met twee rijstroken voor verkeer richting Aalsmeer. De maximaal toegestane snelheid ter plaatse betrof 80 kilometer per uur. Nadat de verdachte door een inhaalmanoeuvre van een vrachtwagen snelheid had verloren is het [verbalisant 2] en [verbalisant 3] gelukt om vóór de verdachte te gaan rijden, waarop zij hun transparant met stopteken hebben aangezet. Om de verdachte te kunnen bijhouden moesten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ‘bijtrekken’. Zij reden op dat moment zelf tussen de 100 à 120 kilometer per uur. [verbalisant 2] zag vervolgens dat de verdachte linksachter hem reed en voelde kort hierop een harde klap linksachter ter hoogte van het achterwiel.

68. Uit de verklaring van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] blijkt inderdaad enkel dat zij vóór de verdachte zijn gaan rijden en dat de verdachte linksachter hen reed. Zij reden op dat moment dus op dezelfde rijstrook als de verdachte. Dat de verdachte op een gegeven moment links naast [verbalisant 2] en [verbalisant 3] is gaan rijden kan, anders dan de steller van het middel meent, worden opgemaakt uit de door het hof gebezigde verklaringen van [verbalisant 5] (bewijsmiddel 7 en 8), alsook uit het proces-verbaal ‘Onderzoek Plaats Delict’ (bewijsmiddel 9). De verklaringen van [verbalisant 4] houden eveneens in dat [verbalisant 2] en [verbalisant 3] vóór de verdachte zijn gaan rijden. [verbalisant 4] heeft daarnaast echter ook verklaard dat hij zag dat de verdachte [verbalisant 2] en [verbalisant 3] opnieuw (rechts) probeerde in te halen en dat hij extra gas gaf om erlangs te komen. [verbalisant 2] en [verbalisant 3] schoven vervolgens wat op om de verdachte de weg te versperren en gingen van de linkerrijstrook iets meer naar het midden toe waar zij hun snelheid minderden. Op dat moment schoot de verdachte opeens naar links waardoor hij voor een deel (ter hoogte van de achterwielen) naast [verbalisant 2] en [verbalisant 3] kwam te rijden. Hij zag vervolgens dat de verdachte een ‘een heel heftige beweging naar rechts maakte’ tegen het voertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] aan. Het proces-verbaal ‘Onderzoek Plaats Delict’ houdt daarnaast in dat de zwarte veegsporen aan de linker achterzijde van de Opel (voertuig [verbalisant 2] en [verbalisant 3]) zeer waarschijnlijk zijn ontstaan door een draaiende band. Op de rechtervoorband van de Volkswagen (auto verdachte) waren blauwkeurige verf/lakresten te zien die zeer waarschijnlijk afkomstig zijn van de linker achterzijde van de Opel. Deze sporen konden zeer waarschijnlijk alleen afgetekend worden als de band van de Volkswagen naar rechts was ingedraaid op het moment van het ontstaan van deze sporen.

69. Gezien het voorgaande acht ik het oordeel van het hof “dat de verdachte links naast hen is gaan rijden” niet-onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarin ligt bovendien besloten de (niet-onbegrijpelijke) verwerping van het hieromtrent namens de verdachte ingenomen standpunt. De klacht inhoudende dat – kort gezegd – de verdachte links onvoldoende ruimte had om [verbalisant 2] en [verbalisant 3] in te halen en hij om die reden het voertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heeft geraakt, stuit af op de vrije selectie en waardering die de feitenrechter toekomt. Het hof heeft deze in het middel bedoelde gang van zaken niet aanvaard en heeft daartoe overwogen als hiervoor opgenomen onder 62. Daarmee heeft het hof in het bijzonder de redenen opgegeven die tot afwijking van het standpunt van de verdediging hebben geleid. Ook in het licht van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv, was het hof niet gehouden dat oordeel nader te motiveren. Het stond het hof immers vrij om geen gebruik te maken van de door de verdediging overgelegde camerabeelden nu het klaarblijkelijk van oordeel was dat deze voor het bewijs van geen waarde waren. Daarbij merk ik op dat veel van de door de steller van het middel in dit kader aangedragen argumenten over de door de feitenrechter getrokken conclusies van feitelijke aard zijn, en die conclusies – in tegenstelling tot hetgeen de steller van het middel lijkt te veronderstellen – slechts op hun begrijpelijkheid kunnen worden getoetst.

70. Het middel faalt in zoverre.

De derde deelklacht

71. De derde klacht houdt in dat de bewijsvoering onvoldoende redengevend is doordat hieruit niet kan volgen dat de aanmerkelijke kans bestond op de dood van [verbalisant 2] en [verbalisant 3], althans dat dit oordeel door het hof onvoldoende is gemotiveerd.

72. In de toelichting op het middel wordt geklaagd over de onbegrijpelijkheid en ontoereikende motivering van het oordeel dat de algemene ervaring leert dat bij een snelheid waarmee en de plaats waar de verdachte het voertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heeft geraakt, de kans op een ongeluk met dodelijk afloop aanmerkelijk is. Onder verwijzing naar HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:132, en HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2075, heeft de verdediging aangevoerd dat – kort samengevat – niet valt te verwachten dat [verbalisant 2] en [verbalisant 3] het leven zouden verliezen bij een botsing zoals in de onderhavige zaak, nu zij geoefend zijn in het besturen van een motorvoertuig onder moeilijke omstandigheden. Zelfs wanneer er een aanmerkelijke kans zou zijn dat het voertuig tegen de vangrail zou botsen is volgens de steller van het middel de kans op het overlijden van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] als gevolg van het handelen van de verdachte nog niet gegeven.

73. Hiervoor omschreef ik al ’s hofs vaststellingen over de toedracht van het flankongeval op de N201, een tweebaansweg, dat heeft plaatsgehad tussen de taxibus van de verdachte en het dienstvoertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3]; de snelheid van de laatsten bedroeg 100 à 120 kilometer per uur. Zoals gezegd, [verbalisant 2] zag dat de verdachte linksachter hem reed en voelde kort hierop een harde klap linksachter ter hoogte van het achterwiel. Op het moment dat de verdachte met een taxibusje het dienstvoertuig raakte voelde [verbalisant 2] dat de achterwielen van de auto uitbraken naar rechts. [verbalisant 2] heeft vervolgens meteen tegengestuurd en zes à zeven manoeuvres moeten verrichten om niet te verongelukken tegen de vangrail of “tegen het verkeer in te geraken”. [verbalisant 2] was bang dat hij met hoge snelheid in de vangrail zou klappen of dat andere voertuigen het dienstvoertuig zouden aanrijden nadat het tot stilstand was gekomen. Het voertuig is uiteindelijk in de middenberm tot stilstand gekomen. Toen de verdachte het voertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] raakte voelde [verbalisant 2] een pijnscheut in zijn rechterhand (bewijsmiddel 4). Verbalisant [verbalisant 5], die achter de verdachte en het voertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] reed, heeft de stuurbeweging van de verdachte omschreven als een ‘ruk’ en een ‘heel heftige beweging’ naar rechts. Hij zag verder dat er op het moment van raken ‘vonken’ van het voertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] afkwamen en dat het voertuig meteen een lekke band kreeg. De verdachte passeerde zonder snelheid te minderen vervolgens het voertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] aan de linkerkant en kwam uiteindelijk twee kilometer verderop tot stilstand (bewijsmiddel 7 en 8). De verdachte heeft verklaard dat hij het stopteken van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heeft gezien en begrepen, dat hij met hen in botsing is gekomen en dat hij daarna verder is gereden (bewijsmiddel 1).

74. Het hof heeft overwogen dat – vanwege de snelheid waarmee [verbalisant 2] en [verbalisant 3] reden en de manier waarop de verdachte met een taxibusje het voertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heeft geramd – de kans op een ongeval met dodelijk afloop naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, terwijl een dergelijke manier van rammen, waarbij op hoge snelheid de achterkant van een auto in een slip wordt gebracht, naar algemene ervaringsregels ertoe leidt dat de bestuurder de controle over het voertuig zal verliezen, met een aanmerkelijke kans op een ongeval met dodelijke afloop tot gevolg.

75. In het licht van de door het hof vastgestelde omstandigheden, meen ik dat het oordeel van het hof dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de dienstauto van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur tegen de vangrail zou botsen of op andere wijze zou verongelukken, met dodelijk letsel tot gevolg, niet-onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd, in elk geval vanwege het bestaan van bijzondere risicoverhogende omstandigheden. Als bijzondere risicoverhogende omstandigheden gelden naar mijn inzicht de hoge snelheid van het dienstvoertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op het moment dat de verdachte dit voertuig aan de linker achterzijde ramde en in een slip bracht, de klapband die het voertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] als gevolg daarvan opliep, de aanwezigheid van wegmeubilair zoals vangrail waartegen een voertuig als dat van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] abrupt tot stilstand kan komen, alsook de aanwezigheid van achteropkomend verkeer dat mogelijk niet meer in staat is het voertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] te ontwijken.

76. De klacht faalt.

De tweede deelklacht

77. De tweede deelklacht houdt in dat het hof in strijd met artikel 342 Sv bij de bewezenverklaring van (voorwaardelijk) opzet gebruik heeft gemaakt van een verklaring van een getuige die een ‘mening’ en/of een ‘conclusie’ bevat, terwijl het overnemen van deze conclusie door het hof, mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende is gemotiveerd.

78. De klacht doelt op de als bewijsmiddel 8 voor het bewijs gebruikte verklaring van verbalisant [verbalisant 5]. Volgens de steller van het middel betreft de in dit bewijsmiddel opgenomen zinsnede “ik zie dit niet als een mislukte poging om er voorbij te komen, maar als het opzettelijk van de weg proberen te rammen” niet een door deze getuige zelf waargenomen of ondervonden feit.

79. Het hof heeft ten aanzien van de gewraakte verklaring het volgende overwogen:

“Die hiervoor beschreven stuurbeweging van de verdachte is door de getuige [verbalisant 5] waargenomen als een ‘ruk’ en een ‘heel heftige beweging’ naar rechts. De bevindingen met betrekking tot de sporen die zijn aangetroffen op de dienstauto en het taxibusje, zoals weergegeven in het proces-verbaal ‘Onderzoek Plaats Delict’, geven steun aan deze verklaringen.

Ook door dit handelen te beschouwen in de context van het overige gedrag van de verdachte om aan de politie te ontkomen, stelt het hof vast dat de verdachte met opzet de dienstauto heeft geramd, om deze uit te schakelen, zodat hij zijn vlucht kon voortzetten. Het hof neemt in zoverre de conclusie van verbalisant [verbalisant 5] (hierna vermeld in bewijsmiddel 8) over en maakt deze tot de zijne.”

80. Voor zover de steller van het middel klaagt dat het hof in strijd met het voorschrift van lid 2 van artikel 359 Sv heeft verzuimd te responderen op een uitdrukkelijk door de verdediging naar voren gebracht betrouwbaarheidsverweer ten aanzien van de verklaringen van [verbalisant 5], merk ik op dat ik in de processtukken van het hoger beroep niets heb aangetroffen dat voor een dergelijk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan doorgaan.28 De klacht faalt in zoverre.

81. Bij de beoordeling van de klacht kan het volgende worden vooropgesteld. Een proces-verbaal dat is opgemaakt door een daartoe bevoegd persoon vormt ingevolge artikel 344 lid 1 onder 2º Sv uitsluitend wettig bewijs indien en voor zover dat een mededeling behelst van feiten en omstandigheden die de persoon zelf heeft waargenomen of ondervonden. Onder ‘waarneming’ wordt doorgaans verstaan het cognitieve resultaat van de zintuiglijke gewaarwording van prikkels uit de leefomgeving. Bij ‘ondervinding’ kan worden gedacht aan hetgeen men aan zichzelf waarneemt, zoals pijn, schrik of angst. Een mening, gissing of gevolgtrekking behelst als zodanig geen mededeling van feiten of omstandigheden die de verbalisant zelf heeft waargenomen of ondervonden. Het is in het strafproces aan de rechter voorbehouden om gevolgtrekkingen te maken op basis van zijn eigen waarneming, of op basis van de waarnemingen van anderen, met name van verdachten, getuigen of verbalisanten, die door wettige bewijsmiddelen ter kennis van de rechter worden gebracht. Gevolgtrekkingen van een politieambtenaar die zijn opgenomen in een door hem opgemaakt proces-verbaal, zijn dus niet bruikbaar voor het bewijs. Dat is alleen anders indien de rechter op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen zelf heeft geoordeeld en heeft kunnen oordelen dat een zodanige conclusie terecht is getrokken. In dat laatste geval stemt de gevolgtrekking immers overeen met een gevolgtrekking die de rechter zelf heeft gemaakt.29

82. In die laatste categorie valt naar ik meen de verklaring van de verbalisant [verbalisant 5]. In de kern gezien kan aan de steller van het middel worden toegegeven dat het niet aan een verbalisant is om de conclusie te trekken dat de verdachte ‘opzettelijk’ het voertuig van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heeft ‘geramd’. Dit is een conclusie die is voorbehouden aan de rechter. Die conclusie heeft het hof in dit geval ook zelfstandig getrokken. Op grond van de door het hof tot het bewijs gebezigde verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], de bevindingen zoals weergegeven in het proces-verbaal ‘Onderzoek Plaats Delict’, het eerdere gedrag van de verdachte om aan de KMar te ontkomen, alsmede de geverbaliseerde waarnemingen van [verbalisant 5], heeft het hof niet-onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd geoordeeld dat de verdachte met opzet de dienstauto van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heeft geramd om deze uit te schakelen en om zo zijn vlucht voor de KMar te kunnen voortzetten. In zoverre heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de conclusie van [verbalisant 5] terecht is getrokken.

83. Dat onder de bewijsmiddelen een door een verbalisant getrokken conclusie is opgenomen tast de bewijsvoering dus niet aan. De klacht faalt.

84. Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.

Het derde middel

85. Het derde middel klaagt dat het hof in strijd met artikel 345 lid 3 Sv, later dan op de veertiende dag na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting uitspraak heeft gedaan.

86. De onderhavige zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 februari 2020. Daarna werd de behandeling van de zaak geschorst tot de terechtzitting van 28 februari 2020. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 februari 2020 houdt onder meer het volgende in:

“[…]

De voorzitter deelt mee dat het hof gelet op het tijdstip (vrijdag omstreeks 18.45 uur), verhinderingen van de raadsheren in de navolgende twee weken en de complexiteit van de zaak voornemens is het onderzoek te schorsen tot de terechtzitting van 28 februari 2020 om 13:30 uur teneinde het onderzoek dan te sluiten en op 13 maart 2020 om 13.30 uur uitspraak te doen en vraagt of de advocaat-generaal en de verdediging bezwaar hebben tegen enkelvoudige sluiting.

De advocaat-generaal en de verdediging zeggen geen bezwaar te hebben tegen enkelvoudige sluiting van het onderzoek.

De raadsvrouw maakt wel bezwaar tegen uitstel van de sluiting van het onderzoek tot 28 februari 2020 en deelt mee:

Ik maak allereerst bezwaar tegen de wijze waarop de uitspraak op deze manier wordt uitgesteld. Ten tweede maak ik bezwaar dat op de zitting van 28 februari 2020 niets zal gebeuren behalve het verlengen van de termijn. De verdediging heeft vrijspraak bepleit en cliënt zal nu vier weken in detentie op de uitspraak moeten wachten. Bij grote onderzoeken wordt dit soms gedaan, maar nu is de achterliggende reden de verhindering van de raadsheren; dat heeft niets met de zaak te maken. Hoewel ik erg met u meeleef als het om vakanties gaat, stel ik in dit geval voor om het onderzoek over één week te sluiten zodat over drie weken uitspraak kan worden gedaan.

De advocaat-generaal merkt op dat het aan het hof is om te bepalen wanneer het onderzoek ter terechtzitting zal worden gesloten.

Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad in raadkamer.

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het onderzoek ter terechtzitting wordt geschorst voor bepaalde tijd tot de terechtzitting van 28 februari 2020 te 13.30 uur, op welke zitting het onderzoek ter terechtzitting door het hof in een enkelvoudige samenstelling zal worden gesloten, waarna op 13 maart 2020 te 13.30 uur uitspraak zal worden gedaan, met aanzegging aan de verdachte en de raadsvrouw van die dagen en tijdstippen.

De voorzitter deelt mee dat het hof er vanuit gaat dat de verdachte afstand doet van het recht om aanwezig te zijn bij de zitting van 28 februari 2020, en verzoekt de verdediging het hof daarover te berichten als dit anders mocht zijn.”

87. Het proces-verbaal van 28 februari 2020 houdt het volgende in:

“De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte:

[…]

is, zoals aangekondigd ter terechtzitting van 14 februari 2020, net zo min als zijn raadsvrouw, mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, ter terechtzitting aanwezig.

Het onderzoek wordt hervat.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 13 maart 2020 te 13:30 uur.

88. Volgens de steller van het middel was de achterliggende reden voor het uitstel van de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting ‘dat de vakantie eraan komt’ en de raadsheren om die reden verhinderd waren. Hiertegen heeft de verdediging gemotiveerd bezwaar gemaakt nu deze ‘onderliggende reden’ niet toereikend is. Bovendien wordt thans aangevoerd dat het hof noch op de terechtzitting van 28 februari 2020 noch op enige andere terechtzitting de zaak op de bestaande tenlastelegging door hetzelfde college opnieuw heeft onderzocht. Daarbij verwijst de steller van het middel naar HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1801. De zaken HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1926, NJ 2003/273, en HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0011, NJ 2010/626, doen daaraan volgens de steller van het middel niet af nu in de onderhavige zaak – anders dan in die zaken – door de verdediging wel bezwaar is gemaakt tegen sluiting op een nadere terechtzitting.

89. Artikel 345 Sv, dat ingevolge artikel 415 lid 1 Sv ook op de behandeling in hoger beroep van toepassing is, luidt voor zover hier van belang als volgt:

“1. Na afloop van het onderzoek wordt dit door den voorzitter gesloten verklaard en wordt hetzij aanstonds de uitspraak gedaan, hetzij door den voorzitter mondeling medegedeeld, wanneer zij, volgens de bepaling der rechtbank zal plaats vinden.

[…]

3. In geen geval mag de uitspraak later plaatsvinden dan op den veertienden dag na de sluiting

van het onderzoek. Daarbij kan volstaan worden met het uitspreken van een verkort vonnis.

4. Heeft de uitspraak alsdan niet plaats gehad, dan wordt de zaak op de bestaande telastelegging door hetzelfde college opnieuw onderzocht.”

90. Vooropgesteld kan worden dat de Hoge Raad niet zwaar tilt aan de hier vertoonde ‘kunstgreep’.30 In zijn arrest van 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0011, NJ 2010/626, heeft de Hoge Raad daartoe overwogen: “Noch art. 345 Sv noch enige andere rechtsregel verzet zich ertegen dat na afloop van het onderzoek ter terechtzitting het onderzoek op een nadere terechtzitting gesloten wordt verklaard. Het middel, dat uitgaat van een andere opvatting, is tevergeefs voorgesteld.” Een dergelijke beslissing valt daarnaast tot op zekere hoogte binnen de vrije ruimte van de feitenrechter en kan in cassatie slechts marginaal worden getoetst.31

91. Voor zover de steller van het middel klaagt dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting over de reikwijdte van artikel 346 Sv, berust dit op een onjuiste lezing van de processen-verbaal. Artikel 346 lid 1 Sv biedt de mogelijkheid om na sluiting het onderzoek te heropenen mocht tijdens de beraadslaging zijn gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. Dat is in de voorliggende zaak niet gebeurd. Het hof heeft het onderzoek ter terechtzitting op 14 februari 2020 geschorst voor bepaalde tijd (ex artikel 281 jo. 282 Sv) tot de terechtzitting van 28 februari 2020. Op de terechtzitting van 28 februari 2020 heeft hof het onderzoek ter terechtzitting eerst hervat en het onderzoek vervolgens gesloten. Het onderzoek is door het hof niet heropend zoals de steller van het middel lijkt te veronderstellen. 32 Daarnaast merk ik ten overvloede op dat op grond van artikel 322 lid 1 Sv het onderzoek wordt hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de eerdere schorsing bevond.33 Een uitzondering op deze regel geeft lid 3 van dat artikel: wanneer de samenstelling van het hof is gewijzigd wordt het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen, tenzij de advocaat-generaal en de verdachte instemmen met hervatting van het onderzoek. Dat is in deze zaak ook gebeurd. Tijdens de terechtzitting van 14 februari 2020 heeft de voorzitter aangegeven dat sluiting van het onderzoek enkelvoudig (en dus in een andere samenstelling) zal plaatsvinden, waarmee de raadsvrouw en de advocaat-generaal vooraf hebben ingestemd.

92. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 februari 2020 blijkt voorts dat het hof de reden voor de schorsing en het latere sluiten van het onderzoek ter terechtzitting duidelijk kenbaar heeft gemaakt: het tijdstip op dat moment (vrijdag omstreeks 18.45 uur), verhinderingen van de raadsheren in de navolgende twee weken en de complexiteit van de zaak. Strikt genomen zijn dit geen redenen om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen. Schorsing vindt immers in beginsel enkel plaats in het belang van het onderzoek.34 Het had mijns inziens dan ook de voorkeur verdiend om het onderzoek ter terechtzitting in deze zaak te onderbreken in plaats van te schorsen.35 Nu hierover in cassatie niet wordt geklaagd en ik overigens ook niet inzie welk rechtens te respecteren belang de verdachte hierbij zou hebben, laat ik dit punt verder rusten. Het bezwaar van de raadsvrouw dat de onderliggende reden voor latere sluiting van het onderzoek zou zijn gelegen in het feit ‘dat de vakantie eraan komt’ is een conclusie die de raadsvrouw (tevens de steller van het middel) hieruit zelf heeft getrokken en die door het hof niet als reden is gegeven. Door het hof is enkel opgemerkt dat de raadsheren zijn verhinderd. Deze verhindering zou – zo kan ik mij voorstellen – ook goed gelegen kunnen zijn in andere zittingsverplichtingen van de raadsheren. De klacht berust dan ook op een onjuiste lezing van het proces-verbaal en kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet slagen. Ook overigens acht ik de door het hof gegeven redenen om de zaak op een nadere terechtzitting pas te sluiten voldoende. Vervolgens heeft het hof binnen de wettelijke termijn van veertien dagen uitspraak gedaan.

93. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Het vierde middel

94. Het vierde middel behelst de klacht dat het hof de onder 1. primair en 2. primair bewezen verklaarde feiten ten onrechte heeft gekwalificeerd als ‘telkens: poging tot doodslag’, nu het bewezen verklaarde niet het bestanddeel ‘opzettelijk’ bevat dat een essentieel onderdeel is van de delictsomschrijving van artikel 287 Sr.

95. Aan de verdachte is – zoals eerder weergegeven – onder feit 1. primair en 2. primair ten laste gelegd dat:

“1. primair

op 10 januari 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [verbalisant 1] (wachtmeester 1e klasse van de Koninklijke Marechaussee) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet,

- met een taxibus (merk Volkswagen Kombi) met hoge snelheid (van ongeveer 80 tot 100 km/u) op de hem op zijn dienstmotor tegemoetkomende [verbalisant 1] is afgereden en;

- in zijn richting is gestuurd en

- de dienstmotor zeer dicht (tot op enkele meters) is genaderd,

- waardoor die [verbalisant 1] (met kracht) moest remmen en zijn motor de verhoogde middenberm heeft opgestuurd en van zijn motor is gesprongen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. primair

hij op 10 januari 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (wachtmeester en wachtmeester 1e klasse vande Koninklijke Marechaussee) van het leven te beroven en/of zwaar lichamelijk letsel, toe te brengen, telkens met dat opzet, met een taxibus (merk Volkswagen Kombi):

- met hoge snelheid (van ongeveer 80 tot 100 km/u is afgereden hem in hun dienstvoertuig

tegemoetkomende [verbalisant 2] en [verbalisant 3],

- waarna hij hun dienstvoertuig zeer dicht is genaderd en in hun richting is gestuurd.

- waardoor die [verbalisant 2] moest uitwijken en een vluchtstrook is opgereden,

en

- met hoge snelheid (van ongeveer 100 km/u) het dienstvoertuig van die [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heeft ingehaald, althans van achteren is genaderd en aan de linker achterzijde heeft geramd, althans daar tegenaan is gereden,

- waardoor die [verbalisant 2] de macht over het stuur is verlopen, althans is gaan slingeren en in de berm in de weg terecht is gekomen,

terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrij(f)(ven) (telkens) niet is voltooid.”

96. Hiervan heeft het hof bewezen verklaard:

“1 primair

hij op 10 januari 2019 in de gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [verbalisant 1] (wachtmeester 1e klasse van de Koninklijke Marechaussee) van, het leven te beroven, met dat opzet,

- met een taxibus (merk Volkswagen Kombi) met hoge snelheid (van ongeveer 100 km/u) op de hem op zijn dienstmotor tegemoetkomende [verbalisant 1] is afgereden en

- in zijn richting is gestuurd en

- de dienstmotor zeer dicht is genaderd,

- waardoor die [verbalisant 1] (met kracht) moest remmen en zijn motor de verhoogde middenberm heeft

opgestuurd en van zijn motor is gesprongen,

terwijl de uitvoering van dat, voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. primair

hij op 10 januari 2019 in de gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (wachtmeester en wachtmeester 1e klasse van de Koninklijke Marechaussee) van het leven te beroven, met dat opzet, met een taxibus (merk Volkswagen Kombi):

- met hoge snelheid van ongeveer 100 km/u het dienstvoertuig van die [verbalisant 2] en [verbalisant 3] aan de linker achterzijde heeft geramd,

- waardoor die [verbalisant 2] de macht over het stuur is verloren, is gaan slingeren en in de berm van de weg terecht is gekomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

97. Artikel 287 Sr luidt als volgt:

“Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

98. Het hof heeft de onder 1. primair en 2. primair bewezen verklaarde gedragingen van de verdachte telkens gekwalificeerd als ‘poging tot doodslag’. Voor een veroordeling op grond van artikel 287 Sr is vereist dat bewezen wordt verklaard dat de verdachte deze gedragingen(en) opzettelijk heeft verricht. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat het woord ‘opzettelijk’ zowel in de tenlastelegging als in de bewezenverklaring ontbreekt. De enkele omstandigheid dat in de tenlastelegging en de bewezenverklaring niet alle bestanddelen van een strafbaar feit letterlijk zijn weergegeven, behoeft aan kwalificatie van dat strafbare feit echter niet in de weg te staan.36 Anders dan de steller van het middel meen ik dat het ‘opzet’ in de bewezenverklaring kan worden ingelezen nu het voornemen om iemand ‘van het leven beroven’ (een actieve gedraging) zich – althans in mijn beleving – niet in onopzettelijke vorm laat denken. In het woord ‘van het leven beroven’ ligt immers besloten dat dit met opzet gebeurt. Daarbij komt dat in de tenlastelegging en de bewezenverklaring telkens wel is opgenomen dat de verdachte de feitelijk omschreven gedragingen “met dat opzet” heeft begaan, en die frase verwijst naar verdachte’s voornemen om [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van het leven te beroven.

99. Gelet op het voorafgaande, meen ik dat het hof aan het onder 1. primair en 2. primair bewezen verklaarde de kwalificatie ‘poging tot doodslag’ mocht verbinden.37

100. Het middel faalt.

Het vijfde middel

101. Het vijfde middel klaagt dat het hof ten onrechte aan de verdachte een ontzegging tot het besturen van motorrijtuigen heeft opgelegd, nu het hof dit heeft gegrond op artikel 179 WVW 1994 en niet op artikel 179a WVW 1994.

102. Onder het hoofd ‘toepasselijke wettelijke voorschriften’ heeft het hof vermeld dat de op te leggen straffen onder andere zijn gegrond op de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat op grond van artikel 179 WVW aan de verdachte niet de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen kan worden ontzegd bij overtreding van artikel 287 jo. 45 Sr. Dit kan enkel op grond van artikel 179a lid 1 WVW 1994. Ik meen echter dat dit kan worden gezien als een kennelijke verschrijving en dat de Hoge Raad deze misslag zelf kan herstellen.38 Als gevolg daarvan komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen.

103. Het middel faalt.

Slotsom

104. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

105. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

106. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:384, NJ 2019/150; HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103 m.nt. Wolswijk; HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:117; HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, NJ 2017/250; HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:60, NJ 2017/375 m.nt. Keulen; HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:862, NJ 2017/67 m.nt. Mevis; HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5396, NJ 2013/111 m.nt. Keijzer; HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7123, NJ 2012/12; HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871; HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3888, NJ 2006/123; HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR1860, NJ 2005/154 m.nt. De Jong, en HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma (het hiv I-arrest).

2 Zie hierover ook D.J.C. Aben, ‘Gif, het verkeer, hiv en de dood: voorwaardelijk opzet’, in: G.J.M. Corstens, Lord Mance, C.W.A. Timmermans, D.J.C. Aben, G. de Groot & J.W. Fokkens, 175 jaar Hoge Raad der Nederlanden. Bijdragen aan de samenleving, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2014, p. 64-80.

3 Met de overweging dat de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' niet afhankelijk is van de aard van het gevolg, nam de Hoge Raad in het hiv I-arrest duidelijk stelling tégen de opvatting van verscheidene van zijn advocaten-generaal. Die advocaten-generaal hadden namelijk in de aan dat arrest voorafgaande periode betoogd (uitgedrukt in mijn woorden) dat de – op zijn aanmerkelijkheid te beoordelen – kans gelijkstaat aan het product van ‘de kans op een bepaald gevolg’ en ‘de maatschappelijk kosten c.q. de aard en ernst van dat gevolg’, oftewel tezamen: het risico. Als er bijvoorbeeld 3% kans is dat ik voor een gesloten winkeldeur kom te staan wanneer ik voor een boodschap naar de stad fiets, dan vind ik die kans verwaarloosbaar klein, terwijl ik voor geen goud in een Boeing 737 MAX stap als ik weet dat de kans op een crash 3% bedraagt. Of ik die kans ‘in aanmerking’ neem hangt dus af van de aard en ernst van het potentiële gevolg. De Hoge Raad oordeelde echter anders: het gaat bij het begrip ‘aanmerkelijke kans’ louter om de feitelijke kans op het intreden van een bepaald gevolg, ongeacht de aard en ernst van dat gevolg. Ik vermoed dat de Hoge Raad hiermee het ongebreidelde gebruik van het leerstuk van ‘voorwaardelijk opzet’ in de feitenrechtspraak heeft willen beteugelen. Zie voor meer over deze discussie: Aben, a.w.

4 HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552, rov. 3.6.

5 Ik realiseer me dat Arendse heeft betoogd dat de ‘uiterlijke verschijningsvorm’ als maatstaf in de rechtspraak van de Hoge Raad geen (duidelijke) rol speelt bij het bepalen van de grootte van de – op zijn aanmerkelijkheid te beoordelen – kans. Zie S.S. Arendse, De uiterlijke verschijningsvorm in het strafrecht. Een analyse van de jurisprudentie van de Hoge Raad, Den Haag: Boom Juridisch 2020, p. 158-160. Niettemin meen ik dat het (op ‘logische’ gronden) niet anders kan zijn dan dat de grootte van die (‘subjectieve’) kans wordt bepaald aan de hand van slechts globale, voor mensen kenbare facetten van de werkelijkheid. Daarin liggen keuzemomenten besloten. De ‘uiterlijke verschijningsvorm’ is (ook) in dat verband een bruikbare maatstaf.

6 J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 238, mede onder verwijzing naar de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871, onder 12.

7 Zie in zijn conclusie voorafgaand aan HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871, onder 14 en 19.

8 HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139, NJ 1997/199 m.nt. ’t Hart.

9 Zie ook S.S. Arendse, De uiterlijke verschijningsvorm in het strafrecht. Een analyse van de jurisprudentie van de Hoge Raad, Den Haag: Boom Juridisch 2020, p. 195. Zie ook HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:384, NJ 2019/150, waarin de verdachte na het gebruik van een grote hoeveelheid alcohol in zijn auto was gestapt en achterop een motor is gereden. Uit dit arrest blijkt eveneens dat dit niet anders wordt wanneer de verdachte zich wel bewust is geweest of had moeten zijn van het gevaar van zijn rijgedrag. Door de Hoge Raad was in deze zaak daarover overwogen: “terwijl ook geen nadere vaststellingen zijn gedaan met betrekking tot het rijgedrag”. Daaruit trekt Arendse de conclusie dat er zich ook gevallen kunnen voordoen waarin uit een gevaarlijke verkeersmanoeuvre wel voorwaardelijke opzet op levensberoving kan worden afgeleid.

10 HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4736, NJ 2010/117 m.nt. Keijzer.

11 A.A. van Dijk, Opzet, kans en keuzes. Een analyse van doodslag in het verkeer, Zutphen: Uitgeverij Paris 2017, p. 410.

12 Van Dijk, a.w., p. 409 e.v.

13 Van Dijk, a.w., p. 412-413.

14 A.S. Hakkert & L. Braimaister, The uses of exposure and risk in road safety studies, Leidschendam: SWOV Institute for Road Safety Research 2002, met verwijzingen.

15 Dit betreft welbeschouwd een ‘voorkans’ (of base rate). Zo zal bijvoorbeeld de blootstelling (exposure) aan risico’s voor politiemensen hoger liggen dan voor gewone burgers. Die laatsten zullen bijvoorbeeld niet snel ’s nachts met hun hand omhoog midden op de weg gaan staan om een voertuig tot stilstand te manen; in bed loop je nu eenmaal minder risico.

16 Voor meer toelichting (en met toepassing van deze notie binnen het bestek van de hiv-arresten), zie Aben, a.w.

17 Van Dijk, a.w., p. 413. Op grond waarvan Van Dijk stelt dat verwacht mag worden dat een politieagent over zodanige fysieke en psychische capaciteiten beschikt om ‘dit’ (opzij springen) te kunnen doen is mij overigens niet geheel duidelijk. Mij is bijvoorbeeld niet bekend dat politiemensen worden getraind in het opzij springen voor aanstormend verkeer.

18 Van Dijk, a.w., p. 411-412 en 417.

19 E. Rosén & U. Sander, ‘Pedestrian fatality risk as a function of car impact speed’, Accident Analysis and Prevention 2009, p. 536-542.

20 Van Dijk, a.w., p. 412.

21 D.C. Richards, Relationship between Speed and Risk of Fatal Injury: Pedestrians and Car Occupants (Road Safety Web Publication No. 16), London: Transport Research Laboratory 2010. Zie met name p. 19-20.

22 In zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2016:895) voorafgaande aan dit arrest nam mijn ambtgenoot Bleichrodt daarbij in aanmerking dat “de stap die het hof heeft gezet van de gevaarzettende gedragingen van de verdachte naar het bewijs van een aanmerkelijke kans op de dood van de inzittenden niet door de motivering [kan worden] gedragen. In de kern berust die ten aanzien van de tweede stuurbeweging op niet meer dan op het contact dat tussen de auto’s heeft plaatsgevonden, bij een snelheid van 97 kilometer per uur, terwijl de aard van het contact en de omstandigheden van het geval door het hof niet of nauwelijks in de beoordeling zijn betrokken. Daarmee is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk.”

23 Zie ook Van Dijk, a.w., p. 214.

24 Arendse, a.w., p. 198.

25 Waarover Van Dijk terecht heeft opgemerkt dat “bewustheid van gevaar voor een ander niet gelijkstaat aan de te bewijzen bewustheid van de aanmerkelijke kans op de dood van een ander”, Van Dijk, a.w., p. 196.

26 Zie hierover ook Van Dijk, a.w., p. 197: “Het valt te verwachten dat het doelopzet op een geweldshandeling jegens een ander onder omstandigheden die voor de verdachte zelf gevaarlijk zijn, gepaard gaat met bewustheid voor de gevaren van hemzelf. De bewijsrechtelijke assumptie die ten grondslag ligt aan het Porsche-arrest – de verdachte wil zichzelf niet in gevaar brengen – wordt derhalve tot op zekere hoogte weersproken.

27 Arendse, a.w., p. 197: Als contra-indicatie in geval van een geweldshandeling gelden mogelijk wel de maatregelen die de verdachte heeft genomen om het intreden van het gevolg te voorkomen.

28 Onder nummer 67 van de pleitnota is slechts het volgende aangevoerd met betrekking tot de verklaring van [verbalisant 5]: “Ik denk dat we overigens even buiten beschouwing moeten laten wat [verbalisant 5] daarvan vervolgens vindt en hoe dat geïnterpreteerd moet worden, meer in het bijzonder of daarbij sprake was van opzettelijk willen raken. Ook voor deze getuige geldt immers dat conclusies, gissingen en meningen voor de bewijsvoering niet van belang zijn.”

29 Zie o.m. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 818-821.

30 De uitspraakdatum in onderhavige zaak was overigens ook al genoemd op de terechtzitting van 14 februari 2020.

31 Vgl. HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6456, NJ 2001/562, en HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7644, NJ 2012/381, en ook Corstens, a.w. p. 751.

32 Het door de steller van het middel aangehaalde arrest van HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1926, waar het ging om heropenen van het onderzoek ter terechtzitting nu tijdens de beraadslaging was gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, gaat daarom niet op. Daar komt bij dat wanneer in cassatie over schending van dit artikel wordt geklaagd, zal moeten worden aangegeven in welk belang de verdachte is geschaad, zie o.a. HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:190, NJ 2014/289, en Corstens, a.w., p. 756.

33 Voor de volledigheid merk ik op dat de artikelen 281 Sv en 322 Sv conform art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn.

34 Bijvoorbeeld voor het oproepen van getuigen of bij wijziging van de tenlastelegging.

35 Bij een schorsing staat het zakelijk belang los van de ‘huishoudelijke’ belangen die genoemd zijn in art. 277 lid 2 Sv ter onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting. Zie hierover ook mijn toenmalige ambtgenoot Silvis in zijn conclusie voorafgaande aan het arrest HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4600, NJ 2011/184, waarin hij heeft opgemerkt dat “de uitgebreidheid van het onderzoek een in artikel 277 lid 1 Sv genoemde geoorloofde reden voor een onderbreking is” en dat “wat betreft de vermelding van een reden kan worden volstaan met het noemen van de uitgebreidheid, de duur van de behandeling of het nemen van rust”.

36 Zie bijv. HR 29 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1736, NJ 2008/95 m.nt. Reijntjes, en HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7497, NJ 2012/22.

37 Geheel ten overvloede wijs ik erop dat het aan het hof – na cassatie en terugwijzing – bij de hernieuwde behandeling van de zaak is toegestaan om op vordering van het OM de tenlasteleggingen te verbeteren door daarin alsnog het woord ‘opzettelijk’ in te voegen. Nu het voor de verdachte en zijn verdediging volstrekt duidelijk was voor welke delicten hij werd vervolgd, vermag ik niet in te zien welk rechtens te respecteren belang is gemoeid met cassatie en terugwijzing.

38 In het geval van HR 12 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8708, herstelde de Hoge Raad deze misslag en vernietigde in zoverre de uitspraak van het hof. Ik meen echter dat zodra een verschrijving in een arrest kan worden aangemerkt als ‘kennelijk’, vernietiging in het geheel niet nodig is. Het is mij overigens om het even; beide oplossingen zijn verdedigbaar.