Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:236

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-03-2021
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
20/01290
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:580, Gevolgd
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Overeenkomst tot levering en installatie lichtplan. Deugdelijke nakoming? Uitleg overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01290

Zitting 5 maart 2021

CONCLUSIE

F.F. Langemeijer

In de zaak van

[de opdrachtgeefster] B.V.

tegen

[verweerster] B.V.

In deze zaak gaat het om de vraag of een overeenkomst tot het vervangen van de verlichting in een bedrijfshal deugdelijk is nagekomen.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die het hof in het tussenarrest van 19 februari 2019 heeft vermeld in rov. 3.1, onder 1 – 7 en 9 – 13.1 Deze houden het volgende in.

(i) Eiseres tot cassatie (hierna: de opdrachtgeefster) is een bedrijf, gespecialiseerd in verspanen en andere vormen van metaalbewerking. Zij verricht haar werkzaamheden in een fabriekshal, waarbij ook kantoorruimten aanwezig zijn. [betrokkene 1] is bestuurder van de opdrachtgeefster.

(ii) Begin juli 2016 heeft [betrokkene 1] met een bestuurder van verweerster in cassatie (hierna: [verweerster]) gesproken over een mogelijke vervanging van de verlichting in de fabriekshal.

(iii) Na dit gesprek is [verweerster] met haar adviseur en toeleverancier, [A] B.V. in de persoon van haar bestuurder [betrokkene 2], ter plaatse gaan kijken in de fabriekshal van de opdrachtgeefster.

(iv) Op 15 juli 2016 heeft de opdrachtgeefster een orderbevestiging ondertekend teruggestuurd aan [verweerster]. De orderbevestiging zag op het vervangen van de aanwezige verlichting door Led-verlichting, zowel in de fabriekshal als in de kantoren.

(v) De opdrachtgeefster heeft op 18 juli 2016 de factuur van [verweerster] voor het leveren van de benodigde verlichtingsapparatuur ten bedrage van € 18.150,- voldaan.

(vi) Het bedrijf van [betrokkene 3] heeft namens [verweerster] de installatie van de verlichting verzorgd. Op 25 juli 2016 is [betrokkene 3] begonnen met het feitelijke installeren van de Led-verlichting in de kantoren van de opdrachtgeefster. Daarna begon [betrokkene 3] met het installeren van de Led-verlichting in de fabriekshal.

(vii) Op 29 juli 2016 heeft de opdrachtgeefster aan [verweerster] haar twijfels gemeld omtrent de geschiktheid van Led-verlichting voor het adequaat verlichten van de fabriekshal. [verweerster] heeft haar toen geadviseerd, de installatie van de Led-verlichting voort te zetten.

(viii) Op 2 augustus 2016 was de installatie van de Led-verlichting in de fabriekshal afgerond. [verweerster] heeft aan de opdrachtgeefster een factuur van € 2.920,94 gestuurd voor het installeren. De opdrachtgeefster heeft deze factuur betaald.

(ix) Op 3 augustus 2016 heeft de opdrachtgeefster [verweerster] verzocht de Led-verlichting te verwijderen en de oorspronkelijke verlichting terug te hangen in de fabriekshal. Dezelfde dag heeft [betrokkene 1] hiertoe opdracht gegeven aan [betrokkene 3], welke opdracht is uitgevoerd.

(x) Op 5 augustus 2016 heeft [verweerster] € 1.631,52 aan de opdrachtgeefster in rekening gebracht in verband met de extra arbeidsuren van [betrokkene 3] en de kosten van extra lampen. De opdrachtgeefster heeft deze factuur niet voldaan.2

1.2

Op 16 januari 2017 heeft de opdrachtgeefster [verweerster] laten dagvaarden voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Zij heeft gevorderd dat de rechtbank de overeenkomst zal ontbinden op grond van een tekortkoming van [verweerster] in de nakoming daarvan. Daarnaast heeft de opdrachtgeefster terugbetaling gevorderd van het door haar aan [verweerster] betaalde bedrag van in totaal € 21.070,94, vermeerderd met wettelijke rente. De opdrachtgeefster vorderde tevens een schadevergoeding ten bedrage van € 7.766,78, vermeerderd met wettelijke rente, en een verklaring voor recht dat op haar geen verplichting rust om voormelde factuur van 5 augustus 2016 van € 1.631,52 te voldoen.

1.3

De opdrachtgeefster heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de door [verweerster] geleverde en geïnstalleerde Led-verlichting niet aan de overeenkomst tussen partijen beantwoordt: deze bevat niet de eigenschappen die een hierin niet gespecialiseerde afnemer mocht verwachten op basis van het door een professionele adviseur voorgestelde lichtplan. Zij heeft aangevoerd dat voor de metaalbewerking die in deze fabriekshal plaatsvindt, een goed zicht van essentieel belang is. Zelf kon de opdrachtgeefster niet voldoende inschatten hoeveel lux en welke mate van verlichtingshomogeniteit noodzakelijk zouden zijn voor een geschikt resultaat.3 Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is [A] namens [verweerster] ter plaatse geweest om de fabriekshal te bekijken. Daarom moet [verweerster] goed op de hoogte zijn geweest van de eisen die aan de verlichting dienden te worden gesteld. Volgens de opdrachtgeefster is een lichtsterkte in de bedrijfshal boven het machinepark van 500 lux afgesproken. Het bezwaar van de opdrachtgeefster hield concreet in dat de aangebrachte Led-verlichting in de fabriekshal op bepaalde plekken niet het licht genereert dat nodig is voor het werk in de fabriekshal. Bovendien is er door de aangebrachte verlichting sprake van schaduwvorming die het onmogelijk maakt om fatsoenlijk te kunnen werken.

1.4

[verweerster] heeft betwist dat zij de overeenkomst niet naar behoren is nagekomen. Zij heeft onder meer aangevoerd dat zij voor de fabriekshal en de kantoorruimten lichtplannen heeft laten opstellen door [A]. Zij heeft deze, waar nodig, aangepast aan de wensen van de opdrachtgever. Vervolgens heeft zij geleverd en laten installeren wat overeengekomen was. In reconventie heeft [verweerster] betaling gevorderd van de genoemde factuur van 5 augustus 2016 ten bedrage van € 1.631,52, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.

1.5

Bij eindvonnis van 12 juli 2017 heeft de rechtbank in conventie de vorderingen van de opdrachtgeefster vrijwel geheel toegewezen en de vordering van [verweerster] in reconventie afgewezen.

1.6

De rechtbank overwoog dat partijen overeenstemming hebben bereikt op basis van het lichtplan van 13 juli 2016. Niet kan worden vastgesteld dat de opdrachtgeefster na het tekenen van de opdrachtbevestiging op 15 juli 2016 alsnog heeft ingestemd met het lichtplan van 19 juli 2016 (rov. 3.5 Rb.). Daarom behoort de te leveren verlichting te voldoen aan hetgeen is opgenomen in het lichtplan van 13 juli 2016 (rov. 3.6 Rb.). De rechtbank stelde vast dat partijen van mening verschillen over de vraag of de nieuwe verlichting voldoende lichtsterkte opleverde: volgens de opdrachtgeefster zou dit gemiddeld 500 lux moeten zijn, hetgeen met de aangebrachte verlichting in feite niet wordt gehaald. Na een bespreking van de over en weer aangevoerde argumenten kwam de rechtbank tot het oordeel dat de geleverde Led-verlichting niet voldeed aan hetgeen was overeengekomen (rov. 3.7 - 3.10 Rb.). De juistheid van de stelling van [verweerster] dat (vanwege een door de opdrachtgeefster gewenste kostenbeperking) het aantal op te hangen lampen in overleg tussen partijen is teruggebracht van 39 naar 29, en dat daarmee al vóór het sluiten van de overeenkomst tussen partijen overeenstemming is bereikt over een gemiddeld lichtniveau van 300 lux boven het machinepark, blijkt volgens de rechtbank niet uit de gestelde feiten en omstandigheden. In dit verband wees de rechtbank ook op het feit dat op het voorblad van het lichtplan een lichtsterkte van 500 lux was vermeld.

1.7

[verweerster] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. In grief 2 herhaalde [verweerster] haar standpunt dat partijen niet een gemiddeld lichtniveau van 500 lux boven het machinepark zijn overeengekomen, zoals de rechtbank heeft vastgesteld, maar slechts een gemiddeld lichtniveau van 300 lux. Ter onderbouwing van dit betoog heeft [verweerster] schriftelijke verklaringen in het geding gebracht van haar bestuurder, van haar adviseur Gronsveld (van [A]) en van [betrokkene 3] als degene die het werk feitelijk had uitgevoerd. In rov. 3.9 van zijn tussenarrest van 19 februari 2019 (ECLI:NL:GHSHE:2019:568) heeft het hof gedeelten van deze verklaringen aangehaald.

1.8

Het hof was van oordeel dat [verweerster] hiermee voldoende gemotiveerd de stelling van de opdrachtgeefster heeft betwist dat overeengekomen was dat [verweerster] zou zorgen voor verlichting met een gemiddeld lichtniveau van 500 lux. Tevens heeft [verweerster] een verklaring gegeven voor het feit dat op het voorblad van het lichtplan van 13 juli 2016 de zinsnede “Gemiddeld lichtniveau (…) Machinepark 500 lux” is blijven staan. Het hof overwoog dat, tegenover deze gemotiveerde betwisting, op de opdrachtgeefster de bewijslast rust van de door haar gestelde inhoud van de overeenkomst. Het hof heeft de opdrachtgeefster opgedragen te bewijzen “dat tussen partijen is overeengekomen dat voor het machinepark overal een gemiddeld lichtniveau van 500 lux gold en dat dit niet is aangepast naar een gemiddeld lichtniveau van 300 lux”. Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

1.9

De opdrachtgeefster heeft haar bestuurder [betrokkene 1] en zijn partner (in het bedrijf werkzaam als administratief medewerkster) als getuigen laten horen. In contra-enquête is de bestuurder van [verweerster] als getuige gehoord.

1.10

Op 21 januari 2020 heeft het hof eindarrest gewezen (ECLI:NL:GHSHE:2020:167). Het hof was van oordeel dat het verlangde bewijs niet is geleverd (rov. 7.1 – 7.4). Het hof heeft het vonnis van 12 juli 2017 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, in conventie de vorderingen van de opdrachtgeefster afgewezen. In reconventie heeft het hof het gevorderde bedrag van € 1.631,52 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.

1.11

De opdrachtgeefster heeft − tijdig − beroep in cassatie ingesteld, zowel tegen het tussenarrest van 19 februari 2019 als tegen het eindarrest. In cassatie is verstek verleend tegen [verweerster]. De opdrachtgeefster heeft afgezien van schriftelijke toelichting.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Onderdeel A bevat de volgende algemene klachten:

1. Zowel het tussenarrest als het eindarrest geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof aan zijn oordeel niet de juiste maatstaf voor de uitleg van overeenkomsten ten grondslag heeft gelegd. Blijkens de toelichting onder (ii) is hiermee de Haviltex-maatstaf bedoeld.4

2. Zowel het tussenarrest als het eindarrest geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof het door de opdrachtgeefster gedane beroep op de redelijkheid niet heeft opgevat in het kader van de maatstaf voor de uitleg van overeenkomsten.

3. Het tussenarrest geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 150 Rv, door een bewijsopdracht aan de opdrachtgeefster te verstrekken, althans is die beslissing ontoereikend gemotiveerd.

2.2

Onderdeel B bevat de volgende algemene klachten:

1. De motivering van beide arresten is rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk, omdat het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom het in hoger beroep door de opdrachtgeefster gedane beroep op de redelijkheid is verworpen.

2. De motivering van beide arresten is onbegrijpelijk, omdat het hof verzuimt alle aangevoerde feiten en omstandigheden in de beoordeling te betrekken.

2.3

In de procesinleiding in cassatie onder (ii) tot en met (xii) zijn deze algemene klachten uitgewerkt. Ik volsta op deze plaats met een enigszins verkorte weergave:

De toelichting onder (ii) houdt, als gezegd, de klacht in dat het hof aan zijn beslissing niet, althans niet kenbaar, de Haviltex-maatstaf ten grondslag heeft gelegd.

De toelichting onder (iii) bevat een weergave van (jurisprudentie over) de Haviltex-maatstaf. De toelichting onder (iv) klaagt dat het hof de overeenkomst, in het bijzonder de vraag of de gemaakte afspraak een lichtwaarde van 500 dan wel 300 lux betrof, heeft “geplaatst in een (te) beperkte uitleg van de afspraken, door het verweer van de zijde van [verweerster] in hoger beroep, erop neerkomend dat in de tekst van de overeenkomst (c.q. het voorblad van het lichtplan) een onjuistheid was geslopen, te aanvaarden”. Volgens de toelichting heeft niemand bepleit dat de overeenkomst slechts taalkundig zou moeten worden uitgelegd.

De toelichting onder (v) en (vi) houdt in dat het hof bij de uitleg van hetgeen tussen partijen overeengekomen is, de volgende door de opdrachtgeefster aangevoerde omstandigheden had moeten betrekken:

a. de opdrachtgeefster heeft aangedrongen op maximale lichtsterkte;

b. een eerdere tekst van het lichtplan bevatte een lichtwaarde van 500 lux en een gemiddeld lichtniveau van 454 lux;

c. de stelling van [verweerster] dat de opdrachtgeefster haar aanvankelijke eisen had bijgesteld en een lichtniveau van 300 lux ook aanvaardbaar achtte, werd door de opdrachtgeefster betwist;

d. [verweerster] heeft erkend dat de opdrachtgeefster een ‘ongebruikelijke’ hoeveelheid licht wilde waarbij in de bedrijfshal boven de machines een lichtsterkte van 500 lux wordt behaald; pas in hoger beroep heeft [verweerster] gesteld dat waar in het lichtplan van 16 juli 2016 500 lux werd genoemd als de te realiseren lichtwaarde, sprake is van een evidente verschrijving;

e. anders dan [verweerster], was de opdrachtgeefster niet deskundig op dit gebied;

f. [verweerster] is degene die het lichtplan heeft opgesteld.

De toelichting onder (vii) vermeldt dat de rechtbank overwoog dat uit de stellingen van [verweerster] niet volgt dat de opdrachtgeefster redelijkerwijs niet mocht verwachten dat het gemiddelde lichtniveau boven het machinepark 500 lux zou bedragen. Daarmee bracht de rechtbank volgens de toelichting tot uitdrukking “méér te toetsen dan enkel de tekst van de overeenkomst”. Uit de overwegingen van de rechtbank kan volgens de toelichting onder (viii) worden afgeleid dat, bij de beantwoording van de vraag of partijen wel of niet een lichtsterkte van 500 lux hebben afgesproken, méér omstandigheden in de beoordeling moeten worden betrokken dan alleen de tekst van het voorblad van het lichtplan. Het hof heeft zijn oordeel gebaseerd op een bewijsopdracht, die tot stand is gekomen op grond van de betwisting door [verweerster] van de juistheid van (een vermelding op het voorblad van) haar eigen lichtplan.

De toelichting onder (ix) mondt uit in de klacht dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op het door de opdrachtgeefster in hoger beroep gedane beroep op de redelijkheid en dat het hof daarmee de Haviltex-maatstaf niet naar behoren heeft toegepast.

2.4

Het voorgaande impliceert volgens de toelichting onder (x) dat het hof in het tussenarrest niet tot deze bewijslastverdeling had mogen komen, althans niet zonder een nadere motivering. Het behoeft niet zo te zijn dat de bewijslast altijd op de eisende partij rust. Dit geldt temeer indien partijen, zoals in deze zaak, twisten over de vraag of de overeenkomst (het voorblad van het lichtplan) een verschrijving bevat. Volgens de opdrachtgeefster ging het om een bevrijdend verweer en lag het daarom op de weg van [verweerster] om de juistheid van haar stelling aan te tonen.

Volgens de toelichting onder (xi) had met name het feit dat de opdrachtgeefster “niet deskundig is als het gaat om het interpreteren van een lichtplan dat opgesteld wordt door zijn wel deskundige wederpartij” een rol moeten spelen in de bewijslastverdeling. Door dat na te laten, is de bewijslastverdeling rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk.

In de toelichting onder (xii) wordt betoogd dat als het hof “een bredere en meer subjectieve toetsing binnen de Haviltex-maatstaf” zou hebben gehanteerd, op grond van de redelijkheid de bewijslast bij [verweerster] had kunnen belanden.

2.5

De klachten over de bewijslastverdeling in het tussenarrest lenen zich mijns inziens voor een gezamenlijke behandeling. Vooraf merk ik op dat het verweer van [verweerster] in conventie in hoger beroep is uitgebreid. In haar memorie van grieven (blz. 2) heeft [verweerster] het volgende aangevoerd:

“Helaas zijn de standpunten van [verweerster] in de door Van der Waal aanhangig gemaakte procedure deels incorrect en ongelukkig gepresenteerd aan de rechtbank. Hierdoor is door [verweerster] ten onrechte de indruk gewekt dat zij op grond van nadere afspraken minder heeft hoeven leveren dan op 15 juli 2016 overeengekomen. Juist is dat de prestatie van [verweerster] volledig heeft beantwoord aan de overeenkomst.

Het kernprobleem hierbij is dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat de overeenkomst van 15 juli 2016 inhield dat het gemiddeld lichtniveau in het machinepark 500 Lux zou bedragen, terwijl een gemiddeld lichtniveau van 300 Lux was overeengekomen.”

2.6

Hierdoor was de rechtsstrijd, waarin de bewijslastverdeling moest worden bepaald, in hoger beroep niet precies dezelfde als die in eerste aanleg. Dat verklaart het verschil tussen de beoordeling in eerste aanleg en die in hoger beroep. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de Haviltex-maatstaf en aan de hand van hetgeen partijen in eerste aanleg over en weer hadden aangevoerd, vastgesteld wat partijen waren overeengekomen. De rechtbank besliste dat de overeenkomst van 15 juli 2016 de inhoud had zoals door de opdrachtgeefster was gesteld – met een gemiddeld lichtniveau in de bedrijfshal boven het machinepark van 500 lux – en heeft vervolgens vastgesteld dat de door [verweerster] geleverde en geïnstalleerde verlichting niet aan de overeenkomst voldeed omdat een gemiddeld lichtniveau van 500 lux in feite niet werd behaald.

2.7

[verweerster] heeft in hoger beroep een chronologisch overzicht van de gebeurtenissen gegeven en samengevat gesteld:

- dat zij na twee besprekingen over de vervanging van de verlichting in de fabriekshal op 11 juli 2016 een lichtplan heeft opgesteld en een offerte heeft uitgebracht (MvG onder 4 – 6);

- dat op basis van dit lichtplan een gemiddeld lichtniveau van 454 lux zou worden gerealiseerd, dat op het voorblad is afgerond op 500 lux (MvG onder 6);

- dat de opdrachtgeefster direct na ontvangst van de offerte telefonisch heeft laten weten dat zij het plan te duur vond en aan [verweerster] heeft verzocht alternatieve oplossingen aan te dragen (MvG onder 7);

- dat de adviseur van [verweerster] op 12 juli 2012 een nieuw lichtplan heeft opgesteld, met drie verschillende opties voor de te plaatsen verlichting, en dat bij een bespreking van dit plan op 13 juli 2016 de opdrachtgeefster heeft gekozen voor optie 3 (MvG onder 8 – 9);

- dat partijen daarop zijn overeengekomen dat in de fabriekshal in plaats van 39 slechts 29 Led-armaturen zouden worden opgehangen; verspreid over de fabriekshal zouden dus 10 lampen wegvallen. Tijdens de bespreking heeft [verweerster] de opdrachtgeefster erop gewezen dat hierdoor de gemiddelde lichtsterkte in het machinepark circa 300 lux zou gaan bedragen, “zoals ook al was vermeld op p. 18 van het plan van 12 juli 2016”. De bestuurder van de opdrachtgeefster heeft toen mondeling hiermee ingestemd (MvG onder 9);

- dat [verweerster] naar aanleiding hiervan een derde versie van het lichtplan heeft opgesteld, die was gedateerd 13 juli 2016.5

2.8

[verweerster] heeft vervolgens aangevoerd (MvG, nr. 10):

“Het kernprobleem van deze zaak (…) is ontstaan doordat [A] per abuis de tekst van het voor[blad] van het lichtplan van 13 juli 2016 niet heeft aangepast [t]en opzichte van het lichtplan van 11 juli 2016, zodat op het voorblad per abuis is blijven staan “gemiddeld lichtniveau:… - Machinepark 500 lux”, terwijl uit de rest van het lichtplan blijkt dat het gemiddeld lichtniveau daar 300 Lux zou gaan […]worden. (…)”

Ter staving van dit verweer heeft [verweerster] schriftelijke verklaringen van de betrokken gesprekspartners bijgevoegd.

2.9

Het hof heeft dit in hoger beroep gevoerde verweer van [verweerster] niet opgevat – en naar mijn mening ook niet behoeven op te vatten – als een bevrijdend verweer (een zgn. ‘ja maar …’-verweer). Het hof zag dit als een voldoende met redenen omklede betwisting door [verweerster] van de door de opdrachtgeefster gestelde inhoud van de overeenkomst. Vervolgens heeft het hof overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast ten aanzien van de door de opdrachtgeefster gestelde overeenkomst bij de opdrachtgeefster gelegd. Deze bewijslastverdeling geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

2.10

Noch in het algemeen, noch op grond van de in het cassatiemiddel genoemde stellingen was het hof gehouden om voorshands bewezen te achten dat partijen waren overeengekomen dat [verweerster] zou zorgen voor verlichting in de bedrijfshal boven het machinepark met een lichtsterkte van gemiddeld 500 lux. Voor zover de klachten ertoe strekken te betogen dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere bewijslast voortvloeit, als bedoeld in art. 150 Rv, faalt dat betoog.

2.11

De klacht dat het hof in het tussenarrest niet (kenbaar) de Haviltex-maatstaf heeft toegepast, faalt omdat het hof in die fase nog geen oordeel behoefde te geven over de vraag hoe de – toen nog vast te stellen − overeenkomst moet worden uitgelegd. Dat het hof dit niet heeft miskend volgt ook uit de laatste volzin van rov. 3.9: “Omdat het verdere verloop van de procedure en het lot van de vorderingen in conventie en in reconventie afhankelijk zijn van het resultaat van de bewijslevering, zal het hof eerst na deze bewijslevering op de overige kwesties ingaan”.

2.12

Gelet op het tussenarrest, was het aan de opdrachtgeefster om de door haar gestelde inhoud van de overeenkomst te bewijzen. In het eindarrest heeft het hof geoordeeld dat zij niet in deze bewijsopdracht is geslaagd. Het hof heeft in zijn oordeel de afgelegde getuigenverklaringen betrokken. Het hof heeft daarbij overwogen dat [betrokkene 1] (de bestuurder van de opdrachtgeefster) beschouwd moet worden als een partijgetuige in de zin van art. 164 lid 2 Rv, zodat diens verklaring omtrent de te bewijzen feiten geen bewijs in het voordeel van de opdrachtgeefster kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Tegen dit oordeel − en overigens tegen de waardering van de getuigenverklaringen als zodanig − richt het middel geen klacht.

2.13

Wat betreft de vaststelling van de inhoud van de overeenkomst is in cassatie geklaagd dat het hof daarbij niet kenbaar de Haviltex-maatstaf heeft betrokken, althans dat de beslissing in het licht van de in het cassatiemiddel genoemde omstandigheden, onvoldoende is gemotiveerd.

2.14

Anders dan in het cassatiemiddel wordt verondersteld, heeft het hof bij de uitleg van het overeengekomene zich niet – in strijd met de Haviltex-maatstaf – beperkt tot louter de tekst van de overeenkomst, zoals deze werd belichaamd in het lichtplan. Dat het hof niettemin uitdrukkelijk is ingegaan op de tekst van het voorblad van het lichtplan d.d. 13 juli 2016 verbaast niet. De tekst op het voorblad (over 500 lux) vormde immers een argument dat ten gunste van het standpunt van de opdrachtgeefster strekte, tezamen met de stelling van de opdrachtgeefster dat zij niet, maar [verweerster] wel deskundig was op dit gebied. Dienaangaande heeft het hof overwogen dat [verweerster] een afdoende verklaring heeft gegeven voor het feit dat op het voorblad van het herziene lichtplan d.d. 13 juli 2016 de vermelding van 500 lux uit het eerder opgemaakte lichtplan is blijven staan. Mede gezien de verdere inhoud van het herziene lichtplan d.d. 13 juli 2016 heeft het hof de vermelding van 500 lux op het voorblad niet zodanig sterk bewijs bevonden dat deze vermelding kan dienen als onvolledig bewijs dat kan worden aangevuld met de getuigenverklaring van de bestuurder van de opdrachtgeefster, die had verklaard dat het voorblad voor hem duidelijk was.

2.15

De opdrachtgeefster heeft – in het kader van de vraag of de door [verweerster] geleverde prestatie aan de overeenkomst beantwoordde − in eerste aanleg en ook in hoger beroep een beroep gedaan op hetgeen zij ‘redelijkerwijs’ van [verweerster] mocht verwachten. Dat vergde een uitleg van hetgeen tussen partijen is overeengekomen. In het eindarrest ligt het oordeel besloten dat, wanneer niet kan worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van de opdrachtgeefster dat een gemiddelde lichtsterkte van 500 lux boven het machinepark is overeengekomen (maar wel een lichtsterkte zoals door [verweerster] was gesteld), de geleverde en geïnstalleerde Led-verlichting beantwoordde aan de overeenkomst. Voor zover de klachten mede betrekking hebben op de toewijzing van de vordering in reconventie, lees ik in het cassatiemiddel niet dat de opdrachtgeefster zou hebben betwist, opdracht te hebben gegeven tot het terugbrengen van de oorspronkelijke verlichting en levering van extra lampen, zoals gefactureerd op 5 augustus 2016. De hiermee verband houdende arbeidsuren en kosten kunnen niet worden toegeschreven aan de door de opdrachtgeefster aan [verweerster] verweten wanprestatie, indien de gestelde tekortkoming niet is komen vast te staan.

2.16

De klachten onder A en B leiden om deze redenen niet tot cassatie. Toepassing van art. 81 lid 1 RO wordt in overweging gegeven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 Het hof heeft deze feiten ontleend aan rov. 3.2 e.v. van het vonnis in eerste aanleg van 12 juli 2017. Zoals het hof zelf al constateert, was grief 1 gericht tegen de vaststelling in dat vonnis onder 3.2.8. Het hof heeft deze grief behandeld in rov. 3.6 – 3.7 en de juistheid van die vaststelling in het midden gelaten.

2 Zie rov. 3.1 onder punt 9 van het tussenarrest en de hierna weer te geven vordering in reconventie.

3 Lux is een eenheid van verlichtingssterkte. Voor meer informatie: zie wikipedia.nl onder dat trefwoord.

4 HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 m.nt. C.J.H. Brunner: “De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.”

5 Zie prod. 4 bij memorie van grieven. Op het voorblad staat onder ‘Uitgangspunten’: “Gemiddeld lichtniveau: - Doorlopen 200 lux - Machinepark 500 lux”. In de bijbehorende plattegrond op blz. 3 van dat lichtplan is een overzicht gegeven van het gemiddeld aantal lux in de fabriekshal. (Het machinepark bevindt zich in het kwadrant linksboven van deze plattegrond). Uit de figuur kan worden afgeleid dat het gemiddeld lichtniveau bijna overal boven het machinepark 320 lux bedraagt. Op blz. 4 is sprake van 29 Led-armaturen. Op blz. 8 van dit lichtplan (‘resultatenoverzicht’) is vermeld dat boven het machinepark de gemiddelde lichtsterkte 313 lux bedraagt en de maximale lichtsterkte 428 lux.