Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:222

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-03-2021
Datum publicatie
09-03-2021
Zaaknummer
20/00573
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Poging doodslag, poging moord en verboden wapenbezit, art. 287 Sr, art. 289 Sr, art 26 WWM. Eergerelateerd geweld. Het cassatieberoep van de verdachte richt zich tegen de afwijzing van getuigenverzoeken i.h.k.v. de vraag of sprake is van eerwraak, de bewezenverklaring van voorbedachte raad, de (kwestie van eerwraak in de) strafmotivering en de vorderingen van de benadeelde partijen. Middel b.p. feit 2 komt op tegen hoogte toegewezen proceskosten. Naar het oordeel van de AG falen de voorgestelde klachten van de verdachte en de benadeelde partij, met uitzondering van de klacht over toegewezen vordering materiele schadevergoeding m.b.t. b.p. feit 2. AG geeft de HR in overweging de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00573

Zitting 9 maart 2021

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 14 februari 2020 de verdachte wegens kort gezegd 1) poging tot doodslag, 2) poging tot moord en 3) verboden wapenbezit1, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren. Daarnaast heeft het hof beslist omtrent het beslag en de vorderingen van de benadeelde partijen deels toegewezen, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.

1.2.

Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat het in deze zaak om het volgende gaat. Tussen enerzijds de verdachte, [geboortedatum] en diens familie en anderzijds de zus van de verdachte, [benadeelde 1] en haar vriend, [benadeelde 2] (ook wel ‘ [benadeelde 2] ’ genoemd) bestaat al langere tijd een ernstig conflict. Op 23 april 2016 is er een schietincident geweest waarbij de verdachte en zijn familie en de vriend van de zus van verdachte waren betrokken. Vervolgens heeft op 7 februari 2017 een confrontatie plaatsgevonden tussen de verdachte, zijn zus en haar vriend, vlakbij de rechtbank Lelystad , waar de zus was opgeroepen om door de rechter te worden gehoord. Over deze confrontatie gaat de strafzaak die thans in cassatie voorligt. De familie was tevoren op de hoogte gekomen van de uitnodiging voor dit verhoor omdat de brief van de rechtbank aan het adres van de familie was gericht. De verdachte is, kort nadat zijn zus en haar vriend de rechtbank uitliepen, achter hen aangelopen en heeft daarbij geschoten. Tussen de verdachte en zijn zus heeft vervolgens een worsteling plaatsgevonden in en naast de nabijgelegen gracht. Daarbij is de zus bewusteloos in het water achtergebleven. Vrijwel alles wat zich daar heeft afgespeeld is met bewakingscamera’s opgenomen. De ter plaatse gekomen politie heeft de verdachte ter plekke aangehouden. De zus van de verdachte heeft het incident ternauwernood overleefd. Tot slot is van belang dat gelet op de achtergrond van deze zaak tijdens het strafproces de vraag is gerezen of sprake is van eerwraak.

1.3.

Het cassatieberoep is (beperkt2) ingesteld namens de verdachte en mr. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel gaat over de afwijzing door het hof van de verzoeken tot het horen van getuigen. Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaarde voorbedachte raad met betrekking tot de poging tot moord op de zus van de verdachte (feit 2). Het derde middel richt zich tegen de strafmotivering van het hof. Tot slot richten het vierde en vijfde middel zich tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen (de zus van verdachte en haar vriend, de slachtoffers van feit 1 en feit 2).

1.4.

Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] (de zus van verdachte) is door mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van de Akker, allen advocaten te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld met betrekking tot de beslissing van het hof op haar vordering als benadeelde partij.

1.5.

Ik zal hierna eerst de middelen van de verdachte bespreken en vervolgens het middel van de benadeelde partij [benadeelde 1] .

De middelen van de verdachte

2 Het eerste middel

2.1.

Het eerste middel komt op tegen de afwijzing door het hof van de verzoeken tot het horen van een tweetal getuigen en een deskundige bij tussenarrest van 25 januari 2019. Voordat ik op het middel inga zal ik eerst de procedurele gang van zaken met betrekking tot deze getuigenverzoeken weergeven.

2.2.

Procesgang

2.2.1.

Bij appelschriftuur van 23 juli 2018 en op de regiezitting van 11 januari 2019 is door de verdediging onder andere verzocht de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] te horen, alsmede de deskundige prof. dr. M.M. van Bruinessen. In de appelschriftuur van 23 juli 2018 wordt dit als volgt toegelicht:


“- [getuige 1] (…)

“- Motivering: deze getuige heeft zich tegenover de politie beroepen op diens verschoningsrecht, onder meer ten aanzien van zijn ‘cultuur’ of iets over mijn familie’ (pag. 665 e.v.). Deze getuige dient onder meer te verklaren over diens familie en cultuur, onder meer over de in het dossier c.q. justitieonderzoek opgeworpen vraag of sprake was van eerwraak.
- [getuige 2] (…)
Motivering: deze getuige dient onder meer te verklaren over diens familie en cultuur, onder meer over de in het dossier c.q. justitieonderzoek opgeworpen vraag of sprake was van eerwraak. Voorts dient deze getuige onder meer te verklaren of hij na de aanhouding van appellant appellants auto heeft afgehaald, en zo ja, van waar.
(…)
- Prof dr. Maarten Martinus VAN BRUINESSEN (…)
Motivering: deze deskundige heeft algemene uitspraken gedaan over de Yezidigemeenschap in Nederland en dient op grond van het dossier en/of de (nadere) verklaringen van appellant dan wel nader onderzoek naar appellant specifiek te verklaren over deze zaak.”

2.2.2.

De pleitnota die is voorgedragen op de regiezitting van 11 januari 2019 houdt als toelichting op deze verzoeken het volgende in:


“2. De verdediging verzoekt uw hof de zaak te verwijzen naar de raadsheer-commissaris of rechter-commissaris en te bepalen dat in ieder geval het onderzoek wordt verricht zoals vermeld in de appelschriftuur. Ik licht de daarin verwoorden verzoeken als volgt toe.

(…)
Over de in het dossier gesuggereerde achtergronden

34. [getuige 1] , (…). Deze getuige heeft zich tegenover de politie beroepen op diens verschoningsrecht, onder meer ten aanzien van zijn ‘cultuur’ of iets over mijn familie’ (pag. 665 e.v.). Deze getuige dient onder meer te verklaren over diens familie en cultuur, onder meer over de in het dossier c.q. justitieonderzoek opgeworpen vraag of sprake was van eerwraak. Om dezelfde reden verzoek de verdediging uw hof te horen of te laten horen [getuige 2] , (…). Deze getuige dient onder meer te verklaren over diens familie en cultuur, onder meer over de in het dossier c.q. justitieonderzoek opgeworpen vraag of sprake was van eerwraak.


35. Vervolgens verzoekt de verdediging uw hof om prof. dr. Maarten Martinus VAN BRUINESSEN, (…), om onder meer op de uitspraken van cliënts familieleden voornoemd te rapporten. Deze deskundige heeft blijkens het dossier slechts algemene uitspraken gedaan over de Yezidigemeenschap in Nederland. Hij dient op grond van het dossier en de (nadere) verklaringen van getuigen en/of van cliënt c.q. overige nader onderzoek specifiek te verklaren over deze zaak.”

2.2.3.

Het proces-verbaal van de regiezitting van 11 januari 2019 vermeldt verder het volgende:

“De advocaat-generaal verklaart:

(…)

M.b.t. punt 35: in het dossier bevindt zich bij de Terweestukken een verklaring van Prof. dr. M.M. van Bruinessen. Gelet op het verzoek van de verdediging acht ik het wenselijk om deze verklaring ook als processtuk in de strafzaak te voegen.

De raadsman verklaart desgevraagd daar geen bezwaar tegen te hebben.

De voorzitter deelt mede dat de betreffende verklaring van Bruinessen als processtuk aan het dossier wordt toegevoegd.”

2.2.4.

Het gaat hier kennelijk om het deskundigenrapport van 15 februari 2017 van prof. dr. M.M. van Bruinessen, alsmede een proces-verbaal van verhoor inhoudende een verklaring van prof. Van Bruinessen afgelegd bij de rechter-commissaris op 14 november 2017, die zich bij de processtukken in onderhavige zaak bevinden. Dit deskundigenrapport en de verklaring van prof. Van Bruinessen zijn uitgebracht respectievelijk afgelegd in de strafzaak tegen [benadeelde 2] naar aanleiding van het schietincident van 23 april 2016 en deze stukken zijn door [benadeelde 2] als benadeelde partij in onderhavige zaak na de indiening van het voegingsformulier, dat is gedateerd op 18 januari 2018, als nagezonden bijlagen gevoegd bij de stukken die hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn vordering in onderhavige zaak.

2.2.5.

Het hof heeft de onder 2.3. genoemde verzoeken bij tussenarrest van 25 januari 2019 afgewezen en daartoe het volgende overwogen:


“Op 9 juli 2018 is door verdachte appel tegen het hiervoor genoemde vonnis ingesteld. De onderzoekswensen zijn bij appelschriftuur van 23 juli 2018 - derhalve binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep - ingediend. Dit brengt mee dat het hof de verzoeken tot het horen van getuigen aan de hand van het verdedigingscriterium heeft beoordeeld. Voor zover de verzoeken zien op het benoemen van deskundigen en/of het uitvoeren van nader onderzoek zijn de verzoeken beoordeeld aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. In alle gevallen waarin hierna een aan het verdedigingsbelang getoetst verzoek wordt afgewezen is het hof van oordeel dat verdachte met de afwijzing redelijkerwijs niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad.

Bij de bespreking van de onderzoekswensen wordt de volgorde en nummering uit de pleitnota van de raadsman van 11 januari 2019 aangehouden.

(…)

[getuige 1] en [getuige 2] (punt 34)

Deze getuigen dienen volgens de raadsman te worden gehoord omtrent hun familie en cultuur. Het hof acht onvoldoende onderbouwd waarom het horen van deze getuigen van belang is door enige door het hof in het kader van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing, en wijst het verzoek daarom af.

Prof. dr. M.M. van Bruinessen (punt 35)

Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen noodzaak tot het horen van voornoemde deskundige en wijst het verzoek daarom af.”

2.2.6.

De zaak is inhoudelijk ter terechtzitting behandeld op 21 januari en 22 januari 2020. Tijdens deze zitting zijn de verzoeken om [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te horen niet herhaald. Wel is een voorwaardelijk verzoek gedaan prof. dr. M.M. van Bruinessen te horen in verband met de door de verdediging bestreden opzet van de verdachte op de dood van de vriend van de zus, zoals tenlastegelegd onder feit 1. De pleitnota bevat hierover de volgende passages (met weglating van voetnoten):

“48. Weliswaar heeft ook voorafgaand geweld plaatsgevonden tussen [benadeelde 2] enerzijds en familieleden van cliënt anderzijds, over en weer, maar daaruit kan opzet op de dood van [benadeelde 2] onvoldoende worden afgeleid. Deskundige Van Bruinessen stelt in zijn rapport van 15 februari 2017:

‘Het primaire doelwit van geweld om de eer te herstellen is de dochter/zus, [benadeelde 1] . Het uit de weg nemen van de man aan wie het eerverlies te wijten is, [benadeelde 2] , is niet strikt noodzakelijk voor herstel van de eer. Maar omdat er al wederzijdse geweldpleging is geweest, en één van de zoons uit de familie, DILER, vanuit het huis van [benadeelde 2] is beschoten en verwond, moet er rekening mee worden gehouden dat de familie wraak zal willen nemen.’

49. De verdediging betwist dat de laatste volzin een deskundige opvatting van Van Bruinessen betreft. Van Bruinessen is antropoloog. Niet is onderbouwd op grond van welke deskundigheid deze stelling is betrokken, te meer nu de opinie van Van Bruinessen in de kern inhoudt dat het eergerelateerd geweld in een geval als dit toeziet op het doden van de vrouw, niet de man aan wie het eerverlies te wijten is. Ook motiveert Van Bruinessen zijn stelling niet vanuit zijn deskundigheid. Dit onderdeel van zijn rapport is daarom volgens de verdediging een gissing, waaraan geen betekenis kan worden toegekend.

50. Indien uw hof mij hierin niet volgt, verzoek ik u prof. dr. M.M. van Bruinessen als deskundige te horen. Hij dient onder meer te verklaren of de laatste volzin uit het zojuist genoemde citaat een opvatting is op grond van zijn deskundigheid, en zo ja, op welke gronden hij die opvatting baseert.”

2.2.7.

In zijn eindarrest heeft het hof naar aanleiding van het ter terechtzitting van 22 januari 2020 gedane voorwaardelijke verzoek tot het horen van prof. Van Bruinessen het volgende overwogen:

“Voorwaardelijke verzoeken

Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman het hof verzocht om nader onderzoek te doen verrichten.

• Horen deskundige prof. dr. M.M. van Bruinessen

De verdediging heeft in hoger beroep de stelling van Van Bruinessen inhoudende dat ‘er rekening mee [moet] worden gehouden dat de familie wraak zal willen nemen’ op [benadeelde 2] betwist. Indien het hof wél betekenis zou toekennen aan deze stelling dan verzoekt de verdediging om het horen van Van Bruinessen als getuige. Deze getuige dient onder meer te verklaren of het citaat een opvatting is op grond van zijn deskundigheid, en zo ja, op welke gronden hij die opvatting baseert.

Het hof overweegt dat verdachte onder 1 zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde poging tot moord op [benadeelde 2] . Bij de bewezenverklaring van de poging tot doodslag heeft het hof genoemde stelling van Bruinessen niet betrokken. Het hof volstaat daarom met de vaststelling dat de voorwaarde niet is ingetreden.”

2.3.

Bespreking van het eerste middel

2.3.1.

Ik wil als eerste opmerken dat in het middel wordt opgekomen tegen de afwijzing door het hof van de getuigenverzoeken bij tussenarrest van 25 januari 2019 en niet tegen de afwijzing door het hof van het op de terechtzitting van 22 januari 2020 voorwaardelijk gedane verzoek om Van Bruinessen te horen.
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof de afwijzing van de verzoeken bij tussenarrest van 25 januari 2019 onjuist, onbegrijpelijk en ontoereikend heeft gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat de verdediging aan haar verzoeken ten grondslag heeft gelegd dat duidelijkheid moet worden verkregen over de vraag of sprake is van eerwraak. Die vraag is volgens de steller van het middel van evident belang voor de straftoemeting, hetgeen blijkt uit de strafmotivering van het hof waarin het hof de aanwijzingen dat sprake is van eergerelateerd geweld uitdrukkelijk noemt en in strafverzwarende zin meeweegt dat de slachtoffers nu en in de toekomst in angst en in onveiligheid verkeren vanwege de niet aflatende dreiging. In het licht hiervan en in aanmerking genomen hetgeen door de verdediging aan de verzoeken ten grondslag is gelegd, is de kale overweging van het hof dat 'onvoldoende onderbouwd' is waarom het horen van de getuigen van belang is voor enige door het hof te nemen beslissing onbegrijpelijk. Dat geldt ook voor “de blote stelling” van het hof dat “geen noodzaak tot het horen van voornoemde deskundige” bestaat.

2.3.2.

Naar mijn mening kan het middel niet slagen nu de wens om de getuigen en de deskundige Van Bruinessen te horen door de verdediging bij de inhoudelijke behandeling van de zaak op 21 en 22 januari 2020 niet meer naar voren is gebracht en het belang van de verdachte bij de klacht in cassatie niet evident is.3 Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat indien het verzoek tot het horen van een getuige ten tijde van een regiezitting wordt afgewezen, de procespartij die het nog wenselijk acht dat de getuige alsnog wordt gehoord, die wens voorafgaand aan of tijdens de inhoudelijke behandeling kenbaar moet maken door een daartoe strekkend gemotiveerd verzoek.4 Is dat niet gebeurd dan is het de vraag wat het rechtens te respecteren belang bij cassatie nog is. Niet valt in te zien dat dit niet ook zou gelden bij een afwijzing bij tussenarrest van de op de regiezitting gedane getuigenverzoeken.

2.3.3.

Uit het proces-verbaal van de zitting van 22 januari 2020 blijkt weliswaar dat er een voorwaardelijk verzoek is gedaan om Van Bruinessen als deskundige te horen naar aanleiding van een uitlating in zijn rapport van 15 februari 2017 waarin hij schrijft dat er rekening mee moet worden gehouden dat de familie wraak zal willen nemen. Dit verzoek is echter gedaan in het kader van het verweer dat er bij de verdachte geen sprake is geweest van opzet op de dood van de vriend van zijn zus. Bovendien is tegen de gemotiveerde afwijzing van dat verzoek bij eindarrest is geen middel of klacht geformuleerd.

2.3.4.

De verdediging heeft niet alleen nagelaten tijdens de inhoudelijke behandeling de wens te kennen gegeven dat de betrokken getuigen en de deskundige alsnog dienden te worden gehoord met betrekking tot de vraag of er sprake was van eerwraak, maar daarnaast ook niet duidelijk gemaakt waarom de afwijzing in het tussenarrest onvoldoende zou zijn gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking:

(i) dat tijdens de regiezitting van 11 januari 2019 naar aanleiding van het verzoek van de verdediging om Van Bruinessen te horen, op verzoek van de advocaat-generaal, diens deskundigenrapport en verklaring bij de rechter-commissaris met instemming van de verdediging aan de processtukken in onderhavige zaak zijn toegevoegd, zodat het belang bij het alsnog horen van Van Bruinessen niet meer evident was en de verdediging ook nadien niet heeft aangegeven op welk punt zij Van Bruinessen nog nadere vragen had willen stellen;

(ii) dat bovendien – in weerwil van hetgeen de verdediging aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd – Van Bruinessen de vraag of er in onderhavige zaak sprake was van eergerelateerd geweld in zijn verklaring tegenover de rechter-commissaris alsmede in zijn deskundigenrapport positief heeft beantwoord (mede) aan de hand van de feiten en omstandigheden in onderhavige zaak;

(iii) dat door de verdediging in haar pleitnota, die is voorgedragen en overgelegd ter terechtzitting van 22 januari 2020, uitvoerig is geciteerd uit en verwezen naar het deskundigenrapport en de verklaring van Van Bruinessen.5 Weliswaar is door de verdediging twijfel gezaaid dat er, anders dan door Van Bruinessen is gesteld, sprake zou zijn van eerwraak, maar daaraan heeft zij niet de (voorwaardelijke) consequentie verbonden dat zij (afgezien van het hiervoor onder 2.11. genoemde verzoek) Van Bruinessen of de twee andere getuigen daarover nog nader zou willen horen.

2.4.

Het eerste middel faalt.

3 Het tweede middel

3.1.

Het tweede middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat geen sprake is van voorbedachte raad met betrekking tot feit 2, althans dat de bewezenverklaring van de voorbedachte raad niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

3.2.

Aan de verdachte is onder feit 2 bewezenverklaard dat:


“hij op 7 februari 2017 te Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- met een geladen pistool in de hand achter die [benadeelde 1] aan is gerend en

- dat pistool heeft gericht op die [benadeelde 1] (die zich in het water bevond) en

- die [benadeelde 1] (die inmiddels uit het water was gekomen) (met kracht) heeft vastgepakt en terug in het water heeft gegooid en

- die [benadeelde 1] dreigend de woorden toegevoegd in het Irakees "En jij bent al dood" en

- die [benadeelde 1] (met kracht) heeft vastgepakt bij de hals/nek en elders bij het lichaam en die [benadeelde 1] vervolgens meerdere malen haar beneden onder water heeft getrokken en geduwd en

- vervolgens die [benadeelde 1] minutenlang met haar gehele lichaam onder water geduwd heeft gehouden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;”

3.3.

Door de verdediging is in hoger beroep betoogd dat de verdachte het onder (1 en) 2 tenlastegelegde niet met voorbedachte raad heeft begaan. Het hof heeft deze verweren als volgt samengevat en verworpen in zijn arrest (met weglating van voetnoten):


1.2. Standpunt verdediging

Door en namens verdachte is aangevoerd dat verdachte ontkent dat hij van tevoren het plan had opgevat om [benadeelde 2] en [benadeelde 1] van het leven te beroven. Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij hen geheel onverwachts zag lopen. Het werd helemaal zwart voor zijn ogen. Hij heeft een waarschuwingsschot gelost. Vervolgens zag hij dat [benadeelde 1] in het water was beland en wilde hij haar helpen. In het water hebben zij elkaar vastgepakt en onder water geduwd. Verdachte heeft [benadeelde 1] ook onder water gehouden. Verdachte heeft [benadeelde 1] naar zijn zeggen met haar hoofd boven water vanaf het muurtje meegesleurd naar het trapje. Op enig moment zag hij [benadeelde 1] niet meer en dacht hij dat hij haar had doodgemaakt.


De raadsman heeft ter zitting in hoger beroep ten aanzien van feit 1 algehele vrijspraak bepleit en ten aanzien van feit 2 partiële vrijspraak. Hiertoe zijn de volgende verweren gevoerd.
(…)

Ten aanzien van feit 2 in het bijzonder:
(…)
- De ten laste gelegde voorbedachte raad kan niet worden bewezen. Tot het tijdstip 14:35:08 heeft cliënt [benadeelde 1] vast en met haar hoofd boven water gehouden, teruglopend naar het trapje. Daaruit blijkt dat cliënts intentie gericht was op het uit het water halen van [benadeelde 1] . In ieder geval is tot dan toe cliënts intentie niet gericht op het verdrinken van [benadeelde 1] . Na dit tijdstip kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een moment van kalm beraad op een door hem genomen besluit om [benadeelde 1] te verdrinken. De gelegenheid tot beraad is hoogstens eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaan.
(…)

3.2

Voorbedachte raad

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.


Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.


De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra- indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.
Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.


Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat het bestanddeel 'voorbedachten rade' heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

3.2.1

Vrijspraak voorbedachte raad ten opzichte van [benadeelde 2] (feit 1)
In tegenstelling tot de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte ten aanzien van [benadeelde 2] met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Het hof kan niet vaststellen dat verdachte wist of verwachtte dat [benadeelde 2] aanwezig zou zijn bij het verhoor van [benadeelde 1] in de rechtbank, waardoor niet kan worden bewezen dat verdachte tevoren daadwerkelijk het plan had opgevat om [benadeelde 2] van het leven te beroven. Dat er sprake is geweest van een eerder geweldsincident op 23 april 2016, waarbij eveneens is geschoten, en een doodsbedreiging op 27 juli 2016, maakt dit oordeel niet anders. Dat deze incidenten verband hielden met verdachtes daad op 7 februari 2017 kan op grond van de inhoud van het dossier niet worden vastgesteld.

De vraag waarvoor het hof zich vervolgens gesteld ziet, is, of de verdachte voorafgaand aan het gewelddadig handelen of tussen de elkaar opvolgende geweldshandelingen voldoende tijd voor beraad en gelegenheid voor bezinning heeft gehad.

Het hof oordeelt dat vanaf het moment van in beeld komen van [benadeelde 2] voor verdachte en snel daarna het verlaten van de stationshal tot het lossen van het (te weten: één) schot de besluitvorming en de uitvoering tot stand zijn gekomen in een zodanig korte tijdspanne, dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Het hof zal daarom verdachte vrijspreken van de onder 1 ten laste gelegde poging tot moord op [benadeelde 2] .

3.2.2

Bewezenverklaring voorbedachte raad ten opzichte van [benadeelde 1] (feit 2)
Het hof is wel van oordeel dat verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad heeft geprobeerd om [benadeelde 1] van het leven te beroven.


Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' acht het hof in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend. De aangehaalde tekst is afkomstig uit het vonnis van de rechtbank. Het hof kan zich grotendeels verenigen met deze overwegingen en sluit zich voor zover zij hieronder worden weergegeven bij aan.
‘Geweldsincident op 23 april 2016

De familie [...] heeft zich op 23 april 2016 verzameld en is met drie auto’s naar het huis van [benadeelde 2] gereden. Daar aangekomen zijn er stenen en stokken uit de kofferbakken van de auto’s gepakt. [benadeelde 2] zag vanuit het keukenraam dat [verdachte] richting de deur liep, dat hij naar zijn broeksband greep en een wapen op hem richtte. [benadeelde 2] heeft hierop met een vuurwapen op de benen van [verdachte] gericht. [verdachte] bleef naar voren lopen. Toen [benadeelde 2] een knal hoorde heeft hij twee keer geschoten. Hierbij is [verdachte] geraakt. De rechtbank Midden-Nederland heeft [benadeelde 2] bij vonnis van 14 december 2017 ter zake hiervan ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake was van noodweer. [benadeelde 1] had op 7 februari 2017 een verhoor van een zaak van april en over een zaak van haar familie. Nadat de politie haar vraagt wat er met haar familie is antwoordt zij als volgt: “Over de eerwraak en dat zij mij willen hebben en willen dood maken. Daarvoor ben ik gevlucht. Zij willen de eer behouden en daarom moet ik dood. Ik ben weggegaan zonder een Irakese man en dat is niet goed volgens hun”.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat er in ieder geval vanaf 23 april 2016 animositeit bestond tussen de familie van verdachte enerzijds en [benadeelde 1] en [benadeelde 2] anderzijds. Op genoemde datum heeft de familie van verdachte de confrontatie met [benadeelde 2] gezocht. [benadeelde 1] is gevlucht voor haar familie.
Bedreigingen via bankafschriften

Van 20 tot 27 juli 2016 vinden diverse overboekingen plaats op de ING-rekening [0001] van [benadeelde 1] vanaf de rekening van [betrokkene 2] met IBAN [0002] :

[...]

Uit deze overschrijvingen blijkt dat de familie [...] contact heeft gezocht met [benadeelde 1] en haar en haar vriend met de dood bedreigen.

Oproep van [benadeelde 1] om als getuige te verschijnen

Op 19 januari 2017 is vanuit de rechtbank Midden-Nederland een brief verstuurd aan [benadeelde 1] naar het adres [a-straat 1] te [plaats] . In de brief wordt zij opgeroepen om als getuige te verschijnen in het gerechtsgebouw Stationsplein 15 te Lelystad op 7 februari 2017 te 13.30 uur. Uit onderzoek is gebleken dat op het adres [a-straat 1] te [plaats] meerdere familieleden van [benadeelde 1] hebben gewoond. Volgens de gemeenschappelijke basisadministratie zijn er op 7 maart 2017 andere bewoners op het adres ingeschreven. [benadeelde 1] heeft op 7 februari 2017 verklaard dat door de rechtbank een brief is gestuurd dat zij op 7 februari 2017 op de rechtbank moest verschijnen. Die brief is naar het adres van haar moeder gestuurd op de [a-straat] in [plaats] .

Doordat de oproep van [benadeelde 1] om op 7 februari 2017 om 13.30 uur als getuige een verklaring af te leggen bij de rechtbank in Lelystad is verzonden naar een adres van de familie [...] , heeft de familie [...] kennis kunnen nemen dat [benadeelde 1] op genoemd tijdstip bij de rechtbank moest verschijnen.
Aanwezigheid van verdachte in de stationshal

De politie heeft de camerabeelden van 7 februari 2017 van 09.00 uur tot 12.30 uur bekeken naar de aanwezigheid van verdachte. Verdachte komt om 11.31 uur de stationshal binnenlopen.

De politie heeft ook de camerabeelden van 7 februari 2017 van 12.30 uur tot en met 15.30 uur bekeken. Vanaf het eerste moment van de beelden, 7 februari 2017 te 12.31 uur, zag verbalisant verdachte. Verdachte was van 12.30 uur tot 14.50 uur aanwezig in en om de stationshal en ging nergens anders heen. Verdachte hield constant zicht in de richting van de rechtbank.

Verbalisant ziet dat verdachte met een man spreekt. Om 12.42.00 uur schudden ze handen. Ze praten tot 12.42.40 uur. Om 12.42.52 uur loopt nn-man een dönerzaak binnen. Om 13.33.35 uur loopt nn-man de dönerzaak uit. Nn-man spreekt verdachte aan vanaf 13.33.45 uur. Ze spreken met elkaar tot 13.34.00 uur. Om 13.34.07 uur loopt nn-man richting de uitgang van de stationshal.

Om 14.50 uur rent verdachte de stationshal uit in de richting van de rechtbank.
[betrokkene 1] heeft in verband met een misdrijf waarvoor [verdachte] is aangehouden op 7 februari 2017 verklaard dat hij die dag bij het station naar de dönerzaak liep. Hij zag [verdachte] staan, ging naar hem toe en schudde zijn hand. [betrokkene 1] zei dat het koud was en nodigde hem mee naar binnen om thee te drinken. [verdachte] zei: “nee, ik ga zo weg”. [betrokkene 1] zag [verdachte] later nog een keer toen hij wegging en zei tegen hem: “Ga naar binnen je wordt ziek”.

Op 7 februari 2017 bevond verdachte zich aldus van 11.31 uur tot 14.50 uur in de stationshal van centraal station Lelystad. Hij was ruim vóór het tijdstip waartegen [benadeelde 1] was opgeroepen in de stationshal aanwezig. Zijn blik was voortdurend op de rechtbank gericht. Hij werd twee keer aangesproken door een man die later [betrokkene 1] blijkt te zijn en gaat ondanks diens uitnodiging niet de dönerzaak in.


Verklaringen van verdachte omtrent zijn aanwezigheid in de stationshal

Op 8 februari 2017 heeft verdachte verklaard dat hij bij het station was, gewoon aan het eten. Hij wachtte op iemand die zou komen en hem weg zou brengen. Volgens verdachte was hij om 14.00 uur op het station. Het was 14.10 of 14.15 uur want hij keek op zijn telefoon. Hij heeft iets gegeten bij de snackbar in het station, een Turkse winkel. Verdachte wil de naam van de persoon op wie hij wachtte niet noemen. Hij stond op zijn vriend te wachten. Hij was daar een half uurtje à 40 minuten aan het wachten. Hij stond te wachten in de hal.

Zijn verklaring dat hij 30 tot 40 minuten stond te wachten komt niet overeen met de beschrijving van de camerabeelden waaruit blijkt dat hij zich van 11.31 uur tot 14.50 uur in de stationshal begaf.

Op 25 juli 2017 heeft verdachte verklaard dat hij op het station was. Hij stond te wachten op een vriend die een telefoon aan hem zou verkopen. Hij was rond een uur of twaalf op het station. Hij stond binnen het station aan de kant van de rechtbank. Hij heeft één bekende op het station gezien van wie hij denkt dat die [betrokkene 1] heet.

De verdachte heeft ter zitting van 10 januari 2018 verklaard dat het klopt dat hij op 7 februari 2017 op het centraal station Lelystad was. Hij was op iemand aan het wachten omdat hij iets zou gaan kopen. Hij wil niet zeggen van wie hij iets zou kopen omdat hij die persoon er niet bij wil betrekken. Het klopt dat hij zicht had op de rechtbank. Iemand zou hem daar ophalen. Hij wil daar verder niets over zeggen. Hij wilde iets kopen wat niet hoorde. De persoon die hem zou ophalen was dezelfde persoon van wie hij iets zou kopen. Ze hadden daar afgesproken. Verdachte wil geen antwoord geven op de vraag waar die persoon vandaan moest komen. Verdachte heeft wat gegeten op het station. Hij heeft daar van alles gedaan. Hij was aan het wachten.
In eerste instantie heeft verdachte verklaard dat hij een telefoon ging kopen van een vriend van wie hij de naam niet wil zeggen. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij aan het wachten was om iets illegaals te kopen van een persoon van wie hij de naam niet wenst te noemen. Uit de camerabeelden blijkt niet dat verdachte van alles heeft gedaan in de stationshal, zoals door hem verklaard.

Verdachte heeft op de zitting van 12 juni 2018 verklaard dat hij op het centraal station Lelystad een verboden voorwerp zou kopen van een persoon van wie hij de naam niet wil noemen. Hij heeft met twee personen gesproken. Hij kan zich de namen van die personen niet herinneren. Verder heeft hij gezegd dat hij niet direct wist dat de twee personen die hij bij de rechtbank zag lopen zijn zusje [benadeelde 1] en haar vriend [benadeelde 2] waren.

Uit de camerabeelden en de verklaring van de getuige [getuige 3] blijkt dat verdachte vanuit de stationshal naar [benadeelde 1] en haar vriend [benadeelde 2] is toegerend met uitgestrekte arm met daarin een pistool en direct in de richting van [benadeelde 2] heeft geschoten. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte niet direct wist of het [benadeelde 1] en [benadeelde 2] waren die hij zag lopen.

In hoger beroep is door de raadsman van verdachte aangevoerd dat verdachte op het station stond te wachten op ‘ [...] ’ om drugszaken mee te doen. Ook voor dit aangevoerde scenario geldt dat elke concrete nadere onderbouwing ontbreekt.

Uit het voorgaande blijkt dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over de duur en reden van zijn aanwezigheid in de stationshal. Op diverse punten strookt de verklaring van verdachte niet met de beschrijving van de camerabeelden en getuigenverklaringen. Ook is een aantal elementen uit zijn verklaringen niet te verifiëren doordat verdachte hier verder geen informatie over geeft.


Concluderend is het hof met de rechtbank van oordeel dat verdachte geen geloofwaardige verklaring heeft gegeven over de reden waarom hij in de stationshal aanwezig was.


Deze conclusie leidt – in samenhang met de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden – tot de vaststelling dat verdachte zich op 7 februari 2017 van 11.31 uur tot 14.50 uur op station Lelystad heeft bevonden met geen ander doel dan het opwachten van zusje [benadeelde 1] , die om 13.30 uur in de rechtbank Lelystad bij de rechter-commissaris moest zijn.


Het hof concludeert op grond van deze feiten en omstandigheden dat de verdachte voorafgaand aan zijn handelen voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het genomen of het te nemen besluit om [benadeelde 1] van het leven te beroven, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. Aldus staat voor het hof vast dat het handelen van de verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Het hof kent betekenis toe aan het feit dat hij tijdens dat wachten in het bezit was van een schietklaar vuurwapen.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder ook gelet op:

- de geschetste voorgeschiedenis tussen de familie [...] enerzijds en [benadeelde 1] en haar vriend [benadeelde 2] anderzijds, te weten: het geweldsincident op 23 april 2016 en de bankoverschrijvingen waar een zekere dreiging vanuit ging.

- de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van verdachte.


Verdachte heeft vanuit de stationshal tussen 12.30 uur en 14.50 uur constant zicht gehouden op de pal tegenover het station gelegen rechtbank. Uiteindelijk is verdachte om 14.50 uur vanuit de stationshal naar [benadeelde 1] en [benadeelde 2] gerend. Verdachte heeft daarbij zijn rechterarm met daarin een vuurwapen uitgestrekt en gericht in de richting van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Toen zij vervolgens allebei een kant uitrenden heeft verdachte het vuurwapen gericht op [benadeelde 2] en een schot gelost. Vervolgens is verdachte achter [benadeelde 1] aangerend, die het water in is gesprongen. Verdachte heeft wat handelingen aan het vuurwapen verricht en het vuurwapen gericht op de plek waar [benadeelde 1] te water is geraakt. Vervolgens zijn door verdachte nog wat handelingen aan het vuurwapen verricht. [benadeelde 1] heeft zich in de richting van het trapje aan de overzijde bewogen, waarop verdachte over de brug naar de overzijde is gelopen. Op de kant bij het trapje heeft verdachte [benadeelde 1] die net op de kant was geklauterd vervolgens over de reling terug het water ingegooid. Hierop is ook verdachte zelf in het water gesprongen. Het lukt verdachte vervolgens om [benadeelde 1] die probeert via het trapje uit het water te klimmen van dat trapje te ontzetten. Vervolgens heeft er een worsteling tussen verdachte en [benadeelde 1] plaatsgevonden in het water waarbij hij haar uiteindelijk langdurig onder water heeft gehouden. Verdachte heeft [benadeelde 1] daarbij nog in het water verplaatst richting het trapje alwaar hij op haar is gaan staan en enkele seconden op en neer heeft bewogen. Uiteindelijk is verdachte op vordering van de politie het water uitgegaan. Kort voor dat moment komt het lichaam van [benadeelde 1] in de directe nabijheid van verdachte boven water drijven.

Van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Verdachte heeft urenlang in de stationshal gewacht tot hij zijn zusje zag waarna hij naar haar toe is gerend en de beschreven geweldshandelingen heeft gepleegd. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht de onder 2 ten laste gelegde poging tot moord op [benadeelde 1] bewezen.”

3.4.

Toelichting op het middel

3.4.1.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat hoewel in het arrest het juiste toetsingskader is vooropgesteld6, het hof de bewezenverklaarde voorbedachte raad en de verwerping van het gevoerde verweer niet begrijpelijk en toereikend heeft gemotiveerd.

3.4.2.

Allereerst wordt gesteld dat voor zover het hof in zijn overwegingen betrekt dat vanaf 23 april 2016 sprake is van animositeit tussen de familie van de verdachte enerzijds en [benadeelde 1] en [benadeelde 2] anderzijds, dit niet redengevend kan zijn voor de voorbedachte raad. Dat reeds toen of kort daarna een besluit zou zijn genomen om [benadeelde 1] van het leven te beroven, volgt daaruit niet. Daarbij wijst de steller van het middel op de overwegingen van het hof ten aanzien van feit 1 dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het geweldsincident op 23 april 2016 en de doodsbedreiging van 27 juli 2016 verband hielden met de daad van de verdachte op 7 februari 2017.

3.4.3.

Ten tweede geldt hetzelfde voor zover het hof de via de bankrekening van [benadeelde 1] geuite doodsbedreigingen in zijn overwegingen betrekt. Daarbij komt dat nergens uit blijkt – en het hof ook niet stelt – dat de verdachte deze doodsbedreiging zou hebben geuit of anderszins aan de verdachte is gelieerd.

3.4.4.

In de redenering van het hof omtrent de voorbedachte raad lijkt volgens de steller van het middel centraal te staan het feit dat de verdachte gedurende enkele uren in het centraal station was, waarvoor hij geen plausibele verklaring zou hebben gegeven. Op basis daarvan stelt het hof vast dat de verdachte met geen ander doel dan het opwachten van zijn zus in het station verbleef. Volgens het hof heeft de verdachte “voorafgaand aan zijn handelen voldoende tijd (…) gehad zich te beraden op het genomen of het te nemen besluit om [benadeelde 1] van het leven te beroven, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven”, waarbij het hof betekenis toekent “aan het feit dat hij tijdens dat wachten in het bezit was van een schietklaar vuurwapen.”

3.4.5.

De formulering van het hof “het genomen of het te nemen besluit om [benadeelde 1] van het leven te beroven” laat volgens de steller van het middel de mogelijkheid open dat de verdachte tijdens het wachten in de stationshal (nog) niet het besluit had genomen [benadeelde 1] van het leven te beroven. Zodanig besluit kan ook niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Correct is dat, zoals het hof overweegt, de verdachte in het bezit was van een schietklaar vuurwapen, maar daarvoor heeft hij een verklaring gegeven waarvan het hof de juistheid in het midden heeft gelaten, zodat daarvan in cassatie kan worden uitgegaan; de verdachte had dat vuurwapen sinds het incident op 23 april 2016, waarbij hij door [benadeelde 2] was neergeschoten, altijd bij zich, ter zelfverdediging.

3.4.6.

De door het hof in aanmerking genomen “uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van verdachte” maken het voorgaande niet anders. Met name is daarbij van belang dat die handelingen (i.) ook passen bij het door de verdediging geschetste scenario, waarin de verdachte handelde vanwege de boosheid die hem overviel toen hij zijn zusje zag lopen met [benadeelde 2] (de man die hem, verdachte, eerder had neergeschoten), en (ii.) plaatsvonden binnen een zeer kort tijdsbestek. Het hof stelt in zijn arrest immers vast de verdachte om 14:50 uur vanuit de stationshal in de richting van zijn zusje en [benadeelde 2] rende, terwijl om 14:54 uur al de eerste politiemedewerkers kwamen aanrennen, waarop de verdachte werd aangehouden. De handelingen hebben zich zodoende in een zeer kort tijdsbestek (vier minuten) voltrokken, hetgeen een contra-indicatie voor voorbedachte raad oplevert.7

3.4.7.

Nu het hof niets heeft vastgesteld over het moment waarop de verdachte het besluit heeft genomen [benadeelde 1] van het leven te beroven, noch over het tijdsverloop dat met die besluitvorming gemoeid is geweest, terwijl de handelingen van de verdachte waaraan het hof refereert zich bovendien binnen enkele minuten voltrokken, is het oordeel van het hof dat sprake was van voorbedachte raad niet juist en begrijpelijk gemotiveerd, aldus de steller van het middel.

3.5.

Juridisch kader

3.5.1.

Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' in art. 289 Sr moet volgens de Hoge Raad komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.8

3.5.2.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

3.5.3.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.9

3.5.4.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. De enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, is niet toereikend om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.10

3.6.

Beoordeling van het tweede middel

3.6.1.

Met de steller van het middel ben ik van oordeel dat het geweldsincident op 23 april 2016 en de bedreigingen via de bankafschriften elk op zichzelf genomen niet redengevend zijn voor het aannemen van voorbedachte raad van de verdachte om zijn zus op 7 februari 2017 van het leven te beroven. De steller van het middel gaat er echter aan voorbij dat deze feiten een onderdeel vormen van meerdere feiten en omstandigheden op grond waarvan het hof vaststelt dat er reeds langer sprake was van vijandigheid tussen de (familie van de) verdachte en zijn zusje en dat er geen andere reden was voor zijn urenlange aanwezigheid in de stationshal dan dat hij zijn zus daar aan het opwachten was. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, gelet op wat het hof nog meer heeft vastgesteld en overwogen, namelijk:

(i) dat de blik van de verdachte continue gericht was naar de rechtbank (met uitzondering van een korte ontmoeting met een man die later [betrokkene 1] blijkt te zijn);

(ii) het feit dat de familie bekend was met de oproep aan [benadeelde 1] om die dag te verschijnen voor de rechtbank doordat die oproep aan de moeder van verdachte is gestuurd;

(iii) de verdachte zelf wisselende en volstrekt onaannemelijke verklaringen heeft gegeven voor zijn aanwezigheid in de stationshal.

3.6.2.

De opvatting van de steller van het middel dat de overweging van het hof “het genomen of het te nemen besluit” de mogelijkheid openlaat dat de verdachte tijdens het wachten in de stationshal (nog) niet het besluit had genomen [benadeelde 1] van het leven te beroven, en dat een dergelijk besluit niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, deel ik niet. Het hof laat immers, anders dan de steller van het middel meent, de verklaring die de verdachte geeft voor het in bezit hebben van een schietklaar wapen niet in het midden. Het hof neemt juist tot uitgangspunt dat de verdachte zich met geen ander doel in de stationshal ophield dan om zijn zus op te wachten, met daarbij in zijn bezit een schietklaar vuurwapen. Doordat het hof de verklaringen van de verdachte voor zijn aanwezigheid in de stationshal als ongeloofwaardig of onaannemelijk terzijde schuift, heeft het hof daarmee (ook) de stelling van de verdachte dat hij het vuurwapen droeg (enkel) ter verdediging niet in het midden gelaten.

3.6.3.

In elk geval laten de overwegingen van het hof er geen twijfel over bestaan dat het van oordeel is dat het besluit om [benadeelde 1] van het leven te beroven op zijn laatst is genomen in de periode dat de verdachte zich ophield in de stationshal. De stelling dat het hof het moment van het besluit niet heeft vastgesteld berust dus op een onjuiste lezing van het arrest. Juist de door het hof vastgestelde lange aanwezigheid in de stationshal bood aan de verdachte volgens het hof voldoende tijd en gelegenheid om zich te beraden over zijn besluit. Ook de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte, die na het zien van zijn zusje en haar vriend direct op hen afrende met het pistool in de hand, duidt erop dat het besluit in elk geval voorafgaand aan dit handelen is genomen. Anders dan de steller van het middel, meen ik dat die uiterlijke verschijningsvormen, in combinatie met wat het hof heeft vastgesteld en overwogen over de aanwezigheid van de verdachte in de stationshal en de vijandigheid tussen hem en zijn zus, niet past in het alternatieve scenario van de verdediging, dat de verdachte bij het per toeval zien van zijn zusje en haar vriend, welke laatste hem verdachte eerder had neergeschoten, door boosheid is overvallen. Dat het hof dit scenario als onaannemelijk terzijde heeft geschoven vind ik niet onbegrijpelijk, mede gelet op de omstandigheid dat verdachtes handelen na het lossen van het schot vooral gericht waren op het ombrengen van zijn zus en niet op haar vriend.

3.6.4.

Kortom: het hof heeft niet onbegrijpelijk vastgesteld en overwogen dat het besluit om [benadeelde 1] van het leven te beroven in elk geval reeds was genomen voordat de omschreven geweldshandelingen plaatsvonden, tijdens of voorafgaand aan het wachten in de stationshal, zodat ook de laatste deelklacht dat de daadwerkelijke geweldshandelingen in kort tijdbestek plaatsvonden (en er daardoor geen gelegenheid was voor beraad) daar op afstuit. De bewezenverklaring van de voorbedachte raad en de verwerping van het verweer is toereikend gemotiveerd.

3.7.

Het tweede middel faalt.

4 Het derde middel

4.1.

Het derde middel komt op tegen de strafmotivering.

4.2.

De verdediging heeft in dit verband ter terechtzitting in hoger beroep verweer gevoerd tegen de hoogte van de door de rechtbank opgelegde straf, zo blijkt uit de aldaar voorgedragen pleitnota. Kort samengevat is door de verdediging getracht de gevaarzetting van eerwraak en de rol van de verdachte te relativeren; betoogd dat de verdachte spijt heeft betuigd; is gewezen op het feit dat de verdachte PTSS heeft; de toepasselijkheid van art. 63 Sr benoemd; het recidiverisico genuanceerd; aangegeven dat sprake is geweest van eendaadse samenloop dan wel van een voortgezette handeling en zijn er een grote hoeveelheid volgens de verdediging vergelijkbare zaken besproken waarin rechters significant lagere straffen hebben opgelegd dan de achttien jaren die de rechtbank in deze zaak passend en geboden achtte.

4.3.

Het hof heeft – bij een beperktere bewezenverklaring dan waartoe de rechtbank kwam – opnieuw tot de oplegging van een gevangenisstraf van achttien jaren besloten. De strafmotivering van hof luidt als volgt:


Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.


Verdachte heeft zich op 7 februari 2017 schuldig gemaakt aan een poging tot moord op zijn zusje [benadeelde 1] en een poging tot doodslag op haar vriend [benadeelde 2] .
Verdachte heeft die dag urenlang gewacht op het moment dat [benadeelde 1] uit de rechtbank zou komen. Toen hij haar zag is hij vanuit de stationshal in Lelystad met een geladen vuurwapen op [benadeelde 1] en [benadeelde 2] af gerend. In eerste instantie heeft verdachte zich gericht tot [benadeelde 2] en een schot in zijn richting gelost. Vervolgens heeft verdachte zijn vuurwapen op [benadeelde 1] gericht, die in grote paniek over een hoge reling in het veel lager gelegen water is gedoken. Toen het haar gelukt was aan de overzijde van het water naar boven te klauteren, heeft verdachte [benadeelde 1] hoofdwaarts over die reling in het dieper gelegen water gegooid. Verdachte is [benadeelde 1] achterna gesprongen en heeft haar - na een korte worsteling - minutenlang onder water gehouden. Daarbij is verdachte zelfs op [benadeelde 1] gaan staan en heeft hij op en neer bewogen terwijl hij zich vasthield aan de trap. Op het moment dat de politie arriveerde stond verdachte nog in het water met vlak voor zich het drijvende lichaam van [benadeelde 1] . Op het moment dat verdachte zijn handen op bevel van de politie uit het water omhoog deed, kwam haar lichaam boven met haar gezicht voorover in het water.
is voor dood, bewusteloos, zonder voelbare of hoorbare hartslag en ademhaling, uit het water gehaald. Zonder de adequate hulp van de politie en hulpverleners had [benadeelde 1] de aanval van haar broer niet overleefd. De beelden van het gevecht dat [benadeelde 1] in het water tegen haar oudste broer heeft moeten leveren zijn buitengewoon schokkend.
Verdachte heeft door zijn handelen gepoogd het kostbaarste te ontnemen dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] bezitten, namelijk hun leven. Hij heeft hiermee geen enkel respect getoond voor het leven van beide slachtoffers. Daarnaast heeft verdachte door zijn handelen op zeer gewelddadige wijze een grove inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van [benadeelde 1] .
Naast de gevolgen voor de slachtoffers, benadrukt het hof dat de rechtsorde door dergelijke misdrijven ernstig wordt geschokt en versterkt dergelijk verwerpelijk gedrag gevoelens van angst en onveiligheid. Dit geldt temeer nu het bewezenverklaarde is begaan op klaarlichte dag op de openbare weg nabij het centraal station Lelystad, waardoor ook omstanders en voorbijgangers getuige zijn geweest van het geweld.
Tot slot wordt verdachte ook verweten dat hij een vuurwapen en drie scherpe patronen voorhanden heeft gehad. Verboden wapenbezit brengt voor de maatschappij onaanvaardbare veiligheidsrisico's met zich mee, welke risico's zich in de onderhavige zaak daadwerkelijk hebben geopenbaard.
Verdachte, die de feiten grotendeels ontkent, heeft ook in hoger beroep geen inzicht gegeven over het motief voor zijn handelen. Het dossier bevat evenwel sterke aanwijzingen dat sprake is geweest van eergerelateerd geweld. [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hielden zich voor 7 februari 2017 al maanden schuil uit angst voor de familie van [benadeelde 1] . Doordat de oproep voor het verhoor was verzonden naar het ouderlijk huis van [benadeelde 1] wist de familie haar te traceren. Indien sprake is van eergerelateerd geweld zal [benadeelde 1] voor de rest van haar leven in angst en onveiligheid verkeren, zo volgt uit het dossier.
Ter zitting in hoger beroep hebben [benadeelde 1] en [benadeelde 2] het spreekrecht uitgeoefend. Uit hun verklaringen blijkt dat de gevolgen voor hen diepingrijpend en dagelijks voelbaar zijn. Het handelen van verdachte heeft een ongekende impact op hun leven nu en in de toekomst. Vanwege de niet aflatende dreiging leven de slachtoffers tot op de dag van vandaag in grote angst. Zij worden van overheidswege beschermd. Dit heeft als gevolg dat zij sterk worden beperkt in hun bewegingsvrijheid waardoor zelfs de normaalste zaken in het leven zoals vrienden bezoeken of boodschappen doen moeizaam gaat. [benadeelde 2] beschrijft hun leven als donker en stressvol. Door het handelen van verdachte is [benadeelde 1] veranderd in een kwetsbare jonge vrouw. [benadeelde 1] lijdt aan een ernstige vorm van PTSS, heeft dagelijks last van nachtmerries en paniekaanvallen. Daarnaast heeft [benadeelde 1] nog altijd lichamelijke klachten. Ook [benadeelde 2] ervaart veel angst en heeft nog altijd last van nachtmerries.
Al het voorgaande maakt dat een andere strafmodaliteit dan een langdurige gevangenisstraf niet aan de orde is.
Het hof heeft bij de straftoemeting ook in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 december 2019 eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens een geweldsdelict.
Alles afwegend is het hof – met de rechtbank en de advocaat-generaal – van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 jaren passend en geboden is. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf leidt de beperktere bewezenverklaring ten aanzien van feit 1 niet tot een matiging. Het hof heeft daarbij de brute doelgerichtheid waarop verdachte heeft geprobeerd zijn zusje van het leven te beroven en zijn opzet daarnaast [benadeelde 2] door hem te beschieten om het leven te brengen in aanmerking genomen. Een gevangenisstraf van 18 jaar is passend en geboden voor deze buitengewoon ernstige feiten.”

4.4.

De belangrijkste bestreden overweging

4.4.1.

Het middel komt in het bijzonder op tegen de volgende overwegingen van het hof:


“Verdachte, die de feiten grotendeels ontkent, heeft ook in hoger beroep geen inzicht gegeven over het motief voor zijn handelen. Het dossier bevat evenwel sterke aanwijzingen dat sprake is geweest van eergerelateerd geweld. [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hielden zich voor 7 februari 2017 al maanden schuil uit angst voor de familie van [benadeelde 1] . Doordat de oproep voor het verhoor was verzonden naar het ouderlijk huis van [benadeelde 1] wist de familie haar te traceren. Indien sprake is van eergerelateerd geweld zal [benadeelde 1] voor de rest van haar leven in angst en onveiligheid verkeren, zo volgt uit het dossier.”

4.4.2.

Deze overwegingen zijn volgens de steller van het middel onbegrijpelijk, omdat (i) uit de processenverbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep volgt dat de verdachte de feiten (grotendeels) heeft bekend en wel degelijk inzicht heeft gegeven in het motief voor zijn handelen, terwijl (ii) het hof enerzijds in het midden laat of sprake is geweest van eergerelateerd geweld, maar anderzijds ten nadele van de verdachte meeweegt dat de slachtoffers nu en in de toekomst in angst en in onveiligheid verkeren vanwege de niet aflatende dreiging (die daarvan het gevolg zou zijn).

4.4.3.

Voor zover het hof erop wijst dat de verdachte de feiten grotendeels ontkent en geen inzicht in het motief voor zijn handelen heeft gegeven, zijn die overwegingen onjuist en onbegrijpelijk. De verdachte heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep (alsmede voordien bij de politie) uitvoerige verklaringen afgelegd over zijn handelen en het daarvoor bestaande motief. In het arrest heeft het hof de volgende samenvatting van verdachtes verklaringen tot het bewijs gebezigd (p. 17):


“ [verdachte] (hierna: verdachte) heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat het klopt dat hij op 7 februari 2017 omstreeks 11.30 uur op het centraal station Lelystad was. Hij had zicht op de rechtbank aldaar. Hij was aan het wachten. Verdachte had toen een geladen vuurwapen bij zich. Op een gegeven moment zag hij zijn zusje [benadeelde 1] met de man die hem had neergeschoten. Hij zag ze bij het hoekje van de rechtbank lopen. Hij ging rennen en heeft een schot gelost. Daarna is zijn zusje in het water gevallen. [benadeelde 2] rende weg. Verdachte is naar zijn zus gegaan. Ze lag in het water. Verdachte kan zich herinneren dat hij met een geladen pistool op zijn zusje heeft gericht. Hij heeft het wapen op de grond gelegd en is vervolgens zelf het water in gegaan. Op de vraag van de voorzitter van de rechtbank of het klopt dat hij zijn zusje met kracht bij de hals en nek heeft vastgepakt en haar minutenlang onder water heeft gehouden, heeft verdachte geantwoord: "ja". Verdachte dacht dat hij zijn zusje had doodgemaakt. Verdachte heeft het vuurwapen in het water gegooid.”

4.4.4.

In het licht van (onder andere) deze tot het bewijs gebezigde verklaring is volgens de steller van het middel onjuist en onbegrijpelijk dat de verdachte de feiten volgens het hof grotendeels zou ontkennen. Al even onjuist is de stelling dat de verdachte geen inzicht in het motief voor zijn handelen zou hebben gegeven, in welk verband geldt dat de verdachte zowel ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 10 januari 2018 (p. 3-4) en 12 juni 2018 (p. 2) als ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 januari 2020 (p. 2) heeft verklaard dat het zwart werd voor zijn ogen toen hij zijn zusje [benadeelde 1] samen zag met [benadeelde 2] , een man die de verdachte eerder heeft neergeschoten. Reeds het voorgaande maakt de strafoplegging onbegrijpelijk gemotiveerd waarbij de steller van het middel ter vergelijking verwijst naar HR 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3447 en de conclusie van AG Keulen van 8 september 2020, ECLI:NL:PHR:2020:786.

4.4.5.

Volgens de toelichting op het middel lijkt het er sterk op dat het hof de verdachte verwijt dat hij niet heeft verklaard over een eergerelateerd motief voor zijn handelen – een motief dat door de verdachte uitdrukkelijk is ontkend. Een duidelijk aanknopingspunt voor dit ogenschijnlijke verwijt valt niet alleen uit de strafmotivering, maar ook uit het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 22 januari 2020 af te leiden, waar de oudste raadsheer er bij verzoeker op aandringt richting zijn zusje te verklaren waarom hij heeft gedaan wat hij heeft gedaan.

4.4.6.

De steller van het middel acht dit (strafverzwarende) element in de strafmotivering onjuist en onbegrijpelijk. Het hof heeft de onderzoekswensen van de verdediging over de vraag of sprake was van eergerelateerd geweld afgewezen, bij gebrek aan relevantie voor de beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv en omdat de noodzaak tot zulk onderzoek zou ontbreken. Ook een nader (voorwaardelijk) gedaan verzoek tot het horen van een deskundige op het gebied van eerwraak over enkele van zijn eerdere uitlatingen werd door het hof afgewezen, omdat het hof die uitlatingen niet bij de bewezenverklaring zou betrekken. In zijn strafmotivering laat het hof bovendien uitdrukkelijk in het midden óf sprake is geweest van eergerelateerd geweld. Tegelijkertijd merkt het hof echter wél op dat het dossier daarvoor “sterke aanwijzingen” bevat, en overweegt het tevens dat “[i]ndien sprake is van eergerelateerd geweld (…) [benadeelde 1] voor de rest van haar leven in angst en onveiligheid [zal] verkeren alsmede dat de slachtoffers 'vanwege de niet aflatende dreiging leven (..) in grote angst”.

4.4.7.

De steller van het middel acht onjuist en onbegrijpelijk dat het hof enerzijds weigert het motief voor verdachtes handelen nader te onderzoeken en in zijn arrest uitdrukkelijk in het midden laat welk motief bestond, terwijl het hof de verdachte anderzijds in strafverzwarende zin tegenwerpt dat hij geen inzicht in dat motief heeft gegeven en ten nadele van hem meeweegt dat de slachtoffers nu en in de toekomst in angst en in onveiligheid verkeren vanwege de niet aflatende dreiging die het gevolg is van een eergerelateerd motief. Ook hierom is de strafmotivering niet begrijpelijk, zodat het arrest niet in stand kan blijven.

4.5.

Juridisch kader

4.5.1.

Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Zolang de feitenrechter binnen de door de wet aan de straf en maatregel gestelde grenzen blijft, is de strafoplegging in cassatie nagenoeg onaantastbaar. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste (dat wil zeggen meest passende) straf of maatregel is opgelegd en ook niet of de straf of maatregel beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte.11 De keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, terwijl deze keuze geen motivering behoeft.12 De rechter mag in dat verband letten op gegevens die met de persoon van de verdachte samenhangen zoals zijn te verwachten gedrag, proceshouding, het morele verwijt en de speciale preventie. Het oordeel dat verdachte geen enkel inzicht heeft getoond in de ernst van de door hem begane strafbare feiten en daarvoor kennelijk ook geen verantwoordelijkheid neemt, kan verder, als van feitelijke aard, in cassatie niet met vrucht worden bestreden.13 Wel dienen de factoren ter sprake te zijn gekomen op de terechtzitting en dienen de vaststellingen die de rechter in zijn strafmotivering doet, begrijpelijk te zijn.14

4.6.

Beoordeling van het derde middel

4.6.1.

De overweging van het hof dat de verdachte de feiten grotendeels ontkent, is inderdaad voor meerderlei uitleg vatbaar. Enerzijds heeft de steller van het middel een punt dat de verdachte over de gebeurtenissen die hem ten laste zijn gelegd uitgebreid heeft verklaard, met name op het onderzoek ter terechtzitting bij de rechtbank, welke verklaring ook tot het bewijs is gebezigd. Anderzijds wordt in de pleitnota van de regiezitting van 11 januari 2019 gesteld dat “cliënt de feiten ontkent” en kunnen de verklaringen die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd ook zo worden verstaan dat hij de bewezenverklaarde feiten, waaronder met name de poging tot moord, heeft ontkend. Als alternatief scenario voert de verdachte immers onder andere aan dat hij zijn zusje uit het water wilde helpen, een verklaring die het hof als ongeloofwaardig en/of onaannemelijk terzijde heeft geschoven.15 De verdachte ontkent stellig dat hij het gemunt had op zijn zusje en heeft ook niet toegegeven met welke reden hij zich daadwerkelijk in de stationshal bevond, althans de door hem aangevoerde redenen heeft het hof als ongeloofwaardig ter zijde geschoven. Gelet daarop, meen ik dat dit deel van de overweging van het hof in cassatie in stand kan blijven.

4.6.2.

Ook de (deel)overweging van het hof dat de verdachte geen inzicht heeft gegeven over het motief van zijn handelen acht ik niet onbegrijpelijk. De verdachte heeft op de vragen van het hof (met name van de oudste raadsheer) om te vertellen ‘waarom’ hij tot zijn daad is gekomen immers veelal ontwijkend gereageerd en vooral spijt betuigd. Uit het proces-verbaal van de behandeling in hoger beroep van 21 en 22 januari 2020 blijkt dat de verdachte bijvoorbeeld het volgende heeft verklaard:


“Dat ik naar hen toe ben gegaan is de grootste fout van mijn leven geweest. Het werd helemaal zwart voor mijn ogen. Ik zag mijn zusje [benadeelde 1] met de man die mij en mijn vriend heeft neergeschoten. Alles werd zwart. U vraagt of ik nog vaak over dat moment heb nagedacht. Het enige wat ik dacht was dat ik de man zag die mij had neergeschoten. Die man had mij bedreigd. Ik zag hem met mijn zusje lopen. Ik heb toen een waarschuwingsschot gelost. Toen is alles misgegaan.
(…)
De verdachte verklaart:

[benadeelde 1] , het spijt mij echt. Ik heb het echt niet gewild. Ik zie hoe bang je daar zit. Ik zag die jongen die mij had neergeschoten en daardoor liep het uit de hand. Ik weet niet waarom ik daar was. Ik was klaar met werken en ik kon niet slapen. Ik zat daar. Ik zou wat kopen. Ik had toen grote schulden. Ik was daar niet voor jou. Ik zou jou nooit wat aandoen. Het spijt mij echt.

(…)
De verdachte reageert:

Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik kan nog honderd keer zeggen dat het mij spijt. Ik heb een fout gemaakt. Ik word daarvoor gestraft. Het was niet mijn bedoeling. Ik hoop dat zij het kan vergeten.

De oudste raadsheer houdt mij voor dat het niet zozeer gaat om spijt, maar om het antwoord op die ene vraag: ‘waarom?’ Ik weet echt niet waarom. Als ik het wist, dan had ik het nu gezegd.”

Ook deze deelklacht faalt.

4.6.3.

Wat betreft de deelklacht over het al dan niet in het midden laten van de kwestie van eerwraak, meen ik dat deze berust op een onjuiste lezing van de overwegingen van het hof. Ik versta de bestreden overwegingen van het hof die hiervoor onder 4.3. zijn geciteerd niet zo dat het hof het in het midden heeft gelaten of eerwraak het motief van de verdachte is geweest, maar dat het hof daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat daarvoor sterke aanwijzingen zijn, die door de verdachte niet zijn weerlegd.

Dan resteert de overweging van het hof dat “indien” sprake is van eergerelateerd geweld, dit – kort gezegd – langdurige en ernstige gevolgen heeft voor het slachtoffer, “zo volgt uit het dossier”. Ik lees deze passage niet zo dat het hof enerzijds de vraag van eerwraak in het midden laat, maar anderzijds daaraan wel consequenties verbindt. Naar mijn mening heeft het hof willen aangeven dat nu er sterke aanwijzingen zijn dat er sprake is van eerwraak, uit het dossier (waaronder de deskundigenverklaring) volgt dat hieruit de door het hof benoemde gevolgen voor het slachtoffer voortvloeien. Zo gelezen is aan de tweede deelklacht, dat het hof de vraag of er sprake is van eerwraak in het midden laat, de feitelijke grondslag komen te ontvallen.

4.7.

Het derde middel faalt.

5 Het vierde middel

5.1.

Het vierde middel komt op tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] vanwege geleden immateriële schade ter hoogte van 10.000 euro.

5.2.

Uit de gedingstukken blijkt dat door de benadeelde partij [benadeelde 2] is verzocht om vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 25.000,-, ter onderbouwing waarvan kort gezegd is aangevoerd dat (i.) op hem is geschoten, (ii.) hij getuige is geweest van hetgeen zijn vriendin is aangedaan, en (iii.) hij leeft onder een nog altijd voortdurende dreiging.

5.3.

De vordering van [benadeelde 2] is door de verdediging uitvoerig gemotiveerd betwist. Daarbij heeft de raadsman betoogd dat de vordering deels shockschade betreft, terwijl niet blijkt dat aan de voorwaarden voor toewijzing daarvan is voldaan. Voorts heeft de raadsman betoogd dat niet is voldaan aan de vereisten van art. 6:106 BW. Ten slotte heeft de raadsman betoogd dat in vergelijkbare (gepubliceerde) rechtspraak veel lagere bedragen dan het gevorderde bedrag worden toegewezen, zodat een maximaal bedrag van € 7.500,- had kunnen worden toegewezen.

5.4.

Het hof heeft de vordering van [benadeelde 2] toegewezen tot een bedrag van € 10.000,- en daartoe het volgende overwogen:


Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het straf proces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 35.514,90. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 12.085,00, bestaande uit € 10.000,- immateriële schade en € 2.085,- aan proceskosten. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. De vordering is voor wat betreft de proceskosten in hoger beroep aangevuld.
Immateriële schade.

De verdediging heeft aangevoerd dat namens [benadeelde 2] onvoldoende is onderbouwd dat hij door een ernstige schending van een fundamenteel persoonlijkheidsrecht in zijn persoon is aangetast. De nadelige gevolgen zijn in deze zaak niet evident, aldus de raadsman. Daarnaast is aangevoerd dat gelet op de door de raadsman aangehaalde jurisprudentie hoogstens een bedrag van € 7.500,- kan worden toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreekse immateriële schade heeft geleden.
Hiertoe overweegt het hof het volgende.

De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten.
Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:

a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;

b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;

c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
Van de onder b. 3) bedoelde aantasting in de persoon 'op andere wijze' kan ook sprake zijn indien de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde dit met zich meebrengen. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon 'op andere wijze' als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Door en namens de benadeelde partij is aangevoerd dat door verdachte gericht op [benadeelde 2] is geschoten. Hij heeft voor zijn leven gerend. Het bewezenverklaarde heeft een ongekende impact op het leven van [benadeelde 2] nu en in de toekomst. De dreiging aan het adres van [benadeelde 1] geldt evenzeer voor [benadeelde 2] . Hij is met [benadeelde 1] voor de rest van zijn leven beperkt in zijn bewegingsvrijheid en mogelijkheden vanwege opgelegde restricties van allerlei aard van overheidswege vanuit het toegepaste persoonsbescherming op beiden. Daarnaast geldt dat [benadeelde 2] niet alleen een aanslag op zijn eigen leven heeft doorgemaakt, ook is hij ooggetuige geweest van de kille poging tot moord op zijn geliefde. [benadeelde 2] zegt ook gezien te hebben dat verdachte in het water op het lichaam van [benadeelde 1] heeft gestaan en dat haar lichaam uit het water werd gehaald en dat vervolgens werd gereanimeerd. Als gevolg van het handelen van verdachte kampt [benadeelde 2] met psychische klachten. Uit het rapport van psychiater/psychoanalyticus [betrokkene 3] volgt dat [benadeelde 2] een constante dreiging voelt, hij slecht slaapt en heeft nachtmerries heeft. [benadeelde 2] is geshockeerd door het schietincident en lijdt sterk onder de impact en dreiging van eerwraak, zowel door grote inperking van de bewegingsvrijheid als door zorg om het leven van zichzelf en zijn dierbaren.
Het hof is op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat - mede gelet op de aard en ernst van de normschending en de omstandigheden waaronder die werd gepleegd en de diepingrijpende consequenties die zij tot gevolg hebben - sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW onder b. 3). Hierbij heeft het hof in het bijzonder gelet op de wijze waarop verdachte heeft geprobeerd het leven van [benadeelde 2] en meer in het bijzonder het leven van zijn vriendin te beëindigen terwijl zij zich gezamenlijk op straat bevonden toen verdachte hen aanviel. Die aanval van verdachte is zeer gewelddadig geweest. Vastgesteld wordt dat het onrechtmatige handelen van verdachte nadien zeer diep heeft ingegrepen in het leven van [benadeelde 2] . De impact op het dagelijks leven als gevolg van het handelen van verdachte is heel groot.
De hoogte van de immateriële schadevergoeding dient als overwogen naar billijkheid te worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van de aantasting in de persoon en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Het hof heeft daarbij ook gelet op uitspraken die door andere rechters zijn gedaan. Het hof acht alles afwegende een bedrag van € 10.000,- billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige betasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”

5.5.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof gelet op zijn overwegingen – in ieder geval mede – shockschade toewijst aan [benadeelde 2] . De steller van het middel merkt daarbij overigens op dat deze shockschade geen verband kan houden met het onder 1 bewezenverklaarde feit, het feit waarvan het hof overweegt dat het tot rechtstreekse immateriële schade bij [benadeelde 2] heeft geleid. Dat aan de vereisten voor toewijzing van shockschade is voldaan, kan volgens de steller van het middel niet worden afgeleid uit het arrest van het hof. Weliswaar kan vergoeding van immateriële schade plaatsvinden als door het waarnemen van het tenlastegelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond.16 Maar voor vergoeding is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.17 Dat aan dat laatste vereiste is voldaan is door het hof niet vastgesteld en kan ook anderszins niet uit de stukken worden afgeleid. De enkele aanwezigheid van 'psychische klachten', bestaande uit een constante dreiging, slecht slapen en nachtmerries is daarvoor onvoldoende. De raadsman heeft daar in zijn pleidooi terecht op gewezen. Gelet hierop berust de (hoogte van de) toegewezen immateriële schadevergoeding volgens de steller van het middel op onjuiste, onbegrijpelijke en ontoereikende gronden.

5.6.

Juridisch kader

5.6.1.

Het gaat hier om een vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade op de grond van art. 6:106 BW. De Hoge Raad heeft hierover in zijn overzichtsarrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 het volgende bepaald:


b) Ander nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt: immateriële schade (art. 6:106 BW)

2.4.4

Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:

a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;

b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;

c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.

2.4.5

Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

Vergoeding van immateriële schade zoals onder b.3) bedoeld kan ook plaatsvinden als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond (zogenoemde ‘shockschade’).’’

5.7.

Beoordeling van het vierde middel

5.7.1.

Uit de hiervoor geciteerde overwegingen van de Hoge Raad volgt dat op basis van art. 6:106 BW vergoeding van schade mogelijk is in geval van de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ (onder b.3). Binnen deze subcategorie ‘onder b.3.)’ kan gelet op de overwegingen van de Hoge Raad weer onderscheid worden gemaakt tussen drie verschillende categorieën. In de eerste plaats is sprake van aantasting in de persoon op ‘andere wijze’ indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Dit moet door de benadeelde partij voldoende concreet worden onderbouwd. Maar ook niet geestelijk letsel kan daarvoor in aanmerking komen, mits voldoende concreet onderbouwd (categorie 2). Het gaat dan om het geval dat “de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde” dit meebrengen.18 Een derde categorie van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ die de Hoge Raad noemt en die voor vergoeding in aanmerking komt, is zogenoemde ‘shockschade’ ten gevolge van het waarnemen van het strafbaar handelen, bijvoorbeeld als dat gericht is tegen iemand met wie de betrokkene een nauwe affectieve relatie heeft.

5.7.2.

Uit de toelichting op het middel volgt dat het (alleen) erover klaagt dat het hof ten onrechte vergoeding van shockschade heeft toegekend. Hoewel ik aan de steller van het middel toegeef dat in de motivering van het hof elementen zijn te bespeuren die als een verwijzing naar shockschade zouden kunnen worden aangemerkt, meen ik echter dat de klacht feitelijke grondslag mist.

Uit de vooropstellingen van het hof volgt namelijk dat het hof vergoeding toekent voor de rechtstreeks immateriële schade in verband met het onder 1 bewezenverklaarde feit, dat dus de poging tot doodslag van de benadeelde partij in kwestie zelf betreft. Zoals de steller van het middel ook erkent kan eventuele shockschade daar geen verband mee houden; dat zou alleen kunnen ten aanzien van feit 2, de poging tot moord op de vriendin van de benadeelde partij. Voor dit feit heeft het hof aan [benadeelde 2] echter geen schadevergoeding toegekend. Een andere aanwijzing dat het hof geen shockschade heeft toegekend is, dat het hof tevens voorop stelt dat van de “onder b. 3) bedoelde aantasting in de persoon 'op andere wijze' ook sprake [kan] zijn indien de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde dit met zich meebrengen (…).” Daarmee doelt het hof onmiskenbaar op de door mij genoemde tweede subcategorie “van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze” zoals in het overzichtsarrest van de Hoge Raad is omschreven, en niet op shockschade. Datzelfde geldt voor de conclusie van het hof waarin wordt overwogen dat het hof “op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden van oordeel [is] dat - mede gelet op de aard en ernst van de normschending en de omstandigheden waaronder die werd gepleegd en de diepingrijpende consequenties die zij tot gevolg hebben - sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW onder b. 3).” Dat het hof in zijn motivering ook verwijst naar het geweld dat aan de vriendin van [benadeelde 2] is aangedaan, maakt dit niet anders nu deze verwijzing als kennelijk ten overvloede kan worden aangemerkt.

5.7.3.

Aangezien het middel alleen opkomt tegen de veronderstelde toegewezen shockschade en die klacht feitelijke grondslag mist, kom ik aan (de motivering van) het oordeel van het hof inzake de wel toegewezen schadevergoeding niet toe.

5.8.

Het vierde middel faalt.

6 Het vijfde middel

6.1.

Het vijfde middel komt op tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] vanwege geleden materiele en immateriële schade ter hoogte van respectievelijk 814,94 en 30.000 euro.

6.2.

Uit de gedingstukken volgt dat door de benadeelde partij [benadeelde 1] is verzocht om vergoeding van materiële schade ter hoogte van € 806,90 (bestaande uit kleding en een telefoon), alsmede om vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 30.000,-.

6.3.

De vordering van [benadeelde 1] is door de verdediging uitvoerig gemotiveerd betwist. Daarbij heeft de raadsman betoogd dat de vordering moet worden afgewezen voor zover deze schoenen en een broek betreft, omdat niet blijkt van schade aan die zaken en iedere onderbouwing van de gestelde schade ook ontbreekt. Daarnaast is aangevoerd dat de vordering moet worden gematigd voor zover zij een jas, een trui en een iPhone betreft, omdat moet worden uitgegaan van de dagwaarde/marktwaarde van die goederen en niet van hun aanschafwaarde/nieuwwaarde. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat het bedrag aan immateriële schadevergoeding moet worden gematigd, omdat toekomstig leed en leed dat wordt veroorzaakt door anderen dan de verdachte niet voor vergoeding in aanmerking komt, terwijl het gevorderde bedrag blijkens de gepubliceerde jurisprudentie ook overigens te hoog is. Daarbij heeft de verdediging gewezen op de volgende uitspraken met daarbij de hoogte van de toegewezen vordering met betrekking tot immateriële schadevergoeding:

(i) gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3619 (17.500 euro);

(ii) rechtbank Oost-Brabant 4 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:3477 (25.000 euro);

(iii) gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 maart 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1050 (8.000 euro);

(iv) rechtbank Dordrecht 27 oktober 2009, ECLI:NL:RBDOR:2009:BK1303 (20.000 euro);

(v) gerechtshof Den Haag 16 oktober 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2684 (30.000 euro).

6.4.

Het hof heeft de vordering van [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 814,94 aan materiële schadevergoeding en € 30.000,- aan immateriële schadevergoeding, en daartoe het volgende overwogen:


Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 40.200,52. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 27.891,90, bestaande uit € 806,90 materiële schade, € 25.000,- immateriële schade en € 2.085,- aan proceskosten. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. De vordering is voor wat betreft de proceskosten in hoger beroep aangevuld.

Materiële schade

Namens de benadeelde partij is € 814,94 materiële schadevergoeding gevorderd, bestaande uit de kosten voor beschadigde kleding en een kapotte telefoon. De vordering is voor zover mogelijk onderbouwd.

Het hof acht op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreekse (materiële) schade heeft geleden. Het hof acht de door de benadeelde partij geschatte schade van € 814,94 voldoende onderbouwd en toekenning daarvan billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat verdachte in staat zal zijn binnen een redelijke termijn aan zijn verplichtingen te voldoen.

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 30.000, bestaande uit immateriële schade.

De verdediging heeft aangevoerd dat, voor zover de vordering is onderbouwd met de stelling dat [benadeelde 1] de rest van haar leven in onveiligheid en angst zal verkeren omdat het verdachte niet is gelukt haar om het leven te brengen en dat er dreiging komt vanuit de gehele Yezidigemeenschap, er wordt verzocht om vergoeding van toekomstig leed en leed dat wordt veroorzaakt door andere personen dan verdachte. In zoverre dient de vordering te worden afgewezen. Daarnaast is verzocht om matiging van het toe te wijzen bedrag binnen een bandbreedte van € 10.000,- en 12.500,- en het overige af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.

Het hof overweegt het volgende.

De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten. Daarbij is in het bijzonder gelet op de wijze waarop verdachte heeft geprobeerd het leven van [benadeelde 1] te beëindigen. Die is zeer gewelddadig geweest. Vastgesteld wordt bovendien dat het onrechtmatige handelen van verdachte voor [benadeelde 1] een grote schok teweeg heeft gebracht en zeer diep heeft ingegrepen in haar leven nadien. [benadeelde 1] heeft het meedogenloze handelen van verdachte ternauwernood overleefd. Zij heeft nog altijd fysieke klachten. [benadeelde 1] leeft nog altijd in grote angst. Zij leeft samen met haar partner in een beschermingsprogramma, waardoor haar dagelijks leven in zeer ernstige mate wordt belemmerd. Daarnaast is blijkens het rapport van [betrokkene 3] , psychiater/psychoanalyticus vastgesteld dat [benadeelde 1] als gevolg van het gewelddadige handelen door verdachte lijdt aan een ernstige vorm van PTSS. Zij heeft vrijwel constant last van herbelevingen, waardoor zij niet alleen kan zijn. Ook kan [benadeelde 1] niet normaal slapen en heeft zij vrijwel elke nacht nachtmerries.

De hoogte van de immateriële schadevergoeding dient als overwogen naar billijkheid te worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van de aantasting in de persoon en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Het hof heeft daarbij ook gelet op uitspraken die door andere rechters zijn gedaan. Het hof acht alles afwegende een bedrag van € 30.000,- billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat verdachte in staat zal zijn binnen een redelijke termijn aan zijn verplichtingen te voldoen.”

6.5.

In de toelichting op het middel wordt het volgende aangevoerd.

6.5.1.

Voor zover het materiële schadevergoeding betreft, heeft het hof allereerst ten onrechte een hoger bedrag (€ 814,94) toegekend dan (initieel) gevorderd (€ 556,90 + € 250,- = € 806,90). Voorts heeft het hof ten onrechte niet (gemotiveerd) gereageerd op de standpunten van de raadsman, inhoudende dat niet blijkt van enige (onderbouwing van) schade aan broek en schoenen, zodat de vordering in zoverre niet voor toewijzing in aanmerking komt, terwijl matiging aan de orde is voor zover het de jas, de trui en de iPhone betreft. In aanmerking genomen hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd is de toewijzing van de vordering in deze opzichten bovendien niet juist en begrijpelijk gemotiveerd. Dat is in strijd met (het ook in hoger beroep toepasselijke) art. 361, vierde lid, Sv.

6.5.2.

Voor zover het immateriële schadevergoeding betreft, heeft het hof evenmin gereageerd op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, inhoudende dat het bedrag moest worden gematigd omdat toekomstig leed en leed dat wordt veroorzaakt door anderen dan de verdachte niet voor vergoeding in aanmerking komt, terwijl het gevorderde bedrag blijkens de gepubliceerde jurisprudentie ook overigens te hoog is. In het licht van deze standpunten, en in aanmerking genomen dat het hof uitdrukkelijk meeweegt dat [benadeelde 1] “nog altijd [leeft] in grote angst. Zij leeft samen met haar partner in een beschermingsprogramma, waardoor haar dagelijks leven in zeer ernstige mate wordt belemmerd”, is bovendien niet juist en begrijpelijk gemotiveerd waarom het hof tot toewijzing van een bedrag van € 30.000,- komt. De verdachte is immers gedetineerd en vormt zodoende geen bedreiging (meer) voor [benadeelde 1] , noch rechtvaardigt dit dat zij in een beschermingsprogramma zit en aldus in haar dagelijkse leven wordt belemmerd. Voorts heeft de raadsman diverse rechterlijke uitspraken aangehaald die een (veel) lager bedrag aan toegewezen schadevergoeding inhouden, zodat evenmin begrijpelijk is wat het hof bedoelt met zijn opmerking dat het hof heeft gelet “op uitspraken die door andere rechters zijn gedaan”. In aanmerking genomen hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd is de toewijzing van de vordering in dit opzicht volgens de steller van het middel niet juist en begrijpelijk gemotiveerd.

6.6.

Juridisch kader

6.6.1.

Voor zover hier van belang heeft de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 het volgende over de vordering van de benadeelde partij bepaald (met weglating van voetnoten):


“ ‘Rechtstreekse schade’ (art. 51f, eerste lid, Sv; art. 361, tweede lid aanhef en onder b, Sv)

2.3.1

De benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.

Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. Voor het aannemen van zodanig verband is niet vereist dat de schade betrekking heeft op voorwerpen die in de bewezenverklaring zijn vermeld. Evenmin geldt met betrekking tot vermogensdelicten als bovengrens aan de schadevergoeding het bedrag dat de verdachte door het bewezenverklaarde misdrijf heeft verworven. Voorts is niet vereist dat de benadeelde partij is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd.

2.3.2

Van zodanige schade die de benadeelde partij rechtstreeks door een strafbaar feit heeft geleden, was bijvoorbeeld sprake in het geval waarin:

  • -

    i) de benadeelde partij door de verdachte was mishandeld en haar schade bestond uit de reparatiekosten van de fiets die zij had laten vallen op het moment dat de verdachte op haar afkwam en haar mishandelde;

  • -

    ii) de benadeelde partij een vergoeding vorderde van het geld dat door een onbekend gebleven persoon is opgenomen nadat de verdachte de bankpas van de benadeelde partij had gestolen;

  • -

    iii) de benadeelde partij vergoeding vorderde van loon, gederfd door het opnemen van een vrije dag vanwege de door de verdachte in haar woning gepleegde inbraak;

  • -

    iv) de benadeelde partij vergoeding vorderde van schade die was ontstaan doordat de politie op zoek was naar (mede)daders van de door de verdachte gepleegde inbraak en daarbij schade toebracht aan een deur in de woning van de benadeelde partij.

  • -

    Schade

2.4.1

Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (art. 6:95, eerste lid, BW).

a) Vermogensschade (art. 6:96 BW)

2.4.2

Vermogensschade kan zowel geleden verlies als gederfde winst omvatten (art. 6:96, eerste lid, BW). Zij bestaat uit de daadwerkelijke verandering die het vermogen van de benadeelde partij door het strafbare feit heeft ondergaan. Uitgangspunt is dus de vergoeding van de concreet geleden schade.

Bij beschadiging of verlies van een zaak kan in veel gevallen worden gekozen voor berekening van de schade uitsluitend aan de hand van de (vervangings)waarde van die zaak in het economisch verkeer (abstracte schadeberekening). Indien het een beschadigde zaak betreft waarvan herstel mogelijk en economisch verantwoord is, zal het geldbedrag waarin de waardevermindering van de zaak kan worden uitgedrukt in het algemeen gelijk zijn aan de – naar objectieve maatstaven berekende – herstelkosten. Indien herstel van de zaak niet meer mogelijk of niet verantwoord is en in geval van zaakverlies, wordt de waarde van de zaak vergoed. Ook in andere, bijzondere gevallen kan – zowel op praktische gronden als om redenen van billijkheid – een uitzondering op voornoemd uitgangspunt van concrete schadeberekening worden aanvaard.

Indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt zij geschat (art. 6:97 BW).

2.4.3

Als vermogensschade komen ingevolge art. 6:96, tweede lid, BW mede voor vergoeding in aanmerking:

a. redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht;

b. redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, waaronder ook zijn begrepen de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt om het gepleegde strafbare feit aan het licht te brengen;

c. redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

Onder vermogensschade in de hiervoor bedoelde zin zijn echter niet begrepen de door een benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand; deze zijn te rekenen tot de hierna te bespreken proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge art. 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven.

b) Ander nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt: immateriële schade (art. 6:106 BW)

2.4.4

Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:

a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;

b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;

c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.

2.4.5

Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

(…)
Beoordeling en beslissing rechter

2.8.1

Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.

2.8.2

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.

2.8.3

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.

(…)

2.8.6

Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.

2.8.7

Met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.4 reeds is overwogen, begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Indien de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat (art. 6:97 BW). De rechter dient in zijn motivering van die schatting zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten. Indien de gehele schade of een bepaalde schadepost wordt geschat op een bepaald bedrag impliceert de beslissing met betrekking tot die schade(post) de afwijzing van hetgeen meer werd gevorderd, tenzij uit die beslissing blijkt dat sprake is van een gedeeltelijke toewijzing zoals hiervoor onder 2.8.4 bedoeld.

De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Dat de vordering van de benadeelde partij strekt tot vergoeding van zogenoemde ‘shockschade’ als hiervoor onder 2.4.5 bedoeld, sluit niet uit dat deze vordering zich leent voor behandeling in een strafgeding.”

6.7.

Beoordeling van het vijfde middel

6.7.1.

Wat betreft de door het hof toegewezen materiele schadevergoeding het volgende. Uit de schriftelijke toelichting die is gevoegd bij het voegingsformulier, pagina 1, volgt dat een totaalbedrag van 556,90 euro is gevorderd voor een jack, schoenen, broek en een trui. Telkens is daarbij de gestelde aanschafwaarde gevorderd, waarbij ten aanzien van het jack en de schoenen ter onderbouwing twee schermafbeeldingen van webwinkelpagina’s zijn overgelegd in een bijlage. Daarnaast is met betrekking tot een telefoon het volgende aangevoerd:


“De iPhone 5 van cliënte is door de politie in beslag genomen naar aanleiding van de aanval. De telefoon is niet aan cliënte teruggegeven omdat deze volgens kapot bleek te zijn gegaan. De telefoon is aangeschaft in 2016 voor € 300,00 is was derhalve nog geen jaar oud. Een vergoeding van € 250,00 acht cliënte derhalve passend.”

Totaal wordt dus (556,90 plus 250,00 is) 806,90 euro gevorderd. Op het voegingsformulier zelf staat echter het bedrag van 856,90 euro vermeld. Datzelfde bedrag staat ook vermeld aan het einde van de toelichting op pagina 4 waar de totale vordering van materiele en immateriële schadevergoeding samenvattend op een rijtje wort gezet. Kennelijk wordt op die plekken wel 300 euro – in plaats van 250 euro – voor de telefoon gevorderd. In de pleitnotities van de raadsman van de benadeelde partij staat vervolgens weer dat een bedrag van 806,90 euro wordt gevorderd.

6.7.2.

Het hof stelt in zijn overwegingen eerst voorop dat de benadeelde partij in eerste aanleg 806,90 euro heeft gevorderd en vervolgens dat de benadeelde partij 814,94 euro heeft gevorderd. Waar het hof het bedrag van 814,94 euro vandaan heeft gehaald, is inderdaad een raadsel zodat de steller van het middel wat dat betreft gelijk heeft. De Hoge Raad zou deze kennelijke verschrijving zelfstandig kunnen herstellen en de toewijzing voor wat betreft de kleding vaststellen op totaal 556,90 en voor wat betreft de telefoon op 250,euro, totaal dus 806,90 euro. Maar er doet zich nog een complicatie voor.

6.7.3.

Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan bij beschadiging of verlies van een zaak in veel gevallen worden gekozen voor berekening van de schade uitsluitend aan de hand van de (vervangings)waarde van die zaak in het economisch verkeer (abstracte schadeberekening). Datzelfde geldt indien herstel van een zaak niet meer mogelijk of verantwoord is. Het gaat hier in beginsel om de zogenoemde marktwaarde of dagwaarde.19 Vaak zal dan de nieuwprijs van een vergelijkbare zaak worden genomen om daar vervolgens een percentage van af te trekken (nieuw voor oud).

6.7.4.

Het hof heeft echter, zonder nadere motivering, met betrekking tot de kleding telkens de aanschafwaarde toegekend. Met de steller van het middel ben ik van mening dat dit oordeel, in het licht van hetgeen door de verdachte is aangevoerd, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk is. De raadsman van de verdachte heeft namelijk aangevoerd dat de benadeelde partij slechts aanspraak kan maken op vergoeding van de marktwaarde, ook indien zij besloten heeft de kleding te vervangen (terwijl dat laatste niet is gebleken). Op grond daarvan verzocht de verdediging ten aanzien van alle kleding de vordering sterk te matigen.

6.7.5.

Het middel slaagt dan ook voor zover het betrekking heeft op de gevorderde bedragen voor de kleding.

6.7.6.

Dat is wat mij betreft anders ten aanzien van de telefoon. De benadeelde partij heeft aangevoerd dat de aanschafwaarde van haar iPhone 5 300 euro was en heeft 250 euro gevorderd omdat de telefoon sinds de aanschaf een jaar oud was. Het hof heeft kennelijk deze gestelde marktwaarde overgenomen bij zijn toewijzing van de vordering. Namens de verdachte is blijkens de pleitnota in hoger beroep niet helemaal ondubbelzinnig bepleit dat geen dagwaarde zou moeten worden toegekend, althans dat een lager bedrag zou moeten worden toegekend, omdat de telefoon, gelet op de gestelde aanschafprijs van 300 euro, als tweedehands exemplaar gekocht moet zijn. Daarbij heeft de raadsman verwezen naar de prijzen van nieuwere modellen van zogenoemde ‘refurbished’ iPhones (van tussen de 109 en 279 euro), op grond waarvan is bepleit dat de gestelde waarde van 250 euro voor de iPhone 5 te hoog is ingeschat. Verzocht werd het bedrag te matigen naar 100 euro.

6.7.7.

Het hof is hier mijns inziens terecht aan voorbij gegaan omdat de raadsman ter onderbouwing van de door hem gestelde marktwaarde van 100 euro prijzen heeft genoemd van nieuwere (tweedehands) modellen, welke prijzen actueel waren op het moment van het pleidooi, terwijl dit pleidooi bijna drie jaren na het tenlastegelegde feit plaatsvond. Deze tijdspanne sluit niet uit dat de marktwaarde van het (oudere) model van de benadeelde partij ten tijde van het tenlastegelegde feit inderdaad rond de 250 euro lag, of deze nu al eerder tweedehands was aangekocht of niet. Nu de hoogte van de aanschafprijs door de verdachte niet is betwist, acht ik de schatting door het hof dan ook niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof mijns inziens niet gehouden. In zoverre faalt het middel.

6.7.8.

Wat betreft de immateriële schadevergoeding het volgende. Uit de overwegingen van het hof volgt dat het voor wat betreft de geleden schade kennelijk met name de ‘aantasting in persoon op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106 BW op het oog heeft (onder – wat de Hoge Raad noemt – b.3.). De toegewezen schadevergoeding zou naar mijn mening evenwel heel goed onder te brengen zijn onder art. 6:106 BW onder a (oogmerk om zodanige schade toe te brengen) en onder wat de Hoge Raad noemt, b.1.) (oplopen van lichamelijk letsel).

6.7.9.

Door de verdediging is niet betwist dat sprake is van rechtstreekse immateriële schade, zij betwist alleen de hoogte van de vordering:


“Uit de toelichting op de vordering blijkt dat [benadeelde 1] een in de psychiatrie erkend ziektebeeld heeft opgelopen dat ook objectief is vastgesteld. Daarmee is voldaan aan de eisen van artikel 6:106 BW en de jurisprudentie van de Hoge Raad en komt [benadeelde 1] in beginsel ook in aanmerking voor een vergoeding voor immateriële schade. Vraag is welk bedrag redelijk is.”

6.7.10.

De steller van het middel gaat er mijns inziens onterecht aan voorbij dat het hof de toewijzing van de vordering niet alleen heeft gebaseerd op het feit dat de benadeelde partij in een beschermingsprogramma zit, maar ook, of met name, vanwege het feit dat zij nog altijd fysieke klachten heeft, een ernstige vorm van PTSS heeft en nog altijd in grote angst leeft. Dit zijn allemaal door het hof vastgestelde rechtstreekse gevolgen van het strafbare feit dat de verdachte wordt verweten. Naast de gevolgen is het hof bovendien ook ingegaan op de aard en de ernst van de aantasting in de persoon van de benadeelde. In zoverre is de toewijzing van de immateriële schadevergoeding, in het licht van wat partijen over en weer hebben aangevoerd, dan ook voldoende gemotiveerd.

6.7.11.

Daarbij teken ik nog aan dat de feitenrechter veel vrijheid heeft om het bedrag naar billijkheid te schatten en dat deze schatting in cassatie slechts beperkt toetsbaar is. Hoewel ik meen dat ook zonder de gewraakte zinsnede over het beschermingsprogramma de toegekende schadevergoeding wordt gedragen door de motivering, heeft het hof mijns inziens ook het feit dat de benadeelde partij in een beschermingsprogramma zit, mogen meewegen bij de vaststelling van de schade. Het argument dat een beschermingsprogramma niet nodig is omdat de verdachte in detentie zit, spreekt op het eerste gezicht welllicht aan, maar het blijft een rechtstreeks gevolg van het strafbare feit dat de verdachte heeft gepleegd. Het hof heeft kennelijk aangenomen en ook kunnen aannemen, dat zonder de bewezenverklaarde strafbare feiten op 7 februari 2017 er geen sprake geweest zou zijn van een beschermingsprogramma. Tot slot blijkt, anders dan de steller van het middel meent, uit de motivering van het hof niet dat het ‘toekomstig leed’ of leed van anderen dan verdachte heeft meegenomen als onderbouwing van de toewijzing. In zoverre faalt het middel en/of mist het feitelijke grondslag.

6.7.12.

Dan blijft over de klacht die zich richt tegen de overweging van het hof dat het heeft gekeken naar uitspraken van andere rechters. Onbegrijpelijk zou zijn wat het hof hiermee bedoelt omdat door de verdediging diverse uitspraken zijn aangehaald die een (veel) lager bedrag aan toegewezen schadevergoeding inhouden. Ik meen dat ook die klacht faalt. Niet alleen is het door het hof toegewezen bedrag niet hoger dan het hoogste bedrag in de door de verdediging aangedragen jurisprudentie (30.000 euro), maar kennelijk doelt het hof (mede) op de twee uitspraken die de benadeelde partij heeft genoemd in de toelichting op het Schadeopgaveformulier, waarbij respectievelijk sprake was van een toewijzing aan immateriële schadevergoeding van 20.000 euro20 en 50.000 euro21. Gelet hierop en in aanmerking genomen de concrete vastgestelde feiten en omstandigheden, acht ik de toewijzing van 30.000 euro ook in zoverre niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

6.7.13.

In zoverre het middel opkomt tegen de toegewezen immateriële schadevergoeding, faalt het dan ook.

6.8.

Het eindresultaat is dat het vijfde middel terecht is voorgesteld voor zover het betrekking heeft op de materiele schadevergoeding ter hoogte van 564,94 euro (het toegewezen bedrag na aftrek van de telefoon a 250,- euro). Ik zou om doelmatigheidsredenen willen voorstellen dat de Hoge Raad de zaak hiervoor de zaak niet zal terugwijzen, maar het juiste bedrag zelf in goede justitie zal vaststellen en ook de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel dienovereenkomstig aanpast.

7 Het middel van de benadeelde partij

7.1.

Het middel namens de benadeelde partij met betrekking tot feit 2 ( [benadeelde 1] ) komt op tegen de hoogte van de toegewezen proceskosten.

7.2.

Het oordeel van het hof met betrekking tot de gevorderde proceskosten luidt als volgt:


“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 40.200,52. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 27.891,90, bestaande uit € 806,90 materiële schade, € 25.000,- immateriële schade en € 2.085,- aan proceskosten. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. De vordering is voor wat betreft de proceskosten in hoger beroep aangevuld.

(…)

Proceskosten

Namens de benadeelde partij is in hoger beroep aangevoerd dat het liquidatietarief niet als maatstaf moet gelden. Dit is slechts een de rechter niet bindende richtlijn. In deze zaak was het verlenen van bijstand moeilijker, waardoor meer werk is verricht. Gelet op de bijzondere aard van de zaak lenen de werkzaamheden zich niet voor een vertaling naar het liquidatietarief. Ook de vertrouwensrelatie tussen de benadeelde partij en de advocaten speelt in dit verband een rol. Gezien dit alles wordt verzocht om over te gaan tot een volledige proceskostenvergoeding. Subsidiair wordt verzocht om gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. Meer subsidiair wordt verzocht om enkel in appel het liquidatietarief toe te passen en daarbij vier punten toe te kennen.

Het hof stelt voorop dat nu de vordering gedeeltelijk is toegewezen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering, zal verdachte als grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de proceskosten van de benadeelde partij worden vastgesteld overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief. Het hof ziet in deze zaak geen aanleiding om daarvan af te wijken. Dat de juridische begeleiding van de benadeelde partij vanwege de bijzondere aard van de zaak moeizamer is verlopen maakt dit niet anders.

Anders dan gevorderd stelt het hof de proceskosten vast overeenkomstig het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven waarbij krachtens tarief III (tarief geldt met betrekking tot zaken van een geldswaarde van € 20.000,- tot € 40.000,-) ieder punt wordt gewaardeerd op € 695,- met een maximum van 7 punten.

Voor het opstellen en indienen van het voegingsformulier en de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg kent het hof in totaal drie punten toe. Daarnaast kent het hof in hoger beroep vier punten toe voor het aanvullen van de vordering en de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep. Dit brengt het toe te wijzen bedrag op € 4.865,- (7 x € 695,-).”

7.3.

Het hof heeft ten aanzien van de door de verdachte verschuldigde proceskosten van de benadeelde partij verwezen naar het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven waarbij krachtens tarief III (het tarief dat geldt met betrekking tot zaken van een geldswaarde van € 20.000,- tot € 40.000,-) ieder punt – ten tijde van het wijze van het arrest22 – werd gewaardeerd op € 695,- met een maximum van 7 punten. Dat oordeel is volgens de steller van het middel onjuist en/of onbegrijpelijk. Het hof heeft immers vastgesteld dat de vordering boven de € 40.000 uitkomt, zodat niet het toegepaste tarief III, maar tarief IV (vorderingen van € 40.000 tot € 98.000, per punt € 1.074) toegepast dient te worden. De omstandigheid dat uiteindelijk een bedrag ad € 30.814,94 is toegewezen doet daar niet aan af nu er geen sprake is van een van 'een groot of aanzienlijk verschil' tussen het gevorderde en het toegewezen bedrag. Er is aldus sprake van een kennelijke misslag die de Hoge Raad zelf kan herstellen door alsnog de verschuldigde proceskosten vast te stellen op een bedrag ad € 10.740,00. Voor zover de Hoge Raad van oordeel is dat er geen sprake is van een kennelijke misslag is de (motivering van de) beslissing op de vordering in ieder geval onvoldoende met redenen omkleed, aldus de steller van het middel.

7.4.

Juridisch kader

7.4.1.

De benadeelde partij kan op grond van art. 51f lid 1 Sv vergoeding van schade vorderen die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. Wanneer de benadeelde partij hierbij kosten maakt, worden die kosten zelf niet aangemerkt als schade die het rechtstreekse gevolg is van het strafbare feit.23 Het gaat dan om bijvoorbeeld de kosten van rechtsbijstand, eigen loonderving op de dag van de zitting, de kosten van het nemen van afschriften van stukken of gemaakte reiskosten om naar de zitting te komen. Deze zogenaamde proceskosten kunnen wel op basis van art. 532 Sv (tot 1 januari 2020 was dit art. 592a Sv) voor vergoeding in aanmerking komen en daarop dient de rechter apart te beslissen. Een redelijke uitleg van art. 592a (oud) Sv, thans art. 532 Sv, brengt volgens de Hoge Raad mee dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures.24 In civiele procedures wordt doorgaans bij de begroting van door een in het ongelijk gestelde partij te vergoeden proceskosten een zogenoemd liquidatietarief gehanteerd, zoals neergelegd in het op rechtspraak.nl gepubliceerde 'Salarissen in rolzaken kanton' of 'Liquidatietarief rechtbanken en hoven'. Bij toepassing van dat tarief blijft de toevoeging dan buiten beschouwing. Opgemerkt moet echter worden dat de liquidatietarieven geen recht zijn in de zin van art. 79 RO zijn, maar een richtlijn die de rechter niet bindt. De rechter mag dus van het liquidatietarief afwijken, al zal hij wanneer hij de werkelijke proceskosten wenst te vergoeden, die afwijking wel dienen te motiveren.25

7.5.

Beoordeling van het middel

7.5.1.

Ik meen dat het middel uitgaat van een onjuiste lezing van de overwegingen van het hof, zodat het feitelijke grondslag mist. Daartoe is het volgende van belang. Het hof heeft weliswaar in zijn vooropstelling overwogen dat de vordering € 40.200,52 bedraagt, maar uit zijn overwegingen blijkt dat een deel daarvan proceskosten zijn. Uit het Schadeopgaveformulier van de benadeelde partij blijkt in dat verband dat, uitgezonderd de kosten van rechtsbijstand, in feite een bedrag van 856,90 euro aan materiele schadevergoeding en een bedrag van 30.000 euro aan immateriële schadevergoeding is gevorderd, totaal dus 30.856,90 euro. Anders dan de steller van het middel meent, is dit kennelijk de zogenoemde ‘geldswaarde van de zaak’ op basis waarvan het liquidatietarief door het hof is berekend. Dat is ook niet onbegrijpelijk. De kosten van rechtsbijstand vallen immers niet onder de schade waarvan de benadeelde partij op grond van art. 51f Sv vergoeding kan vorderen (maar vallen onder art. 532 Sv).26 Deze proceskosten kunnen, met andere woorden, niet worden meegenomen bij het vaststellen van het liquidatietarief. Voor zover de steller van het middel een andere mening zou zijn toegedaan, berust dat op een onjuiste uitleg van de (berekening van de) liquidatietarieven. Het totaal van de op grond van art. 51f Sv gevorderde kosten (30.856,90 euro) valt daarmee dus wel onder het door het hof vastgestelde liquidatietarief onder III, dat betrekking heeft op een geldswaarde van 20.000 tot 40.000 euro.

7.6.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

8 Conclusie

8.1.

Het vijfde middel van de verdachte slaagt gedeeltelijk, de overige middelen falen.

8.2.

Het middel van de benadeelde partij faalt.

8.3.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8.4.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de toekenning van de materiële schadevergoeding ter hoogte van 564,94 euro aan de benadeelde partij [benadeelde 1] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel en tot een zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De kwalificatie van feit 3 luidt in zijn volledigheid als volgt: “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. En handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.”

2 Het cassatieberoep is bij akte van 22 oktober 2020 partieel ingetrokken ten aanzien van de vrijspraak van de onder 1. (impliciet primair) tenlastegelegde poging tot moord.

3 HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3113, NJ 2015/139 m.nt. Van Kempen, rov. 2.4.1.

4 Zie bijvoorbeeld HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2056, rov. 3.4.; HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:465, NJ 2016/227, m.nt. Kooijmans, rov. 4.3 en 4.4; HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2022, rov. 2.5.

5 Zie onder andere onder de punten 45, 48, 54, 181, 183, 185, 186 en 187.

6 Namelijk het toetsingskader ontleend aan HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156, aldus de steller van het middel.

7 De steller van het middel verwijst daarbij naar HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:93; HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:535; HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2862; HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3426 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1411.

8 HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963 en HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2841.

9 Vgl. ook HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518.

10 HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963 en HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2841.

11 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 264-265.

12 Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805, rov. 3.3; HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9353, rov. 4.3; HR 26 juni 1984, NJ 1985/138, rov. 7.5 en Van Dorst 2018, p. 268.

13 HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9353.

14 HR 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3447; HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805, rov. 3.3; HR 20 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6361.

15 Zie de overwegingen van het hof geciteerd onder 3.3.

16 Verwezen wordt naar HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, NJ 2002/240.

17 Verwezen wordt naar HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201, NJ 2017/88.

18 Zie ook de Conclusie van AG Keulen van 13 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:936, onder 17 en 19, die binnen ‘’aantasting persoon op andere wijze’’ als bedoeld in art. 6:106 BW een onderscheid maakt tussen ‘geestelijk letsel’ en ‘’Aard en ernst normschending en gevolgen benadeelde’.

19 Vgl. HR 12 april 1991, NJ 1991/434 en HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:208, NJ 2017/134, m.nt. S.D. Lindenbergh.

20 Rb Dordrecht 27 oktober 2009, ECLI:NL:RBDOR:2009:BK1303.

21 Rb Haarlem 28 april 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ2907.

22 Ik merk op dat op dat de tarieven per 1 februari 2021 zijn gewijzigd, in die zin dat de tarieven hetzelfde zijn gebleven maar dat elk punt tegen een hoger bedrag wordt gewaardeerd, respectievelijk 721 euro per punt onder tarief III en 1.114 euro onder tarief IV, zie https://www.rechtspraak.nl/Voor-advocaten-en-juristen/Reglementen-procedures-en-formulieren/Civiel/Paginas/Liquidatietarief.aspx.

23 Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rov. 2.4.3.

24 HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rov. 2.7.1-2.7.4.

25 HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:653.

26 Zie o.m. HR 21 september 1999, NJ 1999/801 en HR 18 april 2000, ECLI:NL:2000:ZD1786.