Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:221

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-03-2021
Datum publicatie
09-03-2021
Zaaknummer
19/00759
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:635
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Het hof heeft niet beslist op een voorwaardelijk verzoek van de verdediging om plaatsopneming dan wel nader onderzoek naar door de verdediging verstrekte GPS gegevens.

Art. 315, 328, 331 en 415 Sv. Overschrijding redelijke termijn. De AG geeft de Hoge Raad het advies het arrest te vernietigen en terug te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/00759

Zitting 9 maart 2021

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte bij arrest van 11 februari 2019 wegens “diefstal” veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen, een en ander zoals nader omschreven in het arrest.

1.2.

Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende feitencomplex. Op 31 oktober 2017 zijn er te Nijemirdum bij een bushalte (Wytlandsdijkje) twee fietsen weggenomen. Getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij op 31 oktober 2017 omstreeks 15:30 uur een wit busje met kenteken [kenteken] bij de bushalte Nijemirdum, Wytlansdijkje, zag stoppen. [betrokkene 1] zag dat er een mevrouw uit het busje stapte, dat zij een fiets pakte en deze in het busje tilde. [betrokkene 1] zag dat de mevrouw een PostNL-shirtje aan had. Uit onderzoek naar de GPS-gegevens en het vergrendelingssysteem van voornoemd voertuig is naar voren gekomen dat de verdachte op de ten laste gelegde pleegdatum de bestuurder was van voornoemd voertuig. Verder is uit de GPS-gegevens gebleken dat het voertuig omstreeks 15:30 uur, te weten om 15:27 uur en om 15:37 uur, heeft stilgestaan ter hoogte van de Lyklemawei […] te Nijemirdum. De verdachte heeft bekend dat zij op de pleegdatum in Nijemirdum is geweest met een bestelbus met genoemd kenteken, maar ontkent dat zij fietsen heeft weggenomen. Het hof heeft de verdachte veroordeeld wegens diefstal van een fiets.

1.3.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel bevat een klacht over de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de getuigenverklaring van [betrokkene 1] niet betrouwbaar is en moet worden uitgesloten van het bewijs. Het tweede middel klaagt over het verzuim om te beslissen op twee voorwaardelijke verzoeken. Het derde middel bevat de klacht dat art. 6 EVRM is geschonden, omdat de inzendtermijn is overschreden. Omdat het tweede middel het meest verstrekkend is, zal ik dat middel eerst bespreken.

2 Het tweede middel

2.1.

Het middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te beslissen op de voorwaardelijke verzoeken om plaatsopneming en nader onderzoek naar de GPS metingen zoals weergegeven (bovenaan pagina 5) in de pleitnota.

2.2.

Op de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden op p. 4-5, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Cliënte is bij geen van beide bushaltes gestopt. Als het gerechtshof een andere mening mocht zijn toegedaan, meent de verdediging dat een plaatsopneming noodzakelijk is. Mocht het gerechtshof de nauwkeurigheid van de GPS-metingen zoals in deze pleitaantekeningen aan de orde, in twijfel trekken, dan zal daar nader onderzoek naar moeten worden gedaan. Een voorwaardelijk verzoek daartoe wordt bij deze gedaan.”

2.3.

Het hof heeft onder het kopje “bespreking voorwaardelijke verzoeken” twee (andere) voorwaardelijke verzoeken afgewezen.1 Ten aanzien van het in de pleitnota vermelde (derde en vierde) voorwaardelijke verzoek (pagina 5 van de pleitnota)2 overweegt het hof als volgt:

“ “Verzoek nader onderzoek GPS-metingen (pagina 5 pleitnota)

“ Het hof constateert dat de raadsman het voorwaardelijk verzoek zoals opgenomen op pagina 5 van de pleitnota (bovenaan), aangaande nader onderzoek naar de GPS-metingen, niet ter terechtzitting van het hof heeft voorgedragen. Het hof zal dit verzoek om die reden buiten behandeling laten.”

2.4.

De steller van het middel heeft aangevoerd dat ingevolge het proces-verbaal van de zitting is gepleit overeenkomstig de ter zitting overgelegde pleitnota. Nu uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in beginsel de enige kenbron is van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen moet het er in cassatie voor gehouden worden dat die pleitnota in zijn geheel - dus inclusief de voorwaardelijk verzoeken zoals weergegeven op pagina 5 - is voorgedragen. De steller van het middel merkt verder op dat het verzoek in de pleitnota niet is doorgehaald door de griffier en dat zich in het proces-verbaal van de zitting en/of op de pleitnota evenmin opmerkingen van de griffier en/of de voorzitter te vinden zijn waaruit volgt dat het verzoek niet is voorgedragen en in het arrest is niet vermeld dat is verzuimd om dergelijke correcties in het proces-verbaal van de terechtzitting aan te brengen. Tenslotte heeft de steller van het middel telefonisch navraag gedaan bij de raadsman van de verdachte die hem verzekerde dat hij desbetreffende voorwaardelijke verzoeken wel degelijk ter zitting heeft voorgedragen.

2.5.

Het middel stelt terecht dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad het proces-verbaal van de terechtzitting ‘in beginsel’ de enige kenbron is voor de ter terechtzitting in acht genomen vormen3 en van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen. Dit geldt niet alleen voor verweren maar ook voor de verklaringen van de verdachten, getuigen en deskundigen.4 Aangehechte pleitnotities die blijkens het proces-verbaal zijn voorgedragen maken deel uit van dit proces-verbaal zodat zij beide kenbron van gevoerde verweren zijn.5 Het voorgaande geldt ook voor de ter terechtzitting gedane verzoeken van de verdachte en/of raadsman.6

2.6.

Uitzonderingen op voornoemd beginsel betreffen de stukken die als kenbron én als correctiemiddel fungeren voor fouten die in het proces-verbaal zijn geslopen. Deze stukken kunnen zich in het dossier bevinden, bijvoorbeeld de uitspraak waarin is vermeld dat de terechtzitting openbaar was, terwijl het proces-verbaal daarover zwijgt, maar ook inlichtingen die de Hoge raad of het Parket hebben ingewonnen op de voet van art. 83 RO. Afgezien van die stukken die als correctiemiddel kunnen dienen, fungeert het proces-verbaal nog steeds als enige kenbron voor hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden.7

2.7.

Gelet op de inhoud van het proces-verbaal ter terechtzitting en de daaraan gehechte pleitnotitie, heeft de steller van het middel gelijk dat het er voor moet worden gehouden dat het (derde) voorwaardelijke verzoek ter zitting zoals weergegeven op pagina 5 van de pleitnota wel degelijk is gedaan. Niet kan worden vastgesteld (door bijvoorbeeld een aantekening van de griffier) dat de raadsman niet (volledig) overeenkomstig de inhoud van de pleitnota heeft gepleit.

2.8.

Het (voorwaardelijk) verzoek, dat uiteen lijkt te vallen in twee onderdelen, te weten plaatsopneming dan wel nader onderzoek naar de door de verdediging verstrekte GPS gegevens is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv, in verbinding met art. 331 Sv en art. 415 Sv, om toepassing te geven aan art. 315 Sv.

2.9.

Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor diefstal van een fiets. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het hof er kennelijk van uitgaat dat de verdachte heeft stil gestaan bij bushalte "Wytlandsdijkje” in Nijemirdum. Daarmee is de aan de verzoeken verbonden voorwaarde vervuld. Dat brengt mee dat het hof een uitdrukkelijke beslissing op de verzoeken had moeten nemen.

2.10.

Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest houdt echter een zodanige beslissing in. Dat verzuim heeft ingevolge art. 330 Sv in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg.

2.11.

Nu naar mijn mening het tweede middel slaagt, behoeft het eerste middel geen bespreking. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, dan ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.

3 Het derde middel

3.1.

Het derde middel bevat de klacht dat de inzendtermijn is overschreden.

3.2.

Namens de verdachte is op 12 februari 2019 cassatie is ingesteld. De stukken van de zaak zijn ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 27 mei 2020. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met (afgerond) acht maanden is overschreden. Daarover wordt dus terecht geklaagd. Bovendien zal de Hoge Raad uitspraak doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden. Nu het tweede middel slaagt, behoeft de overschrijding geen verdere bespreking. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof aan de orde worden gesteld.

4 Conclusie

4.1.

Het tweede en derde middel zijn terecht voorgesteld.

4.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Te weten het verzoek om verbalisanten over de aangiften te horen (pagina 2-3 van de pleitnota) en het verzoek om plaatsopneming (pagina 3 van de pleitnota).

2 Dat volgens de steller van het middel uiteen valt in twee delen: plaatsopneming dan wel nader onderzoek naar de GPS gegevens.

3 Vgl. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219 m.nt. Schalken, rov. 3.3, herhaald in onder meer HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:37, NJ 2014/64.

4 HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219 m.nt. Schalken, herhaald in onder meer HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:37, NJ 2014/64.

5 HR 26 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AD5647, NJ 1979/615. Zie ook HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3370, rov. 2.4.

6 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2018, p. 174.

7 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 9e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 169. In de schriftuur wordt in dit verband ook gewezen naarde conclusie AG Keulen 22 september 2020, ECLI:NL:PHR:2020:828, 12, 13 en 14.