Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:214

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-03-2021
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
20/01513
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Toepassing van bepalingen van de zogenaamde benzinewet (Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen). Samenloop. Gemengde overeenkomst (art. 6:215 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01513

Zitting 5 maart 2021

CONCLUSIE

W.L. Valk

In de zaak

[eiseres] B.V.

tegen

NRGValue Tankstations Nederland B.V.

Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiseres] respectievelijk NRGValue.

1 Inleiding en samenvatting

1.1

Deze zaak betreft de toepassing van de zogenaamde benzinewet (Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen). In het kader van het overgangsregime van de wet is in 2007 tussen partijen een overeenkomst gesloten in de zin van art. 11 lid 1 benzinewet. Art. 16 lid 5 benzinewet bracht mee dat die overeenkomst van rechtswege op 31 december 2017 zou eindigen, waarbij de andersluidende regels voor 290-bedrijfsruimtehuur buiten toepassing blijven. In 2014 hebben partijen hun rechtsverhouding deels gewijzigd vormgegeven. De vraag is of op grond van de benzinewet vervolgens is blijven gelden dat de overeenkomst van rechtswege op 31 december 2017 eindigt. Volgens het hof is dit inderdaad het geval. Het cassatiemiddel richt zich met diverse klachten tegen dit oordeel.

1.2

Mijns inziens treft geen van de klachten van het middel doel.

2 Feiten en procesverloop

2.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1

(i) Krachtens schriftelijk exploitatiecontract van 6 juni 1990 heeft Esso Nederland B.V. (hierna: Esso) aan [eiseres] het recht verleend om aan de Rijksweg A67 te [plaats] een benzinestation te exploiteren. Het contract met [eiseres] is aanvankelijk aangegaan voor de duur van één jaar maar is daarna steeds verlengd.

(ii) De hiervoor genoemde locatie aan de A67 is eigendom van de Staat en de Staat had destijds aan Esso een concessie verleend om dit station te (doen) exploiteren.

(iii) Op grond van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen (hierna te noemen: de benzinewet) is het huurrecht voor deze locatie/dit verkooppunt geveild. Esso heeft tijdens deze veiling het hoogste bod uitgebracht en daarmee de concessie gewonnen voor de periode 2006-2020.

(iv) Op grond van art. 11 benzinewet was Esso verplicht om de bestaande exploitant op deze locatie, zijnde [eiseres], een huurovereenkomst aan te bieden waarmee laatstgenoemde tot en met het einde van 2017 een inkomen zou kunnen verdienen gelijk aan haar gemiddelde inkomen over de jaren 2002 tot en met 2004.

(v) Nadat tussen partijen een bodemprocedure was gevoerd, is op 29 maart 2007 met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 december 2017 een schriftelijke exploitatieovereenkomst gesloten.

(vi) Bij brief van 23 december 2013 heeft [eiseres] Esso verzocht om de contractvoorwaarden te wijzigen in verband met de teruglopende nettowinst.

(vii) Na onderhandelingen hebben partijen op 24 april 2014 een exploitatie- en agentuurovereenkomst gesloten die op 1 mei 2014 is ingegaan.

(viii) Sedert 18 november 2015 geldt NRGValue als de rechtsopvolger van Esso.

2.2

Bij inleidende dagvaarding van 24 maart 2017 heeft NRGValue een verklaring voor recht gevorderd dat de tussen partijen bestaande agentuur- en exploitatieovereenkomst op 31 december 2017 van rechtswege eindigt, alsook veroordeling van [eiseres] tot ontruiming.

2.3

De kantonrechter te Eindhoven (rechtbank Oost-Brabant) heeft bij vonnis van 11 januari 2018 de vorderingen van NRGValue toegewezen.

2.4

Door [eiseres] is hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 4 februari 20202 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. De dragende overwegingen van het arrest van het hof laten zich als volgt samenvatten:

a. De kern van het geschil komt neer op de vraag of het hier gaat om een op de voet van art. 11 benzinewet tot stand gekomen overeenkomst, die van rechtswege eindigt op 31 december 2017. (onder 3.10)

b. De Hoge Raad heeft in het verleden een aantal malen geoordeeld over de rechtsverhouding van contractspartijen bij de exploitatie van een benzinestation. Een dergelijke rechtsverhouding voldoet in de regel aan de omschrijving van twee of meer door de wet geregelde bijzondere soorten van overeenkomsten in de zin van art. 6:215 BW. Tussen partijen staat vast dat de exploitatieovereenkomst die zij in 2007 zijn aangegaan, een overeenkomst is waarop de bepalingen van art. 7:290 e.v. BW van toepassing zijn met dien verstande dat op grond van de benzinewet het contract van rechtswege eindigt op 31 december 2017. (onder 3.11)

c. De vraag die voorligt is of het samenstel van contracten (geregelde bijzondere soorten van overeenkomsten in de zin van art. 6:215 BW) in 2014 zodanig is gewijzigd dat de rechtsverhouding tussen partijen niet van rechtswege eindigt op 31 december 2017. (onder 3.12)

d. Tijdens de loop van de huurovereenkomst van 2007 heeft [eiseres] om financiële redenen gevraagd het lopende contract te wijzigen. Uit de bewoordingen van de brief van 25 juni 2013 die zij in dit kader aan Esso schrijft, blijkt dat [eiseres] haar verzoek tot wijziging van het contract heeft gebaseerd op de regeling van de benzinewet. (onder 3.12.1)

e. Na gevoerde onderhandelingen zijn partijen jegens elkaar andere verbintenissen aangegaan. Niet gewijzigd in het contract van 2014 is het recht van [eiseres] op het gebruik van het verkooppunt, in dit contract omschreven als het ‘Voorterrein’, zijnde het gedeelte van de grond van het perceel, met inbegrip van maar niet beperkt tot de bovengrondse en ondergrondse installatie, onder meer bestaande uit de tank(s), de leidingen, de pompen, buitenpalen, luifel, kassasysteem etc., alsmede zodanige andere zaken noodzakelijk voor de goede exploitatie van het verkooppunt. Tussen partijen staat vast dat ook in het gewijzigde samenstel van contracten een huurovereenkomst daarvan deel uitmaakt. (onder 3.12.2. en 3.12.3)

f. De wijziging die in 2014 heeft plaatsgevonden in het samenstel van overeenkomsten heeft betrekking op de wijze waarop partijen invulling hebben gegeven aan ‘de tegenprestatie’ van [eiseres] voor het gebruik van het verkooppunt. [eiseres] heeft zich verplicht om voor rekening en risico van Esso motorbrandstoffen te verkopen tegen een vaste vergoeding/provisie van € 35.000,— per jaar. Daarmee is haar contractuele verplichting tot afname van Esso-aardolieproducten komen te vervallen. Met betrekking tot de shop is afgesproken dat [eiseres] deze voor eigen rekening en risico zal exploiteren en voor dit recht ontvangt zij een exploitatierecht van € 75.000,— per jaar. In dit samenstel van contracten staat het ter beschikking stellen van het verkooppunt nog zodanig centraal dat de regels van het huurrecht de rechtsverhouding tussen partijen bepalen. Met betrekking tot deze prestatie van Esso is in 2014 geen wijziging opgetreden. (onder 3.12.4)

g. Het hof concludeert dat de huurovereenkomst, aangegaan door partijen in 2007, in 2014 is voortgezet en dat de benzinewet daarop van toepassing is gebleven. (onder 3.12.5)

h. De benzinewet eist niet dat de ‘exploitant’ in de nieuwe overeenkomst dezelfde status heeft als hij voorafgaande aan de inwerkingtreding van de benzinewet had. Voor zover [eiseres] na wijziging van de overeenkomst in 2014 niet meer onder de definitie van exploitant in de Benzinewet zou vallen, betekent dit niet dat hij niet meer zou gelden als contractspartij bij het sluiten van de overeenkomst op basis van art. 11 benzinewet. (onder 3.13)

i. De benzinewet is van toepassing op het gehele samenstel van verbintenissen, aangegaan op 24 april 2014. Voor de rechtsverhouding in haar geheel zijn de verbintenissen van partijen jegens elkaar uit hoofde van het huurrecht het meest kenmerkend. Van ondergeschikt belang is of de exploitant, in deze zaak [eiseres], de motorbrandstoffen en/of shopartikelen voor eigen rekening en risico verkoopt dan wel op een andere wijze aan de tegenprestatie voor gebruik van de gehuurde zaken vorm gegeven is. (onder 3.14)

2.5

[eiseres] heeft bij procesinleiding van 1 mei 2020 – en daarmee tijdig – cassatieberoep ingesteld. NRGValue heeft verweer gevoerd. Partijen hebben hun stellingen schriftelijk doen toelichten. Ten slotte heeft [eiseres] gerepliceerd en NRGValue gedupliceerd.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen, waarvan het derde enkel een voortbouwklacht bevat.

3.2

Voordat ik de klachten van de diverse onderdelen bespreek, enkele opmerkingen vooraf.

3.3

De regels met betrekking tot het in gebruik geven van grond die eigendom is van de Staat en gelegen is aan rijkswegen ten behoeve van de verkoop van motorbrandstoffen, zijn neergelegd in de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen van 16 juni 2005.3 In literatuur en praktijk is het gebruikelijk om deze wet met een onofficiële citeertitel aan te duiden: ‘de benzinewet’ (al dan niet met hoofdletter). Ook in het vonnis van de rechtbank en het arrest van het hof wordt deze aanduiding gehanteerd (met hoofdletter). In deze conclusie conformeer ik mij aan dat gebruik (met kleine letter, om uit te laten komen dat het een onofficiële citeertitel betreft). De benzinewet is op 31 juli 2005 in werking getreden.4

3.4

De benzinewet beoogt de prijsconcurrentie op de markt van de verkoop van motorbrandstoffen langs rijkswegen te vergroten en de toetredingsmogelijkheden tot deze markt te verruimen. De benzinewet roept hiertoe een systeem in het leven dat inhoudt dat de plaatsen waar motorbrandstoffen worden verkocht – in de wet aangeduid als locaties (art. 1 in verbinding met art. 2 benzinewet) – na een openbare veiling voor een beperkte periode in gebruik worden gegeven aan ondernemingen die zich met die verkoop bezighouden.5 De Staat sluit een huurovereenkomst met betrekking tot een locatie met degene die op een door de Staat uitgeschreven, openbare veiling het hoogste bod heeft uitgebracht (art. 5 lid 1 benzinewet). Eventueel kan men het, enigszins vrij, zo zeggen dat de hoogste bieder op de veiling van de Staat ‘het huurrecht’ van een locatie ‘koopt’, waarna vervolgens tussen de Staat en die ‘koper’ een huurovereenkomst wordt gesloten.

3.5

De huurovereenkomst tussen de Staat en de hoogste bieder op de openbare veiling is een bijzondere huurovereenkomst, waarop de (deels van het Burgerlijk Wetboek afwijkende) bepalingen van de benzinewet van toepassing zijn.6 Een belangrijke afwijking ten opzichte van het gewone huurrecht (van bedrijfsruimte) is dat de huurovereenkomst een duur heeft van ten hoogste vijftien jaar (art. 3 leden 1 en 4 benzinewet). Een overeenkomst die voor een langere duur is gesloten, is op grond van art. 3:40 BW nietig voor het gedeelte waarmee de termijn van vijftien jaar wordt overschreden.7 Verder houdt art. 3 lid 5 benzinewet in dat op de huurovereenkomst tussen de Staat en de nieuwe huurder (onder meer) de bepalingen met betrekking tot zogenaamde 290-bedrijfsruimte (art. 7:290 e.v. BW) niet van toepassing zijn.

3.6

De benzinewet bevat niet alleen regels met betrekking tot de rechtsverhouding tussen de Staat en een (nieuwe) huurder, maar ook met betrekking tot die tussen die (nieuwe) huurder en een (nieuwe) exploitant. Op grond van art. 3 lid 6 benzinewet is de huurder namelijk bevoegd om met betrekking tot de door hem van de Staat gehuurde locatie een overeenkomst te sluiten met een exploitant in de zin van art. 1 benzinewet. De desbetreffende overeenkomst eindigt in ieder geval op het moment waarop de huurovereenkomst tussen de Staat en de huurder eindigt. In afwijking van art. 7:300 lid 2 en 3 BW is daartoe geen opzegging vereist. Is sprake van een (onder)huurovereenkomst die betrekking heeft op een bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW, dan is afdeling 6, titel 4 van Boek 7 BW wel op die onderhuurovereenkomst van toepassing. In dat geval blijven de in Boek 7 BW neergelegde wettelijke termijnbescherming en, zoals gezegd, art. 7:300 lid 2 en 3 BW echter buiten toepassing (alles art. 3 lid 6 benzinewet). De benzinewet bepaalt dus dwingend op welk tijdstip de overeenkomst eindigt en ook dat die beëindiging van rechtswege geschiedt. De memorie van toelichting houdt met betrekking tot dit stelsel het volgende in:8

‘Het zesde lid van artikel 3 staat uitdrukkelijk toe, dat de huurder op zijn beurt met een exploitant overeenkomt, dat de laatste de verkoop van de motorbrandstoffen ter hand neemt in plaats van de huurder. De exploitant kan de locatie van de huurder onderhuren, maar de exploitant en de huurder kunnen hun rechtsverhouding ook anders vormgeven. In alle gevallen eindigt echter de overeenkomst tussen de exploitant en de huurder tegelijk met de huurovereenkomst tussen de huurder en de Staat, na verloop van uiterlijk vijftien jaren sinds de dag waarop de huurder de locatie door een veiling in gebruik kreeg. De overeenkomst tussen de huurder en de exploitant eindigt dan van rechtswege, zonder dat een opzegging noodzakelijk is. Buiten de gevallen voorzien in artikel 306 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek heeft de exploitant dan geen aanspraak op schadevergoeding. Dit vloeit voort uit de systematiek van de harde koppeling tussen de beëindiging van de huurovereenkomst tussen de Staat en de huurder en het daaruit voortvloeiende einde van de overeenkomst tussen de huurder en de exploitant. De maximale termijn van vijftien jaar doorbreekt daarmee de bepalingen over termijnbescherming van afdeling 6 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Om de exploitant voor het overige binnen de termijn van vijftien jaren de bescherming te geven die hem ook nu al toekomt op grond van het algemene huurrecht en de vaste jurisprudentie op het terrein van de huur van bedrijfsruimte en benzinestations, is afdeling 6 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek op de overeenkomst tussen de huurder en de exploitant van toepassing verklaard, voorzover die overeenkomst betrekking heeft op bedrijfsruimte in de zin van artikel 290 leden 2 en 3 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Voor de invulling van het begrip bedrijfsruimte moet worden aangehaakt bij de vaste jurisprudentie hierover.’

3.7

Voordat de benzinewet in werking trad, waren de meeste locaties in de zin van de benzinewet door de Staat al voor zeer lange tijd in gebruik gegeven aan ondernemingen en exploitanten.9 In verband daarmee bevat de benzinewet overgangsrecht. Dat overgangsrecht borduurt deels voort op tussen de verschillende marktpartijen en de Staat gesloten convenanten.10 In hoofdlijn komt het erop neer dat het nieuwe stelsel van openbare veiling van locaties en verhuur aan de hoogste bieder zoals dat met de benzinewet in het leven is geroepen, weliswaar met betrekking tot alle locaties in de zin van de wet doorgang vindt, maar dat wat betreft ten tijde van de inwerkingtreding van de wet bestaande overeenkomsten (met bestaande huurders en met bestaande exploitanten) aanvullende regels van overgangsrecht gelden die voor de vroegtijdige beëindiging van die overeenkomsten tot op zekere hoogte compensatie moeten bieden.11

3.8

De benzinewet bevat afzonderlijke overgangsregels voor ‘gewone’ bestaande exploitanten in art. 11 en 12 en ‘toegewezen’ bestaande exploitanten in art. 13 en 14. In cassatie is onbestreden dat [eiseres] ten tijde van de inwerkingtreding van de benzinewet en de desbetreffende veiling aan te merken was als (gewone) ‘bestaande exploitant’ en dat het overgangsregime van art. 11 benzinewet van toepassing is. De overgangsregeling met betrekking tot toegewezen exploitanten laat ik daarom hierna buiten beschouwing.

3.9

De overgangsregeling van art. 11 benzinewet heeft betrekking op bestaande exploitanten in de zin van art. 6 lid 1 onder b en c benzinewet van een locatie in de zin van art. 1 en 2 benzinewet, indien de locatie vóór 1 januari 2018 wordt (is) geveild, oftewel minder dan twaalfenhalf jaar na de inwerkingtreding van de benzinewet op 31 juli 2005. Een bestaande exploitant in de zin van genoemd art. 6 is kort gezegd een exploitant met wie vóór 31 juli 2005 een overeenkomst bestaat tussen hem en een wederpartij van de Staat bij een bestaande overeenkomst, terwijl die overeenkomst ten tijde van de veiling van de desbetreffende locatie nog van kracht was. Art. 11 benzinewet nu houdt in dat degene die door de veiling huurder van de locatie is geworden, de bestaande exploitant een nieuwe overeenkomst aanbiedt, die die exploitant redelijkerwijs in staat stelt om tot en met het kalenderjaar 2017 gemiddeld een netto winstaandeel te genieten dat gelijk is aan diens gemiddelde netto winstaandeel in de zin van art. 9 benzinewet12 en die overigens in verhouding tot de bestaande exploitatieovereenkomst geen zodanige bepalingen bevat, dat aanvaarding door de exploitant redelijkerwijs niet van deze kan worden verlangd. In de memorie van toelichting is te lezen:13

‘Een gewone bestaande exploitant van een verkooppunt, waarvoor op grond van artikel 7 een veiling wordt gehouden, wordt in staat gesteld om zijn onderneming zo veel mogelijk op de oude voet voort te zetten, doordat de nieuwe huurder van de locatie na de veiling de verplichting wordt opgelegd om een dergelijke exploitant een nieuwe exploitatieovereenkomst aan te bieden, die die exploitant de mogelijkheid biedt tot het einde van de overgangsperiode hetzelfde gemiddelde nettowinstaandeel te verwerven als hij in de jaren voorafgaand aan de veiling had. De bestaande exploitatieovereenkomst kan niet in stand blijven, omdat de komst van de nieuwe huurder en het door hem gevoerde merk tot een andere bedrijfseconomische situatie voor de bestaande exploitant kunnen leiden. Juist om de gevolgen van de veiling voor die bestaande exploitant zo gering mogelijk te laten zijn, is het nodig dat de nieuwe huurder hem een nieuwe overeenkomst biedt. Die verplichting, en de eisen waaraan de nieuwe overeenkomst moet voldoen, zijn neergelegd in de artikelen 11 in samenhang met artikel 9 en 12.’

3.10

Op grond van art. 16 lid 5 benzinewet eindigt de overeenkomst die op de voet van art. 11 lid 1 tot stand komt tussen de degene die door de veiling huurder van de locatie wordt en de bestaande exploitant, van rechtswege op 31 december 2017, tenzij partijen een eerder tijdstip zijn overeengekomen. De wetgever heeft de mogelijkheid onder ogen gezien dat de overeenkomst in de zin van art. 11 lid 1 huur van 290-bedrijfsruimte kan betreffen. Art. 16 lid 8 benzinewet bepaalt met het oog op dat geval dat in afwijking van art. 7:300 leden 2 en 3 BW de overeenkomst eindigt zonder dat opzegging vereist is en zonder dat daarbij een aanspraak op schadevergoeding ontstaat.

3.11

Indien echter de bestaande exploitant, kort gezegd, (het aanbod voor) de overeenkomst overeenkomstig art. 11 lid 1 benzinewet niet aanvaardt, dan eindigt de bestaande exploitatieovereenkomst op grond van art. 11 lid 8 benzinewet op het tijdstip waarop de bestaande overeenkomst eindigt, zonder dat de bestaande exploitant om die reden recht heeft op enige vergoeding. Het tijdstip waarop de bestaande overeenkomst eindigt, volgt uit art. 7 lid 2 benzinewet. Volgens die bepaling eindigt een bestaande overeenkomst met betrekking tot een locatie die na een veiling in gebruik wordt gegeven, op het tijdstip waarop de huurovereenkomst die ingevolge de veiling tot stand komt, in werking treedt.

3.12

Dit (niet zeer eenvoudige) stelsel komt er dus op neer dat de bestaande exploitant zijn onderneming tot uiterlijk 31 december 2017 zo veel mogelijk op de oude voet kan voortzetten. Van een inkomensgarantie is intussen geen sprake. In de woorden van opnieuw de memorie van toelichting:14

‘Het doel van de overgangsregeling van de Bijlage en van de vertaling daarvan in het wetsvoorstel is de bestaande gewone exploitant zo veel mogelijk te vrijwaren van de gevolgen van de veiling, met andere woorden, te bewerkstelligen, dat zijn ondernemersrisico door de veiling zo min mogelijk wordt beïnvloed. De regeling van de artikelen 9 en 11 beoogt niet de bestaande gewone exploitant zonder meer een inkomen te garanderen. Hij blijft het ondernemersrisico dragen dat hij droeg voordat de overheid door middel van de convenanten en dit wetsvoorstel ingreep in de bestaande verhoudingen, zoals het risico dat de marktomstandigheden wijzigen en het risico, dat zijn resultaten veranderen naar gelang zijn inspanningen veranderen.’

3.13

Tussen [eiseres] en Esso als rechtsvoorganger van NRGValue is op 29 maart 2007 (met als ingangsdatum 1 januari 2006) een exploitatieovereenkomst tot stand gekomen (hiervoor 2.1 onder v). Niet in geschil is dat dit een overeenkomst in de zin van art. 11 lid 1 benzinewet betreft. Die overeenkomst zou overeenkomstig art. 16 lid 5 benzinewet van rechtswege per 31 december 2017 zijn geëindigd. Naar aanleiding van de brief van [eiseres] van 23 december 2013 is tussen partijen opnieuw onderhandeld. Dit heeft op 24 april 2014 geresulteerd in de totstandkoming van een exploitatie- en agentuurovereenkomst (hiervoor 2.1 onder vii). Kort gezegd komt het erop neer dat volgens deze nadere overeenkomst [eiseres] vanaf 1 mei 2014 niet langer voor eigen rekening en risico aan het publiek brandstoffen verkocht, maar in plaats daarvan als agent van Esso tegen een vaste, niet van de hoeveelheid verkochte brandstoffen afhankelijke vergoeding. Wel bleef [eiseres] de shop nog voor eigen rekening exploiteren. De overeenkomst vermeldt dat zij per 31 december 2017 zal eindigen.15

3.14

[eiseres] heeft zich in dit geding op het standpunt gesteld dat met de totstandkoming van de overeenkomst van 24 april 2014 de overeenkomst van 29 maart 2007 van de baan is, en dat dit tot gevolg heeft dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot 290-bedrijfsruimte onverkort op de duur van de tussen partijen geldende overeenkomst van toepassing zijn, zodat die overeenkomst duurt tot 30 april 2019 en vervolgens met vijf jaar wordt verlengd.16

3.15

De kantonrechter heeft het standpunt van [eiseres] verworpen op de grond dat art. 16 lid 5 benzinewet aan de verhuurder een bijzonder recht zou verlenen, waarvan hij alleen uitdrukkelijk afstand kan doen (rechtsoverweging 4.4 e.v. van het vonnis). Dit is geen juiste benadering. Als de inhoud van een overeenkomst tussen partijen wijzigt, kan dit ook ten gevolge hebben dat geheel of gedeeltelijk andere rechtsregels op de overeenkomst van toepassing worden.17 Het antwoord op de vraag of zulke andere rechtsregels op de gewijzigde overeenkomst van toepassing zijn, is niet afhankelijk van de vraag of partijen ook de bedoeling hadden de overeenkomst onder die andere rechtsregels te laten vallen,18 en dus is daarvoor ook niet bepalend of een partij van een aan de voorheen toepasselijke rechtsregels te ontlenen recht afstand heeft gedaan.

3.16

Het is dus terecht dat het hof een ander perspectief heeft gekozen.19 Het hof heeft in de context van art. 6:215 BW20 de inhoud, strekking en onderlinge samenhang van de diverse regels van de benzinewet en van de regeling in het Burgerlijk Wetboek van huur van 290-bedrijfsruimte onderzocht21 en zich tegen die achtergrond de vraag gesteld of het samenstel van contracten in 2014 zodanig is gewijzigd dat de rechtsverhouding niet (langer) op 31 december 2017 van rechtswege eindigt.22 Volgens het hof doet de omstandigheid dat [eiseres] vanaf 2014 niet langer zelf aardolieproducten verkocht, maar in plaats daarvan als agent van Esso bij zulke verkoop bemiddelde, niet eraan af dat nog steeds sprake is van een huurovereenkomst waarop het bijzondere regime van de benzinewet van toepassing is.23 Wat betreft dit laatste: volgens het hof eist art. 11 benzinewet niet dat de ‘exploitant’24 in de zin van die bepaling, in de nieuwe overeenkomst dezelfde status heeft als die hij voorafgaande aan de inwerkingtreding van de benzinewet had.25 Met andere woorden, volgens het hof is ook het samenstel van verbintenissen van de overeenkomst van 24 april 2014 te beschouwen als een overeenkomst in de zin van art. 11 lid 1 benzinewet, met als gevolg dat op grond van de regel van art. 16 lid 5 benzinewet de overeenkomst op 31 december 2017 van rechtswege eindigt.

3.17

Art. 6:215 BW betreft een geval van samenloop, namelijk van de wettelijke bepalingen van twee of meer door de wet geregelde bijzondere soorten van overeenkomsten. Het vraagstuk van de samenloop kan men vanuit diverse perspectieven benaderen. Men kan het zo zien dat er diverse rechtsregels zijn die weliswaar in beginsel naast elkaar toepasselijk zijn, maar waarbij de vraag moet worden gesteld of gelijktijdige toepassing (cumulatie) wel passend is (samenloop van rechtsregels).26 In plaats van cumulatie zijn twee andere gebruikelijke procedés27 een keuzeplicht voor een partij (alternativiteit) en verdringing van de ene rechtsregel door een andere (exclusiviteit). Een enigszins andere invalshoek vertrekt niet vanuit het objectieve recht, maar vanuit een procespartij: deze partij kan veelal regels gelijktijdig inroepen, maar moet soms kiezen, of kan in verband met de toepasselijkheid van de ene regel een andere regel niet inroepen (samenloop van gronden voor de vordering respectievelijk het verweer).28 In nog weer een ander perspectief staat de uitleg van rechtsregels en rechtsverhoudingen centraal.29 Om vast te stellen of een rechtsregel wel of niet op een bepaalde rechtsverhouding van toepassing is, zal men beide moeten uitleggen, niet meer en niet minder. Past men twee rechtsregels tegelijk toe, dan beschouwt men één rechtsverhouding eenvoudig vanuit twee gezichtshoeken tegelijk. Of dit juist is, is een vraag van uitleg van die rechtsregels en van de desbetreffende rechtsverhouding. Soms brengt die uitleg wat anders mee, namelijk dat een schijnbaar toepasselijke rechtsregel, toch niet van toepassing is. Mijns inziens is geen van deze invalshoeken exclusief juist en vullen zij integendeel elkaar aan.

3.18

Vanuit het perspectief van het samenlopen van rechtsregels is gemakkelijk te verklaren dat cumulatie de hoofdregel is. Rechtsregels vragen naar hun aard om toepassing; zonder toepassing is een rechtsregel een holle frase. Het naast elkaar toepassen van meerdere rechtsregels, leidt ertoe dat de in die rechtsregels voorziene rechtsgevolgen tezamen intreden. Dat is het mooiste, want zo komen die regels elk tot hun recht.

3.19

Sommige rechtsregels verlenen aan een partij een bevoegdheid waarvan deze wel of niet gebruik kan maken (wilsrecht). Nu is het perspectief van samenloop van gronden primair. Een partij heeft bijvoorbeeld de bevoegdheid om een overeenkomst te vernietigen. De aard van deze bevoegdheid sluit uit dat de uitoefening ervan wordt gecombineerd met bijvoorbeeld een vordering tot nakoming. Deze partij moet kiezen. Dat leidt niet werkelijk ertoe dat bepaalde rechtsregels niet tot hun recht komen. De strekking van het samenstel van de in beginsel naast elkaar toepasselijke rechtsregels is nu juist dat de bedoelde partij een keuze heeft. Dat die keuze vervolgens consequenties heeft, hoort daarbij.

3.20

Exclusiviteit leidt er wel toe dat een of meer rechtsregels niet tot hun recht komen. De dominante rechtsregel verdringt immers de toepasselijkheid van de andere: de dominante rechtsregel weggedacht, zouden de in de verdrongen rechtsregels voorziene rechtsgevolgen zijn ingetreden; in verband met de exclusiviteit van de dominante regel treden die gevolgen echter toch niet in.30 Een uitleg volgens welke de ene rechtsregel een of meer andere verdringt, behoort niet te spoedig te worden aanvaard. Uw Raad heeft dit wel aldus geformuleerd in geval van samenloop van wettelijke regelingen, dat van exclusieve werking slechts sprake kan zijn indien de wet zulks voorschrijft of onvermijdelijk meebrengt.31

3.21

In overeenstemming met de hiervoor verkende algemene regels van samenloop, stelt art. 6:215 BW voor het geval een overeenkomst voldoet aan de omschrijving van twee of meer door de wet geregelde bijzondere soorten van overeenkomsten, als hoofdregel voorop dat de voor elk van die soorten gegeven bepalingen naast elkaar op de overeenkomst van toepassing zijn. Een ‘behoudens’ leidt vervolgens een tweeledige uitzondering in voor het geval dat deze bepalingen niet wel verenigbaar zijn of de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst zich tegen toepassing verzet. Volgens de wetsgeschiedenis is de in art. 6:215 BW geformuleerde hoofdregel (cumulatie) niet meer dan een eerste aanwijzing.32 Ook uit de rechtspraak blijkt dat zeer wel denkbaar is dat voor cumulatie geen plaats is, en ook niet voor alternativiteit. In een arrest uit 201733 zegt uw Raad het aldus dat voor zover bepalingen, geldend voor de onderscheiden soorten overeenkomsten, niet met elkaar te verenigen zijn, door uitleg van de gemengde overeenkomst dient te worden beoordeeld welke bepaling (bepalingen) in het concrete geval dient (dienen) te prevaleren, wat in een voorkomend geval ertoe kan leiden dat bepalingen (zelfs ook) van dwingend recht buiten toepassing moeten worden gelaten. In deze formulering van uw Raad is sprake van uitleg van de gemengde overeenkomst, maar het spreekt vanzelf dat de vaststelling dat een of meer wettelijke bepalingen in het concrete geval boven andere dienen te prevaleren, ook uitleg van de wet veronderstelt, zowel (van de strekking) van de prevalerende bepalingen, als van de bepalingen die worden verdrongen.

3.22

Hetzelfde arrest uit 2017 zegt nog dat art. 6:215 BW ziet op het geval dat een ‘gemengde overeenkomst’ niet in twee of meer van elkaar onafhankelijke overeenkomsten kan worden gesplitst. In de literatuur is dit wel aldus opgevat dat een vaste volgorde bestaat van te nemen stappen.34 De eerste stap zou dan zijn dat door uitleg van de overeenkomst wordt vastgesteld of de overeenkomst niet in verschillende afzonderlijke overeenkomsten uiteenvalt. Alleen bij ontkennende beantwoording zou art. 6:215 BW tot toepassing komen. Ik betwijfel of dit een gelukkige voorstelling van zaken is. In ieder geval is niet juist dat de vraag of een overeenkomst in verschillende afzonderlijke overeenkomsten uiteenvalt, alleen een kwestie van uitleg van die overeenkomst is. Ook beantwoording van die vraag veronderstelt tevens uitleg van de wet. De inhoud of strekking van een wettelijke bepaling kan in voorkomende gevallen ook meebrengen dat splitsing in verschillende afzonderlijke bepalingen niet behoort plaats te vinden.

3.23

Voordat ik de klachten van het cassatiemiddel bespreek, keer ik nog een keer terug naar het stelsel van de benzinewet. Dat stelsel moet worden begrepen tegen de achtergrond van de strekking van de benzinewet om de prijsconcurrentie op de markt van de verkoop van motorbrandstoffen langs rijkswegen te vergroten en de toetredingsmogelijkheden tot deze markt te verruimen (hiervoor 3.4). De huur van locaties is onderworpen aan een systeem van openbare veilingen. De aldus tot stand komende huurovereenkomsten worden door art. 5 benzinewet uitdrukkelijk aan de toepasselijkheid van bepalingen van 290-bedrijfsruimtehuur onttrokken (afdeling 6 van titel 5 van Boek 7 BW). In plaats daarvan zijn de bepalingen van de benzinewet van toepassing (hiervoor 3.5). Dit is dus een geval van exclusieve werking die door de wet wordt voorgeschreven. Kiest de huurder ervoor de locatie niet zelf te exploiteren, dan bemoeit de benzinewet zich ook met het regime dat van toepassing is op de overeenkomst die deze huurder met een exploitant sluit. Die overeenkomst eindigt op grond van art. 3 lid 6 benzinewet in ieder geval op het moment waarop de huurovereenkomst eindigt en zonder dat daartoe opzegging vereist is. De wetgever heeft onder ogen gezien dat deze overeenkomst het karakter kan dragen van een (onderver)huurovereenkomst van 290-bedrijfsruimte, en heeft uitdrukkelijk bepaald dat ook dan de zojuist bedoelde principes van toepassing zijn: een dergelijke huurovereenkomst van 290-bedrijfsruimte eindigt, in afwijking van de BW-regels, van rechtswege tegelijk met de hoofdhuur. Opnieuw dus een geval van exclusieve werking die door de wet wordt voorgeschreven. Dat zulke exclusiviteit is beoogd, volgt ook uitdrukkelijk uit de wetsgeschiedenis (hiervoor 3.6).

3.24

Ook de regels van overgangsrecht die de benzinewet bevat, hebben de met die wet beoogde marktordening tot achtergrond. De wetgever heeft gewild dat het stelsel van openbare veilingen meteen zou ingaan, maar heeft de gevolgen daarvan voor bestaande overeenkomsten willen verzachten (hiervoor 3.7). Wat betreft ‘gewone’ bestaande exploitanten als [eiseres] (hiervoor 3.8) geldt dat art. 11 benzinewet aan de hoogste bieder de verplichting oplegt om een nieuwe overeenkomst aan te aanbieden die de exploitant in staat stelt om tot en met het kalenderjaar 2017 gemiddeld een netto winstaandeel te genieten dat gelijk is aan diens gemiddelde netto winstaandeel in de zin van art. 9 benzinewet en die niet zodanig van de voorgaande exploitatieovereenkomst afwijkt dat aanvaarding door de exploitant van de nieuwe overeenkomst redelijkerwijs niet kan worden verlangd. Binnen deze randvoorwaarden laat de wetgever de inhoud van de nieuwe overeenkomst aan partijen over (hiervoor 3.9). Wel stelt de wetgever paal en perk aan de duur van deze overeenkomst: zij eindigt op grond van art. 16 lid 5 benzinewet van rechtswege (dus niet door opzegging) en wel op 31 december 2017, tenzij partijen een eerder tijdstip zijn overeengekomen. Dat opzegging niet vereist is, geldt volgens art. 16 lid 8 benzinewet óók als de overeenkomst een huurovereenkomst van 290-bedrijfsruimte zou betreffen; ook bestaat geen aanspraak op schadevergoeding (hiervoor 3.10). Opnieuw is dus sprake van exclusieve werking die door de wet wordt voorgeschreven. De strekking hiervan is dat het door de benzinewet in het leven geroepen stelsel van marktordening vanaf 1 januari 2018 ten volle realiteit dient te zijn, zonder dat nog aanspraken bestaan die hun oorsprong hebben in de situatie van vóór de inwerkingtreding van die wet per 31 juli 2005.

3.25

Na deze enigszins omstandig uitgevallen inleiding kom ik nu toe aan een bespreking van de diverse klachten van het cassatiemiddel.

3.26

Onderdeel 1 richt diverse rechts- en motiveringsklachten tegen rechtsoverwegingen 3.12.4, 3.12.5 en 3.14 van het arrest van het hof:

‘3.12.4. De wijziging die in 2014 heeft plaatsgevonden in het samenstel van overeenkomsten heeft betrekking op de wijze waarop partijen invulling hebben gegeven aan “de tegenprestatie” van [eiseres] voor het gebruik van het verkooppunt. Deze tegenprestatie bestond niet meer uit de betaling van “een exploitatierecht” ter hoogte van een bepaald bedrag in combinatie met het verplicht afnemen van aardolieproducten tegen een bepaalde prijs en het verkopen daarvan, maar bestond hieruit dat zij diende te bemiddelen bij de verkoop van deze producten tegen de ontvangst van een bepaald bedrag en het exploiteren van de shop voor een overeengekomen bedrag. In dit samenstel van contracten staat het ter beschikking stellen van het verkooppunt nog zodanig centraal dat de regels van het huurrecht de rechtsverhouding tussen partijen bepalen. Met betrekking tot deze prestatie van Esso en, later, NRGValue is in 2014 geen wijziging opgetreden.

3.12.5.

Het hof concludeert dat de huurovereenkomst, aangegaan door partijen in 2007, in 2014 is voortgezet en dat de Benzinewet daarop van toepassing is gebleven. Dit is in lijn met het kader waarbinnen partijen in de considerans van de overeenkomst van 24 april 2014 onder D. de nieuwe overeenkomst hebben omschreven, namelijk:

“Esso en Exploitant (lees: [eiseres], hof) onderkennen dat dit contract de hiervoor sub C genoemde agentuur- en exploitatierelatie regelt, waarbij het huurrecht (van bedrijfsruimte 7:290 BW e.v.) onverkort op het gehele Verkooppunt van toepassing is en blijft tot 31 december 2017 waarna de huurbescherming van Exploitant volgens de benzinewet eindigt en deze Overeenkomst ook eindigt.”

Gelet evenwel op het feit dat de hier in het geding zijnde regelgeving van dwingendrechtelijke aard is, speelt de duiding die partijen in hun schriftelijk contract aan hun rechtsverhouding geven, bij de hiervoor gegeven beoordeling geen rol.

(…)

3.14.

Grief I slaagt niet. De Benzinewet is van toepassing op het gehele samenstel van verbintenissen, aangegaan op 24 april 2014. Op de rechtsverhouding in haar geheel zijn de verbintenissen van partijen jegens elkaar uit hoofde van het huurrecht het meest kenmerkend. Van ondergeschikt belang is of de exploitant, in deze zaak [eiseres], de motorbrandstoffen en/of de shopartikelen voor eigen rekening en risico verkoopt dan wel op een andere wijze aan de tegenprestatie voor het gebruik van de gehuurde zaken vorm gegeven is.’

3.27

Onder 1.1 bevat het onderdeel de klacht dat het hof ten onrechte niet eerst heeft onderzocht of de rechtsverhouding tussen partijen kan worden gesplitst in afzonderlijke overeenkomsten,35 en, indien dat niet mogelijk is, of de rechtsregels behorende bij de verschillende soorten overeenkomsten (huur en agentuur) conform de hoofdregel van art. 6:215 BW gecumuleerd kunnen worden toegepast. Volgens de klacht kon het hof eerst bij een ontkennend antwoord op deze twee vragen toekomen aan zijn beoordeling van de vraag welk aspect van de rechtsverhouding van partijen zodanig centraal staat en overheerst dat de daarbij behorende rechtsregels moeten worden toegepast.

3.28

Deze klacht faalt. Ze berust kennelijk op de hiervoor 3.22 bedoelde opvatting als zou eerst moeten worden vastgesteld of splitsing in afzonderlijke overeenkomsten mogelijk is, voordat (in geval van ontkennende beantwoording van die vraag) aan toepassing van art. 6:215 BW wordt toegekomen. Aldus scheiden de stellers van het middel wat niet behoort te worden gescheiden. Het hof heeft in rechtsoverweging 3.12.5 geoordeeld dat de huurovereenkomst uit 2007 in 2014 is voortgezet en dat de benzinewet daarop van toepassing is gebleven. Dit oordeel berust op een beoordeling in rechtsoverweging 3.12.4 van de aard van de wijziging in 2014 in het samenstel van overeenkomsten tussen partijen tegen de achtergrond van de inhoud en strekking van de benzinewet in samenhang met de BW-bepalingen met betrekking tot huur. Het hof heeft vervolgens in rechtsoverweging 3.14 geoordeeld dat de benzinewet op het gehele samenstel van verbintenissen, aangegaan op 24 april 2014, van toepassing is. In een en ander ligt besloten dat volgens het hof in verband met de inhoud en strekking van de benzinewet en de aard van de overeenkomst (het samenstel van overeenkomsten) van splitsing in de door de klacht bedoelde zin geen sprake kan zijn, evenmin als van gecumuleerde toepassing. Aldus heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

3.29

Ik heb mij nog de vraag gesteld of [eiseres] bij de klacht wel belang heeft. Ik meen van niet. Ervan uitgaande, zoals door het hof is geoordeeld, dat de overeenkomst van 2014 nog steeds een overeenkomst in de zin van art. 11 benzinewet is, geldt ook voor een eventueel daarbinnen te onderscheiden afzonderlijke agentuurovereenkomst dat zij van rechtswege op 31 december 2017 eindigt (art. 16 lid 5 benzinewet). Alleen het einde van de overeenkomst is onderwerp van geschil.

3.30

Onder 1.2 bevat het onderdeel de klacht dat het hof ten onrechte de toepasselijkheid van de benzinewet afhankelijk acht van de kwalificatie dat de rechtsverhouding van partijen hoofdzakelijk bestaat uit een huurovereenkomst. Het hof had aan de hand van de inhoud van de overeenkomst de toepasselijkheid van de benzinewet op de rechtsverhouding tussen partijen vanaf 2014, als geheel bezien, moeten onderzoeken. Bij die beoordeling is het niet van ondergeschikt belang of [eiseres] de motorbrandstoffen en/of shopartikelen voor eigen rekening of risico verkoopt dan wel op andere wijze aan de tegenprestatie voor het gebruik van de gehuurde zaak vorm is gegeven.

3.31

Ook deze klachten slagen mijns inziens niet. Het hof heeft wel degelijk aan de hand van de inhoud van de overeenkomst de toepasselijkheid van de benzinewet op de rechtsverhouding van partijen vanaf 2014 onderzocht. Het hof heeft geoordeeld dat de benzinewet op die rechtsverhouding van toepassing bleef. Als het arrest van het hof zo moet worden gelezen dat de kwalificatie van de rechtsverhouding als hoofdzakelijk een huurovereenkomst voor het hof wezenlijk was, dan verandert dit niets aan de uitkomst. Art. 11 lid 1 benzinewet eist weliswaar niet dat de nieuwe overeenkomst die de hoogste bieder met een bestaande exploitant sluit, een huurovereenkomst is (en blijft), maar [eiseres] heeft geen belang bij een klacht op dat punt. De klacht maakt niet duidelijk waarom de omstandigheid dat [eiseres] de motorbrandstoffen vanaf 2014 niet langer voor eigen rekening en risico verkoopt en de shopartikelen juist wel, niet verenigbaar is met het oordeel van het hof dat de benzinewet ook na 2014 op die rechtsverhouding van toepassing bleef.

3.32

Onder 1.3 betogen de stellers van het middel dat het hof heeft miskend dat de vraag of partijen in 2014 een nieuwe overeenkomst zijn aangegaan – waarop volgens hen art. 16 lid 5 benzinewet36 ingevolge art. 6 lid 1 onder b per definitie niet van toepassing zou zijn – dan wel hun bestaande overeenkomst hebben voortgezet in gewijzigde vorm, beoordeeld moet worden aan de hand van de wilsvertrouwensleer, in het licht van alle omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat in het samenstel van contracten dat in 2014 ontstond, de huurrechtelijke prestaties van NRGValue niet zijn gewijzigd en het meest kenmerkend zijn, evenals de omstandigheid dat het niet uitmaakt op welke wijze aan de tegenprestatie vorm is gegeven, staat er niet aan in de weg dat partijen hebben bedoeld voor het overige een (inhoudelijk) nieuwe overeenkomst aan te gaan.

3.33

Ook deze klacht slaagt niet, reeds omdat art. 6 lid 1 onder b benzinewet er niet aan in de weg staat dat gedurende de overgangsperiode tussen partijen een nieuwe overeenkomst wordt gesloten als bedoeld in art. 11 benzinewet, ter vervanging van een eerdere overeenkomst op grond van dat artikel. De andersluidende opvatting van de stellers van het middel berust op een lezing van de bepalingen van art. 16 lid 5 en art. 6 lid 1 onder b van de benzinewet naar de letter. Die letter spreekt in art. 16 lid 5 van een overeenkomst die op de voet van art. 11 met een ‘bestaande exploitant’ tot stand komt en volgens art. 6 lid 1 onder b is een bestaande exploitatieovereenkomst37 een overeenkomst die reeds vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van de benzinewet bestond. Hieruit menen de advocaten van [eiseres] af te kunnen leiden dat een overeenkomst als bedoeld in art. 11 benzinewet niet kan worden vervangen door een nieuwe overeenkomst waarop art. 11 benzinewet óók van toepassing is; kennelijk gaan zij ervan uit dat met de eerste (volgens hen enige) overeenkomst als bedoeld in art. 11 benzinewet de bestaande exploitant die hoedanigheid verliest. Niet een letterlijke maar een redelijke wetsuitleg is bepalend. Volgens een redelijke uitleg van art. 6, 11 en 16 benzinewet is wel degelijk mogelijk dat een overeenkomst in de zin van art. 11 door een nieuwe overeenkomst wordt vervangen, waarop art. 11 eveneens van toepassing is. Tegen een zodanige nieuwe overeenkomst bestaat geen bezwaar vanuit het perspectief van bescherming van ten tijde van de inwerkingtreding van de benzinewet bestaande rechten (hiervoor 3.7 e.v.). Tegen de andersluidende uitleg van het subonderdeel bestaat wel bezwaar, omdat zij ertoe zou leiden dat de met de benzinewet beoogde marktordening en de in verband daarmee tijdelijk geldende overgangsregeling (tot en met 31 december 2017), wordt doorkruist.

3.34

Onder 1.4 bevat het onderdeel de klacht dat het hof heeft miskend dat het mogelijk is dat een bestaande rechtsverhouding na verloop van tijd (hier vanaf 2014) anders moet worden uitgelegd dan eerder (dynamische uitleg).

3.35

Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft wel degelijk de inhoud van de rechtsverhouding vanaf 2014 onderzocht (zie in het bijzonder rechtsoverwegingen 3.12 en 3.12.4).

3.36

Onder 1.5 bevat het onderdeel een klacht die varieert op de vorige: het hof zou niet hebben onderzocht of de benzinewet nog van toepassing is op het sinds 1 mei 2014 geldende samenstel van contracten.

3.37

Ook deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft dit wel degelijk onderzocht (zie in het bijzonder rechtsoverwegingen 3.12.5 en 3.13).

3.38

Onder 1.6 voeren de stellers van het middel aan dat het oordeel van het hof dat sprake is van een voortzetting van de oude huurovereenkomst waarop de benzinewet van toepassing is, onbegrijpelijk is, omdat het hof heeft vastgesteld dat de exploitatiestructuur in de agentuurstructuur ten aanzien van de benzineverkopen is gewijzigd, hetgeen geen andere uitleg toelaat dan dat partijen in 2014 een nieuwe overeenkomst zijn aangegaan.38

3.39

Ook deze klacht faalt. Ik verwijs naar wat ik naar aanleiding van subonderdeel 1.3 heb opgemerkt (hiervoor 3.33).

3.40

Onder 1.7 betogen de stellers van het middel dat het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze, uit de brief van [eiseres] concludeert dat [eiseres] wilde dat de wijzingen in de contractuele relatie ook zouden worden gebaseerd op de toepasselijkheid van de benzinewet.39

3.41

Daargelaten of de klacht het arrest van het hof juist leest, geldt dat [eiseres] bij de klacht geen belang heeft. Het hof heeft zijn oordeel dat de benzinewet op de in 2014 gewijzigde overeenkomst van toepassing is gebleven, niet gegrond op enige aanname met betrekking tot de wil van [eiseres] (zie uitdrukkelijk rechtsoverweging 3.12.5 laatste alinea).

3.42

Onder 1.8 richt het onderdeel zich tegen rechtsoverweging 3.12.5, waar het hof refereert aan de duiding die partijen in hun schriftelijk contract aan hun rechtsverhouding hebben gegeven. Aldus richt het subonderdeel zich vergeefs tegen een overweging ten overvloede (zie opnieuw de laatste alinea van rechtsoverweging 3.12.5).

3.43

Onder 1.9 klaagt [eiseres] dat de overweging van het hof dat de in het geding zijnde regelgeving van dwingendrechtelijke aard is en de duiding van partijen in de uit te voeren beoordeling geen rol speelt (laatste alinea van rechtsoverweging 3.12.5), onjuist is omdat voor de beoordeling van de inhoud van een contract die duiding wel degelijk van belang is. Volgens het subonderdeel is de overweging bovendien strijdig met eerdere overwegingen van het hof. Met dit laatste doelt de steller van het middel kennelijk op overwegingen van het hof met betrekking tot de inhoud van de in 2014 gewijzigde overeenkomst.

3.44

De klacht faalt. Achtergrond van de aangevallen overweging van het hof is het onderscheid tussen uitleg van de inhoud van een overeenkomst – in de zin van de door partijen overeengekomen rechten en verplichtingen – en de kwalificatie van de overeenkomst.40 Terecht is het hof ervan uitgegaan dat wat betreft dit laatste (kwalificatie) een eventuele duiding door partijen geen rol speelt.

3.45

Onderdeel 2 richt zich tegen rechtsoverweging 3.13 van het arrest van het hof:

‘3.13. In de toelichting bij grief I stelt [eiseres] dat zij in de gewijzigde overeenkomst met betrekking tot de brandstoffenverkoop geen exploitant meer is in de zin van de Benzinewet. Zij verwijst naar artikel 1 van deze wet waarin de exploitant wordt gedefinieerd als:

“een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onderneming drijft wier werkzaamheden bestaan of mede bestaan uit de verkoop van motorbrandstoffen.” Tussen partijen staat vast dat [eiseres] aan deze omschrijving voldeed op het moment dat partijen in 2007 een overeenkomst met elkaar zijn aangegaan. Op dat moment, althans met ingang van 2006, waren de overgangsbepalingen uit de Benzinewet – die op 31 juli 2005 in werking is getreden – op Esso en [eiseres] van toepassing. Artikel 11 Benzinewet legt aan Esso, zijnde de huurster na de veiling, de verplichting op om met de exploitant van het geveilde verkooppunt “een nieuwe overeenkomst” aan te gaan. Met betrekking tot de inhoud van deze overeenkomst eist de Benzinewet slechts dat “die exploitant” redelijkerwijs in staat wordt gesteld om tot en met het kalenderjaar 2017 gemiddeld een netto winstaandeel te genieten dat gelijk is aan diens gemiddelde netto winstaandeel in de drie kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van de veiling. Voor het overige regelt de Benzinewet dat deze overeenkomst van rechtswege eindigt op 31 december 2017; de dwingendrechtelijke bepalingen uit het huurrecht, opgenomen in afdeling 6, titel 4 van boek 7 BW worden niet van toepassing verklaard.

De Benzinewet eist dan ook niet dat de “exploitant” in de nieuwe overeenkomst dezelfde status heeft als hij voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Benzinewet had. Voor zover dus al juist zou zijn dat [eiseres] na de wijziging van de overeenkomst in 2014 niet meer onder de definitie van exploitant in de Benzinewet zou vallen, betekent dit niet dat hij niet meer zou gelden als contractspartij bij het sluiten van de overeenkomst op basis van artikel 11 van de Benzinewet.’

3.46

De rechtsklacht die het onderdeel onder 2.1 bevat, berust op de opvatting dat van een overeenkomst in de zin van art. 11 benzinewet alleen sprake is indien de wederpartij van de huurder een exploitant in de zin art. 1 benzinewet is en blijft. Deze uitleg ontlenen de stellers van het middel aan de ontstaansgeschiedenis van art. 11, zoals hiervoor 3.9 aangehaald (de MvT spreekt daar van een verplichting om aan de bestaande exploitant ‘een nieuwe exploitatieovereenkomst’ aan te bieden). In hun schriftelijke toelichting menen de advocaten van [eiseres] deze uitleg bovendien te kunnen ontlenen aan de hierna in de tekst van art. 11 lid 1 benzinewet onderstreepte woorden:

‘Degene, die ingevolge een veiling als bedoeld in artikel 7 die plaats heeft gehad voor 1 januari 2018 huurder is geworden van een locatie die voorwerp is van een bestaande exploitatieovereenkomst, biedt de bestaande exploitant een nieuwe overeenkomst aan (…)’

3.47

Deze uitleg van de benzinewet acht ik onjuist. Dat de wetsgeschiedenis spreekt van een nieuwe exploitatieovereenkomst is niet bijzonder, omdat de in art. 11 lid 1 benzinewet bedoelde nieuwe overeenkomst uiteraard veelal een exploitatieovereenkomst zal zijn. Dit betekent niet dat zij dit uitsluitend mag zijn. De wet zelf spreekt enkel van ‘een nieuwe overeenkomst’. Dat dit een exploitatieovereenkomst zou moeten zijn, kan niet worden afgeleid uit het voorafgaande gebruik van het woord ‘exploitant’. Dat woord wordt niet gebruikt om de vereiste inhoud van de nieuwe overeenkomst te definiëren, maar om de partij aan te duiden aan wie de hoogste inschrijver een nieuwe overeenkomst moet aanbieden. Die partij is de ‘bestaande exploitant’ (dus niet ‘exploitant’, maar ‘bestaande exploitant’). Dit begrip verwijst naar de situatie ten tijde van de inwerkingtreding van de benzinewet respectievelijk de veiling van de desbetreffende locatie en zegt dus iets over de inhoud van de op die momenten geldende overeenkomst. Zie de definities van ‘bestaande exploitant’ en ‘bestaande exploitatieovereenkomst’ van art. 6 lid 1 onder b en c benzinewet. Nog even met zoveel woorden: voor de uitleg van art. 11 lid 1 benzinewet is niet het begrip ‘exploitant’ in de zin van art. 1 benzinewet, maar uitsluitend het begrip ‘bestaande exploitant’ in de zin van art. 6 lid 1 benzinewet van belang. Laatstbedoelde definitie ziet uitdrukkelijk op de overgangsbepalingen van paragraaf 4 van de wet, waaronder art. 11.

3.48

De door het onderdeel voorgestane uitleg past mijns inziens ook heel niet bij de bedoeling van de wetgever. Partijen zijn volgens die bedoeling wat betreft de inhoud van de nieuwe overeenkomst als bedoeld in art. 11 benzinewet binnen bepaalde randvoorwaarden vrij. Die randvoorwaarden zien uitsluitend op het met de nieuwe overeenkomst te behalen rendement en op de redelijkheid van voorwaarden in relatie tot dat wat op grond van de voorgaande exploitatieovereenkomst gold. Wat niet vrij is, is het einde van de nieuwe overeenkomst; zij eindigt uiterlijk op 31 december 2017, en wel van rechtswege. De uitleg die de stellers van het middel verdedigen, miskent zowel de bedoelde vrijheid van inhoud, als het verplichte einde van de nieuwe overeenkomst. Zij zou ertoe leiden dat het door de benzinewet in het leven geroepen stelsel van marktordening vanaf 1 januari 2018 toch nog niet ten volle realiteit is, omdat nog aanspraken kunnen bestaan die hun oorsprong hebben in de situatie van vóór de inwerkingtreding van die wet per 31 juli 2005, namelijk in alle gevallen waarin een huurder zo onvoorzichtig is geweest om toe te stemmen in een nieuwe overeenkomst die weliswaar de bestaande exploitant voldoende rendement biedt en ten opzichte van de voorgaande exploitatieovereenkomst ook niet onredelijk is, maar waarbij deze partij niet langer voor eigen rekening motorbrandstoffen verkoopt.

3.49

Onder 2.2 klaagt het onderdeel dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat in de benzinewet de dwingendrechtelijke regels van het huurrecht van afdeling 6 van titel 4 van Boek 7 BW niet van toepassing worden verklaard. Het hof zou hebben miskend dat uit art. 3 lid 6 benzinewet blijkt dat op een onderhuurovereenkomst zoals die tussen [eiseres] en NRGValue, die bepalingen juist wel van toepassing zijn.

3.50

Deze klacht treft evenmin doel. Het bestreden oordeel van het hof ziet klaarblijkelijk (zie het eerste deel van de zin waarop de klacht doelt) alleen op het tijdstip en de wijze waarop de overeenkomst eindigt. Dat was (en is) immers de inzet van het geschil. Wat het hof dus bedoelt is dat, anders dan door [eiseres] was betoogd, de overeenkomst niet overeenkomstig de regels voor 290-bedrijfsruimtehuur duurt tot 30 april 2019 en vervolgens met vijf jaar wordt verlengd. In plaats daarvan eindigt de overeenkomst overeenkomstig art. 16 lid 5 benzinewet van rechtswege per 31 december 2017.

3.51

Onderdeel 3 richt zich tegen rechtsoverweging 3.14:

‘Grief I slaagt niet. De Benzinewet is van toepassing op het gehele samenstel van verbintenissen, aangegaan op 24 april 2014. Op de rechtsverhouding in haar geheel zijn de verbintenissen van partijen jegens elkaar uit hoofde van het huurrecht het meest kenmerkend. Van ondergeschikt belang is of de exploitant, in deze zaak [eiseres], de motorbrandstoffen en/of de shopartikelen voor eigen rekening en risico verkoopt dan wel op een andere wijze aan de tegenprestatie voor het gebruik van de gehuurde zaken vorm gegeven is.’

3.52

Het onderdeel bouwt uitsluitend voort op hiervoor reeds verworpen klachten, namelijk die van de subonderdelen 1.1 tot en met 1.5 en 2.1, en deelt dus in het lot van die klachten.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vergelijk het arrest van het hof onder 3.1.

2 ECLI:NL:GHSHE:2020:335.

3 Wet van 16 juni 2005, Stb. 2005, 324.

4 Stb. 2005, 354.

5 Kamerstukken II, 2004/2005, 29 951, nr. 3, p. 1. Vergelijk: J.M. Winter-Bossink, Afwijking van het huurrecht voor bedrijfsruimte door de nieuwe Benzinewet, TvHB 2005/4, p. 112; B.N. Cammelbeeck, Kroniek Benzinewet, TvHB 2015/2, p. 73.

6 Vergelijk: Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2017/527; J.M. Winter-Bossink, Afwijking van het huurrecht voor bedrijfsruimte door de nieuwe Benzinewet, Tijdschrift voor Huurrecht Bedrijfsruimte (TvHB) 2005/4, p. 113; A.R. de Jonge, De verhuur van benzinestations op grond van de Benzinewet, WR 2006/49.

7 MvT, Kamerstukken II, 2004/2005, 29 951, nr. 3, p. 10.

8 MvT, Kamerstukken II, 2004/2005, 29 951, nr. 3, p. 12.

9 MvT, Kamerstukken II, 2004/2005, 29 951, nr. 3, p. 1.

10 Zie MvT, Kamerstukken II, 2004/2005, 29 951, nr. 3, p. 3-6.

11 MvT, Kamerstukken II, 2004/2005, 29 951, nr. 3, p. 1, 5 en 6. Vergelijk met betrekking tot het overgangsrecht van de Benzinewet: A.R. de Jonge, Huurrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers, 2019, p. 642; dezelfde, De verhuur van benzinestations op grond van de Benzinewet, WR 2006/49; B.N. Cammelbeeck, Kroniek Benzinewet, TvHB 2015/2, p. 73; J.M. Winter-Bossink, Afwijking van het huurrecht voor bedrijfsruimte door de nieuwe Benzinewet, TvHB 2005/4, p. 113-114.

12 Art. 9 van de Benzinewet voorziet in de vaststelling van het gemiddelde netto winstaandeel van de exploitant door een deskundige in opdracht van de Staat op de grondslag van een ministeriële regeling (lid 2). De drie aan de veilig voorafgaande kalenderjaren zijn in beginsel bepalend (lid 3).

13 MvT, Kamerstukken II, 2004/2005, 29 951, nr. 3, p. 20.

14 MvT, Kamerstukken II, 2004/2005, 29 951, nr. 3, p. 24.

15 De overeenkomst is als productie 8 bij inleidende dagvaarding overgelegd. De considerans van de overeenkomst vermeldt onder D: ‘Esso en Exploitant onderkennen dat dit contract de hiervoor sub C genoemde agentuur- en exploitatierelatie regelt, waarbij het huurrecht (van bedrijfsruimte 7:290 BW e.v.) onverkort op het gehele Verkooppunt van toepassing is en blijft tot 31 december 2017 waarna de huurbescherming van Exploitant volgens de benzinewet eindigt en deze Overeenkomst ook eindigt.’ Artikel 2 (Duur) van de overeenkomst luidt: Deze Overeenkomst is ingegaan 01/05/2014 en eindigt op 31/12/2017.’

16 Vergelijk het vonnis van de kantonrechter onder 2. Volgens het toenmalige standpunt van [eiseres] bracht de benzinewet intussen wel met zich dat de overeenkomst op 31 december 2020 zou eindigen. In hoger beroep heeft zij dit standpunt echter alsnog verlaten. Volgens haar nadere standpunt is op de nieuwe overeenkomst die in 2014 is gesloten, de benzinewet in het geheel niet van toepassing. Vergelijk memorie van grieven onder 5.

17 HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876, NJ 2012/75 m.nt. P. van Schilfgaarde (Dierenartspraktijk Asten/Fuchs e.a.).

18 HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034, NJ 2020/43 (inscharing).

19 Vergelijk rechtsoverweging 3.15 van het arrest van het hof.

20 Zie rechtsoverwegingen 3.11 en 3.12.

21 Zie in het bijzonder rechtsoverwegingen 3.10 en 3.11.

22 Zie rechtsoverweging 3.12.

23 Zie rechtsoverwegingen 3.12.4, 3.12.5 en 3.14.

24 Juister is om in dit verband te spreken van ‘bestaande exploitant’. Vergelijk hierna 3.47.

25 Zie rechtsoverweging 3.13.

26 Onder meer C.A. Boukema, Samenloop, Mon. Nieuw BW A21, 1992/1.

27 Het betreft niet meer dan dat. Er zijn ook diverse andere benaderingen van samenloopvragen mogelijk dan volgens de drieslag cumulatie-alternativiteit-exclusiviteit. Vergelijk F.B. Bakels, Aspecten van samenloop, WPNR 2009/6796-6797.

28 Onder meer A.G. Castermans & H.B. Krans, Samenloop, Mon. BW A21, 2019/3.

29 Vergelijk: H.C.F. Schoordijk, Het algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht naar het Nieuw Burgerlijk Wetboek, Deventer: Kluwer 1979, p. 58; F.B. Bakels, Aspecten van samenloop (I), WPNR 2009/6796, p. 343-344..

30 Bij de vraag of voor exclusiviteit reden bestaat, staat de onverenigbaarheid van de rechtsgevolgen van de in beginsel naast elkaar toepasselijke rechtsregels centraal. Vergelijk A.G. Castermans & H.B. Krans, Samenloop, Mon. BW A21, 2019/3, die verwijzen naar I.S.J. Houben, Exclusiviteit, in: I.S.J. Houben e.a. (red.), Samenloop (BWKJ 23), Deventer: Kluwer 2007, p. 40.

31 HR 28 juni 1957, ECLI:NL:HR:1957:AG2021, NJ 1957/514 m.nt. L.E.H. Rutten (Erba/Amsterdamsche Bank) en HR 6 maart 1959, NJ 1959, 349, m.nt. HB. HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8194, NJ 2003/48 m.nt. J.B.M. Vranken (AVO/[…]).

32 MvT Inv., Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1432. Vergelijk Asser/Sieburgh 6-III 2018/69.

33 HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:405, NJ 2017/336 m.nt. A.L.M. Keirse (Groeneveld/Staat)..

34 P.S. Bakker, Samenloop bij gemengde overeenkomsten, MvV 2017/4, p. 140.; A.G. Castermans & H.B. Krans, Samenloop, Mon. BW A21, 2019/4.

35 De klacht verwijst naar HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:405, rechtsoverweging 3.3.5.

36 Zie de tekstcorrectie in de schriftelijke toelichting van mrs. Heering en Luiten, voetnoot 13 (pagina 8).

37 Een bestaande exploitant is volgens art. 6 lid 1 onder c partij bij een bestaande exploitatieovereenkomst.

38 In dit kader wordt verwezen naar de memorie van grieven, onder 15, 44-51 en 82-91.

39 Verwezen wordt naar de conclusie van antwoord onder 17 en 21, de memorie van grieven onder 10 en de pleitnota’s van mrs. Van den Berg en Reimert in hoger beroep onder 5.

40 HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034, NJ 2020/43 (inscharing).