Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:210

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-01-2021
Datum publicatie
03-03-2021
Zaaknummer
19/03503
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:324
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Deelnemen criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van o.m. valsheid in geschrift, diefstal, oplichting en witwassen. Falende klachten over oordeel dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur en verzuim te responderen op uos’en. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03503

Zitting 12 januari 2021

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 12 juli 2019 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingslocatie Lelystad, van 2 oktober 2014 bevestigd met aanvulling en verbetering van de gronden van die beslissing. Voorts heeft het hof het vonnis aangevuld ten aanzien van de verweren die in hoger beroep zijn gevoerd. De rechtbank Midden-Nederland heeft de verdachte veroordeeld wegens 1. “deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2A “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, 2B “medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, 3. “diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”, 4A “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, 4B “medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd”, 4C “medeplegen van poging tot oplichting”. Het gerechtshof heeft de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden opgelegd, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.1 Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen.

1.2.

Er bestaat samenhang met de zaak 19/03329. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

1.3.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2 Het eerste middel

2.1.

Het middel bevat, bezien in samenhang met de toelichting daarop, de klacht dat het hof in afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, ten aanzien van de onder 1 bewezenverklaarde deelname aan een criminele organisatie ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, althans niet zonder meer begrijpelijk, heeft geoordeeld dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur.

2.2.

Het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank houdt in dat ten laste van de verdachte onder 1 is bewezen verklaard dat:

“hij, in de periode van 1 juli 2012 tot en met 12 juli 2013 te Almere en Lelystad, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk (onder meer)

- valsheid in geschrifte en/of

- diefstal en/of

- oplichting en/of

- witwassen;”

2.3.

In het door het hof bevestigde vonnis is door de rechtbank ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):2

Criminele organisatie

Uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij en medeverdachte [betrokkene 1] de verschillende frauduleuze activiteiten samen uitvoerden of daarbij een heldere werkverdeling hanteerden. Zo is verdachte samen met medeverdachte [betrokkene 1] naar het huis van [betrokkene 3] geweest, hebben ze samen post uit brievenbussen gehengeld en zijn ze ook samen bij de Mediamarkt geweest. Ten aanzien van de werkverdeling heeft verdachte verklaard dat hij vooral de administratieve activiteiten deed terwijl medeverdachte [betrokkene 1] meestal naar de woningen toeging waar ze de post heen hadden laten sturen. Medeverdachte [betrokkene 2] drukte bij PostNL bepaalde poststukken achterover, waartoe verdachte hem instrueerde. Verdachte en zijn medeverdachten communiceerde via een chatprogramma waarbij ze onder meer codewoorden gebruikten voor banken, adressen, namen van slachtoffers en gegevens. Voor de frauduleuze overboekingen en soms ook voor het verrichten van geldopnames werd gebruik gemaakt van (bankrekeningnummers van) handlangers. Er was naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gestructureerd samenwerkingsverband. Uit hetgeen eerder in dit vonnis is overwogen volgt tevens dat het samenwerkingsverband tussen verdachte en de medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] het oogmerk had tot het plegen van misdrijven. Uit de eigen verklaringen van verdachte volgt dat reeds langere tijd op deze wijze gezamenlijk werd gehandeld. Verdachte heeft verklaard dat het voor hem in 2011 is begonnen. Dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie volgt bovendien uit hetgeen hierboven onder 4A., 4B., 4C, 3, 2A. en 2B. bewezen is verklaard.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat ten minste in de ten laste gelegde periode sprake is geweest van een criminele organisatie waaraan verdachte bewust heeft deelgenomen.”

2.4.

Het vonnis houdt in dat onder 2A., 2B., 3, 4A., 4B. en 4C bewezen is verklaard dat:

“2A. hij, op meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2012 tot en met 12 juli 2013 te Almere en Lelystad, tezamen en in vereniging met een ander, een of meer geschrift (en), waaronder

- een of meer aanvraagformulier(en) voor een adreswijziging, en

- een of meer aanvraagformulier(en) voor een DigiD-code, en

- een of meer formulier(en) voor wijziging begunstigde rekening AOW, en

- een of meer aanvraagformulier(en) voor een creditcard, en

- een of meer aanvraagformulier(en) voor een account van Saldolijn ING en Rabofoon, en

- een aanvraagformulier voor een krediet via Mediamarkt, en

- een aanvraagformulier wijziging tegenrekening AEGON Beleggingsrekening ten name van [betrokkene 4] ,

(telkens) zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enige feiten te dienen, heeft vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader zich telkens valselijk via internet of op (in te vullen formulieren op) een of meer websites voorgedaan als [betrokkene 3] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en [betrokkene 7] en [A] en [betrokkene 8] en [betrokkene 4] en zonder dat deze personen hiervan op de hoogte waren, zulks telkens met het oogmerk om die genoemde geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

en

2B. hij, op meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2012 tot en met 12 juli 2013 te Almere en Lelystad, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer vervalste geschriften, waaronder

- een of meer aanvraagformulier(en) voor een adreswijziging, en

- een of meer aanvraagformulier(en) voor een DigiD-code, en

- een of meer formulier(en) voor wijziging begunstigde rekening AOW, en

- een of meer aanvraagformulier(en) voor een creditcard, en

- een of meer aanvraagformulier(en) voor een account van Saldolijn ING en Rabofoon, en

- een aanvraagformulier voor een krediet en/of lening via Mediamarkt, en

- een aanvraagformulier wijziging tegenrekening AEGON Beleggingsrekening ten name van [betrokkene 4] ,

telkens zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij of zijn mededader de geschriften (digitaal) heeft verzonden aan Koninklijke TNT Post BV/PostNL en Sociale Verzekeringsbank en ING bank en Rabobank en AEGON, en bestaande de valsheid hierin dat verdachte en/of zijn mededader zich via internet of op een of meer website(s) heeft/hebben voorgedaan als [betrokkene 3] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en [betrokkene 7] en [A] en [betrokkene 8] en [betrokkene 4] , zonder medeweten van deze perso(o)n(en);

3. hij, op meer tijdstippen in de periode 1 juli 2012 tot en met 12 juli 2013 te Almere, tezamen en in vereniging met meer anderen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen meer poststuk(ken), geheel toebehorende aan [betrokkene 3] en [betrokkene 5] en [betrokkene 7] en/of [A] en [betrokkene 4] ;

4A. hij, op meer tijdstippen in de periode 1 juli 2012 tot en met 12 juli 2013 te Almere en Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer andere(n), telkens met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

telkens door het aannemen van een valse naam ING bank en Rabobank en AEGON en [B] , heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen, hebbende verdachte en zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven — opzettelijk valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid als volgt gehandeld:

(zaaksdossier 1)

- zich richting ING bank voorgedaan als [betrokkene 3] , en

- een creditcard ten name van [betrokkene 3] aangevraagd bij ING bank (waarmee geld kon worden opgenomen), en

- ten name van [betrokkene 3] een account van Saldolijn aangevraagd bij ING bank (waarmee geld kon worden overgeboekt),

waardoor ING bank werd bewogen tot afgifte van een totaalbedrag van € 9.591.01,

en

(zaaksdossier 2)

- zich richting de ING bank voorgedaan als [betrokkene 5] , en

- een bankpas ten name van [betrokkene 5] aangevraagd bij ING bank (waarmee geld kon worden opgenomen), en

- ten name van [betrokkene 5] een account van Saldolijn aangevraagd bij ING bank (waarmee geld kon worden overgeboekt),

waardoor ING bank werd bewogen tot afgifte van een totaalbedrag van €4.099,-,

en

(zaaksdossier 4)

- zich richting Rabobank voorgedaan als [betrokkene 7] en

- meer creditcards ten name van [betrokkene 7] aangevraagd bij Rabobank waarmee geld kon worden opgenomen,

waardoor Rabobank werd bewogen tot afgifte van een totaalbedrag van € 2.508,-,

en

- zich richting ING bank voorgedaan als [betrokkene 8] , en

- een creditcard ten name van [betrokkene 8] aangevraagd bij ING bank waarmee geld kon worden opgenomen,

waardoor ING bank werd bewogen tot afgifte van een totaalbedrag van €2.503,50, en

(zaaksdossier 5)

- zich richting Interhelp of ING bank voorgedaan als [betrokkene 4] , en

- een of meer creditcard(s) ten name van [betrokkene 4] aangevraagd bij ING bank waarmee geld kon worden opgenomen en

waardoor ING bank werd bewogen tot afgifte van een totaal bedrag van € 4.622,11,

en

middels een vervalst geschrift van een AEGON Beleggingsrekening ten name van [betrokkene 4] de gekoppelde tegenrekening gewijzigd naar een bankrekening op naam van medeplichtig(en), waardoor AEGON werd bewogen tot afgifte van een totaalbedrag van € 3.359,33,

en

(zaakdossier 7)

- zich richting [B] voorgedaan als [betrokkene 9] , en

- een tankpas ten name van [betrokkene 9] laten activeren bij [B] , en

- met behulp van genoemde tankpas meerdere meden brandstof getankt, waardoor [B] werd bewogen tot afgifte van een totaalbedrag van €2.204,87,

en

4B. hij, op meer tijdstip(pen) in de periode 1 juli 2012 tot en met 12 juli 2013 te Almere of Lelystad, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte of diens mededader voorgenomen misdrijf, telkens met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, telkens door het aannemen van een valse naam Sociale Verzekeringsbank te bewegen tot de afgifte van meer geldbedragen, heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

- ingelogd op de website van Sociale Verzekeringsbank en

- zich voorgedaan als [betrokkene 10] en [betrokkene 11] en [betrokkene 12] en [betrokkene 3] en [betrokkene 5] ,

en

- vervolgens de begunstigde bankrekening voor de uitbetaling van een AOW uitkering ten name van voornoemde personen gewijzigd in een bankrekeningnummer op naam van een medeplichtige, in elk geval op naam van een andere persoon dan betreffende AOW- gerechtigde, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid

en

4C. hij, op 2 februari 2013 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en diens mededader voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, (telkens) door het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, Mediamarkt te bewegen tot de afgifte van enig goed, toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid als volgt heeft gehandeld:

- zich bij de informatiebalie van Mediamarkt voorgedaan als [betrokkene 6] , en

- aldaar een krediet aangevraagd voor een bedrag ter grootte van € 4.999 op naam van [betrokkene 6] , en

- een op grond van gegevens ten name van [betrokkene 6] opgestelde kredietaanvraag ondertekend met de naam [betrokkene 6] ,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.”

2.5.

Het hof heeft in de bestreden uitspraak overwogen dat het vonnis aanvulling behoeft ten aanzien van de verweren die in hoger beroep zijn gevoerd. Het arrest houdt op dat punt – en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

Bespreking verweren

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot een bewezenverklaring van de gehele ten laste gelegde pleegperiode is gekomen. Omdat verdachte meermalen aantoonbaar gedurende een bepaalde periode in het buitenland heeft verbleven, kan hij in die periode geen strafbare feiten hebben gepleegd en dient hij in zoverre te worden vrijgesproken. Voorts dient verdachte vrijgesproken te worden van feit 3 voor zover dat betrekking heeft op [betrokkene 5] , en van feit 2A, 2B en 4A voor zover die betrekking hebben op [betrokkene 8] . De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de rol van verdachte bij deze zaaksdossiers zodanig is geweest dat hij als medepleger van die feiten kan worden aangemerkt. Ten slotte dient ten aanzien van feit 1 vrijspraak te volgen omdat niet kan worden bewezen dat er sprake was van het in georganiseerd verband plegen van strafbare gedragingen.

Het hof volgt de verdediging niet in voornoemde verweren. Het feit dat verdachte een aantal keer tijdens de ten laste gelegde periode in het buitenland heeft verbleven, staat aan een bewezenverklaring van afzonderlijke feiten in die periode niet in de weg. Uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en overwegingen blijkt voldoende dat de bewezenverklaarde feiten op tijdstippen in die periode zijn gepleegd.

In aanvulling op het vonnis overweegt het hof dat zowel verdachte als [betrokkene 1] actief betrokken zijn geweest bij de verschillende fases van het proces van fraude en oplichting, zoals dat blijkens het dossier heeft plaatsgevonden. Dit proces ving aan met het stelen van post (onder meer door post uit brievenbussen te ‘hengelen’ en het aanvragen van verhuisservice), vervolgens werden banken en andere instellingen opgelicht (of werd dat in ieder geval geprobeerd), waarbij gebruik werd gemaakt van vervalste formulieren. Met behulp van verkregen creditcards en/of toegang tot systemen, konden de verdachten vervolgens beschikken over geld, waarmee zij diverse aankopen hebben gedaan, welke goederen al dan niet weer werden verkocht. Zowel verdachte als [betrokkene 1] waren niet alleen bij het begin van het proces actief maar zijn ook feitelijk bij de uitvoering van oplichting betrokken geweest. De verklaring die verdachte daarover heeft afgelegd vindt steun in het dossier.

Het hof is van oordeel dat uit alle bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden afgeleid dat er tussen verdachte en [betrokkene 1] gedurende het gehele proces van fraude en oplichting zoals dat hiervoor uiteen is gezet, sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking. De bijdrage die verdachte blijkens zijn eigen verklaring én de overige bewijsmiddelen heeft gehad, is van voldoende gewicht om hem als medepleger te kunnen aanmerken, ook daar waar het de in het pleidooi genoemde zaaksdossiers betreft en ten aanzien van specifieke onderdelen van het fraude- en oplichtingstraject (daarin) waar er geen sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering.

Ten slotte is het hof van oordeel dat ook het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit de bewijsmiddelen blijkt overduidelijk dat er tussen verdachte en [betrokkene 1] sprake was van een samenwerkingsverband die zich kenmerkte door een zekere duurzaamheid en structuur. De feiten hebben zich uitgestrekt over een ruime periode, waarbij volgens een vast patroon werd gewerkt, en waarbij tussen verdachte en [betrokkene 1] (en [betrokkene 2] ) sprake was van een rolverdeling met elk hun eigen ‘specialiteit’.

Het verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak faalt gezien het voorgaande op alle onderdelen.”

2.6.

In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat op de terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2019 door de raadsvrouw van de verdachte onder meer het volgende naar voren is gebracht:

“51. Het enkele gegeven dat meerdere strafbare feiten zijn gepleegd met dezelfde personen maakt nog niet dat sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Niet kan worden vastgesteld dat sprake was van het in georganiseerd verband plegen van de strafbare gedragingen.

52. De verdediging heeft voor een aantal feiten vrijspraak bepleit nu deze - kort gezegd - achter zijn rug om zijn gepleegd. De medeverdachte had cliënt in deze zaken niet nodig. Bovendien verbleef cliënt aantoonbaar een periode in het buitenland. Beide punten leveren een contra-indicatie ten aanzien van de vermeende structuur en duurzaamheid.”

2.7.

Aangevoerd wordt dat de rechtbank heeft geoordeeld dat er sprake was van een gestructureerd samenwerkingsverband en dat het hof dit vonnis van de rechtbank heeft bevestigd. Aan het oordeel van de rechtbank heeft het hof niets toegevoegd, zodat nergens wordt bevestigd dat er tevens sprake is van een “duurzaam” samenwerkingsverband. De rechtbank heeft weliswaar overwogen dat “reeds op langere tijd op deze wijze gezamenlijk werd gehandeld”, maar verder wordt verwezen naar de bewezenverklaring van de overige feiten. Dat betekent volgens de steller van het middel dat daarmee door de rechtbank noch het hof is ingegaan op het door de raadsvrouw bepleite juridische kader, terwijl namens de verdachte is benadrukt dat de structuur en duurzaamheid van eventuele samenwerking worden doorbroken door het verblijf van de verdachte in het buitenland.

2.8.

Het middel gaat eraan voorbij dat het hof in zijn arrest het vonnis heeft aangevuld ten aanzien van de verweren die in hoger beroep zijn gevoerd. Daaruit blijkt dat het hof heeft geoordeeld dat het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, dat uit de bewijsmiddelen overduidelijk blijkt dat er tussen verdachte en [betrokkene 1] sprake was van een samenwerkingsverband dat zich kenmerkte door een zekere duurzaamheid en structuur, de feiten zich hebben uitgestrekt over een ruime periode, waarbij volgens een vast patroon werd gewerkt, en waarbij tussen verdachte en [betrokkene 1] (en [betrokkene 2] ) sprake was van een rolverdeling met elk hun eigen ‘specialiteit’. Daarmee heeft het hof het verweer van de verdediging dat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van het in georganiseerd verband plegen van de strafbare gedragingen uitdrukkelijk verworpen.

2.9.

Voorts blijkt uit de bespreking van het hof van de in hoger beroep gevoerde verweren dat het hof heeft overwogen dat het feit dat verdachte een aantal keer tijdens de ten laste gelegde periode in het buitenland heeft verbleven, aan een bewezenverklaring van afzonderlijke feiten in die periode niet in de weg staat en dat uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en overwegingen voldoende blijkt dat de bewezenverklaarde feiten op tijdstippen in die periode zijn gepleegd. Ook voor zover vrijspraak is bepleit ten aanzien van het tenlastegelegde medeplegen heeft het hof de verweren van de verdediging uitdrukkelijk verworpen. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat deze punten geen contra-indicatie opleveren ten aanzien van de vermeende structuur en duurzaamheid.

2.10.

Het oordeel van het hof dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting terwijl dat oordeel voorts niet onbegrijpelijk is en voldoende toereikend is gemotiveerd.3

2.11.

Het middel faalt.

3 Het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat het hof op onjuiste en/of ontoereikende gronden tot de bewezenverklaring van het onder feit 2A, 2B en 3 ten laste gelegde is gekomen, aangezien het hof niet is ingegaan op een door de verdediging in hoger beroep gevoerd verweer.

3.2.

Voor hetgeen in het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank ten laste van de verdachte onder feit 2A, 2B en 3 bewezen is verklaard verwijs ik naar hetgeen onder 2.4 van deze conclusie is opgenomen.

3.3.

De steller van het middel heeft, zo blijkt uit de toelichting, het oog op hetgeen op de terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2019 door de raadsvrouw van de verdachte als verweer met betrekking tot het ten laste gelegde medeplegen naar voren is gebracht (met weglating van voetnoten):

MEDEPLEGEN

7. Zowel bij de politie als ter zitting in eerste aanleg heeft cliënt uitgelegd op welke wijze de handelingen werden verricht, en wat daarbij de verhoudingen waren tussen hemzelf en de medeverdachten.

8. Daaruit kan de conclusie worden getrokken dat voor bepaalde feiten sprake is geweest van een samenwerkingsverband. Cliënt stelt zich echter op het standpunt dat niet alle gedragingen op de tenlastelegging onderdeel zijn geweest van dit samenwerkingsverband, namelijk dat de medeverdachte ook op “eigen houtje” opereerde en bepaalde gedragingen buiten het medeweten van cliënt om deed.

9. Anders dan de verdediging in eerste aanleg heeft verzocht, heeft de rechtbank cliënt voor deze zaken wél veroordeeld, nu zij het medeplegen wettig en overtuigend bewezen achtte.

10. Twee maanden na de veroordeling in eerste aanleg heeft de Hoge Raad het standaardarrest medeplegen gewezen. De Hoge Raad herhaalt dat voor medeplegen sprake moet zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, waarbij het accent ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie nu precies wat deed.

11. Van belang is dat de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. Wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht - zoals bijvoorbeeld het verstrekken van inlichtingen - moet bij een bewezenverklaring van medeplegen dat medeplegen nauwkeurig worden gemotiveerd, waarbij rekening kan worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of afhandeling en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het niet terugtrekken, waarbij aan het zich niet-distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat immers om de wezenlijke bijdrage (r.o. 3.2.2.).

12. Noemenswaardig op dit punt is de conclusie van mr. Hofstee (en mr. Spronken) van 5 april 2016, waarbij - kort gezegd - een analyse wordt gegeven van medeplegen versus medeplichtigheid.

13. Het hangt af van de omstandigheden van het geval of de samenwerking voldoende intensief was om van medeplegen te kunnen spreken. Nu aan cliënt meerdere gedragingen tenlastegelegd zijn, moeten de omstandigheden van het geval per gedraging worden getoetst. Telkens en per feit moet niet enkel worden bezien of sprake is van een samenwerkingsverband, maar juist of dat samenwerkingsverband voor dat feit zó nauw en zó bewust is dat van medeplegen gesproken kan worden.”

3.4.

Het hof heeft in de bestreden uitspraak overwogen dat het vonnis aanvulling behoeft ten aanzien van de verweren die in hoger beroep zijn gevoerd. Hetgeen het hof ter aanvulling heeft overwogen is opgenomen onder 2.5 van deze conclusie.

3.5.

Daaruit blijkt dat het hof het verweer van de verdediging dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 3 voor zover dat betrekking heeft op [betrokkene 5] en van feit 2A, 2B en 4A voor zover die betrekking hebben op [betrokkene 8] , aangezien niet kan worden bewezen dat de rol van verdachte bij deze zaaksdossiers zodanig is geweest dat hij als medepleger van die feiten kan worden aangemerkt, gemotiveerd heeft verworpen. Het hof heeft immers op dit punt overwogen dat:

“(…) zowel verdachte als [betrokkene 1] actief betrokken zijn geweest bij de verschillende fases van het proces van fraude en oplichting, zoals dat blijkens het dossier heeft plaatsgevonden. Dit proces ving aan met het stelen van post (onder meer door post uit brievenbussen te ‘hengelen’ en het aanvragen van verhuisservice), vervolgens werden banken en andere instellingen opgelicht (of werd dat in ieder geval geprobeerd), waarbij gebruik werd gemaakt van vervalste formulieren. Met behulp van verkregen creditcards en/of toegang tot systemen, konden de verdachten vervolgens beschikken over geld, waarmee zij diverse aankopen hebben gedaan, welke goederen al dan niet weer werden verkocht. Zowel verdachte als [betrokkene 1] waren niet alleen bij het begin van het proces actief maar zijn ook feitelijk bij de uitvoering van oplichting betrokken geweest. De verklaring die verdachte daarover heeft afgelegd vindt steun in het dossier.

Het hof is van oordeel dat uit alle bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden afgeleid dat er tussen verdachte en [betrokkene 1] gedurende het gehele proces van fraude en oplichting zoals dat hiervoor uiteen is gezet, sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking. De bijdrage die verdachte blijkens zijn eigen verklaring én de overige bewijsmiddelen heeft gehad, is van voldoende gewicht om hem als medepleger te kunnen aanmerken, ook daar waar het de in het pleidooi genoemde zaaksdossiers betreft en ten aanzien van specifieke onderdelen van het fraude- en oplichtingstraject (daarin) waar er geen sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering.”

3.6.

Ook voor dit middel geldt dat het eraan voorbij gaat dat het hof in zijn arrest het vonnis heeft aangevuld ten aanzien van de verweren die in hoger beroep zijn gevoerd. Het voorgaande brengt mee het hof het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd heeft verworpen.

3.7.

Het middel faalt.

4 Conclusie

4.1.

De beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

4.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In het dossier bevindt zich een herstelarrest dat inhoudt dat in het dictum van het arrest is vermeld dat de verdachte een gevangenisstraf van 27 maanden wordt opgelegd (met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren), hetgeen een kennelijke misslag betreft. In het herstelarrest is het dictum verbeterd teneinde dit verzuim te herstellen.

2 De rechtbank heeft de bewezenverklaring gemotiveerd aan de hand van de zogeheten promis-werkwijze.

3 Vgl. in dit verband de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen in zaaknr. 19/04073 (niet gepubl.) waaruit onder meer volgt dat door de Hoge Raad aan de duurzaamheid noch aan de structuur van ‘een organisatie’ als bedoeld in art 140 Sr hoge eisen worden gesteld. Vgl. voorts de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voorafgaand aan HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3969 waarin hij ten aanzien van de klacht dat het hof geen onderscheid zou hebben gemaakt ‘tussen het meermalen plegen van strafbare feiten in een min of meer vaste samenstelling en het deelnemen aan een criminele organisatie’ onder meer heeft opgemerkt dat het meermalen in een vaste samenstelling plegen van strafbare feiten een zware bouwsteen levert voor deelname aan een criminele organisatie.