Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:204

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-01-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
19/04685
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:313
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging tot moord op ex-vriendin door haar in gezicht te slaan en met mes in gezicht en arm te snijden. Klacht over ‘voorbedachte raad’. HR: art. 80a RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04685

Zitting 12 januari 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 11 oktober 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “poging tot moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft daarnaast gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Voorts heeft het hof een contactverbod opgelegd voor de duur van vijf jaren, een en ander als omschreven in het bestreden arrest, en bevolen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Tot slot heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als omschreven in het bestreden arrest.

  2. Namens de verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1.

Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte ‘met voorbedachten rade’ heeft getracht van het leven te beroven, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de inhoud en/of reikwijdte van dit delictsbestanddeel en/of onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat het hof niet heeft kunnen uitsluiten dat de verdachte in een opwelling handelde.

3.2.

Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij op 9 juli 2017, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg:

- die [slachtoffer] in het gezicht heeft geslagen, en

- die [slachtoffer] vervolgens met een mes meermalen in het gezicht en de tong en overige delen van het hoofd en de (rechter)arm heeft gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”

3.3.

Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 5 oktober 2017, pagina 017 van voornoemd dossier, inhoudende een relaas van verbalisant [verbalisant 1] , voor zover inhoudende:

Aanleiding onderzoek

Op zondag 9 juli 2017 omstreeks 21.02 uur komt bij het Operationeel Centrum (OC) te Drachten, bij de ambulancemeldkamer, een 112-melding binnen. Op het adres [a-straat 1] te [plaats] zou iemand zijn neergestoken met een mes. Het slachtoffer zou in haar gezicht zijn gestoken door haar ex man.

2. De op de terechtzitting van de rechtbank van 12 maart 2018 door verdachte afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Die zondag heb ik aangebeld en [slachtoffer] deed de deur open. Ze liet mij niet binnen. Ik heb haar in haar gezicht geslagen. Ik kan haar op haar mond hebben geraakt. Het kan zijn dat daarbij haar tand is beschadigd. [slachtoffer] ging haar woning in. Ik liep haar achterna. Ik pakte het mes en heb haar daarmee in haar gezicht geraakt. Ik sneed aan de rechterkant in haar gezicht met dat mes.

U houdt mij voor dat er gesproken berichten zijn uitgewerkt en dat deze aan het dossier zijn toegevoegd (p. 255-257). Het kan zijn dat ik die berichten heb ingesproken.

3. De op de terechtzitting van het hof van 26 november 2018 door verdachte afgeleide verklaring, voor zover inhoudende:

U houdt mij de berichten voor op p. 255/257 van het dossier. Die berichten zijn van mij. Het klopt dat ik heb gezegd “ik ga eten jouw lever”, “jij gaat dood ik ga naar gevangenis” en “ik pak jouw ogen met een schroevendraaier”.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 10 juli 2017, pagina 51 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

Naam: [slachtoffer]

Voornamen: [...]

Adres: [a-straat 1]

Plaats: [plaats]

V. Gisteren is het gebeurd de aanloop daar naartoe wat kan je daarover vertellen?

A: Hij heeft mij gisteren (het hof begrijpt: 9 juli 2017) om 14.00 uur een bericht gestuurd. Of ik hem terug kon bellen. Ik reageer niet op zijn berichten. Ik ga daar helemaal niet op in. Hij heeft mij nog een keer gebeld en gebeld. Uiteindelijk dacht ik bel maar terug. Ik heb tegen hem gezegd ons zoontje gaat nu via Humanitas. Ik had met hem afgesproken dat hij mij niet meer lastig zou vallen. Aan afspraken houdt hij zich niet. Later werd ik weer gebeld en heb niet opgenomen. Toen ging de deurbel. Dus ik ben er ook heen gegaan. Normaal stuur ik [betrokkene 1] - die eigenlijk [...] heet - weg als hij daar staat maar hij deed heel overdreven vriendelijk van ik heb een cadeautje voor [betrokkene 3] en die wil ik geven en dan ben ik ook meteen weer weg.

Ik heb de portiek deur geopend. Hij kwam naar boven lopen toen zag ik dat hij dronken was hij was helemaal bezopen. Ik wilde de deur dicht doen maar dat lukte mij niet. Toen hij [betrokkene 3] terug gaf kreeg ik meteen een klap in mijn gezicht. We stonden nog in de deuropening. Ik stond in mijn huis en hij stond op de deurmat. Ik had mijn zoontje toen op de arm. Ik denk dat hij mij geslagen heeft met zijn vuist. Het was een harde klap. Ik voelde meteen dat mijn tand los zat. Ik voelde een hevige pijn. Ik dacht ik moet vluchten. Ik zag weer die blik in zijn ogen. Dezelfde blik die ik tweeënhalf jaar geleden had gezien toen hij mij ook heeft mishandeld. Ik kon de deur niet uit want daar stond hij. Ik ben de woning mijn woning ingevlucht. Ik heb niets gezegd. Ik heb gegild. Ik ben gevlucht naar het balkon. Ik had de zoon nog op de arm. Nadat hij mij een klap had gegeven zag ik dat hij een mes pakte uit zijn broekzak. Uit zijn linker broekzak, kan ook zijn broeksband zijn geweest. Het was een mes met kartels aan een kant. Het was een soort keukenmes volgens mij. Ik denk een soort mes met die scherpe randjes met een zwart handvat en een grijs snij gedeelte. Die kartels voelde ik ook toen hij mij sneed. Het was geen broodmes een mes met scherpe punten er aan. Ik schat het mes in het geheel op ongeveer 25 centimeter. Ik heb niet eens van die messen.

Hij is met een arm met een boog er omheen gegaan anders kon hij er niet bij, omdat mijn zoontje aan die kant stond van mij. Hij is om mijn zoon heen gegaan om mij te snijden met zijn rechter arm. Hij stond achter mij. Eerst ging hij met zijn arm voor mij langs naar de linkerkant van mijn gezicht. Ik voelde dat hij daar sneed. Omdat ik [betrokkene 3] aan die kant vast had, kon hij niet goed snijden. Daarna voelde ik dat hij meerdere keren aan de rechterkant van mijn gezicht sneed. Het was dat ik mijn hoofd weg draaide, anders had hij mij in mijn hals gesneden. Ik heb mijn hoofd gedraaid en mijn kin op de borst gelegd zodat hij niet mijn keel kon doorsnijden en hij mij uiteindelijk in de wang heeft gesneden. Ik hoorde gewoon het geluid van het snijden. Ik hoorde gewoon dat hij mij meerdere keren heeft gesneden. Hij heeft het mes gewoon weer mee genomen denk ik. Ik bloedde als een rund. Ik heb mijn hoofd weggedraaid op een manier dat hij mij van achteren niet in de hals kon snijden. Ik heb mijn hoofd schuin naar mijn schouder heb gebracht. Ik had het gevoel dat hij mijn hals wilde doorsnijden. Ik dacht als dat gebeurt dan is het klaar, dan is het gebeurd. Ik bracht mijn hoofd naar mijn schouder om mijn keel te beschermen door mijn hoofd op de schouders te leggen kon hij mij niet bij mijn keel komen. Hij heeft mij ook al bedreigd met dit soort dingen. Toen hij weg was gegaan heeft hij de buitendeur dicht gedaan.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 juli 2017, pagina 511 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] :

V: Wat heeft u afgelopen zondag, 09 juli 2017 gedaan?

A: Ik was omstreeks 13:30 uur bij de kroeg.

V. Bedoelt u met de kroeg, café [...] gegaan?

A: Ja.

Ik kwam daar aan op de scooter. [betrokkene 1] vroeg mij gelijk om mijn sleutels. Ik heb hem de sleutels van mijn scooter gegeven en [betrokkene 1] was binnen tien minuten terug. [betrokkene 1] heeft mij gelijk de sleutels terug gegeven. We zijn buiten blijven zitten. Het was een hele normale zondag. Ik had helemaal niet het idee dat er iets speelde. [betrokkene 1] was die avond de rustheid zelve.

6. Een schriftelijk stuk, te weten een letselrapportage d.d. 11 juli 2017, opgemaakt en ondertekend door T. van Mesdag, forensisch arts FMG, pagina 104 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als zijn/haar verklaring:

Opgegeven toedracht: Slachtoffer geeft aan dat zij door verdachte in haar huis is aangevallen. Verdachte zou bij binnenkomst in de woning eerst een vuistslag op de mond hebben gegeven en daarna met een mes snijbewegingen in de richting van het gelaat en de hals hebben gemaakt, zowel links als rechts.

SEH diagnose: Snijwond in de rechter wang verlopend van de mondhoek tot de oorlel. Hierbij is de kaakspier aan de rechterzijde op twee plekken vrijwel geheel doorgesneden, is een aftakking van de aangezichtszenuw doorgesneden en zijn er snijwonden aan de tong. Op twee plekken is er een slagaderlijke bloeding in de wond. Aan de linker kaakhoek en aan de rechter bovenarm snijwonden tot in het onderhuidse vetweefsel. De wortel van de rechter voortand is gebroken.

Bloedverlies op de PD door ambulance geschat op 800 ml.

Vermoeden van blijvende beperking: Ja, mogelijke functiebeperking bij kauwen vanwege schade aan de kaakspier rechts. Mogelijk functiebeperking van de spieren rondom de mond rechts vanwege schade aan motorische zenuwtak.

Geschatte duur verdere genezing zichtbare letsels: 12 weken.

Het geconstateerde letsel kan goed passen bij de door de onderzochte persoon aangegeven toedracht.

7. Een schriftelijk stuk, te weten een letselrapportage d.d. 9 november 2017, opgemaakt en ondertekend door T. van Mesdag, forensisch arts, pagina 15 e.v. van het aanvullend proces-verbaal nr. NN2R017073-UTSYN d.d. 7 november 2017, voor zover inhoudende, als zijn/haar verklaring:

Had het letsel, zoals omschreven in de rapportage van 11 juli 2017, fataal kunnen zijn?

Bij de wond aan de rechterzijde van het gelaat was er sprake van een slagaderlijke bloeding op twee plekken. Het geschatte bloedverlies bij aankomst van de ambulance was 800 ml. Bij uitblijven van medische hulp had deze verwonding mogelijk tot verbloeding en uiteindelijk de dood kunnen leiden.

Van de snijwond aan de rechter zijde van het gelaat verklaarde het slachtoffer dat ze op het moment dat ze werd aangevallen het hoofd naar de rechter schouder neeg om de halsslagader te beschermen. De diepte van deze snede is volledig door de wang heen tot in de mondholte, de zijkant van de tong zou ook zijn geraakt. Een snede met deze diepte ter hoogte van de halsslagader zou zeer waarschijnlijk een doorsnijding van de halsslagader hebben veroorzaakt, wat zonder acuut medisch ingrijpen een fataal letsel is.

Hesitation marks zijn bij geen van de letsels aangetroffen. Alle waargenomen snijletsels zijn tot in het onderhuidse vetweefsel of dieper.

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 augustus 2017, pagina 255 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

De inhoud van de mobiele telefoon van aangeefster [slachtoffer] is onderzocht. Bij het verwerken van alle audioberichten bleek mij dat door verdachte [verdachte] middels deze audioberichten meerdere bedreigingen werden geuit tegen aangeefster [slachtoffer] . Op 22 mei 2017 werden door verdachte [verdachte] de eerste bedreigingen ingesproken. Bij de volgende audioberichten werden door verdachte [verdachte] concrete bedreigingen uitgesproken.

PTT-20170522-WA000 17.37 uur:

Ik ga gek DINEMOK! Ik ga eten jouw lever!

Jij pakke andere weg. Ik weet niet. Jij mis vandaag, maar ik pakke voor jou andere dag.

PTT-20170523-WA002 05.46 uur:

Ik ga niet bang van de gevangenis worden. Ikke kom vrij. Dan waar ik ga kijken waar jij ga doen. Ik dan niet misschien doet iets. Dan ik ga zitten misschien maand of twee maand, danne ik kom vrij. Jij wilt [betrokkene 3] alleen? [betrokkene 3] blijft alleen. Jij gaat dood, ik ga naar gevangenis.

PTT-20170523-WA0003 05.47 uur:

Je zien. Die kogels door die kop. He? Jij moet verhuizen die [...] . DINEMOK. Jij gaat niet jouw werk blijven altijd daar. Ik ga pakken jou DINEMOK.

PTT-20170523-WA007 05.47 uur:

DINEMOK Jij wil dood! Is mijn zoon is belangrijk! DINEMOK. Ik komme vrij Jij wil niet oplossen. Schroevedraaier. Die brug.

PTT-20170523-WA0008 05.47 uur:

Ikke hele dag ikke wachte voor jou die brug DINEMOK. Jij niet oplossen voor mij DINEMOK. Echt waar, ik pakke jouw ogen met schroevedraaier. Jij weet niet.

PTT-20170610-WA0004.35 uur:

Waar jij ga [betrokkene 3] , vanmorgen is weg. Ja! Ik weet niet waar hij gaat toe. Ik ga met mijn zoon. Die zoon ik gemaakt! Wat jij wil DINEMOK. Jij wil, de kist ga? Ik ga via de kist. Die zoon is voor mij!. Ik gemaakt. PTT-20170610-WA0005 20.35 uur:

Ik ga blijf niet met jouw. Ik ga vechten. Jij moet alleen blijven, niet met [betrokkene 3] . Hij blijve niet met jou. Ik ga zorgen voor alles. Ik weet het wat ik ga doen.

PTT-20170610-WA0011 20.35 uur:

Hallo DINEMOK. Het duur niet zo lang. Waar jij ga, ga! Ikke [betrokkene 1] , komme vrij! Danne jij graag aangifte doen politie DINEMOK. Ga! Ikke kan waar jij werk. DINEMOK. Ik komme d'r uit. Ikke ga voor jou 5 kogels door jouw kop! Vijf DINEMOK! Het begint te trillen die grond. Isse kut die Marokkaan. Ikke kom bij jouw ogen! Zelf land uit!

PTT-20170610-WA0012 20.35 uur:

Jij graag dood! Isse gaan voor mij. Ik doe het voor jou 1 keer. AF! DINEMOK! Waarin ligt mijn zoon! Vanmorgen is weg, nu is niet thuis. Ik ga pakken jou [slachtoffer] . DINEMOK. Mijn zoon dee, is mijn zoon niet van jou.

9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 17 juli 2017 pagina 489 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

In de woning van verdachte [verdachte] aan de [b-straat 1] te [plaats] zijn vier messen in beslag genomen. Drie van deze messen kwamen overeen met de beschrijving die het slachtoffer heeft gegeven van het door de verdachte gebruikte mes.

10 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 augustus 2017, pagina 232 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2]:

In een groot deel van de audio-berichten wordt het woord ‘Dinemok’ (fonetisch) gebruikt. Voor de vertaling werd contact opgenomen met een Marokkaanse tolk. Door hem werd dit woord als volgt vertaald:

“Letterlijk betekend het woord DINEKMOK ‘het geloof van je moeder’. Het woord wordt echter gebruikt door iemand wanneer deze persoon woedend is en op een agressieve wijze zijn woorden kracht wil bijzetten.”

11. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen Historische verkeersgegevens d.d. 3 augustus 2017, pagina 130 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :

De verkregen gegevens laten zien dat het bevraagde nummer gedurende de aangevraagde periode gebruikt maakt van het imeinummer [0001] en [0002] . Het telefoonnummer betreft een pre-paid nummer. Het bevraagde nummer betreft een telefoonnummer welke in gebruik is bij [betrokkene 1] , zijn de verdachte in dit onderzoek.

Na 9 juli 2017 20:49 uur is er geen koppeling meer met een imeinummer. Hierdoor wordt tevens geen mast weergegeven. Het is zeer aannemelijk dat het toestel ergens na het gesprek om 20:49 uur, uit is gezet.”

3.4.

Voorts heeft het hof – voor zover in cassatie van belang – nog het volgende overwogen:

Overweging met betrekking tot het bewijs

Verdachte wordt verweten dat hij opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade geprobeerd heeft om zijn ex-vriendin, aangeefster [slachtoffer] , in het bijzijn van hun zoontje [betrokkene 3] te doden door haar in haar gezicht te slaan en met een mes in haar gezicht en arm te snijden.

Het standpunt van de verdediging

[…]

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof betoogd dat het geheel van feiten en omstandigheden dat door de rechtbank en de advocaat-generaal is gebruikt ter onderbouwing van de conclusie dat sprake zou zijn van voorbedachten rade, onvoldoende is om deze conclusie te dragen.

[…]

Voorbedachten rade

Voor het aannemen van voorbedachten rade is vereist dat komt vast te staan dat verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn genomen of te nemen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.

Het hof acht bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gepoogd om aangeefster opzettelijk van het leven te beroven. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen de aanloop naar en de gedragingen van verdachte in de woning van aangeefster, alsmede de gedragingen van verdachte na afloop daarvan. Uit het strafdossier komt naar voren dat aangeefster reeds voor 9 juli 2017 bij de politie meldingen heeft gedaan over bedreigend en agressief gedrag door verdachte. Op 3 mei 2017 heeft aangeefster gemeld dat zij door verdachte is bedreigd en op 17 mei 2017 heeft ze gemeld dat ze bij haar keel is gegrepen door verdachte. Vanaf 22 mei 2017 heeft verdachte via WhatsApp bedreigende audioberichten naar aangeefster verstuurd. In meerdere berichten heeft verdachte mededelingen gedaan die duiden op het voornemen aangeefster te doden. Verdachte heeft op 9 juli 2017 meermalen geprobeerd om telefonisch contact te krijgen met aangeefster. Uiteindelijk heeft aangeefster opgenomen en verdachte meegedeeld dat het contact over de omgang met hun zoontje [betrokkene 3] via Humanitas verloopt. Na dit telefoongesprek heeft verdachte om 20:49 uur zijn telefoon uitgeschakeld. Om 20:57 uur heeft hij het café waar hij verbleef verlaten. Verdachte heeft bij de gemeenschappelijke voordeur van de flat van aangeefster aangebeld en heeft tegen aangeefster gezegd dat hij een cadeautje voor [betrokkene 3] had en dit aan hem wilde geven. In weerwil van haar gewoonte om verdachte weg te sturen heeft aangeefster verdachte in het portiek binnengelaten. Toen verdachte vervolgens naar boven kwam lopen zag aangeefster dat verdachte dronken was. Toen ze nog in de deuropening van haar eigen appartement stond kreeg aangeefster van verdachte een klap in haar gezicht Daarna pakte verdachte het mes uit zijn broekzak of broekband en heeft hij aangeefster meermalen gesneden, nadat hij haar, toen zij haar appartement invluchtte, gevolgd was. Om 21.02 uur kwam de 112-melding over het snij-incident binnen. Bij het verlaten van de woning van aangeefster heeft verdachte de voordeur gesloten en is hij terug naar het café gegaan. Verdachte heeft zich van het mes ontdaan. Verdachte kwam om 21:06 uur weer bij het café terug en uit het strafdossier is niet gebleken dat zijn gemoedstoestand toen anders dan gebruikelijk was. Na nog enige tijd in het café te hebben doorgebracht is verdachte naar Frankrijk vertrokken.

In het bijzonder stelt het hof op grond van de bovenstaande feiten - samengevat - vast dat verdachte aldus - voorzien van een mes zich onder het voorwendsel van een cadeau voor [betrokkene 3] en - aldus de verklaring van verdachte zelf in hoger beroep - ook voor aangeefster, heeft aangebeld bij de woning. Van overdracht van cadeaus is echter geen sprake geweest. Verdachte heeft bij binnenkomst aangeefster vrijwel onmiddellijk in het gezicht geslagen waarna hij de verder de woning in vluchtende aangeefster achterna is gegaan. Hij heeft het door hem meegevoerde mes tevoorschijn gehaald en aangeefster - toen hij haar te pakken kreeg - met dat mes meermalen gesneden. In de periode voorafgaand aan deze avond heeft verdachte aangeefster laten weten haar te zullen doden. Na afloop van de aanval van verdachte op aangeefster heeft hij de woning van aangeefster verlaten om terug te keren naar de plaats waar hij vandaan kwam, het café. Aangeefster werd aldus met een slagaderlijke bloeding ernstig verwond in de door verdachte afgesloten woning achtergelaten.

Het hof leidt uit al het voorgaande en voorts uit de daaruit blijkende zeer korte tijdlijn van gebeurtenissen en handelingen nadat verdachte bij de woning aanbelde af dat verdachte planmatig en doelgericht heeft gehandeld ten aanzien van het proberen te doden van aangeefster. Het is niet gesteld of aannemelijk geworden dat verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. Verdachte is onder een vals voorwendsel de flat van aangeefster binnen gekomen, hij had een mes meegenomen, hij heeft aangeefster zonder dralen - er is geen sprake geweest van een discussie of ruzie - aangevallen en haar na het snijden in haar gezicht zwaar gewond in haar appartement achtergelaten. Verdachte sloot de deur en ging terug naar het café waar hij, volgens een getuige, rustig arriveerde. Uit dit planmatige optreden leidt het hof af dat verdachte niet alleen de gelegenheid en tijd heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven maar dit ook daadwerkelijk heeft gedaan. Hij kwam en handelde volgens plan. Tussentijds of in de periode daarvoor is er geen sprake geweest van enige van buiten komende prikkel of aanleiding. Evenmin is er een objectief aan te wijzen omstandigheid die de mogelijkheid voor verdachte om zich te beraden heeft belet of bemoeilijkt. Voorts kent het hof betekenis toe aan het gedrag van verdachte na afloop van het op aangeefster uitgeoefende geweld. Dit gedrag vormt geen contra-indicatie voor het door het hof vastgestelde doelgerichte handelen door verdachte en zijn vooropgezette plan daartoe, maar wordt veeleer als passend bij het volbrengen van het planmatige en doelgerichte handelen van verdachte geacht.

Conclusie

Het hof acht het op grond van het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 9 juli 2017 schuldig heeft maakt aan poging tot moord van aangeefster [slachtoffer] .”

3.5.

Het hof is bij de beoordeling van de vraag of de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, uitgegaan van het door de Hoge Raad onder meer in zijn arrest van 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. Keulen, weergegeven toetsingskader. Het hof heeft aldus de juiste maatstaf aangelegd.

3.6.

Aan het middel wordt in de toelichting op het middel ten grondslag gelegd dat de door het hof bij zijn oordeel over de voorbedachte raad betrokken vastgestelde feiten “een schoolvoorbeeld zijn van handelen in een opwelling”. Daartoe wordt aangevoerd dat de omstandigheid dat de verdachte via WhatsApp uiting heeft gegeven aan zijn woede, frustratie en onmacht, niet betekent dat daaruit mag worden afgeleid dat hij het besluit had genomen om zijn ex-partner te doden, dat niet duidelijk is wat hem precies getriggerd heeft, maar dat wel duidelijk is dat de escalatie in de woning plotseling begon en heel snel weer voorbij was. De steller van het middel meent dat de letsels die zijn veroorzaakt, de plotselinge geweldsexplosie, het korte tijdsverloop, het abrupt verlaten van de woning en het achterlaten van de (ernstig) gewonde aangeefster en haar zoon, erop duiden dat in een opwelling werd gehandeld en niet volgens een plan en evenmin ‘na kalm beraad en rustig overleg’. De steller van het middel concludeert dat het oordeel van het hof dat “uit de zeer korte tijdlijn van gebeurtenissen en handelingen nadat de verdachte bij de woning aanbelde kan worden afgeleid dat de verdachte planmatig en doelgericht heeft gehandeld ten aanzien van het proberen te doden van de aangeefster” volstrekt onbegrijpelijk is, omdat juist het zeer korte tijdsverloop erop duidt dat geen gelegenheid of tijd was voor bezinning en de verdachte handelde in een ‘ogenblikkelijke gemoedsopwelling’. De verdachte kan volgens de steller van het middel in de gang van zaken (de verdachte belt aan bij de woning van de aangeefster, wordt binnengelaten, wordt vervolgens getriggerd, slaat volkomen op tilt, grijpt een mes, steekt om zich heen en vertrekt) niets planmatigs ontdekken. Gelegenheid of tijd voor bezinning is er volgens de steller van het middel niet geweest.

3.7.

Het hof heeft bij zijn oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld mede in aanmerking genomen “de aanloop naar en de gedragingen van de verdachte in de woning van de aangeefster, alsmede de gedragingen van de verdachte na afloop daarvan”. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, heeft het hof in dat kader niet onbegrijpelijk overwogen dat de verdachte in meerdere berichten mededelingen heeft gedaan die duiden op het voornemen om de aangeefster te doden en heeft het hof mede uit deze whatsapp-berichten kunnen afleiden dat de verdachte het besluit heeft genomen om de aangeefster te doden.

3.8.

Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof enkel uit “de zeer korte tijdlijn van gebeurtenissen en handelingen nadat de verdachte bij de woning aanbelde” heeft afgeleid dat de verdachte planmatig en doelgericht heeft gehandeld ten aanzien van het proberen te doden van aangeefster, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft bij zijn oordeel dat de verdachte planmatig en doelgericht heeft gehandeld immers mede in aanmerking genomen de omstandigheden i) dat de verdachte in de periode voorafgaand aan de avond van het misdrijf aan de aangeefster heeft laten weten haar te zullen doden, ii) dat de verdachte, na het telefoongesprek met de aangeefster om 20:49 uur zijn telefoon heeft uitgeschakeld, iii) dat hij om 20:57 uur het café waar hij verbleef heeft verlaten en dat hij voorzien van een mes en onder het voorwendsel van een cadeau voor [betrokkene 3] en ook voor aangeefster heeft aangebeld bij de woning, iv) dat overdracht van cadeaus niet heeft plaatsgehad maar dat de verdachte bij binnenkomst de aangeefster vrijwel onmiddellijk in het gezicht heeft geslagen waarna hij de verder de woning in vluchtende aangeefster met het door hem meegevoerde mes meermalen heeft gesneden, v) dat hij de aangeefster met een slagaderlijke bloeding, ernstig verwond heeft achtergelaten en de woning heeft afgesloten, dat hij zich van het mes heeft ontdaan, dat hij om 21:06 is teruggekeerd in het café waar zijn gemoedstoestand niet anders dan gebruikelijk leek en dat hij, na aldaar nog enige tijd te hebben doorgebracht, naar Frankrijk is vertrokken.

3.9.

De steller van het middel meent ten slotte dat de door het hof bij zijn oordeel betrokken vastgestelde feiten “een schoolvoorbeeld zijn van handelen in een opwelling” en dat juist het zeer korte tijdsverloop erop duidt dat er geen gelegenheid of tijd was voor bezinning. Deze klacht faalt reeds omdat de steller van het middel (telkens) miskent dat het hof zijn oordeel dat de verdachte planmatig heeft gehandeld en (dus) “niet alleen de gelegenheid en tijd heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven maar dit ook daadwerkelijk heeft gedaan” niet enkel heeft afgeleid uit de gang van zaken vanaf het moment waarop de verdachte bij de aangeefster heeft aangebeld, maar ook uit de aanloop naar het bewezenverklaarde feit alsmede de gedragingen van de verdachte na afloop daarvan. Voor zover het middel beoogt te klagen dat het oordeel van het hof “dat niet gesteld of aannemelijk is geworden dat de verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld” onbegrijpelijk is, merk ik het volgende op. Het hof heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat de verdachte onder een vals voorwendsel de flat van de aangeefster is binnengekomen, dat hij een mes had meegenomen, dat hij de aangeefster zonder dralen heeft aangevallen en haar na het snijden in haar gezicht zwaar gewond in haar appartement heeft achtergelaten, dat hij de deur heeft gesloten en terug naar het café is gegaan waar hij volgens een getuige rustig arriveerde. Uit dit handelen heeft het hof afgeleid dat de verdachte niet alleen de gelegenheid en tijd heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven maar dat hij dit ook daadwerkelijk heeft gedaan. Het hof heeft voorts geoordeeld dat tussentijds of in de periode daarvoor geen van buiten komende prikkel of aanleiding is geweest die heeft geleid tot de steekpartij en dat er evenmin een objectief aan te wijzen omstandigheid was die de mogelijkheid voor de verdachte om zich te beraden heeft belet of bemoeilijkt. Verder heeft het hof geoordeeld dat het gedrag van de verdachte na afloop van het op de aangeefster uitgeoefende geweld geen contra-indicatie vormt voor het door het hof vastgestelde doelgerichte handelen en verdachtes vooropgezette plan daartoe, maar dat dat gedrag veeleer als passend bij het volbrengen van het planmatige en doelgerichte handelen van verdachte wordt geacht. Mede uit de “zeer korte tijdlijn van gebeurtenissen en handelingen nadat de verdachte bij de woning aanbelde” heeft het hof kunnen afleiden dat hij handelde volgens een vooropgezet plan, dat hij zonder aarzelen heeft doorgezet en ten uitvoer heeft gebracht. Het oordeel van het hof acht ik in het geheel niet onbegrijpelijk.

3.10.

Mede gelet op het voorgaande heeft het hof zijn oordeel dat en waaruit blijkt dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, zonder meer toereikend gemotiveerd.1 Dat oordeel getuigt, anders dan in het middel - ongemotiveerd – wordt gesteld, evenmin van “een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de inhoud en/of reikwijdte van dit delictsbestanddeel”.

4. Het middel faalt evident en rechtvaardigt geen behandeling in cassatie.

5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3147.