Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:201

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-01-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
19/04673
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:276
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen diefstal met geweld, art. 312 Sr. Klachten over 1. verwerping niet-ontvankelijkheidsverweer, 2. toetsing ‘nieuwe bezwaren’ a.b.i. art. 255 Sv en 3. medeplegen. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04673

Zitting 12 januari 2021

CONCLUSIE

P.C. Vegter

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

  1. Het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 2 oktober 2019 het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 september 2015, waarbij de verdachte voor primair: “diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal voor te breiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” is veroordeeld, grotendeels bevestigd. In hoger beroep heeft het hof gereageerd op een niet-ontvankelijkheidsverweer. Voorts heeft het hof, met aanvulling van een bewijsoverweging, een nieuwe strafmotivering gegeven en de verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.P. van der Graaf en L.C. de Lange, beiden advocaat te Utrecht, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het in hoger beroep gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer.

  4. Het hof heeft het in de middelen bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

    “De raadsman heeft ter terechtzitting bij het hof de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit en daartoe het volgende aangevoerd.

    Nadat de officier van justitie de zaak tegen verdachte in 2012 had geseponeerd heeft de officier van justitie op 28 april 2015 gevorderd dat de rechter-commissaris machtiging verleent als bedoeld in artikel 255, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Dit omdat er nieuwe bezwaren bekend zijn geworden in een strafzaak waarbij de officier van justitie eerder had besloten dat de verdachte daarin niet verder zou worden vervolgd. Op 28 april 2015 heeft de rechter-commissaris die vordering toegewezen en machtiging tot het instellen van een opsporingsonderzoek als bedoeld in artikel 255, derde lid, Sv verleend.

    De raadsman heeft betoogd dat er een onherstelbaar vormverzuim heeft plaatsgevonden. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat bovengenoemde machtiging op 28 april 2015 is gegeven, terwijl het (nieuwe) politieonderzoek al eerder, in januari 2015, is gestart. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de nieuwe bezwaren op 1 augustus 2013 bekend zijn geworden (dit betrof de verklaring van medeverdachte [betrokkene 1], afgelegd ter terechtzitting van het hof bij de behandeling van het door die [betrokkene 1] in diens strafzaak ingestelde hoger beroep), maar dat het openbaar ministerie - zonder uitleg - pas anderhalf jaar later een nieuw onderzoek heeft gestart. Verdachte had een gerechtvaardigd vertrouwen dat de zaak was geseponeerd en is door het nieuwe opsporingsonderzoek en de vervolging in zijn belangen geschaad. Verdachte is belemmerd in zijn privéleven. Dit zou primair moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

    Het hof overweegt als volgt.

    Hoewel er (tenminste in de door de raadsman gebezigde formulering van het verweer) aanwijzingen zijn dat er sprake is geweest van een sepotbeslissing van het Openbaar Ministerie en (daarom) artikel 255 Sv in de onderhavige zaak niet van toepassing was, zal het hof - nu de betreffende stukken zich niet meer in het dossier bevinden en vast is komen te staan dat de officier van justitie een vordering heeft gedaan als bedoeld in artikel 255, vierde lid Sv en de rechter-commissaris daarop een beslissing heeft genomen - er vanuit gaan dat die bepaling in de onderhavige zaak van toepassing is.

    Daarvan uitgaande is het hof, met de raadsman, van oordeel dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv: het nieuwe opsporingsonderzoek is immers gestart voordat de rechter-commissaris machtiging tot het instellen daarvan heeft verleend.

    Voor de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is evenwel alleen dan plaats wanneer sprake is van een zodanige inbreuk op de beginselen van behoorlijke procesorde dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Van een dusdanige inbreuk is naar het oordeel van het hof niet gebleken. Het lange wachten van het openbaar ministerie na het bekend worden van de nieuwe bezwaren maakt dat niet anders. Het openbaar ministerie is aldus ontvankelijk in de vervolging van verdachte.”

  5. Art. 255 Sv luidt vanaf 1 januari 2013:

    “1. De verdachte kan na zijn buitenvervolgingstelling, na de hem betekende beschikking, houdende verklaring dat de zaak geëindigd is, of na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, in het laatste geval behoudens artikel 12i of artikel 246, ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechten worden betrokken tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden.

    2. Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van getuigen of van den verdachte en stukken, bescheiden en processen-verbaal, welke later zijn bekend geworden of niet zijn onderzocht.

    3. In dat geval kan de verdachte niet ter terechtzitting van de rechtbank worden gedagvaard, dan na een ter zake van deze nieuwe bezwaren ingesteld opsporingsonderzoek.

    4. Tot de instelling van een opsporingsonderzoek als bedoeld in het derde lid wordt niet overgegaan dan na machtiging door de rechter-commissaris, verleend op vordering van de officier van justitie die met de opsporing van het strafbare feit is belast.”

  6. Het eerste middel klaagt dat het hof “ten onrechte het Openbaar Ministerie ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging van verzoeker, althans is de motivering van het hof dienaangaande ontoereikend en niet zonder meer begrijpelijk in het licht van hetgeen is aangevoerd door en/of namens verzoeker.” Het middel moet worden gelezen binnen het systeem van de art. 348, 349, 358 en 359 Sv: in het rechterlijk vonnis of arrest wordt geen beslissing inzake de ontvankelijkheid van de officier van justitie opgenomen tenzij ter zake verweer is gevoerd. In dat licht begrijp ik het middel zo dat wordt geklaagd over de (motivering van de) beslissing op het verweer.

  7. De kern van de toelichting op het middel is te vinden in nummers 15 en 16 van de cassatieschriftuur:

    “15. Gelet op de erkenning van het OM dat het ‘niet goed is gegaan’ en ‘dat artikel 255 Sv niet is onderkend’ in combinatie met het achteraf alsnog aanvragen van de vereiste machtiging kan worden opgemaakt dat doelbewust, maar in ieder geval met grove verontachtzamingen van de belangen van verzoeker, te kort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Je mag van het OM immers verwachten dat zij bekend zijn met de wettelijke voorschriften en hier ook conform naar handelen. Als er al wordt teruggekomen op een gewekt gerechtvaardigd vertrouwen, dan dient dit bovendien ook adequaat te gebeuren.

    16. Het hof heeft overwogen dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Artikel 359a, derde lid, Sv bepaalt dat de beslissing tot toepassing van artikel 359a Sv in de uitspraak moet worden opgenomen en deze met redenen dient te worden omkleed. Naar het oordeel van verzoeker heeft het hof dit verzuimd. De enkele overweging van het hof dat ‘van een dusdanige inbreuk naar het oordeel van het hof niet is gebleken’ is immers niet een ontoereikende verwerping van hetgeen namens hem is aangevoerd. Juist in het licht van het gevoerde verweer is de motivering van het hof, die ontbreekt, ook niet zonder meer begrijpelijk. Om die reden kan het bestreden arrest niet in stand blijven aldus verzoeker.”

  8. In de kern gaat het in de onderhavige zaak alleen om het rechtsgevolg dat moet worden verbonden aan een schending van art. 359a Sv. Het kader is enigszins herijkt, doch niet substantieel gewijzigd in twee arresten van 1 december 2020.1 Daarbij heeft de Hoge Raad expliciet overwogen dat het geen aanleiding ziet om substantiële wijzigingen aan te brengen in het beoordelingskader. Terecht wordt dan ook niet geklaagd over het door het hof in het bestreden arrest gebezigde criterium: een zodanige inbreuk op de beginselen van behoorlijke procesorde dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Dat sluit vrijwel naadloos aan bij r.o 2.5. uit het arrest van 1 december 2020:

“2.5.1 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rechtsoverweging 3.6.5 de volgende maatstaf geformuleerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie: “Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.”

9. Het hof heeft het in feitelijke aanleg gevoerde verweer gevolgd voor zover is gesteld dat er sprake was een onherstelbaar vormverzuim. Het hof volgt echter niet dat aan dat vormverzuim de niet-ontvankelijkheid moet worden verbonden. In feitelijke aanleg is het criterium daarvoor genoemd noch onderbouwd. Aan de ernst van de inbreuk wordt in het verweer geen afzonderlijke aandacht besteed. Zelfs wordt daarin niet in kaart gebracht op welke opsporingshandelingen in het onderzoek tegen verdachte het verweer nu precies het oog heeft. Wel wordt gesteld dat (als gevolg van) de inbreuk vertrouwen van verdachte is beschaamd, de belangen van verdachte zijn geschonden en er een inbreuk op zijn privacy is gemaakt. Dat is allemaal nogal vaag en indien juist behoeft het geenszins te betekenen dat aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. En daar gaat het hier om. De beslissing tot verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid is in het licht van het gevoerde verweer juist en zonder meer toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Dat nu in cassatie alsnog het juiste criterium in stelling wordt gebracht doet daaraan niet af, ook niet voor zover nog nieuwe feitelijke omstandigheden worden genoemd. Daarvoor is in cassatie immers geen ruimte.

10 Het eerste middeltreft geen doel.

11. Het tweede middel klaagt dat het hof “heeft verzuimd te beoordelen of er van nieuwe bezwaren als bedoeld in artikel 255 Sv is gebleken op grond waarvan verzoeker opnieuw kon worden gevolgd, althans, dat het gerechtshof dat oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd, dan wel is die motivering niet zonder meer begrijpelijk.”

12. Het middel is gebaseerd op de stelling dat het vaste rechtspraak is dat zittingsrechter moet beoordelen of er nieuwe bezwaren als bedoeld in art. 255 Sv zijn. Volgens de stellers van het middel zou de rechter-commissaris slechts marginaal toetsen of er een nieuwe bezwaren zijn, terwijl de zittingsrechter dit in volle omvang dient te te toetsen. Voor de verplichting tot toetsing door de zittingsrechter wordt een beroep gedaan op een arrest van 4 juni 20022:

“3.7. Indien aan een verdachte een kennisgeving van niet verdere vervolging is betekend en hij daarna ter zake van hetzelfde feit opnieuw in rechte is betrokken, dient de rechter die over de strafzaak oordeelt uiteindelijk te beoordelen of er van nieuwe bezwaren als bedoeld in art. 255 Sv is gebleken op grond waarvan de betrokkene opnieuw kan worden vervolgd; bij een ontkennende beantwoording van die vraag dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn strafvervolging. Bij de beoordeling van genoemde vraag zullen, naar uit het wettelijk systeem volgt, de resultaten van het ingevolge art. 255, derde lid, Sv voorgeschreven gerechtelijk vooronderzoek dienen te worden betrokken. Voor zover het middel op een andere opvatting berust, kan het dus niet tot cassatie leiden.

13. Dat de rechter moet oordelen over de vraag of er nieuwe bezwaren zijn, ligt inderdaad voor de hand omdat de rechter is gehouden een oordeel te geven over de ontvankelijkheid van de officier van justitie. Die beslissing of een motivering van die beslissing behoeft echter als regel niet te worden opgenomen in het vonnis of arrest. Als de rechter aan de hoofdvragen van art. 350 Sv toekomt ligt daarin besloten dat de officier van justitie ontvankelijk is verklaard. De hierboven geciteerd overweging uit het arrest van de Hoge Raad uit 2002 moet dus in dit licht worden gelezen. Voorts kan het arrest van het hof zo worden gelezen dat het hof in navolging van de verdediging de nieuwe bezwaren heeft vastgesteld: de verklaring van medeverdachte [betrokkene 1], afgelegd ter terechtzitting van het hof bij de behandeling van het door die [betrokkene 1] in diens strafzaak ingestelde hoger beroep. De verdediging heeft aangevoerd dat die nieuwe bezwaren op 1 augustus 2013 bekend zijn geworden. Ik weet niet welk doel volgens de verdediging zou kunnen worden gediend met de vaststelling en toetsing door het hof van nieuwe bezwaren waarvan de verdediging in het kader van het gevoerde verweer nu juist uitgaat.

14 Het tweede middelfaalt.

15. Het derde middel klaagt over het bewezenverklaarde “tezamen en in vereniging” plegen.

16. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 12 september 2011 in de gemeente Zwolle tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld (ongeveer Euro 11450) en een mobiele telefoon (merk Blackberry Curve) en een legitimatiebewijs (t.n.v. [slachtoffer]) en een rijbewijs (t.n.v. [slachtoffer]) en bankpassen (t.n.v. [A] B.V. en t.n.v. [slachtoffer], ING, ABN-AMRO) en kentekenbewijzen (kenteken [kenteken 1], Deel I en II en kenteken [kenteken 2], Deel I en II) en klantenpassen (ANWB, Holland Casino, Office Center. Hanos, Sligro, Bonuskaart AH, Gamma) en een munt (gouden munt uit Irak), toebehorende aan [slachtoffer] en/of [A] B.V., welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan (een) andere deelnemers van voormeld misdrijf hetzij de v lucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat zijn mededader.

- voorzien van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, het terrein is opgelopen en

- dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer] heeft gericht en

- die [slachtoffer] tegen een kraan heeft geduwd en

- met dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, die [slachtoffer] tegen het gezicht en de arm heeft geslagen en

- dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in zijn beide handen heeft gehad en met zijn duim "iets" naar achteren heeft gehaald ([slachtoffer] hoorde iets klikken) en

- krachtig) die [slachtoffer] een zogenaamd "knietje" in de buik heeft gegeven en

- meermalen (met kracht) met de kolf van dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en

- onder dreiging van dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een tas uit de handen van die [slachtoffer] heeft gegrist/gepakt.”

17. Deze bewezenverklaring wordt gesteund door de (door het hof bevestigde) bewijsconstructie3:

“De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat op 12 september 2011 aangever [slachtoffer] werd overvallen op het terrein van het bedrijf waar hij destijds werkzaam was aan de [a-straat 1] in Zwolle. Omstreeks 07.30 uur was aangever aldaar aanwezig.

Op enig moment zag hij een persoon op zich af lopen met een pistool in zijn hand. Vervolgens richtte de persoon het pistool op aangever en hoorde hij een klik. Hierna werd aangever geslagen en kreeg hij een knietje in zijn buik. De persoon griste een tas uit de hand van aangever waarna de persoon wegrende. Van hetgeen daarna verder is gebeurd, heeft aangever niet veel meer meegekregen. Verdachte ontkent ten stelligste dat hij bij de overval betrokken is geweest. Medeverdachte [betrokkene 1] en getuige [getuige 1] hebben echter verklaard dat verdachte de overval mede heeft gepleegd. Voorts bevat het dossier een Bel-M melding waarin verdachte als mededader wordt genoemd.

Getuige [getuige 1] heeft onder meer bij de rechter-commissaris verklaard dat hij bevriend was met verdachte en dat verdachte hem kort na de overval details heeft verteld over de overval. Volgens [getuige 1] waren verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] op de scooter naar de handelaar gegaan om hem te overvallen en heeft verdachte de scooter na de overval achtergelaten bij een school. Volgens de verklaring van [betrokkene 1] heeft verdachte hem benaderd en geïnformeerd over zijn plan om een overval te plegen. Verdachte had het slachtoffer al een tijdje geobserveerd en was in de veronderstelling dat het slachtoffer veel contant geld bij zich zou hebben. Verdachte wilde de overval echter zelf niet plegen, omdat hij bekend zou zijn in de omgeving. Verdachte heeft daarom [betrokkene 1] gevraagd om de overval uit te voeren en de buit te delen, waar [betrokkene 1] mee heeft ingestemd. Op de dag van de overval heeft verdachte [betrokkene 1] kort voor de overval op de plaats delict afgezet, waarna [betrokkene 1] de overval heeft gepleegd. Na de overval heeft [betrokkene 1] het terrein verlaten waar hij werd opgewacht door verdachte op een scooter waarna zij zijn weggereden. Verdachte en [betrokkene 1] zijn vervolgens naar een plek gereden waar een auto gereed stond, waarin zij zijn overgestapt. De rechtbank overweegt dat een deel van deze gang van zaken wordt bevestigd in de daarover doof getuige Visscher afgelegde verklaring. Uit de verklaring van Visscher blijkt dat hij kort na de overval heeft gezien dat twee personen op een scooter reden die was afgeplakt met een vuilniszak aan de voorzijde. De scooter reed naar een parkeerplek waar een auto stond geparkeerd. Vervolgens zijn deze twee personen met de geparkeerd staande auto weggereden. Door de politie werd een scooter aangetroffen die mogelijk werd gebruikt bij de overval. Uit onderzoek van de politie bleek dat de voorzijde van de scooter was afgeplakt door middel van grijze vuilniszakken. Op één van de vuilniszakken is een vingerafdruk aangetroffen. Uit dactyloscopisch onderzoek is gebleken dat deze vingerafdruk van verdachte afkomstig is. De rechtbank passeert het verweer van de raadsman dat de verklaringen van de medeverdachte [betrokkene 1] en de getuige [getuige 1] niet consistent en daardoor onbetrouwbaar zijn. De rechtbank heeft geen redenen om de getuigenverklaringen als ongeloofwaardig te duiden. De verklaringen komen op wezenlijke onderdelen overeen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het niet onderbouwde standpunt van verdachte dat hij "erbij wordt gelapt” niet begrijpelijk is, aangezien hij en medeverdachte [betrokkene 1] beide hebben verklaard elkaar niet te kennen. De rechtbank overweegt dat er geen onderbouwing is voor de stelling van verdachte dat [betrokkene 1] hem er bij wil lappen. De rechtbank zal de verklaring van [betrokkene 1] dan ook voor het bewijs bezigen.

Ook uit de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3], die wisten van de plannen voor de overval, maar uiteindelijk niet hebben meegedaan, kan worden afgeleid dat verdachte het brein is achter de overval. [getuige 2] heeft als tipgever tegenover aangever verklaard dat de Irakees het brein is en [getuige 3] heeft gewezen naar de eigenaar van de scooter en heeft verklaard dat degene die de overval heeft gepleegd, is gevraagd door een jongen uit Zwolle.

Al met al zijn er meerdere belastende aanwijzingen waaruit - tezamen genomen - betrokkenheid van verdachte bij deze overval kan worden afgeleid. De verklaringen van verdachte hebben deze aanwijzingen niet kunnen ontzenuwen.

Het in vereniging plegen van een delict veronderstelt een bewuste, nauwe en volledige samenwerking. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte de initiator geweest van de overval en heeft hij daarbij de hulp ingeschakeld van de medeverdachte, die de overval heeft gepleegd. Verdachte heeft hem op de scooter naar het bedrijf van aangever gebracht en hem daar enige tijd later, nadat de overval was gepleegd, ook weer opgehaald. De buit is vervolgens gedeeld. Uit de genoemde gang van zaken kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat verdachte en zijn medeverdachte voorafgaande, tijdens en na de overval in een nauwe en bewuste samenwerking hebben gehandeld.”

18. De kern van de klacht is (cassatieschriftuur onder 30) dat is nagelaten om in de bewijsvoering nader te motiveren waarom de intellectuele en/of materiële bijdrage van verzoeker van voldoende gewicht is om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.

19. Gedoeld wordt kennelijk op de vaste rechtspraak, zoals onder meer in een arrest van uw Raad uit 20184:

“2.3. In de arresten HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 en HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:83 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.”

20. Het hof motiveert in de bewijsoverweging mijns inziens het medeplegen meer dan toereikend, overigens zonder met zoveel woorden te spreken van intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Dat lijkt mij te verklaren uit de omstandigheid dat hier geen sprake is van een twijfelgeval. Het hof oordeelt dat verdachte voorafgaande, tijdens en na de overval in een nauwe en bewuste samenwerking met de (uitvoerende) medeverdachte heeft gehandeld. Verdachte is in de woorden van het hof de initiator, het brein, hij schakelt de medeverdachte voor de uitvoering in, hij brengt en haalt de medeverdachte en deelt in de buit.

21 Ook het derde middelfaalt.

22. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik volsta met verwijzing naar HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890. Daarin zoekt de Hoge Raad aansluiting bij HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 m.nt. Keulen.

2 HR 4 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3543, NJ2002/430.

3 De door het hof gegeven nadere bewijsoverweging is voor de beantwoording van de vraag in cassatie niet relevant, nu het hof in die bewijsoverweging geen andere feiten en omstandigheden tot het bewijs bezigt dan de rechtbank heeft gedaan, maar is ingegaan om de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van afgelegde verklaringen.

4 HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:741.