Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:167

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-03-2021
Datum publicatie
04-03-2021
Zaaknummer
19/05541
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:568
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Afwijzende beslissing op verzoek tot contraexpertise met betrekking tot een gedragsdeskundige dubbelrapportage door andere deskundigen. Noodzaakcriterium en art. 6 EVRM. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05541

Zitting 2 maart 2021

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. De verdachte is bij arrest van 25 november 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens de in de zaak met parketnummer 16-659152-18 onder 1 bewezenverklaarde “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en onder 2 bewezenverklaarde “bedreiging met een terroristisch misdrijf”, alsmede wegens de in de zaak met parketnummer 16-659754-18 onder 2 bewezenverklaarde “eenvoudige belediging” veroordeeld. Het hof heeft gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld voor de duur van maximaal vier jaren met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

  2. Namens de verdachte heeft mr. R. Dijkstra, advocaat te Doorn, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel: afwijzing verzoek om andere gedragsdeskundigen

3. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte de door de verdediging verzochte contra-expertise met betrekking tot een gedragsdeskundige dubbelrapportage door andere deskundigen heeft afgewezen, althans dat het die afwijzende beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 mei 2019 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

“De voorzitter deelt mee, zakelijk weergegeven:

De verdediging heeft middels een verzoek ex artikel 411a wetboek van strafvordering om een contra-expertise verzocht. De raadsheer-commissaris heeft dit verzoek afgewezen. Naar aanleiding van deze beslissing heeft de verdediging verzocht om de pro-forma zitting van vandaag om te zetten in een regiezitting om het gedane verzoek nogmaals toe te lichten. De advocaat-generaal heeft aangegeven hier geen bezwaar tegen te hebben. Het betreft vandaag een regiezitting.

De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld om zijn verzoek nader toe te lichten, waarbij de raadsman het woord voert overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht.

[…]

De voorzitter deelt mede, zakelijk weergegeven:

Er zijn veel mensen die in eerste aanleg niet willen meewerken en later, als er hoger beroep is ingesteld, wel. Het is gebruikelijk om de deskundigen die al gerapporteerd hebben een aanvullende rapportage te laten opmaken. Is dat een optie? Het feit dat er geen klik is, is geen reden om andere deskundigen te benoemen. Het is ook gebruikelijk en conform beleidsafspraken dat het NIFP zorg draagt voor een match tussen de opdracht en de rapporteurs op basis van problematiek, deskundigheid en beschikbare tijd. […]

De voorzitter onderbreekt de behandeling ter zitting om de raadsman in de gelegenheid te stellen met zijn cliënt te overleggen.

Na een korte onderbreking hervat de voorzitter de behandeling.

De raadsman deelt mede, zakelijk weergegeven:

Tijdens de gesprekken tussen verdachte en de rapporteurs zijn de emoties hoog opgelopen.

Ik blijf bij het verzoek om een nieuwe rapportage te laten opmaken door andere deskundigen, verdachte zal zich dan minder geremd voelen. [betrokkene 7] is een kundige deskundige die vaak rapporteert, daarnaast is hij bereid om dit op zich te nemen. Verdachte heeft er vertrouwen in dat hij daar open de gesprekken in kan gaan. U geeft aan dat er beleidsafspraken zijn met het NIFP met betrekking tot het matchen van zaken en deskundigen, maar de vraag is of daarvan afgeweken moet worden. Ik verzoek u daarvan af te wijken en de deskundigen om wie ik heb verzocht te benoemen en te laten rapporteren.


Verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

U vraagt mij wat er mis is gegaan. De emoties liepen hoog op. Ik wil me graag opnieuw laten onderzoeken door de deskundigen welke door mijn raadsman zijn opgegeven. Ik wil een nieuwe kans en neem het serieus. U vraagt mij of ik met dezelfde rapporteurs wil meewerken aan een aanvullende rapportage? Liever niet. Het is eerder misgelopen, ik heb geen vertrouwen meer in die deskundigen. Mijn advocaat wil het ook niet. Als er geen andere keus is, dan werk ik wel mee.

De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:

Verdachte is meer gemotiveerd dan voorheen zegt de raadsman. Verdachte herkent zich niet in het beeld zoals in de rapportage is geschetst. Maar de rapportage is niet alleen gebaseerd op de gesprekken, maar ook op de inhoud van het dossier en ander onderzoek. Primair verzet ik me tegen nader onderzoek. Het onderzoek wat gedaan is, is voldoende. Subsidiair verzoek ik het hof dezelfde deskundigen aanvullend te laten rapporteren. […]


Na gehouden beraad deelt de voorzitter mede, zakelijk weergegeven:

Uit de rapporten welke zich nu in het dossier bevinden blijkt dat verdachte niet volledig heeft meegewerkt, maar de vragen zijn grotendeels wel door de deskundigen beantwoord. Uit de stukken blijkt ook dat verdachte reclasseringsmedewerkers heeft bedreigd. Dat is zoals het is. Het hof zal dezelfde deskundigen laten rapporteren, zodat verdachte het beeld kan doen kantelen.
[…]

De beslissing van het hof:

het hof verwijst de zaak naar de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij dit hof, met verzoek de deskundigen [betrokkene 1] , psychiater, [betrokkene 2] , GZ psycholoog, en indien nodig ook [betrokkene 3] , forensisch milieuonderzoeker, aanvullend te laten rapporteren, op basis van de toezegging van verdachte dat hij volledig zal meewerken;”

5. De in bovenstaand proces-verbaal bedoelde pleitnota bevat onder meer de volgende inhoud:

Aanvullend onderzoek

De verdediging verzoekt uw gerechtshof het ertoe te leiden dat contra-gedragsdeskundigen de gelegenheid krijgen om te rapporten over i) de aanwezigheid van stoornissen bij cliënt, ii) de mate van toerekenbaarheid en iii) eventuele alternatieven voor de maatregel van tbs (met dwangverpleging). De verdediging heeft de NIFP-gedragsdeskundigen [betrokkene 4] (psychiater) en [betrokkene 5] (psycholoog), beiden opgenomen in het deskundigenregister, bereid en in staat gevonden om over cliënt te rapporteren. Cliënt stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op een tegenonderzoek en verzoekt uw gerechtshof de deskundigen in zijn zaak te laten rapporteren.

Cliënt heeft in een eerder stadium niet serieus kunnen meewerken aan het onderzoek. Hij had geen 'click' met de rapporteurs, heeft zich niet open kunnen opstellen en heeft zichzelf daardoor niet echt kunnen laten zien in de gesprekken met de rapporteurs. Onder meer omdat hij niet open was is er een verkeerd beeld van hem geschetst; een beeld waarin hij te impulsief is en rapporteurs heeft bedreigd. Dat is een verkeerd beeld en cliënt betwist de betrouwbaarheid van de in november opgemaakte rapportage.

Cliënt wil graag een nieuw onderzoek om te laten zien dat genuanceerder ligt dan eerder is gerapporteerd. Hij wil een kans om zichzelf echt te laten zien en herkent zich niet in het geschetste beeld. Wel erkent hij dat hij moet werken aan agressieregulatie en daarvoor zou hij graag een behandeling bij De Waag willen. De verantwoordelijkheid hiervoor kan hij aan en hij wenst dit zo snel mogelijk op te pakken (dit bijvoorbeeld in tegenstelling tot hetgeen is gerapporteerd).

Cliënt heeft het onderzoek ook onvoldoende serieus genomen en hij had ook niet het gevoel dat hij door de rapporteurs serieus genomen werd. Dat was een fout van hem en hij wil dit graag rechtzetten. Cliënt wil verder een tegenonderzoek om te laten zien dat het geschetste beeld niet klopt en betwist de geconstateerde stoornissen en het daaruit voortkomende recidiverisico. Dat maakt dat het in de reden ligt om alternatieven te onderzoeken voor de maatregel van tbs (met dwangverpleging). De verdediging heeft reeds contact gehad met de NIFP-gedragsdeskundige [betrokkene 4] (psychiater) en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] (psycholoog), beiden opgenomen in het deskundigenregister, bereid en in staat gevonden om over cliënt te rapporteren.

Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat het doen van gedragsdeskundig onderzoek noodzakelijk is voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.”

6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2019 heeft de voorzitter van het hof aldaar een aanvullend, op 13 september 2019 opgemaakt Pro Justitia rapport voorgehouden en met de verdachte besproken in het kader van diens persoonlijke omstandigheden. Door en namens de verdachte is op deze terechtzitting verweer gevoerd tegen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling. Het hof is van dit verweer afgeweken door aan de verdachte die maatregel op te leggen.

7. Het hof heeft het door de verdediging gedane verzoek niet onbegrijpelijk opgevat als een verzoek tot het benoemen van een deskundige door de zittingsrechter dan wel – na een verwijzing door de zittingsrechter – door de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris. Het betreft hier een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv om gebruik te maken van de in art. 315, derde lid tweede volzin, Sv dan wel een in art. 316 Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf voor de beslissing op een zodanig verzoek is of de rechter de noodzaak van het verzochte is gebleken.1

8. Het in het middel bedoelde verzoek is op de als regiezitting aangemerkte terechtzitting in hoger beroep van 20 mei 2019 aan de orde geweest. Het hof heeft daarop de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris met als opdracht de deskundigen die in eerste aanleg hebben gerapporteerd ( [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en indien nodig ook [betrokkene 3] ) aanvullend te laten rapporteren. Tegen de achtergrond van het verhandelde ter terechtzitting moet die beslissing zó worden verstaan, dat het hof een aanvullende rapportage van de hand van dezelfde deskundigen voldoende heeft geacht om de verdachte een adequate mogelijkheid te bieden het ontstane “beeld te doen kantelen”. Aldus ligt in de beslissing van het hof besloten dat het hof het verzoek andere deskundigen te benoemen heeft afgewezen omdat de noodzaak daartoe het hof niet is gebleken. Het hof heeft bij zijn beslissing tot afwijzing van het verzoek derhalve – impliciet – de juiste maatstaf toegepast.

9. Met betrekking tot de begrijpelijkheid van de motivering wordt in de toelichting op het middel een beroep gedaan op rechtspraak van de Hoge Raad waarin in algemene zin is overwogen dat de eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat aan een verzoek tot het doen verrichten van tegenonderzoek door een deskundige gevolg behoort te worden gegeven. Of zich zo een geval voordoet is volgens die rechtspraak afhankelijk van de omstandigheden van de concrete zaak. Als in de beoordeling te betrekken factoren waaraan onder meer kan worden gedacht, noemt de Hoge Raad (a) de gronden waarop het verzoek steunt, (b) het belang van het gevraagde tegenonderzoek in het licht van – bijvoorbeeld – de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat, (c) de omstandigheid dat het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip dat een dergelijk onderzoek nog mogelijk is en (d) de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan.2 De steller van het middel beroept zich daarnaast op rechtspraak van het EHRM waaruit hij afleidt dat de verdachte in de regel een tegendeskundige mag (doen) benoemen als er “objectief gezien reden is om te twijfelen aan de onpartijdigheid van de – door de rechter – benoemde deskundige” en dat “gebrek aan neutraliteit” bij de eerder benoemde deskundige onder omstandigheden een schending van het beginsel van equality of arms zal opleveren.3

10. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, doet zich een situatie als bedoeld in de rechtspraak van het EHRM en de in de schriftuur in dat verband aangehaalde zaken hier niet voor. Objectieve reden te twijfelen aan de onpartijdigheid of neutraliteit van de deskundigen is door de verdediging gesteld noch gebleken. De onderbouwing van het in hoger beroep gedane verzoek komt er kort gezegd op neer dat de verdachte geen klik had met de rapporteurs en zich (daarom) niet heeft opengesteld, waardoor een verkeerd beeld van hem is ontstaan. De verdediging heeft verzocht de verdachte een nieuwe kans te geven het geschetste beeld te nuanceren. Nadat de voorzitter ter terechtzitting had opgemerkt dat de enkele omstandigheid dat er geen klik was onvoldoende is om andere deskundigen te benoemen, hebben de verdachte en zijn raadsman zich beraden over de door de voorzitter gestelde vraag of aanvullende rapportage door dezelfde deskundigen een optie was. Nadien is de raadsman gebleven bij het verzoek om andere deskundigen, omdat de verdachte zich dan “minder geremd” zou voelen. De verdachte zelf heeft verklaard geen vertrouwen meer te hebben in de deskundigen die eerder hadden gerapporteerd. Enige vrees dat de deskundigen niet neutraal en onpartijdig waren, is aldus niet naar voren gebracht. Van enige omstandigheid waaruit kan blijken dat een dergelijke vrees objectief gerechtvaardigd was, is evenmin gebleken.

11. In het licht van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep aan het verzoek ten grondslag is gelegd, is het in de afwijzende beslissing besloten liggend oordeel van het hof dat de eisen van een eerlijke procesvoering in de onderhavige zaak niet meebrengen dat aan het verzoek om tegenonderzoek door andere deskundigen gehoor moet worden gegeven, niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hier niet gaat om een deskundigenonderzoek dat betrekking heeft op het bewijs van het tenlastegelegde feit of de strafbaarheid van het feit en dat ook de strafbaarheid van de dader in dit geval niet het punt van discussie is.4 Vanwege het gewicht dat aan de resultaten van de rapportage van gedragsdeskundigen pleegt te worden toegekend bij de beslissing de TBS-maatregel wel of niet op te leggen, schrijft de wet voor dat de rechter die maatregel slechts kan opleggen nadat hij zich een actueel, met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines die de verdachte hebben onderzocht.

12. De afwijzende beslissing van het hof is niet onbegrijpelijk. Tot een nadere onderbouwing van deze beslissing was het hof niet gehouden.

13. Opmerking verdient nog het volgende. Ten aanzien van verzoeken tot het horen van getuigen heeft de Hoge Raad herhaaldelijk geoordeeld dat in het geval de zaak op meerdere terechtzittingen is behandeld, van de verdediging mag worden gevergd dat zij in cassatie toelicht waarom op een later gehouden terechtzitting niet is geklaagd over een op een eerdere zitting begaan verzuim met betrekking tot een verzoek tot oproeping van getuigen.5 Ik zie geen goede reden waarom dit anders zou zijn in een geval als het onderhavige. Nadat het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 20 mei 2019 de zaak naar de raadsheer-commissaris had verwezen met het verzoek de eerder gehoorde deskundigen aanvullend te laten rapporteren, is de zaak op de terechtzittingen van 12 augustus en 4 november 2019 ‘pro forma’ behandeld. Op 11 november 2019 vond de inhoudelijke behandeling plaats. Uit de processen-verbaal van deze drie latere terechtzittingen blijkt niet dat door de verdediging de eerdere afwijzing van het verzoek van het hof tot het (laten) benoemen van andere deskundigen opnieuw aan de orde is gesteld. In de cassatieschriftuur is niet toegelicht waarom de verdediging op latere terechtzittingen niet heeft gepersisteerd bij haar verzoek. Nu de verdediging het verzoek bij gelegenheid van de latere terechtzittingen, waaronder die waarop de zaak inhoudelijk is behandeld, niet nog eens naar voren heeft gebracht en ook geen verweer heeft gevoerd tegen de inhoud van de aanvullende rapportage, is mijns inziens het – in cassatie niet nader toegelichte – belang van de verdachte bij de klacht over de afwijzing van het verzoek niet evident.6

14. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Het tweede middel: bewijsmotivering ter zake van bedreiging met terroristisch misdrijf

15. Het tweede middel is gericht tegen de bewijsmotivering ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-659152-18 onder 2 bewezenverklaarde feit. Geklaagd wordt onder meer dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die ertoe hebben geleid dat het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging, althans dat het hof dit standpunt ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

16. In de zaak met parketnummer 16-659152-18 is ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 21 februari 2018 te [plaats] , [slachtoffer] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: “als je het lef hebt om een foto van mij te maken en deze door te sturen aan de politie dan gaat vanavond of vannacht het pand de lucht in. Ik heb een bomgordel”;”

17. Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, nummer PL0900-2018052110-4, d.d. 21 februari 2018 (p. 500-503 van een dossier met nummer 2018052110), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :


als verklaring van [slachtoffer] :

Ik ben werkzaam bij de winkel ‘ [A] ” te [plaats] . Ik was op 21 februari 2018 aan het werk met [betrokkene 6] . Er kwam een man de winkel binnen lopen. De man vertelde dat hij in de problemen zat, het land uit wilde vluchten en gezocht werd. Hij zei dat hij ook iemand op het pleintje voor ons in elkaar had geslagen. Hij zei dat hij voordat hij [plaats] uitging nog twee mensen koud wilde maken.

Hij zei toen: “Jij kunt het zijn, of jij of die mevrouw die voor de winkel langs liep.” Toen hij dit zei keek hij mij recht in de ogen. Het was heel indringend. Ik voelde dat mijn lichaam hierdoor verstijfde en mijn hart zat in mijn keel. De combinatie zoals hij keek en de manier van praten gaven mij een onbehaaglijk en angstig gevoel. Ik liep naar de toonbank om mijn telefoon te pakken. Hij had in de gaten wat ik wilde doen en ik hoorde hem zeggen tegen mij: “Als je het lef hebt om een foto van mij te maken en deze door te sturen naar de politie dan gaat vanavond of vannacht het pand de lucht in. Hij zei dat hij een bomgordel had.” Het kwam heel overtuigend over.

Toen alles achter de rug was begon ik mij shockerig te voelen, trillende handen, zeebenen, hartkloppingen, echt het gevoel dat we de dans zijn ontsprongen. Ik denk dat als wij tegengas hadden gegeven hij misschien toch wel had gedaan waar hij mee dreigde.”


2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, nummer PL0900-2018052110-8, d.d. 21 februari 2018 (p. 504-506 van het onder 1. genoemde dossier), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :


als verklaring van [betrokkene 6] :

Op 21 februari 2018 bevond ik mij als werknemer in de winkel genaamd: [A] . Er kwam een man in de winkel. Toen mijn collega naar de toonbank liep om, vermoedelijk, haar telefoon te pakken, zei de man met een harde stem: “als je wat doet dan zet ik vannacht deze hele tent in de fik”. Toen hij dit zei liep de man in de richting van mijn collega en de toonbank. De man heeft mij niet persoonlijk bedreigd, maar ik voelde mij wel zeer bedreigd door zijn hele houding en door dat hij zei dat hij anderen geweld aan wilde doen. Ik ben heel erg geschrokken van deze man en ik ben heel bang dat hij weer terug in de winkel komt. Ik vond het vreselijk om mee te maken. Ik vond de man, terwijl hij sprak, zo gedetailleerd en rustig dat ik het gevoel had dat hij een lijstje aan het afwerken was en dat hij deze stappen ook daadwerkelijk zou nemen.


3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0900-2018052110-9, d.d. 21 februari 2018, (p. 510-511 van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :

als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op woensdag 21 februari 2018 hoorden wij via onze portofoon dat er iemand gedreigd had met een bomgordel in de hobbywinkel [A] gelegen in het centrum van [plaats] . Wij zijn vervolgens naar het centrum van [plaats] gereden. Bij de hobbywinkel aangekomen zagen wij dat beide medewerksters hevig geëmotioneerd waren. Wij hoorden hen het volgende zeggen:

Zij hoorden hem zeggen dat hij een bomgordel droeg en dat hij de winkel zou opblazen als zij de politie zouden bellen. Ze hoorden hem zeggen dat hij vandaag twee mensen zou omleggen. Hij dreigde dat als de medewerksters de politie zouden bellen hij terug zou komen en twee mensen zou omleggen.


4. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 30 november 2018, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :


Ik ben die winkel binnengegaan. Ik heb gezegd dat ik nog twee mensen koud wil maken. Ik begrijp dat die vrouwen misschien zijn geschrokken, omdat ik opgefokt werd in die winkel.”

18. Ten aanzien van het bewijs van dit feit heeft het hof in de bestreden uitspraak voorts het volgende overwogen:

“De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ontkend dat hij de ten laste gelegde bedreiging heeft geuit. Zijn raadsman heeft bepleit dat het terroristisch oogmerk niet bewezen kan worden. Voor het dreigen met een bomgordel is onvoldoende bewijs.

Het hof overweegt als volgt.
Met de advocaat-generaal en anders dan de rechtbank komt het hof tot een bewezenverklaring van bedreiging met een terroristisch oogmerk. Het hof hanteert de bewijsmiddelen zoals die hieronder onder 1 t/m 57 zijn uitgewerkt. Het hof stelt op basis van die bewijsmiddelen vast dat verdachte op 21 februari 2018 in de hobbywinkel is geweest en daar heeft gedreigd met een bomgordel. Op grond van die bewijsmiddelen acht het hof niet aannemelijk dat deze bedreiging gericht was aan de politie, zoals aangevoerd door de verdediging, aangezien hij de uitingen over de bomgordel heeft geuit in de richting van aangeefster en de bewoordingen zelf betrekking hadden op de vernietiging van het winkelpand.”

19. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, voor het bewijs te bezigen wat hem daartoe uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De beslissing inzake die selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal behoeft – behoudens bijzondere gevallen – geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Bijzondere wettelijke motiveringsplichten zoals die van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv doen niet af aan het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter.8

20. In hoger beroep heeft de verdachte aangevoerd dat indien en voor zover hij al zou hebben gedreigd een bomgordel te zullen gebruiken, hij niet heeft gedreigd zulks in het winkelpand waar hij en de medewerksters zich bevonden te zullen doen, maar hooguit heeft verkondigd daarmee het politiebureau te zullen inlopen. Het in de toelichting op het middel aangevoerde komt er in de kern op neer dat het oordeel van het hof dat de verdachte heeft gedreigd een bomgordel te zullen inzetten in het winkelpand waar hij zich bevond en aldus de aangeefster met die bomgordel heeft bedreigd niet toereikend is gemotiveerd, in het licht van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht en van de omstandigheid dat de rechtbank de verdachte ter zake van dit feit had vrijgesproken.

21. Voor zover het middel de klacht bevat dat het hof heeft nagelaten op het in het middel bedoelde verweer te responderen, mist het feitelijke grondslag. Met zijn bewijsoverwegingen heeft het hof immers in het bijzonder de redenen opgegeven waarom het is afgeweken van het standpunt van de verdediging. Voor zover wordt geklaagd dat het hof ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen respectievelijk de bewezenverklaring onvoldoende heeft gemotiveerd, wordt welbeschouwd geklaagd dat het hof tot een andere waardering van het voorhanden bewijsmateriaal had moeten komen, althans dat de gemaakte selectie van bewijsmiddelen niet begrijpelijk is. In zoverre stuit het middel af op hetgeen hiervoor is vooropgesteld over de in dit verband aan de feitenrechter toekomende vrijheid bij de selectie en waardering van het bewijsmateriaal. Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte de bewezenverklaarde uitlatingen heeft gedaan.

22. Het middel faalt.

Slotsom

23. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie ook HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2189 en vgl. voorts HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:651.

2 HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7228, NJ 2005/514, m.nt. Mevis; HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2104, NJ 2008/169, m.nt. Buruma; HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5746, NJ 2009/424; HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3886, NJ 2013/179; HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1065, NJ 2019/303.

3 Zie over de EHRM-rechtspraak op dit punt nader: R.A. Hoving, Deskundigenbewijs in het strafproces (diss. Groningen), Oisterwijk: WLP 2017, hoofdstuk 4. Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen (ECLI:NL:PHR:2018:482) voorafgaand aan HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:736 (HR: art. 81, eerste lid, RO).

4 Vergelijk daarmee HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5746, NJ 2009/424, waarin de Hoge Raad uitdrukkelijk in aanmerking nam dat aan een deugdelijk uitgevoerd DNA-onderzoek een grote overtuigingskracht pleegt te worden toegekend en het resultaat van zo'n onderzoek de verdachte niet alleen kan belasten maar ook kan ontlasten.

5 Zie HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers (rov. 2.75).

6 Vgl. HR 20 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2855, NJ 2014/450, m.nt. Borgers en HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2022.

7 Ik, AG, begrijp 1 t/m 4.

8 Vgl. in dit verband ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 237, die schrijft dat “nog steeds uitgangspunt is dat in cassatie niet met vrucht kan worden aangevoerd dat de feitenrechter het tenlastegelegde feit ten onrechte bewezen heeft geacht of dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd omdat tegenover de twee getuigenverklaringen die tot bewijs zijn gebruikt, tien getuigen staan die onder ede hebben verklaard dat de verdachte onschuldig is.”