Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:158

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
19/05349
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:572
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Fatale woningbrand in Doetinchem. Eendaadse samenloop van doodslag en opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft. Falende klachten over de motivering van de afwijzing door het hof van het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van een deskundige over het ontstaan van de brand door toedoen van een aansteker. Ambtshalve: toepassing vervangende hechtenis i.p.v. gijzeling bij oplegging schadevergoedingsmaatregel. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast, dat de Hoge Raad bepaalt dat gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05349

Zitting 2 maart 2021

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De verdachte is bij arrest van 18 november 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1 subsidiair en 2 “de eendaadse samenloop van doodslag en opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen en heeft het hof ten aanzien van de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen een schadevergoedingsmaatregel met daarbij vervangende hechtenis aan de verdachte opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

1.3.

Het cassatiemiddel heeft betrekking op de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek tot het horen van een deskundige over het ontstaan van een brand door toedoen van een aansteker. Voor een goed begrip van de zaak geef ik voorafgaand aan de bespreking van het middel allereerst de bewezenverklaring en de nadere bewijsoverwegingen van het hof weer.

2 De bewezenverklaring en de bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

“1. subsidiair

zij in de nacht van 19 augustus 2017 op 20 augustus 2017, in de gemeente [plaats], [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door opzettelijk brand te stichten in de woning (ter hoogte van de enige trap naar boven) waarin die [slachtoffer] zich boven bevond, welke brand zich (razendsnel) ontwikkelde tot een uitslaande brand, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden.

2. zij in de nacht van 19 augustus 2017 op 20 augustus 2017, in de gemeente [plaats], opzettelijk brand heeft gesticht in een rijtjeswoning (gelegen aan de [a-straat 1]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een bank, ten gevolge waarvan die bank en een of meer brandbare stoffen in die woning geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan levensgevaar voor de zich op dat moment in die woning (op de bovenverdieping/zolder) bevindende persoon ([slachtoffer]) en de zich in de belendende percelen bevindende personen, te duchten was, en waarbij die zich in die woning bevindende [slachtoffer] ten gevolge van die brand is overleden.”

2.2.

De bewezenverklaring berust op 17 bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest.

2.3.

Het hof heeft ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

“Het hof is van oordeel dat de door en namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Op 19 augustus 2017 was er een uitslaande brand in een rijtjeswoning aan de [a-straat 1] in [plaats], de woning van [betrokkene 1]. Ten tijde van de brand bevond [slachtoffer] zich in de woning en zij is als gevolg van die brand ter plaatse overleden.

De getuige [getuige 1] heeft gedurende het opsporingsonderzoek meerdere verklaringen afgelegd. Vanaf haar eerste verhoor bij de politie heeft zij in grote lijnen dezelfde en voor verdachte belastende verklaring afgelegd in die zin dat verdachte haar heeft verteld dat zij in de woning van [betrokkene 1] het latere slachtoffer trof en dat het slachtoffer naar boven is gegaan nadat verdachte haar een paar keer geslagen had. Vervolgens heeft verdachte een aansteker bij de bank gehouden. Verdachte heeft [getuige 1] verteld dat het ‘leuk fikte’ of ‘lekker fikte’ of soortgelijke woorden en dat zij daarna de woning heeft verlaten.

Ter terechtzitting van de rechtbank en tijdens het verhoor ten overstaan van de rechtercommissaris heeft [getuige 1] haar eerdere bij de politie afgelegde verklaringen bevestigd.

Deze verklaringen zijn in de kern consistent en gedetailleerd en de getuige is ook bijna een jaar nadat haar eerste verhoor bij de politie plaatsvond ten overstaan van de rechtbank niet teruggekomen op haar verklaringen. Daarbij komt dat zij details benoemt die op essentiële onderdelen overeenkomen met de inhoud van het technisch onderzoek en andere objectieve bewijsmiddelen. Zo werd bij het sporenonderzoek in de woning na de brand geconstateerd dat de primaire brandhaard zich in de woonkamer, in de directe omgeving van de bank en de salontafel, had bevonden. Ook is het levenloze lichaam van het slachtoffer op de eerste verdieping van de woning aangetroffen. Daarnaast zijn er geen sporen van brandversnellende middelen gevonden, hetgeen kan passen bij het enkele gebruik van een aansteker. Al hetgeen door de raadsman is aangedragen ter onderbouwing van de stelling dat de verklaringen van [getuige 1] niet bruikbaar zijn voor het bewijs raakt naar het oordeel van het hof niet aan deze constateringen.

Bovendien heeft de getuige niet alleen in haar verhoren verklaard dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat zij een aansteker bij de bank had gehouden, maar blijkt ook uit de inhoud van tapgesprekken dat de getuige van verdachte gehoord heeft wat er die avond gebeurd is. Ook heeft zij in die gesprekken meermalen aangegeven dat ze de waarheid heeft verteld.

De keren dat zij dit in telefonische gesprekken tegen anderen zei, hoefde zij er geen rekening mee te houden dat dit ter kennis zou komen van anderen dan degene met wie ze telefoneerde.

Omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige acht het hof het ook van belang dat uit het dossier naar voren komt dat de getuige verdachte ziet als een hartsvriendin, dat zij er veel moeite mee heeft om haar te belasten, maar dat zij niet kan liegen. Het hof is dan ook van oordeel dat de getuige geen enkel belang heeft bij het afleggen van een valse verklaring.

Daarnaast stelt het hof vast dat verdachte aanvankelijk heeft geprobeerd om via [getuige 1] zichzelf een alibi te verschaffen voor de bewuste avond/nacht. Volgens [getuige 1] heeft verdachte haar gevraagd om te zeggen dat verdachte de hele avond bij haar is geweest. Verdachte heeft tijdens de terechtzitting bij de rechtbank, derhalve na de cautie en na consultatie van haar raadsman, verklaard dat zij bij de politie niet de waarheid heeft verklaard waar zij heeft gezegd dat zij die hele avond bij [getuige 1] was, maar dat het [getuige 1] was die met het idee van het alibi op de proppen kwam.

Het hof ziet voor dit laatste echter geen enkel aanknopingspunt in het dossier.

Uiteindelijk heeft verdachte in een van haar latere verhoren als verdachte bekend dat zij in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] is geweest op de avond van 19 augustus 2017. De verdediging stelt zich op het standpunt dat zij daar rond 23.40 uur moet zijn vertrokken en rond 0.08 uur weer bij haar eigen woning was, en dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat verdachte ter plaatse of in de buurt van de woning was op het moment dat de brand ontstond. De verdediging gaat er daarbij op grond van de felheid van de brand van uit dat de brand enkele minuten voor de 112-melding van 23.56 uur is ontstaan.

Het hof volgt de verdediging niet in dit verweer.

Uit het proces-verbaal van sporenonderzoek volgt dat geen uitspraak kan worden gedaan over het tijdstip waarop de brand is ontstaan, nu er zeer veel variabelen zijn die de ontwikkeling van de brand hebben kunnen beïnvloeden. Naar het oordeel van het hof is het zeer wel mogelijk dat verdachte kort voorafgaand aan het tijdstip dat de brand is ontstaan nog in de woning verbleef en dat zij derhalve de brand heeft kunnen stichten.

Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat het hoogst onwaarschijnlijk of onmogelijk is dat de brand is ontstaan door een aansteker bij de bank te houden omdat de bank van suède was, een slecht brandend materiaal, overweegt het hof dat dit verweer reeds strandt op het gegeven dat niet is vastgesteld van welk materiaal de bank gemaakt was.

Het hof komt dan ook tot de conclusie dat verdachte verantwoordelijk is voor de brandstichting in de woning.

Met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde overweegt het hof dat verdachte minst genomen voorwaardelijke opzet heeft gehad op de dood van slachtoffer [slachtoffer]. Verdachte heeft opzettelijk brand gesticht in de woonkamer, nabij de trap naar boven, en zij heeft vervolgens de woning verlaten terwijl het slachtoffer op dat moment boven in de woning was. Verdachte wist dit ook. Door zo te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer door de brand of de giftige dampen/gassen, die naar algemene ervaringsregels ontstaan bij een dergelijke (woning)brand, om het leven zou komen.”

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1.

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van een deskundige over het ontstaan van een brand door toedoen van een aansteker heeft afgewezen, althans dat het hof zijn beslissing op dit verzoek onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

3.2.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 november 2019 blijkt dat de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in (hier met weglating van voetnoten):

Ontstaan brand:

57. Dan is nog een ander aspect van belang, hoe en waar is de brand ontstaan. De recherche is, met name ingegeven door hetgeen [getuige 1] stelde, uitgegaan dat de brand ontstond doordat de bank in brand zou zijn gestoken. Dit is echter een stelling die op basis van het dossier niet bevestigd kan worden. Uit de bevindingen van de forensische opsporing bleek in eerste instantie dat de brand vermoedelijk was ontstaan in het voorste gedeelte van de woonkamer. In het dossier is hierover het navolgende gesteld:

“Gelet op de mate van inkoling, gelet op het totale brandbeeld(1) en op onze bevindingen tijdens dit onderzoek, is het meest waarschijnlijke ontstaansgebied van de brand gelegen ter hoogte van het midden van de woonkamer. Dit is grofweg het gebied waar o.a. een bank heeft gestaan ten tijde van de brand.”

Wanneer de plattegrond (840) bekeken wordt valt op dat bij ‘grofweg het midden’ - hetgeen uiteraard al een rekbaar begrip is - niet direct aan de bank gedacht kan worden. Deze stond namelijk tegen de zijkant aan, in de directe nabijheid van de trap. Bij de karakterisering ‘grofweg het midden’ lijkt de salontafel een logischere plek als startpunt. Later is dit overigens in het aanvullende proces-verbaal genuanceerd omdat toen wel de salontafel is benoemd. Niet kan aldus blijken dat het de bank is geweest die in brand is gestoken en de ‘daderwetenschap’ die [getuige 1] op dit vlak zou hebben, is dus geen daderwetenschap.

58. Wat echter van groter belang is, is de volgende opmerking uit het forensisch dossier:

“Voor een ongeluk of een nalatigheid zijn geen aanwijzingen gevonden, maar dat is niet uit te sluiten. Er zijn geen forensische aanwijzingen gevonden voor brandstichting.”

De bevindingen van de forensische opsporing gaven geen duidelijke indicatie van wat er is gebeurd en hoe en waar exact de brand was ontstaan. Brandstichting was op basis van de bevindingen van de forensische opsporing mogelijk, maar met zekerheid kon dit absoluut niet gezegd worden. In dit kader speelde nog een rol dat er geen brandversnellende middelen zijn aangetroffen in de woning. Wat de verdediging betreft een belangrijke bevinding omdat de aanwezigheid van brandversnellende middelen normaal gesproken voor de hand liggen bij brandstichting.

59. Op verzoek van de verdediging zijn er nog aanvullende vragen beantwoord door de forensische opsporing. Immers was voor de verdediging onduidelijk of er rekening mee was gehouden dat er nabij de bank een kleed lag en dat ook op de salontafel een kleed lag. Hier bleek geen rekening mee te zijn gehouden, terwijl dit uiteraard wel zeer belangwekkend is. Hetzelfde geldt voor een mandje met verstelwerk. In ieder geval kan op basis van de bevindingen niet worden vastgesteld dat het de bank was waar de brand ontstond. Echter is aan cliënte steevast te kennen gegeven dat de bank de brandhaard was. Dit werd als feit gepresenteerd, maar blijkt dus nergens uit. In dit kader wenst de verdediging ook te wijzen op een getuige die vrij snel ter plaatse was, [getuige 2] die stelde:

“Ik zag toen bij [a-straat 1] een beginnende brand. Ik zag onder bij de trap vuur. Ik dacht nog: ‘Dat is een klein brandje’.”

Hij spreekt over een klein brandje, onder bij de trap. Over een bank die in brand zou staan zegt hij niets. En nog specifieker is de verklaring van een andere persoon die snel ter plaatse was, [getuige 3]:

“Verder zag ik bij de trap een bank staan. Wat er precies in de brand stond kon ik niet zien. Ik zag wel dat de vlammen er voor zorgden dat de treden van de open trap in brand stonden.”

Wat opvalt aan de verklaringen van deze ooggetuige is het feit dat hij duidelijk benoemt dat hij de bank kon zien, hij geeft echter niet aan dat het de bank was die zou branden op dat moment. Wanneer de bank in de brand zou staan had hij dit moeten zien, maar dit is dus niet het geval. Verder geeft hij aan dat hij moeilijk kon zien wat er in brand stond.

Dat is logisch verklaarbaar als bijvoorbeeld het vloerkleed in brand stond, omdat dat nu eenmaal dichter bij de grond is en dus minder in het zicht ligt. Maar het feit dat hij tijdens de brand de bank nog duidelijk kon zien, geeft aan dat de bank op dat moment dus niet in brand stond. En dit zijn dus verklaringen van getuigen die de brand en hoe deze zich ontwikkelde met eigen ogen hebben waargenomen. Verklaringen waar de Officier van Justitie in eerste aanleg volstrekt aan voorbij is gegaan. Hij noemde enkel de verklaring van [getuige 4] die stelde dat de deur open was, terwijl getuige [getuige 5] op p.155 stelde dat er geen deuren openstonden toen hij de tuin in liep. Hoe het echter ook zij, niet kan blijken dat de bank in brand stond, omdat directe ooggetuigen hier niets over verklaren, en sterker nog, [getuige 3] stelde dus dat hij de bank nog zag, zonder dat kan blijken dat die op dat moment brandde.

60. Dat is wat de verdediging betreft ook logisch. De lezing van [getuige 1] over de brand is wat de verdediging betreft nu eenmaal niet logisch. Zij stelde dat cliënte even de aansteker langs de bank hield. Uit het dossier en de verklaring van [betrokkene 1] blijkt echter dat er in de woning een suède bank stond. Een vorm van leer dus en leer brandt nu eenmaal niet snel. Dat mag een feit van algemene bekendheid zijn. Aan de pleitnota in eerste aanleg zat een artikel van het tijdschrift Quest gehecht waarin dit wordt bevestigd. Daar wordt wederom naar verwezen. Een suède bank gaat nu eenmaal niet branden van het ‘even met de aansteker langs de bank’ gaan. Dit is simpelweg niet mogelijk. Wat dat betreft zij uitdrukkelijk verwezen naar de forensische rapportage waarin is gesteld:

“Wanneer dit vuur daar opzettelijk is ingebracht dan kunnen aldaar aanwezige goederen, zoals een kleedje op de tafel, een mand met stoffen voor verstelwerk, of bijvoorbeeld een los stoffen kussen in de bank, wel een rol hebben gespeeld omdat dergelijke goederen uiteraard eenvoudiger opzettelijk zjjn aan te steken dan een houten salontafel of een bank.”

Het even met de aanstekers langs de bank gaan, waar [getuige 1] over verklaarde, leidt niet tot een brand, omdat een bank niet eenvoudig opzettelijk aan te steken is. Daar worden banken ook specifiek op getest. Ook uit forensische opsporing blijkt aldus dat het niet aannemelijk is dat de brand is ontstaan door het ‘even met de aansteker langs de bank gaan’ waar [getuige 1] over verklaarde. De Rechtbank heeft dit echter wel met zoveel woorden in het vonnis opgenomen. Bewezen is door de Rechtbank dat cliënt met een aansteker langs de bank is gegaan, waardoor brand is ontstaan. Dat is echter onmogelijk.

61. Een suède bank zal namelijk enkel kunnen branden wanneer er minutenlang met een aansteker op dezelfde plek zou worden gebrand of indien er brandversnellende middelen zouden zijn. Dit laatste bleek niet het geval en ook het eerste is niet aannemelijk. Cliënte heeft altijd een bic-aansteker, zo is door cliënte en [getuige 1] gesteld. Als je deze bij de bank houdt, is dat feitelijk alleen mogelijk wanneer je de aansteker in horizontale houding vast hebt. Wanneer je een dergelijke aansteker langere tijd achter elkaar in een horizontale houding laat branden, bestaat de kans dat de aansteker oververhit raakt en niet meer werkt, en is de kans levensgroot dat je je vingers verbrandt. Bij cliënte zijn de handen echter uitvoerig bemonsterd en onderzocht maar sporen van brand, rook, of brandwonden maar die zijn niet aangetroffen. Wat dat betreft is het fysiek onmogelijk om op deze manier brand te stichten zonder dat je zelf je handen verbrand, en het is dan ook niet aannemelijk dat cliënte een dusdanige lange tijd een aansteker bij de bank heeft gehouden waardoor brand ontstond. Wat in ieder geval duidelijk mag zijn is dat er geen ondersteuning is het dossier aanwezig is om dit scenario te ondersteunen.

62. De verdediging heeft verzocht of er aanvullend onderzoek naar de brandbaarheid van de bank gedaan kon worden. Maar dit verzoek is door uw Hof afgewezen. De verdediging heeft zelf contact opgenomen met het Instituut Fysieke Veiligheid die onderzoek doet naar woningbranden. In het rapport ‘Impression tests upholstered furniture and mattresses’ van het IFV is bekeken onder welke omstandigheden een bank met een stoffen bekleding vlam vat. Dat is dus niet geheel representatief voor deze zaak, maar zegt wel wat. Omdat in dat onderzoek niet is gekeken naar een leren of leerachtige bank, en niet is onderzocht of en hoe brand ontstaat middels een aansteker, heb ik contact opgenomen met het IFV. Daarin is gesteld (Bijlage 3):

“Bij de impressietesten in 2017 is een bank gebruikt met PUR-vulling en een stoffen bekleding. We hebben als ontsteking gebruikgemaakt van een speciale testsigaret (die dooft niet uit zichzelf) en een kaars die we gedurende 20 seconden op de bank hebben gelegd (daarmee hebben we de kleine vlamtest gesimuleerd). Deze beide ontstekingen zijn 2 van de 3 testmethoden uit de Europese normering op dit gebied. Met de kleine vlamtest wordt ook de ontsteking door een aansteker gesimuleerd. Maar let wel, dit is dus gedurende 20 seconden op 1 plaats, het langs de bank strijken van een aansteker kan daarmee niet zomaar vergeleken worden.”

Het met een aansteker langs de bank gaan, kan niet vergeleken worden met het op één plaats inbrengen van vuur met bijvoorbeeld een sigaret of kaars. En als dan bezien wordt dat met een kaars 20 seconden op één en dezelfde plek vuur moet worden ingebracht bij een stoffen bank, dan is het niet mogelijk dat er brand ontstaat door het met een aansteker langs de bank gaan bij een leren of leerachtige bank, aangezien dat een stof is die nu eenmaal niet of nauwelijks kan ontbranden. Wat de verdediging betreft kan dus niet blijken dat de brand is ontstaan op de wijze zoals de Rechtbank die bewezen heeft geacht, en kan ook voor het overige niet blijken dat cliënt de bank in brand heeft gestoken en de brand heeft doen veroorzaken. Mocht u de verdediging in dit kader niet volgen, dan wenst de verdediging een voorwaardelijk verzoek te doen om alsnog een deskundige (bijvoorbeeld van het IFV) te horen die uitleg kan geven over het ontstaan van brand door toedoen van een aansteker, en onder welke voorwaarden dit mogelijk is. Op dit verzoek kan bij arrest worden beslist.”

3.3.

Het hof heeft ten aanzien van dit voorwaardelijke verzoek het volgende overwogen:

“De raadsman van verdachte heeft - in het geval het hof van oordeel is dat de brand heeft kunnen ontstaan op de wijze zoals de rechtbank die bewezen heeft geacht - verzocht om een deskundige te horen over het ontstaan van de brand door toedoen van een aansteker en onder welke voorwaarden dit mogelijk is.

Naar het oordeel van het hof is door de verdediging zowel schriftelijk als mondeling ter terechtzitting onvoldoende aangedragen om tot het oordeel te komen dat het noodzakelijk is om het onderzoek te laten plaatsvinden dat door de verdediging is gevraagd. Het verzoek tot nader onderzoek wordt dan ook afgewezen nu de noodzaak daartoe ontbreekt.

Het hof wijst het verzoek af.”

3.4.

Het voorwaardelijk verzoek tot het horen van een deskundige over het ontstaan van de brand betreft een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv, in verbinding met art. 331 Sv en art. 415 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv.

3.5.

De steller van het middel merkt terecht op dat het hof bij zijn afwijzing het juiste criterium heeft gehanteerd.

3.6.

Geklaagd wordt dat de motivering van de afwijzing van het verzoek onvoldoende en/of onbegrijpelijk is. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden en dat daarom geen noodzaak bestaat tot toewijzing van het verzoek, is dat oordeel volgens de steller van het middel allereerst onbegrijpelijk omdat het hof er in zijn arrest ook vanuit is gegaan “dat het forensische onderzoek geen aanwijzingen voor brandstichting heeft opgeleverd” en dat het uitsluitend de getuige [getuige 1] is die heeft verklaard dat de brand is ontstaan doordat de verdachte een aansteker bij de bank zou hebben gehouden.

3.7.

Op dit punt berust het middel op een verkeerde lezing van het arrest van het hof. Allereerst wil ik opmerken dat de wijze waarop in het middel het hof wordt geparafraseerd niet overeenkomt met wat het hof heeft overwogen. Het hof heeft in zijn bewijsvoering niet overwogen dat “het forensische onderzoek geen aanwijzingen voor brandstichting heeft opgeleverd” maar verwezen naar het onderdeel uit het proces-verbaal sporenonderzoek dat inhoudt dat er “geen forensische aanwijzingen zijn gevonden voor brandstichting”. Anders dan in het middel wordt gesteld houdt het forensische onderzoek als zodanig wel aanwijzingen voor brandstichting in, ook al is de precieze oorzaak van het ontstaan van de brand niet gevonden. Dat blijkt uit de in de aanvulling bewijsmiddelen opgenomen bewijsmiddelen 6, 7 en 8:

“6. Het proces-verbaal sporenonderzoek, nummer PL0600-2017387042-28 (pagina’s 858 t/m 862), in de wettelijke vorm opgemaakt op 13 oktober 2017 door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beide gecertificeerd brandonderzoeker, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisanten:

Bevindingen onderzoek

Perceel [a-straat 1] te [plaats] betrof een tussenwoning. Tactische informatie wees uit dat alle woningen in de rij ten tijde van de brand bewoond waren.

Gelet op de mate van inkoling, gelet op het totale brandbeeld en op onze bevindingen tijdens dit onderzoek, is het meest waarschijnlijke ontstaansgebied van de brand gelegen ter hoogte van het midden van de woonkamer. Dit is grofweg het gebied waar o.a. een bank heeft gestaan ten tijde van de brand.

Tijdens het forensisch onderzoek op 20 augustus 2017 werd de woning door speurhonden brand versnellende middelen van de dienst specialistische honden, onderzocht. Ook werd op de daarvoor in aanmerking komende plaatsen met elektronische meetapparatuur gezocht naar ontbrandbare vloeistoffen. Deze onderzoeken leverden geen aanwijzingen op voor de aanwezigheid van vluchtige ontbrandbare vloeistoffen in de woning.

7. Het proces-verbaal sporenonderzoek, nummer PL0600-2017387042-15 (pagina’s 799 t/m 813), in de wettelijke vorm opgemaakt op 8 november 2017 door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beide brigadier van politie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisanten:

Onderzoekslocatie

Het onderzoek is verricht in een tussenwoning op het adres [a-straat 1] te [plaats].

Aanleiding en onderzoek

Op 19 augustus 2017 omstreeks 23.57 uur werd er een brand gemeld in de tussenwoning aan de [a-straat 1] in [plaats]. Bij aankomst van de politie en brandweer zag men een geheel uitslaande brand. Na blussing was er op de overloop van de eerste etage het verbrande stoffelijk overschot aangetroffen van een persoon.

Toelichting brandonderzoek van 20 augustus 2017

Op 5 september 2017 hebben wij, verbalisanten, tezamen met [betrokkene 2] de woning bekeken. [betrokkene 2] was de forensisch coördinator van het TGO Guinee. Wij hebben hem een toelichting gegeven op het door ons ingestelde onderzoek van 20 augustus 2017. De volgende vragen werden aan ons voorgelegd.

Is er (grof) iets te zeggen over het tijdstip van het ontstaan van de brand?

Antwoord: Daar is geen antwoord op te geven, omdat er zeer veel variabelen zijn, die - al dan niet in onderling verband - de ontwikkeling van de brand (kunnen) beïnvloeden.

Op welke locatie is de brand begonnen?

Antwoord: De plaats van de primaire brandhaard wordt door ons gesitueerd in het voorste gedeelte van de woonkamer aan de straatzijde en in het bijzonder op de plaats waar de hoekbank en de salontafel hebben gestaan.

De brandontwikkeling was af te leiden aan het brandbeeld waarbij het vuur zich in de drie richtingen had uitgebreid, namelijk naar de hal, het achterste gedeelte van de woonkamer en via de trapopgang naar de eerste verdieping en zolder. Als brandindicatoren wordt aangegeven de brandschade, aan de nog aanwezige resten van de meubelstukken. Na de reconstructie was aan de brandschade van deze meubelstukken zichtbaar dat zij uit de richting van de zithoek door de brand waren belast.

Gevaarzetting

In het verloop van de brand was het steeds duidelijker geworden dat daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. De bewoners van de beide aangrenzende woningen waren hun huizen uit gevlucht voor de brand. Na de komst van de brandweer was de brand in de woning naar de voor- en achterzijde uitslaand geworden. Even later was het vuur ook via het zolderraam uitslaand geworden. Door de snelle uitbreiding van deze brand was er een gemeen gevaar voor de aangrenzende woningen te duchten. Als gevolg hiervan was levensgevaar voor een ander te duchten en het feit had de dood van een bewoonster ten gevolge.

8. Het aanvullend proces-verbaal naar aanleiding van vragen advocatuur, proces-verbaalnummer PL0600-2017387042 (pagina’s 1.000 t/m 1.004), in de wettelijke vorm opgemaakt op 23 maart 2018 door [verbalisant 4] en [verbalisant 3], beide brigadier van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisanten:

Ons bleek dat de primaire brandhaard zich in de woonkamer, in de directe omgeving van de bank en de salontafel, had bevonden. Vanaf deze locatie was de brand in alle richtingen de woonkamer ingetrokken. Vanuit de woonkamer was de brand vervolgens de keuken en de hal achter de voordeur ingetrokken, en verder was de brand vanuit de woonkamer via de trap naar de eerste etage getrokken.

Op de locatie van de primaire brandhaard troffen wij geen technische of anderszins legaal verklaarbare oorzaak aan voor het ontstaan van deze brand. Er moet ter plaatse op de één of andere wijze vuur zijn ingebracht om deze brand te ontsteken.

Bij ons onderzoek troffen wij het overleden slachtoffer aan op de overloop van de eerste etage.

Nadat op de begane grond, in de directe omgeving van de bank en de salontafel, de brand was ontstaan, waren allereerst de hitte en de rook van deze brand via de open trap naar de eerste etage getrokken, waarbij deze trapopgang als een soort schoorsteen zal hebben gewerkt. Op dat moment zal het al niet meer mogelijk zijn geweest om vanaf de begane grond via de trap naar de eerste etage te gaan.

Gezien de genoemde brandontwikkeling waarbij op dat moment extreme hitte, rook en mogelijk ook al de eerste vlammen vanaf de begane grond via de open trap naar de eerste etage trokken en waardoor het glas van de plafonnière al kapot was gegaan, was het op dat moment ook niet meer mogelijk om via deze trap naar de begane grond te vluchten.”

3.8.

Met name uit bewijsmiddel 8 volgt dat op de locatie van de primaire brandhaard geen technische of anderszins legaal verklaarbare oorzaak is aangetroffen voor het ontstaan van de brand en dat er ter plaatse op de één of andere wijze vuur moet zijn ingebracht om de brand te ontsteken. Daarin ligt besloten dat het hof er vanuit is gegaan dat het forensische onderzoek wel aanwijzingen voor brandstichting heeft opgeleverd. In zoverre ontbreekt de feitelijke grondslag ten aanzien van deze eerste deelklacht.

3.9.

Voorts wordt geklaagd dat het oordeel van het hof, voor zover het heeft geoordeeld dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden en dat daarom geen noodzaak bestaat tot toewijzing van het verzoek, onbegrijpelijk is omdat het gerechtshof niets heeft vastgesteld over het onderzoek van het Instituut Fysieke Veiligheid en over de contacten van het raadsman met dat Instituut, zodat van de daaromtrent door de raadsman in hoger beroep gepresenteerde gegevens zal moeten worden uitgegaan. En ten derde wordt geklaagd dat het enkele gegeven dat, zoals het hof heeft overwogen, niet is vastgesteld van welk materiaal de bank was gemaakt, niet ten grondslag kan worden gelegd aan de verwerping van het verzoek. Ook dan blijft volgens de steller van het middel de noodzaak bestaan tot het horen van een deskundige over de vraag of en zo ja onder welke condities een bank door het enkele erbij houden van een aansteker in brand kan worden gestoken.

3.10.

Voortbordurend op het voorgaande bevat het middel voorts nog de klacht dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat geen noodzaak tot toewijzing van het verzoek bestaat omdat het de verklaringen en uitlatingen van de getuige [getuige 1] betrouwbaar acht, dat oordeel niet begrijpelijk is als niet duidelijk is of het door die getuige geschetste scenario – dat brand is gesticht door een aansteker bij de bank te houden – wel spoort met de inzichten van een deskundige over het ontstaan van een brand door toedoen van een sigaret.

3.11.

De klachten kunnen niet slagen. Ik wijs daarbij op het volgende.

3.12.

Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat het hof zijn afwijzende beslissing op het voorwaardelijke getuigenverzoek niet uitvoerig heeft gemotiveerd. Niettemin meen ik dat de afwijzing van het verzoek moet worden begrepen tegen de achtergrond van hetgeen het hof in zijn bewijsoverwegingen heeft vastgesteld. Daaruit blijkt onder meer dat:
i) de verdachte aan getuige [getuige 1] heeft verteld dat zij in de woning van [betrokkene 1] het latere slachtoffer trof, dat het slachtoffer naar boven is gegaan nadat de verdachte haar een paar keer geslagen had, dat de verdachte een aansteker bij de bank had gehouden en dat het ‘leuk fikte’ of ‘lekker fikte’, en zij vervolgens de woning heeft verlaten;

ii) De verklaringen van de getuige [getuige 1] zowel bij de politie, de rechtbank en in tapgesprekken consistent en gedetailleerd zijn;

iii) De verklaring van de getuige op essentiële onderdelen overeenkomt met de inhoud van onder andere het technisch onderzoek, aangezien bij het sporenonderzoek in de woning na de brand werd geconstateerd dat de primaire brandhaard zich in de woonkamer, in de directe omgeving van de bank en de salontafel had bevonden en er geen sporen van brandversnellende middelen zijn gevonden.

3.13.

Gelet op het voorgaande heeft het hof met zijn overweging dat door de verdediging zowel schriftelijk als mondeling ter terechtzitting onvoldoende is aangedragen om tot het oordeel te komen dat het noodzakelijk is om het onderzoek te laten plaatsvinden dat door de verdediging is gevraagd, kennelijk als zijn niet onbegrijpelijke oordeel tot uitdrukking gebracht dat het hof zich voldoende voorgelicht heeft geacht over het ontstaan van de brand. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het hof ervan uit is gegaan dat de verdachte de aansteker lang genoeg bij de bank heeft gehouden om brand te doen ontstaan.

3.14.

Dat het hof niets heeft vastgesteld over hetgeen door de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd over het onderzoek van het Instituut Fysieke Veiligheid en het mailcontact dat de raadsman met dit Instituut heeft gehad maakt het voorgaande niet anders. Anders dan de steller van het middel wil, brengt dat niet mee dat van de door de raadsman gepresenteerde gegevens zal moeten worden uitgegaan. De selectie en waardering van het bewijsmateriaal is immers voorbehouden aan de feitenrechter,1 zodat deze deelklacht reeds om die reden faalt.

3.15.

Ook het enkele gegeven dat niet is vastgesteld van welk materiaal de bank was gemaakt kan volgens de steller van het middel de verwerping van het voorwaardelijk verzoek niet dragen, aangezien de noodzaak blijft bestaan tot het horen van een deskundige over de vraag of en zo ja onder welke condities een bank door het enkele erbij houden van een aansteker in brand kan worden gestoken. Daarbij gaat de steller van het middel eraan voorbij dat het hof ook de hiervoor onder 3.12 genoemde omstandigheden aan de afwijzing van dat verzoek ten grondslag heeft gelegd, zodat het middel ook in zoverre faalt. Dat geldt ook voor de klacht dat het door de getuige geschetste scenario dat brand is gesticht door een aansteker bij de bank te houden zou moeten sporen met de inzichten van een deskundige over het ontstaan van een brand door toedoen van een sigaret.

3.16.

Het middel faalt.

4 Ambtshalve opmerkingen

4.1.

Het hof heeft bij de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregelen vervangende hechtenis toegepast. Gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 en de datum van binnenkomst van de schriftuur (4 mei 2020) kan de Hoge Raad bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast.

5 Conclusie

5.1.

Het middel faalt.

5.2.

Ambtshalve heb ik, anders dan hiervoor onder 4 is opgemerkt, geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast, dat de Hoge Raad bepaalt dat gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 237.