Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:148

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-03-2021
Datum publicatie
05-03-2021
Zaaknummer
19/03568
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARL:2019:5899
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:564
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03568

Zitting 2 maart 2021

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 17 juli 2019 ter zake van “gijzeling, meermalen gepleegd”, niet strafbaar verklaard omdat het feit hem niet kan worden toegerekend en hem ontslagen van alle rechtsvervolging. Daarbij heeft het hof gelast dat verdachte voor de duur van één jaar zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis. Verder heeft het hof ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen de onttrekking aan het verkeer gelast. Daarnaast heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen deels toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals nader omschreven in het arrest.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel heeft betrekking op de beslissing tot onttrekking aan het verkeer. Het tweede middel ziet op de telkens opgelegde vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregelen. Het derde middel bevat de klacht dat art. 6 EVRM is geschonden, omdat de inzendtermijn is overschreden.

2 Het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte aan aantal voorwerpen heeft onttrokken aan het verkeer, althans dat deze beslissing onvoldoende en/of ontoereikend gemotiveerd is. Het gaat om twee dvd's, een map met documenten, een groene tas en een zwarte koffer.

2.2.

In dat verband zijn de volgende overwegingen van het hof van belang:

“Overweging met betrekking tot het bewijs
(…)


Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep staat vast dat op 3 mei 2017 vier studenten (…) (hierna ook: de aangevers), aanwezig waren in het wijkcentrum. (…) Omstreeks 11.15 uur kwam verdachte het wijkcentrum binnen. Verdachte hield zichtbaar voor een aantal van de aangevers een voorwerp in zijn hand, dat op een vuurwapen leek en later een imitatiewapen bleek te zijn. Verdachte drukte dit imitatiewapen tegen de buik van (een van de aangevers). Hij zei dat hij een geweer bij zich had (wat later niet het geval bleek te zijn) en ook een echte bom (wat later evenmin het geval bleek te zijn).

Verdachte droeg een vest, bestaande uit een legergroene bodywarmer met drie blokken erop geplakt, waaruit zwarte en rode speakerdraadjes kwamen. Verder droeg verdachte een broek, die door getuigen als camouflagebroek wordt omschreven, en zwarte militaire schoenen en had hij ter hoogte van zijn borst een soort camouflagedoek met elektriciteitsdraden. Aan zijn riem droeg verdachte zichtbaar twee messen. Verdachte zei onder meer tegen de aangevers woorden als “Dit is een overval, maar ik doe jullie niks want dit is tegen de overheid gericht", "Ga zitten, dit is een kleine overval, rustig blijven", en "Dit is een overval op de Staat, ik ga jullie géén pijn doen of doden, tenzij er iets gebeurt".

(…) Verdachte gaf (…) aan twee van de aangevers twee dvd’s, een brief en een aantal documenten waarin hij aandacht vroeg voor zijn persoonlijke problemen, en hij gaf hen de opdracht om deze naar de politie te brengen. Dat hebben deze aangevers vervolgens ook gedaan. De andere twee aangevers bleven op dat moment in het wijkcentrum.

Verdachte heeft verklaard dat het doel van de gijzeling was om de dvd’s door de politie te laten lezen en de inhoud daarvan onder de aandacht te brengen.

Uit bovenstaande vaststellingen blijkt allereerst dat verdachte zich op 3 mei 2017 in het wijkcentrum op zeer dreigende wijze aan de aangevers heeft gepresenteerd. Ook volgt daaruit dat verdachte tegenover de aangevers verschillende bedreigende mededelingen heeft gedaan. Verder komt uit de vaststellingen naar voren dat verdachte gedurende langere tijd voortdurend bij de aangevers in de nabijheid is gebleven en de voor de aangevers beangstigende situatie dus ook gedurende langere tijd heeft laten bestaan. Tot slot blijkt dat verdachte in deze situatie ook opdrachten aan de aangevers heeft gegeven, met als doel te bewerkstelligen dat (onderdelen van) de politie c.q. de overheid kennis zou nemen van de inhoud van zijn gegevensdragers en documenten.

(…)
Beslag
Het bewezen verklaarde feit is begaan met behulp van en/of met betrekking tot de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Gelet op de aard van het feit en de rol die de in beslag genomen voorwerpen daarbij hebben gespeeld, zal het hof deze voorwerpen opvatten als een gezamenlijkheid van voorwerpen waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

(…)

Beslissing
Het Hof:
(…)
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
twee dvd's, een map met documenten, een groene tas, een zwarte koffer (…)”

2.3.

Het hof heeft - gelet op de gebezigde bewoordingen1 - de beslissing tot onttrekking aan het verkeer gebaseerd op het bepaalde in art. 36c Sr, onder 2° en 3°, Sr.

2.4.

Art. 36c Sr luidt - voor zover hier relevant - als volgt:

Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:

(…)

2°. met betrekking tot welke het feit is begaan;

3°. met behulp van welke het feit is begaan (…);

een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

2.5.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij - kort gezegd - vier personen heeft gegijzeld. Hij heeft twee aangevers ‘gesommeerd en/of gedwongen een brief en/of dvd’s en/of een of meerdere document(en) naar de politie te brengen’. Voorts kan uit de gebezigde bewijsmiddelen2 worden afgeleid dat de verdachte deze voorwerpen uit een rugtas haalde. De overweging van het hof dat de gijzeling met behulp van en/of met betrekking tot de in beslaggenomen voorwerpen is begaan is niet begrijpelijk ten aanzien van de zwarte koffer en groene tas.3 Noch uit het arrest, noch uit het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep kan worden afgeleid welke rol deze bij de gijzeling zouden hebben gespeeld. Het middel klaagt hierover terecht.

2.6.

Het hof heeft verder overwogen dat de inbeslaggenomen voorwerpen tezamen als een gezamenlijkheid van voorwerpen dienen te worden beschouwd waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Het op zichzelf beschouwd onschuldig karakter van voorwerpen kan – onder omstandigheden - in combinatie met (de) andere inbeslaggenomen voorwerpen4 en in samenhang met het mogelijke gebruik daarvan5 in strijd zijn met de wet of het algemeen belang. Daarvan is in dit geval echter niet gebleken. De algemene overweging van het hof dat de twee dvd’s, de map met documenten, de groene tas en de zwarte koffer gelet op de aard van het feit en de rol die de inbeslaggenomen voorwerpen daarbij hebben gespeeld moeten worden opgevat als een gezamenlijkheid van voorwerpen waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet of met het algemeen belang, is zonder nadere motivering (die ontbreekt) niet begrijpelijk. Ook hierover klaagt het middel terecht.

2.7.

Het middel slaagt. De Hoge Raad kan om doelmatigheidsredenen de teruggave van de genoemde voorwerpen aan de verdachte gelasten.

3 Het tweede middel

3.1.

Dit middel heeft betrekking op de toepassing door het hof van vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.

3.2.

Het middel is, gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis telkens gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast.

4 Het derde middel

4.1.

Het derde middel bevat de klacht dat de inzendtermijn is overschreden.

4.2.

Namens de gedetineerde verdachte is op 30 juli 2019 cassatie ingesteld. De stukken van de zaak zijn ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 13 mei 2020. Dit betekent dat de inzendtermijn van zes maanden met (afgerond) vier maanden is overschreden. Daarover wordt dus terecht geklaagd. Voorts merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis is geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en kan de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.6

5 Conclusie

5.1.

De middelen zijn terecht voorgesteld.

5.2.

Ambtshalve heb ik, afgezien van de hierboven genoemde grond, geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend:

(i) wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van twee dvd's, een map met documenten, de groene tas en de zwarte koffer en tot teruggave aan de verdachte van die voorwerpen;

(ii) voor zover bij de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast. Ten aanzien van die schadevergoedingsmaatregelen kan worden bepaald dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast

(iii) voor wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn kan worden volstaan met de enkele constatering daarvan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het hof heeft bij de aan te halen wetsartikelen 33 en 33a Sr aangehaald en niet 36c Sr.

2 Bewijsmiddelen onder 1, 2 en 3.

3 Mogelijk wordt met de groene tas gedoeld op de rugtas waar de dvd’s en map met documenten in zaten.

4 Zie voor de ‘gezamenlijkheid van voorwerpen’ welke in strijd kunnen worden geacht met het algemeen belang onder meer HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3060; HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2488; HR 23 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1882, NJ 2000/444; HR 29 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1139, NJ 1990/753; HR 17 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8250, NJ 1984/461; HR 7 december 1971, ECLI:ECLI:NL:HR:1971:AB4090, NJ 1972/197. Zie ook P.C. Vegter, Handboek strafzaken, 55.3 Onttrekking aan het verkeer, actueel t/m 1 maart 2014.

5 Vgl. HR 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9728, rov. 4.3; HR 8 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7626, rov. 3.5.1; HR 7 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8201, NJ 2001/15; HR 23 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1882, NJ 2000/444. Zie tot slot M.M. Beije, Onttrekking aan het verkeer, Wolters-Noordhoff 1994 (dissertatie), p. 148-163.

6 Vgl. HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7000, rov. 4.