Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:138

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-02-2021
Datum publicatie
05-03-2021
Zaaknummer
20/02639
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:586, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Kinderalimentatie. Kan bij berekening draagkracht van onderhoudsplichtige worden uitgegaan van forfaitaire woonlast?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2021/48.3
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/02639

Zitting 12 februari 2021

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[de vrouw]

verzoekster tot cassatie

(hierna de vrouw)

advocaat: mr. C.G.A. van Stratum

tegen

[de man]

verweerder in cassatie,

(hierna: de man),

niet verschenen.

In deze alimentatiezaak is het hof bij de bepaling van de draagkracht van de man voor de vaststelling van kinderalimentatie uitgegaan van de forfaitaire woonlasten, zoals aanbevolen in het rapport Alimentatienormen. Het hof is van oordeel dat ‘slechts in uitzonderlijke situaties dient te worden afgeweken van de forfaitaire berekening van kinderalimentatie’ en dat van een dergelijke uitzonderlijke situatie niet is gebleken. De vrouw klaagt onder meer dat dit oordeel van het hof in strijd is met de wettelijke maatstaven, althans onvoldoende gemotiveerd, omdat met de op basis van de forfaitaire woonlasten vastgestelde kinderalimentatie niet volledig in de behoefte van de kinderen wordt voorzien, terwijl daarin wel zou worden voorzien als het hof was uitgegaan van de aanzienlijk lagere werkelijke woonlasten van de man. In de feitenrechtspraak wordt verschillend over deze kwestie gedacht.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.1

(i) De man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:
- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [plaats] , en
- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [plaats] .

(ii) De kinderen wonen bij de vrouw.

(iii) Ten tijde van het beëindigen van hun relatie zijn partijen ten aanzien van de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) overeengekomen dat de man met ingang van 4 augustus 2015 € 450,- per maand aan de vrouw betaalt.

1.2

De vrouw heeft bij verzoekschrift, ingekomen op 29 augustus 2019, de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, voor zover in cassatie van belang, verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2019 dan wel met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift te bepalen op € 681,- per maand, telkens voor de eerste van de maand bij vooruitbetaling te voldoen.

1.3

De man heeft de rechtbank in eerste aanleg verzocht primair de verzoeken van de vrouw af te wijzen en bij wijze van zelfstandig verzoek de kinderalimentatie vast te stellen op € 294,- per maand voor beide kinderen samen, met ingang van 1 juli 2019.

1.4

Nadat op 7 november 2019 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 9 december 2019,2 – voor zover in cassatie van belang – bepaald dat de man met ingang van 1 juli 2019 € 162,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te voldoen, bij vooruitbetaling te voldoen (rov. 4.2). De rechtbank overwoog voorts:

‘3.13. Uitgaande van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op een bedrag van € 2.261,- per maand (zie aangehechte en gewaarmerkte berekening). De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% van [2.261 – (0,3 x 2.261 + 950)] = € 443,- per maand.

(…)

Draagkrachtvergelijking

3.17.

Zoals hiervoor is overwogen bedraagt de draagkracht van de man € 443,- per maand en de draagkracht van de vrouw € 237,- per maand. De gezamenlijke draagkracht bedraagt dan ook € 680,- per maand. Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [kind 1] en [kind 2] van € 881,- per maand te voorzien, zodat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven.

Zorgkorting

3.18.

Partijen zijn het erover eens dat de man in beginsel aanspraak [kan] maken op een zorgkorting van 25% van de behoefte, zijnde € 220,- per maand. Aangezien de gezamenlijke draagkracht van partijen echter onvoldoende is om volledig in de behoefte te voorzien, kan de man de zorgkorting niet volledig verzilveren. Het tekort aan gezamenlijke draagkracht bedraagt: 881 -/- 680 = € 201,- per maand. Conform de Expertgroep Alimentatienormen zal de rechtbank dit tekort gelijkelijk over partijen verdelen, te weten € 101,- voor ieder. Dit betekent dat de man slechts een zorgkorting kan verzilveren van (220 -/- 101=) € 119,- per maand.

1.5

De vrouw heeft op 14 februari 2020 hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De vrouw verzocht het hof – voor zover in cassatie van belang – de beschikking te vernietigen en te bepalen dat de man aan haar met ingang van 1 juli 2019 dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg primair € 349,50 per kind per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen, subsidiair € 348,- per kind per maand, dan wel een bedrag dat het hof juist acht.
Indien en voor zover het hof van oordeel is dat de kinderalimentatie op een lager bedrag dient te worden vastgesteld, verzocht de vrouw het hof te bepalen dat haar geen terugbetalingsverplichting wordt opgelegd, omdat de vrouw de betaalde kinderalimentatie heeft geconsumeerd om in het levensonderhoud van de kinderen te voorzien.

1.6

De man heeft verweer gevoerd. De man verzocht het hof primair de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep en subsidiair dat verzoek ongegrond te verklaren of af te wijzen.

1.7

In verband met het (beleid ten aanzien van het) coronavirus hebben beide partijen ingestemd met schriftelijke afdoening van de onderhavige zaak. Zij hebben beide spreekaantekeningen overgelegd en schriftelijk op elkaars spreekaantekeningen gereageerd.

1.8

Bij beschikking van 9 december 20193 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

1.9

Het hof overwoog in rov. 5.2 dat tussen partijen niet in geschil is dat de behoefte van de kinderen in 2016 € 833,- per maand bedroeg, hetgeen geïndexeerd naar 2019 € 881,- per maand bedraagt en naar 2020 € 903,- per maand. In rov. 5.9-5.11 heeft het hof als volgt overwogen:

‘5.9 In haar tweede grief stelt de vrouw voorts dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies aan de zijde van de man, omdat de man de voormalige echtelijke woning heeft verkocht en daardoor geen huurinkomsten meer heeft. Primair stelt de vrouw in dit kader dat het inkomen van de man voor herstel vatbaar is omdat de man de verkoopwaarde van de woning kan investeren en op die manier eenzelfde rendement kan behalen. Subsidiair voert de vrouw aan dat bij de berekening van de draagkracht van de man niet moet worden uitgegaan van een forfaitaire woonlast, maar van de werkelijke woonlast van de man, omdat hij de verkoopopbrengst heeft gebruikt om zijn woonlasten te verlagen.

5.10

De man voert verweer en stelt dat de vrouw een onjuiste voorstelling van zaken geeft. Volgens de man was het na het verbreken van hun relatie de intentie van partijen om de voormalige echtelijke woning te verkopen. Een wederzijdse relatie van partijen heeft verzocht de woning tijdelijk te mogen huren en heeft de huur opgezegd nog voordat de vrouw het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie had ingediend. Het lag volgens de man in de lijn van de gezamenlijke intentie om de woning te verkopen, hetgeen nu ook is gebeurd. De man meent voorts dat bij de berekening van zijn draagkracht dient te worden uitgegaan van de forfaitaire woonlast, omdat dit de rechtszekerheid dient. Dat de man zijn woonlasten heeft verlaagd, is zijn keuze geweest. Als hij het geld op zijn bankrekening had laten staan, had het ook geen invloed gehad op zijn draagkracht, aldus nog steeds de man.

5.11

Het hof overweegt dat de vrouw primair stelt dat de man zich, in het licht van zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen, had moeten onthouden van de verkoop van de voormalige echtelijke woning, zodat de huurinkomsten blijvend konden worden aangewend voor de kinderalimentatie. Het hof stelt voorop dat het aan de man is om zijn vermogenspositie in te richten zoals hem dat juist voorkomt, waarbij zijn onderhoudsverplichting één van de overwegingen vormt. De man heeft onweersproken gesteld dat het ten tijde van het verbreken van de relatie van partijen hun beider intentie was de voormalige echtelijke woning te verkopen. Inmiddels is de woning in juni 2019 aan een derde verkocht en geleverd. Dat de man vervolgens in staat is om met de verkoopopbrengst eenzelfde rendement te behalen, is door de vrouw wel gesteld, maar tegenover de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende onderbouwd. Het hof ziet evenmin aanleiding om uit te gaan van de werkelijke woonlast van de man, zoals door de vrouw verzocht, omdat slechts in uitzonderlijke situaties dient te worden afgeweken van de forfaitaire berekening van kinderalimentatie. Van een dergelijk uitzonderlijke situatie is niet gebleken. Dat de man ervoor heeft gekozen om de meerwaarde van de verkochte woning te investeren in zijn huidige woning, waardoor hij een lagere woonlast heeft, is een keuze van de man om zijn eigen vermogenspositie in te richten op een door hem gewenste wijze en leidt er niet toe dat sprake is van een situatie waarin van het forfaitaire stelsel moet worden afgeweken. De tweede grief faalt (onderstreping A-G).

1.10

De vrouw heeft – tijdig4 – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 9 juni 2020. De man heeft geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

De vrouw heeft één middel van cassatie voorgesteld, dat bestaat uit vier met randnummers genummerde onderdelen (2.12-2.15). Het middel richt zich tegen de hiervoor onderstreepte passage uit rov. 5.11, waarin het hof heeft beslist op de door de vrouw in haar tweede grief subsidiair aangevoerde stelling dat bij de berekening van de draagkracht van de man niet van de forfaitaire woonlast maar van de werkelijke woonlast moet worden uitgegaan. Ik geef de onderdelen hierna samengevat weer en behandel ze achtereenvolgens na een bespreking van het juridisch kader.

2.2

In randnr. 2.12 klaagt de vrouw dat het oordeel van het hof in rov. 5.11 van een onjuiste rechtsopvatting getuigt nu het hof een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd door tot uitgangspunt te nemen dat slechts in uitzonderlijke situaties van de forfaitaire berekening van kinderalimentatie dient te worden afgeweken. Het hof heeft met dit oordeel miskend dat de in het Rapport Alimentatienormen genoemde forfaitaire rekenmethode slechts een aanbeveling voor een praktische invulling van de wettelijke maatstaf “draagkracht” is en niet een dwingendrechtelijke regel.

De alimentatierechter zal, wanneer het partijdebat daartoe noopt, altijd aan de hand van de omstandigheden van het geval moeten onderzoeken of toepassing van de richtlijnen ook resulteert in een uitkomst die in lijn is met de wettelijke maatstaven. Als vuistregel kan in de visie van de vrouw in lijn met wat daarover door het Gerechtshof Den Haag is overwogen,5 worden aangenomen dat het resultaat van de toepassing van de richtlijnen – in ieder geval – niet in lijn is met de wettelijke maatstaven als de werkelijke woonlasten van de alimentatieplichtige aanmerkelijk lager zijn dan de forfaitaire woonlasten èn uitsluitend als gevolg van toepassing van de forfaitaire rekenmethode niet meer (volledig) in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien. In die situatie zouden immers de praktische voordelen van de forfaitaire rekenmethode (voorspelbaarheid en duurzaamheid van de alimentatie) indruisen tegen het zwaarwegend belang van het kind en daar niet boven mogen prevaleren.6

2.3

Randnr. 2.13 klaagt dat het hof in dit geval een onderzoek naar de werkelijke draagkracht van de man niet had mogen nalaten nu a) door de man in hoger beroep is erkend dat zijn werkelijke woonlasten niet hoger dan € 95,00 per maand waren7 terwijl de forfaitaire woonlasten 30% van € 2261,00 per maand8, derhalve € 678,30 bedroegen. Dat is een verschil van € 583,30 per maand. En b) toepassing van de forfaitaire rekenmethode resulteert in de conclusie dat er onvoldoende draagkracht bestaat om de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen. De rechtbank heeft de draagkracht in rov. 3.13 met toepassing van de forfaitaire benadering op € 443,- bepaald en de gezamenlijke draagkracht op € 680,-.9 Op de totale behoefte van de kinderen van € 881,- (2019) is zo sprake van een tekort van 25%. Wanneer er gerekend zou worden met de werkelijke woonlasten van de man van € 95,- euro per maand kan er wel volledig in de behoefte van de kinderen worden voorzien.

2.4

In randnr. 2.14 klaagt de vrouw dat, voor zover de beschikking aldus begrepen moet worden dat het hof wél de belangen van de kinderen in ogenschouw heeft genomen maar desondanks van oordeel was dat toepassing van de forfaitaire rekenmethode geen onaanvaardbare uitkomst opleverde in het licht van de zwaarwegende belangen van de kinderen, dat oordeel onbegrijpelijk is en onvoldoende gemotiveerd.

2.5

In randnr. 2.15 klaagt de vrouw dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk is dat het hof afziet van het vaststellen van een behoefte dekkende kinderalimentatie terwijl daarvoor aan de zijde van de man wel degelijk voldoende ruimte bestaat. De motivering die het hof daarvoor geeft, namelijk dat het de keuze van de man is om zijn eigen vermogenspositie in te richten op een door hem gewenste wijze, is onbegrijpelijk in het licht van art. 1:404 lid 1 BW en miskent de verantwoordelijkheid die (ook) ambtshalve op het hof rust om de belangen van de kinderen te bewaken en er voor te waken dat de kinderalimentatie tenminste aan de wettelijke maatstaven voldoet.

Wettelijke regeling

2.6

Art. 1:404 lid 1 BW bepaalt dat ouders verplicht zijn naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Art. 1:397 lid 1 BW bepaalt dat bij de bepaling van het volgens de wet door bloed- en aanverwanten verschuldigde bedrag voor levensonderhoud enerzijds rekening wordt gehouden met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon. Wat behoefte en draagkracht precies inhouden is in de wet niet gedefinieerd. Het zijn open begrippen. De afgelopen decennia zijn meerdere wetsvoorstellen ingediend die voorzagen in een nadere wettelijke regeling voor de vaststelling van kinderalimentatie, maar ze zijn ingetrokken vanwege het ontbreken van voldoende draagvlak. De behandeling van het laatste voorstel ligt al bijna vijf jaar stil.

2.7

In de jaren ’90 van de vorige eeuw beoogde de regering met wetsvoorstel 2368310 tot standaardisatie te komen bij de vaststelling van kinderalimentatie.11 Dit voorstel is ingetrokken nadat de rechterlijke macht het rapport ‘Kosten van Kinderen’12 uitbracht, waarin richtlijnen en tabellen voor het bepalen van de behoefte waren opgenomen. Het Wetsvoorstel herziening kinderalimentatiestelsel13 uit 2004 voorzag in een eenmalige forfaitaire vaststelling van kinderalimentatie. Dit wetsvoorstel is in 2006 ingetrokken, omdat er onvoldoende draagvlak voor was.14 Op 29 september 2011 stelden PvdA en VVD in een nota een vereenvoudigde berekening van kinderalimentatie voor waarin veelvoorkomende variabelen werden teruggebracht tot forfaitaire bedragen.15 Op dit voorstel kwam veel kritiek. Op 17 februari 2015 is door de leden Recourt (PvdA) en Van der Steur (VVD) het initiatiefwetsvoorstel Wet herziening kinderalimentatie bij de Tweede Kamer ingediend.16 Ook dit wetsvoorstel strekt ertoe de berekening van kinderalimentatie te vereenvoudigen en daarnaast transparanter te maken. Op grond van het voorgestelde art. 1:404 BW zou de hoogte van de kinderalimentatie naar bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels worden bepaald, volgens een nieuwe, eenvoudiger rekensystematiek. Het artikel bepaalt tevens dat ouders altijd een minimumbijdrage moeten betalen. Het voorstel houdt daarnaast in dat stiefouders geen financiële verplichting hebben jegens hun stiefkinderen en dat de financiële verplichting van de ouder jegens kinderen uit een eerdere relatie niet wordt aangepast wanneer financiële verplichtingen ontstaan jegens kinderen die later met een andere ouder zijn verwekt.17 De Raad van State acht deze laatste regel in strijd met art. 8 en 14 EVRM omdat de regel tot ongerechtvaardigd onderscheid kan leiden tussen kinderen uit verschillende relaties. De Raad van State acht voorts de toegevoegde waarde van de voorgestelde nieuwe rekensystematiek onduidelijk en stelt voor de rekensystematiek uit het rapport Alimentatienormen over te nemen.18 Sinds het uitbrengen van een verslag op 18 oktober 2016 ligt de behandeling van dit wetsvoorstel stil.19 In een brief van 5 december 2019 schrijft de Minister voor Rechtsbescherming, onder verwijzing naar het advies van de Raad van State en gevoerde gesprekken dat een wijziging van de berekeningssystematiek van kinderalimentatie wat hem betreft niet aan de orde is.20

Rechtspraak algemeen

2.8

In de jurisprudentie is wel enige invulling aan de begrippen draagkracht en behoefte gegeven. Tevens doet de Expertgroep Alimentatienormen al sinds 1979 – niet bindende – aanbevelingen voor de bepaling van de behoefte en draagkracht (zie nrs. 2.10-2.11). Uit de rechtspraak van Uw Raad blijkt dat de behoefte van een kind over het algemeen niet beperkt is tot het bestaansminimum.21 De behoefte dient te worden bepaald naar de individuele omstandigheden van het kind,22 waarbij het welvaartsniveau tijdens het huwelijk een rol speelt.23 Het gaat om wat het kind in redelijkheid behoeft, mede gelet op wat een gezin dat in soortgelijke omstandigheden verkeert, pleegt uit te geven.24 Bij de bepaling van de draagkracht dienen de financiële middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, waarover hij had kunnen beschikken en/of hetgeen hij redelijkerwijs in de naaste toekomst kan verwerven in aanmerking te worden genomen, verminderd met de lasten die de onderhoudsplichtige heeft om in eigen levensonderhoud of het levensonderhoud van diegene jegens wie hij onderhoudsplichtig is te kunnen voorzien.25 De rechter dient een eerste vaststelling van kinderalimentatie en een verzoek om wijziging van een eerder overeengekomen of in een beschikking vastgelegde kinderalimentatie26 zelfstandig en met inachtneming van de wettelijke maatstaven draagkracht en behoefte27 te beoordelen.28

2.9

Bij de beoordeling in cassatie is van belang dat de vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht en behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Ook kunnen aan deze oordelen geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Een beslissing over alimentatie dient wel ten minste zodanig te worden gemotiveerd, dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken.29

Rapport Alimentatienormen

2.10

In de praktijk maken rechters doorgaans gebruik van de aanbevelingen en richtlijnen ten behoeve van de invulling van de maatstaven draagkracht en behoefte uit het rapport Alimentatienormen, opgesteld door de Expertgroep Alimentatie. ‘Het doel van het rapport is het leveren van een bijdrage aan de voorspelbaarheid en rechtszekerheid van de rechtspraak in alimentatiezaken’, aldus het rapport.30

2.11

De alimentatienormen in het rapport zijn geen recht in de zin van art. 79 lid 1, onder b, RO, over de schending waarvan in cassatie met vrucht kan worden geklaagd.31 Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt om te beslissen of en in hoeverre een aan hem voorgelegd geval zich leent voor een berekening van behoefte en draagkracht aan de hand van het Rapport Alimentatienormen en zijn desbetreffende beslissing behoeft geen motivering.32

2.12

Voor de bepaling van de behoefte gaat het rapport sinds 1994 uit van een systeem waarbij aan de hand van een op studies van het CBS en NIBUD gebaseerde tabel kan worden bepaald wat ouders in een vergelijkbare gezinssituatie en met een vergelijkbaar inkomen buiten het bedrag van de kinderbijslag plegen uit te geven aan een kind.33 De behoefte wordt bepaald op basis van het netto-gezinsinkomen ten tijde van de samenleving van de ouders, de leeftijd en het aantal tot het gezin behorende kinderen, waarna gecorrigeerd kan worden voor eventuele bijzondere kosten.34

De bepaling van de draagkracht volgens het rapport is sinds 1 april 2013 vereenvoudigd, doordat in beginsel uitsluitend een forfaitair lastenpatroon in aanmerking wordt genomen,35 waaronder forfaitaire woonlasten.

‘De achterliggende gedachte is dat het inkomen en vermogen de belangrijkste draagkrachtbepalende factoren zijn. Van de keuzes van een onderhoudsplichtige in zijn uitgavenpatroon wordt geabstraheerd, vanuit de gedachte dat iedere onderhoudsplichtige met het oog op de belangen van de onderhoudsgerechtigde zijn uitgavenpatroon zo dient in te richten, dat hij tenminste de gespecificeerde bijdrage kan voldoen.’36

De draagkracht wordt bepaald aan de hand van een formule: draagkracht = 70% x [NBI – (0,3 x NBI + redelijke kosten levensonderhoud)]. De draagkracht wordt berekend op basis van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de alimentatieplichtige. Van het NBI worden forfaitair bepaalde redelijke kosten van levensonderhoud afgetrokken (het draagkrachtloos inkomen). Het gaat om forfaitaire woonlasten van 30% van het NBI en een vast bedrag voor levensonderhoud. Dit laatste bedrag is opgebouwd uit de bijstandsnorm, met aanpassing op het punt van de daarin verdisconteerde woonlasten en ziektekosten en aangevuld met een component onvoorziene kosten. Het bedrag dat na aftrek van deze woonlasten en overige lasten overblijft is de draagkrachtruimte. De draagkracht bedraagt bij een NBI boven een bepaalde grens een standaardpercentage van thans 70% van deze draagkrachtruimte. Bij een lager inkomen wordt 70 tot 100% beschikbaar geacht voor betaling van kinderalimentatie.37 Bij een minimuminkomen wordt gerekend met een minimum bijdrage van € 25 voor één kind en € 50 voor twee kinderen of meer. Uitgangspunt bij de alimentatiebepaling volgens het rapport Alimentatienormen is, dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte.38 Op de bijdrage die de ouder moet betalen waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft, wordt een zorgkorting in mindering gebracht voor de tijd dat het kind bij deze ouder verblijft. De zorgkorting is gelijk aan een percentage van de behoefte.39

Indien sprake is van andere niet vermijdbare lasten, die niet in de berekening in aanmerking zijn genomen, bijvoorbeeld vanwege aflossing van schulden en ook hogere woonlasten dan de forfaitaire, kan het draagkrachtloos inkomen daarmee worden verhoogd.40 Indien de alimentatieplichtige extra lasten heeft die ook op basis van voornoemde stap in het rekenmodel niet in aanmerking zijn genomen, kan de alimentatieplichtige – in lijn met vaste rechtspraak van Uw Raad41 – een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets. Van een onaanvaardbare situatie is sprake indien de onderhoudsplichtige bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien, of van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt.42 Een vergelijkbare toets kent het rapport niet voor het geval de lasten van de alimentatieplichtige (aanzienlijk) lager zijn dan forfaitair bepaald en/of indien niet aan de behoefte van het kind kan worden voldaan.43 Wel is het zo dat de alimentatieplichtige ouder gekort wordt in het verzilveren van de zorgkorting of helemaal geen aanspraak kan maken op de zorgkorting indien niet (volledig) in de behoefte van het kind kan worden voorzien.44

2.13

De werkgroep Alimentatienormen schreef in 2012 in de toelichting op het voorstel voor de richtlijn tot vereenvoudiging van kinderalimentatie over de toelaatbaarheid van de voorgestelde wijzigingen gelet op de wet en jurisprudentie:

‘Een verdergaande forfaitaire benadering van de draagkracht, door niet alleen de bijstandsnorm als standaard te nemen, maar ook de componenten voor wonen en zorg te standaardiseren, wordt met de jurisprudentie verenigbaar geacht, mits op enigerlei wijze bepaalde noodzakelijke lasten, schulden en zorgkosten in de beschouwing kunnen worden betrokken.’45

en:

‘Gelet op het feit dat de wet de begrippen behoefte en draagkracht niet invult en de Hoge Raad evenmin een strak kader voor de feitelijke beoordeling van behoefte en draagkracht heeft geschapen, is een grote meerderheid van mening dat de huidige wetstekst een richtlijn met stelselwijziging als de voorgestelde toelaat, mits de individuele uitspraken van een goede motivering worden voorzien en het voorstel uitsluitend als richtlijn wordt beschouwd. Een richtlijn voor een minimumbijdrage en een voorrangsregel voor de ouders ten opzichte van de stiefouder vereisen echter wetswijziging.’46

Rechtspraak forfaitaire woonlasten

2.14

In de rechtspraak is verschillend geoordeeld over de vraag of bij de bepaling van de draagkracht ten behoeve van de vaststelling van kinderalimentatie mag worden uitgegaan van het forfaitaire bedrag (0,3 x NBI) als de werkelijke woonlasten lager zijn dan de forfaitaire woonlasten.47

In de zaak waarin Uw Raad op 19 december 2014 uitspraak deed klaagde de vrouw dat het hof van de werkelijke woonlasten van de man had moeten uitgaan, nu die lager waren dan de forfaitaire woonlasten en ‘dat het hof, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het niettemin heeft gekozen voor de forfaitaire benadering, ‘die in casu nadelig is voor de kinderen.’48 Waaruit het nadeel voor de kinderen bestond, is niet verder uitgewerkt in het cassatieverzoekschrift.49 A-G Keus gaat in zijn conclusie niet in op het feit dat mede door het in aanmerking nemen van forfaitaire woonlasten niet geheel in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien. Hij noemt verscheidene voor- en nadelen van het in aanmerking nemen van forfaitaire woonlasten en overweegt vervolgens:

‘2.10 Bij dit alles blijft uiteraard randvoorwaarde dat de vaststelling van de kinderalimentatie, mede op basis van forfaitaire woonlasten, aan de wettelijke maatstaven zal moeten voldoen. Naar mijn mening is het niet bij voorbaat in strijd met de wet als de alimentatierechter bij de vaststelling van kinderalimentatie redelijk te achten, forfaitaire woonlasten hanteert, ook niet voor zover die forfaitaire woonlasten de actuele, werkelijke woonlasten van de onderhoudsplichtige overstijgen. Forfaitaire elementen zijn hoe dan ook niet vreemd aan de alimentatievaststelling. Ook in ander verband dan dat van de woonlasten werden en worden zij gehanteerd; men denke bijvoorbeeld aan de bijstandsnorm, bij het hanteren waarvan de alimentatierechter van de werkelijke kosten van levensonderhoud van de onderhoudsplichtige abstraheert. Voorts is nu eenmaal het uitgangspunt dat aan de feitenrechter een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige. Het komt mij voor dat het hanteren van redelijk te achten forfaitaire kosten in beginsel binnen de grenzen van die beoordelingsvrijheid valt. Daarbij teken ik volledigheidshalve nog aan dat het op 26 september 2011 door de PvdA (J. Recourt) en de VVD (G.A. van der Steur) gepubliceerde plan voor een nieuwe berekening van kinderalimentatie (‘PvdA en VVD plan voor de nieuwe berekening van kinderalimentatie’) aanmerkelijk verder gaat in het hanteren van forfaitaire bedragen dan de nieuwe, per 1 april 2013 geldende richtlijn van het Rapport alimentatienormen. Volgens dat plan worden niet bepaalde kosten, maar wordt de draagkracht van de onderhoudsplichtige ouder in haar geheel forfaitair aan de hand van het netto-inkomen na scheiding bepaald.

(…)

2.11

Uit de beschikking van het hof Den Haag waarop het onderdeel een beroep doet, krijg ik de indruk dat het hof de werkelijke woonlasten boven de forfaitaire woonlasten heeft laten prevaleren vanwege de (aanzienlijke) mate waarin de werkelijke woonlasten van de forfaitaire woonlasten afweken. Ik vraag mij echter af of het een gelukkig compromis tussen het huidige en voorheen geldende regime met betrekking tot de vaststelling van kinderalimentatie is om slechts in geval van substantieel lagere werkelijke woonlasten de werkelijke in plaats van de forfaitaire woonlasten in aanmerking te nemen. Als men het principieel al onjuist zou vinden om hogere dan de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen, heeft dat mijns inziens te gelden, onafhankelijk van de mate waarin de (redelijk te achten) forfaitaire woonlasten de werkelijke woonlasten overstijgen. (…)’

Keus komt tot de slotsom dat de klacht dat het hof het recht heeft geschonden door bij de berekening van de kinderalimentatie van de forfaitaire woonlasten uit te gaan, niet tot cassatie kan leiden. Ook de motiveringsklacht slaagt niet.50 Uw Raad heeft de klacht(en) verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

2.15

Na voornoemde uitspraak van Uw Raad is in de feitenrechtspraak verschillend omgegaan met de situatie dat de werkelijke woonlasten lager zijn dan de forfaitaire. De onderstaande bespreking is beperkt tot beschikkingen van gerechtshoven en pretendeert niet volledig te zijn.

2.16

Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft herhaaldelijk overwogen dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden of situaties dient te worden afgeweken van het forfaitaire stelsel, waaronder in de bestreden uitspraak. In zijn beschikking van 16 april 2020 haalt het hof het doel aan van het Rapport Alimentatienormen, te weten ‘het leveren van een bijdrage aan de voorspelbaarheid en rechtszekerheid van de rechtspraak in alimentatiezaken.’ Het hof benadrukt dat de rechtzoekende ‘in het kader van de voorspelbaarheid van rechterlijke uitspraken’ ‘in het algemeen gebaat [is] indien de rechter bij de vaststelling van kinderalimentatie zijn oordeel zal formuleren conform de richtlijnen van dit rapport.’ Het hof overweegt voorts dat het forfaitaire stelsel voor de vaststelling van woonlasten ‘is bedoeld om discussies over de hoogte van de vaste (woon)lasten te voorkomen en is gegrond op normen die het NIBUD hanteert. Het hof vervolgt in deze uitspraak:

Gelet op het uitgangspunt van een forfaitair systeem dient daarvan slechts te worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. (…) De enkele omstandigheid dat de feitelijke woonlasten verschillen van het forfaitaire bedrag vormt naar het oordeel van het hof onvoldoende aanleiding voor afwijking van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen.’

Anders dan de rechtbank ging het hof in deze zaak niet uit van de lagere woonlasten die de vrouw had omdat zij samenwoonde met een nieuwe partner. Bij toepassing van forfaitaire woonlasten kon in deze zaak in de behoeften van de kinderen worden voorzien.51 In de zaak van 23 augustus 2016 kon met toepassing van de forfaitaire woonlasten niet volledig in de behoeften van de kinderen worden voorzien. Daarin zag het hof kennelijk geen aanleiding om van de werkelijke woonlasten uit te gaan.52

In de beschikking van 2 april 2015 zag het hof Arnhem-Leeuwarden wel aanleiding van de werkelijke woonlasten uit te gaan, omdat het belang van de minderjarige kinderen bij een onderhoudsbijdrage in dat geval zwaarder diende te wegen dan het toepassen van een forfaitaire woonlast, zeker nu die last er feitelijk niet was.53 Ook in de beschikking van 19 juni 2018 ging het hof uit van de werkelijke woonlasten van de man, gezien zijn ‘bijzondere woon- en leefsituatie’. De man is beroepsmilitair die op een kazerne woont en gesteld nog gebleken is dat dit binnen afzienbare tijd zal veranderen. Het hof nam geen woonlasten in aanmerking.54

2.17

Ook het hof ’s-Hertogenbosch overwoog dat slechts in uitzonderlijke gevallen van de forfaitaire woonlast wordt afgeweken, ‘nu aan het rekenen met forfaitaire bedragen inherent is dat deze bedragen in positieve of negatieve zin kunnen afwijken van de werkelijke bedragen.’55 Van het forfaitaire systeem wordt volgens het hof niet afgeweken indien de alimentatieplichtige samenwonend is, ‘tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien niet kan worden voorzien in de kosten van het kind.’56 In de zaak waarin het hof op 28 februari 2019 beschikking wees, deed deze situatie zich niet voor. In de zaak waarin het hof op 27 februari 2020 beschikking wees, was wel sprake van een tekort in de behoefte van de kinderen. Toch zag het hof in het door de vrouw gestelde geen aanleiding om af te wijken van het forfaitaire systeem,

‘nu onvoldoende gesteld of gebleken is dat toepassing ervan in dit geval leidt tot een resultaat dat in strijd is met de wettelijke maatstaven dan wel onaanvaardbaar moet worden geacht (zie de conclusie van de AG bij HR 24 oktober 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1908), temeer daar de man, zoals hieronder zal blijken, op basis van het forfaitaire systeem wel degelijk draagkracht heeft tot het betalen van enige substantiële kinderalimentatie voor [minderjarige 1].’57

2.18

Het hof Den Haag overwoog in de beschikking van 20 juni 2016, onder verwijzing naar randnr. 2.9 en 2.10 uit de conclusie van A-G Keus voor de uitspraak van Uw Raad van 19 december 2014:

’Kinderalimentatie heeft maatschappelijk gezien een zeer hoge prioriteit. Bij de vaststelling van kinderalimentatie dient de alimentatierechter in beginsel rekening te houden met alle feiten en omstandigheden van het geval. Dit laatste brengt niet met zich mede, zoals ook door de AG overwogen, dat het in strijd is met het wettelijke kader indien de alimentatierechter bij de bepaling van de draagkracht rekening houdt met forfaitaire normen omdat niet iedere post met betrekking tot de draagkracht kan worden vastgesteld. Een forfaitair rekensysteem met betrekking tot de draagkracht kan naar het oordeel van het hof echter niet worden gehanteerd indien (i) de werkelijke lasten van de alimentatieplichtige aanmerkelijk lager zijn en (ii) uitsluitend als gevolg van deze rekenmethode niet meer in de (volledige) behoefte van het kind of de kinderen kan worden voorzien.58

In deze zaak waren de werkelijke woonlasten van de man aanzienlijk (bijna € 1000,) lager dan de forfaitaire woonlasten en kon met toepassing van de forfaitaire woonlasten niet volledig in de behoeften van de kinderen worden voorzien. Het hof achtte het hanteren van het forfaitair systeem in dit geval daarom in strijd met ‘de uitgangspunten van de wetgever waarin is gekozen voor behoefte en draagkracht op grond van de werkelijke gegevens (maatwerk).’59 In de beschikking van 15 juni 201660 hanteerde het hof, na toetsing aan de norm zoals hiervoor aangehaald, wel de forfaitaire woonlast. In deze zaak kon ook met toepassing van de forfaitaire woonlast in de behoefte van de kinderen worden voorzien. Scheper merkt naar aanleiding van deze laatste uitspraak op dat het hof het kennelijk niet in strijd met de uitgangspunten van de wetgever acht dat de discrepantie tussen de werkelijke en forfaitaire woonlast op de andere onderhoudsplichtige wordt afgewenteld.61

In de beschikking van 24 oktober 2018 hield het hof rekening met een woonlast van 20% in plaats van 30%, omdat er een aanmerkelijke discrepantie was tussen de werkelijke woonlasten en de forfaitaire woonlasten en dit ten nadele van de kinderen strekt.62 In deze zaak kwam de helft van de woonlasten ten laste van de nieuwe partner van de man. De man had ook een kind met deze nieuwe partner.

2.19

Het hof Amsterdam overwoog in zijn beschikking van 12 januari 2021, waarin de man verzocht dat met zijn – hogere – werkelijke woonlasten rekening zou worden gehouden dat slechts ‘indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen’ dient te worden afgeweken van de forfaitaire woonlasten.63 Het hof lijkt een andere norm te hanteren indien de woonlasten lager zijn dan de forfaitaire. In zijn beschikking van 21 januari 2020 achtte het hof het ‘redelijk om, net als bij de man, rekening te houden met de werkelijke woonlasten van de vrouw.’ Het hof ging bij de bepaling van de draagkracht van de man uit van zijn werkelijke – hogere – woonlasten en ook van de werkelijke – lagere – woonlasten van de vrouw.64 Ook in de beschikking van 10 maart 2020 achtte het hof het ‘redelijk’ rekening te houden met de lagere woonlasten van de man. De man woonde bij zijn vader en betaalde hem € 100,- per maand. De forfaitaire woonlast bedroeg € 400,-. De man had aangevoerd dat hij op zoek is naar een zelfstandige woonruimte en dat hij daarin niet zal slagen indien hij een onderhoudsbijdrage voor de kinderen moet betalen. Het hof overwoog dat de man reeds ten minste vijf jaar bij zijn vader woont en dat hij zijn zoektocht naar zelfstandige woonruimte niet met stukken heeft onderbouwd.

‘Gelet op de onderhoudsplicht van de man jegens [de minderjarige] en gezien de aanmerkelijke discrepantie tussen de werkelijke woonlast van € 100,- en de forfaitaire woonlast van € 400,-, acht het hof het in dit geval redelijk om rekening te houden met een woonlast ter hoogte van de gemiddelde basishuur in de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 222,- per maand.’65

In de beschikking van 9 januari 2018 overwoog het hof dat het van oordeel is dat het toepassen van het forfaitair systeem in het betreffende geval ‘niet tot een onaanvaardbaar resultaat’ leidt. De vrouw stelde dat de man zijn woonlasten met zijn partner kon delen, waardoor zijn woonlasten iets meer dan de helft van de forfaitaire woonlasten bedroegen. Volgens het hof had de man voldoende aannemelijk gemaakt dat hij zijn woonlasten niet gelijkelijk met zijn partner kon verdelen. Het hof verwees naar de conclusie van A-G Keus voor de uitspraak van 19 december 2014 en overwoog tevens:

‘Het toepassen van een forfaitair rekensysteem biedt bovendien geen mogelijkheden om met iedere post met betrekking tot de draagkracht rekening te houden. Wordt gerekend met werkelijke woonlasten, dan is het hof met de man van oordeel dat ook met alle andere lasten van partijen gerekend zou moeten worden. Naar het oordeel van het hof leidt het toepassen van het forfaitair systeem in dit geval niet tot een onaanvaardbaar resultaat.’66

Literatuur

2.20

In de literatuur is – ook door mij – op verscheidene voor- en nadelen gewezen van het hanteren van forfaitaire woonlasten in plaats van werkelijke woonlasten en van een (deels) forfaitaire benadering van de draagkracht in het algemeen. Een forfaitaire benadering draagt bij aan de voorspelbaarheid van de te betalen alimentatie en daarmee aan de mogelijkheid daarover onderling afspraken te maken.67 Bij het hanteren van een forfaitaire woonlast bestaat minder snel aanleiding tot het indienen van een wijzigingsverzoek bij een wijziging in de woonsituatie,68 bijvoorbeeld in geval van samenwonen of niet meer samenwonen met een nieuwe partner.69 De Groot merkt op dat de alimentatieplichtige met de sinds 2013 aanbevolen methode een ‘‘budget’ krijgt waarbinnen eigen bestedingskeuzes mogelijk zijn.’

‘Wie bijvoorbeeld weet te besparen op een onderdeel van de kosten heeft wat meer financiële ruimte voor andere uitgaven. Dat strookt meer met de realiteit van alledag binnen een gezin en loopt ook in de pas met de wijze van bepaling van de behoefte van kinderen: ook daar geldt een tabelbedrag, waarbinnen de ouders vrij zijn om meer of juist minder aan bijvoorbeeld kleding uit te geven om daarmee hogere of lagere lasten voor sport of ontspanning te dekken.’

Ook wijzigingen zullen in eerste instantie binnen het ‘budget’ moeten worden opgevangen.70

Een voordeel van een forfaitaire benadering is voorts dat die eenvoudiger is. ‘Een berekening die met alle omstandigheden van het geval rekening houdt is complex (en daardoor kostbaar),’ aldus De Boer, Kolkman & Salomons.71 Indien sprake is van een samenloop van onderhoudsverplichtingen, bijvoorbeeld indien sprake is van onderhoudsplichtige stiefouders of de onderhoudsplichtige kinderen in meer dan één gezin heeft, geldt dat des te meer.72

Het belangrijkste nadeel van een forfaitare vaststelling is dat deze kan leiden tot onbillijke uitkomsten in individuele gevallen73 en dat een forfaitair systeem veelal niet aansluit bij de financiële werkelijkheid,74 hetgeen tot onbegrip kan leiden.75 De werkelijke woonlasten zouden onder andere lager kunnen zijn indien de alimentatieplichtige een hoog inkomen heeft, indien er een nieuwe partner is die meedeelt in de woonlasten, of de alimentatieplichtige tijdelijk inwoont bij familie.76

2.21

Verder is er in de literatuur, onder wie door ondergetekende, alsmede door A-G Keus in zijn conclusie voor de uitspraak van 19 december 2014, op gewezen dat het onwenselijk is dat er (ook nu nog) wordt gerekend met twee verschillende systemen bij de vaststelling van partneralimentatie en kinderalimentatie. Bij de berekening van kinderalimentatie worden de forfaitaire en bij de berekening van partneralimentatie de werkelijke woonlasten in aanmerking genomen. Dat kan tot de vervelende situatie leiden dat er geen ruimte is voor kinderalimentatie, maar wel voor partneralimentatie. Als er dan partneralimentatie wordt vastgesteld en geen kinderalimentatie kan dat in strijd komen met de voorrangsregel voor kinderalimentatie in art. 1:400 lid 1 BW.77 Labohm en ondergetekende hebben betoogd dat daarom met één rekensysteem zou moeten worden gewerkt, dat uitgaat van een forfaitaire woonlast.78 In de praktijk willen rechters nog wel eens in een dergelijke situatie de ruimte voor partneralimentatie overhevelen naar de kinderalimentatie.79

Labohm schrijft naar aanleiding van een beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden, waarin het hof overweegt de draagkracht voor partneralimentatie niet over te hevelen naar de kinderalimentatie, terwijl door de forfaitaire berekening van kinderalimentatie geen ruimte bleek voor betaling daarvan, maar wel voor partneralimentatie:

Voor de moeder die met een laag inkomen moet rondkomen, kan het soms wel van belang zijn dat de extra draagkrachtruimte wordt overgeheveld naar de kinderalimentatie. Voor een kind kan het soms betekenen dat zij wel of niet aan de zwemles kan deelnemen. Voor kinderen en het welzijn van kinderen is het van belang dat bij het vaststellen van de beschikbare ruimte zo goed mogelijk wordt gerekend. Feiten en omstandigheden kunnen rechtvaardigen dat op een forfaitair systeem inbreuk wordt gemaakt. Dit doet niet af aan de voorspelbaarheid van rechterlijke uitspraken, maar doet recht aan het individuele recht van het betreffende kind.80

Om deze discussie en problemen te voorkomen, lijkt het mij dringend gewenst te bewerkstelligen dat met één rekensysteem wordt gewerkt bij de vaststelling van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie.

2.22

Wortmann schrijft dat een forfaitaire berekening van de kinderalimentatie niet tot een onredelijke uitkomst mag leiden, onder verwijzing naar – volgens haar terecht – de hiervoor besproken beschikkingen van het hof Den Haag van 15 juni en 29 juni 2016.81

En tevens:

‘Vervolgens is vanuit de fracties van de PvdA en VVD in de Tweede Kamer een nota opgesteld en op 29 november 2011 bekend gemaakt voor een nieuwe berekening van kinderalimentaties uitgaande van forfaitaire vaststelling. Het wettelijke uitgangspunt van de draagkracht zou dan moeten worden losgelaten. De nota kreeg een kritische ontvangst in de rechtspraktijk. (…) Thans heeft de Expertgroep Alimentatie de handschoen opgepakt en nieuwe richtlijnen gemaakt.

Deze richtlijnen kunnen niet afdoen aan de wettelijke uitgangspunten van draagkracht en behoefte en de invulling die daaraan in de loop der jaren is gegeven in de jurisprudentie van in het bijzonder de HR. Het huidige recht gaat nu eenmaal uit van bepaling van draagkracht en behoefte in het concrete geval. Daarvan kan niet wezenlijk worden afgeweken. De richtlijn kinderalimentatie houdt hiermee rekening door middel van een correctiemogelijkheid in de formule voor de berekening van de draagkracht (en in het bijzonder het draagkrachtloos inkomen) en door middel van de aanvaardbaarheidstoets. Maar ook buiten deze correctiemogelijkheden om kan van het forfaitaire stelsel (als geheel of op onderdelen) worden afgeweken.’82

2.23

Scheper benadrukt dat voor alle betrokkenen duidelijk moet zijn welke omstandigheden afwijking van de forfaitaire woonlast rechtvaardigen. ‘Enkel in dat geval kunnen feitenrechters de forfaitaire (of werkelijke) woonlast op gelijke (en correcte) wijze toepassen.’ Hij is van mening dat toepassing van een lagere woonlast in de reden ligt als er sprake is van een lagere woonlast met een duurzaam karakter ‘( bijvoorbeeld omdat er geen last van hypothecaire geldlening op de woning van de onderhoudsplichtige rust)’ en de onderhoudsplichtige een substantieel lagere woonlast heeft dan de forfaitaire woonlast doet vermoeden. Het is volgens Scheper aan de feitenrechter om te oordelen of de lagere woonlast een voorzienbaar tijdelijk, dan wel duurzaam karakter heeft. Scheper ziet

‘geen reden uitsluitend af te wijken van de forfaitaire woonlast, indien als gevolg daarvan niet meer volledig in de behoefte van de onderhoudsgerechtigde(n) kan worden voorzien. Daarbij wordt ten onrechte geen rekening gehouden met de onderlinge draagplicht van de onderhoudsplichtigen. Een dergelijke maatstaf wordt bij het in aanmerking nemen van hogere woonlasten evenmin gehanteerd. (…)’83

2.24

Roelvink-Verhoeff schrijft dat bij beide ouders met de werkelijke woonlasten gerekend kan worden indien de ene ouder geen woonlasten betaalt, terwijl de andere ouder, naast zijn werkelijke woonlasten, ook nog de lasten voldoet die zijn verbonden aan de al dan niet aan hen gezamenlijk toebehorende woning waaruit hij of zij is vertrokken.84

Beoordeling

2.25

De klacht in randnr. 2.12 dat het hof in rov. 5.11 heeft miskend dat de in het Rapport Alimentatienormen genoemde forfaitaire rekenmethode geen dwingendrechtelijke regel is, faalt mijns inziens bij gebrek aan feitelijke grondslag. De overweging van het hof dient mijns inziens zo te worden begrepen, dat het hof is uitgegaan van de forfaitaire woonlasten van de man, zoals aanbevolen in het rapport Alimentatienormen en dat de wettelijke maatstaven slechts in uitzonderlijke omstandigheden vereisen dat van de in het rapport aanbevolen forfaitaire berekening van kinderalimentatie dient te worden afgeweken.

2.26

Met betrekking tot de klacht in het vervolg van randnr. 2.12 geldt mijns inziens het volgende. Naar mijn mening is het in beginsel niet in strijd met de wettelijke maatstaven draagkracht en behoefte als de rechter bij de vaststelling van kinderalimentatie uitgaat van forfaitaire woonlasten, volgens het rapport Alimentatienormen, ook niet indien de werkelijke woonlasten van de onderhoudsplichtige lager zijn dan de forfaitaire woonlasten. Daartoe acht ik het volgende van belang. De wetgever heeft de maatstaven draagkracht en behoefte niet nader ingevuld. Het zijn open begrippen. De aard van deze maatstaven vergt wel dat de draagkracht en behoefte op enigerlei wijze bepaald worden aan de hand van concrete omstandigheden betreffende resp. de onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde,85 maar laat mijns inziens ook ruimte voor standaardisering en een forfaitaire benadering van de concrete omstandigheden. In de formule voor de bepaling van de draagkracht zijn naast de woonlasten ook de overige lasten voor levensonderhoud en het draagkrachtpercentage gestandaardiseerd. Zoals ik hiervoor uiteen heb gezet, heeft (standaardisering) in de vorm van het rekenen met forfaitaire woonlasten als percentage van het inkomen als voordeel dat daarmee de voorspelbaarheid en rechtszekerheid wordt gediend. Alimentatie vastgesteld op basis van forfaitaire woonlasten is daarnaast beter bestand tegen wijzigingen dan wanneer wordt gerekend met de werkelijke woonlasten. Wijzigingsverzoeken zijn vaak niet in het belang van ex-partners en de kinderen, omdat dat vaak weer tot escalatie leidt en de verhoudingen weer op scherp stelt. Het gebruik van de gestandaardiseerde bedragen kan bijdragen aan een groter draagvlak bij onderhoudsplichtigen voor de betaling van kinderalimentatie. Verder wijs ik erop dat berekeningen van kinderalimentatie erg complex kunnen zijn ondanks de forfaitaire berekeningswijze, vooral in samengestelde gezinnen.86 Gelet op deze belangen zou ook niet licht moeten worden aangenomen dat in een concreet geval van de forfaitaire benadering moet worden afgeweken. Ook de rechtseenheid is daarmee gediend, al zijn de alimentatienormen geen recht in de zin van art. 79 Wet RO.

2.27

Ik acht niet uitgesloten dat het in aanmerking nemen van forfaitaire woonlasten in de situatie dat de werkelijke woonlasten lager zijn onder omstandigheden wel in strijd kan zijn met de wettelijke maatstaven. Onjuist is mijns inziens echter de door de vrouw bepleite vuistregel dat het resultaat van de toepassing van de richtlijnen – in ieder geval – niet in lijn is met de wettelijke maatstaven zodra de werkelijke woonlasten van de alimentatieplichtige aanmerkelijk lager zijn dan de forfaitaire woonlasten èn uitsluitend als gevolg van toepassing van de forfaitaire rekenmethode niet meer (volledig) in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien. Ik roep in herinnering dat bij de berekening van alimentatie forfaitaire posten eerder regel dan uitzondering zijn, denk alleen maar aan de bijstandsnorm. Ook de behoefte wordt aan de hand van tabellen veelal forfaitair bepaald.87 Daarnaast blijkt in de praktijk dat het vaak niet mogelijk is de levenstandaard tijdens de samenleving na de scheiding te handhaven,88 zodat de situatie zich geregeld zou kunnen voordoen dat niet in de behoefte wordt voldaan en de geformuleerde uitzonderingsregel van toepassing is. Dat acht ik niet wenselijk, gelet op de genoemde voordelen van een forfaitaire benadering. Ook de zwaarwegende belangen van het kind brengen in de situatie dat uitsluitend als gevolg van het in aanmerking nemen van hogere forfaitaire woonlasten niet in de behoefte van het kind is voldaan niet bij voorbaat mee dat de werkelijke woonlasten in aanmerking zouden moeten worden genomen. Een wijzigingsbestendige, voorspelbare alimentatie kan eveneens in het belang van het kind zijn, omdat daarmee strijd tussen ouders en/of verzorgers zou kunnen worden voorkomen. In uitzonderlijke omstandigheden zou het kunnen voorkomen dat het gebruik van forfaitaire lasten in strijd zou zijn met de wettelijke maatstaven bijvoorbeeld indien een aanzienlijk tekort in de behoefte van het kind zou bestaan en dit tekort tot een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor het kind onaanvaardbare situatie leidt. De alimentatiegerechtigde zal deze omstandigheden moeten stellen en aannemelijk maken.

2.28

In het licht van het voorgaande getuigt het oordeel van het hof evenmin van een onjuiste rechtsopvatting en faalt ook de klacht in het tweede deel van randnr. 2.12.

2.29

Ook de motiveringsklachten in randnrs. 2.13, 2.14 en 2.15 van het cassatieverzoekschrift falen in het licht van het voorgaande. De vrouw heeft wel gesteld dat het hanteren van de forfaitaire woonlasten ten koste gaat van de kinderen,89 maar niet dat toepassing van de forfaitaire rekenmethode tot een voor de kinderen onaanvaardbare uitkomst leidt. Het hof hoefde daarom mijns inziens niet nader te motiveren waarom in dit geval geen sprake was van een uitzonderlijke (onaanvaardbare) situatie. Anders dan randnr. 2.14 van het cassatieverzoekschrift veronderstelt, hoefde het hof niet ambtshalve te onderzoeken of het hanteren van forfaitaire woonlasten zou leiden tot een voor de kinderen, gelet op hun behoefte, onaanvaardbare situatie.

Ten overvloede merk ik op dat de rechtbank heeft overwogen dat het tekort aan gezamenlijke draagkracht € 201,- per maand bedraagt. Dit betekent inderdaad dat sprake is van een tekort in de behoefte van (iets minder dan) de 25% waar het cassatieverzoekschrift van uitgaat. De helft (€ 101,-) van dit tekort komt echter voor rekening van de man, doordat de rechtbank dit bedrag in mindering brengt op de zorgkorting waarop de man volgens de Alimentatienormen aanspraak maakt. Het verschil tussen de bijdrage die de man thans, uitgaande van de forfaitaire woonlasten moet betalen en de veronderstelde bijdrage die de man op basis van zijn werkelijke woonlasten zou moeten betalen, bedraagt dus grofweg 12 % van de gezamenlijke behoefte van de kinderen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 3.1-3.2 van de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 juni 2020.

2 Zaaknummer C/16/487447 / FA RK 19-5227.

3 ECLI:NL:GHARL:2020:4379, PFR-Updates.nl 2020-0214.

4 Het cassatieverzoekschrift is op 28 augustus 2020 per fax ingekomen ter griffie van de Hoge Raad. Op 1 september 2020 is het originele verzoekschrift ontvangen.

5 Hof Den Haag 20 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2310, RFR 2016/137, rov. 23, aangehaald hierna in nr. 2.18.

6 Cassatieverzoekschrift, randnr. 2.12.

7 Onder verwijzing naar appelschrift, randnr. 4.18 en verweerschrift van 20 maart 2020, randnr. 2.6 en 2.7.

8 Rov. 3.13 van de beschikking van de rechtbank, op dit punt bekrachtigd door het hof.

9 Rechtbank 9 december 2019, rov. 3.17.

10 Voorstel van wet tot Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de vaststelling van kinderalimentaties: Kamerstukken II, 1993/94, 23683, nr. 2.

11 Kamerstukken II, 1993/94, 23683, nr. 3, p. 1.

12 Werkgroep alimentatienormen NVvR i.s.m. het NIBUD, Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie, voor het eerst gepubliceerd in 1994. De versie uit 2006 is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

13 Kamerstukken II, 2003/04, 29480, nr. 2.

14 Kamerstukken II, 2006/07, 29480, nr. 15.

15 ‘PvdA en VVD plan voor de nieuwe berekening van kinderalimentatie’, te vinden via google.nl.

16 Kamerstukken II, 2014/15, 34154, nr. 2.

17 Kamerstukken II, 2014/15, 34154, nr. 3, p. 1 en het wetsvoorstel.

18 Kamerstukken II, 2015/16, 34154, nr. 5, p. 1 e.v., p. 22.

19 Kamerstukken II, 2016/17, 34154, nr. 8.

20 Kamerstukken II, 2019/20, 33 836, nr. 47. Zie nader over de genoemde wetsvoorstellen en nota o.a. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/584; M. Jonker, Het recht van kinderen op levensonderhoud : een gedeelde zorg : een rechtsvergelijking tussen Nederland, Noorwegen en Zweden (diss. UU) (Familie & Recht, 3), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011 p. 142 e.v.; A.N. Labohm & M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, ‘Vereenvoudiging kinderalimentatie, een utopie?’, FTV 2013/4-20, p. 11-19 en de in deze bronnen genoemde literatuur.

21 HR 10 mei 1940, ECLI:NL:HR:1940:184, NJ 1940/877.

22 HR 4 mei 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7326, NJ 1979/631; HR 9 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC076, NJ 1981/612, m.nt. E.A.A. Luijten; HR 25 juni 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4422, NJ 1983/311, m.nt. E.A.A. Luijten; HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6098, NJ 2007/394, m.nt. S.F.M. Wortmann.

23 HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3479, NJ 2016/125, m.nt. S.F.M. Wortmann, JPF 2016/26, m.nt. P. Vlaardingerbroek, rov. 3.3.5, onder verwijzing naar HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050, NJ 2010/473, FJR 2011/32, m.nt. I.J. Pieters.

24 Zie nader o.a. S.F.M. Wortmann, in: GS Personen- en familierecht, art. 1:397 BW, aant. 10, afd. 2 Boek 1 BW, aant. 1 en art. 1:404 BW aant. 2; Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/594, 622.

25 HR 25 mei 1962, ECLI:NL:HR:1962:116, NJ 1962/266; HR 23 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4010, NJ 2002/280, m.nt. J. de Boer; HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG5253, NJ 2009/24; HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5703, NJ 2010/399. Zie nader o.a. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/593; M.L.C.C. Lückers & J.E. Bruning, in: Sdu Commentaar Burgerlijk Wetboek Personen- en familierecht (Boek 1 BW), art. 397, aant. 2 en 2.1.

26 Voldaan moet zijn aan art. 1:401 lid 1, lid 4 of lid 5 BW.

27 Van behoeftigheid hoeft geen sprake te zijn (art 1:392 lid 2 BW). Andere factoren, waaronder psychische overmacht, zijn evenmin van belang. Zie HR 27 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0931, NJ 1990/324, m.nt. E.A.A. Luijten, rov. 3.2.

28 HR 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1689, NJ 2020/32, m.nt. S.F.M. Wortmann, JIN 2020/4, m.nt. S.C. Braun, rov. 2.3.1, onder verwijzing naar HR 24 november 1972, ECLI:NL:HR:1972:AC5276, NJ 1973/288, m.nt. E.A.A. Luijten.

29 HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5803, NJ 2007/563; HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:262, RvdW 2014/292, rov. 3.5; HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3479, NJ 2016/125, m.nt. S.F.M. Wortmann, JPF 2016/26, m.nt. P. Vlaardingerbroek, rov. 3.3.3; HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2219, NJ 2018/470, rov. 3.3.2. Zie nader o.a. S.F.M. Wortmann, in: GS Personen- en familierecht, art. 1:397 BW, aant. 2.

30 Expertgroep Alimentatie, Rapport Alimentatienormen, versie januari 2020, p. 3.

31 Vaste rechtspraak; zie onder meer HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3478, NJ 2016/124, m.nt. S.F.M. Wortmann, met verwijzing naar HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2559, NJ 1998/365.

32 Vaste rechtspraak; zie onder meer HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3478, NJ 2016/124, m.nt. S.F.M. Wortmann, met verwijzing naar HR 7 maart 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB9688, NJ 1986/545.

33 De behoeftetabellen zijn sinds 1 januari 2019 aangepast naar aanleiding van onderzoek van het CBS en het NIBUD. De nieuwe tabellen zijn van toepassing indien partijen na 1 januari 2019 uit elkaar zijn gegaan. Zie Expertgroep Alimentatie, Rapport Alimentatienormen, versie januari 2020, p. 8 en Rapport Alimentatienormen, versie januari 2019, p. 4.

34 Expertgroep Alimentatie, Rapport Alimentatienormen, versie januari 2020, par. 3.1.

35 Expertgroep Alimentatie, Rapport Alimentatienormen, 2013-1, p. 3. Ook de wijze waarop de zorgregeling van invloed is op de verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen is met ingang van 2013 veranderd. Zie Rapport Alimentatienormen 2013-1, p. 1-2 en par. 5.2.2 en 6.2. De kosten van zorg worden uitgedrukt als percentage van de behoefte.

36 Expertgroep Alimentatie, Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept 16 november 2012, p. 14.

37 Expertgroep Alimentatienormen, Rapport Alimentatienormen 2020-1, par. 4.5.

38 Expertgroep Alimentatienormen, Rapport Alimentatienormen 2020-1, p, 17.

39 Expertgroep Alimentatienormen, Rapport Alimentatienormen 2020-1, par. 5.2.2.

40 Expertgroep Alimentatienormen, Rapport Alimentatienormen 2020-1, par. 7.2.1. Zie over extra lasten in verband met de (voormalige) eigen woning par. 7.2.2.

41 HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2556, NJ 1998/707, m.nt. J. de Boer (Draagkracht bij fictief inkomen).

42 Expertgroep Alimentatienormen, Rapport Alimentatienormen 2020-1, par. 7.3.Met ingang van 1 januari 2021 geldt een percentage van 95% van de bijstandsnorm, vanwege inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. Zie Rapport Alimentatienormen, versie januari 2021, p. 3.

43 Het wetsvoorstel Herziening kinderalimentatiestelsel, Kamerstukken II, 2003/04, 29480, nr. 2, voorzag in het voorgestelde art. 1:404 lid 3 BW in de mogelijkheid voor de onderhoudsgerechtigde te verzoeken dat de bijdrage op een ander bedrag wordt bepaald ‘indien de toepassing van de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde bedragen gelet op de behoefte van het kind naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

44 Expertgroep Alimentatienormen, Rapport Alimentatienormen 2020-1, par. 5.2.2. Zie nader over de berekening van kinderalimentatie aan de hand van het rapport Alimentatienormen o.a.: Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/584; M.L.C.C. Lückers, Alimentatieverplichtingen, Den Haag: Sdu Uitgevers 2020, par. 5.1.2 en 6; S.F.M. Wortmann, in: GS Personen- en familierecht, titel 17 Boek 1 BW, aant. 8-9, afd. 2 Boek 1 BW, aant. 1, art. 1:397 BW, aant. 2 en art. 1:404 BW, aant. 2; J.B. de Groot, Vijf jaar kinderalimentatie ‘Nieuwe Stijl’, FJR 2018/27 Van Mourik, Verstappen & Burgerhart, Handboek Scheiding Deel B 2020/7.7.5; A. Roelvink-Verhoeff, ‘Kinderalimentatie: het evenwicht tussen het gebruik van standaarden en de rol van bijzondere omstandigheden’, EB 2014/22.

45 Expertgroep Alimentatie, Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept 16 november 2012, p. 5.

46 Expertgroep Alimentatie, Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept 16 november 2012. 19.

47 In Van Mourik, Verstappen & Burgerhart, Handboek Scheiding Deel B, 2020 merk ik in de door mij bewerkte par. 7.7.2 meer in het algemeen op dat het feit dat de Alimentatienormen de rechter niet binden leidt tot een casuïstische benadering in de rechtspraak.

48 Concl. A-G L.A.D. Keus voor HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3658, RFR 2015/32, randnr. 2.6.

49 Cassatieverzoekschrift in zaak 14/00209.

50 Concl. A-G L.A.D. Keus voor HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3658, RFR 2015/32, randnr. 2.12.

51 Hof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3107, rov. 5.8-5.12, 5.25. Vgl. hof Arnhem-Leeuwarden 9 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1046, rov. 2.26.

52 Hof Arnhem-Leeuwarden 23 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6936.

53 Hof Arnhem-Leeuwarden, 2 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2443, rov. 5.17.

54 Hof Arnhem-Leeuwarden 19 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5814, rov. 5.13.

55 Hof ‘s-Hertogenbosch 9 april 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1236, rov. 5.4.1.2. Vgl. Hof s-Hertogenbosch 19 december 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4620, rov. 5.8.2.

56 Hof ‘s-Hertogenbosch 28 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:717, rov. 5.5.3.

57 Hof ’s-Hertogenbosch 27 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:733, rov. 5.11

58 Hof Den Haag 20 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2310, RFR 2016/137, rov. 23,.

59 Hof Den Haag 20 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2310, RFR 2016/137, rov. 30.

60 Hof Den Haag 15 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1736, JIN 2016/169 m.nt. J.P.M. Bol, rov. 19-24.

61 K.G.A.C. Scheper, ‘Berekening kinderalimentatie en correctiemogelijkheid draagkrachtloos inkomen bij lagere woonlast dan forfait’, EB 2017/1, par. 2.

62 Hof Den Haag 24 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2796, RFR 2019/19, rov. 5.9.

63 Hof Amsterdam 12 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:49, rov. 5.11.

64 Hof Amsterdam 21 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:178, JIN 2020/132, m.nt. V.T.M. Smeets, rov. 5.8 en 5.12.

65 Hof Amsterdam 10 maart 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:822, rov. 5.9.

66 Hof Amsterdam 9 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:66, rov. 5.5.

67 Zie o.a. S.F.M. Wortmann, in: GS Personen- en familierecht, art. 1:404 BW, aant. 2A; Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/622; Labohm en De Bruijn-Lückers 2013, par. 5.

68 S.F.M. Wortmann, in: GS Personen- en familierecht, art. 1:404 BW, aant. 2A.

69 M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, Een jaar ervaring kinderalimentatie nieuwe stijl, TRP 2014/142, p. 23 en 25.

70 J.B. de Groot, Vijf jaar Kinderalimentatie ‘Nieuwe Stijl’, FJR 2018/27, par 4.

71 Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/584.

72 A. Roelvink-Verhoeff, ‘Kinderalimentatie: het evenwicht tussen het gebruik van standaarden en de rol van bijzondere omstandigheden’, EB 2014/22; zie recent over deze problematiek M. Jonker, J. Wijngaard & N.D. van Foreest, ‘Proportioneel verdelen van draagkracht bij kinderalimentatie in samengestelde gezinnen’, EB 2020/63.

73 Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/584; Wortmann, GS Personen- en familierecht, titel 17 Boek 1 BW, aant. 8; Labohm & Lückers 2013, inleiding.

74 S.F.M. Wortmann, in: GS Personen- en familierecht, art. 1:404 BW, aant. 2A; A.N. Labohm, ‘Samenloop kinderalimentatie en partneralimentatie. Twee rekensystemen? Hoe gaan we verder?’, EB 2018/36, par. 3; A. Wakker, Is de vereenvoudigde berekening van kinderalimentatie ook een verbetering?’, EB 2013/12, p. 25-29?

75 Labohm & Lückers 2013, par. 11, met name als reactie op het voorstel van de PvdA en VVD tot vereenvoudiging van kinderalimentatie uit 2011; vgl. Wakker 2013, p. 25-29.

76 Labohm & De Bruijn-Lückers 2013, par. 10; Wakker 2013.

77 Zie o.a. Wakker 2013, p. 25-29; J.P.M. Bol, R. van Coolwijk & J.E.M.C. Moons, ‘Kinderalimentatie een jaar ervaring met de nieuwe tremanormen’, TRP 2014/1, p. 22-25; De-Bruijn-Lückers 2014, p. 23, 25; Labohm 2018, par. 3; De Groot 2018, par. 8; concl. A-G L.A.D. Keus voor HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3658, RFR 2015/32, randnr. 2.8, 2.10.

78 De Bruijn-Lückers 2014, p. 23, 25; Labohm 2018, par. 3.

79 Zie bijv. hof Den Haag 25 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:763, rov. 5.36 en hof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:391, rov. 5.4.3. In hof Arnhem-Leeuwarden van 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:870, JIN 2018/29, m.nt. E.L.M. Louwen, rov. 5.8 in welke zaak alleen kinderalimentatie is vastgesteld, zag het hof juist geen aanleiding toch de eventuele draagkracht van de man voor partneralimentatie te berekenen met als enige doel om die eventuele draagkracht over te hevelen naar de kinderalimentatie.

80 Labohm 2018, par. 3.

81 S.F.M. Wortmann, in: GS Personen- en familierecht, titel 17 Boek 1 BW, aant. 8.

82 S.F.M. Wortmann, in: GS Personen- en familierecht, art. 1:404 BW, aant. 2A.

83 K.G.A.C. Scheper, ‘Berekening kinderalimentatie en correctiemogelijkheid draagkrachtloos inkomen bij lagere woonlast dan forfait’, EB 2017/1, par. 4.

84 A. Roelvink-Verhoeff, ‘Kinderalimentatie: het evenwicht tussen het gebruik van standaarden en de rol van bijzondere omstandigheden’, EB 2014/22.

85 Vgl. S.F.M. Wortmann, in: GS Personen- en familierecht, art. 1:404 BW, aant. 2A; Labohm 2018, par. 5; Vgl. ook Kamerstukken II, 2003/04, 29 480, nr. 3 p. 1. Hof Den Haag 27 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:530, FJR 2019/31.3, rov. 5. Tegen de beschikking van het hof is cassatieberoep ingesteld (ECLI:NL:HR:2020:1081). Dat zag niet op de aangehaalde rechtsoverweging. Het hof Den Haag en Labohm gebruiken zelfs de term ‘maatwerk’. Dat vereist de wet mijns inziens in ieder geval niet.

86 Vgl. Jonker, Wijngaard & Van Foreest, 2020.

87 Vgl. o.a. Concl. A-G Keus voor HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3658, RFR 2015/32, randnr. 2.10; Roelvink-Verhoeff 2014, inleiding; Expertgroep Alimentatienormen, Toelichting voorstel richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie/co‐ouderschap – concept november 2012, p. 5.

88 Zie o.a. Labohm 2018, par. 2.

89 Beroepschrift, randnr. 4.19.