Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:137

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-01-2021
Datum publicatie
16-02-2021
Zaaknummer
19/02121
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHDHA:2019:801
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:231
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorbereiding terroristisch misdrijf (art. 134a jo. 157 jo. 176a jo. 288a, jo. 289 jo. 289a Sr), het verschaffen van inlichtingen en verwerven van kennis tot het plegen van een terroristisch misdrijf (art. 134a Sr ), het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen en munitie met terroristisch oogmerk (art. 26.1 WWM jo. 83a Sr ) en het opzettelijk voorhanden hebben van een grote hoeveelheid professioneel/illegaal vuurwerk. Motiveringsklacht m.b.t. oogmerk tot het eigen maken van radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd. HR: art. 81.1. RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2021/33 met annotatie van Oort, C. van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/02121

Zitting 26 januari 2021

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 15 april 2019 door het Gerechtshof Den Haag wegens het onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde ‘eendaadse samenloop van met het oogmerk om opzettelijk brand stichten en/of ontploffingen teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, en/of moord en/of doodslag, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en te bevorderen, zich inlichtingen verschaffen en trachten te verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf en zich opzettelijk inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen en zich kennis verwerven tot het plegen van een terroristisch misdrijf’, het onder 2 bewezenverklaarde ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht’ en het onder 4 bewezenverklaarde ‘overtreding van een voorschrift (artikel 1.2.2, derde lid, van het Vuurwerkbesluit) gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan’, veroordeeld tot acht jaren gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft voorts nader omschreven voorwerpen verbeurdverklaard en onttrokken aan het verkeer, en de teruggave aan de verdachte gelast van twee in beslag genomen, nog niet teruggegeven, voorwerpen.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou niet (zonder meer) blijken dat de verdachte ten tijde van de onder A bedoelde gedragingen en handelingen reeds het oogmerk had de tenlastegelegde misdrijven te plegen. De overwegingen van het hof zouden niet uitsluiten dat de verdachte die gedragingen heeft verricht op een moment waarop het tenlastegelegde en bewezenverklaarde oogmerk ontbrak of onvoldoende aanwezig was.

4. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring, een deel van de bewijsmiddelen en ’s hofs bewijsoverwegingen weer.

Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

5. Ten laste van de verdachte is onder 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaard dat:

‘1:

hij

in de periode van 04 februari 2015 tot en met 07 december 2016 te [plaats] ,

opzettelijk met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van de te plegen misdrijven omschreven in artikel 157 en/of 176a en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

- inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf

immers heeft verdachte (telkens)

ten behoeve van één of meer (te plegen) aanslag(en) op één of meer objecten, en/of één of meer perso(o)n(en), door het gebruik van een vuurwapen en/of het teweeg brengen van één of meerdere ontploffing(en) en/of het stichten van brand en/of het begaan van moord en/of doodslag met een terroristisch oogmerk,

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisaties, althans (een) organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en

B. website(s) en social media kanalen waarop informatie wordt gedeeld over onthoofdingen en/of verminkingen en/of het om het leven brengen van mensen en/of (gevechts)trainingen en/of preken, althans over en/of gerelateerd aan de gewapende Jihadstrijd en/of martelaarschap bezocht en/of (vervolgens) zoekvragen gesteld en (vervolgens) één of meer (digitale) bestanden (zoals filmpjes en/of afbeeldingen) inhoudende informatie over onthoofdingen en/of verminkingen en/of het om het leven brengen van mensen en/of (gevechts)trainingen en/of preken, althans over en/of gerelateerd aan de gewapende Jihadstrijd en/of martelaarschap gedownload en/of opgeslagen en/of voorhanden gehad en

C. (digitale) bestanden inhoudende informatie over het maken/vervaardigen van en/of gebruik van (een) staafbom(men) en/of (een) bomgordel(s) voorhanden gehad en

E. voorhanden gehad een (automatisch) vuurwapen, te weten een AK-47 en munitie, te weten 59 kogelpatronen en

F. voorhanden gehad een grote hoeveelheid zwaar vuurwerk, welke voorwerpen en stof, al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het begaan van die misdrijven;

en

hij

in de periode van 04 februari 2015 tot en met 07 december 2016 te [plaats] ,

opzettelijk zich inlichtingen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of kennis heeft verworven tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

immers heeft verdachte (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

en/of

één of meer (te plegen) aanslag(en) op één of meer objecten en/of goederen en/of perso(o)n(en), door het teweeg brengen van een ontploffing en/of het stichten van brand en/of moord en/of doodslag met een terroristisch oogmerk,

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisaties, althans (een) organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en

B. website(s) en social media kanalen waarop informatie (wordt gedeeld) over onthoofdingen en/of verminkingen en/of het om het leven brengen van mensen en/of (gevechts)trainingen en/of preken, althans over en/of gerelateerd aan de gewapende Jihadstrijd en/of martelaarschap bezocht en (vervolgens) zoekvragen gesteld en/of (vervolgens) één of meer (digitale) bestanden (zoals filmpjes en/of afbeeldingen) inhoudende informatie over onthoofdingen en/of verminkingen en/of het om het leven brengen van mensen en/of (gevechts)trainingen en/of preken, althans over en/of gerelateerd aan de gewapende Jihadstrijd en/of martelaarschap gedownload en/of opgeslagen en/of voorhanden gehad en

C. (digitale) bestanden inhoudende informatie over het maken/vervaardigen van en/of gebruik van (een) staafbom(men) en/of (een) bomgordel(s) voorhanden gehad;’

6. Het hof heeft die bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen en de inhoud van de bewijsmiddelen 14, 16 en 17):

‘1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 1 april 2019 verklaard -zakelijk weergegeven-:

De feiten zoals die onder 2 en 4 zijn ten laste gelegd erken ik. Op 7 december 2016 heb ik in mijn woning in [plaats] professioneel vuurwerk, te weten 288 stuks knalvuurwerk (Super Cobra 6), voorhanden gehad. Ik heb geen gespecialiseerde kennis over dit vuurwerk.

Voorts heb ik op 7 december 2016 in mijn berging, die hoort bij mijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , een vuurwapen, te weten een machinegeweer van het merk/model Bulgarian Arsenal Akks-47 en in totaal 59 kogelpatronen, voorhanden gehad.

Ik had de app Telegram. Per dag was ik zo'n twee uur op de computer bezig met het bekijken van beeldmateriaal afkomstig van IS en het lezen van interviews. Soms waren er 12 interviews, dan downloadde ik die om ze op een later moment te bekijken. Ik bekeek de video's automatisch als ik de websites bezocht. Ik bekeek iedere dag zo'n 6 à 7 websites.

Het klopt dat ik ' [verdachte] ' ben.

2. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 oktober 2017 verklaard -zakelijk weergegeven-:

U houdt voor uit het dossier de bevindingen van het NFI omtrent de inbeslaggenomen Cobra's. Het beschreven gevaar van massa-explosie begrijp ik volkomen.

U houdt mij voor uit het dossier de bevindingen omtrent het digitale onderzoek naar de harde schijf en de 2 computers.

Er stonden ook films op die harde schijf. Die filmpjes waren originele IS-video's. Ik had geen geluid op mijn pc, daarom wilde ik ze via de tv bekijken. Het document ging over de vraag als je als moslim niet aan jihad kunt doen, wat je dan thuis zou kunnen doen. Ik kan mij nog herinneren dat er stond dat je in dat geval gewoon je buurman mocht doden.

U houdt voor uit het dossier, de schriftelijke uitwerking van het audiofragment betreffende het gesprek van 22 oktober 2016 te [plaats] .

Ik was een van de deelnemers aan dat gesprek. Wat achter NN1 staat, heb ik gezegd. Ik ben NN1.

Ik heb zelf die mapjes gemaakt en daarin die filmpjes geplaatst. Ik was er twee tot tweeënhalf uur per dag mee bezig.

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 december 2016 van de politie Team Generieke Opsporing 11 (DLR) met nr. nummer LERCA16135-49. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

als de op 15 december 2016 afgelegde verklaring van de verdachte :

O: in de woonkamer is tijdens de doorzoeking een harde schijf aangetroffen van het merk Freecom.

V: Van wie is die harde schijf?

A: Die is van mij.

V: Wie maken er gebruik van deze harde schijf?

A: Alleen ik.

V: Op de harde schijf is een map aangetroffen met de naam Films. In deze map zit een map Islaam. Wat kan je verklaren over de inhoud van deze map?

A: Islamitische lezingen. Koran liederen en allemaal video's.

O: In de map Islaam op de hiervoor benoemde harde schijf blijken over de 250 films te staan. De meeste filmpjes hebben betrekking op Islamitische Staat. Veel van de filmpjes tonen onthoofdingen uitgevoerd door leden van Islamitische Staat.

V: Wat kan je hierover verklaren?

A: Het is als volgt. We hebben hier een groepering die beweerd uit naam van de Islam te vechten. Ik ben voor elke groepering die onderdrukte volkeren kan helpen om uit de onderdrukking vandaan te komen. Maar wel volgens de islamitische regels. Ik lees en onderzoek veel.

Op de harde schijf in de voornoemde map Islaam staan twee mappen. Map 1 is gevuld met geweld van IS. Map 2 is voornamelijk gevuld met uitleg van IS leden over wat ze doen met ondersteuning vanuit hun interpretatie van de koran.

V: Veel filmpjes zijn van hoge kwaliteit. Hoe kom je aan deze filmpjes?

A: Alles heb ik via het internet. De meeste video's komen van de website Jihadology.net en youtube.

V: Hoe kijk je naar het gedachtegoed van Islamitische Staat?

A: Dat is moeilijk uit te leggen. De islamitische staat kwam met een kalifaat wat de meeste moslims niet kende. Ze overvielen je met een heel mooi concept.

V: Veel filmpjes zijn van hoge kwaliteit. Hoe kom je aan deze filmpjes?

A: Alles heb ik via het internet. De meeste video's komen van de website Jihadotogy.net en YouTube. Daarnaast komen er een aantal van losse links.

O: Op de voornoemde desktop computer lag een mobiele telefoon van het merk Nokia type Lumia.

V: Bij wie is deze voornoemde telefoon in gebruik geweest?

A: Die telefoon is alleen bij mij in gebruik geweest.

V: Uit het onderzoek komt naar voren dat jij de gebruiker zou zijn van het twitteraccount […] wat wil je hierover verklaren?

A: Het account zelf zegt me iets. Maar dat account is anderhalf of twee jaar oud. Mijn nummer was kennelijk gekoppeld aan het account.

4. Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming nummer LERCA16135-29 (…), d.d. 8 december 2016, opgemaakt door verbalisant 370. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

Inbeslagneming

Adres: [a-straat 1] te [plaats]

Datum: 7-12-2016

Omschrijving in beslag genomen goederen

[001] GSM

[002] desktop

[003] Externe harde schijf zwart

[004] plastic zara tas zwart waar 2x magazijn met munitie vuurwapen in zat

[005] zwarte vuilniszak waar vuurwapen in zat

[006] 2x magazijn met scherpe patronen AK47

[007] Verpakkingsmateriaal waar vuurwapen in verpakt zat

[008] vuurwapen AK47

[009] Desktop computer Acer

Eigenaar/houder/rechthebbende

Voornamen: [verdachte]

Achternaam: [verdachte]

Geboortedatum: [geboortedatum] 1986

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Adres: [a-straat 1]

Plaats: [plaats]

Beslissing over beslag

Voor waarheidsvinding overdragen aan Digitale Recherche

5. Het proces-verbaal van politie nummer LERCA16135-45 (…), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Start onderzoek

Op 29 november 2016 werd een opsporingsonderzoek gestart contra de verdachte:

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboortedatum : [geboortedatum] -1986

Geboorteplaats : [geboorteplaats]

Adres : [a-straat 1]

Plaats : [plaats]

Op 29 november 2016 werd een ambtsbericht ontvangen met de volgende tekst:

De gebruiker van het Twitteraccount […] sympathiseert met ISIS. Dit Twitteraccount is gebruikt door [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] en volgens de BRP ingeschreven op het adres [a-straat 1] [plaats] . Betrokkene is bereid om aan de jihadistische strijd deel te nemen dan wel anderen daartoe te faciliteren.

Naar aanleiding van het bovenstaande heb ik, verbalisant, een onderzoek verricht naar het Twitter profiel […]

Hieronder is door mij een screenshot geplaatst van het Twitterprofiel […] zoals dat er omstreeks 30 juli 2015 uitzag.

[…]

Lilahi Darru Muaskarul Abtali !

De hierboven weergegeven zin "Lilahi Darru Muaskarul Abtali !" betekent door een tolk uit het Arabisch vertaald: "God moge het trainingskamp van de helden verheffen" en is een smeekbede waarmee de helden van een trainingskamp worden verheerlijkt.

Op de op de Twitter achtergrond geplaatste foto is een door ISIS gebruikte vlag zichtbaar.

6. Het proces-verbaal van politie nummer LERCA16135-361 (…), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Door mij werd onderzoek verricht naar de volgende inbeslaggenomen item:

[001] (woning [a-straat 1] , [postcode] [plaats] ) Windows Lumia

[…] .

Door mij werden op de smartphone de volgende relevante WhatsApp chatfragmenten aangetroffen:

Deelnemers :

[betrokkene 1] Whatsapp: [telefoonnummer 1]

[betrokkene 2] : [telefoonnummer 2]

[verdachte] ( [verdachte] ): [telefoonnummer 3]

[betrokkene 3] : [telefoonnummer 4]

In de chat tussen deze deelnemers wordt er door de WhatsApp gebruiker [verdachte] ( [verdachte] ) een aantal internet linken naar Youtube video's met de volgende inhoud:

www.youtube.com/watch?v—DrRbrvx022x

Betreft de video van een groep ISIS strijders met wapens die een Islamitisch lied zingen. Geplaatst door [verdachte] (owner)

http:/m.youtube.com/watch?v=Byq2PMomu6A

Nasheed from a collection of Iraqi nasheeds. From the album called, "Ardh Al Malahim"

Betreft de video van een Jihadistisch gezang waarin wordt opgeroepen tot de gewapende strijd. Geplaatst door [verdachte] (owner)

http://m.youtube.com/watch?v=UN62yQUy714

Nam ‘ Dee Junoodan [Jihad Nasheed] With Chechen Video

Betreft de video van een Jihadistisch lied over de gewapende strijd in Tsjetsjenië.

Geplaatst door [verdachte] (owner)

Verder zijn door mij hieronder een aantal mogelijk relevante chatfragmenten weergegeven:

• Op 25-7-2015 21:40:26 (UTC + 0) Chat [verdachte] (owner) "Ameeruna abu bakr al baghdadi", wat betekent "Onze leider abu bakr al baghdadi".

7. Het proces-verbaal van politie nummer LERCA16135-205 (…), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Door mij werd onderzoek verricht naar het inbeslaggenomen item: Smartphone Windows wit Lumia […] . Uit dit onderzoek bleek mij het volgende.

Er bleken omstreeks 1900 foto's en 18 video's te zijn opgeslagen die gemaakt waren in ISIS strijdgebied of met ISIS of terreur te maken hadden. Deze foto's waren ontvangen via het programma Telegram, dat als app vermoedelijk op de smartphone geïnstalleerd is geweest.

Het is mij, verbalisant, bekend dat er op Telegram zogenaamde groepen en kanalen zijn die door ISIS worden gebruikt om ten behoeve van hun propaganda foto's uit het strijdgebied te publiceren.

Op de smartphone zijn een aantal screenshots aanwezig waaruit geconcludeerd kan worden dat er via Whatsapp ISIS nieuws afkomstig uit de geheime facebookgroep "Staatsnieuws" uitgewisseld werd.

Opmerking verbalisant: Het is mij, verbalisant, bekend dat de geheime Facebookgroep "Staatsnieuws" een groep is die niet op internet te vinden is en enkel via een uitnodiging van een beheerder of groepslid toegankelijk is. Deze facebookgroep wordt gebruikt om ISIS nieuws en propaganda onder de groepsleden te delen.

Behalve de eerder genoemde ISIS gerelateerde foto's en plaatjes die via Telegram op de smartphone waren gedownload, bleek mij dat er na zoeken op de smartphone met behulp van het programma UFED Physical Analyzer naar het woord "Telegram", dat er ook communicatie via Telegram op de smartphone voorkwam die erop duidde dat [verdachte] lid was van een ISIS gerelateerde Telegram groep.

Aangezien de App Telegram niet meer op de smartphone aanwezig bleek te zijn en op een onbekend moment verwijderd is, werden slechts fragmenten van de groepscommunicatie via Telegram aangetroffen.

Zo bleek er in de Telegram groep een Youtube link (https://youtu.be/8hUk915sB48) naar een video te zijn gepubliceerd waarop een persoon geboeid op de grond zit.

In de Telegram chat wordt daarover gezegd "And the video is of Masjid (Moskee genaamd imam) imam in Anbar (Irak) that was arrested by Rawafidh (Sjiieten).

"Swaeiq_Media Present: We are not weak, by allah we our lone wolves will come to you from where you dont know"

8. Het proces-verbaal van politie nummer LERCA16135-62 (…), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op 13, 14 en 15 december 2016 heb ik, verbalisant, onderzoek verricht naar de inhoud van de van de volgende bij de verdachte:

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboortedatum : [geboortedatum] -1986

Geboorteplaats : [plaats]

Adres : [a-straat 1]

Plaats : [plaats]

op 7 december 2016 inbeslaggenomen goederen:

Item IBN code

Harde schijf uit Lenovo desktop PC [002]

Externe harde schijf merk Freecom [003]

Onderzoek harde schijf uit Lenovo desktop PC

( [002] ):

• 1 Google zoekvraag naar "cobra 6 grijze dop"

• Bekijken diverse Youtube filmpjes waarin Cobra's (vuurwerk) tot ontploffing werden gebracht.

• Regelmatig bezoek 4 Twitterprofleien : […] , […] _ […] en […] . Dit bleken publiek veel bezochte Twitterprofielen te zijn met duizenden volgers waarop (Syrisch) nieuws wordt gepubliceerd.

• 1 Google zoekvraag naar "AK47 Taliban"

• 3 PDF pagina's van het ISIS Magazine "Rumiyah"

• 1 PDF pagina van het ISIS Magazine "Dabiq"

• Bestand ''ADVICE TO THOSE WHO CANNOT COME TO SHAM.pdf

• 1 ISIS video in de prullenbak van de computer

• Op de harde schijf bleek op het pad/root/Users/ […] /Downloads het gecomprimeerde (rar) bestand H-A-ALBRAN.rar te zijn opgeslagen.

Dit bestand bleek uitgepakt een aantal andere bestanden te bevatten waaronder een PDF bestand waarin technisch is uitgelegd hoe een staafbom moet worden gemaakt.

Een PDF bestand waarin technisch is uitgelegd hoe een bomgordel moet worden gemaakt.

Het bestand Thumbs.db bleek verwijzingen te bevatten naar 3 video filmpjes die zich op de harde schijf bevonden.

Door mij zijn de bestanden onderzocht waaruit mij bleek dat de verschillende filmpjes zich op de harde schijf bevonden en de volgende inhoud hadden.

1. Dit bleek een filmpje te zijn waarop te zien is hoe een (vermoedelijke) pijpbom onder de stoel van een auto werd geplaatst.

2. Dit bleek een filmpje te zijn waarop te zien is hoe een Amerikaanse politieauto werd opgeblazen en de schade die dit aan de auto veroorzaakte.

3. Dit bleek een filmpje te zijn waarop te zien is hoe een aantal personen een voorwerp wat op een pijpbom lijkt vullen met een op een soort kruit lijkende stof.

Het is mij, verbalisant, bekend dat het programma Telegram anonieme communicatie en verspreiding van berichten en bestanden toestaat en veel door terreurorganisaties zoals ISIS wordt gebruikt als propaganda kanaal. Zo worden de vaak gruwelijke video's die door ISIS worden gemaakt veel via Telegram verspreid.

Zichtbaar was dat op de Lenovo Desktop het programma Telegram werd gebruikt. Waarbij uit nader onderzoek bleek dat Telegram web-based (in een browser) werd gebruikt (https://web.telegram.org), dus zonder dat daarvoor het programma Telegram via een installatiebestand was geïnstalleerd. Als op deze wijze Telegram gebruikt wordt, kunnen de video's die bekeken worden ook worden opgeslagen in de standaard Download directory op de computer.

Aangezien er op de externe harde schijf van het merk Freecom ( IBN code [003] ) , die tevens in de woning in beslaggenomen was, omstreeks 289 ISIS video's werden aangetroffen, bestaat het vermoeden dat deze video's op de Lenovo desktop PC via Telegram zijn gedownload, waarna deze op de externe harde schijf zijn gezet om daarna van de Lenovo Desktop PC te worden verwijderd. Zo bleek uit nader onderzoek dat 1 ISIS video zich in de prullenbak van de Lenovo Desktop PC bevond.

Op de Lenovo Desktop PC was zichtbaar dat de externe harde schijf van het merk Freecom die in de woning aan de TV verbonden was, verbonden is geweest met de Lenovo Desktop PC.

Onderzoek externe harde schijf (Freecom) ( [003] ):

• In de directory /films/islaam bleken een grote hoeveelheid ISIS of ISIS gerelateerde video's te zijn opgeslagen. Het programma FTK toont in een serie screenshots de inhoud van video's. Door mij werd door video's af te spelen of door de screenshots te onderzoeken vastgesteld dat er omstreeks 289 video's in deze directory waren opgeslagen die de kenmerken hadden dat deze door ISIS waren gemaakt of een jihadistische inhoud hadden. Zo zijn veel van de ISIS video's rechts bovenin de video voorzien van een kleine wapperende ISIS vlag of een logo van het ISIS media center die de video geproduceerd heeft.

De meerderheid van deze video's zijn zeer gewelddadig van aard en bevatten extreem gruwelijke beelden waarin mensen worden verminkt, onthoofd opgeblazen en op andere wijze om het leven worden gebracht.

Als bijlagen bij dit proces-verbaal is gevoegd:

een afdruk van de inhoud van het bestand

"ADVICE TO THOSE WHO CANNOT COME TO SHAM.pdf.

9. Een geschrift, te weten een als bijlage bij het hiervoor onder 8 genoemde proces-verbaal gevoegd afschrift van het bestand ADVICE TO THOSE WHO CANNOT COME TO SHAM.pdf, (…), inhoudende:

Being In Sham is a blessing and is the recommended place to be during the end of times.

There are a few options available to you if you are prevented from coming to Sham.

The first and foremost is to support the families of the Mujahidin. This should be the first thing all those in Dar Al-Kufr should be doing, even if you are planning to come to the lands of jihad.

Many brothers get martyred, and there are so many widowed sisters who could use financial aid.

I request all those who reside in Dar Al-Kufr to utilise their time wisely and save up money to send to those inside Sham. Do collections form your trustworthy friends, and if you fear repercussion from people, then it is permissible to say you are doing a collection for the poor and needy. You do not need to say it is for jihad, one can keep it vague. If need be, collect money from the Kuffar for an invented cause.

If you are prevented from travelling abroad, for example your passport is taken away from you, then realize that Allah has decreed for this to happen, so use this opportunity to kill the Kuffar in their very own country. The war is not limited to our lands, it's a global war. It's a war against Islam, so if you really are a Muslim then choose your side rather than being a spectator.

The Shaykh and Mujahid, Abu Muhammad Al-Adnani - the official spokesman of Dawlah - has ordered all those living in Dar Al-Kufr to rise up and kill the Kuffar at their doorsteps.

The best of all people to kill are those who work with the government, the politicians, those who have worked in the army, the police officers, or anyone else who bas any links or ties to the government. You do not need to know much, a kitchen knife is sufficient to send a Kafir to the hereafter. Even a petrol bomb is an easy tool one can make and use without the need of research online. Cause terror in the heart of Dar Al-Kufr the way they have caused terror in Muslim Lands.

10. Het proces-verbaal van bevindingen van politie nummer LERCA16135-347 (…), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Als aanvulling op mijn bevindingen zoals verwoord in proces-verbaal LERCA16135-62 waarin door mij, verbalisant, werd vastgesteld dat op de inbeslaggenomen harde schijf uit Lenovo desktop PC ( [0010] ) de volgende 2 in de Arabische taal opgestelde documenten werden aangetroffen:

Een PDF bestand waarin technisch is uitgelegd hoe een staafbom moet worden gemaakt.

Een PDF bestand waarin technisch is uitgelegd hoe een bomgordel moet worden gemaakt.

Deze beide documenten werden door een beëdigd tolk vertaald en zijn in één document beschreven.

Door mij werd een nader onderzoek ingesteld naar deze vertaalde documenten waaruit mij samengevat het volgende bleek :

pdf (fabricage pijpbommen)

• De te bouwen pijpbommen zijn bedoeld als anti-persoonsbommen

• De bom dodelijk wordt als er spijkers in zijn verwerkt

• Het effect van de bom wordt niet bepaald door de stof die erin zit maar door de scherven van de uiteenvliegende bom

• De zwavel van luciferkoppen wordt gebruikt als grondstof voor de bom

• De bommen kunnen aan een gasfles bevestigd worden om de kracht van de bommen te vergroten of de stof in de bommen kan worden vervangen door een sterkere stof zoals vuurwerkkruit.

• Vuurwerk is rijk aan zuiver kruit, zoals bijvoorbeeld mortieren en raketten.

• Ivm de bereidingstijd is het van belang om veel vuurwerk te kopen.

• Alle vuurwerkkruit is bruikbaar behalve de bruine, deze wordt gebruikt om stoffen te isoleren.

• De stoffen uit het vuurwerk dienen verfijnt te worden mbv een vijzel.

• Vuurwerkkruit kan gemengd worden met stoffen zoals aluminium poeder en chloor-potassium.

• Verder uitleg hoe de pijp gevuld moet worden met kruit of een kruitmengsel.

• Verwijzing naar een map met videofragmenten waarin de explosie van een pijpbom in een auto wordt getoond.

pdf (fabricage bomgordels)

• Uitleg over het gebruik van lonten en elektrische ontstekingen

• De bomgordel bestaat uit metalen pijpen gevuld met springstof

• Als springstof kunnen chloor- of nitraatmengsels gebruikt worden.

• Om het effect te vergroten worden zakken om de pijpbommen geplaatst, deze zakken worden met spijkers, stalen kogels of moeren gevuld om te dienen als scherven na de explosie.

• Door de explosie wordt elke scherf een kogel.

• Uitleg over de fabricage van de ontsteking.

• De uitgelegde bomgordels hebben hun kracht bewezen bij een aanval in Oman, het doelwit waren hotels waar de ongelovige en afvallige mensen verbleven.

11. Een geschrift, te weten een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst van 10 februari 2017 (…), inhoudende:

Ons kenmerk

8c53ae55-orl-2.0

Datum 7 februari 2017

Betreft Ambtsbericht

[verdachte] ( [geboortedatum] -1986, [plaats] ) heeft met een aantal personen op 22 oktober 2016 tussen 21:34:30 en 31:42:32 (BFK, bedoeld zal zijn 21:42:32) uur een gesprek gevoerd in de [b-straat] te [plaats] .

De audio opname van het gesprek is op een cd-rom bijgevoegd met het kenmerk: 8c541042 .

12. Het proces-verbaal van bevindingen van politie nummer LERCA16135-238 (…), inhoudende als relaas van de verbalisanten:

Op 2 maart 2017 is door ons verbalisanten een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt over de uitwerking van een audiobestand. Het audiobestand is voorzien van kenmerk 8c541042 . Dit audiobestand is op 10 februari 2017 ontvangen als bijlage van het ambtsbericht voorzien van kenmerk 8c53ae55-orl-2.0 . In het ambtsbericht wordt vermeld dat het een opgenomen audiobericht betreft dat is opgenomen op 22 oktober 2016 tussen 21:34:30 uur en 21:42:32 uur op de [b-straat] te [plaats] .

13. Het proces-verbaal van politie nummer LERCA16135-427 (…), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op 17 juni 2017 heb ik het audiobestand voorzien van kenmerk 8c53ae55-orl-2.0 beluisterd en uitgewerkt.

Uit de opname maak ik drie verschillende stemmen op, het is onduidelijk of er drie of meerdere personen bij het gesprek betrokken zijn doordat men soms door elkaar praat of slecht te verstaan is. Derhalve is het als volgt weergegeven:

NN1 onbekende man 1

NN3 onbekende man 3

NN1: Broer ik zeg je eerlijk (NTV) Het is niet moeilijk om iets te bombarderen, ofzo,(NTV) je (NTV) niet zelf te drukken. (NTV) . Kijk verderop bij mij heb je nu ehm.. heb je nu ehmm.. Hé het is vijfhonderd meter lopen (NTV) Turkse ambassade, ik weet waar de Turkse ambassade is. Ik zie daar altijd Turken naar toe gaan. Broer je komt daar naar binnen, of je schiet, of je gooit iets naar binnen. Sowieso die dingen kan ik gewoon doen.(NTV) Maar die mensen zijn wel moslim daar binnen.

NN3: (NTV) Op zijn Engels gezegd zeggen ze "collateral damage"

NN1: Dan, dan.. Kies ik liever toch die Hollanders

14. Het proces-verbaal Onderzoek automatisch vuurwapen van politie nummer LERCA16135-129 (…), inhoudende als relaas van de verbalisant:

(…)

15. Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming nummer LERCA16135-94 (…), d.d. 8 december 2016, opgemaakt door verbalisant 370. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

Inbeslagneming

Adres: [a-straat 1] te [plaats]

Datum: 7-12-2016

Omschrijving in beslag genomen goederen

[0011] Meerdere dozen cobra 6

Categorie: Explosief

16. Het proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk van politie nummer LERCA16135-53, met bijlagen (…), inhoudende het relaas van de verbalisant:

(…)

17. Een Rapport (Explosievenonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van betwist vuurwerk) van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 april 2016, nummer 2016.03.03.233, met bijlage (…), als bijlage gevoegd bij het onder 16 vermelde proces-verbaal,

(…)

17. Een deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut van 31 maart 2017, nummer 2017.01.04.229, met bijlage (…)

(…)

18. Een geschrift, zijnde Kennisbijlage 140a PV, (Jihadi-)Salafistische Groepen in Syrië, van de Dienst Landelijke Recherche, opgemaakt door dr. J. Jolen,

voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

2.6 VN en EU Sanctielijst

Op 30 mei 2013 wordt het toenmalige ISIL toegevoegd aan de VN Sanctielijst. Op 15 augustus 2014 wordt IS woordvoerder Abu Mohammed al-Adnani toegevoegd aan de Al-Qaida Sanctielijst van de VN. IS kalief Ibrahim, oftewel Abu Bakr al-Baghdadi staat onder zijn eigenlijke naam, Ibrahim Awaad Ibrahim Ali Badri al-Samarrai, al op de lijst sinds 5 oktober 2011, toen hij nog de leider van ISI ofwel Al-Qaida in Irak was.

Op 1 juli 2013 is (toen nog) ISIL op de financiële sanctielijst van de EU geplaatst. Abu Bakr al-Baghdadi, leider van IS en de huidige kalief staat sinds 15.10.2011 op deze lijst, als toenmalige leider van (IS)IL voorloper ISI.’

7. Het hof heeft in het bestreden arrest aan deze bewezenverklaring de volgende nadere bewijsoverweging gewijd:

‘Omtrent het bewezenverklaarde onder feit 1 alternatief/cumulatief onderdeel A overweegt het hof dat het 'zich eigen maken van radicaal extremistisch gedachtengoed' uiteraard een beginpunt kent dat voorafgaat aan concrete voorbereidingshandelingen, maar dat dat proces van het 'zich eigen maken' door gaat tijdens die voorbereidingshandelingen. Zo zal het bekijken van terreurpropaganda de verdachte hebben gesterkt in het al - mogelijk slechts in de kiem - aanwezige extremistisch gedachtengoed en zal de verdachte door het bekijken van die propaganda telkens weer zijn aangemoedigd ook daadwerkelijk een aanslag voor te bereiden, nu immers in deze films geweld tegen niet-gelovigen en afvalligen wordt verheerlijkt en als legitiem wordt voorgesteld. Zo bezien kan worden bewezen verklaard dat de verdachte zich radicaal extremistisch gedachtengoed heeft 'eigen gemaakt' ook 'ten behoeve van het plegen van aanslagen'.’

8. Voorts heeft het hof in de aanvulling op het arrest de volgende overweging opgenomen:

Bewijsmotivering

Onder de ‘gewapende jihadstrijd in Syrië’ wordt verstaan de strijd in Syrië die de vorm aanneemt van het ontplooien van geweldsactiviteiten tegen gepercipieerde vijanden van de islam ter verwezenlijking van een wereld die een zo zuiver mogelijke afspiegeling is van hetgeen men meent dat in de eerste bronnen van het islamitisch geloof – de Koran en de soenna – staat vermeld.1

Bespreking van het eerste middel

9. De stellers van het middel klagen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet (zonder meer) blijkt dat de verdachte ten tijde van de onder A bedoelde gedragingen en handelingen reeds het oogmerk heeft gehad de tenlastegelegde misdrijven te plegen. Het hof zou dit onderschrijven nu het hof heeft geoordeeld dat ‘het bekijken van terreurpropaganda de verdachte (zal) hebben gesterkt in het al – mogelijk slechts in de kiem – aanwezige extremistisch gedachtengoed’. Die overweging zou niet uitsluiten dat de verdachte de betreffende gedragingen heeft verricht op een moment waarop het tenlastegelegde en bewezenverklaarde oogmerk ontbrak of onvoldoende aanwezig was. Tegelijk zou volgens de stellers van het middel uit de delictsomschrijving en de tekst van de tenlastelegging zoals opgenomen onder A volgen dat het oogmerk op het plegen van terroristische misdrijven al aanwezig moet zijn op het moment van het tenlastegelegde 'zich eigen maken van radicaal gedachtegoed'.’ Gelet daarop zou de bewezenverklaring onvoldoende met redenen zijn omkleed.

10. In de toelichting wijzen de stellers van het middel erop dat namens de verdachte blijkens de pleitnota die tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 1 april 2019 is voorgedragen en overgelegd het volgende is aangevoerd:

‘Los van de vraag of het gedachtegoed door cliënt is eigen gemaakt, zou blijkens de rechtspraak de vraag gesteld moeten worden of dat instrumenteel was ten aanzien van het terroristisch oogmerk.

Zie hieromtrent oa. ECLI:NL:RBDHA:2016:8464

waarin overwogen:

"De rechtbank overweegt dat de opsteller van de tenlastelegging in dat geval kennelijk heeft bedoeld dat verdachte zich voor zijn vertrek naar Syrië en met het oogmerk om terroristische misdrijven te gaan plegen, is gaan verdiepen in het radicale extremistische gedachtegoed en het gedachtegoed zich met dat oogmerk eigen heeft gemaakt. Maar zo is het natuurlijk niet gegaan. Verdachte heeft zich eerst het radicaal extremistische gedachtegoed eigen gemaakt en vervolgens heeft het idee bij hem postgevat dat hij op grond van dit gedachtegoed verplicht was naar Syrië af te reizen om daar deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd. Er kan dus niet bewezen worden dat het oogmerk van verdachte op het plegen van terroristische misdrijven al aanwezig was op het moment dat hij zich het radicale extremistische gedachtegoed eigen maakte. Op grond hiervan wordt verdachte vrijgesproken van dit onderdeel. "’

11. Deze passage is in de pleitnota opgenomen onder het kopje ‘FEIT 1: art. 96 lid 2 SR:’ Verderop in de pleitnota merkt de raadsman op: ‘Edelgrootachtbaar college voor het verwijt van 134 a is mijn conclusie gegeven het voorhanden materiaal niet anders’. De stellers van het middel gaan in de toelichting op beide strafbaarstellingen in. Daarom begrijp ik de klacht zo dat de bewezenverklaring onder 1 zowel wat betreft de in het eerste deel onder A omschreven gedragingen als wat betreft de in het tweede deel onder A omschreven gedragingen onvoldoende met redenen zou zijn omkleed. Ik bespreek deze bewijsklacht in dat licht eerst met het oog op art. 96 Sr en daarna met het oog op art. 134a Sr.

12. Art. 96, eerste lid, Sr bepaalt dat samenspanning tot een der in de artikelen 92–95a omschreven misdrijven ‘wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie’. Het tweede lid luidt:

‘2. Dezelfde straf is toepasselijk op hem die, met het oogmerk om een der in de artikelen 92–95a omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen:

1° een ander tracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;

2° gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen;

3° voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

4° plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft;

5° enige maatregel van regeringswege genomen om de uitvoering van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen.’

13. De Wet terroristische misdrijven heeft samenspanning in enkele andere artikelen strafbaar gesteld.2 Daarbij is art. 96, tweede lid, Sr telkens van overeenkomstige toepassing verklaard. In de context van deze strafzaak zijn in het bijzonder de artikelen 176b en 289a Sr van belang. Deze luiden als volgt:

Artikel 176b Sr

‘1. De samenspanning tot de in de artikelen 157, 161, onderdelen 2° en 3°, 161bis, onderdelen 3° en 4°, 161quater, 161sexies, onderdelen 2° en 3°, 162, 164, 166, 168, 170, 172, 173a en 174 omschreven misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.’

Artikel 289a Sr

‘1. De samenspanning tot het in artikel 289 omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, alsmede het in artikel 288a omschreven misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.’

14. Uw Raad heeft inzake de reikwijdte van de in art. 96, tweede lid, Sr geformuleerde delictsomschrijving het volgende overwogen:3

‘3.5. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat - anders dan het Hof tot uitgangspunt heeft genomen - het voldoende is om tot een bewezenverklaring van, kort gezegd, de in art. 96, tweede lid, Sr bedoelde voorbereiding of bevordering van de in art. 289a Sr omschreven misdrijven te komen, indien het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht, zonder dat een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is vereist. Die opvatting is juist. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat moet worden aangenomen dat hetgeen onder 3.4 is weergegeven omtrent de voor toepassing van art. 46 Sr vereiste mate van concretisering ook geldt voor art. 96, tweede lid, Sr. Vereist is derhalve slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in art. 289a Sr omschreven misdrijf de nader aan art. 96, tweede lid, Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht (vgl. HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4200, NJ 2002/626 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179).’

15. De bewezenverklaring onder 1 ziet op de periode van 4 februari 2015 tot en met 7 december 2016. Zij houdt in het eerste deel in dat (onder A, B, C, E en F omschreven) gedragingen ‘opzettelijk met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van (…) - het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen (…) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of - moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk’ hebben plaatsgevonden. De omschrijving van het oogmerk spoort taalkundig niet precies met de wettekst; wat bedoeld wordt is echter duidelijk. De gedragingen hebben plaatsgevonden met het oogmerk om de omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen. Ik begrijp de klacht voor zover zij op het eerste deel van de bewezenverklaring onder 1 ziet aldus dat de bewezenverklaring van dit oogmerk voor zover het de onder A omschreven gedragingen betreft onvoldoende met redenen zou zijn omkleed.

16. Uit ’s hofs overwegingen volgt dat het hof, anders dan de stellers van het middel menen, van oordeel is dat het ‘zich eigen maken van radicaal extremistisch gedachtengoed’ niet alleen aan concrete voorbereidingshandelingen voorafgaat, ‘maar dat dat proces van het ‘zich eigen maken’ door gaat tijdens die voorbereidingshandelingen’. Ik begrijp die overweging aldus dat het hof in de onderhavige zaak uit de bewijsmiddelen heeft afgeleid dat het zich eigen maken van radicaal extremistisch gedachtengoed in de bewezenverklaarde periode is doorgegaan tijdens het plegen van de andere voorbereidingshandelingen. Die overweging is niet in tegenspraak met de daarop volgende overweging, inhoudend dat het bekijken van terreurpropaganda de verdachte zal hebben gesterkt ‘in het al – mogelijk slechts in de kiem – aanwezige extremistisch gedachtegoed’. Ik wijs erop dat het hof in het vervolg van deze zin overweegt dat de verdachte ‘door het bekijken van die propaganda telkens weer (zal) zijn aangemoedigd ook daadwerkelijk een aanslag voor te bereiden’. In deze overwegingen ligt besloten dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft afgeleid dat de verdachte ook terwijl het vereiste oogmerk (inmiddels) aanwezig was, zich het radicaal extremistisch gedachtengoed (verder) eigen heeft gemaakt.4

17. Uit de bewijsmiddelen volgt dat tijdens de doorzoeking in de woonkamer van de verdachte een harde schijf is aangetroffen met daarop een map ‘Islaam’. De verdachte verklaart op 15 december 2016 over de inhoud: ‘Islamitische lezingen. Koran liederen en allemaal video’s.’ En de verdachte verklaart dat hij voor elke groepering is ‘die onderdrukte volkeren kan helpen om uit de onderdrukking vandaan te komen. Maar wel volgens de islamitische regels. Ik lees en onderzoek veel’ (bewijsmiddel 3). Voorts is de inbeslaggenomen externe harde schijf onderzocht. Van omstreeks 289 video’s die in de directory /films/islaam waren opgeslagen werd vastgesteld dat zij ‘de kenmerken hadden dat deze door ISIS waren gemaakt of een jihadistische inhoud hadden’ (bewijsmiddel 8). Een tot het bewijs gebezigde bijlage bij dit proces-verbaal bevat gedachtengoed dat als radicaal-extremistisch kan worden gekenschetst (bewijsmiddel 9). Het hof heeft uit deze bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte zich met het oogmerk om de omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen het radicaal extremistisch gedachtengoed (verder) eigen heeft gemaakt. En het hof heeft de bewezenverklaring van het oogmerk ook in het licht van het verweer toereikend gemotiveerd.

18. Dat brengt mee dat het middel faalt voor zover wordt geklaagd dat het eerste deel van de bewezenverklaring onder 1 onvoldoende met redenen is omkleed. Ik merk daarbij op dat ook als daarover anders zou worden gedacht, de in het eerste deel onder B, C, E en F omschreven gedragingen de kwalificatie kunnen dragen en dat een vrijspraak van het in het eerste deel onder A tenlastegelegde, omdat deze gedragingen niet met het vereiste oogmerk zouden zijn begaan, niet zou afdoen aan aard en ernst van het onder 1 bewezenverklaarde.5 Daarbij worden in cassatie geen klachten geformuleerd tegen het onder 2 en 4 bewezenverklaarde, welke feiten de verdachte ook heeft bekend. Tegen die achtergrond rijst de vraag naar het belang van de onderhavige klacht.

19. Als gezegd wordt ook geklaagd over het tweede deel van de bewezenverklaring onder 1. Dat onderdeel van de bewezenverklaring is toegesneden op art. 134a. Dat artikel luidt als volgt:

‘Hij die zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft of tracht te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe verwerft of een ander bijbrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.’

20. Deze strafbaarstelling is ingevoerd bij Wet van 12 juni 2009.6 Zij heeft een dubbele achtergrond. Art. 134a Sr is in de eerste plaats een uitvloeisel van een debat in de Tweede Kamer over terrorismebestrijding dat plaatsvond naar aanleiding van een brief van de ministers van Justitie en BZK van 24 januari 2005. In die brief werd aangekondigd dat het bestuursrechtelijk instrumentarium met het oog op de terrorismebestrijding zou worden aangevuld. Aan personen ten aanzien van wie aanwijzingen bestonden van terroristische activiteiten, zonder dat deze voldoende waren voor strafrechtelijk optreden, zou een meldingsplicht en een gebiedsverbod moeten kunnen worden opgelegd. Bij die aanwijzingen kon volgens de brief ‘gedacht worden aan een patroon of samenstel van gedragingen en activiteiten, zoals bezoeken van een buitenlands trainingskamp voor terroristen en het zich op verdachte wijze ophouden op bepaalde locaties’.7

21. Tijdens het debat merkte het Kamerlid Halsema (GroenLinks) op een meldingsplicht voor iemand die een opleiding volgt tot terrorist ‘veel te soft’ te vinden: ‘In dat geval gaat het naar mijn mening om de voorbereiding van een misdrijf en dat pak je strafrechtelijk aan’.8 Het Kamerlid Wilders meende dat het ‘onzinnig’ was om mensen die zo’n kamp bezoeken te vragen zich dagelijks bij het politiebureau te melden. Ze zouden in het gevang moeten worden gezet. Andere Kamerleden sloten zich bij de kritiek aan. Een motie van het Kamerlid Eerdmans waarin de regering werd verzocht ‘na te gaan of het bezoeken van en deelnemen aan een opleidingskamp voor terroristen in de toekomst is strafbaar te stellen’ werd met algemene stemmen aangenomen.9 Voor zover de strafbaarstelling ziet op het deelnemen aan een terroristisch trainingskamp geeft zij uitvoering aan deze motie.10

22. De strafbaarstelling van het meewerken aan training voor terrorisme heeft volgens de memorie van toelichting een internationale achtergrond.11 Zij geeft in zoverre uitvoering aan de verplichtingen die voortvloeien uit art. 7 van het Verdrag van Warschau.12 Dat artikel verplicht tot het strafbaar stellen van ‘training voor terrorisme’. Daaronder wordt volgens de Nederlandse vertaling verstaan ‘het geven van instructie voor het vervaardigen of gebruiken van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke of gevaarlijke stoffen, of voor andere specifieke methoden of technieken, met als doel het plegen van of bijdragen aan het plegen van een terroristisch misdrijf, in de wetenschap dat beoogd wordt de verstrekte vaardigheden daarvoor in te zetten’. Onder de terroristische misdrijven waar niet voor getraind mag worden vallen ingevolge dit verdrag niet alleen de ernstigste terroristische misdrijven, waarbij art. 96, tweede lid, Sr van overeenkomstige toepassing is verklaard. Mede tegen die achtergrond is voor een zelfstandige strafbaarstelling in art. 134a Sr gekozen.13 Art. 134a Sr is derhalve verwant aan art. 96, tweede lid, Sr. Dat volgt ook uit de delictsomschrijving, waarin het zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen tot nader omschreven misdrijven centraal staat. Een uitbreiding lijkt vervat in het zich kennis of vaardigheden verwerven of een ander bijbrengen. Maar die passage is vooral opgenomen omdat twijfel kan bestaan of deze gedragingen al onder het zich verschaffen van inlichtingen begrepen kunnen worden.14

23. De verplichting tot strafbaarstelling die uit art. 7 Verdrag van Warschau voortvloeit is nadien ook in een kaderbesluit neergelegd,15 dat inmiddels is vervangen door de Richtlijn inzake terrorismebestrijding.16 Deze richtlijn bevat niet alleen een verplichting tot het strafbaar stellen van het geven van training voor terrorisme (art. 7), maar ook een verplichting tot het strafbaar stellen van het ontvangen van training voor terrorisme (art. 8).17 Het geven van een nader omschreven instructie ‘met als doel het plegen, of het bijdragen aan het plegen, van (…) genoemde misdrijven, in de wetenschap dat beoogd wordt de verstrekte vaardigheden daarvoor in te zetten’ dient strafbaar te worden gesteld ‘indien er sprake is van opzet’. En ook het ontvangen van deze instructie ‘met als doel het plegen, of het bijdragen aan het plegen, van (…) misdrijven’ dient strafbaar te worden gesteld ‘indien er sprake is van opzet’. Bij de trainer lijkt de eis dat ‘sprake is van opzet’ niet veel toe te voegen, nu de verplichting al beperkt is tot geval de trainer weet dat beoogd wordt de verstrekte vaardigheden voor het (bijdragen aan) het plegen van een terroristisch misdrijf in te zetten. Bij de ontvanger van de instructie stelt zij buiten twijfel dat de instructie niet alleen het (bijdragen aan) het plegen van een terroristisch misdrijf tot doel moet hebben, maar dat de ontvanger daar ook opzet op moet hebben.

24. De verwantschap met art. 96, tweede lid, Sr heeft er niet toe geleid dat de opzeteis in de delictsomschrijving van art. 134a Sr gelijkluidend is verwoord. Art. 134a Sr eist niet een oogmerk om een nader omschreven misdrijf voor te bereiden of te bevorderen. Waarom het oogmerk niet is overgenomen of daarvoor een vergelijkbaar bijkomend oogmerk in de plaats is gesteld, blijkt niet duidelijk uit de wetsgeschiedenis. De gedachte kan zijn geweest dat de formulering van het bijkomend oogmerk minder goed past bij de ‘trainer’. Die behoeft niet te handelen met de bedoeling om een in art. 134a Sr omschreven misdrijf voor te bereiden of te bevorderen; volgens art. 7 Verdrag van Warschau volstaat ‘de wetenschap dat beoogd wordt de verstrekte vaardigheden daarvoor in te zetten’. Tegelijk is het de vraag of het oogmerk om een in art. 134a Sr omschreven misdrijf voor te bereiden of te bevorderen niet ook bij het bestaan van deze wetenschap bewezen kan worden. Uit rechtspraak van Uw Raad volgt dat oogmerk in ander verband ook bij noodzakelijkheidsbewustzijn aangenomen wordt.18 De gedachte kan ook zijn geweest dat het omschreven oogmerk minder goed aansluit bij art. 7 Verdrag van Warschau nu dat artikel geen oogmerk van de betrokkene van voorbereiding of bevordering omschrijft, maar een doel van de instructie inhoudend (een bijdrage aan) het plegen van een omschreven misdrijf.

25. Hoe dat ook zij, dat art. 134a Sr geen bijkomend oogmerk eist, betekent niet dat opzet op (alleen) het verschaffen van gelegenheid, middelen, inlichtingen, kennis of vaardigheden volstaat. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het bestanddeel ‘opzettelijk’ tevens betrekking heeft op het ‘tot’ het misdrijf verschaft zijn van de inlichtingen (etc.).19

26. Zo wordt in de memorie van toelichting over de opzeteis opgemerkt:20

‘Over de formulering van de voorgestelde strafbaarstelling zij nog het volgende opgemerkt. De gekozen formulering sluit aan bij vergelijkbare delictsomschrijvingen in het Wetboek van Strafrecht terzake van strafbare voorbereiding. Uit de voorgestelde formulering blijkt dat het opzet van de dader gericht dient te zijn op het inzetten van de verworven kennis of vaardigheden voor het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan. Dit vormt een scherpe omlijning van de reikwijdte van de bepaling.’

27. In de nota naar aanleiding van het verslag gaat de minister nader in op de opzeteis: 21

‘Het volgen van schiet- of vlieglessen of het ondergaan van training in een vechtsport kan, wanneer betrokkene het opzet heeft de kennis of vaardigheden te verwerven voor het plegen van een terroristisch misdrijf, strafbaar zijn op grond van het voorgestelde artikel 134a Sr’ (p. 4).

‘Het voorgestelde artikel 134a Sr vereist voor strafrechtelijke aansprakelijkheid dat met een criminele intentie concrete terroristische (trainings)handelingen worden verricht, zoals het bijbrengen van kennis en vaardigheden dan wel het opdoen daarvan tot het plegen van terroristische misdrijven. (…)

De vraag van de leden van de CDA-fractie of deelname aan een kamp, vergelijkbaar met het door deze leden gememoreerde kamp, strafbaar zou kunnen zijn op grond van de voorgestelde strafbepaling kan in haar algemeenheid niet beantwoord worden. Dit hangt steeds af van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij dient steeds bewezen te worden dat betrokkene kennis en vaardigheden wil verwerven om een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf te plegen’ (p. 5).

‘Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid op grond van het voorgestelde artikel 134a Sr is vereist dat het opzet van de dader is gericht op het – kort gezegd – verwerven of bijbrengen van kennis of vaardigheden voor het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan. Bewijs voor het opzet van betrokkene zal bijvoorbeeld kunnen worden afgeleid uit hetgeen bekend is over de achtergrond van de persoon van de verdachte. Zo is mogelijk informatie bekend over diens haat tegen de Westerse wereld, zijn fascinatie voor terroristisch geweld of over het radicaliseringsproces dat betrokkene heeft ondergaan. In het licht van het voorgaande kunnen ook de aard en het karakter van de training een rol spelen. Het karakter van de training en de gegeven instructies kunnen inzichtelijk maken welk doel betrokkene voor ogen heeft.

Strafbaarheid kan met andere woorden niet worden aangenomen als het opzet ontbreekt met betrekking tot het doel van de training. Dit opzetvereiste moet evenwel worden onderscheiden van een terroristisch oogmerk als omschreven in artikel 83a Sr. Dat oogmerk vormt geen bestanddeel van de in artikel 134a Sr voorgestelde strafbaarstelling. Bij degene die meewerkt aan het geven van een terroristische training kunnen immers andere dan terroristische motieven een rol spelen. Zo kan een vlieginstructeur louter uit financieel gewin iemand trainen die voornemens is een terroristische aanslag te plegen. De desbetreffende vlieginstructeur maakt zich niettemin schuldig aan het voorgestelde strafbare feit wanneer hij, terwijl hij training geeft, weet dat degene die hij instrueert de vaardigheden wil verwerven voor het plegen van een terroristisch misdrijf. Voor degene die de terroristische training volgt, geldt doorgaans evenmin dat het volgen van de training plaatsvindt met het oogmerk om de bevolking ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid wederrechtelijk iets te doen etc. (vgl. artikel 83a Sr). Dat oogmerk komt pas in beeld indien daadwerkelijk wordt overgegaan tot het plegen van daden die tot de door het terroristisch oogmerk beoogde effecten kunnen leiden’ (p. 6).

‘Naar aanleiding van een vraag van deze leden over het ontbreken van opzet als bestanddeel in het voorgestelde artikel 134a Sr wil ik graag verduidelijken dat strafbaarheid op grond van artikel 134a Sr slechts kan worden aangenomen indien sprake is van opzettelijk handelen, ook ten aanzien van het criminele doel van de training. In het materiële strafrecht geldt de algemene regel dat het opzetvereiste zich uitstrekt tot alle bestanddelen die volgen na het woord opzettelijk. De gekozen formulering impliceert derhalve dat voor strafbaarheid is vereist dat betrokkene meewerkt aan een terroristische training, terwijl hij weet dat degene die hij kennis of vaardigheden bijbrengt de bedoeling heeft deze kennis en vaardigheden te verwerven voor het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter bevordering of vergemakkelijking daarvan. Evenzo impliceert de voorgestelde formulering dat voor strafbaarheid van degene die aan een terroristische training deelneemt, is vereist dat diens bedoeling is de kennis of vaardigheden te verwerven voor het plegen van een terroristisch misdrijf. De gekozen formulering sluit voorts aan bij verwante bepalingen, zoals de artikelen 46 en 48 Sr. Bij deze stand van zaken zie ik geen aanleiding voor het in de delictsomschrijving opnemen van een dubbel opzetvereiste’ (p. 7).

‘Uit mijn hierboven gegeven antwoord op de door deze leden gestelde vraag naar de subjectieve bestanddelen van de voorgestelde delictsomschrijving volgt dat voor een veroordeling is vereist dat de rechter bewezen acht dat betrokkene willens en wetens kennis of vaardigheden verwierf voor het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan. Centraal staat aldus de bedoeling tot het verwerven van kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf, (nog) niet de bedoeling tot het plegen van een terroristisch misdrijf’ (p. 8).

28. En in de brief van 20 januari 2009 die de minister na de eerste termijn van de mondelinge behandeling aan de Tweede Kamer stuurt, schrijft hij: 22

‘Waar het om gaat, is dat degene die de opleiding verzorgt, wetenschap heeft omtrent de doelstellingen van de cursisten. Hij moet ervan op de hoogte zijn dat een of meer van zijn leerlingen de kennis en vaardigheden wil inzetten voor het plegen van terroristische aanslagen. Juist die wetenschap en het desondanks voortzetten van de opleiding maken de trainer strafbaar. In vergelijkbare zin is er reden om strafrechtelijke aansprakelijkheid aan te nemen voor degene die de training volgt; hem kan een zeer kwalijk oogmerk worden verweten, alsook het verrichten van activiteiten om zich te bekwamen teneinde dit oogmerk daadwerkelijk te verwezenlijken. Het voorbeeld, door de heer De Wit gegeven, van iemand die een aangeleerde taal wil gebruiken om in te zetten bij de voorbereiding van een terroristisch misdrijf zal niet gemakkelijk leiden tot strafbaarheid op grond van artikel 134a Sr: het moet gaan om «kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf». Het enkel volgen van een taalopleiding, ook al blijkt anderszins van mogelijke terroristische sympathieën, zal niet snel te kwalificeren zijn als «deelneming aan een terroristische training». Dit kan bijvoorbeeld anders liggen wanneer, ter uitvoering van een groter plan, specifieke, technische begrippen in een onbekende taal worden getraind. Te denken valt bijvoorbeeld aan het verwerven van kennis over termen die de luchtverkeersleiding hanteert, ter voorbereiding van een op een bepaalde luchthaven uit te voeren terroristische kaping’ (p. 4).

‘De heer Teeven wilde vernemen of voor strafbaarheid is vereist dat reeds op het moment van de trainingsactiviteiten het terroristisch oogmerk bij betrokkene bestaat. In antwoord daarop kan ik aangeven dat op het moment waarop iemand een training volgt tot het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan, het terroristisch oogmerk van de cursist nog niet volledig uitgekristalliseerd behoeft te zijn ten aanzien van elk element van het terroristisch oogmerk, als omschreven in artikel 83a Sr. In dit verband kan een vergelijking worden gemaakt met artikel 46 Sr, de strafbare voorbereiding. Ook daar geldt dat voor strafbaarheid slechts de contouren van het voor te bereiden misdrijf zichtbaar moeten zijn’ (p. 5)

29. Deze passages lezen in de eis dat het opzet op het ‘tot’ het plegen van het misdrijf verschaft zijn van de inlichtingen (etc.) betrekking dient te hebben een zekere doelgerichtheid. Het opzet dient volgens de memorie van toelichting ‘gericht’ te zijn op het inzetten van verworven kennis of vaardigheden voor een omschreven misdrijf. De nota naar aanleiding van het verslag spreekt over ‘criminele intentie’ en over het ‘doel’ dat de betrokkene voor ogen heeft. Ook bij de instructeur speelt dat doel een rol: hij is strafbaar als hij weet dat de persoon die hij vaardigheden bijbrengt de bedoeling heeft deze vaardigheden te verwerven met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf.

30. Bij de instructeur lijkt nadien voor een wat ruimere interpretatie van de opzeteis te zijn gekozen. Dat kan worden afgeleid uit een antwoord dat de minister na de voortzetting van de mondelinge behandeling op 20 januari 2009 geeft op een vraag die hem door het Kamerlid Teeven wordt gesteld:23

‘De heer Teeven (VVD): Ik dank de minister voor zijn brief van dit weekend waarin hij dit nog eens uiteen heeft gezet. Zou de trainer van wie sprake is in het voorbeeld, in zijn optiek ook een vorm van voorwaardelijke opzet kunnen hebben? Dat wil zeggen dat hij het niet weet, maar dat hij zich schuldig maakt aan een variant van voorwaardelijke opzet door deze training te organiseren en geen navraag te doen naar de doelstellingen bij degenen aan wie hij de training geeft, kortom dat hij zijn onderzoeksplicht niet voltooit. Is dat naar het oordeel van de minister in dit verband ook mogelijk?

Minister Hirsch Ballin: Het antwoord op die vraag is in principe ja, maar zoals bekend, zijn de vereisten in de jurisprudentie voor de voorwaardelijke opzet stevig. Met inachtneming van de jurisprudentiële condities voor de toepassing van de bepaling over voorwaardelijke opzet is het antwoord ja.’24

31. In de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer schrijft de minister vervolgens:25

‘De leden van de fractie van het CDA stelden een vraag over de delictsomschrijving van het in kamerstuk 31 386, A opgenomen artikel 134a Sr. Deze leden vroegen of de voorgestelde strafbaarstelling – anders dan door mij in de nota naar aanleiding van het verslag werd aangegeven – niet toch een dubbel opzetvereiste omvat, te weten dat zowel de opzet op de delictsomschrijving zelf als de opzet die besloten ligt in het begrip «terroristisch misdrijf» moet worden aangetoond. In dit verband vroegen deze leden om een nadere toelichting op de voorgestelde delictsomschrijving. Zij vroegen tevens om daarbij het vraagstuk van voorwaardelijk opzet te betrekken.

Graag geef ik gevolg aan dit verzoek. De voorgestelde strafbepaling vereist dat wordt bewezen dat het opzet van de dader is gericht op het verwerven of bijbrengen van kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan. Het bestanddeel opzet strekt zich uit tot het criminele doel van de training. Voor strafbaarheid is met andere woorden vereist dat de dader kennis heeft willen opdoen om een terroristisch misdrijf te plegen dan wel kennis heeft willen verschaffen terwijl hij wist of moest weten dat het opdoen van deze kennis bedoeld was om een terroristisch misdrijf te plegen. Waar het om gaat is dat de gedraging (het verwerven of bijbrengen van kennis of vaardigheden) wordt verricht met een bepaald doel (het plegen van een terroristisch misdrijf). In de delictsomschrijving wordt de verbondenheid tussen gedraging en doel tot uitdrukking gebracht door de termen «tot» en «daartoe».

In de door deze leden geciteerde passage uit de nota naar aanleiding van het verslag wordt de voor strafbaarheid vereiste wetenschap omtrent het criminele doel van de training tot uitdrukking gebracht. Niet bedoeld en niet vereist is dat met betrekking tot de misdrijven waartoe de training strekt steeds ook het terroristisch oogmerk (artikel 83a Sr) bewezen dient te worden. Wel zullen er aanknopingspunten moeten bestaan die wijzen op het voornemen om op enig moment een misdrijf van deze aard te plegen. Het gaat daarbij om de contouren van het misdrijf. Specifieke details, zoals tijd en plaats, behoeven nog niet bekend te zijn. Doorgaans bestaat die kennis ook (nog) niet bij degene die zich traint in het plegen van een aanslag. In de schriftelijke gedachtewisseling met de Tweede Kamer heb ik op dit punt de vergelijking gemaakt met artikel 46 Sr. Ook daar geldt dat voor strafbaarheid slechts de contouren van het voor te bereiden misdrijf zichtbaar moeten zijn.

Met betrekking tot het vraagstuk van voorwaardelijk opzet merk ik het volgende op. Naar verwachting zal voorwaardelijk opzet alleen betekenis hebben ten aanzien van degene die een ander vaardigheden bijbrengt. In dat geval is voorstelbaar dat betrokkene bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die vaardigheden zullen worden ingezet voor het plegen van een terroristisch misdrijf. Bij degene die deelneemt aan een terroristische training is voorwaardelijk opzet omtrent het criminele doel van de training minder goed voorstelbaar. Het is immers niet goed voorstelbaar dat degene die opzettelijk kennis of vaardigheden verwerft tot het plegen van een terroristisch misdrijf zelf niet in de wetenschap verkeert dat hij beoogt die vaardigheden in te zetten voor het plegen van een terroristisch misdrijf. In dat geval is dus sprake van opzet.

Deze leden schetsten een voorbeeld waarin sprake is van iemand die zich via internet informatie verschaft over het vervaardigen van bermbommen, terwijl tevens kan worden aangetoond dat betrokkene een radicaliseringsproces doormaakt. Ik ben het met deze leden eens dat deze omstandigheden in de regel onvoldoende zullen zijn voor een veroordeling op grond van de voorgestelde strafbaarstelling. Voor strafbaarheid is immers vereist dat wordt aangetoond dat het de bedoeling van betrokkene is om de verworven kennis of vaardigheden in te zetten voor het plegen van een terroristisch misdrijf.’

32. Het is evenwel de vraag hoe ver deze verruiming gaat.26 Van der Woude schrijft (met weglating van een voetnoot): 27

‘Om te bewijzen dat er sprake is van een strafbare trainer is het aantonen van voorwaardelijk opzet bij die trainer, het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat de vaardigheden die aangeleerd worden ingezet kunnen worden voor het voorbereiden of plegen van een terroristisch misdrijf, voldoende. Hieruit kan afgeleid worden dat een trainer, afhankelijk van de aard van de training en de persoon van de getrainde, een zekere onderzoeksplicht heeft. Hierbij zal eveneens meewegen in hoeverre het bekend is dat de kennis en vaardigheden die tijdens de training worden aangeleerd ook gebruikt kunnen worden bij (het voorbereiden van) terroristische misdrijven. Voor het bewijs van een strafbaar getrainde moet er sprake zijn van een zwaardere gradatie van opzet – de getrainde moet de bedoeling hebben de verworven kennis en vaardigheden te gebruiken voor (het voorbereiden van) een terroristisch misdrijf. Deze ‘bedoeling’ kan worden afgeleid uit hetgeen bekend is over de persoon van de verdachte in combinatie met de aard van de training. Het hebben van een terroristisch oogmerk is niet noodzakelijk.’

33. Ook mij komt het in het licht van de wetsgeschiedenis voor dat een ‘trainer’ strafbaar kan zijn als hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een ander kennis of vaardigheden bijbrengt tot het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan. Daarnaast dient evenwel vast te staan dat de kennis of vaardigheden daadwerkelijk ‘tot’ het plegen van een dergelijk misdrijf zijn bijgebracht. Het opzettelijk een ander van het leven beroven (art. 287 Sr) kan slechts worden vastgesteld als een ander daadwerkelijk van het leven is beroofd. Het opzettelijk een goed dat aan een ander toebehoort vernielen (art. 350 Sr) kan slechts bewezen worden verklaard als dat goed daadwerkelijk vernield is. En het opzettelijk aan een ander kennis en vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan bijbrengen (art. 134a Sr) kan – meen ik - slechts worden vastgesteld als die ander daadwerkelijk die kennis en vaardigheden tot dat doel zijn bijgebracht. Dat die eis vervuld is kan, zo begrijp ik de wetsgeschiedenis mede in het licht van de verplichtingen tot strafbaarstelling, zowel worden afgeleid uit het doel van de ‘training’ als uit de bedoelingen waarmee de getrainde de kennis en vaardigheden heeft verworven. Strafbaarheid van de trainer kan in dat laatste geval intreden als is vastgesteld dat de getrainde de bedoeling had de kennis of vaardigheden bij het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan te benutten.28 Samengevat dient de trainer voorwaardelijk opzet op het doel van de training of de bedoeling van de getrainde te hebben.

34. Deze interpretatie spoort niet alleen met de redactie van de strafbaarstelling, maar ook met de parlementaire behandeling. In de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven dat strafbaarheid van de ‘trainer’ aan de orde is als hij ‘weet dat degene die hij kennis of vaardigheden bijbrengt de bedoeling heeft deze kennis en vaardigheden te verwerven voor het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter bevordering of vergemakkelijking daarvan’. In die formulering ligt een eis aan het opzet van de trainer en een eis aan het opzet van de getrainde besloten. Die eerste eis is in de loop van de parlementaire geschiedenis afgezwakt van ‘weten’ naar ‘voorwaardelijk opzet’. De parlementaire geschiedenis geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de tweede eis is vervallen of afgezwakt.

35. Ik keer terug naar het middel, dat erover klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed is omdat het hof niet uitsluit ‘dat verdachte de betreffende gedragingen heeft verricht op het moment (BFK: waarop) het tenlastegelegde en bewezenverklaarde oogmerk ontbrak of onvoldoende aanwezig was’.

36. In overeenstemming met de delictsomschrijving van art. 134a Sr is in het tweede deel van de bewezenverklaring onder 1 niet een oogmerk om een misdrijf voor te bereiden of te bevorderen tenlastegelegd en bewezenverklaard. Bewezenverklaard is, kort gezegd, dat de verdachte opzettelijk zich inlichtingen heeft verschaft (etc.) tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding, te weten het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen (etc.) te begaan met een terroristisch oogmerk en/of moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk, immers heeft verdachte (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd (A) zich het radicaal extremistische gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk eigen gemaakt. Dat brengt mee dat het middel faalt voor zover het ertoe strekt te klagen over de bewijsmotivering van een in het tweede deel van de bewezenverklaring onder 1 expliciet tenlastegelegd en bewezenverklaard oogmerk.

37. Voor zover Uw Raad het middel aldus opvat dat het klaagt dat de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte ‘opzettelijk’ zich inlichtingen heeft verschaft ‘tot’ het plegen van de in de bewezenverklaring omschreven misdrijven onvoldoende met redenen is omkleed, merk ik het volgende op. Op vergelijkbare wijze als bij de op het eerste deel van de bewezenverklaring onder 1 toegespitste klacht heeft het hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat het zich verschaffen van deze inlichtingen ten dele heeft plaatsgevonden in de periode waarin de verdachte reeds de bedoeling had om inlichtingen te verwerven tot het plegen van een terroristisch misdrijf. De klacht dat de verdachte zich het radicaal extremistisch gedachtengoed eigen heeft gemaakt in een periode waarin hij die bedoeling nog niet had, faalt in dat licht op dezelfde gronden als de klacht dat hij zich dat gedachtengoed eigen heeft gemaakt in een periode waarin hij het door art. 96, tweede lid, Sr geëiste oogmerk om de in de bewezenverklaring omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen nog niet had.

38. Ten overvloede maak ik nog enkele opmerkingen over de vraag of het zich eigen maken van radicaal islamitisch gedachtengoed als het ‘zich verschaffen van inlichtingen’ in de zin van art. 134a Sr kan worden aangemerkt.

39. Uw Raad heeft inzake de reikwijdte van art. 134a Sr eerder overwogen:29

‘2.4.1. Het Hof heeft tot uitgangspunt genomen dat art. 134a Sr ziet op gedragingen die in enig verband staan met een terroristische training. Dat uitgangspunt is juist. Dat verband komt reeds tot uitdrukking in art. 134a Sr voor zover daarin strafbaar is gesteld het zich verwerven of een ander bijbrengen van kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. Ten aanzien van de overige in art. 134a Sr strafbaar gestelde gedragingen, te weten: het zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, moet worden aangenomen dat kwalificatie onder art 134a Sr niet mogelijk is indien een voldoende verband van die gedragingen met enige vorm van training – waaronder in overeenstemming met de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis in ruime zin te verstaan: 'het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken' – voor terrorisme ontbreekt.

(…)

2.4.3. Voor zover het middel berust op de opvatting dat in art. 134a Sr uitsluitend gedragingen strafbaar zijn gesteld die voorafgaan aan de strafbare voorbereiding van de in deze bepaling bedoelde misdrijven, dan wel op de opvatting dat deze gedragingen moeten duiden op het volgen van instructies waarbij specifieke vaardigheden, methoden of technieken tot het begaan van een terroristisch misdrijf worden aangeleerd, kan het middel niet tot cassatie leiden. Die opvattingen, waarvoor geen steun is te vinden in de tekst van art. 134a Sr, noch in de wetsgeschiedenis, zijn onjuist.’

40. Het zich eigen maken van radicaal extremistisch gedachtengoed kan worden aangemerkt als het zich verschaffen van inlichtingen. Het is evenwel niet vanzelfsprekend dat deze gedraging wordt aangemerkt als het opdoen van kennis voor terrorisme. Ik attendeer in dat verband op de bewijsmotivering van het hof. Dat heeft overwogen dat het ‘zich eigen maken van radicaal extremistisch gedachtengoed’ uiteraard een beginpunt kent dat voorafgaat aan concrete voorbereidingshandelingen, maar dat dat proces van het ‘zich eigen maken’ door gaat tijdens die voorbereidingshandelingen’. Het hof rekent het zich eigen maken van dat gedachtengoed kennelijk niet tot de ‘concrete voorbereidingshandelingen’.

41. In Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3606 heeft het hof het zich eigen maken van radicaal extremistisch gedachtengoed eerder als het zich verschaffen van inlichtingen in de zin van art. 96, tweede lid, Sr en art. 134a Sr aangemerkt. De context was in die zaak evenwel een andere: het ging om een Syriëganger. Bewezenverklaard was onder meer ook dat de verdachte zich via zoekslagen op internet had laten informeren over het afreizen naar het Kalifaat. Er valt wel iets voor te zeggen dat het zich eigen maken van radicaal extremistisch gedachtengoed in die context het zich verschaffen van inlichtingen in de zin van beide strafbaarstellingen kan opleveren.30 Wie naar Syrië afreist en daar aangekomen niets blijkt te weten over het gedachtengoed van de organisatie waar hij of zij zich bij wil aansluiten, zal minder gemakkelijk in de organisatie worden opgenomen.31 In de onderhavige zaak ligt het evenwel anders. Naast het zich eigen maken van het radicaal extremistisch gedachtengoed is in het tweede deel van de bewezenverklaring onder 1 bewezenverklaard het bezoeken van websites met informatie over onthoofdingen (etc.) en het voorhanden hebben van informatie over het vervaardigen van staafbommen en bomgordels.32 Uit de bewijsvoering volgen ook geen aanwijzingen dat de verdachte de kennis van radicaal extremistisch gedachtengoed nodig had om (door een organisatie) in staat te worden gesteld tot het plegen van terroristische misdrijven. De bewijsmotivering van het hof wijst erop dat het de kennis van het betreffende gedachtengoed eerder heeft gezien als iets dat de verdachte heeft gesterkt in zijn voornemens dan dat het bij de realisatie daarvan van nut zou zijn geweest.

42. Ook bij een – slagende – klacht op dit punt had cassatie evenwel achterwege kunnen blijven. De in het tweede deel van de bewezenverklaring onder 1 sub B en C omschreven gedragingen kunnen de kwalificatie in zoverre eveneens dragen. Een vrijspraak van het in het tweede deel onder A tenlastegelegde, omdat deze gedraging niet het zich (trachten te) verschaffen van inlichtingen als bedoeld in art. 134a Sr oplevert, zou niet afdoen aan aard en ernst van het onder 1 bewezenverklaarde. Daarbij worden in cassatie geen klachten geformuleerd tegen het onder 2 en 4 bewezenverklaarde, welke feiten de verdachte ook heeft bekend.

43. Het eerste middel faalt.

44. Het tweede middel klaagt over de schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in cassatie.

45. Namens de verdachte is op 26 april 2019 cassatie ingesteld. De stukken zijn op 21 februari 2020 op de griffie van Uw Raad ontvangen. De verdachte is preventief gehecht in verband met de onderhavige strafzaak. Dat brengt mee dat de inzendingstermijn van zes maanden met afgerond vier maanden is overschreden. Ambtshalve wijs ik erop dat de verdachte ten tijde van de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv in verband met deze zaak gedetineerd was en dat Uw Raad niet binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen. Ook in zoverre is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Een en ander dient te leiden tot strafvermindering.

46. Het eerste middel faalt en kan in beginsel worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.

47. Ambtshalve heb ik, afgezien van de overschrijding van de redelijke termijn, geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding geven.

48. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, tot vermindering van die duur naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II 2003-2004, 28 463, nr. 10 p. 12.

2 Wet van 24 juni 2004, Stb. 290.

3 HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416, NJ 2018/72 m.nt. Kooijmans. Zie ook HR 11 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:906, NJ 2019/441 m.nt. Kooijmans en van diezelfde datum ECLI:NL:HR:2019:907, NJ 2019/440 m.nt. Kooijmans.

4 Het gaat hier om een feitelijk oordeel over de chronologie van het zich eigen maken en de verdere voorbereiding. Dat feitelijk oordeel kan ook anders uitvallen, zo illustreert het door de raadsman genoemde vonnis van de Rechtbank Den Haag van 22 juli 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:8464).

5 Vgl. HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7770.

6 Stb. 2009, 245. Voluit: Wet van 12 juni 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met de strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme, uitbreiding van de mogelijkheden tot ontzetting uit het beroep als bijkomende straf en enkele andere wijzigingen. Inwerkingtreding op 1 april 2010, Stb. 2010, 139.

7 Kamerstukken II 2004/05, 29 754, nr. 5, p. 13.

8 Handelingen II 9 februari 2005, p. 48-3041 t/m p. 48-3079.

9 Handelingen II 9 februari 2005, p. 48-3108; Handelingen II 10 februari 2005, p. 49-3188.

10 Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 5.

11 Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 5.

12 Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme van 16 mei 2005 (Trb. 2006, 34).

13 Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 5, 6.

14 Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 6-7.

15 Kaderbesluit 2008/919/JBZ van de Raad van 28 november 2008 tot wijziging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ inzake terrorismebestrijding, PbEU L 330/21 van 9 december 2008.

16 Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad, PbEU L 88/6 van 31 maart 2017.

17 Zie daarover de noot van Keijzer onder NJ 2020/241.

18 Vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, 7e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 256-257.

19 Zie ook de conclusie van A-G Hofstee, randnummer 40, voor HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:449.

20 Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 9.

21 Kamerstukken II 2008-2009, 31 386, nr. 8, p. 4-8.

22 Kamerstukken II 2008-2009, 31 386, nr. 12, p. 4.

23 Handelingen II 20 januari 2009, p. 43-3795.

24 P.A.M. Verrest, ‘Terrorisme: een analyse van het Belgische en Nederlandse materieel strafrecht’, Preadvies Nederlands-Vlaamse Vereniging voor Strafrecht 2017, p. 157, leest de erkenning van de mogelijkheid van voorwaardelijk opzet reeds in de verwijzing naar art. 46 Sr in Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 8, p. 7.

25 Kamerstukken I 2008/09, 31 422 (R1853) en 31 386, B, p. 2-3.

26 Vgl. ook Fokkens, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 134a, aant. 3 (actueel t/m 20 september 2017), die de onduidelijkheid rond deze opzeteis eerder signaleerde.

27 M.A.H. van der Woude, ‘Strafrechtelijk contraterrorisme in Nederland’, in: E. Bakker e.a. (red.), Terrorisme. Studies over terrorisme en terrorismebestrijding, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 451. Zie ook M. van Noorloos, ‘De strafrechtelijke aanpak van terrorisme en Syriëgangers’, DD 2015/56, p. 593.

28 Vgl. in dit verband ook de noot van Keijzer onder HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1011, NJ 2016/435, randnummer 5.

29 HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1011, NJ 2016/435, met conclusie van A-G Vegter en met kritische noot van Keijzer, die de ‘vaagheid’ van de in dit arrest geformuleerde kwalificatie-uitsluitingsgrond als een bezwaar ziet en zich afvraagt of de rechter daarmee ‘niet te ver doordringt in het territoir van de wetgever’. Vgl. ook HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:449, NJ 2020/241 m.nt. Keijzer.

30 Zie HR 10 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1751 (art. 81 RO) en de voorafgaande conclusie van A-G Paridaens inzake het vijfde middel (randnummer 60). In HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1011 had het hof anders geoordeeld: vgl. de conclusie van A-G Vegter onder randnummer 32 en 33. In die lijn oordeelde, bij een Syriëganger, ook Rechtbank Rotterdam 8 september 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:6396: ‘Hoe dan ook, het bestuderen van opvattingen en ideeën van IS op zich is niet strafbaar’. In Rechtbank Den Haag 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365, ov. 16.6, bleef bij een Syriëganger ‘onbesproken’ of ‘het zich eigen maken van een gedachtengoed als in de tenlastelegging genoemd kan gelden als het verwerven van kennis tot het plegen, voorbereiden of vergemakkelijken van terrorisme’.

31 Zie voor een strengere benadering J.M. ten Voorde, ‘Het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme getoetst aan criteria voor strafbaarstelling van de voorfase’, DD 2012/9, p. 111, die ‘de aard van de gelegenheid, middelen of inlichtingen of kennis en vaardigheden’ de doorslag wil laten geven, en ‘het geven of doen van een taalcursus (…) slechts bij hoge uitzondering’ onder het bereik van de strafbepaling wil laten vallen.

32 In het eerste deel van de bewezenverklaring onder 1 komen daar nog bij E. het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen en munitie en F. het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid zwaar vuurwerk.