Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:128

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-02-2021
Datum publicatie
08-03-2021
Zaaknummer
20/03344
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:887, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Jeugdrecht. Machtiging uithuisplaatsing. Verzoek art. 810a lid 2 Rv. HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632. Prognose.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03344

Zitting 12 februari 2021

CONCLUSIE

R.H. de Bock

In de zaak

1. [de moeder]

2. [de vader]

(hierna: ‘de moeder en vader’ en tezamen ‘de ouders’)

advocaat: mr. T. van Malssen

tegen

Stichting Jeugdbescherming Gelderland

niet verschenen

Deze zaak gaat over de uithuisplaatsing van een kind. Mocht het hof het verzoek van de ouders om contra-expertise (art. 810a lid 2 Rv) afwijzen?

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 3.1 tot en met 3.6 van de tussenbeschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 27 augustus 2019.1

1.2

De moeder en de vader zijn de ouders van [het kind] , geboren op [geboortedatum] 2018, te [geboorteplaats] . De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [het kind] .

1.3

Bij beschikking van 23 augustus 2018 heeft de kinderrechter de dan nog ongeboren [het kind] voorlopig onder toezicht gesteld en bij beschikking van 6 september 2018 heeft de kinderrechter [het kind] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar tot 6 september 2019.

1.4

Bij beschikking van 9 oktober 20182 heeft de kinderrechter op verzoek van een gecertificeerde instelling, de Stichting Jeugdbescherming Gelderland (gerekestreerde in cassatie, hierna: de GI), de GI gemachtigd [het kind] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de termijn van vier weken en iedere verdere beslissing ten aanzien van het verzoek tot uithuisplaatsing aangehouden.

1.5

Bij beschikking van 16 oktober 20183 heeft de kinderrechter machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] verleend tot uiterlijk 16 april 2019 en de beslissing voor de resterende duur van de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing aangehouden. Overwogen is onder meer het volgende:

“Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [het kind] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). De plaatsing van de moeder, en [het kind] in het moeder-kindhuis heeft niet geleid tot veiligheid van [het kind] . De ouders doen hun best om te laten zien dat zij goed voor [het kind] kunnen zorgen. Dit brengt echter stress met zich mee, waardoor het niet lukt om de veiligheid van [het kind] te waarborgen. [het kind] wordt blootgesteld aan conflicten tussen de ouders. Er vinden regelmatig woordenwisselingen plaats waarbij sprake is van stemverheffing en uitschelden. De ouders kampen beide met persoonlijke problematiek. De moeder heeft aangegeven dat er bij haar sprake is van een eetstoornis, ADHD, concentratieproblemen en borderline in ontwikkeling. Bij de vader is sprake van beperkte intelligentie en hij heeft zelf aangegeven dat er bij hem sprake is van PDD-NOS. Daarnaast wordt de vader verdacht van strafbare feiten en zijn er vermoedens van huiselijk geweld. Er is momenteel teveel onrust in het leven van de ouders en dus ook in het leven van [het kind] . De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat het strafproces nog loopt. Ondanks dat de vader verdachte is en geen dader, acht de kinderrechter het van belang dat de veiligheid van [het kind] voorop wordt gesteld. [het kind] is een baby van nog geen twee maanden. Hij heeft veel zorg nodig. De ouders zijn op dit moment niet in staat om deze zorg te verlenen. Een plaatsing in een ouderkind-huis dan wel ander moeder-kindhuis zal dat niet anders maken. (…)”

1.6

Bij uitspraak van 1 april 20194 heeft de kinderrechter machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling tot 6 september 2019.

1.7

De moeder heeft van 30 augustus 2018 tot 9 oktober 2018 in een moeder-kind huis van [A] in [plaats] verbleven.

1.8

[het kind] is op 9 oktober 2018 met een spoedplaatsing uit huis geplaatst in een pleeggezin en is op 20 oktober 2018 in een crisispleeggezin geplaatst waar hij sedertdien verblijft.

1.9

De ouders hebben hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 1 april 2019. In het verzoekschrift is primair verzocht het verzoek van de GI met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing af wijzen dan wel in duur te bekorten. Subsidiair is verzocht een nader onderzoek op grond van art. 810a Rv te gelasten. Dat onderzoek moet volgens de ouders gericht zijn op de volgende vragen:

- Hoe kan de ontwikkeling en het functioneren van de minderjarige worden beschreven? Indien blijkt dat er sprake is van een verstoorde ontwikkeling op een of meerdere ontwikkelingsgebieden, wat kan hiervan de oorzaak zijn?

- Hoe is de persoonlijkheid en het functioneren van ouders te beschrijven:

o Op basis van klinische impressies

o Op basis van psychologisch testonderzoek

- Wat zijn de (contra)indicaties voor een thuisplaatsing van de minderjarige?

- Welke hulpverlening is er aangewezen? En in welke vorm, waar dient deze op gericht te zijn en hoe zullen de betrokkenen zich hiertegenover opstellen c.q. van profiteren?

Volgens de ouders hebben zij en de minderjarige onvoldoende kans en tijd gehad om de opvoedsituatie te verbeteren en hebben zij hierbij tevens onvoldoende hulp gehad, in die zin dat zowel de ouders alsmede de minderjarige zijn onderzocht om na te gaan over welke opvoedvaardigheden de ouders beschikken en of zij met hun opvoedvaardigheden kunnen aansluiten bij de opvoedbehoefte van de minderjarige. Nu niet vaststaat over welke opvoedvaardigheden de ouders beschikken en ook niet vaststaat welke opvoedbehoefte de minderjarige heeft, kan niet worden gesteld dat de ouders niet aansluiten bij de opvoedvraag van [het kind] en hem niet de noodzakelijke veiligheid kunnen bieden. Een NIFP-onderzoek kan zicht geven op de bovenstaande vragen en duidelijkheid geven of een thuisplaatsing van de minderjarige tot de mogelijkheden behoort en zo ja, welke hulpverlening daarbij noodzakelijk is, aldus de ouders.5

1.10

De GI heeft verweer gevoerd en het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen. Met betrekking tot het verzoek om een 810a-onderzoek heeft de GI zich op het standpunt gesteld dat een dergelijk onderzoek geen toegevoegde waarde heeft en niet mede tot de beslissing van de zaak zal leiden. Een onderzoek naar [het kind] is volstrekt overbodig omdat daar het probleem niet ligt. Het probleem is dat de ouders als gevolg van hun persoonlijke en relationele problematiek niet in staat zijn [het kind] een stabiele en veilige opvoedomgeving te bieden. Zij zijn gepreoccupeerd met hun eigen problematiek en weigeren bovendien dat te erkennen. Dientengevolge accepteren zij geen hulp. Een onderzoek door een deskundige zal hieraan niets veranderen.6

1.11

Bij tussenbeschikking van 27 augustus 2019 heeft het hof overwogen dat het zich op grond van de beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht acht over de opvoedingsmoeilijkheden van de ouders om een verantwoorde beslissing te kunnen geven. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende zicht gekregen op de vraag of beide ouders gezamenlijk al dan niet in staat zijn om [het kind] in een veilige opvoedingsomgeving de basale zorg te bieden die hij nodig heeft. Het hof acht het van belang dat de ouders zich met [het kind] voor een onderzoek naar de opvoedvaardigheden laten observeren tijdens een opname in het familiegezinshuis in [plaats] , zodat beoordeeld kan worden of sprake is van voldoende opvoedingsvaardigheden bij de ouders. De GI is verzocht te bewerkstelligen dat de ouders daar worden opgenomen en over het verloop daarvan te rapporteren.

1.12

In een advies van 23 juni 2020 heeft de GI gerapporteerd over de stand van zaken. Vermeld is onder meer dat er na de tussenbeschikking van het hof twee keer een intake is geweest in de gezinskliniek in [plaats] , in november 2019 en in februari 2020. De kliniek heeft aangegeven dat zij de ouders niet zullen opnemen, zij kunnen de veiligheid van de andere gezinnen niet garanderen. Voor een verdere toelichting is verwezen naar het eindverslag van GGZ Drenthe (gezinspsychiatrie). In het bedoelde verslag van 16 april 20207 is onder meer het volgende vermeld:

“Na de eerste intake is er herhaaldelijk telefonisch contact geweest over het aanleveren van de Justitiële stukken door ouders. (…)

Door het vertraagde aanleveren van de documentatie door ouders liep het inplannen van een vervolgintake vertraging op. (…)
Nadat ouders de documentatie hadden aangeleverd, kon de vervolgintake worden ingepland. (…)
Op 18 februari 2020 heeft de 2e intake plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek wordt onder andere duidelijk dat de toestemming die vader gegeven heeft om het verslag van [betrokkene 1] op te vragen, onuitvoerbaar blijkt, omdat vader dit dossier enkele jaren daarvoor zelf heeft laten vernietigen.

Er vindt ook in deze vervolgintake geen verheldering plaats over het verschil in documenten of meer inzicht in de achtergrond van de eerdere zedenzaken; er blijkt nog een lopende zaak te zijn.
(…) Wij constateren hierbij dat er sprake is van een nog lopende zaak en dat er aanvullende informatie over de zedenzaken bij is gekomen, waarmee onze zorgen verder zijn toegenomen en waarbij ouders op geen enkele manier onze zorgen over deze zedenzaken kunnen verminderen, omdat er steeds andere of nieuwe feiten bij lijken te komen. Er is sprake van onvoldoende samenwerking op dit punt tussen ons en ouders, terwijl wij op dat moment al meerdere malen hebben uitgelegd dat samenwerking op dit punt, bijvoorbeeld in de vorm van het aanleveren van documentatie en toelichten van feiten voor ons een voorwaarde is om het traject verder in te kunnen gaan. Hiermee concluderen wij, dat er een contra-indicatie bestaat voor een hereniging binnen onze kliniek. Omdat een hereniging binnen de kliniek een aanmeldreden was vanuit de aanmelder. (…) (…)
Conclusie:
Hierbij hebben wij een gebrek aan samenwerking vanuit ouders ervaren, waardoor het traject eerst vertraging opliep, maar nog belangrijker: ouders zijn niet in staat gebleken om de zorgen over de veiligheid richting anderen te verkleinen. Ouders ontkennen het merendeel van de delicten en/of zijn wisselend in de informatie die zij hierover hebben gedeeld.
Een lopende zedenzaak is een contra-indicatie voor opname op een afdeling waar kwetsbare gezinnen met kleine kinderen zijn opgenomen en waarbij wij ook verantwoordelijk zijn voor de borging van veiligheid van hen.
Dat daarnaast nog een zedenzaak beschreven staat die niet verklaard kan worden of toegelicht maakt nog duidelijker dat een opname binnen onze klinieken niet tot de mogelijkheden behoort. (…)”

1.13

Bij beschikking van 21 juli 20208 heeft het hof geoordeeld dat het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] van 16 april 2019 tot 6 september 2019 noodzakelijk was. Overwogen is onder meer het volgende:

“2.4 In de periode van 16 april 2019 tot 6 september 2019 waren er zorgen over onveilig gedrag van de moeder, de mogelijke betrokkenheid van de moeder bij een zedenzaak van de vader, snel wisselende emoties en een inconsistente benadering van [het kind] door de moeder. Bij de moeder zou sprake zijn van ADHD, borderline persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling, een eetstoornis en concentratieproblemen. Hoewel de moeder dit ontkent, waren er sterke aanwijzingen van huiselijk geweld van de vader naar de moeder. Zo zijn er in juni 2019 door buren meerdere meldingen gedaan bij de politie van huiselijk geweld. Tegen de vader zijn meerdere aangiftes gedaan van zedenzaken. Er zou bij hem sprake zijn van een lichte vorm van een autismespectrumstoornis. In de periode van de uithuisplaatsing waren er zoveel contra-indicaties over de veiligheid van [het kind] bij de ouders thuis dat een uithuisplaatsing noodzakelijk was. De ouders zijn er niet in geslaagd de hiervoor genoemde zorgen weg te nemen.

2.5

De ouders zijn op 23 augustus 2019 aangemeld voor een intake bij het gezinshuis in [plaats] . De bij de intake betrokkenen van het gezinshuis in [plaats] zijn na twee intakegesprekken tot de conclusie gekomen dat het gebrek aan samenwerking dat zij met de ouders hebben ervaren een contra-indicatie voor opname in [plaats] is. Vanuit het gezinshuis is aan de ouders meerdere keren uitgelegd dat samenwerking, bijvoorbeeld door het aanleveren van documentatie en het toelichten van feiten, een voorwaarde is om het traject te kunnen vervolgen. De ouders waren heel gemotiveerd voor dit traject, maar zijn toch onvoldoende bereid geweest openheid van zaken te geven. Zo gaf de vader tijdens het eerste intakegesprek zijn toestemming om gegevens over een incident in verband met kinderpornobezit op Groot Emaus op te vragen. Dit bleek bij navraag niet mogelijk omdat de vader dit dossier enkele jaren daarvoor heeft laten vernietigen. Tegen deze achtergrond vindt het hof de stelling van de ouders dat zij voldoende hebben samengewerkt met het gezinshuis in [plaats] niet aannemelijk.”

1.14

Namens de ouders is – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 21 juli 2020, waarbij een voorbehoud is gemaakt voor het aanvullen van het cassatieberoep na ontvangst van het proces-verbaal van de zitting bij het hof. Op 4 november 2020 is namens de ouders een aanvullend tot verzoekschrift ingediend. De GI heeft in cassatie geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

De cassatieklachten zijn gericht tegen rov. 2.7 van de beschikking van het hof, waarin het hof het verzoek om een contra-expertise op de voet van art. 810a lid 2 Rv afwijst met de volgende motivering:

“Het hof wijst het verzoek van de ouders tot een nader onderzoek op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering af, nu dat niet mede tot een beslissing van de zaak kan leiden. Ook voor een onafhankelijk onderzoek, bijvoorbeeld door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie, is medewerking van de ouders nodig. Het hof vindt het gezien de hiervoor geschetste gang van zaken rondom de intake in het gezinshuis te [plaats] niet realistisch om te verwachten dat de ouders aan een dergelijk onderzoek hun volledige medewerking zullen geven.”

2.2

Volgens de rechtsklacht van het eerste middelonderdeel heeft het hof zich met deze overweging schuldig gemaakt aan een verboden prognose van de uitkomst van zo’n onderzoek, in het bijzonder met betrekking tot de vraag of te verwachten is dat de ouders medewerking aan het onderzoek zouden verlenen. Dat is in strijd met de maatstaf die het hof volgens vaste rechtspraak (onder meer HR 12 april 2019, NJ 2019/185) moet aanleggen bij een verzoek op de voet van art. 810a lid 2 Rv. Voor zover het hof het oog heeft op een andere afwijzingsgrond, is zijn oordeel bij gebreke van enige motivering onbegrijpelijk. Het slagen van de klachten leidt ertoe dat ook de oordelen van het hof over de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing niet in stand kunnen blijven, aldus het middel.

2.3

De motiveringsklacht van het eerste middelonderdeel voegt daaraan toe dat de overweging van het hof in rov. 2.7 onbegrijpelijk is, nu het hof in het geheel niet is ingegaan op de volgende stellingen van de ouders:

(i) Uit het eindadvies van het Gezinshuis [plaats] (productie bij de brief van de Gl van 11 mei 2020), waarop het hof zijn oordeel mede baseert (rov. 1.3), blijkt dat de ouders wel degelijk een aantal van de gevraagde justitiële stukken hebben aangeleverd, doch dat dit vanuit het gezinshuis [plaats] (gelet op de aard van het gezinshuis) niet voldoende werd geacht;9

(ii) Uit datzelfde eindadvies blijkt voorts dat niet het gebrek aan samenwerking als zodanig, maar het feit dat onduidelijkheid bleef bestaan over de betrokkenheid van de ouders bij zedenzaken een contra-indicatie was voor opname in [plaats] .10 Deze onduidelijkheid over de zedenzaak/zaken – en niet het gebrek aan samenwerking – was de reden dat de opdracht werd teruggegeven aan de aanmelder;

(iii) Het hof acht in rov. 2.5 van belang dat sprake was van een “contra-indicatie voor opname in [plaats] ”, en dus dat deze opname geen doorgang heeft gevonden. Het betrof blijkens het eindadvies van het Gezinshuis [plaats] een contra-indicatie specifiek “voor opname op een afdeling waar kwetsbare gezinnen met kleine kinderen zijn opgenomen en waarbij wij ook verantwoordelijk zijn voor de borging van veiligheid van hen”.11 Dit zegt derhalve niets over de norm voor samenwerking in het kader van een onderzoek door een deskundige als bedoeld in artikel 810a Rv.

2.4

In het aanvullend verzoekschrift tot cassatie wordt aan deze motiveringsklacht nog toegevoegd dat het oordeel van het hof eens te meer onbegrijpelijk is in het licht van de volgende gemotiveerde en niet (als zodanig) door de Gl weersproken stellingen van en namens de ouders tijdens de mondelinge behandeling d.d. 25 juni 2020:

(iv) de stelling van de advocaat van de ouders dat de ouders heel gemotiveerd waren voor deze gezinsopname. De ouders betwisten dat zij niet hebben meegewerkt. Het klopt dat er al lang een rechtszaak tegen de vader loopt. Wat ik weet, zo vervolgt de advocaat, “is dat de ouders documentatie over die strafzaak wel hebben toegestuurd. De ouders hebben aangeboden om de strafrechtadvocaat de verzochte informatie over de strafzaak te laten geven, maar dat wilde men bij het gezinshuis in [plaats] niet. In [plaats] vond men dat de ouders zelf openheid van zaken moesten geven. Maar dat was geen onwil van de ouders. Zij weten sommige zaken gewoon niet”;12

(v) de stelling van de advocaat van de ouders dat “de ouders (...) ook open[staan] voor video-hometraining. Er is nog steeds geen onderzoek naar de opvoedingsvaardigheden van de ouders gedaan”;13

(vi) het verzoek van de advocaat van de ouders aan het hof om “op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering alsnog een onderzoek te gelasten. Bijvoorbeeld door het NIFP”;14

(vii) de stelling van de vader aan het slot van de mondelinge behandeling: “Op elke mail met mijn vragen heb ik als antwoord van de Gl gekregen: [het kind] komt niet meer terug naar huis. Wij willen wel samenwerken. Daarom zitten we hier.”15

Geen van deze stellingen heeft het hof op enigerlei wijze (kenbaar) in zijn oordeel betrokken, aldus de klacht.

2.5

Ik bespreek de klachten gezamenlijk.

2.6

In zijn beschikking van 12 april 2019 overwoog de Hoge Raad onder meer het volgende:16

“3.3.3 Met het recht op contra-expertise van art. 810a lid 2 Rv is beoogd te bevorderen dat ouders van een minderjarige een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, rov. 3.3.2). Deze ratio geldt ook als het gaat om een standpunt van een gecertificeerde instelling.

Art. 810a lid 2 Rv spreekt weliswaar van “zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen”, maar aangenomen moet worden dat daaronder ook vallen zaken als de onderhavige, waarin het gaat om de uithuisplaatsing van minderjarigen. In dit verband is van belang dat het wettelijk stelsel inhoudt dat een uithuisplaatsing slechts mogelijk is in het kader van een ondertoezichtstelling (art. 1:265b lid 1 BW). De hiervoor genoemde ratio van art. 810a lid 2 Rv speelt bij uithuisplaatsingen een nog grotere rol dan bij de enkele ondertoezichtstelling, omdat een uithuisplaatsing als maatregel van kinderbescherming dieper ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven dan de enkele ondertoezichtstelling.”

2.7

In aansluiting hierop herhaalt de Hoge Raad in rov. 3.3.4 – onder verwijzing naar rov. 3.3.3 van zijn eerdere beschikking van 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469 m.nt. S.F.M. Wortmann – de maatstaf die geldt bij de toepassing van art. 810a lid 2 Rv:

“Een voldoende concreet en terzake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.”

2.8

Geconstateerd kan worden dat de hier door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf niet is toegepast in rov. 2.7 van de bestreden beschikking. Het hof overweegt immers niets over het al dan niet gesteld zijn van feiten en omstandigheden die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, noch over mogelijke strijdigheid van toewijzing van het verzoek met het belang van het kind. Dat betekent dat de beschikking van het hof geen stand houdt in cassatie.

2.9

Hieraan is nog het volgende toe te voegen.

2.10

Het verzoek van de ouders om een contra-expertise richtte zich onder meer op een onderzoek naar hun opvoedingsvaardigheden. Omdat het hof zich onvoldoende geïnformeerd achtte over de opvoedingsmogelijkheden van de ouders, heeft het in de tussenbeschikking van 27 augustus 2019 de GI verzocht te bewerkstelligen dat de ouders worden opgenomen in het familiegezinshuis te [plaats] . Uit het eindrapport van de GGZ Drenthe van 16 april 2020, als geciteerd onder 1.12, komt naar voren dat deze opname geen doorgang heeft kunnen vinden omdat er geen duidelijkheid is verkregen over de zedenzaken waarbij de vader (en de moeder?) betrokken is (zijn) geweest. In het rapport wordt in dit verband gesproken over een ‘gebrek aan medewerking’ van de ouders. Uit het rapport kan echter niet worden afgeleid dat in algemene zin sprake is van het ontbreken van de wil tot medewerking van de ouders. Er ís documentatie verstrekt en er ís informatie gegeven, maar er is kennelijk ook onduidelijkheid blijven bestaan. Uit het rapport heb ik echter niet kunnen afleiden dat die onduidelijkheid is veroorzaakt door onwil van de ouders om openheid te geven. Dat de informatie niet zodanig is geweest dat de zorgen bij de GGZ Drenthe over plaatsing in het familiegezinshuis hiermee zijn weggenomen, is op zichzelf te begrijpen, maar daaruit hoeft niet noodzakelijk te volgen dat dat te wijten is aan een gebrek aan medewerking van de ouders. Dat dit niet het geval is geweest, is door de ouders betoogd met de hiervoor onder (i) – (iv) genoemde stellingen. Het hof heeft niet gerespondeerd op deze stellingen.

2.11

Het voorgaande betekent dat voor zover het oordeel van het hof zo moet worden begrepen, dat contra-expertise onmogelijk is omdat het niet realistisch is te verwachten dat de ouders aan een dergelijk onderzoek hun volledige medewerking zullen geven, dit oordeel niet kan worden gedragen door het eindrapport van GGZ Drenthe. In zoverre slagen ook de motiveringsklachten.

2.12

Ik merk nog op dat ik niet weet of er andere mogelijkheden zijn om de opvoedvaardigheden van de ouders te onderzoeken, als plaatsing in een gezinstehuis niet mogelijk is. Van de zijde van de ouders is aangevoerd dat die er zijn; van de zijde van de GI is dit betwist.17 Het hof heeft hierover echter niets overwogen, zodat thans niet kan worden vastgesteld dat er geen andere mogelijkheden zijn om een contra-expertise naar de opvoedvaardigheden van de ouders uit te voeren.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 augustus 2019, zaaknr. 200.262.822.

2 Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 9 oktober 2018, C/05/343815/ZJ RK 18-938.

3 Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 16 oktober 2018, C/05/343815/ZJ RK 18-938.

4 Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 1 april 2019, C/05/343815/ZJ RK 18-938.

5 Beroepschrift ouders onder punt 24-25.

6 Verweerschrift GI onder punt 12.

7 Als productie gevoegd bij het advies van 23 juni 2020, zie tabblad 17.

8 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5693.

9 Verwezen wordt naar p. 4 van het eindadvies van GGZ Drenthe.

10 Verwezen wordt naar p. 3, 4 en 5 van het eindadvies van GGZ Drenthe.

11 Verwezen wordt naar p. 5 van het eindadvies van GGZ Drenthe.

12 Verwezen wordt naar het proces-verbaal van 25 juni 2020, p. 1 en 2.

13 Verwezen wordt naar het proces-verbaal van 25 juni 2020, p. 2.

14 Verwezen wordt naar het proces-verbaal van 25 juni 2020, p. 2.

15 Verwezen wordt naar het proces-verbaal van 25 juni 2020, p. 2.

16 HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575, NJ 2019/185, rov. 3.3.3.

17 Zie het proces-verbaal van de zitting van 25 juni 2020, p. 2: “De instanties die ik heb benaderd geven aan dat er afwijkende afspraken kunnen worden gemaakt. Dus ik zie die mogelijkheden wel. Maar de GI werkt daar niet aan mee.”