Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:1251

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-11-2021
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
20/00373
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:4
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. OM-cassatie. Hof heeft ontnemingsvordering afgewezen op de grond dat onvoldoende concrete aanwijzingen aanwezig zijn dat voordeel afkomstig is uit concreet gronddelict gerelateerd aan illegale hennepteelt. Gebondenheid ontnemingsrechter aan oordeel strafrechter. Heeft hof zich in ontnemingsprocedure ten onrechte niet gebonden geacht aan ’s hofs oordeel in strafzaak dat het bij betrokkene aangetroffen contante geldbedrag van ongeveer € 100.000 afkomstig is uit eerdere door hem begane soortgelijke misdrijven? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:1077 en HR:2021:1501 m.b.t. het gebruik van een eenvoudige kasopstelling bij toepassing van art. 36e.2 (oud) Sr en HR:2020:1523 m.b.t. de rol van de onschuldpresumptie bij de vaststelling van ‘voldoende aanwijzingen’ a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr. Anders dan de steller van het middel meent, heeft hof i.c. tot uitgangspunt genomen dat in de strafzaak is geoordeeld dat “de aangetroffen contante gelden ter hoogte van ongeveer € 100.000,- (...) uit eigen misdrijf afkomstig zijn nu het aannemelijk is dat betrokkene al gedurende langere tijd actief is in het criminele circuit dat zich bezighoudt met de illegale hennepteelt”. Maar omdat hof betrokkene in de strafzaak heeft vrijgesproken van de verkoop van hennepstekken en/of hennepplanten en het telen van hennep, heeft hof in de ontnemingszaak niettemin geoordeeld dat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn voor een concreet aan illegale hennepteelt gerelateerd (grond)delict waaruit dat geldbedrag als voordeel afkomstig is. Opvatting dat het oordeel in de strafzaak dat het bewezenverklaarde voorhanden hebben van een geldbedrag van ongeveer € 100.000 niet kan worden gekwalificeerd als witwassen omdat dat geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig is, z.m. met zich brengt dat vaststaat dat dit geldbedrag (geheel) is verkregen d.m.v. of uit de baten van feiten a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr, vindt geen steun in het recht. Het is immers aan ontnemingsrechter om vast te stellen of dergelijke feiten buiten redelijke twijfel kunnen worden vastgesteld. ’s Hofs oordeel dat ook anderszins niet voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene feiten in de zin van art. 36e.2 (oud) Sr heeft begaan door middel waarvan of uit de baten waarvan w.v.v. is verkregen, berust op een aan hof voorbehouden waardering van de feiten en is toereikend gemotiveerd.

Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00373 P

Zitting 16 november 2021

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[betrokkene]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de betrokkene.

  1. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 23 januari 2020 de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag afgewezen.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld door het openbaar ministerie. Namens het openbaar ministerie is één middel van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte is door mr. S.P.H. Brinkman een ‘schriftuur houdende tegenspraak OM’ ingediend.

  3. Het middel bevat de klacht dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door zich niet gebonden te achten aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak dat het bij de betrokkene aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit eerdere door de betrokkene zelf begane soortgelijke misdrijven. In ieder geval zou 's Hofs oordeel dat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn dat de betrokkene soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, niet zonder meer begrijpelijk en/of ontoereikend zijn gemotiveerd.

  4. In de strafzaak heeft het hof op 21 november 2016 ten laste van de betrokkene bewezenverklaard - kort gezegd - dat hij 1. op 22 maart 2011 opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2535 gram hennep; 2. in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2011 meermalen een (groot) aantal hennepstekken en/of hennepplanten heeft afgeleverd of verstrekt of vervoerd; 3. in die periode heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in art. 11, vijfde lid, Opiumwet en 4. in die periode een geldbedrag van ongeveer € 100.000 heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag (on)middellijk (mede) afkomstig was uit enig misdrijf. Inzake het tenlastegelegde witwassen is de betrokkene ontslagen van alle rechtsvervolging, nu dit geldbedrag afkomstig was uit eigen misdrijf zonder dat de gedragingen van betrokkene ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen. Het tegen dit arrest door betrokkene ingestelde cassatieberoep is door Uw Raad verworpen.1

5. Het hof heeft in het in de strafzaak gewezen arrest met betrekking tot het bewezenverklaarde ‘witwassen’ het volgende overwogen:

‘Op grond van het onderzoek ter terechtzitting moet er naar het oordeel van het hof van worden uitgegaan dat het contante geldbedrag van in totaal ongeveer 100.000,- euro, dat op 22 maart 2011 in de woning van de verdachte is aangetroffen en waarvan het grootste deel zich bevond in een ruimte in de ombouw van het (voormalige) waterbed van de verdachte, afkomstig is uit (een) door hemzelf begaan misdrijf(ven). Het hof neemt hierbij in de eerste plaats in aanmerking dat de verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 oktober 2016, op 2 februari 2011 onherroepelijk is veroordeeld ter zake van (onder meer) overtreding van de Opiumwet (hennepteelt), gepleegd in de periode van 1 oktober 2008 tot 13 januari 2009, dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep in de onderhavige strafzaak heeft erkend dat hij op 22 maart 2011 een emmer met circa 2.500 gram hennep voorhanden heeft gehad, dat hij in de periode vóór zijn aanhouding hennepstekken heeft gekocht en dat het hof heeft vastgesteld dat in die periode meerdere leveringen van hennepstekken op het woonadres van de verdachte hebben plaatsgevonden. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte al gedurende langere tijd actief is in het criminele circuit dat zich bezighoudt met de illegale hennepteelt. Het hof acht algemeen bekend dat in dat circuit veel geld wordt verdiend.

Bij zijn oordeel dat het in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag van ongeveer 100.000,- euro uit eigen misdrijf afkomstig is, neemt het hof voorts in aanmerking dat door de verdachte niet is verklaard dat dat geldbedrag afkomstig was uit andermans misdrijf en dat het hof voor die alternatieve herkomst bij het onderzoek ter terechtzitting ook anderszins geen aanwijzingen zijn gebleken.’

6. Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

Beoordeling van de ontnemingsvordering


Toepasselijk recht


De ontnemingsvordering moet worden beoordeeld aan de hand van het destijds geldende artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dat luidde - voor zover hier van belang - als volgt.


“1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.


2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.


3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.”


Grondslag van de ontnemingsvordering


Strafrechtelijk financieel onderzoek


In het dossier is het voordeel gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en is het voordeel geschat aan de hand van de zogenaamde eenvoudige kasopstelling. De rechtbank heeft deze kasopstelling eveneens tot uitgangspunt genomen maar deze gebaseerd op artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.


De rechtbank heeft de ontnemingsbeslissing gegrond op het derde lid van voormeld wetsartikel en heeft geoordeeld dat aan de voorwaarden voor toepasselijkheid ervan is voldaan.


Zowel door de advocaat-generaal als de verdediging is verweer gevoerd tegen het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van artikel 36e lid 3 (oud) Sr nu uit het dossier niet naar voren is gekomen dat er een strafrechtelijk financieel onderzoek naar de vermogenspositie van betrokkene heeft plaatsgevonden.


Het hof volgt, met de verdediging en de advocaat-generaal, de rechtbank niet in haar oordeel nu niet is gebleken dat in deze zaak een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld zoals artikel 36e lid 3 (oud) Sr vereist. Het gevolg hiervan is dat een eventuele ontnemingsbeslissing niet op dat artikellid kan worden gebaseerd maar enkel op de andere leden van genoemd wetsartikel.


Standpunten van partijen


De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene op grond van artikel 36e, tweede lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht op € 299.130,49 vast te stellen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van onderdeel A, de aangetroffen contante geldbedragen ad € 103.557,80, voldoende aannemelijk is geworden dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel betreft uit de bewezenverklaarde feiten.

Ten aanzien van onderdeel B, de contante betalingen en contante stortingen op de bankrekening, heeft de advocaat-generaal zich primair op het standpunt gesteld dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten, namelijk aan hennep(stekken)handel gerelateerde feiten, gedurende de periode waarvoor hij niet is veroordeeld, waaraan hij verdiensten had, alsmede dat hij met deze verdiensten de contante betalingen heeft kunnen doen waarvan hij daarnaast heeft kunnen leven.


Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat ten aanzien van onderdeel B het voldoende aannemelijk is dat de contante betalingen in de bewezenverklaarde periode van 1 januari 2010 tot en met maart 2011 zijn gedaan met geld dat afkomstig is uit de bewezenverklaarde feiten, te weten de hennephandel en de deelname aan de criminele organisatie waardoor, in combinatie met onderdeel A, het voordeel van betrokkene op grond van artikel 36e, tweede lid (oud) van het Wetboek van Strafrecht op een bedrag van € 137.557,80 dient te worden gesteld.


De raadsvrouw van de veroordeelde heeft primair bepleit de vordering af te wijzen. Zij heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat betrokkene soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, zoals bedoeld in artikel 36e, tweede lid, (oud) Sr, heeft begaan. Subsidiair heeft de raadsvrouw diverse verweren gevoerd betreffende de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat -kort gezegd-, indien naar het oordeel van het hof wel voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie heeft gepleegd, het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op een bedrag ad € 116.019,62.


Onderdeel A, aangetroffen contante geldbedragen ad € 103.557,80


Allereerst staat het hof voor de vraag of betrokkene de aangetroffen contante geldbedrag als voordeel heeft behaald uit de bewezen verklaarde feiten. Dat is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.


Ten aanzien van wederrechtelijk verkregen voordeel uit witwassen zal dit voordeel zijn verkregen door middel van of uit de baten van het gronddelict dat aan het witwassen is voorafgegaan, waardoor dit gronddelict vastgesteld dient te worden. Betrokkene is in de onderliggende strafzaak ontslagen van alle rechtsvervolging voor het witwassen van de aangetroffen contante gelden ter hoogte van ongeveer € 100.000,-. Het hof heeft hierbij geoordeeld dat de contante gelden uit eigen misdrijf afkomstig zijn nu het aannemelijk is dat betrokkene al gedurende langere tijd actief is in het criminele circuit dat zich bezighoudt met de illegale hennepteelt. Bij eenzelfde arrest is betrokkene expliciet vrijgesproken van de verkoop van hennepstekken en/of hennepplanten en het telen van hennep in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2011, waardoor het hof onvoldoende concrete aanwijzingen aanwezig acht dat het voordeel afkomstig is uit een concreet gronddelict gerelateerd aan de illegale hennepteelt. Tevens acht het hof onvoldoende concrete aanwijzingen in het dossier voorhanden om aan te nemen dat deze contante gelden afkomstig zijn als een beloning voor de deelname van betrokkene aan de criminele organisatie.


Methode van eenvoudige kasopstelling, Onderdeel A + Onderdeel B, contante betalingen en contante stortingen op de bankrekening


Het hof staat vervolgens voor de vraag of er concrete aanwijzingen zijn dat de aangetroffen contante geldbedragen en de, door middel van een eenvoudige kasopstelling vastgestelde, contante betalingen en contante stortingen op de bankrekening van betrokkene in de periode van 1 januari 2002 tot en met 22 maart 2011 als voordeel kunnen worden aangemerkt uit soortgelijke feiten begaan door betrokkene.


De methode van de eenvoudige kasopstelling kan worden gehanteerd bij toepassing van het tweede lid van art. 36e (oud) Sr. In dat geval dient het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag wel in voldoende mate te (kunnen) worden gerelateerd aan soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.


De advocaat-generaal heeft gewezen op enkele belastende omstandigheden maar naar het oordeel van het hof bieden deze omstandigheden onvoldoende basis voor de gevolgtrekking dat er concrete aanwijzingen zijn voor soortgelijke feiten als bedoeld in artikel 36e Sr. Evenmin bevat het dossier voldoende aanknopingspunten voor de gevolgtrekking dat de veroordeelde een strafbaar feit heeft begaan waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn dat de veroordeelde in de periode voorafgaand aan 1 januari 2010 soortgelijke feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 (oud) Sr heeft begaan.


Onderdeel B, contante betalingen en contante stortingen op de bankrekening


Het hof staat als laatste voor de vraag of de contante betalingen in de bewezenverklaarde periode zijn gedaan met geld dat afkomstig is uit de bewezenverklaarde feiten, namelijk het afleveren of verstrekken of vervoeren van hennep en de deelname aan de criminele organisatie. Naar het oordeel van het hof is dit onvoldoende aannemelijk geworden. Anders dan de advocaat-generaal heeft betoogd, kan zijn onverklaarde vermogen onvoldoende worden gerelateerd aan de handel in hennep(stekken), nu betrokkene is vrijgesproken van de verkoop van hennepstekken en/of hennepplanten en onvoldoende is gebleken dat betrokkene dit onverklaarde vermogen heeft verkregen uit zijn deelname aan de criminele organisatie.


Nu het hof de vordering reeds op bovengenoemde gronden zal afwijzen, behoeven de overige door de raadsvrouw gevoerde verweren geen bespreking.’

7. De steller van het middel stelt voorop dat de klacht zich niet richt tegen ’s hofs oordeel dat geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de vier feiten die het hof in het arrest van 21 november 2016 in de strafzaak ten laste van de betrokkene bewezen heeft verklaard. Waar het de steller van het middel om gaat is dat het hof de vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling heeft afgewezen. Daarbij zou het cassatieberoep zich slechts richten tegen ’s hofs oordeel ten aanzien van het ‘bij veroordeelde aangetroffen geldbedrag van ongeveer € 100.000’. De steller van het middel verstaat ’s hofs overweging aldus dat daarin als ’s hofs oordeel tot uitdrukking is gebracht dat niet aannemelijk is geworden dat dit contante geldbedrag voordeel representeert uit soortgelijke feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid (oud), Sr, door de betrokkene begaan in de bewezenverklaarde periode. ’s Hofs overwegingen in het arrest in de hoofdzaak zouden niet anders kunnen worden verstaan dan dat het hof van oordeel was dat dit bij de betrokkene aangetroffen geldbedrag afkomstig was uit de opbrengsten van eerder door de betrokkene begane misdrijven, meer specifiek uit de illegale hennepteelt. Aan dat oordeel zou de rechter in de ontnemingszaak gebonden zijn.

8. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. De procedure ter behandeling van en beslissing op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vormt volgens Uw Raad een procedure die moet worden beschouwd in samenhang met de vervolging in de hoofdzaak.2 Uw Raad heeft inzake de binding van de ontnemingsrechter aan beslissingen in de strafzaak in 1999 overwogen ‘dat de rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel moet oordelen is gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak. Dit laat evenwel onverlet dat aan de rechter oordelend op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel een zelfstandig oordeel toekomt met betrekking tot alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat.’3 Deze rechtsregels en variaties daarop zijn ook in latere arresten terug te vinden.4 In een arrest uit 2006 wordt onder verwijzing naar het arrest uit 1999 overwogen dat de rechter in de ontnemingszaak heeft ‘na te gaan of sprake is van een verweer dat rechtstreeks betrekking heeft op de ontnemingsvordering’.5

9. Tot het ‘oordeel van de rechter in de hoofdzaak’ waar de rechter in de ontnemingszaak aan gebonden is, behoren in de eerste plaats de bewezenverklaring en de beslissing dat feit en dader (deswege) strafbaar zijn.6 Daarbij gaat het om beslissingen van de rechter in de strafzaak die in het vonnis dienen te worden neergelegd en gemotiveerd (vgl. art. 358, tweede lid, en art. 359, tweede en derde lid, Sv). Die binding is in de ontnemingszaak (onder meer) van belang omdat voordeelsontneming slechts bij een veroordeling mogelijk is (art. 36e, eerste en derde lid, Sr); die veroordeling kan in de ontnemingszaak niet meer ter discussie worden gesteld. Ook aan een vrijspraak is de ontnemingsrechter evenwel gebonden.7 Daarnaast kunnen beslissingen die de rechter in de strafzaak wel dient te nemen doch (in beginsel) niet in het vonnis behoeft te verantwoorden, tot het ‘oordeel van de rechter in de hoofdzaak’ gerekend worden. Dat brengt mee dat een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dat in de ontnemingszaak wordt gevoerd onder omstandigheden met een verwijzing naar de geciteerde rechtsregels kan worden verworpen.8

10. Het gaat in deze gevallen om beslissingen die de wet van de rechter in de strafzaak vraagt. De betekenis van de geciteerde rechtsregels is evenwel niet tot dergelijke beslissingen beperkt. Uw Raad heeft ook van verweren inzake de betrouwbaarheid van bewijsmiddelen en de rechtmatigheid van de verkrijging daarvan aangenomen dat deze in de ontnemingsprocedure met een verwijzing naar de geciteerde rechtsregels konden worden verworpen.9 En de rechter die over een ontnemingsvordering heeft te oordelen is volgens Uw Raad ‘in algemene zin’ gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak over de vraag ‘of het gebruik van de verklaringen van de medeveroordeelden voor het bewijs verenigbaar is met artikel 6 EVRM’.10

11. Deze rechtspraak berust, als ik het goed zie, op twee rechtsgronden, die al naar voren komen in de overweging die in 1999 voor het eerst is geformuleerd. De eerste zin van die overweging benadrukt dat de rechter gebonden is aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak. Dat duidt erop dat de rechter zich in de ontnemingszaak alleen nog maar mag buigen over vragen die na de strafzaak nog open liggen. Borgers meent dat deze rechtspraak ‘vooral lijkt te moeten worden begrepen vanuit het perspectief van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen’.11 Het zou er dan om gaan ‘dat oordelen die in de strafzaak zijn geveld, niet in de kern worden aangetast door de uitspraak in de ontnemingsprocedure, en ook dat de ontnemingsprocedure (dus) niet fungeert als ‘tweede kans’ voor verweren die het in de strafzaak niet hebben gehaald’. Bij deze rechtsgrond sluit aan dat Uw Raad in het door Borgers geannoteerde arrest betekenis hechtte aan het onherroepelijk geworden zijn van de veroordeling in de hoofdzaak.

12. De tweede zin van de geciteerde overweging uit het arrest van 8 juni 1999 legt er de nadruk op dat aan de rechter die over de ontnemingsvordering oordeelt een zelfstandig oordeel toekomt ‘met betrekking tot alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat’. Deze formulering duidt erop dat het gaat om een afgrenzing van competenties. Bij deze rechtsgrond past dat Uw Raad in het arrest van 8 juni 1999 reeds heeft overwogen ‘dat verweren – ook die welke voor het eerst in de ontnemingsprocedure naar voren worden gebracht – rechtstreeks betrekking dienen te hebben op de ontnemingsvordering’. Dat wijst erop dat het niet gaat om het ondergraven van een beslissing van de rechter in de strafzaak (op een verweer) maar om het (rechtstreekse) verband met de ontnemingsvordering.

13. In een recent arrest van Uw Raad is de tweede rechtsgrond leidend.12 Het hof had in het arrest in de strafzaak in het kader van de strafmotivering overwogen dat uit het onderzoek ter terechtzitting was gebleken ‘dat het handelen van verdachte hem meer financieel nadeel dan financieel profijt uit het bewezenverklaarde feitencomplex heeft opgeleverd’. Daarom had het hof afgezien van oplegging van een geldboete. De raadsman had in de ontnemingszaak aangevoerd dat het hof gebonden was aan het oordeel van het hof in de strafzaak dat (op dat moment) geen sprake was van wederrechtelijk verkregen voordeel. Uw Raad citeerde de bekende overweging uit het arrest van 1999 en leidde daaruit af ‘dat de rechter die over de ontnemingsvordering oordeelt niet gebonden is aan een overweging van de rechter die over de hoofdzaak oordeelt die betrekking heeft op (het bedrag van) het mogelijk voor ontneming in aanmerking komende wederrechtelijk verkregen voordeel’.

14. Mij komt de tweede rechtsgrond ook het meest overtuigend voor. De scheiding tussen de strafzaak en de ontnemingszaak is, in de kern, een opsplitsing van beslissingen. De wettelijke regeling gaat er daarbij vanuit dat de ontnemingszaak na de strafzaak behandeld wordt. Bij die wettelijke systematiek past dat beslissingen die tot de strafzaak behoren in de ontnemingszaak niet meer ter discussie kunnen worden gesteld. Daarbij doet niet ter zake of de beslissing in de strafzaak inmiddels onherroepelijk is, en of bij die beslissing al dan niet verweer is gevoerd. Ook de verdedigingsrechten zijn in deze benadering gewaarborgd. Niet de overwegingen die de rechter verplicht of onverplicht na de strafzaak formuleert, maar de uit de wettelijke regeling voortvloeiende taakverdeling bepaalt de omvang van het onderzoek dat in de ontnemingszaak dient plaats te vinden.

15. De tweede rechtsgrond kan niet verklaren waarom de ontnemingsrechter gebonden is aan oordelen van de strafrechter inzake de betrouwbaarheid en de rechtmatigheid van de verkrijging van bewijsmiddelen, alsmede de verenigbaarheid van het gebruik met art. 6 EVRM. Dat zijn oordelen die ook de ontnemingsrechter dient te vellen, als de strafrechter zich daar bij het betreffende bewijsmiddel nog niet over heeft gebogen.13 Of het gesloten stelsel van rechtsmiddelen een (toereikende) rechtvaardiging biedt voor deze binding, vraag ik mij af. Van zelfstandige beslissingen waar rechtsmiddelen tegen openstaan is geen sprake. En de einduitspraak in de strafzaak wordt niet ondergraven als de rechter in de ontnemingszaak anders zou oordelen over (bijvoorbeeld) de betrouwbaarheid van een bewijsmiddel. Naar het mij voorkomt wordt de binding aan deze beslissingen het best verklaard door de bijzondere verhouding tussen strafzaak en ontnemingszaak, waarbij de laatste een vervolg is op de eerste.14 Die verhouding brengt mee dat de ontnemingsrechter niet inhoudelijk behoeft in te gaan op (een aantal) verweren die reeds in de strafzaak zijn gevoerd en verworpen.15

16. Ik keer terug naar het middel. Het hof heeft in de strafzaak geoordeeld dat het contante geldbedrag van in totaal ongeveer € 100.000 dat in de woning van de betrokkene is aangetroffen uit eigen misdrijf of misdrijven afkomstig is. Het hof heeft daarbij niet vastgesteld uit welke concrete misdrijven het geld afkomstig was. Het hof heeft in de ontnemingszaak vastgesteld dat een ontnemingsbeslissing niet op het derde lid van art. 36e Sr kan worden gebaseerd. In verband met het tweede lid van art. 36e Sr overweegt het hof eerst (onderdeel A) dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene het aangetroffen contante geldbedrag als voordeel heeft behaald uit de bewezenverklaarde feiten. Tegen die vaststelling worden in cassatie geen klachten naar voren gebracht.

17. Het hof overweegt vervolgens dat het dossier onvoldoende basis biedt voor de gevolgtrekking dat er ‘concrete aanwijzingen zijn voor soortgelijke feiten als bedoeld in art. 36e Sr’ en dat het dossier evenmin ‘voldoende aanknopingspunten (bevat) voor de gevolgtrekking dat de veroordeelde een strafbaar feit heeft begaan waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd’. De methode van de eenvoudige kasopstelling kan, zo overweegt het hof, bij toepassing van het tweede lid van art. 36e Sr (alleen) worden gehanteerd indien het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.

18. Die overweging sluit aan bij rechtspraak van Uw Raad. Uw Raad heeft overwogen dat de eenvoudige kasopstelling ook kan worden gehanteerd ‘bij toepassing van het tweede lid van art. 36e Sr, indien het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr, of, voor zover deze zijn begaan voor 1 juli 2011, soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, als bedoeld in art. 36e, tweede lid (oud), Sr’.16 In deze eis ligt besloten dat het hof niet in het midden kon laten aan welke ‘feiten’ het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gerelateerd. ’s Hof overweging komt ook overigens niet onbegrijpelijk voor.

19. Aan die begrijpelijkheid doet niet af dat, zoals de steller van het middel vermeldt, een ontslag van alle rechtsvervolging vanwege de toepasselijkheid van de kwalificatie-uitsluitingsgrond bij witwassen er op zichzelf niet aan in de weg staat dit bedrag mee te nemen in een berekening op grond van een eenvoudige kasopstelling.17 Waar het om gaat is dat het hof bij toepassing van art. 36e, tweede lid, Sr niet in het midden kan laten aan welke ‘feiten’ het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gerelateerd.18

20. Anders dan de steller van het middel meen ik dat de binding van de ontnemingsrechter aan de beslissingen in de strafzaak ’s hofs oordeel evenmin onbegrijpelijk maakt. De bewezenverklaring van witwassen is voor de ontnemingsrechter een gegeven. Dat doet er evenwel niet aan af dat aan de ontnemingsrechter een zelfstandig oordeel toekomt met betrekking tot (alle verweren die betrekking hebben op) de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. De ontnemingsrechter dient dat oordeel te vormen aan de hand van het in art. 36e Sr neergelegde beslissingskader.

21. Ik merk daarbij nog op dat dit beslissingskader verschilt van het beslissingskader dat bij witwassen van toepassing is. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.19 Uit de overwegingen in de strafzaak volgt dat geen rechtstreeks verband is gelegd met een bepaald misdrijf. De activiteiten van de betrokkene in het ‘criminele circuit dat zich bezighoudt met de illegale hennepteelt’ zijn gebruikt ter onderbouwing van de afkomst van voorwerpen uit niet nader gespecificeerde misdrijven. Bij art. 36e Sr heeft Uw Raad erop gewezen dat de in het tweede lid bedoelde ‘voldoende aanwijzingen’ door de rechter niet mogen worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan.20 Uw Raad ziet deze regel als een uitvloeisel van de onschuldpresumptie.

22. In verband met de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel is ten slotte van belang dat de onschuldpresumptie ook meebrengt dat bij de beoordeling van de ontnemingsvordering niet het voordeel mag worden betrokken dat zou zijn verkregen door gedragingen waarvan de betrokkene is vrijgesproken.21 Het hof overweegt in het bestreden arrest dat de betrokkene in de strafzaak expliciet is vrijgesproken van de verkoop van hennepstekken en/of hennepplanten en het telen van hennep in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2011. Het hof acht in dat licht ‘onvoldoende concrete aanwijzingen aanwezig (…) dat het voordeel afkomstig is uit een concreet gronddelict gerelateerd aan de illegale hennepteelt’. Voor zover de steller van het middel zich beroept op de binding van de ontnemingsrechter aan beslissingen van de strafrechter, kan daartegen worden ingebracht dat de ontnemingsrechter aan deze vrijspraak evenzeer gebonden is als aan de bewezenverklaring van en het ontslag van alle rechtsvervolging inzake witwassen. De onschuldpresumptie geeft aan deze vrijspraak daarbij een bijzondere betekenis.

23. De steller van het middel schetst als consequentie van de opvatting dat de rechter in een geval als het onderhavige ‘niet aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak gebonden zou zijn’ dat de betrokkene dan niet veroordeeld zou kunnen worden ter zake van witwassen en dat verbeurdverklaring van het ‘witgewassen’ bedrag niet tot de mogelijkheden behoort. In dat verband merk ik op dat de betrokkene is ontslagen van alle rechtsvervolging inzake witwassen omdat het hof in de strafzaak heeft geoordeeld dat de contante gelden uit eigen misdrijf of misdrijven afkomstig zijn. Ingeval witwassen ‘enkel bestaat uit het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf’ behoort een vervolging wegens ‘eenvoudig witwassen’ inmiddels tot de mogelijkheden (zie art. 420bis.1 Sr).22 Op basis van een veroordeling wegens eenvoudig witwassen is verbeurdverklaring mogelijk.

24. Al met al meen ik dat het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet in het licht van de beslissingen en motiveringen in het arrest in de strafzaak tot de vaststelling te komen dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de betrokkene soortgelijke feiten dan wel strafbare feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd heeft begaan. ’s Hofs oordeel dat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn dat de betrokkene dergelijke feiten heeft begaan, is mede in het licht van de vrijspraken in het in de strafzaak gewezen arrest voorts niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

25. Het middel faalt.

26. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:419.

2 HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5825, NJ 2008/550 m.nt. Mevis, rov. 3.3.2, waarbij Uw Raad verwijst naar HR 26 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1636, NJ 2000/56..

3 HR 8 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1501, NJ 1999/589, rov. 3.3.

4 HR 30 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2295, NJ 2001/219, rov. 4.3; HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3424, NJ 2011/100 m.nt. Borgers, rov. 3.5.1; HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7360, NJ 2012/161, rov. 2.3.1 en 2.3.3; HR 9 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1026, rov. 2.3.4; HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:789, rov. 2.3.

5 HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6199, NJ 2006/370, rov. 3.3.

6 HR 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8741.

7 Vgl. HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:31 en de conclusie van A-G Bleichrodt voor dit arrest. Vgl. nader J.H.B. Bemelmans, Totdat het tegendeel is bewezen, Deventer: Wolters Kluwer 2018, in het bijzonder p. 325-330, 438-445. Een verklaring dat de zaak is beëindigd staat er niet aan in de weg dat de daarin vermelde feiten bij de beoordeling van de ontnemingsvordering worden betrokken (HR 26 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1636, NJ 2000/56, rov. 3.6); het gaat hier overigens niet om een oordeel van de zittingsrechter.

8 HR 8 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1501, NJ 1999/589, rov. 3.3 en 3.4; HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6199, NJ 2006/370, rov. 3.3.

9 HR 30 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2295, NJ 2001/219, rov. 4.3; HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3424, NJ 2011/100 m.nt. Borgers, rov. 3.5.1 en 3.5.2; HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7360, NJ 2012/161, rov. 2.3.2.

10 HR 9 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1026, rov. 2.3.4.

11 Noot onder HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3424, NJ 2011/100, onder 7.

12 HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:789. Zie ook HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1393.

13 Vgl. ook W. de Zanger, De ontnemingsmaatregel toegepast, Den Haag: BJu 2018, p. 227.

14 Zie ook HR 26 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1636, NJ 2000/56.

15 Opmerking verdient dat het ambtelijk concept van het nieuwe Wetboek van Strafvordering in titel 4.3 van Boek 4 de mogelijkheid opent van een gevoegde behandeling, en afsplitsing mogelijk maakt (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2020/12/11/ambtelijke-versie-juli-2020-wetsvoorstel-wetboek-van-strafvordering-boek-4).

16 HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414, NJ 2017/151. Zie ook HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2345, rov. 3.3. Zie voor de latere wijziging van art. 36e, tweede lid, Sr de Wet van 31 maart 2011, Stb. 171, in werking getreden op 1 juli 2011 (Stb. 2011, 237).

17 HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1680, NJ 2018/389, rov. 2.4. In deze zaak berustte de ontnemingsmaatregel op het derde lid van art. 36e Sr.

18 Dit is anders bij een ontneming op grond van art. 36e, derde lid, Sr. Zie hiervoor HR 7 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077, NJ 2021/299 m.nt. Vellinga, rov. 2.5.1. Bij dat artikellid geldt dat ‘wanneer uit een kasopstelling blijkt dat de betrokkene in een bepaalde periode uitgaven heeft gedaan die niet uit zijn legale inkomsten kunnen worden verklaard en het in het licht daarvan aannemelijk is dat het bewezenverklaarde misdrijf “of andere strafbare feiten” hebben geleid tot wederrechtelijk voordeel’, de rechter niet gehouden is ‘te concretiseren welke “andere strafbare feiten” op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene het op basis van de kasopstelling geschatte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen’.

19 Zie nader HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:156.

20 HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523, NJ 2021/46 m.nt. Reijntjes.

21 Zie onder meer HR 6 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1484.

22 Wet van 23 augustus 2016, Stb. 313, in werking getreden op 1 januari 2017 (Stb. 2016, 378).