Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:1228

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-12-2021
Datum publicatie
24-12-2021
Zaaknummer
21/02242
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:824
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Procesrecht. Mogen in het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven en in het Procesreglement verzoekschriftprocedures in handels- en insolventiezaken gerechtshoven regels worden opgenomen over de omvang van processtukken in hoger beroep? Recht op hoor en wederhoor en recht op toegang tot de rechter voldoende gewaarborgd? Toereikende rechtsbescherming tegen beslissing rolraadsheer?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2022/162
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/02242

Zitting 24 december 2021

CONCLUSIE

R.H. de Bock

Conclusie als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv t.a.v. prejudiciële vragen in de zaak:

1. [eiser 1] en 61 anderen

eisers in eerste aanleg

2. [gevoegde partij 1] en 7 anderen

gevoegde partijen aan de zijde van eisers in eerste aanleg

(hierna afzonderlijk: [eisers] respectievelijk [gevoegde partijen] en gezamenlijk: de Advocaten)

advocaat in de prejudiciële procedure: mr. A.M. van Aerde

tegen

De Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie en Veiligheid)

(hierna: de Staat)

verweerster in eerste aanleg

advocaat in de prejudiciële procedure: mr. K. Teuben

1. Inleiding en samenvatting

1.1 In deze zaak wordt antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die zijn gesteld over de begrenzing van de omvang van processtukken in hoger beroep. De regels hierover zijn per 1 april 2021 opgenomen in het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven en in het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven. De Advocaten hebben zich verzet tegen de invoering van die regels en hebben in kort geding gevorderd dat de Staat wordt bevolen, heel kort gezegd, de regels in te trekken. De voorzieningenrechter heeft daarop prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. In de prejudiciële procedure zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Staat, de Advocaten en de Nederlandse Orde van Advocaten (de NOvA).

1.2 Mijn conclusie zal zijn dat de in de procesreglementen van de hoven opgenomen regels dat processtukken niet langer mogen zijn dan 25 pagina’s1 toelaatbaar zijn, omdat zij gebaseerd kunnen worden op de eisen van een behoorlijke rechtspleging. Die regels zijn niet in strijd met art. 6 EVRM, waarin het recht op toegang tot de rechter is verankerd, of met het beginsel van hoor en wederhoor. De procesreglementen mogen echter niet bepalen dat een processtuk dat te lang is, in zijn geheel wordt geweigerd. Weigering van de memorie van grieven (c.q. het verzoekschrift) leidt namelijk tot niet-ontvankelijkheid van het appel. Voor zo’n ingrijpende sanctie is een wettelijke grondslag vereist, maar die ontbreekt. Ook weigering van de memorie van antwoord (c.q. het verweerschrift) is niet toegestaan.

1.3 Deze conclusie is als volgt opgebouwd:

2. Feiten en procesverloop (par. 2.1-2.22)

3. Ervaringen met de maximering van de omvang van processtukken in hoger beroep (par. 3.1-3.12)

4. Inleidende opmerkingen

Inleiding (par. 4.1-4.4)

Wat is de precieze omvang van het probleem? (par. 4.5-4.6)

Processtukken of procesdossier? (par. 4.7-4.8)

Oorzaken van lange processtukken (par. 4.9-4.11)

Gebrek aan kwaliteit? (par. 4.12-4.14)

Lange processtukken zijn problematisch (par. 4.15-4.20)

Lange doorlooptijden hoven (par. 4.21-4.24)

Barrière: het moeten voldoen aan de stelplicht (par. 4.25-4.35)

Belang van feiten steeds groter (par. 4.36-4.39)

Nog een barrière: de tweeconclusieregel (par. 4.40-4.44)

Te weinig overleg met advocaten (par. 4.45-4.50)

Problemen bij de uitvoerbaarheid van de regels (par. 4.51-4.53)

Conclusies (par. 4.54-4.57)

5. Rechtersregelingen

Karakter en doel rechtersregelingen (par. 5.1-5.7)

Binding aan rechtersregelingen (par. 5.8-5.11)

Rechtersregelingen mogen niet in strijd zijn met hogere rechtsnormen (par. 5.12-5.20)
Wettelijke grondslag vereist voor een rechtersregeling? (5.21-5.30)

Wettelijke grondslag wel vereist voor sanctie van niet-ontvankelijkheid (par. 5.31-5.37)

Art. 133 Rv biedt wettelijke grondslag bij oplegging sanctie bij overschrijding termijn (par. 5.38-5.40)

Regels gegrond op de eisen van een behoorlijke rechtspleging (par. 5.39-5.48) Tussenconclusie (par. 5.41-5.50)

Grijpen de maximeringsregels in de rechten van partijen in? (par. 5.51-5.59)

Art. 19 lid 2 Rv als wettelijke grondslag voor de maximeringsregels? (par. 5.60-5.75)

De eisen van een goede procesorde als grondslag voor de maximeringsregels? (par. 5.76-5.78)

Art. 35 Rv: nadere regels bij AMvB (par. 5.79-5.83)

Conclusie tot zover (par. 5.84-5.85)

6. Het recht op hoor en wederhoor

Inleiding (par. 6.1-6.3)

Recht op rechterlijk gehoor (par. 6.4)

Recht op tegenspraak (par. 6.5)

Beginsel van gelijkheid der wapenen (par. 6.6)

Beperkingen aan het recht op hoor en wederhoor (par. 6.7-6.9)

Zijn de maximeringsregels in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor? (par. 6.10-6.13)

7. Het recht op toegang tot de rechter

Inleiding (par. 7.1-7.5)

Margin of appreciation (par. 7.6-7.7)

Drie voorwaarden voor het stellen van beperkingen aan het recht op toegang tot de rechter (par. 7.8)

Eerste voorwaarde: recht op toegang mag niet in de kern worden aangetast (par. 7.9-7.15)

Tweede voorwaarde: beperking moet legitiem doel hebben (par. 7.16-7.18)

Derde voorwaarde: proportionaliteit tussen beperking en doel (par. 7.19-7.24)

Conclusies (par. 7.25-7.26)

8. Wie is bevoegd om een rechtersregeling vast te stellen?

Inleiding (par. 8.1-8.5)

Landelijke overleggen vakinhoud (LOV’s)? (par. 8.6-8.7)

Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak? (par. 8.8-8.10)

Raad voor de rechtspraak? (par. 8.11-8.13)

Individuele gerechten? (par. 8.14-8.16)

Gerechtsbesturen? (par. 8.17-8.19)

Gerechtsvergadering? (par. 8.20-8.26)

Conclusie (par. 8.27)

9. Rechtsvergelijkende gegevens

Inleiding (par. 9.1-9.3)

Frankrijk (par. 9.4-9.6)

Italiaanse cassatieprocedure (par. 9.7-9.8)

Duitsland (par. 9.9-9.10)

Spaanse appelprocedure (par. 9.11-9.13)

Ierland (par. 9.14-9.18)

Amerikaans federaal procesrecht (par. 9.19)

Griekse bestuursrechter (par. 9.21-9.22)

Italiaanse bestuursrechter (par. 9.23)

Ierse bestuursrechter (par. 9.24)

Spaanse bestuursrechter (par. 9.25)

Hof van Justitie Europese Unie (par. 9.27-9.29)

Benelux Gerechtshof (par. 9.30)

Europees Hof voor de Rechten van de Mens (par. 9.31-9.35)

Conclusies (par. 9.36-9.37)

10. Bespreking van de prejudiciële vragen

Eerste vraag (par. 10.1-10.5)

Tweede vraag (par. 10.6-10.9)

Derde vraag (par. 10.10-10.16)

Vierde vraag (par. 10.17-10.18)

Vijfde vraag (par. 10.19-10.22)

11. Conclusie

2 Feiten en procesverloop

De volgende feiten kunnen tot uitgangspunt worden genomen, deels ontleend aan het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 11 juni 2021.2

2.1

Met ingang van 1 april 2021 zijn in het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven en in het Procesreglement verzoekschriftprocedures in handels- en insolventiezaken gerechtshoven limieten opgenomen voor het aantal bladzijden voor processtukken.3 De Landelijke Overleggen Vakinhoud Civiel en Familie van de hoven hebben de procesreglementen goedgekeurd, waarna de besturen van de gerechtshoven deze hebben geaccordeerd en vastgesteld.

2.2

Volgens de considerans van beide procesreglementen is met het ontwikkelen van de reglementen beoogd een verdere bijdrage te leveren aan het harmoniseren van de werkwijze en werkprocessen van de verschillende gerechtshoven in civiele dagvaardingszaken respectievelijk verzoekschriftprocedures in handels- en insolventiezaken, waarbij het belang van de justitiabele is vooropgesteld. In de considerans is geen specifieke toelichting gegeven ten aanzien van de versie van het reglement waarin de maximeringsregels zijn opgenomen.4

2.3

De nieuwe bepalingen over de maximumlengte van processtukken zijn in een nieuwsbericht van de Raad voor de Rechtspraak van 18 december 2020 (‘Per 1 april limiet aan lengte processtukken bij de civiele afdelingen gerechtshoven’) als volgt toegelicht:5

“De limieten worden ingevoerd om de omvang van procesdossiers beheersbaar te houden. Door steeds grotere processtukken neemt de behandeltijd per zaak toe, wat leidt tot druk op doorlooptijden. Verder hebben te lange processtukken ongewenste gevolgen voor partijen, raadsheer én advocaat. De raadsheer en advocaat van de wederpartij zijn te veel tijd kwijt met het lezen en doorgronden van een te lang processtuk. Het risico bestaat dat het gerechtshof belangrijke details over het hoofd ziet of de stukken anders uitlegt dan partijen. Het beginsel van hoor en wederhoor komt onder druk als de wederpartij het zich financieel niet kan veroorloven om haar advocaat extra tijd te laten besteden aan de reactie op een te lang processtuk. Kernachtige processtukken zijn daarom in het belang van een tijdige, zorgvuldige rechtspraak en van allen die daarbij betrokken zijn.”

2.4

De nieuwe bepalingen zijn te vinden in art. 2.11, art. 9.5.1 en Bijlage VI van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven. Vergelijkbare bepalingen zijn opgenomen in art. 1.1.1.5 en Bijlage V van het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven.

2.5

Art. 2.11 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven luidt sinds 1 april 2021 als volgt:

“Maximumomvang processtukken

De memorie van grieven en de memorie van antwoord beslaan ieder niet meer dan 25 bladzijden. Wordt bij antwoord incidenteel hoger beroep ingesteld, dan beslaan de memorie van grieven in incidenteel hoger beroep en de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep ieder niet meer dan 15 bladzijden. Andere memories, bijvoorbeeld na getuigenverhoor of deskundigenbericht, beslaan niet meer dan 15 bladzijden.

Vooral deze memories geldt een minimale lettergrootte in een courant lettertype (zoals Times New Roman, Courier of Arial) van 11 punten (voetnoten 9 punten) en een minimale regelafstand van 1, met marges boven, onder, links en rechts van ten minste 2,5 cm op A4-formaat.

Een partij kan bij H16-formulier vanwege bijvoorbeeld de juridische of feitelijke complexiteit van de zaak gemotiveerd verzoeken een memorie van een grotere omvang te mogen indienen. De rolraadsheer beslist zo spoedig mogelijk op het verzoek. Als de memorie het maximumaantal bladzijden overschrijdt zonder dat daarvoor toestemming is gegeven, wordt de memorie geweigerd en kan de partij uiterlijk binnen twee weken een memorie indienen die het maximum aantal bladzijden niet overschrijdt. Als de appeldagvaarding de grieven bevat en daarin het aantal bladzijden dat betrekking heeft op de grieven en de eis meer bedraagt dan 25 zonder dat daarvoor toestemming is gegeven, wordt de indiening van de grieven geweigerd en kan de partij uiterlijk binnen twee weken een memorie van grieven indienen die het maximumaantal bladzijden niet overschrijdt. Zie Bijlage VI.”

2.6

Art. 9.5.1 stelt aan processtukken in octrooizaken een limiet van 60 dan wel 36 bladzijden, in gelijke bewoordingen als het hiervoor geciteerde art. 2.11.

2.7

Het procesreglement kent een bijlage VI,6 waarin aanwijzingen voor de toepassing van art. 2.11 en 9.5.1 zijn opgenomen. Deze bijlage heeft de volgende inhoud:

“Bijlage VI: aanwijzingen voor de toepassing van artikel 2.11 en 9.5.1

Om het beginsel van hoor en wederhoor en het recht op toegang tot de rechter te waarborgen, zijn in deze bijlage de volgende aanwijzingen opgenomen.


1. Een verzoek een memorie van grotere omvang te mogen indienen dan in artikel 2.11 of artikel 9.5.1 is toegestaan, wordt zo spoedig mogelijk gedaan, maar uiterlijk vier dagen voor de roldatum waarop de memorie moet worden ingediend.

Het verzoek wordt gemotiveerd gedaan en vermeldt het gewenste aantal bladzijden. De wederpartij kan binnen twee dagen reageren.


2. Het hof beslist zo spoedig mogelijk.

Het verzoek kan worden toegewezen vanwege de juridische of feitelijke complexiteit van de zaak. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien:

- de bevoegdheid van de Nederlandse rechter; de toepasselijkheid en/of de inhoud van buitenlands recht of kwesties van internationaal privaatrecht (mede)aan de orde zijn; - een nadere feitelijke onderbouwing is gewenst, die niet al is opgenomen in een eerder stuk;

- zich na het wijzen van het vonnis in eerste aanleg nieuwe relevante feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;

- een partij een groot financieel belang heeft bij de zaak;

- er veel geschilpunten of posten moeten worden besproken.

De bladzijden van de memorie worden genummerd, met uitzondering van het voorblad en de eventuele inhoudsopgave, die voor het maximum niet meetellen.


3. Indien geen verzoek als bedoeld in lid 1 van deze bijlage is gedaan of indien een dergelijk verzoek geheel of gedeeltelijk is afgewezen en de toegestane maximumomvang ontoereikend blijkt te zijn, kan een partij in een bij de memorie te voegen H16-formulier verzoeken om na indiening van de memorie een aanvullende akte te mogen nemen ter nadere toelichting van een specifiek in die memorie reeds opgenomen grief, eiswijziging of verweer. Het verzoek wordt gemotiveerd gedaan en vermeldt het gewenste aantal bladzijden van de te nemen akte. De wederpartij kan binnen twee dagen reageren. Lid 2 van deze bijlage is van overeenkomstige toepassing. Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt de akte binnen twee weken na de beslissing op het verzoek ingediend.”

2.8

Art. 1.1.1.5 en Bijlage V van het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures handels-en insolventiezaken gerechtshoven bevatten een regeling die inhoudelijk gelijk is aan art. 2.11 en Bijlage VI van het procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven.

2.9

De nieuwe bepalingen komen dus neer op het volgende:

(a) De omvang van de processtukken in hoger beroep is zowel in dagvaardingszaken als in verzoekschriftprocedures in handels- en insolventiezaken in beginsel beperkt tot 25 dan wel 15 pagina’s (in octrooizaken 60 dan wel 36 pagina’s).

(b) Als een partij een processtuk indient dat meer pagina’s heeft zonder dat daarvoor toestemming is gegeven door de rolraadsheer, wordt het stuk geweigerd en krijgt die partij de gelegenheid binnen twee weken een processtuk in te dienen dat het maximum aantal pagina’s niet overschrijdt.

(c) Partijen hebben de mogelijkheid om gemotiveerd te verzoeken of zij een langer processtuk mogen indienen. Het hof beslist op dit verzoek aan de hand van de regels opgenomen in Bijlage VI respectievelijk Bijlage V van beide procesreglementen.

(d) Ook kan een partij een gemotiveerd verzoek doen om na indiening van het processtuk dat aan de paginalimiet voldoet, een aanvullende akte te mogen nemen.

2.10

Op 8 februari 2021 hebben zowel de adviescommissie burgerlijk procesrecht van de NOvA als de adviescommissie intellectuele eigendom van de NOvA negatief geadviseerd over de invoering van de maximeringsregels.7

2.11

[eisers] en [gevoegde partijen] zijn advocaten die (onder meer) procederen in hoger beroep in civiele zaken.

2.12

Op 16 april 2021 hebben [eisers] de Staat in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag. Zij hebben primair gevorderd (i) dat de Staat wordt bevolen om ervoor te zorgen dat de nieuwe bepalingen door de besturen van de gerechtshoven worden ingetrokken; (ii) dat de Staat wordt verboden uitvoering te geven aan de nieuwe bepalingen en (iii) dat de Staat wordt bevolen dat er geen processtukken door de gerechtshoven zullen worden geweigerd op grond van de nieuwe bepalingen. Subsidiair hebben [eisers] gevorderd dat de Staat wordt bevolen om de werking van de nieuwe bepalingen op te schorten, dan wel ervoor te zorgen dat de nieuwe bepalingen door de besturen van de gerechtshoven worden opgeschort, totdat in een bodemprocedure is beslist.

2.13

De Staat heeft verweer gevoerd.

2.14

Bij incidentele conclusie tot voeging van 20 mei 2021 hebben [gevoegde partijen] gevorderd zich aan de zijde van [eisers] te mogen voegen. [eisers] en de Staat hebben ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen de voeging. De voorzieningenrechter heeft [gevoegde partijen] vervolgens toegelaten als gevoegde partij.8

2.15

Op 26 mei 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.

2.16

Bij vonnis in kort geding van 11 juni 2021 heeft de voorzieningenrechter beslist dat, na overleg met partijen, zal worden overgegaan tot het stellen van prejudiciële vragen (rov. 5.1-5.3).

2.17

Verder heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de wetgever weliswaar niet heeft voorzien in een concrete bevoegdheid voor rechters om op voorhand limieten te stellen aan de omvang van een processtuk, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid dat die bevoegdheid er niet is (rov. 5.6). De bepalingen in de procesreglementen worden door de voorzieningenrechter niet in strijd geacht met art. 12 Wet Algemene bepalingen, omdat deze bepaling niet zo ver gaat dat regelingen die zijn gebaseerd op de beslissingsruimte die de wetgever aan de rechter heeft gelaten, niet mogelijk zouden zijn (rov. 5.7).

2.18

De voorzieningenrechter heeft vervolgens geoordeeld dat naar zijn voorlopig oordeel de regels tot maximering van de omvang van processtukken een wettelijke grondslag hebben in art. 19 lid 2 Rv. Zie de volgende overweging (rov. 5.8):

“Artikel 19 lid 2 Rv, waarop de Staat zich in deze procedure beroept, omschrijft een algemene regiebevoegdheid voor de rechter. Het artikel bepaalt dat de rechter ambtshalve of op verlangen van partijen alle beslissingen kan nemen die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure. Uit de tekst van dit lid volgt dat de wetgever een ruime regiebevoegdheid van de rechter voor ogen heeft; de rechter kan alle beslissingen nemen die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure. Op welke wijze invulling wordt gegeven aan deze regiefunctie, wordt aan de rechter overgelaten. Gelet op deze ruim geformuleerde bevoegdheid valt niet in te zien dat deze bepaling geen betrekking zou kunnen hebben op de toegestane omvang van processtukken. Dat de limitering van de omvang van processtukken niet onder de regiebevoegdheid van artikel 19 lid 2 Rv valt, volgt ook niet uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling. De wetgever achtte de regierol juist van belang om de voortgang van de procedure te bewaken (Kamerstukken II, 2014-2015, 34 059, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 26).”

2.19

Ook de andere argumenten die door de Advocaten zijn aangevoerd zijn vooralsnog verworpen (rov. 5.10-5.15). De vordering tot opschorting van de gewraakte regels in afwachting van de beslissing van de Hoge Raad is dan ook afgewezen. Iedere verdere beslissing is op grond van art. 392 lid 5 Rv aangehouden totdat een afschrift van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad is ontvangen (rov. 5.16).

2.20

De prejudiciële vragen die in het kortgedingvonnis zijn gesteld luiden als volgt (rov. 5.4):

“1. Heeft de rechter op grond van artikel 19 lid 2 Rv en/of enige andere wettelijke bepaling en/of de eisen van een goede procesorde en/of enige andere grondslag de bevoegdheid om in hoger beroep

(a) te beslissen dat een processtuk aan een maximum lengte is gebonden, bijvoorbeeld een maximaal aantal pagina’s of woorden, en

(b) een processtuk te weigeren wanneer dit de vooraf bepaalde maximale lengte overschrijdt en/of andere consequenties te verbinden aan een dergelijke overschrijding, zoals het bui- ten beschouwing laten van een deel van een processtuk?

2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend is, zijn de gerechtshoven dan bevoegd om in een landelijk procesreglement algemene regels op te nemen waarin op voorhand wordt bepaald dat processtukken in beginsel (met de mogelijkheid van uitzonderingen) aan een maximum lengte zijn gebonden, bijvoorbeeld een maximaal aantal pagina’s of woorden?

3. Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend is, worden het recht op hoor en wederhoor en het recht op toegang tot de rechter dan voldoende gewaarborgd wanneer dit procesreglement

(a) een partij het recht geeft om voordat het processtuk ingediend moet worden, gemotiveerd te verzoeken een processtuk in te mogen dienen dat de in het procesreglement bepaalde maximale lengte overschrijdt en haar wederpartij vervolgens de mogelijkheid geeft op dit verzoek te reageren;

b) een partij het recht geeft om, indien de toegestane maximum omvang van het processtuk ontoereikend blijkt te zijn, gemotiveerd te verzoeken een aanvullend processtuk te mogen nemen ter nadere toelichting van een in het eerdere processtuk reeds opgenomen grief, eiswijziging of verweer en haar wederpartij vervolgens de mogelijkheid geeft op dit ver- zoek te reageren;

c) een partij het recht geeft om binnen twee weken nadat een processtuk vanwege een overschrijding van de maximaal toegestane omvang geweigerd is, dit processtuk in te korten en opnieuw in te dienen?

4. Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend is, aan welke vereisten moet een bepaling in het procesreglement waarin de omvang van de processtukken in hoger beroep wordt gemaximeerd, dan ten minste voldoen met het oog op het recht op hoor en wederhoor en het recht op toegang tot de rechter?

5. Indien in een procesreglement de omvang van processtukken in hoger beroep kan worden gemaximeerd, hoe kan daarbij dan het volgende mogelijke probleem worden opgelost: volgens het procesreglement wordt de beslissing genomen door een (rol)raadsheer. De beslissing heeft mogelijk ingrijpende gevolgen voor de partij die het betreft. Wordt met de regeling in het procesreglement en de bestaande mogelijkheden van toetsing in cassatie de rechtsbescherming voldoende gewaarborgd? Zo nee, hoe kan dan worden voorzien in toereikende rechtsbescherming?”

2.21

De Hoge Raad heeft de prejudiciële vragen in behandeling genomen. Partijen hebben, na verleend uitstel, tot en met 7 september 2021 gelegenheid gekregen om schriftelijke opmerkingen in te dienen. Van deze gelegenheid is door zowel de Advocaten als de Staat gebruik gemaakt. De NOvA heeft de Hoge Raad verzocht om op grond van art. 393 lid 2 Rv schriftelijke opmerkingen te mogen indienen. De Hoge Raad heeft de NOvA hiertoe bij brief van 6 juli 2021 in de gelegenheid gesteld, waarop namens de NOvA schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door mr. M.A.J.G. Janssen en mr. C.S.G. Janssens. De Staat heeft een reactie gegeven op de schriftelijke opmerkingen van de Advocaten en van de NOvA. De Advocaten hebben gereageerd op de schriftelijke opmerkingen van de Staat.

2.22

Op 18 mei 2021 heeft minister Dekker antwoord gegeven op schriftelijke vragen van het lid Ellian (VVD) over de maximering van de omvang van processtukken:9

Vraag 1

Bent u bekend met het artikel ‘Advocaten starten kort geding om limiet aan lengte processtukken'?10

Antwoord op vraag 1

Ja

Vraag 2

Wat vindt u van de ontstane situatie waarin advocaten zich genoodzaakt zien een kort geding tegen de staat te starten over de maximumomvang van processtukken?

Antwoord op vraag 2

Ik heb over de ontstane situatie navraag gedaan bij de Raad voor Rechtspraak (hierna: de Raad) en bij de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: de NOvA). Van de Raad heb ik begrepen dat de besturen van de gerechtshoven bezorgd zijn over de toename van de omvang van de processtukken en dat behoefte bestaat aan een landelijk uniforme maatregel waarmee regie kan worden gevoerd. Dit heeft ertoe geleid dat de gerechtshoven in twee van hun landelijke procesreglementen die per 1 april 2021 in werking zijn getreden, bepalingen hebben opgenomen waarin de lengte van processtukken wordt gereguleerd. (…)

De Raad heeft mij laten weten dat de gerechtshoven met de regulering van de lengte van processtukken niet beogen om partijen te beknotten in hun mogelijkheid om het geschil, hun stellingen en verweren in een processtuk uiteen te zetten. Wel beoogd is om te voorkomen dat processtukken omvangrijker worden dan redelijkerwijs nodig is. De Raad geeft aan dat de gerechtshoven vinden dat daarmee een goede, efficiënte en kostenbewuste procesvoering met diepgang in het debat tussen advocaten en rechters wordt gediend. Omdat een advocaat altijd gemotiveerd kan verzoeken om een processtuk van grotere omvang in te dienen, is volgens hen gewaarborgd dat de toegang tot de rechter niet in geding is en dat met een redelijke uitvoering van de nieuwe bepalingen het beginsel van hoor en wederhoor wordt gewaarborgd.

Van de Raad heb ik vernomen dat 62 advocaten zich niet kunnen vinden in de nieuwe bepalingen. Volgens deze advocaten zijn de gerechtshoven niet bevoegd om de genoemde bepalingen in hun procesreglementen op te nemen. Zij hebben de besturen van de gerechtshoven gesommeerd deze bepalingen in te trekken. Volgens de Raad hebben de hoven hieraan geen gehoor gegeven. Hierop is een kort geding aanhangig gemaakt. De NOvA heeft mij laten weten dat zij niet als procespartij is betrokken, maar dat zij deze procedure namens de gehele balie steunt.

Vraag 3

Wat vindt u van het feit dat de advocatuur niet tijdig is geconsulteerd bij een ingrijpende maatregel als beperking van de lengte van processtukken?

Antwoord op vraag 3

De Rechtspraak is bevoegd om procesreglementen vast te stellen. Daarbij is gebruikelijk dat overleg plaatsvindt met de advocatuur. Dit overleg is een zaak tussen de Rechtspraak en de advocatuur. Volgens de NOvA is er in november 2020 aandacht gevraagd voor de gang van zaken en is in januari 2021 door het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel Hoven (LOVCH) gehoor gegeven aan het verzoek van de NOvA om de adviescommissies intellectuele eigendom en burgerlijk procesrecht alsnog te consulteren. De NOvA heeft haar standpunt in diverse nieuwsberichten op de website toegelicht. Van de Raad heb ik begrepen dat de gerechtshoven in het landelijk dekenberaad van 5 februari 2020 een toelichting hebben gegeven op het voornemen om de procesreglementen aan te passen. Ook begrijp ik dat met de landelijk deken en met de adviescommissies van de NOvA voor intellectuele eigendom en burgerlijk procesrecht in december 2020 en januari 2021 gesprekken hebben plaatsgevonden. De NOvA heeft mij laten weten dat volgens haar geen tijdig overleg met de advocatuur heeft plaatsgevonden over de invoering van de nieuwe regels. Wat haar betreft kan een toelichting in het genoemde dekenberaad van 5 februari 2020 niet betekenen dat daarmee de advocatuur is geconsulteerd. De dekens hebben volgens de NOvA geen bemoeienis met wijziging van procesreglementen. Ik onthoud mij van een standpunt hierover. Het vaststellen van procesreglementen is een bevoegdheid van gerechtsbesturen. Het overleg is een zaak van partijen en dit punt is onderdeel van de beoordeling door de rechter.

Vraag 4

Hoe beoordeelt u het standpunt dat een beperking aan de lengte van processtukken slechts bij wet geregeld kan worden?

Antwoord op vraag 4

Ook deze vraag ligt ter beoordeling voor bij de rechter en ik onthoud mij derhalve van commentaar.

Vraag 5

Is het mogelijk de door de gerechtshoven ingevoerde maatregel tijdelijk op te schorten? Zo ja, bent u daartoe bereid? Zo nee, wat kunt u doen om de ontstane situatie te de-escaleren?

Antwoord op vraag 5

De bevoegdheid tot het tijdelijk opschorten van de maatregel ligt bij de besturen van de gerechtshoven. Het is dan ook niet aan de mij om een dergelijke maatregel op te schorten. De Raad heeft mij laten weten dat de gerechtshoven nog steeds bereid zijn tot overleg over de uitvoering, monitoring en evaluatie van de nieuwe bepalingen. Het lijkt mij wenselijk dat de NOvA en de gerechtshoven met elkaar over de nieuwe bepalingen in gesprek blijven. Gezien de rechtstatelijke positie van rechtspraak, advocatuur en het ministerie, zie ik op dit moment geen actieve rol voor mij weggelegd in dit conflict. Zowel advocatuur als rechtspraak kunnen als geen ander de weg naar een minnelijk overleg vinden en ik vertrouw erop dat zij zich daarvoor zullen inzetten. Als dat niet lukt vanwege een fundamenteel verschil van inzicht, staat het partijen vrij om de rechter te vragen een knoop door te hakken.

Vraag 6

Bent u bereid in gesprek te gaan met de rechtspraak en de Nederlandse Orde van Advocaten over de ontstane situatie met als doel een slepende juridische procedure te voorkomen?

Antwoord op vraag 6

Zie hiervoor het antwoord bij vraag 5, laatste alinea.”

3 Ervaringen met de maximering van de omvang van processtukken in hoger beroep

3.1

Ik heb aan de hoven per e-mail een aantal vragen voorgelegd over de ervaringen die er tot nu toe zijn met de sinds 1 april 2021 ingevoerde regels. Op deze vragen (hierna cursief afgedrukt) heb ik per e-mail de volgende antwoorden gekregen van de voorzitter van het Voorzitter Landelijk Overleg Civiele Vakinhoud hoven (LOVC-hoven), [de voorzitter] .

1. Lijkt het aantal van 25 pagina’s voldoende te zijn?

3.2

Antwoord: Gelet op het aantal verzoeken om een langer processtuk te mogen indienen (zie hierna), lijkt een aantal van 25 (resp. 15) pagina’s in veruit de meeste gevallen te volstaan.

2. Wordt er vaak een beroep op de uitzonderingen gedaan (hetzij al bij voorbaat, dan wel door later nog een nadere akte te vragen)?

3.3

Antwoord: Er wordt niet vaak een beroep op de uitzonderingen gedaan. In de periode van 1 april 2021 tot 1 november 2021:

- hof Amsterdam: 30 verzoeken, waarvan 2 in rekestzaken (van in totaal 345 memories en 143 beroep-/verweerschriften);

- hof Arnhem-Leeuwarden: 25 verzoeken, waarvan 6 in rekestzaken; (van in totaal 443 memories en 222 beroep-/verweerschriften);

- hof Den Bosch: 18 verzoeken, waarvan 3 in rekestzaken (van in totaal 446 memories en onbekend aantal beroep-/verweerschriften);

- hof Den Haag: 19 verzoeken, waarvan 2 in rekestzaken (van in totaal 375 memories en 84 beroep-/verweerschriften);

3.4

Antwoord: In totaal komt dit voor alle hoven neer op 92 verzoeken in de periode april-november (waarvan 13 in rekestzaken), terwijl in die periode 1609 memories en 449 (plus p.m.) beroep- en verweerschriften zijn ingediend in zaken die vanaf 1 april 2021 voor het eerst bij een gerechtshof zijn aangebracht. Dat betekent dat in dagvaardingszaken in circa 5% van de gevallen een verzoek voor een langer processtuk is gedaan. In rekestzaken ligt het percentage lager.

3.5

Antwoord: In het aantal van 92 zijn ook zaken begrepen waarin zonder schriftelijk verzoek een langer processtuk is ingediend. Het gaat daarbij om ongeveer 10 gevallen, waarvan ongeveer de helft (ondanks het ontbreken van een verzoek om verlenging) coulance halve toch is geaccepteerd.

3. Welk deel van de verzoeken tot verlenging wordt gehonoreerd?

3.6

Antwoord: In het merendeel van de gevallen gaat het om redelijke en voldoende onderbouwde verzoeken om verlenging, die vervolgens worden toegestaan. In sommige gevallen werd verlenging toegestaan, maar niet tot het verzochte aantal pagina’s.

- Hof Amsterdam: geen afwijzingen; 5x toegestaan met lager aantal pagina’s dan verzocht;

- hof Arnhem-Leeuwarden: 4x afwijzing (3x Arnhem en 1x Leeuwarden);

- hof Den Bosch: 4x afwijzing (te lange memorie van grieven zonder verzoek om verlenging); 1x toegestaan met lager aantal pagina’s dan verzocht;

- hof Den Haag: geen afwijzingen; 1x is op eigen verzoek van een partij gelegenheid gegeven tot inkorting.

3.7

Antwoord: De regeling loopt nog te kort om duidelijke uitspraken te kunnen doen over zaaksoorten waarin wellicht relatief vaak een verzoek om verlenging wordt gedaan. Wel is duidelijk dat in veel verschillende zaaksoorten verzoeken om verlenging worden gedaan. Als in rekestzaken een verzoek om verlenging wordt gedaan, betreft het meestal een Wwz-zaak. In dagvaardingszaken familierecht is slechts een enkele keer een verzoek om verlenging gedaan (op rekestzaken familierecht is de regeling niet van toepassing).

3.8

Antwoord: In de gevallen waarin de rolraadsheer een bevel tot inkorting heeft gegeven of een lager aantal pagina’s heeft toegestaan dan verzocht, heeft dat niet tot problemen geleid. Partijen hebben in die gevallen zonder verdere klachten of nadere verzoeken (bij indiening van het processtuk) aan het bevel of aan het maximale aantal toegestane pagina’s voldaan.

4. Zijn er nog andere ervaringen die van belang kunnen zijn?

3.9

Antwoord: Met ingang van 31 augustus jl. is een mailbox geopend (met een link op Rechtspraak.nl) waarnaar algemene vragen en opmerkingen over de regeling kunnen worden gestuurd. Via de NOvA en LinkedIn is bekendheid aan deze mailbox gegeven. We hebben langs deze weg drie vragen van advocaten over de regeling ontvangen en beantwoord.

Conclusies

3.10

Uit deze antwoorden blijkt dat in 95% van de gevallen genoegen wordt genomen met het indienen van een processtuk met een maximale lengte van het voorgeschreven aantal pagina’s. Het overgrote deel van de advocaten het vindt het kennelijk niet nodig om een langer processtuk in te dienen. Kennelijk gaat er een normerende werking uit van het aantal van 25 pagina’s.

3.11

Verder is te constateren dat verzoeken om verlenging vrijwel steeds worden toegewezen. Maar dat biedt, zo zullen de advocaten naar voren brengen, geen garanties voor de toekomst.11

3.12

Ten slotte is nog op te merken dat er nog geen ervaringen zijn met de gevolgen van de kortere processtukken voor de inhoudelijke behandeling van zaken. Omdat de regels zijn ingevoerd per 1 april 2021, zijn er nog niet of nauwelijks zaken op zitting geweest waarin de processtukken maximaal 25 pagina’s besloegen. Er is dus ook nog niets te zeggen over de gevolgen voor de voorbereidingstijd, voor de behandeling ter zitting, voor de doorlooptijden of voor de rechterlijke beslissing. Die laatste vraag zal sowieso heel lastig zijn om te beantwoorden.

4 Inleidende opmerkingen

Inleiding

4.1

Dat processtukken steeds omvangrijker zijn geworden, kan wel als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd. Iedereen die langer meeloopt in de civiele rechtspraktijk zal hebben gemerkt dat in de loop der jaren dossiers steeds dikker zijn geworden, dat een of meerdere ordners met stukken normaal is en dat een procesdossier dat een of meerdere dozen beslaat, niet uitzonderlijk is.12 Dat is ook te zien in cassatie, waar met regelmaat dossiers moeten worden opgeborgen in opbergruimtes, omdat ze niet passen in de kasten die zich in de werkkamers bevinden.13

4.2

Het steeds verder uitdijen van processtukken doet zich niet alleen voor in hoger beroep en cassatie, maar ook bij de rechtbanken. Dit was aanleiding voor de rechtbank Arnhem om op 1 november 2012 een pilot te starten, waarin de omvang van dagvaarding en conclusie van antwoord was gelimiteerd tot 15 bladzijden. Als deze lengte werd overschreden, werd het stuk geweigerd. Onderdeel van de pilot was dat de rechtbank van haar kant toezegde dat zij op een termijn van zes à tien weken vonnis zou wijzen.14 Net als nu het geval is met de nieuwe bepalingen in de procesreglementen van de hoven, was er ook toen veel kritiek op deze pilot.15 Ondanks de felle kritiek was volgens De Vries de ervaring in Arnhem dat de balie zich zonder veel problemen conformeerde aan de begrenzing. Dat de pilot destijds geen vervolg heeft gekregen, was volgens hem wellicht mede het gevolg van het feit dat de rechtbank door onderbezetting haar deel van de afspraken niet meer kon nakomen.16

4.3

De pilot van de rechtbank Arnhem en de nieuwe regels in de procesreglementen van de hoven laten zien dat er onder rechters een brede consensus lijkt te zijn dat kortere processtukken dringend gewenst zijn.17 In de conclusie van antwoord van de Staat in deze procedure is te lezen dat het LOVC-H in 2019 de ervaringen van raadsheren in de hoven heeft geïnventariseerd en dat daaruit bleek dat vrijwel alle raadsheren zich zorgen maken over de toegenomen lengte van processtukken in de afgelopen jaren en dit als een knellend probleem ervaren.18

4.4

De observatie van Boonekamp dat die rechterlijke consensus vooral binnenskamers wordt geuit en dat er een zeker taboe lijkt te rusten op een publieke discussie over dit onderwerp, lijkt mij juist.19 Daarbij speelt ongetwijfeld mee dat het publiekelijk stellen van vragen bij nut en noodzaak van lange processtukken, kan rekenen op felle kritiek vanuit de advocatuur.

Wat is de precieze omvang van het probleem?

4.5

Ruim negen jaar na de pilot van de rechtbank Arnhem zijn het nu de hoven die de omvang van processtukken willen begrenzen. De aanleiding daarvoor is, zo stelt de Staat (schriftelijke opmerkingen onder 2.3), “dat rechters in de hoven al geruime tijd ervaren dat de processtukken in hoger beroep steeds langer worden en, waar het met name om gaat, dat veel processtukken nodeloos lang zijn.” Misschien is het niet toevallig dat de Staat het woord ervaren gebruikt. Harde cijfers zijn er namelijk niet, althans die zijn niet in de stukken in deze zaak naar voren gebracht en ik heb ze zelf ook niet kunnen vinden. Dat is jammer, omdat daardoor enigszins in de lucht blijft hangen of, en in welke mate, het fenomeen van ‘steeds langere processtukken in hoger beroep’ zich precies voordoet, of er verschillen zijn tussen gerechten (tussen de hoven onderling en/of tussen rechtbanken, hoven en Hoge Raad), of tussen soorten van zaken. Ook weten we niet of nog steeds sprake is van een stijgende lijn.

4.6

De enige cijfers die ik heb gevonden zijn verzameld door Vranken. In een door hem zelf uitgevoerd onderzoek naar de omvang van de processtukken in cassatie in civiele zaken (namelijk: de dagvaarding in cassatie, de conclusie van het parket en de uitspraak van de Hoge Raad) komt Vranken tot een stijging van de omvang van cassatiestukken van 30% in de periode van 1980 tot 2015.20

Processtukken of procesdossier?

4.7

Bovendien, niet onbelangrijk, weten we ook niet of de ordners en dozen niet grotendeels gevuld zijn met producties (bijlagen bij de processtukken), en of dat niet feitelijk de grootste multipliers zijn. Uit eigen ervaring (ik gebruik dit woord maar weer) weet ik dat het regelmatig voorkomt dat als bijlage bij de memorie van grieven het gehele dossier in eerste aanleg wordt toegevoegd. Of dat bepaalde bijlagen uiteindelijk wel vier keer in het dossier blijken te zitten, doordat beide partijen bij meerdere processtukken dezelfde bijlage overleggen. Dat draagt ook bepaald niet bij aan een overzichtelijk en door de rechter goed hanteerbaar dossier. Dat geldt ook voor partijen zelf trouwens; het komt wel voor dat de rechter op de zitting merkt dat een advocaat in zijn eigen dossier het spoor enigszins bijster is geraakt.

4.8

Met deze observaties is direct gezegd dat het probleem van omvangrijke en moeilijk te doorgronden dossiers breder is dan alleen de omvang van de processtukken. Het heeft in ieder geval óók te maken met de omvang van het procesdossier in zijn totaliteit, met de ordening en aanlevering van dat procesdossier en met de manier waarop bijlagen in het geding worden gebracht.

Oorzaken van lange processtukken

4.9

Net zoals onduidelijk is wat precies de omvang van het probleem van lange processtukken is, is ook onbekend hoe het komt dat processtukken in de loop der jaren steeds meer zijn uitgedijd. In de literatuur zijn verschillende oorzaken aangedragen. Zo noemt Vranken in zijn eerder genoemde onderzoek naar de gegroeide omvang van cassatiestukken – de oorzaken zien dus specifiek op de cassatieprocedure – (i) het vervallen van het mondeling pleidooi (2) deformalisering, (3) het verwijderen van de samenhang tussen cassatiemiddel en pleidooi, (4) de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn gesteld aan een cassatiemiddel, (5) papier is geduldig, (6) het toenemen van de categorie gemengde beslissingen als gevolg van de vele open normen in het recht, (7) de neiging bij hoven en rechtbanken om stellingen en verweren te beslissen op de procesrechtelijke grond ‘onvoldoende gesteld of bestreden’, (8) de omvang van de dossiers in feitelijke instanties, (9) zaken zijn moeilijker, en tenslotte (10) onzekerheid van cassatieadvocaten over de formulering van cassatieklachten. In de woorden van Vranken: er is niet één duidelijke oorzaak aan te wijzen, maar er zijn veel diverse en deels diffuse oorzaken in het spel.21

4.10

Het is aannemelijk dat een groot deel van deze oorzaken mutatis mutandis ook gelden voor de toegenomen omvang van processtukken in hoger beroep. Van Schaick noemt in zijn beschouwing over de maximeringsregeling bij de hoven, met name de punten (6), (7) en (10) uit de opsomming van Vranken. Daarnaast is volgens Van Schaick ook sprake van (11) gebrek aan kwaliteit op het vlak van het schrijven van een juridisch betoog, mede als gevolg van gebrek aan aandacht daarvoor in de beroepsopleiding voor advocaten, (12) procestactiek en (13) de wens om veel te kunnen factureren.22 Van de zijde van de Advocaten wordt in deze procedure genoemd (14) het steeds complexer worden van de samenleving, (15) juridisering, (16) constitutionalisering en (17) Europeanisering.23

4.11

In aanvulling op deze oorzaken zou ook nog kunnen worden genoemd (18) automatisering en digitalisering, waardoor met een paar muisklikken tekstblokken uit alle mogelijke bronnen kunnen worden geknipt en geplakt en vermenigvuldigd. Misschien zou deze oorzaak wel op de eerste plaats moeten worden gezet.

Gebrek aan kwaliteit?

4.12

Een vraag die ook opkomt is of het niet veel meer het gebrek aan kwaliteit van veel processtukken is dat problematisch is, dan de omvang van de stukken. In de discussie die de afgelopen maanden in de literatuur is gevoerd over de nieuwe procesregels is dit punt door vele auteurs naar voren gebracht.24 Deze analyse zou betekenen dat oplossingsrichtingen niet te vinden zijn in het maximeren van de omvang van processtukken, maar in maatregelen die tot kwaliteitsverbetering kunnen leiden. In dat kader zijn zaken genoemd als een gespecialiseerde appelbalie, net zoals er een gespecialiseerde cassatiebalie is. Ook zou er in de opleiding meer aandacht moeten zijn voor het schrijven van processtukken.25 Het zou ook kunnen dat het kwaliteitsprobleem zich voordoet bij een hele kleine groep van advocaten, en dat de aandacht vooral naar hen zou moeten uitgaan. Mogelijk kan daarbij de deken worden ingeschakeld. Verder stelt de NOvA voor dat het appelprocesrecht wordt gewijzigd (vereenvoudigd?), of dat in hoger beroep een regiezitting plaatsvindt.26 Ook oppert zij de mogelijkheid dat het limiteren van de omvang van processtukken plaatsvindt onder de werking van de Tijdelijke experimentenwet rechtspleging.27

4.13

Het lijkt inderdaad geen overbodige luxe om na te denken over kwaliteitsverbetering van processtukken in hoger beroep. Soms komt daarbij de gedachte op dat het al veel zou helpen als er duidelijkheid is over de wederzijdse verwachtingen van rechters en advocaten. Zo mag een advocaat er écht op vertrouwen dat de appelrechter de processtukken in eerste aanleg heeft gelezen, en dat ook de inhoud van het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht bekend is bij de rechter. Het is dan ook niet nodig om in extenso passages uit de processtukken in eerste aanleg letterlijk te citeren in de processtukken in hoger beroep. Het is veel beter – vanzelfsprekend zou ik zeggen, maar dat is het kennelijk niet – om de focus te leggen op de argumenten of stellingen die door de rechtbank níet zijn gevolgd, en dáár nader op in te gaan (uitvoeriger, misschien in andere bewoordingen, meer gedetailleerd of met meer context, beter onderbouwd). En het is ook wel handig om vooral aandacht te geven aan stellingen die de rechtbank onvoldoende onderbouwd heeft bevonden. Als bijvoorbeeld een schadepost is afgewezen omdat de rechtbank oordeelde dat daarvoor onvoldoende bewijs was geleverd, ligt het in de rede om in hoger beroep met méér te komen en niet enkel de stellingen en bewijsmiddelen uit de eerste aanleg opnieuw te presenteren. Sowieso is het niet nodig om dezelfde producties in hoger beroep opnieuw in het geding te brengen. Dit werkt alleen maar verwarrend, omdat de rechter zich genoodzaakt zal zien om te checken of het inderdaad steeds om dezelfde stukken gaan. Verder komt het de leesbaarheid en daarmee de kwaliteit van een processtuk ten goede als er een nummering is van alinea’s of paragrafen. En hoewel het strikt genomen niet noodzakelijk is, is het een stuk handiger als de memorie van grieven genummerde grieven bevat. Verder kan ook gedacht worden aan het verplicht opnemen van een samenvatting in het processtuk.28 Misschien is het behulpzaam als de hoven een instructie publiceren, waarin dergelijke aanbevelingen zijn opgenomen.

4.14

Ik ga dan ook een heel eind mee met de gedachte dat het uiteindelijk belangrijker is dat de kwaliteit van processtukken wordt verbeterd, dan dat kortere processtukken worden ingediend. Ook betwijfel ik of lange processtukken per definitie aan een gebrek aan kwaliteit lijden (maar op dit punt heb ik een dubbele pet, gelet op de lengte van deze conclusie). Als een stuk goed gestructureerd is en voorzien is van een duidelijke indeling en ‘kopjes’, wordt de lezer de hand gereikt en wordt het haar gemakkelijk gemaakt desgewenst delen over te slaan omdat de inhoud daarvan bekend is.

Lange processtukken zijn problematisch

4.15

Maar de omvang van de processtukken is óók een zelfstandig probleem. Dat probleem moet niet worden gebagatelliseerd. Het probleem kan ook niet worden weggeredeneerd met het argument dat niet bekend is wat precies de oorzaak is van de uitdijende omvang van processtukken.29

4.16

Een eerste probleem is dat het lezen en doorgronden van lange processtukken méér tijd kost dan het lezen en doorgronden van korte procestukken. Ook al zou het zo zijn dat er ook korte processtukken zijn die veel tijd vragen omdat ze van slechte kwaliteit zijn, dan nog is het niet te ontkennen dat lange processtukken meer leestijd vragen. Die tijd zit er niet alleen in dat het processtuk moet worden gelezen, maar ook dat ook gecontroleerd moet worden of alle stellingen die daarin zijn ingenomen, voldoende zijn betwist (door de wederpartij) en uiteindelijk in de uitspraak voldoende worden besproken (door de rechter). Voor wat betreft de rechterlijke tijd die dit vergt, is de consequentie dat die tijd niet aan andere zaken kan worden besteed. Als we er vanuit gaan dat het een deel van de zaken is waarin (extreem) lange processtukken worden ingediend, dan vergen deze zaken meer tijd van de rechter dan andere zaken.

4.17

Het is maar de vraag, en dat is een tweede probleem, of de zaken waarin zoveel leestijd moet worden gestoken, inderdaad de zaken zijn die het – uit een oogpunt van verdelende rechtvaardigheid – verdienen dat daaraan de meeste tijd wordt besteed. Er zijn geen aanwijzingen dat het vooral zaken met een groot financieel of principieel belang zijn waarin lange processtukken worden opgesteld. Veel meer lijkt het de persoonlijke stijl van de advocaat of een advocatenkantoor te zijn, die leidt tot lange processtukken.30 Daarmee is er een wezenlijk risico dat zaken die veel tijd vergen vanwege lange processtukken, niet de zaken zijn die – objectief gezien – het meeste tijd verdienen, bijvoorbeeld omdat daarmee een groot financieel of principieel belang is gemoeid, omdat de werking van de uitspraak voor de werking van het recht ‘in the shadow of the law’ van grote betekenis is of omdat de zaak vanuit een oogpunt van rechtsbescherming van groot belang is.

4.18

Een derde probleem is dat lange processtukken ook een tegengesteld effect kunnen hebben, namelijk dat de rechter minder goed geïnformeerd raakt over de zaak. Gezien het aantal zaken dat de rechter wekelijks moet voorbereiden, is het eigenlijk ondoenlijk om steeds vele honderden pagina’s ‘van kaft tot kaft’ te lezen. Als de rechter geconfronteerd wordt met een lang processtuk is er een reële kans dat zij zich zal beperken tot het diagonaal lezen van het stuk, op zoek naar de alinea’s die er echt toe doen, naar de alinea’s waarin de kern van de feiten en de juridische argumentatie te vinden is.31 Dat roept het risico op dat er ergens in die honderden pagina’s iets over het hoofd wordt gezien. In de woorden van De Vries: “Een nodeloos lang stuk leidt tot aandachtsverlies bij de rechter, met het risico van het niet naar waarde schatten van een goed argument.”32 Uiteindelijk kan dat betekenen dat juist door lange processtukken, het fundamentele recht van partijen om zich te laten horen én gehoord te worden in gevaar komt, zo schrijft Vranken.33 Ook Van Schaick wijst erop dat onnodig lange processtukken er uiteindelijk toe kunnen leiden dat de lezer stellingen over het hoofd ziet.34 Nu zou je kunnen zeggen dat een goede rechter dit nooit zal overkomen, maar net zo min als alle advocaten perfect zijn, zijn rechters dat ook niet.

4.19

Een vierde probleem is dat een lange memorie van grieven ook leidt tot een lange memorie van antwoord en een lange rechterlijke uitspraak. En, bij een eventueel cassatieberoep, vrijwel onvermijdelijk leidt tot een lange procesinleiding, een lange schriftelijke toelichting van beide partijen en een lange conclusie van de advocaat-generaal (maar daar maken wij ons ook wel schuldig aan bij beknopte stukken). Op die manier houdt iedereen elkaar in een houdgreep en ontstaat er een ‘nieuw normaal’, waarin steeds langere processtukken de norm zijn geworden. Alleen de Hoge Raad ontsnapt hieraan, doordat art. 81 lid 1 Wet RO kan worden ingezet.35

4.20

Ten slotte en ten vijfde kan het opstellen van lange processtukken ook gevolgen hebben voor de rechtzoekende. Het is niet onaannemelijk dat lange processtukken leiden tot een oplopend honorarium voor de advocaat (hoewel ook wel te horen is dat juist het moeten indienen van een kort stuk meer kosten met zich meebrengt: ‘ik had geen tijd om het kort te houden’). De bereidheid van de cliënt om veel te betalen voor de inspanningen van zijn advocaat zal groter zijn wanneer die inspanningen zichtbaar zijn in de vorm van een dik processtuk.36 Als de norm is dat processtukken lang moeten zijn, kan dat er ook toe leiden dat de cliënt het gevoel heeft dat zijn belangen niet voldoende zijn behartigd als er géén lang processtuk ligt. Een lang processtuk lijkt dan een kwaliteitswaarborg te zijn geworden.

Lange doorlooptijden hoven

4.21

Een belangrijk pijnpunt in de discussie met de advocaten is dat de hoven
bij het uitvaardigen van de regels ook een verband leggen met het verkorten van doorlooptijden (zie de toelichting bij beide procesreglementen in het persbericht, hiervoor onder 2.3). De pijn zit erin dat er natuurlijk absoluut geen garanties zijn dat die doorlooptijden daadwerkelijk verkort zullen worden. In de pilot bij de rechtbank Arnhem in 2012 was dat beter geregeld: tegenover de verplichting om korte processtukken aan te leveren, deed de rechtbank van haar kant de toezegging om binnen zes à tien weken uitspraak te doen (zie onder 4.2). Als de hoven ook zo’n toezegging zouden hebben gedaan, zou er denk ik een stuk meer draagvlak zijn geweest voor de regels.

4.22

Niet alleen wreekt zich ook op dit punt dat er geen onderzoeksgegevens zijn waarop gebaseerd zou kunnen worden dat kortere processtukken leiden tot kortere doorlooptijden. Sowieso blijft het problematisch dat ingrepen om tot verkorting van de doorlooptijden te komen in de meeste gevallen een empirische basis missen.37 Hierbij komt dat de track record van de hoven op het gebied van het verbeteren van de doorlooptijden niet heel hoopgevend is. Hoewel het probleem van de doorlooptijden al zeker tien jaar op de agenda staat, is sprake van hardnekkige werkachterstanden in de appelrechtspraak; er lijkt standaard sprake te zijn van een wachtrij die als rantsoeneringsmechanisme fungeert’.38 De aanbeveling die in 2013 was opgenomen in de Agenda voor de appelrechtspraak 2020, dat de overgrote meerderheid van de zaken in appel binnen een jaar wordt afgedaan,39 is niet waargemaakt.40 In plaats daarvan zijn de doorlooptijden alleen maar toegenomen.41 Dit valt vooral ook op, omdat in dezelfde periode tegelijkertijd sprake is van een substantiële afname van het aantal handelszaken.42

4.23

Dit roept de vraag op of het terecht is dat de hoven van advocaten vragen om een (veronderstelde) bijdrage te leveren aan het verkorten van de doorlooptijden in hoger beroep, terwijl tamelijk onduidelijk is wat de bijdrage van de hoven zélf is. Zoals ik al schreef in mijn preadvies over kwaliteit van rechterlijke beslissingen: ‘de rekening’ voor het probleem van te lange doorlooptijden in de rechtspraak lijkt hoofdzakelijk te belanden bij de rechtszoekenden en hun advocaten.43 Wat dit betreft is het jammer dat art. 30q Rv-KEI niet is ingevoerd. Daarin was bepaald dat de rechter in andere zaken dan kantonzaken binnen zes weken na de mondelinge behandeling of na het verrichten van de laatste proceshandeling uitspraak doet.44 Daarmee zou er wat meer wederkerigheid zijn geweest in het opleggen van verplichtingen voor het naleven van termijnen.

4.24

Kortom, dat advocaten niet erg warm lopen voor de gedachte dat het begrenzen van de omvang van processtukken in hoger beroep leidt tot kortere doorlooptijden, is niet moeilijk te begrijpen.

Barrière: het moeten voldoen aan stelplicht

4.25

Door de advocaten is verder naar voren gebracht dat de maximering van de omvang van processtukken in hoger beroep problematisch is, omdat er een trend is dat rechters zaken afdoen op het niet voldoen aan de stelplicht.45 Daardoor is het van cruciaal belang om uitvoerig stellingen naar voren te kunnen brengen om zo te voorkomen dat de rechter oordeelt dat ‘onvoldoende gesteld is’. Om dit argument op zijn waarde te kunnen schatten, zal ik kort ingaan op de stelplicht en het ‘afdoen op stelplicht’.

4.26

Doorgaans wordt aangenomen dat de juridische grondslag voor de stelplicht te vinden is in art. 24 Rv, in samenhang met art. 149 lid 1 Rv.46 Volgens art. 24 Rv onderzoekt en beslist de rechter de zaak op de grondslag van wat partijen aan hun vorderingen, verzoek of verweer ten grondslag hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit. Art. 149 lid 1 Rv bepaalt, kort gezegd, dat de rechter gebonden is aan de stellingen die door partijen in de procedure naar voren zijn gebracht en aan de feiten die volgens de wettelijke bepalingen zijn komen vast te staan. Ahsmann omschrijft de stelplicht algemener, namelijk als ‘de algemene verplichting tot informatieverschaffing nodig voor de beslissing van de rechter’.47 De basis voor de stelplicht legt zij daarmee in het samenstel van de bepalingen van art. 21 Rv, art. 23 Rv, art. 24 Rv, art. 111 Rv, art. 149 Rv en art. 150 Rv.

4.27

Met het ‘afdoen op stelplicht’ wordt gedoeld op uitspraken waarin de rechter overweegt dat ‘onvoldoende is gesteld’, en om die reden voorbijgaat aan een stelling die is aangevoerd ter onderbouwing van vordering of verweer.48 Geoordeeld wordt dan dat de stellingen die door een partij naar voren zijn gebracht, de vordering of het verweer niet kunnen dragen. Het afdoen op stelplicht kan dus zowel ten nadele van eiser als ten nadele van gedaagde uitpakken.

4.28

Het ‘afdoen op stelplicht’ moet worden begrepen tegen de achtergrond van het onderscheid dat van oudsher wordt gemaakt tussen de stelfase en de daarop volgende fase van bewijslevering, waarin partijen met toepassing van de regels over bewijslastverdeling de gelegenheid krijgen hun (door de wederpartij betwiste) stellingen te bewijzen.49 De stelfase is dus het voorportaal van de fase van bewijslevering. Het ‘afdoen op stelplicht’ is dan een manier om een partij niet te gemakkelijk toe te laten tot de fase van bewijslevering (waar de rechter veel werk aan heeft). Dat gebeurt pas als de drempel van ‘voldoende hebben gesteld’ is gehaald.

4.29

Op het ‘afdoen op stelplicht’ bestaat veel kritiek, omdat het de weg naar feitenonderzoek afsluit.50 Asser schreef dat “tot de meest gestrooide juridische kraaienpootjes al een tijdje de dooddoener behoort dat een partij niet heeft voldaan aan haar stelplicht.”51 Afdoening op stelplicht leidt tot een ‘premature blokkering van de waarheidsvinding’, waarvan het resultaat is dat de rechter uitspraak doet op basis van aannames in plaats van feiten. Vanuit een oogpunt van waarheidsvinding is dit een onwenselijke gang van zaken.

4.30

In het huidige procesrecht kan echter niet meer zo’n duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de stelfase en de bewijsfase.52 Een partij wordt geacht al direct haar stellingen zoveel mogelijk te onderbouwen en melding te maken van de bewijsmiddelen waarover zij beschikt (art. 111 lid 3 Rv en art. 128 lid 5 Rv). Als een partij zich beroept op een stuk, moet daarvan een afschrift bij het processtuk worden gevoegd (art. 85 lid 1 Rv). Ook moet een partij steeds de waarheids- en volledigheidsplicht van art. 21 Rv naleven. Dat maakt dat het niet steeds voldoende is om de ‘noodzakelijke juridische en feitelijke elementen’ voor een bepaald rechtsgevolg te stellen; een partij zal daaromheen de rechter ook zo volledig mogelijk moeten voorlichten, bijvoorbeeld door het schetsen van achtergrond of context van bepaalde feiten.53 Voor wat betreft het getuigenverhoor – een van de belangrijkste bewijsmiddelen in de civiele procedure – is het niet meer nodig dat de rechter eerst een bewijsopdracht verstrekt; op grond van art. 87 lid 3 Rv kunnen getuigen en partijdeskundigen direct op de mondelinge behandeling worden gehoord. Ook hiermee worden stelfase en bewijsfase in elkaar geschoven.

4.31

Bovendien biedt het onderscheid tussen stelfase en bewijsfase een conceptueel kader dat minder goed past bij een actieve rechter, die op zoek is naar de materiële waarheid en in dat kader tracht zoveel mogelijk informatie te verzamelen, los van de vraag bij welke partij de stelplicht c.q. de bewijslast ligt.54 Daarbij komt dat we in de civiele procedure vaak te maken hebben met impliciete (of oneigenlijke) bewijsbeslissingen, dat wil zeggen beslissingen over het al dan niet bewezen zijn van feitelijke stellingen van een partij op grond van een waardering van de bewijsmiddelen die partijen bij hun processtukken hebben gevoegd, zonder dat er een afzonderlijke fase van bewijslevering heeft plaatsgevonden.55 In zo’n geval geeft de rechter geen bewijsopdracht aan een partij, wordt geen deskundigenbericht ingewonnen of een partij verzocht nadere schriftelijke bewijsstukken in te dienen, maar wordt na stukkenwisseling en (eventuele) mondelinge behandeling, een eindbeslissing genomen die ook een bewijsbeslissing behelst. Stellen kruipt dan op in de richting van bewijzen, zoals Ahsmann het omschrijft.56

4.32

Van Schaick merkt terecht op dat ‘stelplicht’ in de praktijk ook ‘reageer- en motiveerplicht’ is. Het processuele debat kan van partijen vergen dat zij hun stellingen motiveren, aanvullen en nader motiveren.57 Of dat partijen hun stellingen alvast in enige mate onderbouwen met bewijsstukken of anderszins toelichten waarom hun stellingen aannemelijk zijn. Uit deze ruimere invulling van het begrip ‘stelplicht’ volgt dat ‘het niet voldoen aan de stelplicht’ méér omvat dan ‘niet genoeg stellingen innemen’. Niet voldoen aan de stelplicht kan ook betekenen dat de rechter vindt dat een partij – in het licht van het processuele debat – onvoldoende heeft gereageerd op stellingen van de wederpartij, dat de stellingen te globaal zijn, dat de stellingen onvoldoende zijn toegelicht (uitgelegd), dat een partij heeft nagelaten zijn stellingen aan te vullen als reactie op wat de wederpartij naar voren bracht, of dat de stellingen onaannemelijk zijn omdat ze in het geheel niet zijn onderbouwd of anderszins aannemelijk zijn gemaakt. Met dat laatste beoogt de rechter stellingen in een processtuk die in feite niet meer zijn dan ‘losse flodders’ terzijde te schuiven. Denk aan een eiser die miljoenen schadevergoeding vordert zonder enige onderbouwing te geven voor een schadepost, of aan een gedaagde die ‘alles’ betwist, terwijl overduidelijk is dat op zijn minst een deel van de stellingen van eiser wél feitelijk klopt. Of aan processtukken waarin systematisch álle mogelijke denkbare verweren worden opgevoerd (ik was er niet en als ik er al was heb ik geen overeenkomst gesloten, en als ik al een overeenkomst heb gesloten dan ben ik hem nagekomen, en als ik hem niet ben nagekomen dan had ik een opschortingsrecht, en als ik geen opschortingsrecht had, dan was de niet-nakoming niet toerekenbaar, en als het wel toerekenbaar is, dan heeft de wederpartij te laat geklaagd, en als al tijdig is geklaagd, dan zijn er algemene voorwaarden die schadeplichtigheid uitsluiten, etc., etc.). Als de rechter geconfronteerd wordt met zo’n rits van verweren zal zij stellingen die duidelijk pro forma naar voren zijn gebracht, verwerpen met het argument dat onvoldoende is gesteld.

4.33

Er is dus een breed scala aan situaties dat wordt gedekt door de overweging dat ‘onvoldoende is gesteld’. In maar weinig gevallen bedoelt de rechter daarmee dat meer pagina’s tekst hadden moeten worden aangeleverd. Het zal er veel meer om gaan dat een partij preciezer had moeten ingaan op de stellingen van de wederpartij, dat bepaalde stellingen in meer detail hadden moeten worden uitgewerkt, dat beter had moeten worden toegelicht wat bedoeld wordt met een bepaalde stelling, of dat een partij op zijn minst enige (schriftelijke) bewijsstukken ter onderbouwing van een bepaalde stelling in het geding had moeten brengen om deze een begin van aannemelijkheid te geven. Daarmee is ook gezegd dat ‘meer pagina’s tekst’ niet de kern raakt van de problematiek van het afdoen op stelplicht.

4.34

Dat doet er niet aan af dat er veel is aan te merken op het afdoen van zaken op stelplicht. Om te beginnen zou de rechter, vanwege de onduidelijkheid over de formulering ‘onvoldoende gesteld’, preciezer moeten formuleren wat zij in een concreet geval daarmee nu precies bedoelt. Verder zou de rechter, voordat gegrepen wordt naar deze manier van afdoen, eerst aan een partij – ter zitting – moeten voorhouden wat zij als tekortkoming beschouwt aan de stellingen van een partij en die partij in de gelegenheid moeten stellen nog een toelichting te geven. In de eerste aanleg is dit ook de gebruikelijke gang van zaken.58 En als het niet voldoen aan de stelplicht fungeert als blokkering voor de waarheidsvinding, zal de rechter zich op zijn minst de volgende controlevraag moeten stellen: wat had de steller/betwister in redelijkheid meer of anders kunnen en moeten stellen?59 Verder kan als vuistregel worden gehanteerd dat de rechter alleen dient te oordelen dat een in het geding centraal staande stelling onvoldoende onderbouwd is indien dit ‘in uitgesproken mate’ het geval is.60 Met andere woorden, als de stelling betrekking heeft op de kern van het geschil, dan moet zo min mogelijk naar deze wijze van afdoening worden gegrepen en moet de rechter gewoon uitzoeken hoe het zit.

4.35

Het komt er dus op neer dat niet eenvoudigweg kan worden betoogd dat een advocaat wel veel tekst móet aanleveren, omdat zij anders geconfronteerd wordt met de valbijl dat ‘onvoldoende is gesteld’. De zaken liggen aanzienlijk genuanceerder.

Belang van feiten steeds groter

4.36

Wat echter wel een probleem is, is – in de woorden van Asser61 – dat de feitengevoeligheid van rechterlijke beslissingen steeds groter is geworden. Daarmee wordt bedoeld dat de invulling van een rechtsnorm in een concreet geval, in toegenomen mate afhankelijk is van de feitelijke context. Gevallen die in grote lijnen op elkaar lijken, worden toch anders beoordeeld omdat de precieze feitenconstellatie nét iets anders is. Dat doet zich natuurlijk voor in alle zaken waarin een rechtsnorm moet worden ingevuld aan de hand van ‘alle feiten en omstandigheden van het geval’. Denk aan de uitleg van overeenkomsten, het aansprakelijkheidsrecht of het ontslagrecht. Maar ook een op het oog ‘rechtlijnige norm’ als verjaring, kan in bijzondere gevallen een contextuele invulling krijgen.62 Eigenlijk is er geen rechtsgebied waarvoor dit níet geldt. De consequentie is dat niet goed vooraf kan worden beoordeeld welke feiten wel en niet relevant zijn en dus aandacht behoeven in de processtukken. Hierbij komt dat er allerlei zaken zijn die een uitgebreide toelichting nodig hebben om goed te begrijpen waar het geschil nu eigenlijk over gaat. Dat varieert van de ins en outs van de witlofteelt, de werking van een IT-systeem tot de perikelen rond de afwikkeling van een faillissement. Steeds zal in de processtukken de rechter zo volledig mogelijk moeten worden voorgelegd over context en achtergrond van het geschil. Er is niets zo vervelend voor een procespartij als wanneer zij uit de rechterlijke beslissing het gevoel krijgt dat de rechter het feitencomplex niet goed in kaart heeft gebracht of de zaak feitelijk niet goed heeft begrepen.

4.37

De noodzaak van een uitgebreide uiteenzetting van de feiten wordt onderstreept door de waarheids- en volledigheidsplicht van art. 21 Rv. De waarheids- en volledigheidsplicht benadrukt het belang van waarheidsvinding in de civiele procedure. Dat is door de Hoge Raad is omschreven als ‘het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt ten dienste van een goede rechtsbedeling’.63 Duidelijk is dat de waarheids- en volledigheidsplicht een zware verantwoordelijkheid legt bij de advocaten, om in hun processtukken zo correct en volledig mogelijk alle relevante feiten naar voren te brengen.

4.38

Hierdoor is het niet alleen onontkoombaar maar ook noodzakelijk dat advocaten in hun processtukken zo precies mogelijk de feitelijke context van de zaak uiteenzetten. Een verwijt dat de feiten onnodig uitvoerig worden geschetst, lijkt mij eigenlijk zelden een terecht verwijt (tenzij het copy/paste uit eerdere processtukken is). Nu zou men kunnen denken dat het uiteenzetten van de feiten al in eerste aanleg heeft plaatsgevonden en dus in hoger beroep niet meer nodig is, maar zo werkt het in de praktijk vaak niet. De partij die bij de rechtbank heeft verloren zal toch al snel aanleiding zien – en terecht – om in hoger beroep beter uit te leggen hoe de zaak feitelijk in elkaar steekt. Dat is ook wat de appelrechter mag verwachten.

4.39

De maximeringsregels bieden echter de mogelijkheid dat toestemming wordt gevraagd om een langer processtuk in te dienen en/of een nadere akte te nemen. Daarom zie ik geen reden om aan te nemen dat vanwege nut en noodzaak om uitgebreid de feitelijke context van een zaak te schetsen, een beperking van de omvang van een processtuk tot in beginsel 25 pagina’s niet aanvaardbaar zou zijn.

Nog een barrière: de tweeconclusieregel

4.40

Een kritiekpunt op de maximeringsregels is ook dat deze zich slecht verhoudt met de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde tweeconclusieregel.64 De tweeconclusieregel, die volgens de Hoge Raad besloten ligt in art. 347 lid 1 Rv, is ingegeven door het belang van de concentratie van het processuele debat en van een spoedige afdoening van een geschil.65 De regel brengt als uitgangspunt mee dat grieven, een eisverandering of -vermeerdering, nieuwe verweren en nieuwe feiten en stellingen uiterlijk in de memorie van grieven of in de memorie van antwoord naar voren moeten worden gebracht.66 Gebeurt dit niet, dan moet de appelrechter deze in beginsel buiten beschouwing laten.67

4.41

Hoewel er uitzonderingen mogelijk zijn op de tweeconclusieregel68 – het gaat om een ‘in beginsel strakke regel’ –, legt de regel op partijen dus de verplichting om direct in de memorie van grieven en in de memorie van antwoord de grieven, een eisverandering of -vermeerdering, nieuwe verweren en nieuwe feiten en stellingen te komen. Wel mogen partijen tijdig naar voren gebrachte grieven, verweren, feiten en stellingen, binnen de grenzen van de goede procesorde, nader uitwerken en preciseren nadat de memorie van grieven en de memorie van antwoord zijn genomen. Deze nadere toelichting mag echter niet leiden tot nieuwe grieven of nieuwe verweren.69

4.42

Als een partij haar (nieuwe) grieven en verweren in de memorie van grieven c.q. de memorie van antwoord naar voren heeft gebracht, staat de tweeconclusieregel er dus niet aan in de weg dat in een latere akte die grieven, verweren, feiten en stellingen, binnen de grenzen van de goede procesorde, nog nader worden uitgewerkt en gepreciseerd. Ik neem aan dat dit ook is wat beoogd wordt met de regel onder punt 3 van Bijlage VI van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, dat een partij kan verzoeken “na indiening van de memorie een aanvullende akte te mogen nemen ter nadere toelichting van een specifiek in die memorie reeds opgenomen grief eiswijziging of verweer”. Nu kennelijk de gedachte is dat de grieven in de (in omvang beperkte) memorie van grieven zijn opgenomen, waarna vervolgens in de aanvullende akte de grieven nader worden uitgewerkt en gepreciseerd, staan de regels op zichzelf niet op gespannen voet met de tweeconclusieregel.

4.43

De tweeconclusieregel staat echter wel onder toenemende kritiek. Zo heeft Valk in een recente publicatie bij de regel een aantal kritische kanttekeningen geplaatst.70 Zijn eerste bezwaar is dat de tweeconclusieregel de kans vergroot dat een zaak wordt beslist op basis van ‘enkel processuele feiten’ en niet op basis van de materiële waarheid, omdat de regel ertoe leidt dat de rechter geen acht mag slaan op relevante stellingen als die te laat zijn aangevoerd. Het tweede bezwaar is dat het (in beginsel) strakke karakter van de tweeconclusieregel tot gevolg heeft dat afbakeningskwesties (‘wel of geen novum’) aan belang winnen, terwijl een discussie daarover afleidt van hetgeen waarover het vooral zou moeten gaan, namelijk wat de juiste feiten zijn en wat, gelet op die feiten, volgens het materiële recht de uitkomst moet zijn. Verwacht kan worden, lijkt mij, dat deze afbakeningskwesties, zich vaker zullen voordoen onder de maximeringsregels, als na een in omvang gelimiteerd processtuk een aanvullende akte wordt genomen. Het derde bezwaar dat Valk noemt is dat de tweeconclusieregel “een gezonde ontwikkeling van de suggestiebevoegdheid van de appelrechter” belemmert.

4.44

Met name dit laatste argument zou naar mijn mening reden moeten zijn voor de Hoge Raad om de tweeconclusieregel de komende jaren bij te stellen en te versoepelen. Als het zwaartepunt van de procedure, ook in hoger beroep, steeds meer verschuift naar de zitting en tegelijkertijd wordt verwacht dat de rechter zich actief opstelt ter zitting – denk ook aan het voorgestelde nieuwe lid 2 van art. 24 Rv71 – dan kan het niet anders dan dat de tweeconclusie-regel gaat knellen.72 De maximeringsregels zullen de werking van de regel zeker niet vereenvoudigen.

Te weinig overleg met advocaten

4.45

Een ander knelpunt dat de advocaten ervaren is dat zij van mening zijn dat er door de hoven geen (deugdelijk) overleg is gevoerd over de nieuwe regels.73 In de Kamervragen is dit punt ook aan de orde gesteld (zie onder 2.22). Als ik het goed begrijp, hebben de hoven de plannen voor het maximeren van de omvang van processtukken alleen besproken in het dekenberaad, althans is daar een toelichting gegeven op het voornemen om de reglementen aan te passen. De NOvA is echter niet geconsulteerd. Tot nu toe is het volgens de NOvA echter steeds gebruikelijk geweest dat procesreglementen in nauwe samenwerking met de NOvA tot stand zijn gebracht, en in ieder geval steeds voor advies aan de NOvA zijn voorgelegd.74 Van de zijde van de Staat is daartegenover aangevoerd dat de werkgroep van het LOV-H in de aanloop naar de invoering van de regels contact heeft gezocht met enkele lokale dekens, en vervolgens door hen is verwezen naar het landelijke dekenberaad. Verder stelt de Staat dat nadat de nieuwe procesreglementen bekend zijn gemaakt en er kritiek vanuit de NOvA kwam, de hoven alsnog het gesprek met de NOvA hebben gezocht. Deze gesprekken zijn echter op niets uit gelopen.75

4.46

De kritiek van de advocaten lijkt mij terecht. Van de zijde van de Staat is niet weersproken dat in het verleden de NOvA altijd betrokken is bij de totstandkoming van de civiele procesreglementen voor de hoven. Dat blijkt ook uit de considerans bij het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (zoals dat geldt vanaf 1 april 2021). Daarin is onder meer het volgende te lezen:

“Dit procesreglement (hierna ook: het reglement) vindt zijn oorsprong in een initiatief van het Project procesreglementen, dat onderdeel uitmaakt van het Programma Civiele Sectoren, en is ontwikkeld door een door dit project geïnitieerde en door het Landelijk Overleg van de Voorzitters van de Civiele sectoren-Hoven (LOVC-H) gefaciliteerde werkgroep, in samenspraak met de Nederlandse Orde van Advocaten.”

Ook in de considerans van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken staat dat “een brede consultatie van de Nederlandse Orde van Advocaten heeft plaatsgevonden en afstemming heeft plaatsgehad met de afdeling wetgeving van het Ministerie van Justitie.

4.47

Als dit de gebruikelijke gang van zaken is, dan hadden de advocaten mogen verwachten dat ook voor de maximeringsregels de NOvA om advies zou worden gevraagd. Het spreekt wel vanzelf dat het doen van mededelingen in het landelijke dekenberaad – een informeel overleg van de Dekens van de Orde van Advocaten over de uitoefening van het toezicht op de advocatuur76 – daarvoor geen vervanging kan zijn. Dat naderhand – toen al vaststond dat de regels zouden worden ingevoerd – alsnog advies is gevraagd aan de adviescommissie burgerlijk procesrecht van de NOvA en de adviescommissie intellectuele eigendom van de NOvA, kan het gebrek aan betrokkenheid bij de voorbereiding ook niet compenseren.

4.48

Maar op de achtergrond speelt hier ook een breder probleem, namelijk dat er weinig gesprek meer is tussen rechters en advocaten. Daarvoor zijn vele oorzaken te noemen. Er zijn nauwelijks meer advocaten die rechter-plaatsvervanger zijn. De tijd dat advocaten konden aanschuiven bij SSR-cursussen ligt ver achter ons. Bij vergaderingen van juridische vakverenigingen (zoals de NJV of de NVvP), die ook bedoeld zijn als ontmoetingsplaats tussen de juridische beroepsgroepen, zijn maar heel weinig rechters aanwezig. Lokale bijeenkomsten van rechters en de plaatselijke balie zijn afgeschaft. En gezamenlijke uitstapjes van rechters en advocaten, zoals ik mij die herinner uit de tijd dat ik werkte bij de rechtbank Assen, zijn iets uit een ver verleden. Sowieso is door de schaalvergroting, zowel binnen de rechterlijke organisatie als binnen de advocatuur, het idee van contacten tussen rechters en advocaten op lokaal niveau, niet meer levend. Deze ontwikkelingen zijn vast op zichzelf allemaal volstrekt begrijpelijk, maar het gevolg is wel dat er, behalve binnen de rechtszaal, nauwelijks meer uitwisseling plaatsvindt tussen advocaten en rechters. Dat draagt niet bij aan wederzijds begrip voor elkaars positie.

4.49

Onbegrip voor elkaars positie kan leiden tot ‘verzuurde verhoudingen’ tussen rechters en advocaten. Dat is zorgelijk, omdat rechters en advocaten in de procedure op elkaar zijn aangewezen. Rechters kunnen het niet alleen. Dat begint er al mee dat het de advocaat is die een geschil voorlegt aan de rechter. Bovendien wordt de kwaliteit van rechtspraak mede bepaald door de kwaliteit van de inbreng van advocaten (of andere procesdeelnemers), of dat nu op de zitting is of in een schriftelijk processtuk.77

4.50

Het is daarom van het grootste belang dat – wat ook de uitkomst van deze procedure is – dat de hoven (LOV-H’s, maar misschien ook individuele raadsheren) zo snel mogelijk weer in gesprek gaan met de advocaten (NOvA, maar wellicht ook individuele advocaten). Daarbij zou voorop moeten staan wat uiteindelijk het gemeenschappelijke belang is: een goede rechtsbedeling. Overwogen zou kunnen worden om bij zo’n overleg ook wetenschappers te laten aansluiten.78

Problemen bij de uitvoerbaarheid van de regels

4.51

Door de Advocaten is ook nog aangevoerd dat de maximeringsregels niet goed uitvoerbaar zijn, met name waar het gaat om de beoordeling van verzoeken tot het mogen indienen van langere processtukken.79 De regeling zou leiden tot rechtsonzekerheid en ongelijkheid bij het beoordelen van zo’n verzoek. Daarbij komt dat een advocaat niet altijd vroeg in het proces kan inschatten wat het precieze aantal pagina’s is dat hij nodig heeft. Zekerheidshalve zal een advocaat dan maar in elke zaak zo’n verzoek indienen. Bovendien is niet duidelijk waarop de rolraadsheer zijn beslissing zal baseren. Het beoordelen van de verzoeken zal de hoven ook veel tijd kosten.

4.52

Deze argumenten lijken mij niet heel sterk. In de eerste plaats blijkt uit de door mij uitgezette vragen dat de praktijk zich redt met de regels en dat zich niet voordoet dat ‘zekerheidshalve’ in een groot aantal zaken toestemming wordt gevraagd om een langer processtuk in te dienen (zie onder 3.10). Bovendien is het een gebruikelijke gang van zaken dat de rolraadsheer aan de hand van algemene uitgangspunten beslissingen neemt over partijverzoeken (meer spreektijd, extra akte etc.). Niet is in te zien dat dit opeens niet zou kunnen werken bij de beoordeling van verzoeken om een langer processtuk in te mogen dienen.

4.53

Wel zou wellicht in overleg tussen het LOV-H en de advocatuur kunnen worden nagegaan of de opsomming in Bijlage VI respectievelijk Bijlage V van de gevallen waarin toestemming voor een langer processtuk kan worden verleend (zie onder 2.7), uitbreiding behoeft of anders geformuleerd moet worden. Maar misschien monitoren de hoven dit zelf ook al. Ook zou kunnen worden nagegaan of er categorieën van zaken zijn waarin – bij voorbaat – ontheffing van de paginalimiet kan worden verleend.

Conclusies

4.54

Als ik probeer enige conclusies te trekken uit deze inleidende beschouwingen, dan is een eerste dat het geen grote verbazing wekt dat er bij advocaten geen breed draagvlak lijkt te zijn voor de maximeringsregels. De NOvA is niet geconsulteerd over plannen, er zijn geen kwantitatieve gegevens beschikbaar, onduidelijk is wat de reden is voor de uitdijende omvang van processtukken en er zijn veel meer oorzaken aan te wijzen voor het gebrek aan kwaliteit van processtukken dan dat ze soms onnodig lang zijn. Ik zeg dat er geen breed draagvlak lijkt te zijn, want ik weet niet welk deel van de advocaten uiteindelijk toch wel kan leven met de nieuwe regels. Wellicht is er een zwijgende meerderheid die er geen problemen mee heeft. Dat zou kunnen worden afgeleid uit het feit dat tot nu toe maar in 5% van de gevallen is gevraagd om een langer processtuk in te kunnen dienen (zie onder 3.4).

4.55

Een tweede conclusie is dat de hoven en de advocaten hoe dan ook met elkaar in gesprek moeten om het bredere probleem van kwaliteit van processtukken in hoger beroep te bespreken. Want dat er een probleem is, lijkt eigenlijk niemand te ontkennen. Wat kan er bedacht worden om die kwaliteit te verbeteren? Kunnen er nadere richtlijnen worden gegeven over de wijze waarop processtukken moeten worden ingedeeld en/of procesdossiers moeten worden aangeleverd? Kan de NOvA in de opleiding meer doen aan het leren schrijven van een goed processtuk? Moet er worden nagedacht over een verplichte registratie als appeladvocaat of, minder vergaand, aan de verplichting om (jaarlijks) bepaalde cursussen te volgen over het procederen in hoger beroep? Of moet de aandacht worden gelegd bij de (kleine?) groep slecht presterende vakbroeders en -zusters?

4.56

Specifiek met betrekking tot de maximeringsregels zou ook moeten worden besproken – wat ook de uitkomst van deze procedure is – of het voor advocaten aanvaardbaar zou zijn dat wel gemaximeerd wordt, maar op een groter aantal pagina’s; of het mogelijk is dat generieke uitzonderingen worden omschreven waarin een processtuk meer dan 25 pagina’s mag bevatten (zodat voor die soorten van zaken geen ontheffing hoeft te worden gevraagd); of in gezamenlijk overleg meer gedetailleerd invulling kan worden gegeven aan de regels van Bijlage IV respectievelijk Bijlage V; en hoe en door wie gemonitord wordt wat de gevolgen van de nieuwe regels zijn.

4.57

Een derde conclusie is dat de hoven ook zelf aan zet zijn. Daarbij gaat het m.i. vooral om een meer genuanceerde benadering van het afdoen van zaken op de stelplicht (zie onder 4.34) en om het verbeteren van de doorlooptijden (zie onder 4.21-4.24). Als het uiteindelijke doel is om de kwaliteit van rechtspraak te verbeteren, waarvan het verbeteren van de doorlooptijden een essentieel aspect is,80 dan zullen rechters ook zichtbaar moeten maken wat hun eigen bijdrage daaraan is. Daarmee wordt ook meer draagvlak gecreëerd voor het stellen van nadere eisen aan advocaten met betrekking tot de manier waarop zij hun processtukken moeten opstellen en aanleveren, wat die eisen dan ook uiteindelijk inhouden.

5 Rechtersregelingen

Karakter en doel rechtersregelingen

5.1

De beperking van de omvang van de processtukken in hoger beroep is opgenomen in het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven en in het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven. Daarmee draait het in deze procedure om de vraag of de hoven in de procesreglementen regels kunnen stellen ter maximering van de omvang van processtukken en, bij overschrijding van die maximale omvang, het processtuk kunnen weigeren.

5.2

Ter beantwoording van deze vraag zal ik eerst ingaan op het karakter van procesreglementen (rechtersregelingen) en de eisen die daaraan in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn gesteld.

5.3

Kenmerkend voor procesreglementen is dat het gaat om regelingen die door rechters zelf zijn opgesteld. Procesreglementen kunnen worden geschaard onder het bredere begrip ‘rechtersregeling’.81

5.4

Het doel van rechtersregelingen is om ervoor te zorgen dat rechters – en gerechten – op dezelfde manier toepassing en uitleg geven aan bepaalde (wettelijke) normen. Rechtersregelingen beogen zo een bijdrage te leveren aan een uniforme toepassing van het recht. In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat uniforme rechtstoepassing de kwaliteit van de rechtspleging bevordert, meer in het bijzonder die van rechterlijke beslissingen.82

5.5

Hierbij kan direct de vraag worden opgeworpen of het niet eerder op de weg van de Hoge Raad ligt om te zorgen voor een uniforme rechtstoepassing, dan dat dat een taak is van feitenrechters, al dan niet door gebruikmaking van rechtersregelingen.83 In ieder geval lijkt in de rechtspraak van de Hoge Raad tot op heden alleen bindende kracht te worden toegekend aan rechtersregelingen van procesrechtelijke aard.84

5.6

Rechtersregelingen zijn er in veel rechtsgebieden, zoals handelsrecht, familierecht, strafrecht, bestuursrecht en belastingrecht. Sommige rechtersregelingen bevatten bepalingen waarin invulling wordt gegeven aan materiële normen. Bekende voorbeelden daarvan zijn de Alimentatienormen, de Recofa-richtlijnen en de Oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Andere rechtersregelingen bevatten bepalingen die kwesties van procesrechtelijke aard regelen, zoals de verschillende landelijke procesreglementen van de rechtbanken en de gerechtshoven.85

5.7

Tot aan de reorganisatie van de rechterlijke organisatie in 2002 had ieder gerecht zijn eigen procesreglement.86 Sinds 2002 zijn verschillende landelijke reglementen tot stand gekomen.87

Binding aan rechtersregelingen

5.8

In het Rolrichtlijnen-arrest uit 1996 is door de Hoge Raad voor het eerst geoordeeld dat de in een rechtersregeling – meer specifiek: een procesreglement (rolrichtlijnen rechtbank Den Haag) – opgenomen regels kunnen kwalificeren als recht in de zin van art. 79 Wet RO (voorheen art. 99 Wet RO) en bindende kracht kunnen hebben. Overwogen werd het volgende:88

“3.2 (…) Het onderdeel gaat ervan uit dat de in dat vonnis genoemde rolrichtlijnen zijn aan te merken als ‘recht’ in de zin van art. 99 RO.

Dit uitgangspunt is juist. De in mei 1987 door de Rechtbank te ‘s-Gravenhage vastgestelde rolrichtlijnen (…) hebben het karakter van door die Rechtbank vastgestelde regels omtrent de uitoefening van haar rolbeleid, welke regels weliswaar niet kunnen gelden als algemeen verbindende voorschriften omdat zij niet krachtens enige wetgevende bevoegdheid zijn gegeven, maar de rechter wel op grond van algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging binden, en zich naar hun inhoud en strekking ertoe lenen jegens de daarbij betrokkenen als rechtsregels te worden toegepast. (…) Ook aan het vereiste dat de regels behoorlijk zijn bekendgemaakt, is derhalve voldaan.”

Met deze overweging in het Rolrichtlijnen-arrest heeft (de civiele kamer van) de Hoge Raad aangeknoopt bij de in het Leidraad-arrest89 door de belastingkamer gebruikte formulering over de kwalificatie van beleidsregels als recht in de zin van art. 79 Wet RO.90

5.9

Uit het Rolrichtlijnen-arrest volgt dus dat de in een procesreglement opgenomen regels de rechter kunnen binden op grond van algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging en dat deze regels onder voorwaarden kunnen gelden als recht in de zin van art. 79 Wet RO.91 Omdat de regels zijn vastgesteld door rechters (i.c. de rechtbank), gaat het om een vorm van zelfbinding.92

5.10

Teuben, de advocaat van de Staat in deze procedure, wijst erop dat de binding van de rechter aan een rechtersregeling strikt genomen losstaat van de kwalificatie van die regeling als recht in de zin van art. 79 Wet RO. Binding ontstaat reeds als de regeling is vastgesteld door daartoe bevoegde rechters en behoorlijk bekend is gemaakt. Voor kwalificatie als recht in de zin van art. 79 Wet RO geldt dan op grond van het Rolrichtlijnen-arrest nog als extra eis dat ‘de regels zich naar hun inhoud en strekking ertoe lenen jegens de daarbij betrokkenen als rechtsregels te worden toegepast’. De binding aan een rechtersregeling volgt dus niet uit de kwalificatie daarvan als recht in de zin van art. 79 Wet RO, aldus steeds Teuben.93 Echter, zo leid ik uit deze verhandeling van Teuben af, als een rechtersregeling geldt als recht in de zin van art. 79 Wet RO, dan is die regeling bindend voor de rechter. Dit wordt ook elders in de literatuur aangenomen.94

5.11

De rechter heeft steeds de bevoegdheid om in bijzondere gevallen van een rechtersregeling af te wijken, zo is de algemene opvatting in de literatuur.95 Sommige rechtersregelingen voorzien zelf ook expliciet in zo’n afwijkingsmogelijkheid. Zo bepaalt art. 1.16 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven dat het hof van het reglement kan afwijken indien de bijzondere omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven.

Rechtersregelingen mogen niet in strijd zijn met hogere rechtsnormen

5.12

Als een rechtersregeling geldt als recht in de zin van art. 79 Wet RO, kunnen de daarin opgenomen regels in cassatie worden getoetst aan wettelijke normen en andere, hogere rechtsnormen, zoals de eisen die voortvloeien uit art. 6 EVRM.96

5.13

Meerdere malen heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een specifieke bepaling uit een procesreglement, of een daaraan door de rechter gegeven interpretatie, in strijd is met een wettelijke bepaling. Zo is beslist dat het bepaalde in een procesreglement (althans: de interpretatie die de rolrechter daaraan had gegeven) niet kan afdoen aan het wettelijke recht op pleidooi (destijds neergelegd in art. 144 Rv-oud):97

“3.5 (…). Voor zover in het oordeel van de rolrechter dan wel de Rechtbank besloten ligt dat het bepaalde in art. 2.12 van het Landelijk reglement voor de civiele rol bij de rechtbanken (gepubliceerd in Stcrt. 2000, 124) meebrengt dat in een geval als het onderhavige geen recht op pleidooi (meer) bestaat, is dit oordeel, naar het middel terecht betoogt, onjuist, nu het bepaalde in dat reglement niet kan afdoen aan het op de wet – art. 144 (oud) Rv – gebaseerde recht op pleidooi.”

Deze regel is nadien verschillende keren herhaald, met de toevoeging dat het bepaalde in een rolreglement evenmin kan rechtvaardigen dat een verzoek om pleidooi wordt beoordeeld aan de hand van een andere maatstaf dan die de Hoge Raad daarvoor heeft geformuleerd.98

5.14

Een ander voorbeeld is de in 2015 gewezen uitspraak […] / […] over het toenmalige pilot-procesreglement civiele dagvaardingszaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.99 Een bepaling in het pilotreglement dat per fax ingediende processtukken niet in behandeling worden genomen, met toepassing waarvan het hof een tijdig per fax ingediende memorie van grieven buiten beschouwing liet en appellant niet-ontvankelijk verklaarde, werd door de Hoge Raad onverbindend geacht wegens strijd met art. 33 Rv, waarbij de Hoge Raad opmerkte dat hetzelfde gold voor de gelijkluidende bepaling in het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingsprocedures bij de hoven. Het eerste lid van art. 33 Rv houdt onder meer in dat verzoeken en mededelingen ook elektronisch kunnen worden gedaan, indien van deze mogelijkheid voor het desbetreffende gerecht blijkt uit een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement. Volgens de Hoge Raad geldt deze “beperking van het elektronisch verkeer tot gevallen waarin daarin is voorzien in een door een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement” niet voor faxverkeer; daarvoor geldt nog steeds de regel van art. 33 Rv (oud) dat stukken die door middel van faxapparatuur vóór 24.00 uur van de laatste dag van een lopende termijn ter griffie zijn ontvangen, gelden als binnen de termijn ingediend (rov. 3.4.4).

5.15

Eenzelfde lot was beschoren voor een bepaling in het destijds geldende Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie, die inhield dat de voorzieningenrechter geen kostenveroordeling uitspreekt als de eisende partij de procedure intrekt voordat de zaak is uitgeroepen. Onder verwijzing naar de hiervoor besproken uitspraak uit 2015, oordeelde de Hoge Raad in een prejudiciële beslissing uit 2016 dat deze bepaling in strijd was met “de aan het systeem van de wet ten grondslag liggende uitgangspunten die gelden ten aanzien van het kort geding in eerste aanleg” en derhalve in zoverre onverbindend was.100 In de beslissing werd voorts mede aan de hand van het procesreglement bepaald wanneer een zaak in kort geding in eerste aanleg aanhangig is.101

5.16

Onverenigbaarheid met de wet was ook aan de orde bij een richtlijn uit het Rapport Alimentatienormen van (destijds) de Werkgroep Alimentatienormen van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en Recofa (het landelijk overleg van rechters-commissarissen in faillissementen), die inhield dat de alimentatierechter ervan uit kan gaan dat het vrij te laten bedrag van de door de tot de schuldsanering toegelaten onderhoudsplichtige ouder is of zal worden verhoogd met de vastgestelde kinderalimentatie (tot een maximum van € 136,- per kind). De Hoge Raad overwoog:102

“3.5.3 (…) Hoezeer het op zichzelf uit een oogpunt van de bevordering van rechtszekerheid ook wenselijk is dat rechters in onderling overleg regelingen of aanbevelingen tot stand brengen op gebieden waar de wet hun grote beoordelingsvrijheid geeft, de hier bedoelde richtlijn staat op gespannen voet met het wetsvoorschrift waaraan deze invulling wil geven. Met de richtlijn wordt de kinderalimentatievordering bovendien een feitelijke voorrangspositie ten opzichte van de (overige) in de schuldsanering betrokken vorderingen verleend.

Het bewerkstelligen daarvan gaat, mede gelet op art. 3:278 BW, de rechtsvormende taak van de rechter te buiten. (…)”

5.17

Een vergelijkbare overweging is te vinden in een tweetal uitspraken waarin aan de orde was of de schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag mocht worden bepaald aan de hand van een algemene formule, zoals de kantonrechtersformule (door de Hoge Raad gekenschetst als een ‘globale maatstaf’). De Hoge Raad beantwoordde deze vraag ontkennend, omdat de hoogte van de vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag dient te worden bepaald aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het geval. Dat “de voorspelbaarheid van dit soort frequent voorkomende beslissingen en daarmee in zeker opzicht ook het belang van de rechtszekerheid” zou zijn gediend met het toepassen van dergelijke algemene formules, vormt volgens de Hoge Raad geen toereikende rechtvaardiging voor het hanteren ervan.103

5.18

Ook de bepaling in een pilotreglement104 dat als niet binnen de in het reglement bepaalde tijd de memorie van grieven of een ander processtuk is genomen, automatisch ‘akte niet-dienen’ wordt verleend, hield bij de Hoge Raad geen stand. Vooropgesteld werd dat de bevoegdheid tot het vaststellen van ‘een procesreglement als het onderhavige’ voortvloeit uit art. 133 Rv. De Hoge Raad vervolgt dat een goede procesorde echter meebrengt dat in de specifieke omstandigheden van het geval (waarin sprake was van een procesreglement dat bij wijze van experiment afwijkt van het landelijk procesreglement en waarin een strenge sanctie volgt op overschrijding van de termijn uit het pilotreglement) het belang van het voorkomen van onredelijke vertraging van het geding moet worden afgewogen tegen de ernst van het verzuim en de gevolgen die strikte naleving van het reglement zou hebben voor de procesvoering van de partij die erdoor wordt getroffen. Die afweging dient volgens de Hoge Raad ‘zonder meer te leiden tot het verlenen van een korte termijn om het verzuim te herstellen’, namelijk een termijn van veertien dagen. De bepalingen in het pilotreglement werden in dit geval dus niet bindend geacht wegens strijd met de goede procesorde.105

5.19

Verder oordeelde de Hoge Raad in een uitspraak uit 2018 dat een redelijke en met de eisen van een goede procesorde strokende uitleg van de overgangsbepalingen in een opvolgend procesreglement (waarin strengere sancties werden gesteld op het niet-tijdig indienen van een processtuk dan in het eerder geldende reglement) meebrengt dat het hof niet volgens de letter van het nieuwe reglement, na het ongebruikt verstrijken van de (laatste) termijn van zes weken voor het nemen van de memorie van grieven, ambtshalve mocht beslissen dat het recht om die proceshandeling te verrichten, was vervallen. Het hof had nog een hersteltermijn moeten bieden.106

5.20

Uit kwalificatie van de bepalingen in een rechtersregeling als recht in de zin van art. 79 Wet RO volgt dat de Hoge Raad ook oordeelt over de uitleg van deze bepalingen en toetst of de rechter op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de bepalingen.107 In de rechtspraak zijn daarvan verschillende voorbeelden.108 Bij die toepassing moet de rechter, zoals ook volgt uit het voorgaande, rekening houden met de eisen van een goede procesorde.109

Wettelijke grondslag vereist voor een rechtersregeling?

5.21

In de literatuur wordt uit het Rolrichtlijnen-arrest afgeleid dat een rechtersregeling aan drie vereisten moet voldoen, om als rechtsregel in de zin van art. 79 Wet RO de rechter te kunnen binden (zie ook onder 5.8):110

(i) de daarin opgenomen regels lenen zich naar inhoud en strekking ertoe om als rechtsregels te worden toegepast,

(ii) de regeling is behoorlijk bekendgemaakt,

(iii) de regeling is vastgesteld door een daartoe bevoegd rechterlijk orgaan.111

5.22

In de schriftelijke opmerkingen die in deze procedure van de zijde van de Advocaten zijn gemaakt, wordt tot uitgangspunt genomen dat voor de bepalingen tot maximering van de omvang van de processtukken een wettelijke grondslag vereist is.112 Deze is er niet volgens de Advocaten. Dat brengt hen tot de conclusie dat de hoven niet bevoegd zijn een dergelijke regeling op te nemen in de procesreglementen. Ook in de literatuur is door verschillende auteurs opgemerkt dat er geen wettelijke grondslag is voor het maximeren van de omvang van processtukken, zodat (reeds om die reden) de regeling niet rechtsgeldig is.113

5.23

Van de zijde van de Staat is enerzijds betoogd dat er niet altijd een wettelijke grondslag nodig is voor de bepalingen in een procesreglement.114 Anderzijds wordt het standpunt ingenomen dat er een wettelijke grondslag ís, namelijk art. 19 lid 2 Rv.115

5.24

Hiermee ligt de vraag voor of uit de rechtspraak van de Hoge Raad moet worden afgeleid dat de bepalingen die in een rechtersregeling worden opgenomen, steeds een wettelijke grondslag moeten hebben.

5.25

In het Rolrichtlijnen-arrest komt deze eis niet duidelijk naar voren. Daarin zijn de rolrichtlijnen omschreven als ‘regels omtrent de uitoefening van haar rolbeleid’ (zie onder 5.8). Weliswaar wordt er dus vanuit gegaan dat het gaat om regels ter invulling van beleidsruimte, maar daarmee is niet gezegd dat die beleidsruimte steeds moet berusten op een wettelijke grondslag.

5.26

Dat bepalingen in een rechtersregeling moeten berusten op een wettelijke grondslag, zou wellicht kunnen worden gelezen in een arrest van de strafkamer van de Hoge Raad uit 2002 (Oriëntatiepunten-arrest). In die zaak werd in cassatie geklaagd over de door het hof opgelegde straf omdat deze niet in overeenstemming was met de binnen de rechtspraak ontwikkelde ‘Oriëntatiepunten voor de straftoemeting’. De Hoge Raad overwoog het volgende:116

“De klacht berust kennelijk op het uitgangspunt dat vorenbedoelde oriëntatiepunten recht zijn in de zin van art. 79 RO. Dit uitgangspunt is echter onjuist reeds omdat de bedoelde oriëntatiepunten niet afkomstig zijn van een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden wat betreft het gebruik dat zij maken van de hun door de wetgever gelaten ruimte.”

De strafkamer heeft in latere uitspraken deze overweging een aantal keren herhaald.117

5.27

Op grond van deze arresten wordt in de strafrechtelijke literatuur aangenomen dat ‘een rechtersregeling ziet op het geven van een nadere invulling aan de (beslissings)ruimte die uit de wet voortvloeit’.118 Deze ruimte ontbreekt, zo schrijft Vellinga-Schootstra, ‘waar de wet ter zake voorschriften geeft die niet voor meerdere uitleg en eigen invulling door de rechter vatbaar zijn, maar ook wanneer recente rechtspraak van de hoogste rechter op het te regelen terrein tot stand is gekomen.’119

5.28

Uit deze uitspraken van de strafkamer kan m.i. niet worden afgeleid dat bepalingen in een rechtersregeling altijd moeten berusten op een wettelijke grondslag. Ik lees de uitspraken zo, dat het erom gaat dat rechtersregelingen in dit geval een nadere invulling geven aan (beslissings)ruimte die uit de wet voortvloeit.

5.29

Dat sluit ook aan bij het arrest waarin de civiele kamer van de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoordde over de gelding van art. 9.1 Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel /familie (zie ook onder 5.15). In het arrest omschreef de Hoge Raad het procesreglement als ‘een landelijk geldende rechtersregeling omtrent de uitoefening van de wettelijke bevoegdheden en taken van in kort geding in eerste aanleg rechtsprekende rechters’.120 Deze overweging lees ik tegen de achtergrond van het feit dat het verschuldigd zijn van proceskosten, waarom het in dit geval ging, wettelijk is geregeld (art. 3 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken).

5.30

Het komt er dan ook op neer dat regels in een procesreglement invulling geven aan beleidsruimte van de rechter, waarbij de rechter die beleidsruimte soms ontleent aan een wettelijke bepaling. Er zijn echter ook regels die invulling geven aan rechterlijke beleidsruimte zonder dat daarvoor een wettelijke grondslag is aan te wijzen. M.i. is daarbij met name te denken aan regels van organisatorische aard. Ik ga er vanuit dat dergelijke regels zijn gebaseerd op de eisen van een behoorlijke rechtspleging (zie nader onder 5.41 e.v.).

Wettelijke grondslag wel vereist voor sanctie van niet-ontvankelijkheid

5.31

Uit de rechtspraak volgt wel duidelijk dat een procesreglement niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid kan stellen als daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat.

5.32

Als eerste is in dit verband te noemen een uitspraak van de Hoge Raad van 14 januari 2005 over het Bijzonder rekestreglement personen- en familierecht van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage. In dit procesreglement was een bepaling opgenomen die inhield dat het hoger beroep niet ontvankelijk was als een partij niet tijdig in vijfvoud het beroepschrift inclusief de stukken in eerste aanleg had overgelegd en geen gebruik had gemaakt van de laatste mogelijkheid om dit verzuim te herstellen.121 Omdat appellant daaraan niet had voldaan, achtte het hof op grond van de bepaling in het procesreglement appellant niet ontvankelijk. Deze beslissing hield in cassatie geen stand. De Hoge Raad overwoog het volgende (mijn onderstrepingen):122

“3.3 Ingevolge art. 34 lid 1 Rv. is de appellant verplicht aan de rechter in hoger beroep een authentiek afschrift van de bestreden uitspraak over te leggen, alsmede afschriften van de overige op de procedure betrekking hebbende stukken. (…). Op het niet voldoen aan het bepaalde in art. 34 lid 1 is geen wettelijke sanctie gesteld; met betrekking tot art. 429o lid 2 (oud) was dit evenmin het geval.

Het tweede lid van art. 34 bepaalt dat de rechter nadere aanwijzingen kan geven over het tijdstip van overlegging van de hiervoor bedoelde afschriften. Deze bepaling is blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 855, nr. 3, blz. 6) uit praktische overwegingen in de wet opgenomen. Aldus zou, naar de zienswijze van de regering, kunnen “worden voorkomen dat de stukken van de eerste aanleg, die omvangrijk kunnen zijn, gedurende langere tijd bewaard zouden moeten worden op de griffie van het gerecht waar de zaak in hoger beroep dient.”


3.4 Anders dan het hof heeft geoordeeld – en anders dan bij het opstellen van het Bijzonder reglement kennelijk tot uitgangspunt is genomen – geeft art. 34 lid 2 niet de bevoegdheid bij (rol)reglement te bepalen dat het, ondanks herhaalde verzoeken, niet binnen de daartoe gestelde termijn overleggen van de in dat artikel bedoelde afschriften tot een niet-ontvankelijkverklaring leidt. Die bevoegdheid kan evenmin aan enige andere wetsbepaling worden ontleend. Daarnaast kan het enkele feit dat de vrouw ook de tweede haar door het hof geboden gelegenheid tot herstel van het verzuim om aan het bepaalde in art. 34 lid 1 te voldoen onbenut heeft gelaten, niet leiden tot het oordeel dat sprake is van een zodanige schending van de goede procesorde dat niet-ontvankelijkverklaring gerechtvaardigd is. (…).”

5.33

Met andere woorden, art. 34 lid 2 Rv bepaalt weliswaar dat de rechter nadere aanwijzingen kan geven over het tijdstip van overlegging van processtukken, maar houdt niets in over een niet-ontvankelijkverklaring bij overschrijding van dergelijke regels. Het probleem zit dus niet in de in het procesreglement opgenomen regel dat binnen een bepaalde termijn afschriften van stukken moet worden overgelegd, maar in de daarop in het procesreglement gestelde niet-ontvankelijkheid.

5.34

Bovendien is in de beschikking overwogen dat het onbenut laten van de mogelijkheid van herstel van het verzuim, niet kan leiden tot het oordeel dat sprake is van ‘een zodanige schending van de goede procesorde dat niet-ontvankelijkheid gerechtvaardigd is’. Hiermee lijkt de mogelijkheid open te worden gelaten dat als in een concreet geval sprake is van bijkomende omstandigheden, bij overschrijding van de bepalingen uit een procesreglement (zonder dat voor die bepalingen een wettelijke basis bestaat) toch kan worden geoordeeld dat sprake is van een zodanige schending van de goede procesorde dat niet-ontvankelijkverklaring gerechtvaardigd is. In de feitenrechtspraak zijn daarvan ook wel voorbeelden te vinden.123

5.35

Ook Asser benadrukt in zijn noot onder de beschikking dat de beslissing van de Hoge Raad draait om de in het procesreglement gestelde sanctie van niet-ontvankelijkheid (mijn onderstrepingen):124

“(…) Er moest dus beslist worden of het beleid van het hof houdbaar was op basis van dat reglement. De Hoge Raad vindt van niet en zijn lijn is consequent: slechts bij of krachtens de wet kan de sanctie van niet-ontvankelijkheid worden toegepast, of als de goede procesorde dat rechtvaardigt, zoals blijkt uit r.o. 3.4 de beschikking van 14 januari 2005.

De Hoge Raad beziet de vraag niet in de eerste plaats vanuit het gezichtspunt van de passendheid van de sanctie maar vanuit de optiek van de formele bevoegdheid van de rechter om de sanctie van niet-ontvankelijkheid toe te passen. Er moet naar zijn opvatting een wettelijke basis zijn of een tamelijk ernstige schending van de goede procesorde die niet-ontvankelijkheid rechtvaardigt. In casu ontbrak naar het oordeel van de Hoge Raad die wettelijke basis, zowel naar oud recht, dus art. 429o lid 2 en art. 803 Rv, als naar het huidige, art. 34 en art. 22 Rv, welke laatste bepaling de Hoge Raad slechts impliciet in r.o. 3.4 noemt in de zin ‘Die bevoegdheid [om bij (rol)reglement te bepalen dat het, ondanks herhaalde verzoeken, niet binnen de daartoe gestelde termijn overleggen van de in art. 34 bedoelde afschriften tot niet-ontvankelijkverklaring leidt; DA] kan evenmin aan enige andere wetsbepaling worden ontleend’. Dit betekent dat in de zaak van HR 14 januari 2005 het bijzonder rekestreglement van het hof, dat wel recht in de zin van art. 79 RO is (r.o. 3.2), op dit punt onverbindend was en dus evenmin basis kon vormen voor de niet-ontvankelijkverklaring. Kortom, de rechter is in gevallen als hier aan de orde, behoudens een bijzonder geval van schending van de goede procesorde, noch in individuele zaken noch als regelgever bevoegd de sanctie van niet-ontvankelijkheid te hanteren.”

Blijkens deze laatste zin gaat ook Asser er dus vanuit dat in een bijzonder geval van schending van de goede procesorde, de sanctie van niet-ontvankelijkheid wel kan worden toegepast.

5.36

Ook Tjong Tjin Tai schrijft dat uit deze beschikking van de Hoge Raad blijkt “dat de rechter niet op grond van het procesreglement sancties mag opleggen op termijnoverschrijding, indien dergelijke sancties niet op de wet zijn terug te voeren.”125 Anderen lezen de uitspraak eveneens op deze manier.126

5.37

Dat een procesreglement niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid kan verbinden aan een procesrechtelijke gedraging die strijdig is met een bepaling uit dat reglement zonder dat voor die bepaling een wettelijke grondslag bestaat, volgt ook uit een recent arrest over het eigen rolreglement van de Hoge Raad. Eiseres tot cassatie betoogde dat het incidenteel cassatieberoep niet-ontvankelijk was, omdat dit beroep was ingediend na de door het procesreglement gestelde termijn. De Hoge Raad overwoog, onder verwijzing naar de hiervoor onder 5.32-5.36 besproken uitspraak:127

“3.4.2 De wet geeft niet de bevoegdheid bij procesreglement van de wet afwijkende eisen te stellen aan de termijn waarbinnen incidenteel cassatieberoep kan worden ingesteld. Het gaat in art. 3.1.5.5 van het Procesreglement dan ook niet om een fatale termijn voor het instellen van incidenteel cassatieberoep in geval van zuivering van verstek die op straffe van niet-ontvankelijkheid in acht moet worden genomen. (…)”

Het betoog van eiseres werd vervolgens verworpen op de grond dat weliswaar sprake was van een overschrijding door verweerder van de in het procesreglement gestelde termijn, maar dat deze overschrijding in de omstandigheden van het concrete geval geen strijd opleverde met de eisen van een goede procesorde (welke eisen volgens de Hoge Raad mede worden ingekleurd door het feit of de in het reglement gestelde termijn al dan niet in acht is genomen).128

Art. 133 Rv biedt wettelijke grondslag bij oplegging sanctie bij overschrijding termijn

5.38

Voor het opleggen van de sanctie van niet-ontvankelijkheid bij het niet binnen de daarvoor gestelde termijnen nemen van een processtuk, is een wettelijke grondslag te vinden in art. 133 Rv. Art. 133 Rv bepaalt het volgende:

1. De rechter stelt de termijnen voor het nemen van de conclusies vast.

2. Partijen kunnen uitstel vragen voor het nemen van conclusies. De rechter volgt een daartoe strekkend, eenstemmig verzoek van partijen, tenzij dit zou leiden tot onredelijke vertraging van het geding.

3. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de termijnen voor het verrichten van andere proceshandelingen dan conclusies en op de mogelijkheid om daarvoor uitstel te krijgen.

4. Wanneer een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, vervalt het recht om de desbetreffende proceshandeling te verrichten.

5.39

Uit de tekst van lid 1 volgt dus niet alleen dat rechter de bevoegdheid heeft om termijnen te stellen voor het nemen van conclusies; lid 4 bepaalt ook expliciet dat bij niet-naleven van zo’n door de rechter gestelde termijn, het recht vervalt om de desbetreffende proceshandeling te verrichten.

5.40

Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat art. 133 Rv de bevoegdheid biedt voor het in een procesreglement opnemen van regels over de termijnen waarbinnen een conclusie moet worden genomen of een proceshandeling moet worden verricht.129 Bij het niet-voldoen aan die regels kan dan ook de sanctie van niet-ontvankelijkheid volgen, nu daarvoor een grondslag is in art. 133 lid 4 Rv.

Regels gegrond op de eisen van een behoorlijke rechtspleging

5.41

Dat bepalingen in een procesreglement ook gebaseerd kunnen worden op de eisen van een behoorlijke rechtspleging, is af te leiden uit het arrest Ajax/Valk uit 2001.130 In deze zaak ging het om de wijze waarop in hoger beroep een zaak aanhangig moest worden gemaakt. Art. 135 lid 1 Rv (oud) bepaalde daarover het volgende: “De procureur van de eiser doet de zaak op de rol inschrijven uiterlijk op de dag, die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is en onmiddellijk voorafgaat aan de rechtsdag, die in de dagvaarding is uitgedrukt of overeenkomstig het volgende artikel is vervroegd.” Op grond van art. 353 Rv (oud) gold deze bepaling ook in hoger beroep.131 Het rolreglement hield in dat appellant bij het inschrijven van een nieuwe zaak ter griffie de originele dagvaarding in hoger beroep en, zo nodig, een origineel herstelexploot diende te overleggen. Met toepassing van deze regel weigerde de rolraadsheer de zaak in te schrijven op de rol, omdat niet voor de eerstdienende dag de originele dagvaarding in hoger beroep was overgelegd. De Hoge Raad overwoog het volgende (rov. 3.4):

“3.4 Hoewel de wet niet met zoveel woorden de eis stelt dat inschrijving van een zaak ter rolle slechts kan geschieden tegen overlegging van de originele en complete dagvaarding en het origineel van een eventueel herstelexploit, strookt het stellen van deze eis met de eisen van een behoorlijke rechtspleging. Aldus wordt de rolrechter in staat gesteld om vóór de rolzitting in verband met een eventueel te verlenen verstek te beoordelen of de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen evenwel, in aanmerking genomen de ingrijpende gevolgen die een weigering de zaak ter rolle in te schrijven kan hebben, tevens mee dat aan de eiser de mogelijkheid wordt geboden verzuimen met bekwame spoed te herstellen. (….)”

5.42

Met andere woorden, het rolreglement mag als eis stellen dat inschrijving ter rolle slechts mag plaatsvinden als aan bepaalde formaliteiten is voldaan (ook al is daarvoor dus geen wettelijke grondslag aan te wijzen132). Uit de bewoordingen van de eerste zin van rov. 3.4 leid ik af dat de grondslag daarvoor gelegen is in de eisen van een behoorlijke rechtspleging. Of, zoals Teuben in haar proefschrift het arrest uitlegt, in een interpretatie van art. 185 Rv (oud), aan de hand van de eisen van een behoorlijke rechtspleging.133

5.43

Uit het arrest volgt verder dat de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat aan de eiser gelegenheid moet worden geboden tot herstel van het verzuim te voldoen aan de in het rolreglement voorgeschreven formaliteiten. Het rolreglement voorzag ook in zo’n herstelmogelijkheid. Kennelijk is het weigeren van de inschrijving op de rol wél toegestaan als die herstelmogelijkheid is geboden. Dat is vérstrekkend, omdat dat immers leidt tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep, zonder dat daarvoor een wettelijke grondslag bestaat.

5.44

Dat de Hoge Raad die sanctie in zo’n geval kennelijk gerechtvaardigd vindt, is echter niet los te zien van wat is overwogen aan het slot van de eerste volzin en in de tweede volzin van rov. 3.4, namelijk dat het strookt met de eisen van een behoorlijke rechtspleging dat de rolrechter (tijdig) kan controleren – mede met het oog op verstekverlening – of voldaan is aan de voorgeschreven formaliteiten en of de termijnen in acht zijn genomen. Gekeken is dus naar de ratio van de regel dat het originele exploot van dagvaarding moet worden ingediend.134

5.45

Ook het arrest […] /Welstand past in de lijn dat op basis van de eisen van een behoorlijke rechtspleging in een procesreglement regels mogen worden gesteld (hier aangeduid als ‘regels van organisatorische aard’). In deze zaak had het hof de pleitnota van […] van 72 pagina’s in een schriftelijk pleidooi buiten beschouwing gelaten, omdat deze – als er een mondeling pleidooi zou zijn geweest – niet binnen de dán geldende spreektijd had kunnen worden voorgedragen. De Hoge Raad overwoog het volgende (mijn onderstreping):135

“3.4.1 Voor zover het onderdeel betrekking heeft op de lengte van de pleitnota en de daarbij overgelegde producties wordt het volgende vooropgesteld. In het onderhavige geval heeft het hof schriftelijk pleidooi toegestaan, maar heeft het de omvang van de pleitnotities niet vooraf aan een maximale omvang gebonden. Het in dit geval toepasselijke Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven 2008, dat onder 5.5 regels geeft voor het schriftelijk pleidooi, schrijft bij een zodanig pleidooi geen maximale omvang van de pleitnotities voor. De wel in dat reglement (onder 5.4) neergelegde maximale spreektijd van 30 minuten voor het mondelinge pleidooi kan niet dienen als maatstaf voor de omvang van dergelijke pleitnotities, nu aan die maximale spreektijd (ook) organisatorische overwegingen ten grondslag liggen die niet gelden bij een uitsluitend schriftelijke gedachtewisseling. Door de pleitnota van [eiser] “in beginsel buiten beschouwing” te laten enkel omdat deze, indien voorgelezen, niet zou voldoen aan maatstaven die zouden gelden bij een mondeling pleidooi, heeft het hof derhalve blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.”

5.46

Uit de onderstreepte overweging leid ik af dat de Hoge Raad op zichzelf geen probleem ziet in het opnemen van een maximale spreektijd van 30 minuten voor het mondelinge pleidooi in het procesreglement, omdat aan zo’n regel ook organisatorische overwegingen ten grondslag liggen. Ook elders in de literatuur wordt deze overweging op deze manier begrepen.136 Diezelfde maatstaf kan echter niet zonder meer worden doorgetrokken naar het schriftelijk pleidooi, omdat dáár die organisatorische overwegingen niet gelden (en daarover ook niets is opgenomen in het procesreglement).

5.47

Dat aan de spreektijd bij pleidooi in een procesreglement een maximum kan worden gesteld, lijkt overigens in het algemeen buiten discussie te staan. Die spreektijd is op dit moment bij sommige hoven in beginsel beperkt tot 10 minuten en bij andere hoven tot in beginsel 30 minuten.137 In lijn daarmee is ook de omvang van een schriftelijke pleitnota gemaximeerd tot in beginsel 12 pagina’s.138 Ook daarvoor ontbreekt echter een wettelijke grondslag.

5.48

Het feit dat art. 20 lid 1 Rv de rechter de plicht oplegt om ambtshalve te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure, vormt m.i. een belangrijk argument om aan te nemen dat de rechter de bevoegdheid heeft om regels te stellen die betrekking hebben op een behoorlijk verloop van de procedure. De rechter heeft hiermee immers de taak om ambtshalve toe te zien op een efficiënt verloop van de procedure. De procesreglementen staan ook vol met dergelijke organisatorische regels: hoe moeten verhinderdata worden opgegeven, wanneer en in hoeveel -voud moet een procesdossier worden overgelegd, wat moet een advocaat doen als zij zich aan de zaak onttrekt, etc.

5.49

Bij de gedachte dat bepalingen die zijn ingegeven door de eisen van een behoorlijke rechtspleging en die in overwegende mate van organisatorische aard zijn, ook zonder expliciete wettelijke grondslag in een rolreglement kunnen worden opgenomen, laat zich een parallel trekken met de rechtspraak over de rolbeschikking. Volgens vaste rechtspraak staat tegen zo’n rolbeschikking geen rechtsmiddel open, als deze beperkt is tot een beslissing die niet in de rechten van partijen ingrijpt en slechts ‘strekt ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van een geregelde loop der zaken’.139 Zodra het echter gaat om beslissingen die wél ingrijpen in de rechten van partijen, zoals het weigeren van een bepaald processtuk of het verlenen van een akte niet-dienen, is geen sprake van een rolbeschikking en kan tegen de bewuste beslissing een rechtsmiddel worden aangewend.

5.50

De parallel is dat m.i. is aan te nemen dat de beslissingen die als rolbeschikking kunnen worden gekwalificeerd omdat ze niet wezenlijk ingrijpen in de rechten van partijen, dezelfde soort onderwerpen betreffen die ook zonder wettelijke grondslag in een procesreglement kunnen worden geregeld. Ook dan gaat het om regels die slechts strekken ‘ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van een geregelde loop der zaken’. In feite zijn procesreglementen er ook precies voor bedoeld om deze ‘huishoudelijke kwesties’ op een uniforme manier te regelen.140

Tussenconclusie

5.51

Uit het voorgaande volgt dat bepalingen in een procesreglement invulling geven aan rechterlijke beleidsruimte, maar dat die beleidsruimte niet in alle gevallen hoeft voort te vloeien uit een wettelijke grondslag. Voor bepalingen van overwegend organisatorische aard, die niet wezenlijk ingrijpen in de rechten van partijen, is dat niet het geval. Voor dergelijke regels hoeft de beleidsruimte dus niet voort te vloeien uit een wettelijke grondslag. Voor wat betreft het soort beslissingen waarom het dan gaat, kan een parallel worden getrokken met rolbeslissingen. Dergelijke beslissingen worden genomen ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van een geregeld verloop van de procesgang en beperken niet wezenlijk de rechten van partijen. Als voorbeeld is te noemen het beperken van de spreektijd ter zitting.141

5.52

Als het echter gaat om bepalingen in een procesreglement die wél wezenlijk ingrijpen in de rechten van partijen, ligt het anders. Daarvoor is in beginsel een wettelijke grondslag nodig, zij het dat in een enkel bijzonder geval ook de eisen van een behoorlijke rechtspleging dergelijke regels kunnen meebrengen (zie het voorbeeld onder 5.39). Duidelijk is dat van het wezenlijk ingrijpen in de rechten van partijen in ieder geval sprake is als het procesreglement aan het niet naleven van een bepaalde regel uit het reglement de sanctie van niet-ontvankelijkheid verbindt. Voor het opnemen van een dergelijke sanctie in het procesreglement is dus altijd een wettelijke grondslag vereist. Ik ga er vanuit dat hetzelfde geldt wanneer de regels in hun toepassing leiden tot niet-ontvankelijkheid, zoals het weigeren van een memorie van grieven omdat deze niet aan bepaalde vereisten voldoet.

Grijpen de maximeringsregels wezenlijk in de rechten van partijen in?

5.53

De hamvraag is dan of de maximeringsregels regels zijn die wezenlijk ingrijpen in de rechten van partijen, of dat zij in overwegende mate van organisatorische aard zijn en strekken ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van een geregeld verloop van de procedure.

5.54

Ik heb Ik heb hiIk heb lang getwijfeld over het antwoord op deze vraag. Uiteindelijk denk ik dat de regels in overwegende mate strekken ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van een geregelde loop der zaken. Beslissend daarvoor lijkt mij dat de maximeringsregels voorzien in (i) de mogelijkheid om een langer processtuk in te dienen als daarvoor toestemming is verleend, en (ii) de mogelijkheid om een aanvullende akte te nemen als daarvoor toestemming is verleend. Gelet op deze ‘fall back-opties’ komt het er in feite op neer dat het in eerste instantie niet is toegestaan om een processtuk in te dienen dat langer is dan 25 pagina’s, maar dat geen sprake is van een absoluut beletsel. Doordat de mogelijkheid wordt geboden om toch een langer processtuk en/of een aanvullende akte in te dienen, is m.i. geen sprake van een wezenlijk ingrijpen in de rechten van partijen.

5.55

Uit het procesreglement blijkt niet helemaal duidelijk wat er gebeurt als een partij geen gebruik maakt van de hersteltermijn van twee weken die geldt na weigering van een te lang processtuk en evenmin verzoekt om een langer processtuk te mogen indienen. Ik ga er vanuit dat het te lange processtuk dan (wederom) wordt geweigerd en dat akte niet-dienen volgt.142

5.56

Daarmee wordt een sanctie gesteld die feitelijk leidt tot niet-ontvankelijkheid (althans, als het gaat om de memorie van grieven). Zoals gezegd, is het uitgangspunt dat zonder wettelijke grondslag in een procesreglement niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid mag worden gesteld. Een op een dergelijke bepaling gebaseerde beslissing leidt onmiskenbaar tot een beperking van de rechten van een partij. Daarvoor is dus een wettelijke grondslag vereist.

5.57

Wellicht zou uit de onder 5.32-5.36 besproken beschikking over het Bijzonder rekestreglement personen- en familierecht van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage kunnen worden afgeleid dat de sanctie van niet-ontvankelijkheid wel mag volgen (c.q. het processtuk mag worden geweigerd), als na een geboden hersteltermijn wederom een stuk wordt ingediend dat niet aan de paginalimiet voldoet. Ik ga er echter vanuit dat daarvoor is vereist dat sprake is van aanvullende, bijzondere omstandigheden (die – in de woorden van Asser (zie onder 5.35) – leiden tot ‘een tamelijk ernstige schending van de goede procesorde’). Met andere woorden, het enkele feit dat gehandeld wordt in strijd met een bepaling in een procesreglement is niet voldoende om op grond van de eisen van een goede procesorde tot het oordeel van niet-ontvankelijkheid te komen.

5.58

Ook aan het arrest Ajax/Valk (zie onder 5.41) kan m.i. niet worden ontleend dat, na het ongebruikt verstrijken van een hersteltermijn, aan de eisen van een behoorlijke rechtspleging kan worden ontleend dat een te lang processtuk mag worden geweigerd.

5.59

Daarmee is het de vraag of er voor de maximeringsregels een wettelijk aanknopingspunt (of grondslag) bestaat, waarop gebaseerd zou kunnen worden dat een processtuk dat niet voldoet aan de paginalimiet mag worden geweigerd.

Art. 19 lid 2 Rv als wettelijke grondslag voor de maximeringsregels?

5.60

Volgens de Staat is een grondslag voor de in de maximeringsregels voorgeschreven paginalimiet gelegen in art. 19 lid 2 Rv. Naar ik begrijp wordt daarmee ook het standpunt ingenomen dat daarin een grondslag te vinden is voor het opleggen van de sanctie van niet-ontvankelijkheid bij overschrijding van de paginalimiet.143 Art. 19 Rv luidt als volgt:

“1. De rechter stelt partijen over en weer in de gelegenheid hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht, een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit. Bij zijn beslissing baseert de rechter zijn oordeel, ten nadele van een der partijen, niet op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten.

2. De rechter neemt ambtshalve of op verlangen van een van de partijen alle beslissingen die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure.”

Het tweede lid van art. 19 Rv is ingevoerd met de Wet KEI en is per 1 september 2017 voor alle procedures in werking getreden.144

5.61

In de artikelsgewijze toelichting bij art. 19 lid 2 Rv staat het volgende:145

“De rechter heeft in de nieuwe basisprocedure een sterkere regierol gekregen ten aanzien van het verloop van de procedure. Het is wenselijk dat de verantwoordelijkheid van de rechter voor een voorspoedig verloop van de procedure ook expliciet wordt neergelegd in de wet. Artikel 19, tweede lid, bepaalt daarom dat de rechter ambtshalve of op verlangen van een van partijen alle beslissingen neemt die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure.”

Hieruit blijkt dat art. 19 lid 2 Rv bedoeld is om de in de KEI-wetgeving beoogde regierol van de rechter een wettelijke basis te geven.

5.62

De begrippen ‘regievoering’ en ‘regierol’ van de rechter zijn voor het eerst als zodanig benoemd in de KEI-wetgeving.146 De noodzaak voor rechterlijke regie in Rv-KEI moet worden begrepen in samenhang met twee aspecten van de KEI-wetgeving. Dat is in de eerste plaats de versterking van de rol van de mondelinge behandeling in de procedure: de mondelinge behandeling is het hart van de civiele procedure geworden.147 Daarmee is het belangrijk dat de rechter een goede invulling geeft aan de procedure, wat onder meer inhoudt dat er duidelijkheid bestaat over wat partijen op de mondelinge behandeling kunnen verwachten, dat op de mondelinge behandeling zoveel mogelijk alle relevante informatie beschikbaar is (waar de rechter zo nodig voorafgaand al om moet vragen) en dat de mondelinge behandeling zo efficiënt mogelijk wordt gebruikt, bijvoorbeeld door daar direct getuigen te horen. Om al deze doelen te bereiken is het belangrijk dat de rechter sturing geeft aan partijen; dat is in feite wat er bedoeld wordt met regie. In de tweede plaats voorzag de KEI-wetgeving in een korte basisprocedure (procesinleiding, verweer, mondelinge behandeling), waarbij de mondelinge behandeling in beginsel sluitstuk zou moeten zijn en de rechter daarna dus vonnis kon wijzen. Om het mogelijk te maken dat in ‘niet-standaardzaken’ (zoals ze werden aangeduid in de parlementaire geschiedenis) toch extra proceshandelingen konden worden verricht, was het belangrijk dat de rechter ook voor wat betreft het verloop van de zitting zo nodig sturing gaf.

5.63

Aanvankelijk gaven de artikelen 30k en 30o Rv-KEI een nadere uitwerking aan de rechterlijke regierol.148 Zoals bekend is het grootste gedeelte van de KEI-wetgeving echter uiteindelijk niet ingevoerd.149 Art. 30k Rv-KEI heeft met de Spoedwet KEI echter een doorstart gemaakt als art. 87 Rv.150 Art. 87 Rv geeft een algemene regeling van de mondelinge behandeling en bevat onder meer een opsomming van de mogelijkheden die de mondelinge behandeling biedt. Die mogelijkheden zijn te zien als de instrumenten die de rechter onder het huidige Rv heeft voor regievoering voor, tijdens en na de mondelinge behandeling.151 Art. 87 Rv en art. 19 lid 2 Rv zijn dus de in het huidige Rv overgebleven regiebepalingen.

5.64

Over de regierol van de rechter is in de memorie van toelichting bij de Wet KEI het volgende te lezen:152

“De nieuwe civiele basisprocedure biedt de civiele rechter meer mogelijkheden om regie te voeren op het verloop van de procedure. Het is aan de rechter om de voortgang van de procedure te bewaken. Omdat partijen hun standpunt en (proces)stukken zo veel mogelijk meteen in het geding moeten brengen, kan de rechter het dossier normaliter beoordelen na de indiening van het verweerschrift (artikel 30k, vijfde lid, Rv). Bij de beoordeling van het dossier kan blijken dat partijen te weinig stukken hebben overgelegd ter onderbouwing van hun standpunten, of dat zij verwijzen naar stukken die niet zijn overgelegd. Als de rechter deze stukken nodig acht voor een goede oordeelsvorming, kan hij van partijen verlangen dat zij die stukken alsnog indienen (vgl. het huidige artikel 22 Rv). Als partijen geen gebruik maken van de mogelijkheid om hun standpunt beter te onderbouwen, kan de rechter daaraan de gevolgen verbinden die hem geraden voorkomen. De gerechten maken het mogelijk dat een zaak al in een vroeg stadium van de procedure wordt toebedeeld aan een rechter, zodat deze zo nodig ook voorafgaand aan de inhoudelijke mondelinge behandeling een regiezitting kan inlassen, al dan niet op verzoek van partijen.
(…)
Ook is van belang dat de rechter de invulling van de mondelinge behandeling in samenspraak met partijen kan afstemmen op de aard en complexiteit van de voorliggende zaak. In de consultatieronde is aangegeven dat het huidige recht in dat opzicht onvoldoende duidelijk is. Een deel van de rechters neemt thans aan dat tijdens een comparitie gelegenheid kan worden gegeven voor een pleidooi, terwijl een ander deel aanneemt dat de bestaande wetgeving daaraan in de weg staat. Met dit wetsvoorstel wordt verduidelijkt dat de rechter bewegingsruimte heeft bij de invulling van de mondelinge behandeling (artikel 30k Rv). Elke zaak bevat elementen die kenmerkend zijn voor die zaak. Die elementen kunnen om een specifieke invulling van de mondelinge behandeling vragen. Partijen kunnen wel of juist niet de behoefte hebben om hun standpunten nader toe te lichten. Het kan wel of juist niet nodig en wenselijk zijn om tijdens die mondelinge behandeling getuigen of deskundigen te horen. Het kan wel of juist niet zinvol zijn om de mogelijkheden van een schikking te verkennen. Het is aan de rechter om, met oog voor de behoeften van partijen, te bepalen hoe een specifieke mondelinge behandeling verloopt. Op deze manier biedt hij partijen maatwerk. De tijdige planning van de mondelinge behandeling en de invulling daarvan hebben tot gevolg dat de rechter meer regie kan voeren in de zaken die aan hem zijn voorgelegd. (…)

De rechter heeft voorts de mogelijkheid om regie te voeren omdat hij in overleg met partijen kan beslissen dat in een zaak het basisstramien moet worden aangevuld met additionele proceshandelingen (artikel 30o Rv). Ook daarvoor is de aard of complexiteit van de zaak doorslaggevend. Zo kan de rechter beslissen dat een regiezitting wenselijk is voordat beide partijen hun standpunten schriftelijk hebben toegelicht. Op grond van de aard of complexiteit van de zaak kan hij ook afwijkende termijnen nodig achten, bijvoorbeeld als het noodzakelijk is een uitspraak van een buitenlandse rechter af te wachten alvorens de Nederlandse rechter verder kan. Afwijking van de termijnen is mogelijk, al dan niet op verzoek van een van partijen, met de goede procesorde als uitgangspunt. Het is aan de rechter om te beslissen welke vervolgstappen gezet of welke proceshandelingen verricht moeten worden, opdat hij tot een gedegen oordeel kan komen. Afwijking van de termijnen of aanvullende proceshandelingen zijn niet nodig wanneer de rechter reeds voldoende informatie heeft ontvangen om de zaak af te doen.

Regievoering door de rechter kan bijdragen aan kortere doorlooptijden en meer tevredenheid onder rechtzoekenden, omdat procedures beter aansluiten bij de behoeften in een specifieke zaak. De rechter bepaalt welke proceshandelingen door partijen verricht kunnen worden en tot welk moment. Hij kan partijen bij zijn besluitvorming daarover betrekken. (…) Bij deze besluitvorming weegt de rechter de belangen van partijen af tegen het belang van een snelle en doelmatige procesvoering. Met het onderhavige wetsvoorstel wil ik rechters meer ruimte bieden om regie te voeren op te voortgang van de procedure. Een duidelijke grondslag daarvoor in de wet draagt bij aan rechtszekerheid. Tegelijkertijd blijft de uniformiteit van de rechtspleging van belang. Zoals ook de Raad voor de rechtspraak heeft opgemerkt in zijn advies over het voorontwerp (p. 4), gaat de regievoering niet zo ver dat elk gerecht of elke individuele rechter bijvoorbeeld zal kunnen bepalen op welke wijze een partij mondeling verweer kan voeren. De praktische uitwerking van het recht op mondeling verweer dient voorspelbaar te zijn voor de rechtzoekenden en kan het beste in een landelijk geldend procesreglement worden uitgewerkt. (…)”

5.65

Uit deze passage blijkt dat regievoering zoals bedoeld in Rv-KEI inhoudt dat de rechter op individueel zaaksniveau beslissingen neemt over hetzij de verschillende processuele stappen die worden genomen, hetzij de wijze waarop de zitting verloopt. Dit zijn de twee aspecten van regievoering: het afstemmen van de mondelinge behandeling op de bijzonderheden van de zaak en het bepalen van het verloop van de procedure, afhankelijk van de bijzonderheden van de zaak.153

5.66

Regievoering is dus onlosmakelijk verbonden met het begrip maatwerk: wat is in déze concrete zaak de beste (dat wil zeggen: de meest efficiënte maar ook meest doeltreffende) manier om de procesvoering in te richten. De wijze waarop de rechter in een concrete zaak regie voert, kan dus niet los worden gezien van de bijzonderheden van díe concrete zaak. Zie ook de korte samenvatting aan het begin van de memorie van toelichting bij de Wet KEI:154

“Flexibiliteit en maatwerk worden bereikt doordat de rechter in overleg met partijen van de basisprocedure kan afwijken. Zo kan de mondelinge behandeling in bepaalde gevallen achterwege blijven, terwijl in andere gevallen een extra mondelinge behandeling of andere zitting kan worden gehouden of een extra schriftelijke ronde kan worden ingelast.”

En:155

“De rechter krijgt met dit wetsvoorstel wel meer ruimte om regie te voeren ten aanzien van het verloop van de procedure. Omdat de mondelinge behandeling relatief snel na de start van de procedure plaatsvindt, is vroegtijdig overleg van de rechter en partijen mogelijk. Het wetsvoorstel regelt dat de rechter de mondelinge behandeling kan afstemmen op de bijzonderheden van de zaak en dat hij kan afwijken van het stramien van de basisprocedure indien de aard of complexiteit van de zaak dat meebrengt (artikel 30o Rv).”

5.67

Betoogd zou kunnen worden dat art. 19 lid 2 Rv voorziet in beslissingsruimte voor de rechter voor het uitoefenen van regie, zodat rechters bij wijze van zelfbinding ook algemene regels kunnen stellen voor de manier waarop zij invulling geven aan die beleidsruimte. Hier stuiten we echter op twee problemen.

5.68

In de eerste plaats is het lastig dat art. 19 lid 2 Rv er nu juist voor is bedoeld om op individueel zaaksniveau beslissingen te kunnen nemen die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure. Dat is nu juist het hele idee van regievoering: maatwerk op individueel niveau. Dit betekent dat de ratio van art. 19 lid 2 Rv op gespannen voet staat met het stellen van algemene regels die gelden voor alle zaken.

5.69

Een tweede probleem is dat er geen enkel aanknopingspunt is in de wetsgeschiedenis om aan te nemen dat bij regievoering in de zin van art. 19 lid 2 Rv (‘beslissingen die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure’) ook gedacht is aan het nemen van een beslissing over de maximale omvang van processtukken. Ook dat maakt het lastig om aan te nemen dat art. 19 lid 2 Rv op dit punt (beleids)ruimte biedt aan de rechter.

5.70

De Staat leidt uit de laatste zinnen van de hiervoor onder 5.62 geciteerde passage uit de memorie van toelichting (“Tegelijkertijd … uitgewerkt.”) af dat art. 19 lid 2 Rv óók een grondslag biedt voor het in een procesreglement invulling geven aan regievoering.

5.71

Die passage gaat echter over de wijze waarop een partij mondeling verweer kan voeren, en heeft dus geen betrekking op de lengte van processtukken.

5.72

Verder verwijst de Staat in dit verband ook naar de volgende passage uit de Nota naar aanleiding van het verslag:156

“De leden van de D66-fractie vragen in verband met de grotere regierol van de rechter of en op welke wijze professionele standaarden zullen worden ontwikkeld om discussie te voorkomen, indien rechters meer ruimte in het proces nemen.

Voor de invulling van de regierol zijn onder meer de landelijk vast te stellen procesreglementen van belang. Met behulp van die procesreglementen worden de wettelijke regels nader ingevuld. Hiermee hangt de ontwikkeling van de professionele standaarden samen. Zowel de procesreglementen als de professionele standaarden worden met brede participatie vanuit de rechtspraak ontwikkeld. De procesreglementen worden ook afgestemd met externe stakeholders. Voor wat betreft de invulling van de regierol zijn verder de interne opleiding van rechters en werkoverleggen van belang. Voor het overige zal de jurisprudentie een richtsnoer geven.”

5.73

De vraag die de leden van de D66-factie stelden, en waar de hiervoor geciteerde tekst een antwoord op was, luidde als volgt (mijn onderstreping):

“De leden van de D66-fractie merken op dat de rechter een grotere regierol krijgt tijdens de zitting. Zij vragen de regering of en zo ja op welke wijze professionele standaarden zullen worden ontwikkeld teneinde discussie te voorkomen als de rechters meer ruimte in het proces nemen.”

5.74

De vraag – en daarmee ook het antwoord – zag dus op regievoering tijdens de zitting (zie daarover ook onder 5.60). Kennelijk is gedacht dat daarover in de procesreglementen nadere regels worden opgenomen. Dat is ook gebeurd, bijvoorbeeld in de artikelen 4.1 e.v. van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven. Verder wordt in de aangehaalde passage verwezen naar de ontwikkeling van professionele standaarden. Ook daar wordt aan gewerkt, denk aan de Professionele standaard Meervoudig beslissen van de civiele afdelingen van de hoven. Maar een professionele standaard is uiteraard wat anders dan een procesreglement.

5.75

Kortom, naar mijn mening is er in de wetsgeschiedenis van art. 19 lid 2 Rv geen aanknopingspunt te vinden voor de gedachte dat deze bepaling een grondslag zou kunnen bieden voor het maximeren van de omvang van processtukken. A fortiori kan daarin ook geen grondslag worden gevonden voor het weigeren van een processtuk omdat dit langer is dan een in een procesreglement voorgeschreven aantal pagina’s.

De eisen van een goede procesorde als grondslag voor de maximeringsregels?

5.76

Een andere mogelijkheid is dat de bevoegdheid van de rechter om in een procesreglement eisen te stellen aan de maximale omvang van processtukken gebaseerd kan worden op de eisen van de goede procesorde. Dit standpunt wordt subsidiair door de Staat verdedigd.

5.77

De Staat verwijst hier naar de ‘al sinds 1931’ bestaande rechtspraak waarin de feitenrechter een akte van een procespartij kan weigeren, omdat de omvang daarvan te lang is en de akte in feite een verkapte conclusie behelst.157 Verder noemt de Staat als argument dat al in 2008 in het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven de spreektijd bij pleidooi in beginsel was beperkt tot 30 minuten.158 In het huidige procesreglement is die spreektijd vaak korter (zie onder 5.47).

5.78

Het standpunt dat de Staat hier inneemt kan in zoverre worden onderschreven, dat de maximeringsregeling op zichzelf te kwalificeren is als een regeling die in overwegende mate van organisatorische aard is, en daarmee kan worden gegrond op de eisen van een behoorlijke rechtspleging (of, m.i. minder voor de hand liggend, de eisen van een goede procesorde). Dat geldt echter niet voor het weigeren van een processtuk dat niet voldoet aan de paginalimiet, ook niet als eerder een hersteltermijn is geboden. Daarvoor is wel een wettelijke grondslag nodig (zie hiervoor onder 5.50).

Art. 35 Rv: nadere regels bij AMvB

5.79

Als mogelijke wettelijke grondslag is ook nog te denken aan art. 35 Rv.159 Deze bepaling luidt als volgt:

“1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot door de rechter te stellen termijnen voor het verrichten van proceshandelingen en kunnen beperkingen worden gesteld aan de mogelijkheid om daarvoor uitstel te verkrijgen.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ook andere nadere regels worden gesteld betreffende het verloop van de procedure, de opmaak en inrichting van de door partijen in het geding te brengen stukken, alsmede nadere regels ter bevordering van de eenheid van de wijze van rechtspleging bij de verschillende gerechten.”

5.80

Nu art. 35 Rv slechts de grondslag biedt voor het stellen van nadere regels bij algemene maatregel van bestuur, is direct duidelijk dat de bepaling niet de basis kan vormen voor een rechtersregeling (met welke inhoud dan ook) over de in de bepaling genoemde onderwerpen.160

5.81

Overigens is er tot op heden geen algemene maatregel van bestuur uitgevaardigd waarin wettelijke termijnen voor het verrichten van proceshandelingen zijn neergelegd (art. 35 lid 1 Rv). Dit hangt vermoedelijk samen met de opmerking in de parlementaire geschiedenis bij art. 35 Rv dat vanwege de totstandkoming van een landelijk rolreglement voor de civiele rol bij de rechtbanken vooralsnog geen gebruik hoeft te worden gemaakt van de mogelijkheid om de termijnen bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen.161 Eerder was in de memorie van toelichting al in algemene zin opgemerkt dat het tot stand brengen van een uniform landelijk rolreglement in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de rechterlijke macht zelf is en dat van de bevoegdheid van art. 35 Rv pas gebruik zal worden gemaakt indien uniforme regels niet binnen een redelijke termijn op andere wijze tot stand komen.162

5.82

Art. 35 Rv heeft een breder bereik dan art. 133 Rv (zie over art. 133 Rv onder 5.38-5.40). Art. 35 lid 2 Rv houdt immers in dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld ‘betreffende het verloop van de procedure, de opmaak en inrichting van de door partijen in het geding te brengen stukken, alsmede nadere regels ter bevordering van de eenheid van de wijze van rechtspleging bij de verschillende gerechten’. Art. 133 Rv biedt géén grondslag voor het stellen van (rechterlijke) regels op deze punten.

5.83

Ten slotte is nog op te merken dat de zinsnede in art. 35 lid 2 Rv dat nadere regels kunnen worden gesteld over ‘de opmaak en inrichting van de door partijen in het geding te brengen stukken’ is ingevoerd met de Wet KEI.163 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat daarmee beoogd is dat regels kunnen worden gesteld voor het opstellen van gedigitaliseerde stukken in een bepaald format.164

Conclusie tot zover

5.84

De conclusie tot zover is dat procesreglementen wel bepalingen mogen bevatten over de maximale omvang van processtukken, omdat dergelijke regels in overwegende mate als van organisatorische aard zijn te kwalificeren, zolang de regels de mogelijkheid bieden om (met toestemming) ook een langer processtuk in te kunnen dienen en/of een aanvullende akte te kunnen nemen. Er is echter geen uit de wet voortvloeiende beleidsruimte voor de rechter – ook niet in samenhang met de eisen van een behoorlijke rechtspleging dan wel de eisen van de goede procesorde – om een processtuk dat niet voldoet aan de paginalimiet te weigeren. Voor de appellerende partij zou zo’n weigering tot gevolg hebben dat het hoger beroep niet ontvankelijk is, omdat immers niet van grieven is gediend. Een dergelijke, ingrijpende beslissing kan niet worden genomen zonder dat daarvoor een wettelijke grondslag bestaat. Zo’n grondslag is er nu in ieder geval niet. En als de memorie van grieven niet kan worden geweigerd, kan moeilijk worden verdedigd dat de memorie van antwoord bij overschrijding van de paginalimiet wel zou kunnen worden geweigerd; in dat geval ontstaat er strijd met het beginsel van gelijkheid der wapenen (zie onder 6.6).

5.85

Dit roept de vraag op of de procesreglementen wel een andere, minder ingrijpende sanctie zouden mogen stellen op het indienen van een processtuk dat niet voldoet aan de paginalimiet. M.i. is dat het geval. De procesreglementen zouden kunnen bepalen dat een te lang processtuk – in de situatie dat geen toestemming is verleend om een langer stuk in te dienen en na het bieden van een hersteltermijn niet een korter stuk is ingediend – niet wordt gelezen, voor zover de paginalimiet is overschreden. Dit is m.i. geen sanctie die zodanig ingrijpt in de rechten van partijen dat daarvoor een wettelijke grondslag nodig is.

5.86

Wel kan in zo’n geval onder omstandigheden sprake zijn van schending van het recht op hoor en wederhoor. Dat komt in de volgende paragraaf aan de orde.

6 Het recht op hoor en wederhoor

Inleiding

6.1

Het beginsel van hoor en wederhoor is het meest fundamentele beginsel van het Nederlandse burgerlijke procesrecht.165 Het beginsel is in 2002 in art. 19 (thans lid 1) Rv gecodificeerd (zie onder 5.60), maar het speelde ook daarvoor in de rechtspraak van de Hoge Raad al een belangrijke rol als beginsel van ongeschreven recht.166

6.2

Het beginsel van hoor en wederhoor is ook een van de aspecten van het recht op een eerlijk proces, zoals dat is neergelegd in art. 6 EVRM. De rechten die volgen uit art. 6 EVRM moeten als een minimumwaarborg worden beschouwd. Dit betekent dat de Nederlandse rechter zwaardere eisen mag stellen aan het recht op hoor en wederhoor, dan dat zij zou hoeven doen in het licht van de EHRM-jurisprudentie.167

6.3

In de literatuur worden wel drie aspecten van het recht op hoor en wederhoor onderscheiden (die overigens niet steeds scherp zijn te scheiden).168

Recht op rechterlijk gehoor

6.4

Dat is in de eerste plaats het recht op rechterlijk gehoor. Het recht op rechterlijk gehoor heeft als uitgangspunt dat elke procespartij het recht heeft om haar standpunten naar voren te brengen en toe te lichten.169 Het recht op rechterlijk gehoor brengt mee dat partijen in voldoende mate en op gepaste wijze in de gelegenheid worden gesteld om zich over de zaak uit te laten.170 Volgens Giesen betekent dit dat een partij “de kans moet hebben om de eigen zaak aan de rechter voor te leggen”.171 Smits omschrijft dit recht als “de aanspraak om in voldoende mate en op gepaste wijze in de gelegenheid te worden gesteld om zich als partij in zowel feitelijk als juridisch opzicht over een zaak uit te laten”.172 Het recht op rechterlijk gehoor is dus ruimer dan het recht op tegenspraak. Ook het recht van de partijen op een effectieve reactie op alle informatie die in het geding wordt gebracht, met het oog op de beïnvloeding van de rechter, valt onder het recht op rechterlijk gehoor.173 Met name de Mantovanelli-uitspraak van het EHRM is hier leidend.174

Recht op tegenspraak

6.5

Het beginsel van hoor en wederhoor ziet in de tweede plaats op het recht op tegenspraak (‘adversarial proceedings’). Daarbij gaat het om het recht van partijen om zich uit te laten over de standpunten en alle in het geding gebrachte stukken van de wederpartij.175 De rechter mag zich niet baseren op informatie die ten nadele van de wederpartij werkt, zonder dat deze zich hier (voldoende) over heeft kunnen uitlaten.176 Onder meer de rechtspraak over late overlegging van stukken – in welk geval de wederpartij voldoende tijd moet hebben gehad om op een deugdelijke wijze kennis hiervan te nemen – staat in het teken van dit aspect van het beginsel van hoor en wederhoor.177

Beginsel van gelijkheid der wapenen

6.6

In de derde plaats omvat het beginsel van hoor en wederhoor het beginsel van gelijkheid der wapenen (‘equality of arms’). Dat houdt in dat geen van partijen benadeeld mag worden ten opzichte van de andere partij; een partij heeft het recht om in gelijke mate gehoord te worden als de wederpartij.178

Beperkingen aan het recht op hoor en wederhoor

6.7

Het recht op hoor en wederhoor is echter niet onbegrensd.179 Dit volgt ook uit het slot van de eerste volzin van art. 19 lid 1 Rv (“een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit”). Het bekendste voorbeeld180 van zo’n wettelijke beperking is de procedure tot verlenen van beslagverlof: in die procedure zal de rechter de beslagene in beginsel niet horen (art. 700 Rv). Een ander voorbeeld is verstekverlening: als een gedaagde behoorlijk is opgeroepen maar niet in het geding verschijnt, wordt tegen hem verstek verleend. In dat geval wijst de rechter de vordering toe, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt (art. 139 Rv).

6.8

Ook art. 132 lid 3 Rv, dat bepaalt dat de rechter slechts nadere conclusies toestaat voor zover dat met het oog op art. 19 Rv of met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk is, is te beschouwen als een wettelijke beperking van het recht op hoor en wederhoor. Hetzelfde geldt voor de regel van art. 133 lid 4 Rv, dat wanneer een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, het recht om de desbetreffende proceshandeling te verrichten vervalt (zie daarover ook onder 5.38-5.40).

6.9

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ook op grond van de goede procesorde beperkingen kunnen worden gesteld aan het recht op hoor en wederhoor. Een voorbeeld hiervan is dat de rechter op grond van de goede procesorde stukken die in een zeer laat stadium van de procedure worden overgelegd, kan weigeren.181 Een ander voorbeeld is de jurisprudentie waarin is geoordeeld dat partijen in cassatie in re- en dupliek dienen te volstaan met een beknopte reactie op de schriftelijke toelichting van de wederpartij en dat zij in deze stukken geen nieuwe onderwerpen mogen aansnijden.182

Zijn de maximeringsregels in strijd met beginsel van hoor en wederhoor?

6.10

De Advocaten stellen zich in deze procedure op het standpunt dat de maximeringsbepalingen in de procesreglementen in strijd zijn met het recht op hoor en wederhoor.183 Als ik het goed zie, hebben zij daarmee vooral het eerste aspect van het beginsel van hoor en wederhoor op het oog, dus het recht op rechterlijk gehoor.184 Het gaat hen erom ‘dat het aan partijen is om te beslissen hoe zij hun zaak inkleden en aan de rechter presenteren’.185

6.11

Uit het voorgaande volgt echter dat het recht op rechterlijk gehoor niet onbeperkt is. Het gaat erom dat partijen in voldoende mate en op gepaste wijze in de gelegenheid zijn gesteld om zich over de zaak uit te laten en op de door hen gewenste wijze de zaak aan de rechter hebben kunnen presenteren. Nu de maximeringsregels voorzien in de mogelijkheid om een langer processtuk in te dienen als daarvoor toestemming is verleend, en/of in de mogelijkheid om een aanvullende akte te nemen als daarvoor toestemming is verleend, kan niet worden gezegd dat de maximeringsregels op zichzelf in strijd komen met het recht op hoor en wederhoor.

6.12

Wel kan onder omstandigheden strijd met het beginsel van hoor en wederhoor ontstaan als sprake zou zijn van een onterechte weigering om een langer processtuk te mogen indienen en/of een aanvullende akte te mogen nemen. In zo’n geval is het de beslissing van de rolraadsheer die leidt tot strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.

6.13

Schending van het recht op hoor en wederhoor door de rechter vormt voor de partij die hiervan nadeel ondervindt een grond om hoger beroep en beroep in cassatie in te stellen. Dit kan volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ook als de wet hogere voorzieningen uitsluit.186 Met andere woorden, in voorkomende gevallen zal een partij in cassatie kunnen klagen over strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Of die klacht terecht is, hangt af van de omstandigheden van het geval.

7 Het recht op toegang tot de rechter

Inleiding

7.1

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een procedure die voldoet aan de eisen van art. 6 EVRM, gaat het er in de rechtspraak van het EHRM steeds om of de procedure in zijn geheel eerlijk is geweest.187 De rechtsgang hoeft dus niet in alle onderdelen en in alle fasen te voldoen aan de eisen van art. 6 EVRM.

7.2

Het EHRM heeft voor wat betreft civiele zaken voor het eerst verwezen naar het recht op toegang tot de rechter in de zaak Golder/VK. Daarin werd overwogen dat de tekst van art. 6 lid 1 EVRM weliswaar niet in expliciete bewoordingen spreekt over dit recht, maar dat het recht op toegang tot de rechter een inherent onderdeel uitmaakt van de waarborgen die volgen uit art. 6 lid 1 EVRM. Het recht op een eerlijk proces – zoals dat is vervat in art. 6 lid 1 EVRM – veronderstelt namelijk dat men allereerst wel toegang tot de rechter heeft kunnen hebben.188

7.3

Het recht op toegang tot de rechter moet volgens het Hof ‘praktisch en effectief’ zijn, en dus niet louter theoretisch of illusoir.189

7.4

Het recht op toegang tot de rechter is echter geen absoluut recht. In de zaak Ashingdane/VK overwoog het EHRM in dat kader het volgende (mijn onderstrepingen):190

“57 (…). Certainly, the right of access to the court is not absolute but may be subject to limitations; these are permitted by implication since the right of access “by its nature calls for regulation by the State, regulation which may vary in time and in place according to the needs and resources of the community and of individuals” (see the above-mentioned Golder judgment, p. 19, par. 38, quoting the “Belgian Linguistic” judgment of 23 July 1968, Series A no. 6, p. 32, par. 5). In laying down such regulation, the Contracting States enjoy a certain margin of appreciation. Whilst the final decision as to observance of the Convention’s requirements rests with the Court, it is no part of the Court’s function to substitute for the assessment of the national authorities any other assessment of what might be the best policy in this field (see mutatis mutandis, the Klass and Others judgment of 6 September 1978, Series A no. 28, p. 23, par. 49). Nonetheless, the limitations applied must not restrict or reduce the access left to the individual in such a way or to such an extent that the very essence of the right is impaired (see the above-mentioned Golder and ‘Belgian Linguistic’ judgments, ibid., and also the above-mentioned Winterwerp judgment, Series A no. 33, p. 24 and 29, par. 60 and 75). Furthermore a limitation will not be compatible with Article 6 par. 1 if it does not pursue a legitimate aim and if there is not a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be achieved.”

7.5

Beperkingen van het recht op toegang tot de rechter zijn dus toegestaan, omdat dit recht naar zijn aard vraagt om regulering door een lidstaat (‘regulation by the State’). Deze regulering kan variëren naar tijd en plaats, en mede afhankelijk zijn van de behoeften en beschikbare middelen van de samenleving en individuen.191

Margin of appreciation

7.6

Bij het opleggen van beperkingen van het recht op toegang tot de rechter hebben de lidstaten een zekere beoordelingsvrijheid (‘margin of appreciation’) om te bepalen welk beleid het best gehanteerd kan worden.192 Uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Naït-Liman/Zwitserland volgt dat de omvang van deze margin of appreciation mede kan afhangen van relevante internationaalrechtelijke bepalingen, evenals van het bestaan van een consensus (a “European consensus”) of een zekere trend onder de lidstaten van de Raad van Europa met betrekking tot de in de zaak voorliggende kwestie(s).193

7.7

Verder is van belang dat beperkingen aan het recht op toegang voorzienbaar zijn.194 Dat betekent niet dat er altijd een wettelijke grondslag voor een beperking hoeft te zijn; ook een beperking die gebaseerd is op jurisprudentiële regels kan een voorzienbare beperking inhouden (zie bijvoorbeeld de zaak Levages Prestations Services/Frankrijk (rov. 42), hierna onder 7.11).

Drie voorwaarden aan beperkingen van het recht op toegang tot de rechter

7.8

Het recht op toegang tot de rechter mag volgens vaste rechtspraak van het EHRM195 alleen worden beperkt, indien de beperking voldoet aan de volgende drie voorwaarden:196

(i) De beperking mag niet de kern van het recht op toegang tot de rechter (‘the very essence of the right’) aantasten;

(ii) De beperking moet een legitiem doel dienen; en

(iii) Er moet sprake zijn van proportionaliteit tussen het doel – dat met de beperking wordt beoogd – en de ingestelde beperking.

Eerste voorwaarde: recht op toegang mag niet in de kern worden aangetast

7.9

Voor wat betreft de eerste voorwaarde, dat de beperking het recht op toegang tot de rechter niet in de kern mag aantasten, is van belang dat aan art. 6 lid 1 EVRM niet een recht op hoger beroep of cassatie kan worden ontleend. Als binnen een lidstaat echter de mogelijkheid bestaat om hoger beroep of cassatieberoep in te stellen, dan moeten deze procedures wel aan de eisen van art. 6 EVRM voldoen.197

7.10

Als het gaat om procedurele eisen aan het instellen van een rechtsmiddel, wordt al snel aangenomen dat het binnen de margin of appreciation van de lidstaat valt om dergelijke eisen te stellen, mits de kern van het recht op toegang niet wordt aangetast.

7.11

Als voorbeeld kan worden genoemd de zaak Levages Prestations Services/Frankrijk.198 In deze zaak was klager door de Cour de Cassation ambtshalve niet-ontvankelijk verklaard, zonder eerst gelegenheid tot herstel te hebben gekregen, omdat de cassatieadvocaat had verzuimd om een kopie van het tussenarrest van het hof van Parijs mee te zenden met het cassatieberoepschrift. Dat dit vereist was, volgde uit art. 979 van het Franse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de daarover ontwikkelde rechtspraak. Het EHRM overwoog het volgende:

“40. The Court reiterates that the “right to a tribunal”, of which the right of access is one aspect (see the Golder v. the United Kingdom judgment of 21 February 1975, Series A no. 18, p. 18, para. 36), is not absolute; it is subject to limitations permitted by implication, in particular where the conditions of admissibility of an appeal are concerned, since by its very nature it calls for regulation by the State, which enjoys a certain margin of appreciation in this regard (see the Ashingdane v. the United Kingdom judgment of 28 May 1985, Series A no. 93, pp. 24-25, para. 57).

(…)

42. In order to satisfy itself that the very essence of the applicant company's ‘right to a tribunal’ was not impaired by the declaration that the appeal was inadmissible, the Court will firstly examine whether the procedure to be followed for an appeal on points of law, in particular with respect to the production of documents, could be regarded as foreseeable from the point of view of a litigant and whether, therefore, the penalty for failing to follow that procedure did not infringe the proportionality principle.

Article 979 NCCP expressly requires only the production of the decision appealed against, but that expression, under the Court of Cassation's case-law, ‘has to be understood as applying not only to the decision appealed against, but also to decisions that are its necessary complement’. There can be no doubt that this case-law, which is old and readily accessible, was available to a member of the Conseil d'Etat and Court of Cassation Bar.

The applicant company's counsel was thus in a position to ascertain what steps he had to take to bring an appeal on points of law, both from the wording of Article 979 NCCP and, if necessary, with the aid of the case-law, which was sufficiently clear and coherent (see, the Geouffre de la Pradelle v. France judgment previously cited, p. 43, § 34).

(…)

45. However, the manner in which Article 6 para. 1 (art. 6-1) applies to courts of appeal or of cassation must clearly depend on the special features of the proceedings concerned and account must be taken of the entirety of the proceedings conducted in the domestic legal order and the court of cassation’s role in them (…); the conditions of admissibility of an appeal on points of law may be stricter than for an ordinary appeal.

46. Lastly, in its case-law on Article 6 the Court has accepted that the requirements inherent in the concept of ‘fair hearing’ are not necessarily the same in cases concerning the determination of civil rights and obligations as in cases concerning the determination of a criminal charge. The Contracting States have greater latitude when dealing with civil cases concerning civil rights and obligations than when dealing with criminal cases (see the Dombo Beheer BV v. the Netherlands judgment of 27 October 1993, Series A no. 274, p. 19, § 32). (…)

47. The Court notes that in civil cases the procedure for gaining access to the Court of Cassation varies according to whether exemption from legal representation is available for the type of proceedings concerned or not. If it is, Article 988 NCCP lays down that the appellate court's registry must send the case file and a copy of the decision appealed against to the Court of Cassation's registry without delay. On the other hand, in proceedings for which legal representation by a member of the Conseil d'Etat and Court of Cassation Bar is compulsory, the rules are stricter for the parties — who are represented — and the court registries have fewer obligations; Article 977 NCCP requires only that the registrar of the Court of Cassation request the case file and, under the Court of Cassation's case-law, the court has no obligation to inform the parties of any failure to comply with the rules of procedure.

48. Given the special nature of the Court of Cassation's role, which is limited to reviewing whether the law has been correctly applied, the Court is able to accept that the procedure followed in the Court of Cassation may be more formal, especially as in proceedings with compulsory representation the parties will be represented by a member of the Conseil d'Etat and Court of Cassation Bar (…). Moreover, the appeal to the Court of Cassation was made in the instant case after the applicant company’s claims had been heard by both a commercial court and a court of appeal, each of which had full jurisdiction.

49. In conclusion, regard being had to all the proceedings in the domestic courts, Levages Prestations Services’ right of access to a court as guaranteed by Article 6 para. 1 of the Convention (art. 6-1) was not infringed by reason of the conditions which it had to satisfy for its appeal on points of law to be admissible.

50. Consequently, there has been no violation of that provision (art. 6-1).”

7.12

Het komt er dus op neer dat procedurele eisen mogen worden gesteld aan het instellen van (cassatie)beroep, ook als deze strikt zijn, mits voor een partij vooraf duidelijk is welke eisen dat zijn (could be regarded as foreseeable for a litigant).

7.13

Een ander voorbeeld is de zaak Zubac/Kroatië.199 Hierin was het cassatieberoep van Zubac bij het Kroatische Hooggerechtshof niet-ontvankelijk bevonden, omdat het financiële belang van de zaak volgens de processtukken in feitelijke instanties te laag was voor het instellen van cassatieberoep. In werkelijkheid was met de zaak echter een veel hoger bedrag gemoeid. Zubac had het belang echter zelf zo laag gesteld (om te voorkomen dat een hoger griffierecht moest worden betaald; kennelijk volgens een gebruikelijke praktijk). Het EHRM oordeelde dat geen sprake was van een beperking van de kern van het recht op toegang tot de rechter, omdat, heel kort samengevat, Zubac zelf had kunnen voorkomen dat de financiële waarde op een te laag bedrag werd vastgesteld.

7.14

Ook kan worden genoemd de zaak Brualla Gómez/Spanje. In deze zaak werd nadat klaagster al haar voornemen om in cassatie te gaan kenbaar had gemaakt, de financiële appelgrens voor huurzaken in cassatie verhoogd. Hierdoor werd zij niet-ontvankelijk verklaard door de Spaanse cassatierechter. Volgens het EHRM was het recht van klaagster op toegang tot de rechter niet in de kern aangetast, onder meer omdat zij zowel in eerste als in tweede aanleg haar zaak volledig aan een feitenrechter had kunnen voorleggen (waarbij het EHRM aantekent dat ‘fairness’ van de procedures in feitelijke instanties niet ter discussie was gesteld).200 Meegewogen wordt dus dat het om een cassatieprocedure gaat.

7.15

De grens ligt daar waar sprake is van excessief formalisme; dan is niet meer sprake van een legitieme beperking (vgl. hierna onder 7.20-7.21).

Tweede voorwaarde: beperking moet legitiem doel hebben

7.16

Een voorbeeld van een zaak waarin een legitiem doel ontbrak is de zaak Oorzhak/Rusland.201 In deze zaak werd de klager in een cassatieprocedure niet-ontvankelijk verklaard, omdat de cassatietermijn zou zijn verstreken. Er was echter uitgegaan van een termijn die was aangevangen op de dag waarop de appelrechter een hoorzitting had gehouden, in plaats van de gebruikelijke dag waarop het vonnis door de appelrechter was gewezen. Niet duidelijk was geworden waarom voor dat aanvangsmoment van de termijn was gekozen, wat het EHRM tot het oordeel bracht dat er geen legitiem doel was voor de beperking.

7.17

In de al genoemde zaak Brualla Gómez de la Torre/Spanje (zie onder 7.14) achtte het EHRM het door de maatregel nagestreefde doel – het voorkomen van een overbelasting van de cassatierechter – wel een legitiem doel:202

“36 (…), the Court considers legitimate the aim pursued by this statutory amendment, namely increasing the financial threshold for appeals to the Supreme Court in this sphere, so as to avoid that court’s becoming overloaded with cases of lesser importance. But it is also a requirement that the inadmissibility of the appeal to the Supreme Court did not impair the very essence of the applicant’s right to a court or “tribunal” within the meaning of Article 6 § 1.”

7.18

Dat het voorkomen van overbelasting van de rechtspraak een legitiem doel is, volgt ook uit de zaak Stanev/Bulgarije.203 Ook het verplichten tot het beproeven van een schikking voorafgaand aan de procedure – om daarmee lange en kostbare procedures te voorkomen – werd door het EHRM bestempeld als een maatregel die een legitiem doel nastreeft.204 Andere doelen die door het EHRM als legitiem zijn beoordeeld, zien bijvoorbeeld op het creëren van rechtszekerheid door middel van wettelijke verjaringstermijnen205 en het vooraf laten stellen van zekerheid met het oog op het verhalen van de proceskosten.206

Derde voorwaarde: proportionaliteit tussen beperking en doel

7.19

De derde voorwaarde voor een beperking van het recht op toegang tot de rechter is dat sprake moet zijn van proportionaliteit tussen de opgelegde beperking en het nagestreefde legitieme doel. De margin of appreciation bepaalt in dat kader mede hoe ver een lidstaat kan gaan.207 Hiermee is het in de eerste plaats aan de lidstaat om te zorgen voor een evenwicht tussen de beperking en het daarmee nagestreefde doel.

7.20

In de zaak Liakopoulou/Griekenland208 had de Griekse Hoge Raad de klaagster, van wie een stuk grond onteigend was, niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet de feiten waarop de appelrechter zijn oordeel had gebaseerd bij haar cassatiegronden had besproken. Dit was in strijd met de in de Griekse jurisprudentie ontwikkelde regel dat de cassatieschriftuur een gedetailleerde uiteenzetting dient te geven van de feiten waarop het Hof van Beroep zijn arrest heeft gebaseerd. Klaagster had die feiten echter wel besproken in de inleiding van haar cassatieschriftuur. Volgens het EHRM gaf de wijze waarop de Griekse Hoge Raad de uit de jurisprudentie voortvloeiende beperking had toegepast, blijk van excessief formalisme, waardoor geen sprake was van proportionaliteit.209

7.21

In de rechtspraak van het EHRM zijn vele voorbeelden van zaken waarin de toepassing van bepaalde procesrechtelijke regels als excessief formalistisch is bestempeld. In het algemeen is daarvan vooral sprake als een partij in materiële zin wel voldoet aan een procesrechtelijke regel, zoals de verplichting tot het geven van informatie over de in lagere instantie vastgestelde feiten, maar daarvoor niet de juiste, formeel voorgeschreven vorm kiest.210

7.22

Een recent voorbeeld is het EHRM-arrest in de zaak Succi e.a./Italië.211 In deze zaak waren klagers niet-ontvankelijk verklaard door de Italiaanse Hoge Raad, omdat zij in strijd met de destijds geldende voorschriften (de regel is afgeschaft met het onder 9.7 te bespreken protocol212) niet de stukken uit eerdere instanties hadden opgenomen in het cassatieberoepschrift. Deze voorschriften waren gebaseerd op het autonomiebeginsel en dienden volgens het EHRM een legitiem doel:213 het vereenvoudigen van het werk van de cassatierechter en tegelijkertijd het dienen van de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling. Het autonomiebeginsel stelt de rechter in staat de inhoud van de klachten te bepalen op grond van (enkel) de lezing van het beroepschrift, wat de effectiviteit en efficiëntie dient; dat is niet alleen in het belang van justitiabelen, maar ook in het algemeen belang. Verder overwoog het EHRM dat deze beperking proportioneel was, en dat de vereisten over hoe het cassatiestuk moest worden ingericht duidelijk volgden uit de destijds kenbare jurisprudentie en dat verwacht mocht worden dat een cassatieadvocaat hiervan op de hoogte zou zijn.

7.23

In de zaak Succi werd vervolgens geoordeeld dat voldoende duidelijk is op welke gronden elk van de cassatiemiddelen berust en naar welke (in de nationale procedure overgelegde) stukken in het beroepschrift wordt verwezen, zodat de niet-ontvankelijkverklaring op grond van het niet in acht nemen van de desbetreffende eisen excessief formalistisch is en niet gerechtvaardigd wordt door de doeleinden achter het autonomiebeginsel. Daarmee was sprake van een schending van art. 6 EVRM.214

7.24

In de parallelle zaken Pezzullo en Di Romano e.a. oordeelde het EHRM dat géén sprake was van een schending.215 Overwogen werd dat de destijds geldende procesrechtelijke regels omtrent de presentatie van de rechtsvragen en de motiveringsklachten in het beroepschrift zijn toegepast, die de advocaat van klagers bekend hadden moeten zijn geweest. Wat betreft het autonomiebeginsel moet met de cassatierechter worden vastgesteld dat het beroepschrift niet aan de daaruit voortvloeiende eisen voldoet. Door op die grond het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren is geen sprake van excessief formalisme.

Conclusies

7.25

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat procedurele beperkingen niet snel strijdig worden bevonden met art. 6 EVRM. Het staat een lidstaat vrij om beperkingen te stellen aan het recht op toegang tot de rechter, mits voldaan is aan de voorwaarden dat (i) het recht op toegang tot de rechter niet in de kern wordt aangetast; (ii) de beperking een legitiem doel dient; en (iii) er sprake is van proportionaliteit tussen het doel dat met de beperking wordt beoogd en de beperking. Bij het treffen van een juiste balans hiertussen hebben lidstaten een ruime margin of appreciation. Verder blijkt dat het ontlasten van de rechterlijke macht, het bevorderen van een efficiënte en effectieve rechtsgang als legitieme doelen worden beschouwd. Toepassing van formele beperkingen vindt zijn grens waar sprake is van excessief formalisme. Ten slotte volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat niet dat alleen bij wet beperkingen mogen worden opgelegd. Wel is steeds vereist dat de precieze inhoud van de beperkingen vooraf voldoende kenbaar is.

7.26

Het beperken van de omvang van processtukken, ter bevordering van een efficiënte rechtsgang, past m.i. in grote lijnen binnen deze kaders, mits uit de procesreglementen duidelijk en precies kan worden afgeleid wat er van een advocaat wordt verwacht. De regels ter maximering van de omvang tasten het recht op toegang niet in de kern aan. De regels hebben een legitiem doel en niet gezegd kan worden dat de regels disproportioneel zijn (of excessief formalistisch).

8 Wie is bevoegd om een rechtersregeling vast te stellen?

Inleiding

8.1

In deze zaak is niet als prejudiciële vraag voorgelegd wie bevoegd is om rechtersregelingen vast te stellen. Dat is echter wel een belangrijke vraag omdat, zoals vermeld is onder 5.22, een van de vereisten voor het kwalificeren van een rechtersregeling als recht in de zin van art. 79 Wet RO is dat de regeling is vastgesteld door een daartoe bevoegd rechterlijk orgaan. Dat roept de vraag of de reglementen waarom het in deze zaak gaat, door een daartoe bevoegd rechterlijke orgaan zijn vastgesteld.

8.2

Bij wie de bevoegdheid ligt om rechtersregelingen vast te stellen, is een kwestie (om niet te zeggen: een pijnpunt) die door de jaren heen verschillende malen aan de orde is gesteld in de literatuur, zonder dat dit tot duidelijkheid in de rechtspraak heeft geleid. Daarmee is het belangrijk genoeg voor een bespreking.

8.3

Uitgangspunt hierbij is dat er naar de huidige stand van het recht geen wettelijke bepaling is die expliciet voorziet in de mogelijkheid dat rechtersregelingen worden opgesteld.216 Dat betekent dat er in de wet ook geen instantie is aangewezen die ‘de bevoegdheid heeft rechters te binden’.217

8.4

Een hof (of enig ander gerecht) is overigens geen bestuursorgaan in de zin van de Awb. Art. 1:1 lid 2 sub c Awb zondert onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast, namelijk uitdrukkelijk van het bestuursorgaan-begrip uit. Dat betekent dat gerechten niet aan art. 4:81 Awb de bevoegdheid kunnen ontlenen om beleidsregels vast te stellen.218

8.5

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan niet duidelijk worden afgeleid welke instanties bevoegd zijn om een rechtersregeling vast te stellen, anders dan dat het – volgens de civiele kamer219 – moet gaan om ‘een rechterlijk orgaan’. Over de vraag waarop de bevoegdheid van deze instanties berust, zijn in de rechtspraak van de Hoge Raad evenmin algemene uitspraken gedaan.

Landelijke overleggen vakinhoud (LOV’s)?

8.6

Wel kan uit de rechtspraak van de strafkamer van de Hoge Raad worden afgeleid dat de LOV’s niet bevoegd zijn om een rechtersregeling vast te stellen. Zie een arrest van de strafkamer uit 2018, waarin het volgende werd overwogen:220

“4.2 (…). Wel zijn daarover in het kader van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) afspraken gemaakt. Deze afspraken vormen evenwel geen recht in de zin van art. 79 RO, reeds omdat deze niet afkomstig zijn van een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden wat betreft het gebruik dat zij maken van de hun door de wetgever gelaten ruimte (vgl. HR 3 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8838, NJ 2003/570 ten aanzien van de oriëntatiepunten voor de straftoemeting). De rechter is dan ook niet gebonden aan die afspraken.”

8.7

Dat de LOV’s niet de bevoegdheid hebben rechters te binden, ligt ook voor de hand omdat deze landelijke overleggen geen wettelijke grondslag hebben. In de literatuur wordt dan ook algemeen aangenomen dat de LOV’s geen rechters bindende regels kunnen opstellen.221

Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak?

8.8

Verder is door de civiele kamer van de Hoge Raad geoordeeld dat het door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) in samenspraak met de NOvA opgestelde Liquidatietarief rechtbanken en hoven niet als recht in de zin van art. 79 Wet RO kan worden aangemerkt; het gaat volgens de Hoge Raad slechts om ‘een de rechter niet bindende richtlijn’.222 In dit arrest is weliswaar niet overwogen dat de reden daarvoor is dat de regels niet zijn opgesteld door ‘een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden’, maar in de literatuur wordt er vanuit gegaan dat dit wel het (belangrijkste) argument is geweest.223

8.9

Over de door de NVvR opgestelde Alimentatienormen overwoog de Hoge Raad dat dit geen regels zijn in de zin van art. 99 Wet RO (oud), omdat “het in het rapport Alimentatienormen niet gaat om regels die in de hiervoor bedoelde zin zijn vastgesteld door een orgaan van het openbaar bestuur met het oog op de uitoefening van zijn eigen beleid, maar om richtlijnen die genoemde Vereniging, een privaatrechtelijke instelling, aanbeveelt ten gebruike door rechterlijke instellingen die zich met de vaststelling van alimentatie bezighouden.”224 Omdat de NVvR een privaatrechtelijke instelling is en geen orgaan van het openbaar bestuur, werd dus geoordeeld dat geen sprake is van recht in de zin van art. 79 Wet RO. Aangenomen wordt dat dit ook de reden is waarom het eveneens van de NVvR afkomstige Rapport Voorwerk II over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten door de Hoge Raad225 niet als recht in de zin van art. 79 Wet RO werd aangemerkt.226

8.10

Een ‘privaatrechtelijke’ instelling geldt dus in ieder geval niet als ‘een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden’.227 Dit sluit aan bij de latere overweging van de civiele kamer van de Hoge Raad, dat het moet gaan om een regeling die door ‘een daartoe bevoegd rechterlijk orgaan is vastgesteld’.228

Raad voor de rechtspraak?

8.11

Ook de Raad voor de rechtspraak is niet bevoegd om een rechtersregeling vast te stellen.229 Art. 94 Wet RO (dat hier als enige in beeld komt) bepaalt dat de Raad voor de rechtspraak tot taak heeft ondersteuning te bieden aan activiteiten van de gerechten die gericht zijn op uniforme rechtstoepassing en bevordering van de juridische kwaliteit. Bij de uitvoering van deze taak mag de Raad niet treden in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak (art. 96 lid 1 Wet RO). Hoewel de parlementaire geschiedenis onder de noemer ‘uniforme rechtstoepassing’ ook de ontwikkeling van rechtersregelingen schaart,230 kan op de zeer algemeen geformuleerde taakstelling van art. 94 Wet RO niet de bevoegdheid om rechters te binden door het opstellen van rechtersregelingen worden gebaseerd. Dat is temeer het geval nu, ondanks een advies van de commissie-Leemhuis231 om de Raad voor de rechtspraak wél de wettelijke bevoegdheid te geven om bindende richtlijnen en beleidsregels voor rechters vast te stellen, de wetgever in de Wet Raad voor de rechtspraak (Wrvr)232 heeft volstaan met de hiervoor beschreven taakstellingen, op grond waarvan de Raad slechts een faciliterende rol toekomt op het terrein van ‘de uniforme rechtstoepassing en de juridische kwaliteit’. De Raad voor de rechtspraak beschikt op dit terrein niet over dwingende (regelgevende) bevoegdheden en evenmin over een formele adviesbevoegdheid.233

8.12

Aldus is er volgens de parlementaire geschiedenis in het kader van de uniforme rechtstoepassing geen plaats voor het vaststellen van ‘beleidsregels’ door de Raad voor de rechtspraak. De activiteiten die de Raad samen met de gerechten op dit terrein ontwikkelt, kunnen wel leiden tot “gezaghebbende publicaties die de gerechten praktische handreikingen bieden bij de toepassing van bepaalde regels”. Het is aan de rechter om per concrete zaak te bepalen of de handreiking relevant is en welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden, zo wordt opgemerkt.234 Als voorbeeld van de activiteiten die de Raad voor de rechtspraak op het terrein van de uniforme rechtstoepassing zou kunnen ontplooien, noemt de parlementaire geschiedenis onder meer het ondersteunen van de gerechten bij de totstandkoming van uniforme procesreglementen. De vaststelling van deze reglementen (of andere rechtersregelingen235) geschiedt vervolgens door (de betreffende sectorvergadering of de gerechtsvergadering van) de gerechten zelf, zo is te lezen in de parlementaire geschiedenis.236 Over het karakter van deze procesreglementen is in de parlementaire geschiedenis het volgende opgemerkt:237

“In de eerste plaats dat in het systeem van het wetsvoorstel – in tegenstelling tot hetgeen bijvoorbeeld de commissie Leemhuis adviseerde – inderdaad geen plaats is voor het vaststellen van beleidsregels door de Raad voor de rechtspraak in het kader van de uniforme rechtstoepassing. (…). In de tweede plaats merken wij op dat op het niveau van de gerechten wel van «rechterlijke beleidsregels» gesproken kan worden; de door de gerechten (c.q. gerechtsver-gaderingen) vastgestelde uniforme procedureregelingen kunnen als zodanig worden aangemerkt. Zij betreffen de wijze waarop rechters hun procesrechtelijke bevoegdheden uitoefenen. In dat verband is van belang dat de rechtspraak heeft aanvaard dat degene die over een discretionaire bevoegdheid beschikt, via het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel zichzelf kan binden door aan te geven op welke wijze hij voornemens is deze bevoegdheid te hanteren. Voor bestuursorganen is dit gecodificeerd in de Algemene wet bestuursrecht, maar voor rechters geldt mutatis mutandis hetzelfde. De houding van de regering tegenover deze procedurerelingen is zonder meer positief; zij juicht de totstandkoming daarvan toe.”

8.13

De procesreglementen moeten volgens de parlementaire geschiedenis worden beschouwd als richtlijnen, waaraan de rechter in beginsel is gebonden op grond van het vertrouwensbeginsel, maar waarop in bijzondere omstandigheden uitzonderingen kunnen worden gemaakt en toegelaten.238 Tegelijkertijd wordt – naar aanleiding van de volgens de memorie van toelichting in het advies van de President van en de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad gestelde vraag of regelgevende bevoegdheden aan andere organen binnen de rechterlijke organisatie moeten worden toegekend239 – opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van de verhouding tussen de staatsmachten ongewenst wordt geacht “indien op grond van een daartoe in de wet gecreëerde bevoegdheid rechtelijke organen zelf bindende regels gaan vaststellen die zij krachtens hun rechtsprekende taak moeten uitleggen en toepassen”.240

Individuele gerechten?

8.14

Nu de conclusie is dat noch de LOV’s noch de Raad voor de rechtspraak bevoegd zijn om rechtersregelingen vast te stellen, is de vraag of individuele gerechten dat wél zijn. Die vraag lijkt bevestigend te moeten worden beantwoord. Zo was het in het Rolrichtlijnenarrest (waarin de Hoge Raad voor het eerst de bindende werking van rechtersregelingen erkende, zie onder 5.8) de rechtbank die de procesregeling had vastgesteld.

8.15

In de tijd dat het Rolrichtlijnenarrest werd gewezen (1996) was de organisatie van de rechterlijke macht echter wezenlijk anders geregeld dan nu het geval is. In die tijd bestond bij elk gerecht een collegevergadering (rechtersvergadering), waarin alle bij het desbetreffende gerecht werkzame rechters zitting hadden. De wet kende verschillende bevoegdheden toe aan deze collegevergadering. Daarnaast beschikte de president van een gerecht over enkele bevoegdheden. Voor wat betreft de bedrijfsvoering was formeel de Minister van Justitie bevoegd (per 1 januari 1998 waren deze bevoegdheden gemandateerd aan de directeuren bedrijfsvoering).241 In de tijd dat het Rolrichtlijnenarrest is gewezen, was een besluit van ‘de rechtbank’ formeel beschouwd dus een besluit van de rechtersvergadering, dus van alle rechters gezamenlijk (tenzij het ging om een besluit van de president van het gerecht). Daarmee lag het in de rede dat onder de Wet RO zoals deze gold tot 1 januari 2002, deze rechtersvergadering bevoegd was om rechters bindende regels op te stellen.242

8.16

Inmiddels is de organisatie van de rechtspraak ingrijpend veranderd. Per 1 januari 2013 is de Wet herziening gerechtelijke kaart (Whgk) in werking getreden.243 De meest fundamentele wijziging vond echter plaats per 1 januari 2002, met de invoering van de Wet organisatie en bestuur gerechten (Wobg)244 en de Wet Raad voor de rechtspraak (Wrvr). Met de Wobg werd een nieuwe organisatiestructuur bij de gerechten ingevoerd, waarbij binnen de gerechten onder meer een gerechtsbestuur en een gerechtsvergadering alsmede sectorvergaderingen245 kwamen te functioneren.

Gerechtsbesturen?

8.17

Art. 23 lid 1 Wet RO bepaalt dat het gerechtsbestuur is belast met de algemene leiding, de organisatie en de bedrijfsvoering van het gerecht, waarbij het eerste lid, onder d, het bestuur in het bijzonder opdraagt te zorgen voor ‘de kwaliteit van de bestuurlijke en organisatorische werkwijze van het gerecht daaronder begrepen de externe gerichtheid’. Art. 23 lid 2 Wet RO voegt daaraan toe dat het bestuur bij de uitvoering van de taken bedoeld in het eerste lid, niet treedt in ‘de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak of in een categorie van zaken’. Art. 23 lid 3 Wet RO bepaalt dat het gerechtsbestuur voorts tot taak heeft binnen het gerecht de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing te bevorderen, en dat het daarover overleg voert met de gerechtsvergadering of met – kort gezegd – een door de gerechtsvergadering aangewezen afvaardiging. Bij de uitvoering van deze taak treedt het bestuur niet in de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van alsmede de beslissing in een concrete zaak, aldus nog steeds art. 23 lid 3 Wet RO.

8.18

In de parlementaire geschiedenis is benadrukt dat het gerechtsbestuur in art. 23 lid 3 Wet RO alleen een ‘overlegbevoegdheid’ wordt toegekend; het bestuur heeft ten aanzien van de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing geen dwingende bevoegdheden en geen formele adviesbevoegdheid.246 In de literatuur wordt aangenomen dat in deze overlegbevoegheid geen grondslag kan worden gevonden voor een bevoegdheid van het bestuur tot het vaststellen van rechtersregelingen.247 Dit volgt ook met zoveel woorden uit de parlementaire geschiedenis bij art. 23 Wet RO.248 Een dergelijke grondslag ligt naar mijn mening evenmin besloten in de taak om de uniforme rechtstoepassing te bevorderen.249 Art. 23 lid 3 Wet RO biedt derhalve geen grondslag voor het vaststellen van rechtersregelingen door het gerechtsbestuur. Hetzelfde geldt voor de in art. 23 lid 1, onder d, Wet RO opgenomen taakstelling (zie onder 8.17), nu een rechtersregeling waarin bepaalde rechterlijke bevoegdheden zijn genormeerd iets anders is dan het regelen van de ‘kwaliteit van de organisatorische werkwijze van een gerecht’, als bedoeld in art. 23 lid 1, onder d, Wet RO.250

8.19

Het aannemen van een bevoegdheid van een gerechtsbestuur ligt al helemaal niet in de rede nu het niet-rechterlijk lid van het gerechtsbestuur geen rechterlijke ambtenaar is (art. 15 lid 2 Wet RO). Als we er vanuit gaan dat het bij een rechtersregeling om een vorm van zelfbinding door rechters gaat, is het niet aanvaardbaar dat een niet-rechter meebeslist over de inhoud van zo’n regeling. Daaraan kan nog worden toegevoegd, zoals Bovend’Eert terecht constateert, dat het ook in zoverre niet in de rede ligt om het gerechtsbestuur bevoegd te achten tot het vaststellen van rechtersregelingen, dat de functie van gerechtsbestuurder (net als de functie van lid van de Raad voor de rechtspraak) geen rechterlijk ambt is, maar een bestuursambt. Dit ambt is functioneel en rechtspositioneel niet onafhankelijk en staat in een gezagsverhouding tot de Minister van Justitie en Veiligheid.251

Gerechtsvergadering?

8.20

Als opvolger van de collegevergadering kent art. 22 lid 1 Wet RO de gerechtsvergadering.252 Deze wordt volgens art. 22 lid 3 Wet RO gevormd door de bij een gerecht werkzame rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, de senior-gerechtsauditeurs en gerechtsauditeurs, de rechters in opleiding en de rechter-plaatsvervangers ‘met aanwijzing’.253 Volgens art. 28 Wet RO kan de gerechtsvergadering het gerechtsbestuur gevraagd of ongevraagd adviseren over de uitvoering van de in art. 23 lid 3 Wet RO genoemde taak van het bestuur. De Wet RO geeft geen andere bevoegdheden aan de gerechtsvergadering.

8.21

Teuben constateerde in haar proefschrift – dat dateert van vóór de inwerkingtreding van de Whgk, maar van ná de herziening van de Wet RO per 1 januari 2002 – dat art. 23 lid 1 Wet RO (oud) het gerechtsbestuur slechts een overlegbevoegdheid toekent zodat zij niet kan worden beschouwd als bevoegd orgaan voor de vaststelling van rechtsregelingen, en dat art. 28 Wet RO (oud) geen uitsluitsel biedt over de rol van de sectorvergaderingen en de gerechtsvergadering op dit punt. Uit de parlementaire geschiedenis bij de Wobg en de Wrvr leidt Teuben echter af dat de bevoegdheid om te beslissen over de vaststelling van rechtersregelingen primair bij de sectorvergaderingen ligt. In bepaalde gevallen kan echter ook de gerechtsvergadering bevoegd zijn een dergelijke rechtersregeling vast te stellen, namelijk wanneer de regeling ziet op een onderwerp dat voor het gehele gerecht van belang is. Dit sluit volgens Teuben aan bij het uitgangspunt dat rechtersregelingen in beginsel moeten worden vastgesteld door de individuele rechters (binnen een gerecht gezamenlijk) omdat aan hen de rechtsprekende bevoegdheden toekomen waarop de regelingen zien (‘zelfbinding’).254 Ook elders in de literatuur werd – onder de Wet RO (oud) – algemeen aangenomen dat het de gerechtsvergadering is die bevoegd is om rechtersregelingen vast te stellen.255 Overigens kan het voorbereiden van een rechtersregeling volgens Teuben wel gebeuren door ‘niet-bevoegde organen’; de regeling zal dan vervolgens door de sectorvergadering of de gerechtsvergadering van een gerecht moeten worden vastgesteld.256

8.22

Het verplichte sectormodel (waarin de sectorvoorzitters van rechtswege lid waren van het gerechtsbestuur257) is echter per 1 januari 2013 afgeschaft, als onderdeel van de Whgk. Deze afschaffing, die is gesitueerd tegen de achtergrond van de met de Whgk doorgevoerde schaalvergroting van de gerechten, is ingegeven door de wens om de kwaliteit van de gerechtsbesturen te versterken en deze besturen kleiner, sterker, slagvaardiger en meer omgevings-gericht te maken.258 Dat heeft ertoe geleid dat gerechtsbesturen niet langer bestaan uit een voorzitter, de sectorvoorzitters en een niet-rechterlijk lid, maar uit twee rechterlijke leden (waaronder de voorzitter) en een niet-rechterlijk lid (zie steeds art. 15 Wet RO). In de verdere organisatorische indeling van de gerechten, door de parlementaire geschiedenis beschouwd als een zaak van de rechtspraak zelf, is voorzien door de Raad voor de rechtspraak. Daarbij is het sectormodel vervangen door een indeling in afdelingen en/of teams, ter keuze van de gerechten (binnen de door de Raad daarvoor gestelde kaders).259

8.23

Met het afschaffen van het verplichte sectormodel is ook de wettelijke verankering van de rol van de sectorvergadering op het gebied van ‘de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing’ in art. 23 en 28 Wet RO (oud) komen te vervallen.260 De advies- en overlegrol van de gerechtsvergadering op deze gebieden is echter gehandhaafd, anders dan de Raad voor de rechtspraak had geadviseerd.261 Om de coördinatie van rechtseenheid en kwaliteit binnen de verschillende rechtsgebieden te accentueren, is daarbij in art. 23 lid 3 Wet RO opgenomen dat het overleg van het gerechtsbestuur over het bevorderen van de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing ook kan plaatsvinden met ‘een door de gerechtsvergadering aangewezen afvaardiging van de in art. 22 lid 1 en lid 3 Wet RO genoemde deelnemers aan de gerechtsvergadering op het terrein van burgerlijke zaken, strafzaken of bestuursrechtelijke zaken of een ander rechtsterrein’.262 De rol van de sectorvergadering is echter niet via een wettelijk bepaling ‘overgedragen’ aan een andere ‘instantie’.

8.24

Nu de gerechtsvergadering dus geen andere taken heeft dan die genoemd worden in art. 28 Wet RO – het (gevraagd of ongevraagd) adviseren van het gerechtsbestuur over de taak van het bestuur om binnen het gerecht de juridische kwaliteit en uniforme rechtstoepassing te bevorderen263 – houdt de huidige Wet RO dus geen expliciete grondslag in op grond waarvan de gerechtsvergadering rechtersregelingen kan vaststellen. Ook in de literatuur is dat de algemene opvatting.264 Daar staat tegenover dat in de wetsgeschiedenis er wel vanuit is gegaan dat de gerechtsvergadering een rechtersregeling kan vaststellen (zie hiervoor onder 8.12).

8.25

Daarmee is de conclusie dat de Wet RO geen grondslag bevat voor het vaststellen van rechtersregelingen door enige persoon of instantie. Dit is in de literatuur al vaak geconstateerd. Bepleit is – tevergeefs, zo blijkt uit het voorgaande – dat het wenselijk zou zijn de onduidelijkheid op dit punt weg te nemen, door wettelijk te verankeren waar de bewuste bevoegdheid ligt.265 De algemene opvatting in de literatuur is dat slechts rechters zelf bevoegd zijn om rechtersregelingen vast te stellen. Deze opvatting wordt gefundeerd op het uitgangspunt dat het bij deze regelingen gaat om een vorm van zelfbinding266 door de betrokken rechters. Daarmee is de conclusie in de literatuur dat het de (gezamenlijke rechters in de) gerechtsvergaderingen van de verschillende gerechten zijn die bevoegd zijn om rechtersregelingen op te stellen.267

8.26

De regeling kan zijn voorbereid en opgesteld door een landelijke werkgroep of een landelijk overleg van afgevaardigden van de betrokken gerechten. Dat ligt vanuit een praktisch oogpunt in de rede en is in de praktijk ook wel de manier waarop rechtersregelingen tot stand komen. Dergelijke regelingen zouden op grond van het voorgaande vervolgens door de gerechtsvergaderingen van de verschillende gerechten afzonderlijk moeten worden vastgesteld.268 Dit laatste lijkt in de praktijk echter niet steeds te gebeuren.269

Conclusies

8.27

Hoewel een wettelijke grondslag ontbreekt, moet worden aangenomen dat alleen de gerechten bevoegd zijn om rechtersregelingen vast te stellen, die de rechter kunnen binden omdat zij kwalificeren als recht in de zin van art. 79 Wet RO. De LOV’s kunnen de regelingen voorbereiden.

8.28

Binnen de gerechten zijn het m.i. niet de gerechtsbesturen, maar de gerechtsvergaderingen die een besluit moeten nemen over vaststelling van rechtersregelingen.

9 Rechtsvergelijking

Inleiding

9.1

De NOvA stelt in haar schriftelijke opmerkingen dat de limitering van de lengte van processtukken in civielrechtelijk hoger beroep ook vanuit internationaalrechtelijk perspectief niet valt te verdedigen.270 Zij heeft bij de Ordes van Advocaten van een aantal andere Europese landen navraag gedaan of in deze landen de omvang van processtukken tijdens civiele appelprocedures is gelimiteerd, en zo ja, of die regels zijn gebaseerd op een wettelijke grondslag of uit rechtersregels (‘court rules’) volgen.

9.2

De resultaten van deze enquête zijn, die als bijlage bij de schriftelijke opmerkingen van de NOvA zijn gevoegd, zijn volgens de NOvA ‘voor zichzelf sprekend’.271

9.3

Onder meer uit de resultaten van de NOvA- enquête blijkt dat in verschillende landen sprake is van beperkingen in de omvang van processtukken, dan wel van andere regels die beperkend zijn voor de manier van procederen in hoger beroep.

Frankrijk

9.4

In Frankrijk is in 2017 de twee-conclusieregel in hoger beroep wettelijk verplicht, door art. 910-4 van het Franse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Code de procédure civile) als volgt te wijzigen:272

A peine d'irrecevabilité, relevée d'office, les parties doivent présenter, dès les conclusions mentionnées aux articles 905-2 et 908 à 910, l'ensemble de leurs prétentions sur le fond. L'irrecevabilité peut également être invoquée par la partie contre laquelle sont formées des prétentions ultérieures”.

9.5

Dit betekent dat partijen hun grieven voor het ingestelde (incidenteel) appel tijdig en in één keer moeten aanvoeren, op straffe van niet-ontvankelijkheid.273 Daarnaast moeten partijen sinds de wetswijziging in 2017 op grond van art. 954 van de Franse Code de procédure civile hun memories in hoger beroep volgens een vast stramien inrichten.274 Zo moeten partijen een overzicht geven van de feiten en het procesverloop en van de bestreden onderdelen uit de voorgaande uitspraak. Verder moeten partijen hun vorderingen en pleidooien bespreken en een samenvatting van hun vorderingen aanleveren.275

9.6

Verder heb ik begrepen dat een werkgroep van het Franse Departement voor burgerzaken (La direction des affaires civiles et du sceau) zich momenteel buigt over het structuren van processtukken in appel en cassatie. Ook het invoeren van paginalimieten zou hier bij betrokken worden. Over de uitkomst hiervan is echter nog niets bekend gemaakt.276

Italiaanse cassatieprocedure

9.7

Zoals ook naar voren komt uit de NOvA-enquête, heeft de President van de Italiaanse Hoge Raad (Corte di cassazione) in samenspraak met de Italiaanse Orde van Advocaten op 17 december 2015 een protocol opgesteld (zie daarover ook onder 7.22).277 Op basis van dit protocol en het daarin vermelde template, worden partijen – mede in het belang van de snelheid en duidelijkheid van de procedure – aangemoedigd om niet meer dan 30 pagina’s (exclusief het inleidende en concluderende gedeelte) in hun cassatiestukken te gebruiken. Dit protocol is niet bindend; het gaat om aanbevelingen.278

9.8

Volledigheidshalve merk ik op dat – als ik het goed zie – het in de resultaten van de NOvA-enquête zonder nadere specificatie beschreven wetsvoorstel inmiddels is aangenomen (zie de Wet van 26 november 2021, nr. 206)279 en dat deze wet geen betrekking heeft op de beknoptheid van handelingen in appel- of cassatieprocedures, maar op de procedure in eerste aanleg.

Duitsland

9.9

Verder volgt uit de resultaten van de NOvA-enquête dat in Duitsland een aantal rechters via partij-instructies heeft geprobeerd om de omvang van schriftelijke stukken te beperken. Hiervoor worden in de resultaten van deze enquête geen bronnen genoemd.

9.10

Zelf stuitte ik op een arrest van het Hof Frankfurt uit 20 september 2007, waarin dit hof zich heeft uitgelaten over een door een lagere Duitse rechter opgelegde beperking ten aanzien van het aantal pagina’s dat een partij voor haar dagvaarding mocht gebruiken.280 In deze zaak had de voorzitter van de Kamer voor handelszaken (Kammer für Handelssachen) de partij bevolen om haar dagvaarding van 495 pagina’s binnen vier weken samen te vatten in 20-30 pagina’s. Volgens de rechter kon in redelijkheid niet van het gerecht worden verwacht dat het stuk van 495 pagina’s zou worden gelezen, omdat dit de capaciteit van de rechtbank zou overvragen. Vervolgens diende de partij vanwege een mogelijke vooringenomenheid een klacht in tegen de rechter. Nadat de rechtbank Darmstadt de klacht van vermeende vooringenomenheid ongegrond verklaarde,281 oordeelde het Hof in Frankfurt dat de klacht wel gegrond was.282 Het overwoog daarbij dat de hoeveelheid werk waarschijnlijk binnen de grenzen zou liggen van wat van een enkele rechter zou kunnen worden verlangd; deze zou volgens het hof ook kunnen samenwerken met een collega. Verder vond het hof dat het ook in gevallen als deze de taak van zowel de rechter, het presidium en de griffie is om ervoor te zorgen dat de zaak ook binnen een redelijke termijn kan worden behandeld. De door de voorzitter van de Kamer voor handelszaken gegeven aanwijzing leidde er volgens het Hof toe dat een objectief en redelijk oordelende partij de indruk zou kunnen krijgen dat deze rechter zou weigeren om haar dagvaarding volledig ter kennis te nemen en te waarderen. Tot slot overwoog het hof dat § 253 van het Duitse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Zivilprozessordnung) de rechter niet de mogelijkheid gaf om het aantal pagina’s van schriftelijke stukken te beperken of om zo’n korte termijn voor het herschrijven van het stuk te bevelen. De uitspraak is door sommige auteurs kritisch besproken.283

Spaanse appelprocedure

9.11

In Spanje hebben zich ontwikkelingen voorgedaan die het meest lijken op de Nederlandse situatie. Zoals ook volgt uit de resultaten van de door de NOvA afgenomen enquête, geldt in de regio Madrid sinds het besluit van het Regionale Hof van 19 september 2019 een beperking van de omvang van de processtukken bij de gerechtshoven in burgerlijke en handelszaken.284 De omvang van de memories zijn beperkt tot 25 pagina’s (Times New Roman lettertype 12, voor voetnoten lettertype 10, regelafstand 1,5). Partijen kunnen het gerechtshof om toestemming vragen om een langer processtuk te mogen indienen. Indien deze toestemming niet verkregen wordt, kan de appelrechter besluiten om het processtuk niet-ontvankelijk te verklaren bij een overschrijding van het maximum aantal pagina’s. Daarbij zal worden nagegaan in hoeverre het te grootte document een spoedig verloop van de procedure belet.

9.12

Deze regel volgde op een uitspraak van de civiele kamer van de Spaanse Hoge Raad van 27 januari 2017, waarin werd geoordeeld dat de ‘excessieve lengte’ in cassatie een reden kan zijn om een processtuk te weigeren.285 De Spaanse Hoge Raad (Tribunal Supremo) verwees daarbij naar art. 481.1 van het Spaanse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Ley de Enjuiciamiento Civil), waarin is bepaald dat een beroepschrift in cassatie een daartoe ‘benodigde omvang’ (“necesaria extensión”) moet hebben.286

9.13

De Spaanse Orde van Advocaten heeft geprobeerd om de door het Regionale Hof van Madrid opgelegde beperking van tafel te krijgen. De Spaanse Hoge Raad heeft op 1 juni 2021 echter bepaald dat de beperking in stand kan blijven.287 In deze uitspraak heeft de Spaanse Hoge Raad volstaan met de overweging dat een overschrijding van het aantal pagina’s kan leiden tot een niet-ontvankelijkheidsverklaring wanneer het de rechtsgang hindert. In dat opzicht verschilt zijn arrest uit 2021 niet met het arrest van 21 januari 2017.

Ierland

9.14

Als ik het goed zie, geldt er in Ierland een maximum van 10.000 woorden die partijen in hun stukken mogen gebruiken tijdens civiele procedures. Deze beperking komt zowel terug in de Practice Directions van de – naar ik begrijp – rechtbank (High Court),288 als die van het gerechtshof (Court of Appeal)289 en het Hooggerechtshof (Supreme Court).290 Ook gelden er op basis van de Practice Directions regels over hoe partijen hun stukken moeten vormgeven. Zo moeten zij een template hanteren en zich houden aan bepalingen over het gebruik van lettertype Times New Roman, tekengrootte 12, regelafstand 1,5 en specifieke marges voor de uitlijning van hun schriftelijk stuk.

9.15

Zoals ik het begrijp, kan een partij tijdens een procedure die is aangebracht bij het Ierse Hooggerechtshof met toestemming van de “case management judge” meer dan 10.000 woorden gebruiken. Het lijkt erop dat deze toestemming niet vaak wordt gegeven. Verder heb ik onder de Practice Directions van de rechtbank en het hof geen bepalingen kunnen vinden over de mogelijkheid van een partij om ontheffing te vragen van het maximum gestelde aantal woorden.

9.16

In appelprocedures lijkt daarnaast in sommige gevallen een limiet van 5.000 woorden te gelden.291

9.17

Dat de Chief Justice van het Hooggerechtshof en de presidenten van de andere gerechten bevoegd zijn om zulke paginalimieten in te stellen, lijkt te volgen uit §11(12) van de Wet Diverse bepalingen van het burgerlijk recht en het strafrecht uit 2020 (Civil Law and Criminal Law (Miscellaneous Provisions) Act 2020):292

“In the interests of the administration of justice and the determination of relevant proceedings in a manner which is just, expeditious and likely to minimise the cost of those proceedings, the Chief Justice in the case of the Supreme Court, and the President of a Court in the case of any other Court, may issue practice directions in relation to the conduct of relevant proceedings before it.”

9.18

Zie in dat kader ook de tekst die aan het begin van Practice Direction HC 97 – van de High Court – staat vermeld:293

“I, Mary Irvine, President of the High Court, hereby issue the following Practice Direction in accordance with section 11(12) of the Civil Law and Criminal Law (Miscellaneous Provisions) Act 2020.”

Amerikaans federaal procesrecht

9.19

Volledigheidshalve merk ik op dat volgens Bosselaar & Kemp tijdens Amerikaanse federale procedures vaak ook eisen worden gesteld aan het aantal pagina’s van de processtukken en de manier waarop deze door partijen vormgegeven moeten worden. Zij beschrijven dat dit zowel geldt ten aanzien van de procedures die plaatsvinden bij de rechtbanken (district courts), als tijdens de appelprocedures bij de gerechtshoven (circuit courts) en de procedures die gevoerd worden bij het Hooggerechtshof (Supreme Court).294

9.20

Ten slotte noem ik ook de paginalimieten die gelden bij een aantal hoogste bestuursrechters in Europese landen.295

Griekse bestuursrechter

9.21

Bij de Griekse Raad van State geldt volgens Tjepkema & Van Heusen dat de rechter partijen kan vragen om hun belangrijkste bezwaren uiteen te zetten in een samenvatting.296 Uit de antwoorden die de Griekse vertegenwoordiging heeft gegeven in reactie op een enquête die is afgenomen onder de hoogste nationale bestuursrechters in Europa,297 leid ik echter af dat het hier gaat om een verplichting tot het verstrekken van zo’n samenvatting (die niet meer dan 200 woorden mag bevatten).298 Zoals ook volgt uit de resultaten van de door de NOvA afgenomen enquête, geldt bovendien dat de processtukken in een procedure bij de Griekse Raad van State niet meer dan 30 pagina’s mogen bedragen. Deze paginalimiet is door art. 24 van de wet L. 4786/2021 toegevoegd aan de zesde paragraaf van art. 17 van het Presidentiële Decreet 18/1989.299 Uit deze zesde paragraaf volgt ook dat aktes beperkt zijn tot maximaal 20 pagina’s.

9.22

Als ik het goed zie, zal de griffie – in samenspraak met de rechter – op grond van voormelde paragraaf de partijen verzoeken om bij een overschrijding van het maximum aantal pagina’s binnen een maand een nieuw stuk in te dienen, dat wel aan de gestelde limiet voldoet. Als een partij aan dit verzoek geen gehoor geeft, kan de rechter op grond van art. 17(6) van het Presidentiële Decreet 18/1989 besluiten dat een boete wordt opgelegd die maximaal drie keer de kosten voor het opstarten van de procedure mag bedragen. De bedragen die op die manier worden geïncasseerd, worden volgens voormeld art. 17(3) in een fonds gestopt waaruit de gerechtsgebouwen worden gefinancierd.

Italiaanse bestuursrechter

9.23

Ook tijdens de procedures die worden gevoerd bij de Italiaanse Raad van State (Consiglio di Stato) geldt een paginalimiet. Zoals ook volgt uit de resultaten van de enquête die de NOvA heeft afgenomen, bepaalt art. 3(2) van het Italiaanse Wetboek van Bestuurlijk Procesrecht (Codice del processo amministrativo) sinds 30 oktober 2016 dat de rechter en de partijen hun stukken op een duidelijke en beknopte manier moeten samenstellen, in lijn met daarvoor gestelde regelingen.300 Deze regelingen zijn, zoals ook deels wordt beschreven in de resultaten van de NOvA-enquête, opgesteld door de President van de Italiaanse Raad van State op 22 december 2016, bij decreet nr. 167/2016.301 In art. 3 van dit Decreet staat dat er sprake is van een verschillend maximum aantal pagina’s, afhankelijk van het type processtuk. Het inleidend processtuk in een niet-contentieuze procedure dient daarbij te worden beperkt tot 30.000 tekens (15 pagina’s); volgens Tjepkema & Van Heusen gaat het daarbij bijvoorbeeld om Kieswetzaken.302 In contentieuze procedures mogen 70.000 tekens (35 pagina’s) worden gebruikt. Op basis van art. 5 van het Decreet kan het aantal pagina’s worden verruimd tot 25 of 50 pagina’s in zaken die een groot belang vertegenwoordigen. En ten slotte geldt bij verzoeken tot – en reacties op – het gelasten van conservatoire maatregelen volgens art. 3(2) en (3) een paginalimiet van 5 of 10 pagina’s, afhankelijk van de gevraagde maatregel.

Ierse bestuursrechter

9.24

Bij de Ierse hoogste bestuursrechter geldt een limiet van 10.000 woorden ten aanzien van de schriftelijke stukken die partijen indienen. Deze limiet volgt uit paragraaf 20(c)(v) van de aanwijzing ‘SC16-Conduct of Proceedings Before the Supreme Court’.303 Hieruit volgt ook dat een schriftelijk stuk van een partij op een A4-formaat (dubbelzijdig) moet worden ingediend, dat daarbij lettertype Times New Roman (tekengrootte 12) en regelafstand 1,5 moet worden gebruikt en dat zekere marges ten opzichte van de paginazijden moeten worden gerespecteerd. Volgens paragraaf 20(c)(v) van deze aanwijzing moet een partij het gebruikte aantal woorden op het document schrijven. Verder leid ik uit de antwoorden die de Ierse vertegenwoordiging heeft gegeven in reactie op een enquête die is afgenomen onder de hoogste nationale bestuursrechters in Europa af dat er – met toestemming van de ‘case management judge’ – eventueel meer woorden zouden mogen gebruikt, maar dat een ontheffing hiervoor gewoonlijk niet wordt gegeven.304

Spaanse bestuursrechter

9.25

Zoals ook volgt uit de resultaten van de door de NOvA gehouden enquête, zou bij de Spaanse hoogste bestuursrechter het gebruik van paginalimieten meer geaccepteerd zijn. Daar zou – zoals ook wordt opgemerkt door Tjepkema & Van Heusen305 – een limiet van 50.000 tekens gelden (ongeveer 25 pagina’s) voor het beroepschrift en een limiet van 30.000 tekens voor overige stukken. Deze paginalimiet – die geldt tijdens de procedures bij de plaatsvinden bij de Derde Kamer van de Spaanse Hoge Raad – is gebaseerd op art. 87 bis, derde lid, van de Wet voor Jurisdictie in contentieuze bestuursrechtelijke zaken (Ley de la Jurisicción Contencioso-Administrativa), waarin is bepaald dat de bestuurskamer van de Spaanse Hoge Raad dergelijke paginalimieten kan stellen.306

9.26

Ook bij verschillende supranationale gerechten in Europa is sprake van een beperking van de omvang van de processtukken.

Hof van Justitie Europese Unie

9.27

Zo geldt bij het Hof van Justitie van de Europese Unie op basis van diens Praktische aanwijzingen voor de partijen inzake bij het Hof aangebrachte zaken307 een beperking tot 20 bladzijden in prejudiciële zaken en 30 pagina’s in reguliere zaken.308 Verder geldt in hoger beroep een maximum van 25 pagina’s en 3 pagina’s voor re- en dupliek.309

9.28

Deze praktische aanwijzingen zijn gebaseerd op art. 58 van het procesreglement van het Hof van Justitie, waaruit volgt dat onverminderd de in het Reglement opgenomen bepalingen het Hof “bij besluit de maximumlengte van de bij hem ingediende memories of opmerkingen [kan] vaststellen”.310 Ook vermeldt art. 175 lid 2 van het procesreglement dat de president van het Hof van Justitie in hogere voorzieningsprocedures het aantal pagina’s van de memories van re- en dupliek kan beperken. Hetzelfde volgt uit art. 190 lid 2 van dit procesreglement, in het geval van een incidentele hogere voorziening.

9.29

Dit procesreglement is op haar beurt gegrond op art. 253 lid 6 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, waarin is bepaald dat het Hof van Justitie – met goedkeuring van de Raad – zijn procesreglement vaststelt.311

Benelux Gerechtshof

9.30

Bij het Benelux Gerechtshof geldt op grond van art. 5.18 lid 3 van het Reglement op de procesvoering van het Benelux-Gerechtshof dat de president van dit hof het aantal pagina’s van een memorie van re- en dupliek na incidentele voorziening kan beperken.312 Deze beperking is gegrond op art. 11 lid 2 van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof, dat bepaalt dat het hof zijn reglement op de procesvoering vaststelt en ter goedkeuring voorlegt aan het Comité van Ministers.313

Europees Hof voor de Rechten van de Mens

9.31

Ook het EHRM kent een limitering van het aantal pagina’s. Uit Rule 47(1) van het procesreglement (‘Rules of Court’ d.d. 1 augustus 2021) volgt namelijk dat de klager gebruik moet maken van een voorgeschreven format dat op de website van het EHRM is geplaatst, tenzij het EHRM anders beslist.314

9.32

Dit format maakt het voor de klager mogelijk om op drie pagina’s de feiten te beschrijven315 en om twee pagina’s te gebruiken om de beweerde schending van het EVRM uiteen te zetten.316 Ook kan de klager ongeveer één en een derde pagina gebruiken om diens naleving van de ontvankelijkheidsvoorwaarden te beschrijven.317 Uit de Toelichting op het invullen van het verzoekschriftformulier begrijp ik dat het hierbij gaat om een “gelimiteerde ruimte318 en dat de klacht niet wordt behandeld indien deze ruimte wordt overschreden:319

Indien niet wordt voldaan aan het vereiste dat de relevante informatie ingevuld dient te worden in de in het verzoekschrift beschikbare gelimiteerde ruimte, zal dit ertoe leiden dat de zaak niet door het Hof wordt onderzocht.”

9.33

Een klager mag echter op grond van Rule 47 lid 2, sub b, in een bijlage wel aanvullende informatie aan zijn klacht toevoegen, op voorwaarde dat deze bijlage niet meer dan 20 pagina’s behelst. Uit de voormelde Toelichting begrijp ik dat de klager hiermee een aanvulling kan geven op de beknopte weergave van de feiten, haar klachten en de naleving van de ontvankelijkheidsvoorwaarden zoals beschreven in het format.320 De Toelichting merkt daarbij het volgende op:

De bijlage mag ook geen nieuwe klachten bevatten; hij dient enkel gebruikt te worden voor de nadere uitwerking van de klachten die reeds op het verzoekschriftformulier werden vermeld.”

9.34

Ook is in de toelichting vermeld dat de klager in het geval van getypte tekst, tekengrootte 12 moet gebruiken en dat voetnoten moeten worden vermeld in tekengrootte 10.321 Verder mogen bijlagen volgens de toelichting geen marge van minder dan 3,5 cm breed bevatten en moet gebruik worden gemaakt van opeenvolgende paginanummers en genummerde paragrafen.322

9.35

Verder volgt uit de Practice Directions (meer specifiek: uit de afdeling “Written pleadings”, onder 12) die in de Rules of Court van het EHRM staan vermeld, dat een partij een korte samenvatting van haar pleidooi moet toevoegen indien haar schriftelijke pleidooi het aantal van 30 pagina’s overschrijdt.323

Conclusies

9.36

Mijn conclusie uit deze rechtsvergelijkende paragraaf is dat in veel meer landen wordt geworsteld met lange processtukken. In verschillende landen is sprake van een limiet aan het aantal pagina’s dat een processtuk mag beslaan. Daarbij gaat het met name om procedures bij de Europese gerechten, enkele hoogste bestuursrechtelijke colleges en in een enkel geval om appel- of cassatiecolleges.

9.37

Verder blijkt uit het overzicht dat in enkele gevallen hiervoor een specifieke wettelijke grondslag is gecreëerd – waarbij met name Ierland is te noemen –, maar dat soms de regels ook een buitenwettelijke basis hebben. De regels bij de Europese gerechten nemen op dit punt een bijzondere positie in, omdat de gerechten bij verdrag in het leven zijn geroepen en in de desbetreffende verdragsregels is opgenomen dat de gerechten zelf hun procesregels mogen vaststellen.

10 Bespreking van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

10.1

De eerste prejudiciële vraag luidt als volgt:

1. Heeft de rechter op grond van artikel 19 lid 2 Rv en/of enige andere wettelijke bepaling en/of de eisen van een goede procesorde en/of enige andere grondslag de bevoegdheid om in hoger beroep

(a) te beslissen dat een processtuk aan een maximum lengte is gebonden, bijvoorbeeld een maximaal aantal pagina’s of woorden, en

(b) een processtuk te weigeren wanneer dit de vooraf bepaalde maximale lengte overschrijdt en/of andere consequenties te verbinden aan een dergelijke overschrijding, zoals het buit ten beschouwing laten van een deel van een processtuk?

10.2

In de eerste vraag is geen verbinding gelegd met de voorgestelde maximeringsbepalingen in de landelijk procesreglementen van de hoven. Duidelijk is echter dat dat de crux is van het geschil tussen partijen. Of de rechter – los van wat daarover een procesreglement is bepaald – de bevoegdheid heeft om ‘te beslissen dat een processtuk aan een maximum lengte is gebonden’ of ‘een processtuk te weigeren wanneer dit de vooraf bepaalde maximale lengte overschrijdt’, is niet een vraag die in deze procedure aan de orde is. Die vraag zou ik daarom buiten beschouwing willen laten.

10.3

Waar het wel om gaat is of in de landelijke procesreglementen van de hoven mag worden bepaald dat de omvang van de processtukken in hoger beroep is gemaximeerd. Dit is ook aan de orde gesteld in de tweede vraag. Ik herformuleer de eerste vraag daarom als volgt (als vraag 1*):

1*. Mag in de landelijke procesreglementen van de hoven worden bepaald dat de omvang van de processtukken in hoger beroep niet groter is dan een bepaald aantal pagina’s?

a. Is daarvoor een wettelijke grondslag vereist?

b. Zo ja, welke wettelijke grondslag kan daarvoor worden aangewezen?

10.4

Deze vraag moet m.i. als volgt worden beantwoord.

10.5

In de landelijke procesreglementen van de hoven mag worden bepaald dat de omvang van de processtukken in hoger beroep niet groter mag zijn dan een bepaald aantal pagina’s. Dergelijke regels strekken in overwegende mate ter bevordering van een behoorlijke rechtspleging en grijpen niet wezenlijk in in de rechten van partijen, omdat in alle gevallen de mogelijkheid bestaat om, met toestemming, toch een langer processtuk in te dienen en/of een aanvullende akte te nemen (zie onder 5.54-5.55). Dit brengt met mee dat geen wettelijke grondslag is vereist voor deze regels. De bevoegdheid om dergelijke regels te stellen kan worden gebaseerd op de beleidsruimte die de rechter kan ontlenen aan de eisen van een behoorlijke rechtspleging.

Tweede vraag

10.6

De tweede prejudiciële vraag luidt als volgt:

2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend is, zijn de gerechtshoven dan bevoegd om in een landelijk procesreglement algemene regels op te nemen waarin op voorhand wordt bepaald dat processtukken in beginsel (met de mogelijkheid van uitzonderingen) aan een maximum lengte zijn gebonden, bijvoorbeeld een maximaal aantal pagina’s of woorden?

10.7

Met het oog op de herformulering van vraag 1 zal ik ook deze vraag herformuleren (als vraag 2*):

2*. Mag in de landelijke procesreglementen van de hoven worden bepaald dat bij overschrijding van het maximale aantal pagina’s het processtuk wordt geweigerd en/of mogen daaraan andere consequenties worden verbonden, zoals het buiten beschouwing laten van een deel van een processtuk?
a. Is daarvoor een wettelijke grondslag vereist?

b. Zo ja, welke wettelijke grondslag kan daarvoor worden aangewezen?

10.8

Als ervan wordt uitgegaan dat de regels in de procesreglementen zo moet worden begrepen, dat bij overschrijding van het maximum aantal pagina’s het processtuk wordt geweigerd (vgl. onder 5.56), dan geldt dat voor een dergelijke sanctie een wettelijke grondslag is vereist. Weigering van de memorie van grieven (c.q. het verzoekschrift) leidt tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Daarmee grijpt het weigeren van een processtuk wezenlijk in in de rechten van een partij. In zoverre kunnen de regels uit de procesreglementen niet worden gekwalificeerd als regels die in overwegende mate strekken ter bevordering van een behoorlijke rechtspleging. Hoewel weigering van de memorie van antwoord (c.q. het verweerschrift) niet tot niet-ontvankelijkheid leidt, kan vanuit een oogpunt van gelijkheid der wapenen dit processtuk ook niet worden geweigerd.

10.9

In Rv is geen bepaling aan te wijzen waarop kan worden gebaseerd dat de rechter een processtuk kan weigeren dat het maximum aantal pagina’s overschrijdt. Art. 19 lid 2 Rv kan niet als grondslag gelden (zie onder 5.60-5.75). Ook kan de weigering niet worden gebaseerd op de eisen van een goede procesorde (zie onder 5.76-5.78).

Derde vraag

10.10

De derde prejudiciële vraag luidt als volgt:

3. Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend is, worden het recht op hoor en wederhoor en het recht op toegang tot de rechter dan voldoende gewaarborgd wanneer dit procesreglement

(a) een partij het recht geeft om voordat het processtuk ingediend moet worden, gemotiveerd te verzoeken een processtuk in te mogen dienen dat de in het procesreglement bepaalde maximale lengte overschrijdt en haar wederpartij vervolgens de mogelijkheid geeft op dit verzoek te reageren;

b) een partij het recht geeft om, indien de toegestane maximum omvang van het processtuk ontoereikend blijkt te zijn, gemotiveerd te verzoeken een aanvullend processtuk te mogen nemen ter nadere toelichting van een in het eerdere processtuk reeds opgenomen grief, eiswijziging of verweer en haar wederpartij vervolgens de mogelijkheid geeft op dit ver- zoek te reageren;

c) een partij het recht geeft om binnen twee weken nadat een processtuk vanwege een overschrijding van de maximaal toegestane omvang geweigerd is, dit processtuk in te korten en opnieuw in te dienen?

10.11

Nu vraag 2 niet bevestigend wordt beantwoord, wordt strikt genomen niet toegekomen aan de beantwoording van deze vraag.

10.12

Beantwoording van deze vraag is ook niet mogelijk omdat niet in zijn algemeenheid kan worden beoordeeld of het recht op hoor en wederhoor en het recht op toegang tot de rechter al dan niet voldoende gewaarborgd is in het procesreglement.

10.13

Ik herformuleer de vraag op een manier waardoor deze wel kan worden beantwoord (en die wellicht ook de strekking van de vraag is) (vraag 3*):

3*. Kan een partij zich met succes beroepen op schending van het recht op hoor en wederhoor en het recht op toegang tot de rechter, in het geval zij geen toestemming heeft verkregen om een langer processtuk in te dienen en/of geen toestemming heeft gekregen om een aanvullend processtuk in te dienen?

10.14

Het antwoord op deze vraag luidt m.i. als volgt.

10.15

Er kan sprake zijn van strijd met het beginsel van hoor en wederhoor als zich zou voordoen dat het verzoek om een langer processtuk te mogen indienen en/of een aanvullende akte te mogen nemen, ten onrechte is geweigerd en een partij daardoor onredelijk is beknot in haar mogelijkheden om de zaak op de door haar gewenste wijze voor de rechter uiteen te zetten. In dat geval kan over de desbetreffende beslissing van de rolraadsheer in cassatie worden geklaagd dat sprake is van strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.

10.16

Van strijd met het recht op toegang tot de rechter is in beginsel geen sprake. Uit de rechtspraak van het EVRM volgt dat het een lidstaat in het algemeen vrij staat om beperkingen te stellen aan het recht op toegang tot de rechter, mits voldaan is aan de voorwaarden dat (i) het recht op toegang tot de rechter niet in de kern wordt aangetast; (ii) de beperking een legitiem doel dient; en (iii) er sprake is van proportionaliteit tussen het doel dat met de beperking wordt beoogd en de beperking. Aan deze voorwaarden is voldaan, nu het recht op toegang niet in de kern wordt aangetast, het ontlasten van de rechterlijke macht, het bevorderen van een efficiënte en effectieve rechtsgang door het EHRM als legitieme doelen worden beschouwd en de regels niet disproportioneel zijn. Er kan immers altijd toestemming worden verzocht om een langer processtuk in te mogen dienen of een aanvullende akte te mogen nemen. Dat de beperking niet disproportioneel is, geldt temeer nu de lidstaten hier een ruime margin of appreciation hebben en het bovendien gaat om hoger beroep. De rechtspraak van het EVRM vereist geen wettelijke grondslag voor beperkingen, maar wel is steeds vereist dat de precieze inhoud van de beperkingen vooraf voldoende kenbaar is (zie onder 7.25-7.26).

Vierde vraag

10.17

De vierde prejudiciële vraag luidt als volgt:

4. Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend is, aan welke vereisten moet een bepaling in het procesreglement waarin de omvang van de processtukken in hoger beroep wordt gemaximeerd, dan ten minste voldoen met het oog op het recht op hoor en wederhoor en het recht op toegang tot de rechter?

10.18

Deze vraag hoeft geen beantwoording.

Vijfde vraag

10.19

De vijfde prejudiciële vraag luidt als volgt:

5. Indien in een procesreglement de omvang van processtukken in hoger beroep kan worden gemaximeerd, hoe kan daarbij dan het volgende mogelijke probleem worden opgelost: volgens het procesreglement wordt de beslissing genomen door een (rol)raadsheer. De beslissing heeft mogelijk ingrijpende gevolgen voor de partij die het betreft. Wordt met de regeling in het procesreglement en de bestaande mogelijkheden van toetsing in cassatie de rechtsbescherming voldoende gewaarborgd? Zo nee, hoe kan dan worden voorzien in toereikende rechtsbescherming?

10.20

Het antwoord op deze vraag luidt m.i. als volgt.

10.21

Hoewel het de rolraadsheer is die in eerste instantie beslist op een verzoek om een langer processtuk in te mogen dienen, en/of op een verzoek om een aanvullende akte te mogen nemen, kan de meervoudige kamer die inhoudelijk de zaak beoordeelt, altijd een andere beslissing nemen dan de rolraadsheer. De meervoudige kamer kan beslissen dat alsnog een langer processtuk mag worden ingediend. Ook kan de meervoudige kamer beslissen dat een aanvullende akte mag worden genomen. Deze bevoegdheid volgt uit art. 19 lid 2 Rv.

10.22

Indien een partij ‘aan het einde van de rit’ van mening is dat zij tekort is gedaan in haar recht om haar standpunt uiteen te zetten ten overstaan van de rechter – en daarmee sprake is van strijd met het recht op hoor en wederhoor, in het bijzonder het recht op een rechterlijk gehoor – kan daarover in cassatie worden geklaagd (zie onder 6.13). Daarmee is sprake van een toereikende rechtsbescherming.

11 Conclusie

De conclusie strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen als hiervoor onder 10 vermeld.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De paginalimiet is niet in alle gevallen 25 pagina’s; voor verzoekschriften in handelszaken is de limiet pagina’s en in octrooizaken 60 dan wel 36 pagina’s. Voor de leesbaarheid van deze conclusie spreek ik steeds over 25 pagina’s.

2 Vz. rechter rechtbank Den Haag 11 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5927.

3 Gepubliceerd in Stcrt. 31 maart 2021, nr. 14863 respectievelijk Stcrt. 31 maart 2021, nr. 14861. De procesreglementen zijn ook te raadplegen op www.rechtspraak.nl/Voor-advocaten-en-juristen/Reglementen-procedures-en-formulieren/Paginas/Procesreglement.aspx.

4 Voor het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven is dat de twaalfde versie; voor het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven is dat de dertiende versie.

5 Het nieuwsbericht is te raadplegen op www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/Paginas/Per-1-april-limiet-aan-lengte-processtukken-bij-de-civiele-afdelingen-gerechtshoven.aspx.

6 De bijlages zijn later toegevoegd, als tegemoetkoming aan de bezwaren van de advocatuur. Zie N.E. Groeneveld-Tijssens & S.A.L. van de Sande, ‘Limieten voor processtukken in hoger beroep: wat valt er nog aan toe te voegen?’, TvPP 2021-3, p. 81-82.

7 Deze adviezen van 8 februari 2021 zijn te vinden als prod. 1 bij de dagvaarding.

8 Zie het kortgedingvonnis van 11 juni 2021, rov. 2.1.

9 Aanhangsel Handelingen II 2020-2021, nr. 2778. Zie voor de vragen ook Aanhangsel Handelingen II 2020-2021, nr. 2539.

10 Verwezen wordt naar Advocatie: 1 april 2021 Advocaten starten kort geding om limiet aan lengte processtukken.

11 S.o. Advocaten onder 8.4.

12 Zie onder meer R.J.B. Boonekamp, ‘De uitdijing van civiele processtukken en het luisterend oor van de rechter’, in: Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020/4.

13 Zie over de omvang van de stukken in cassatie ook J.B.M. Vranken, ‘De omvang van cassatiestukken in civiele zaken’, NJB 2018/997.

14 Zie over deze pilot F.J. de Vries, ‘Verkorting van processtukken’, NTBR 2019/29.

15 Zie onder meer G. van Daal e.a., ‘Luie rechters draaien het recht door de gehaktmolen’, NJB 2012/2363; J.H.M. van Swaaij, ‘Maak gehakt van beperkingen aan omvang van processtukken’, NJB 2013/6.

16 F.J. de Vries, ‘Verkorting van processtukken’, NTBR 2019/29.

17 R.J.B. Boonekamp, ‘De uitdijing van civiele processtukken en het luisterend oor van de rechter’, in: Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020/4.

18 Conclusie van antwoord onder punt 2.6.

19 R.J.B. Boonekamp, ‘De uitdijing van civiele processtukken en het luisterend oor van de rechter’, in: Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020/4.

20 J.B.M. Vranken, ‘De omvang van cassatiestukken in civiele zaken’, NJB 2018/997.

21 J.B.M. Vranken, ‘De omvang van cassatiestukken in civiele zaken’, NJB 2018/997, par. 6.

22 A.C. van Schaick, ‘De omvang van een memorie’, Ars Aequi 2021/9, p. 804-807.

23 S.o. Advocaten onder 6.6.

24 Zie ook s.o. Advocaten onder 7.3-7.4.

25 Zie onder meer A.C. van Schaick, ‘De omvang van een memorie’, Ars Aequi 2021/9, p. 804-807. Zie ook s.o. NOvA onder 2.4.4.

26 S.o. NOvA onder 2.4.4. Zie voor een rechterlijke instructie aan het begin van de procedure ook s.o. Advocaten onder 6.7.

27 S.o. NOvA onder 2.4.5.

28 Onder meer T. Barkhuysen, ‘Intelligent omgaan met lange processtukken’, NJB 2021/1. Zie ook s.o. Advocaten onder 6.7.

29 Zoals verschillende auteurs dat doen, onder meer T. Barkhuysen, ‘Intelligent omgaan met lange processtukken’, NJB 2021/1; J.C. Heuving, ‘Civiele rechtspleging is een gezamenlijke verantwoordelijkheid, ook als het de lengte van processtukken betreft’, Tijdschrift voor de Procespraktijk 2021/3, p. 79-81.

30 R.J.B. Boonekamp, ‘De uitdijing van civiele processtukken en het luisterend oor van de rechter’, in: Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020/4.

31 Idem R.J.B. Boonekamp, ‘De uitdijing van civiele processtukken en het luisterend oor van de rechter’, in: Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020/4.

32 F.J. de Vries, ‘Verkorting van processtukken’, NTBR 2019/29.

33 J.B.M. Vranken, ‘De omvang van cassatiestukken in civiele zaken’, NJB 2018/997, par. 1.

34 A.C. van Schaick, ‘De omvang van een memorie’, Ars Aequi 2021/9, p. 804-807.

35 Art. 81 lid 1 Wet RO luidt als volgt: Indien de Hoge Raad oordeelt dat een aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, kan hij zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel.

36 Idem R.J.B. Boonekamp, ‘De uitdijing van civiele processtukken en het luisterend oor van de rechter’, in: Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020/4.

37 De meest recente plannen voor verkorting van de doorlooptijden zijn te vinden in het rapport Doorlooptijden in beweging! Eindrapport project doorlooptijden Rechtspraak, Raad voor de rechtspraak, uit oktober 2019. Zie over het ontbreken van een empirische basis voor deze plannen onder meer R.H. de Bock, ‘Over tijdigheid, kwaliteit en sturing’, in: Tijdige rechtspraak. Rechtstreeks 2021/2, p. 39-46. Zie over het rapport ook F. van Dijk, K. van der Kraats en R. Verkerk, ‘Doorlooptijden: staat de trein stil of komt die (nu eindelijk) in beweging? Een bespreking van het eindrapport ‘Doorlooptijden in beweging’, TCR 2021/3. Zie verder ook M.J.A.M. Ashmann, ‘Een kijkje in de rechtspraakkeuken: welk gerecht verdient prioriteit?’, Ars Aequi 2021/0334, p. 336. Zie bijvoorbeeld specifiek over de lange doorlooptijden in letselschadezaken E.A. de Vries, ‘Stroperige letselschadeprocedures: effectieve remedies tegen rechterlijke termijnoverschrijding?’, TVvP 2021/1.3.

38 R. Verkerk, F. van Dijk & D. Pistoria, ‘De berechting binnen een redelijke termijn. Een empirisch onderzoek naar doorlooptijden in handelszaken’, TCR 2020/4, par. 5.4, voetnoot 93.

39 Agenda voor de appelrechtspraak 2020, opgenomen in A. Hol en J. Verburg (red.), Innoverende hoven. Agenda voor de appelrechtspraak 2020. Den Haag 2014, p. 341-374, p. 349.

40 Zie daarover onder meer R.H. de Bock & G.C.C. Lewin, ‘De civiele afdelingen van de hoven moeten blijven innoveren’, in: Innoverende hoven gewogen. Over de achtergronden en effecten van vernieuwingen in de appelrechtspraak. Rechtstreeks 2020/1. Verkerk, Van Dijk en Pistoria komen voor zaken met een belang tussen de € 1 en € 5 miljoen op een gemiddelde van 774 dagen. R. Verkerk, F. van Dijk & D. Pistoria, ‘De berechting binnen een redelijke termijn. Een empirisch onderzoek naar doorlooptijden in handelszaken’, in: TCR 2020/4.

41 De meest recent gepubliceerde ‘Kengetallen Gerechten’ zijn de Kengetallen 2019. Daar valt te lezen dat de gemiddelde duur van rechtszaken bij de hoven (dus niet alleen handelszaken) in de voorafgaande vijf jaar met 8% is toegenomen. Tabel 4 van bijlage 3 bij de Kengetallen 2019 bevat een overzicht van de doorlooptijden in handelszaken bij de hoven. Hieruit blijkt dat (bij een norm van 70%) in 2015 48% van de zaken binnen 1 jaar werd afgedaan en in 2019 40%. In 2015 werd 81% van de zaken binnen 2 jaar afgedaan (norm 90%) en in 2019 79%. Voor handelsverzoekzaken in hoger beroep werd in 2015 45% van de zaken binnen zes maanden afgedaan (bij een norm van 90%) en in 2019 40%. Deze cijfers bevestigen het beeld dat de doorlooptijden van handelszaken in hoger beroep de afgelopen jaren zijn toegenomen. Met name is sprake van een gestage daling van het percentage handelsvorderingzaken dat binnen één jaar wordt afgedaan. Ook is een dalende trend zichtbaar in het percentage handelsverzoekzaken. De cijfers zijn te raadplegen via www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Jaardocumenten.

42 Als alle handelszaken van de gerechtshoven worden bekeken (er is geen uitsplitsing gemaakt tussen vorderingszaken en verzoekzaken), dan is de instroom afgenomen van 9000 zaken in 2016, naar 8.230 in 2017, naar 7.670 in 2018, naar 7.040 in 2019 en naar 6.330 zaken in 2020. Zie het Jaarverslag 2020 van de rechtspraak, p. 40, tabel 1, te raadplegen via www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Jaardocumenten.

43 R.H. de Bock, ‘Grip op kwaliteit. Een model voor inhoudelijke kwaliteit van rechterlijke beslissingen’, in: Kwaliteit als keuze. Kwaliteit(sbeoordeling) van rechtspraak, wetgeving en rechtswetenschappelijk onderzoek (Preadvies Nederlandse Juristenvereniging), Deventer 2015, p. 27-139, onder 75.

44 Zie art. 30q van de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Kamerstukken 34 059), Stb. 2016/288.

45 S.o. NOvA onder 2.4.2; s.o. Advocaten onder 6.6.

46 Asser Procesrecht /Van Schaick 2 2016/94; Asser Procesrecht/Asser 3 2017/100.

47 M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag 2020 (2e druk), par. 3.4.2.

48 Volgens Van Schaick is dit ‘een gebruikelijke praktijk’, zie Asser Procesrecht /Van Schaick 2 2016/95. Van der Kraats schrijft in haar proefschrift dat in de door haar onderzochte zaken driekwart van de zaken op stelplicht zijn afgedaan, zie K.F.G. van der Kraats, De (eigen)aardigheid van de kantonrechter (diss. UU), Den Haag 2017, par. 4.3.3. Zie ook K.G.F. van der Kraats, ‘De stelplicht: geen kraaienpoot maar een “sinkhole”’, Ars Aequi 2018/3, p. 262-266.

49 J.P. de Haan, ‘Over kraaienpoten en ‘sinkholes’. Een kritische blik op het afdoen op stelplicht’, in: Ars Aequi 2021/5.

50 Zie onder meer Asser Procesrecht/Asser 3 2017/219; M.J.A.M. Ahsmann, ‘Bewijs: verschuiving van ‘bewijzen’ naar ‘stellen’?’, in: Bewijsrecht (bijdragen jaarvergadering Nederlandse Vereniging voor Procesrecht 2009), 2010, p. 13-27 en p. 188-190; R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure (diss. Tilburg), 2011, p, 99 e.v.; J.L.R.A. Huydecoper, ‘We hebben er wat mee te stellen’. In: Trema 2002, p. 209-214. Vgl. ook G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken, 2015, nr. 69.

51 W.D.H. Asser, ‘Stelplicht, een kraaienpoot op de weg van de waarheidsvinding’, TCR 2012/4.1.

52 J.P. de Haan, ‘Over kraaienpoten en ‘sinkholes’. Een kritische blik op het afdoen op stelplicht’, Ars Aequi 2021/5.

53 Vgl. M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag 2020 (2e druk), par. 3.4.4.

54 Zie hierover Asser Procesrecht/Asser 3 2017/35.

55 R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid. Over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, Deventer 2011, p. 20-22.

56 M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag 2020 (2e druk), par. 11.7.1.

57 Asser Procesrecht /Van Schaick 2 2016/94. Vgl. ook G.C.C. Lewin, die het heeft over een verfeitelijkingsplicht en de motiveringsplicht, in zijn noot onder HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3009, JBPR 2015/68.

58 Zie ook T. Hidma, ‘Over de kraaienpootjes van Vrouwe Justitia: Open vizier tijdens de mondelinge behandeling’, in: R. de Bock, R. Klomp & E. Schaafsma-Beversluis (red.), Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020, p. 147-154.

59 Zie G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 149 Rv, aant. 3; J.P. de Haan, ‘Over kraaienpoten en ‘sinkholes’. Een kritische blik op het afdoen op stelplicht’, in: Ars Aequi 2021/5 (AA20210450).

60 Zie hierover de conclusie van A-G Huydecoper bij HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9729, onder 8 en mijn conclusie voor HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:305, onder 3.10 en 3.29.

61 Asser Procesrecht/Asser 3 2017/5.

62 Zie bijv. HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635, NJ 2000/430 ([…] /De Schelde), r.o. 3.3.3.

63 Zie onder meer HR 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0571, NJ 2012/315 m.nt. C.J.M. Klaassen ([…] /Joodse gemeente).

64 S.o. Advocaten onder 8.3. Zie ook H.J.W. Alt, ‘Beperking van het aantal pagina’s in appel: aanpassing van het burgerlijk procesrecht vereist’, JBPr 2021/4.

65 Zie HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 m.nt. J.J.M. Maeijer en H.J. Snijders, rov. 4.2.3 en HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6699, NJ 2014/175 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.6.

66 Zie o.m. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 m.nt. J.J.M. Maeijer en H.J. Snijders, rov. 4.2.2-4.2.3; HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 m.nt. H.J. Snijders, rov. 2.4.2; HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6699, NJ 2014/175 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.6; HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238, JBPr 2018/9 m.nt. G.C.C. Lewin, rov. 3.3.2. Vgl. ook HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:258, NJ 2020/91, rov. 3.2.2 en 3.4.2.

67 Vgl. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 m.nt. J.J.M. Maeijer en H.J. Snijders, rov. 4.2.2 en HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 m.nt. H.J. Snijders, rov. 2.4.2.

68 In de rechtspraak van de Hoge Raad zijn als uitzonderingen aanvaard in de gevallen, samengevat (a) dat de wederpartij heeft ondubbelzinnig erin toegestemd dat een na de memorie van grieven of van antwoord naar voren gebrachte grief of nieuw verweer alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep wordt betrokken, of dat een eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt; (b) waarin dit volgt uit de aard van het geschil (bijvoorbeeld bij alimentatiezaken); en (c) dat sprake is van nieuwe feiten en moet worden voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Zie HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 m.nt. H.J. Snijders, rov. 2.4.3 en voorts ook HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238, JBPr 2018/9 m.nt. G.C.C. Lewin, rov. 3.3.2 en HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:258, NJ 2020/91, rov. 3.2.2 en 4.3.2.

69 Zie bijv., met verdere verwijzingen, de conclusie van A-G Van Peursem voor HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:641, onder 3.5 en de conclusie van A-G Hartlief van 22 oktober 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1000, onder 3.4. Zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/162; Klaassen, Meijer & Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht 2017/257a. Vgl. ook HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:281, rov. 3.5.5 en HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:641, rov. 3.5.2 alsmede HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238, JBPr 2018/9 m.nt. G.C.C. Lewin, rov. 3.3.2.

70 W.L. Valk, ‘De tweeconclusieregel herzien’, in: R.H. de Bock, R.J.Q. Klomp & E.L. Schaafsma-Beversluis (red.), Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, 2020, p. 279-281.

71 In het Wetsvoorstel modernisering en vereenvoudiging bewijsrecht bepaalt lid 2 van art. 24 Rv dat de rechter binnen de grenzen van de rechtsstrijd met partijen de grondslag van hun vordering, verzoek of verweer bespreekt. Zie Kamerstukken II, 2020-2021, 35 498, nr. 3, p. 11. Zie hierover uitvoerig F.J.P. Lock, ‘De rol van de civiele rechter en de aanvulling op artikel 24 Rv’, RM Themis 2020/6.

72 Zie idem F.J.P. Lock, ‘De rol van de civiele rechter en de aanvulling op artikel 24 Rv’, RM Themis 2020/6 en F.J.P. Lock, ‘KEI en wat er (niet) verandert in het procesrecht in het civiele hoger beroep’, TCR 2016/3.2, par. 5.

73 S.o. Advocaten onder 6.3-6.8; s.o. NOvA onder 2.1. Zie ook s.o. Staat, onder 2.8-2.9 en repliek Staat, onder 2.

74 S.o. NOvA, onder 2.1; s.o. Advocaten onder 6.

75 S.o. Staat onder 2.9.

76 Op de website van de NOvA is het volgende vermeld over het landelijk dekenberaad: “Alle dekens van de orden in de arrondissementen gezamenlijk vormen het dekenberaad. Dit is het overlegorgaan waarin de dekens met elkaar overleggen over de wijze waarop zij hun toezichttaken en -bevoegdheden uitoefenen en klachten behandelen. Dit betekent dat het dekenberaad als zodanig geen besluiten neemt. Als er iets besloten wordt, wordt dit door alle elf dekens afzonderlijk gedaan. De dekens nemen aan het dekenberaad deel als toezichthouder en klachtbehandelaar en als voorzitter van de raad van de orde in het arrondissement.” Zie https://www.advocatenorde.nl/dekenberaad.

77 R.H. de Bock, ‘Grip op kwaliteit. Een model voor inhoudelijke kwaliteit van rechterlijke beslissingen’, in: Kwaliteit als keuze (NJV preadviezen 2015) 2015, p. 55-56.

78 Vgl. de suggestie van M.J. Bosselaar & B. Kemp, ‘Nadere regels voor processtukken. Wat kunnen we leren van de Verenigde Staten?’, NTBR 2020/13.

79 S.o. NOvA, par. 2.3.

80 Zie over tijdigheid als aspect van kwaliteit ook R.H. de Bock, Grip op kwaliteit. Een model voor inhoudelijke kwaliteit van rechterlijke beslissingen’, in: Kwaliteit als keuze (NJV preadviezen 2015) 2015, par. 5.3.1.

81 Deze term is gemunt door Teuben; zie K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP II) (diss. Leiden) 2004, p. 5-7.

82 Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/53; M. Borgers, ‘Het landelijk strafprocesreglement’, DD 2011/52. Zie ook R.H. de Bock, ‘Grip op kwaliteit’, in: Kwaliteit als keuze (NJV preadviezen 2015) 2015, p. 78-81.

83 Zie over deze vraag ook R.H. de Bock, ‘Grip op kwaliteit’, in: Kwaliteit als keuze (NJV preadviezen 2015) 2015, p. 78-81; G.C.C. Lewin, ‘Richtinggevende uitspraken in civiel appel’, in: P.H.P.H.M.C. van Kempen e.a. (red.), Hoger beroep : renovatie en innovatie. Het appel in het burgerlijk, straf- en bestuursprocesrecht, 2014, p. 7-22.

84 P.P.T. Bovend’Eert, ‘Het rechtskarakter van procesreglementen en andere rechtersregelingen’, NJB 2016/257, par. 1; J. Sillen, ‘Tussen dogmatiek en pragmatisme: binding aan rechtersregelingen in Nederland en Duitsland’, Ars Aequi 2014/0569, voetnoot 10. Volgens Bovend’Eert ligt het vanuit constitutioneel oogpunt voor de hand rechtersregelingen vooral tot stand te brengen op het terrein van het procesrecht. Zie P.P.T. Bovend’Eert, ‘De rechter als wetgever uniforme rechtstoepassing in rechtersregelingen vanuit staatsrechtelijk perspectief’, RegelMaat 2010, p. 28. Anders H.J. Snijders, ‘Rechterlijke samenwerking in het burgerlijk recht; een tussenstand en voorzichtige vooruitblik’, in: C.P.M. Cleiren & G.K. Schoep (red.), Rechterlijke samenwerking 2001, p. 20-21.

85 Zie voor een overzicht van de bestaande procesreglementen www.rechtspraak.nl/Voor-advocaten-en-juristen/Reglementen-procedures-en-formulieren/Paginas/Procesreglement.aspx.

86 Snijders & Wendels, Civiel appel (BPP nr. 2) 2009/156; M. Ynzonides, ‘Rolrecht: van regionaal naar landelijk en weer terug?’, in: P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, F.E. Vermeulen & B.T.M. van der Wiel (red.), Middelen Meijer (liber amicorum R.S. Meijer), 2013, p. 485-487. Zie over dit ‘regionaal rolrecht’ A.I.M. van Mierlo, Rolrecht in Nederland 1998.

87 Naast deze landelijke procesreglementen (en andere landelijke rechtersregelingen) gelden er binnen de verschillende gerechten ook lokale (proces)regelingen, die deels afwijken van de landelijke reglementen en deels een aanvulling daarop vormen. Zie P.P.T. Bovend’Eert, ‘Het rechtskarakter van procesreglementen en andere rechtersregelingen’, NJB 2016/257, par. 1. Een actueel overzicht van de regels per gerecht is te vinden op www.rechtspraak.nl (thans via: www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Regels-en-procedures-gerechten).

88 HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2117, NJ 1997/495 m.nt. H.J. Snijders, JB 1996/186 m.nt. M. de Werd & R. Neerhof (Rolrichtlijnen). Zie daarnaast bijv. HR 4 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7220, NJ 1998/220 m.nt. H.J. Snijders (Rolreglement rechtbank Maastricht); HR 23 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2327, NJ 2004/350 (Uniform reglement gerechtshoven voor rekestprocedures in familiezaken); HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5752, NJ 2005/481 m.nt. W.D.H. Asser (Bijzonder rekestreglement personen- en familierecht hof Den Haag). Zie ook, met verwijzing naar het Rolrichtlijnen-arrest, HR (belastingkamer) 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3370, AB 2016/95 m.nt. L.M. Koenraad (Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, Raad voor de Rechtspraak).

89 HR (belastingkamer) 28 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4258, NJ 1991/118. Zie daarna in dezelfde zin HR (strafkamer) 19 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8556, NJ 1991/119 m.nt. M. Scheltema en Th.W. van Veen; en HR (civiele kamer) 29 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1192, NJ 1991/120.

90 Zie B.W.N. de Waard, ‘Afstemming tussen rechters en gerechten’, in: P.M. Langbroek, K. Lahuis & J.B.J.M. ten Berge (red.), Kwaliteit van rechtspraak op de weegschaal, Zwolle 1998, p. 156. Zie ook K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 61.

91 K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 61, 103. Vgl. ook F. Vellinga-Schootstra, ‘Strafrechtersrecht: rechtersregelingen in het strafproces’, in: B.F. Keulen e.a. (red.), Pet af (liber amicorum D.H. de Jong) 2007, p. 507, die onderscheid maakt tussen binding aan een rechtersregeling (op grond van algemene beginselen van een behoorlijke rechtspleging) en de vraag of die regeling als recht in de zin van art. 79 Wet RO kan worden aangemerkt.

92 K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 100-103.

93 K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 104-105, 129, 180. Teuben stelt dat de uitbreiding van het bereik van art. 79 Wet RO tot rechtersregelingen juist is ingegeven door het feit dat een rechtersregeling die aan bepaalde voorwaarden voldoet, op grond van algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging bindend is voor de rechter. Toetsing in cassatie aan een dergelijke regeling heeft immers pas zin als die regeling ook op een of andere grondslag bindend is, aldus Teuben (p. 104-105).

94 Zie J. Sillen, ‘Tussen dogmatiek en pragmatisme: binding aan rechtersregelingen in Nederland en Duitsland’, Are Aequi 2014/0569, p. 571; M.J. Borgers, ‘Het landelijk strafprocesreglement’, DD 2011/52, par. 4.

95 K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 105-107, 181-185; P.P.T. Bovend’Eert, ‘Het rechtskarakter van procesreglementen en andere rechtersregelingen’, NJB 2016/257, par. 4; J. Sillen, ‘Tussen dogmatiek en pragmatisme: binding aan rechtersregelingen in Nederland en Duitsland’, Ars Aequi 2014/0569, p. 571; M.J. Borgers, ‘Het landelijk strafprocesreglement’, DD 2011/52, par. 4; F. Vellinga-Schootstra, ‘Strafrechtersrecht: rechtersregelingen in het strafproces’, in: B.F. Keulen e.a. (red.), Pet af (liber amicorum D.H. de Jong) 2007, p. 505.

96 Snijders & Wendels, Civiel appel (BPP nr. 2) 2009/156. Zie ook K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 203-209; M. Borgers, ‘Het landelijk strafprocesreglement’, DD 2011/52, par 4.

97 HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7676, NJ 2003/567, JBPr 2003/58 m.nt. K. Teuben, rov. 3.5. Herhaald in HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7596, NJ 2011/575, JBPr 2012/23 m.nt. P.M. Vos, JIN 2012/15 m.nt. M. Teekens & P. Vos, waarin de Hoge Raad overwoog (rov. 3.4.2) dat het arrest van 11 juli 2003 zijn betekenis onder het sinds 1 januari 2002 geldende procesrecht heeft behouden.

98 Zie HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8513, NJ 2012/76, rov. 3.3.2 en HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7254, NJ 2012/77, rov. 3.2.2 (“(…) dat het bepaalde in het rolreglement niet kan afdoen aan het in de wet vastgelegde recht op pleidooi en evenmin kan rechtvaardigen dat een andere maatstaf wordt gehanteerd voor de beoordeling van een verzoek om de zaak te mogen bepleiten dan hiervoor als juist is aanvaard”). Vgl. ook HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4124, NJ 2013/126, JBPr 2013/29 m.nt. H.W. Wiersma.

99 HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1078, NJ 2015/209, JBPr 2015/37 m.nt. H.W. Wiersma ([…] / […]). Zie ook, m.b.t. het toenmalige pilot-procesreglement civiele dagvaardingszaken van het gerechtshof Amsterdam, HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:453, RvdW 2016/413 (onder verwijzing naar voornoemd arrest). Zie over beide pilotreglementen ook noot 104 hierna.

100 HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087, NJ 2018/56 m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2016/62 m.nt. E. Loesberg, rov. 3.8.2.

101 HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087, rov. 3.3.3-3.3.5, waarbij de Hoge Raad het procesreglement omschrijft als “een landelijk geldende rechtersregeling omtrent de uitoefening van de wettelijke bevoegdheden en taken van in kort geding in eerste aanleg rechtsprekende rechters”. Zie ook de NJ-noot (2018/56) van H.J. Snijders onder de uitspraak, onder 3.a.

102 HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4937, NJ 2012/127 m.nt S.F.M. Wortmann (cassatie in belang der wet), rov. 3.5.3. Zie ook rov. 3.5.4, waarin wordt overwogen dat de richtlijn “onverenigbaar is met de wet”.

103 HR 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4472, NJ 2010/494, m.nt. G.J.J. Heerma van Voss, rov. 3.5.7 (citaat) en (m.b.t. de kantonrechtersformule) HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6596, NJ 2010/493 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss, rov. 4.4-4.6.

104 Het ging in deze zaak om het ‘Procesreglement per 1 januari 2013 voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch’. Dit reglement was opgesteld in het kader van het Project Civiele Procesinnovatie (1 mei 2012), dat tot doel had de doorlooptijden te verkorten, vereenvoudiging van de procedure, beheersing van de proceskosten en betrokkenheid van de rechtzoekenden bij het vormgeven van de procedures. Het hof Amsterdam had een vergelijkbaar pilotreglement. Zie de conclusie van A-G Wesseling-van Gent voor HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210, onder 2.1-2.4.

105 HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1075, JIN 2015/133 m.nt. N. de Boer, rov. 3.8. De Hoge Raad tekent daarbij aan dat art. 1.6 van het pilotreglement (“Het hof zal aan de niet-naleving van een in dit reglement gegeven voorschrift het gevolg verbinden dat het met het oog op de aard van het voorschrift en de ernst van het verzuim passend voorkomt”) de door het hof te maken afweging ook mogelijk maakt. Zie ook HR 4 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2464, JBPr 2016/4 m.nt. H. Wiersma; HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:359, JBPr 2016/23 m.nt. H.W. Wiersma; HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:376, RvdW 2016/367; HR 8 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:606, NJ 2016/266, JIN 2016/88 m.nt. M.C. van Rijswijk & R.P. van den Broek; HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1459, RvdW 2016/823.

106 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:596, NJ 2018/213, rov. 3.4.5.

107 Zie bijv. K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 201-202, 209-213. Vgl. ook HR 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0571, NJ 2012/315 m.nt. C.J.M. Klaassen, JBPr 2011/48 m.nt. S.M.A.M. Venhuizen, rov. 3.5.3: “(…). In cassatie kan over de wijze waarop de rechter van zijn bevoegdheden gebruik maakt slechts worden geklaagd dat de rechter is uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent het bestaan en de omvang van zijn bevoegdheden, waaronder in voorkomend geval is begrepen dat hij in strijd handelt met de terzake door de daartoe bevoegde rechterlijke organen vastgestelde en als recht in de zin van art. 79 RO te beschouwen procesregelingen, (…).”.

108 HR 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:364, NJ 2018/155; HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2879; HR 20 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:920, RvdW 2016/622; HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:155; HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2798, JBPr 2015/16 m.nt. K. Teuben; HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1245 en ECLI:NL:HR:2013:1259; HR 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1774, NJ 2013/376 m.nt. A.I.M. van Mierlo, JBPr 2011/50 m.nt. K. Teuben; HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2804,; HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2813; HR 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5014, NJ 2010/68; HR 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9613, NJ 2008/554 m.nt. H.J. Snijders; HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519, NJ 2006/405 m.nt. G.R. Rutgers; HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2117, NJ 1997/495 m.nt. H.J. Snijders, (Rolrichtlijnen). Vgl. ook HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:727, NJ 2016/225.

109 Zie, onder verwijzing naar de in noot 105 genoemde uitspraken van 17 april 2015, 4 maart 2016 en 8 april 2016, T.F.E. Tjong Tjin Tai, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 35 Rv, aant. 4 (online, actueel t/m 25-08-2019).

110 K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 104, 126, 129-178; M.J. Borgers, ‘Het landelijk strafprocesreglement’, DD 2011/52, par. 3; F. Vellinga-Schootstra, ‘Strafrechtersrecht: rechtersregelingen in het strafproces’, in: B.F. Keulen e.a. (red.), Pet af (liber amicorum D.H. de Jong) 2007, p. 508.

111 De formulering van eis (iii) is ontleend aan HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210, JIN 2015/134 m.nt. N. de Boer. Zie ook – op dit punt slechts verwijzend naar voornoemd arrest – HR 4 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2464, JBPr 2016/4 m.nt. H.W. Wiersma, rov. 3.4.1. Vgl. ook HR 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0571, NJ 2012/315 m.nt. C.J.M. Klaassen, JBPr 2011/48 m.nt. S.M.A.M. Venhuizen, rov. 3.5.3: “(…) de terzake door de daartoe bevoegde rechterlijke organen vastgestelde en als recht in de zin van art. 79 RO te beschouwen procesregelingen, (…).” (mijn onderstreping).

112 S.o. Advocaten onder 4.1 e.v. Vgl. over het ontbreken van een wettelijke grondslag voor de maximeringsregels ook s.o. NOvA par. 3.1.

113 A. Hammerstein, ‘Of u het ook kort kan houden’, JBPr 2021/4, par. 11-12, H.J.W. Alt, ‘Beperking van het aantal pagina’s in appel: aanpassing van het burgerlijk procesrecht vereist’, JBPr 2021/4. Zie idem de adviezen van de commissies burgerlijk procesrecht en intellectuele eigendom van de NOvA van 8 februari 2021 (zie hoofdtekst onder 2.10).

114 S.o. Staat onder 4.5. Vgl. ook onder 3.4-3.11, 7 (de eisen van een goede procesorde als grondslag).

115 S.o. Staat onder 3.4, 3.11-3.14, 4.6-4.10, 7.

116 HR (strafkamer) 3 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8838, NJ 2003/570, rov. 3.2.4.

117 HR (strafkamer) 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2745, NJ 2011/410 m.nt. M.J. Borgers en HR (strafkamer) 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1236, NJ 2014/364 m.nt. M.J. Borgers. Zie ook de conclusie van A-G Bleichrodt bij HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:306, RvdW 2016/355, onder 7 .

118 F. Vellinga-Schootstra, ‘Strafrechtersrecht: rechtersregelingen in het strafproces’, in: B.F. Keulen e.a. (red.), Pet af (liber amicorum D.H. de Jong) 2007, p. 493-516, p. 500, 503; M. Borgers, ‘Het landelijk strafprocesreglement’, DD 2011/52, par. 4.

119 F. Vellinga-Schootstra, ‘Strafrechtersrecht: rechtersregelingen in het strafproces’, in: B.F. Keulen e.a. (red.), Pet af (liber amicorum D.H. de Jong) 2007, p. 493-516, p. 503.

120 HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087.

121 De betreffende bepaling luidde als volgt: “Indien ondanks herhaalde verzoeken de benodigde stukken toch niet worden overgelegd, krijgt appellant een laatste gelegenheid om dit verzuim te herstellen. Het hieraan niet voldoen wordt beschouwd als het afzien van een mondelinge behandeling, waarna een beschikking houdende niet-ontvankelijkheid volgt.” Zie rov. 3.2 van het arrest.

122 HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5752, NJ 2005/481 m.nt. W.D.H. Asser, JBPR 2005/20 m.nt. K. Teuben.

123 Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 5 januari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1181, Prg. 2021/88.

124 Zie de noot van Asser onder HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5752, NJ 2015/481.

125 T.F.E. Tjong Tjin Tai, in: GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 35 Rv, aant. 3 (online, actueel t/m 25-09-2019).

126 Zie K. Teuben, noot bij HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5752, JBPR 2005/20, onder 10; conclusie A-G Drijber voor HR 3 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1224, NJ 2020/282, onder 6.6; F. Vellinga-Schootstra, ‘Strafrechtersrecht: rechtersregelingen in het strafproces’, in: B.F. Keulen e.a. (red.), Pet af (liber amicorum D.H. de Jong) 2007, p. 504.

127 HR 3 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1224, NJ 2020/282, rov. 3.4.2.

128 De Hoge Raad overweegt in dit verband, in aansluiting op de hierboven geciteerde overwegingen (rov. 3.4.2): “(…) Het in de bepaling genoemde tijdstip is slechts een belangrijke aanwijzing dat het in strijd met de goede procesorde is indien een (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep na dat tijdstip wordt ingesteld. Indien de termijn niet in acht is genomen, kan op grond van de omstandigheden van het geval worden geoordeeld dat het instellen van het incidentele cassatieberoep desondanks niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde”. De Hoge Raad verwijst daarbij naar HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0197, NJ 2010/650, JBPr 2011/16 m.nt. K. Teuben rov. 3.3.1-3.3.2.

129 HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:596, NJ 2018/213, rov. 3.4.1 en HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:364, JIN 2018/364 m.nt. I.L.N. Timp, rov. 3.4.1 (“Het Landelijk procesreglement vormt een uitwerking van het bepaalde in art. 133 Rv met betrekking tot, kort gezegd, de door de rechter vast te stellen termijnen voor het nemen van de conclusies (art. 133 lid 1 Rv), uitstel voor het nemen van conclusies (art. 133 lid 2 Rv), de termijnen voor het verrichten van andere proceshandelingen dan conclusies en uitstel daarvoor (art. 133 lid 3 Rv), en het verval van het recht om de desbetreffende proceshandeling te verrichten (art. 133 lid 4 Rv).”); HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210, JIN 2015/134, m.nt. N. de Boer, rov. 3.6.2 (“(…) Het hof heeft met juistheid overwogen dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een procesreglement als het onderhavige voortvloeit uit art. 133 Rv (…)”.

130 HR 16 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3978, NJ 2002/401 m.nt. H.J. Snijders (Ajax/Valk). Zie over het arrest ook K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 77-78.

131 Zie over de regeling van art. 135 Rv (oud) de conclusie van A-G Wesseling-van Gent bij het arrest (vorige noot), onder 3.5 e.v.

132 Dat een wettelijke basis ontbrak blijkt ook uit de conclusie van A-G Wesseling-van Gent bij het arrest, onder 3.10.

133 K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 77-78: “Naar het zich laat aanzien, interpreteert de Hoge Raad art. 135 Rv (oud) hier aldus, dat deze bepaling de rechter de ruimte laat de hier genoemde nadere eisen te stellen aan de inschrijving van zaken. Dit ‘strookt’ immers met de eisen van een behoorlijke rechtspleging. (…)”.

134 Overigens is deze kwestie nadien geregeld in het per 1 januari 2002 in werking getreden art. 125 Rv (dat via art. 353 Rv ook van toepassing is in hoger beroep). De daarin opgenomen regel (eerst in lid 2 en per 1 juli 2012 in lid 5) dat de aanhangigheid van het geding vervalt indien het exploot van dagvaarding niet tijdig ter griffie is ingediend, gold op grond van HR 17 december 1982, NJ 1984/59 al voor hoger beroep en cassatie. Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 311.

135 HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2904, NJ 2013/240, JBPR 2013/40 m.nt. G. van Rijssen ([…] /Welstand).

136 G. van Rijssen, noot onder HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2904, NJ 2013/240, ([…] /Welstand), JBPR 2013/40, par. 7; Th. Veling, ‘Langwijligheid te vermeiden, en kortheid te betrachten’, TvPP 2015/5, p. 125.

137 Zie art. 4.11 van en bijlage II bij het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven.

138 Zie art. 4.12 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven. Deze beperking geldt blijkens bijlage III alleen voor de gerechtshoven Den Haag en ’s-Hertogenbosch.

139 Zie o.m. mijn conclusie voor HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1908, NJ 2021/241 m.nt. G. van Solinge, onder 7.12-7.13.

140 Vgl. P.P.T. Bovend’Eert, ‘Het rechtskarakter van procesreglementen en andere rechtersregelingen’, NJB 2016/257, par. 4 en 5.

141 Zie mijn conclusie voor HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1908, NJ 2021/241 m.nt. G. van Solinge, onder 7.15.

142 Zie ook de reactie van de Staat op de s.o. van de Advocaten, onder 4.8.

143 S.o. Staat, onder 3.1-3.14.

144 Art. 1 sub H van de Wet KEI, Stb. 2016/288, iwtr. art. I lid 1 Besluit van 24 april 2017, Stb. 2017/174.

145 Kamerstukken II 2014-2015, 34 059, nr. 3 (MvT Wet KEI), p. 58.

146 Zie nader R.H. de Bock, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 87 Rv, aant. 2 (online, bijgewerkt t/m 01-06-2021).

147 Kamerstukken II 2014-2015, 34 059, nr. 3 (MvT Wet KEI), p. 70.

148 Kamerstukken II 2014-2015, 34 059, nr. 6 (NV Wet KEI), p. 13: “Het betreft met name de bepalingen die de regiefunctie van de rechter nader uitwerken (artikelen 19, 22–22b, 30k en 30o Rv)”.

149 Wet van 3 juli 2019 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot intrekking van de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland en tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht (Spoedwet KEI), Stb. 2019, 241.

150 Zie nader Kamerstukken II 2018-2019, 35 175, nr. 3 (MvT Spoedwet KEI), p. 3-4, 8-9 en Kamerstukken II 2018-2019, 35 175, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Spoedwet KEI), p. 5-6.

151 Zie nader R.H. de Bock, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 87 Rv, aant. 1-9 (online, bijgewerkt t/m 01-06-2021).

152 Kamerstukken II 2014-2015, 34 059, nr. 3 (MvT Wet KEI), p. 26-28.

153 Zie nader R.H. de Bock, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 87 Rv, aant. 2 (online, bijgewerkt t/m 01-06-2021).

154 Kamerstukken II 2014-2015, 34 059, nr. 3 (MvT Wet KEI), p. 5.

155 Kamerstukken II 2014-2015, 34 059, nr. 3 (MvT Wet KEI), p. 7.

156 Kamerstukken II 2014-2015, 34 059, nr. 6 (Nota naar aanleiding van het verslag), p. 28.

157 Verwezen wordt naar Rb. Roermond 9 april 1931, NJ 1931, p. 645. Zie s.o. Staat onder 3.5.

158 Verwezen wordt naar Stcrt. 30 juli 2008, nr. 149. Zie s.o. Staat onder 3.6.

159 S.o. NOvA onder 3.1.2.

160 Zie ook T.F.E. Tjong Tjin Tai, in: GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 35 Rv, aant. 2 en 4 (online, actueel t/m 25-08-2019) en – m.b.t. het eerste lid van art. 35 Rv – HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210, JIN 2015/134 m.nt. N. de Boer, rov. 3.6.2 (“(…). Anders dan het onderdeel veronderstelt, delegeert deze bepaling geen bevoegdheden aan de (landelijke) rechterlijke macht, maar opent het de mogelijkheid tot het stellen van regels bij algemene maatregel van bestuur. (…)”), bevestigd in HR 4 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2464, JBPr 2016/4 m.nt. H.W. Wiersma, rov. 3.4.1.

161 Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 5 (Nota n.a.v. het verslag Herz. Burg. procesrecht), p. 23, 60.

162 Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 3 (MvT Herz. Burg. procesrecht), p. 114.

163 Zie art. I sub R Wet KEI, Stb. 2016/288, iwtr. 1 september 2017, Stb. 2017/174.

164 Kamerstukken II 2014-2015, 34 059, nr. 3 (MvT Wet KEI), p. 78.

165 Zie hierover onder meer Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 3 (MvT Herz. Burg. procesrecht), p. 49; Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/308; T.F.E. Tjong Tjin Tai, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 19 Rv, aant. 1 (online, actueel t/m 01-09-2020); A.I.M. van Mierlo, T&C Burgerlijke rechtsvordering, art. 19 Rv, aant. 2 (online, actueel t/m 01-01-2021).

166 Zie o.a. HR 27 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5563, NJ 1988/130 m.nt. WHH (De Samenwerking/Geerlings) en HR 24 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1199, NJ 1994/194 (W.S./S). Zie ook Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 3 (MvT Herz. Burg. procesrecht), p. 49-50.

167 Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/292.

168 Zie o.a. Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/309; Snijders, Klaassen & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2017, nr. 32.

169 Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/310. Vgl. ook T.F.E. Tjong Tjin Tai, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 19 Rv, aant. 2 (online, actueel t/m 01-09-2020).

170 A.I.M. van Mierlo, in: T&C Burgerlijke rechtsvordering, art. 19 Rv, aant. 2 (online, actueel t/m 01-01-2021).

171 Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/310. Giesen voegt hieraan toe dat dit ‘uiteraard ook ‘scharniert’ rondom de eis van toegang tot de rechter’.

172 P. Smits, Art. 6 EVRM en de civiele procedure, Deventer 2008, par. 3.3.

173 Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/311, onder verwijzing relevante jurisprudentie van de Hoge Raad en EHRM 18 maart 1997, ECLI:NL:XX:1997:AD4449, NJ 1998/278 m.nt. H.J. Snijders (Mantovanelli/Frankrijk).

174 EHRM 18 maart 1997, ECLI:NL:XX:1997:AD4449, NJ 1998/278 m.nt. H.J. Snijders (Mantovanelli/Frankrijk).

175 Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/314, 315, 316. Vgl. ook Snijders, Klaassen & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2017, nr. 32; T.F.E. Tjong Tjin Tai, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 19 Rv, aant. 2, 6 (online, actueel t/m 01-09-2020).

176 Zie onder meer HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6843, NJ 2006/641 (DNA-onderzoek), rov. 3.5; HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9448, NJ 2007/44 m.nt. J. Legemaate, rov. 4.4; HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1751, RvdW 2015/811 (X./Provincie Noord-Holland), rov. 3.3.2.

177 Zie bijv. HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF1210, NJ 2004/172 m.nt. H.J. Snijders (Dipasa/ […]); HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4616 NJ 2006/156 (Life Fit); HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0197 NJ 2010/650 ([…] / […]), HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5351, RvdW 2013/775 (Amersfoort/X.).

178 Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/301, 309 en 317 e.v. Zie met name ook de Dombo-zaak, waarin het EHRM oordeelde dat het uitsluiten van het recht op getuigenbewijs voor slechts één van de partijen, omdat het zou gaan om een partijgetuige, terwijl de andere partij wel diens vertegenwoordiger als een getuige mocht laten horen, in strijd was met het beginsel van gelijkheid der wapenen. Zie EHRM 27 oktober 1993, ECLI:NL:XX:1993:AD1977, NJ 1994/534 m.nt. H.J. Snijders, E.J. Dommering (Dombo/Nederland), rov. 34-35.

179 Zie ook o.m. Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/7.4.5; T.F.E. Tjong Tjin Tai, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 19 Rv, aant. 3 (online, actueel t/m 01-09-2020); A.I.M. van Mierlo, in: T&C Burgerlijke rechtsvordering, art. 19 Rv, aant. 3 (online, actueel t/m 01-01-2021).

180 Deze voorbeelden zijn ontleend aan T.F.E. Tjong Tjin Tai, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 19 Rv, aant. 3 (online, actueel t/m 01-09-2020); A.I.M. van Mierlo, in: T&C Burgerlijke rechtsvordering, art. 19 Rv, aant. 3 (online, actueel t/m 01-01-2021); Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/328-329.

181 HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF1210, NJ 2004/172 m.nt. H.J. Snijders (Dipasa/ […]); HR 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9613, NJ 2008/554 m.nt. H.J. Snijders. Vgl. ook P. Smits, Art. 6 EVRM en de civiele procedure, Deventer: Kluwer 2008, par. 3.3.3.1.

182 HR 7 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1224, NJ 1994/319 (Alfaro/De Haan’s c.s.), rov. 3; HR 6 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1602, NJ 1995/422; HR 22 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1812, NJ 1997/418.

183 S.o. Advocaten, onder 1.2, 5.1-5.7, 9.4. De NOvA schrijft in haar schriftelijke opmerkingen (onder 3.2.6) van mening te zijn dat de derde prejudiciële vraag ten onrechte is gebaseerd op het recht van hoor en wederhoor en het recht op toegang tot de rechter. Volgens de NOvA is ook “de uit art. 6 EVRM en art. 24 Rv voortvloeiende partijautonomie, het fundamentele recht van partijen hun zaak te presenteren op de wijze die hen goeddunkt, in het geding.

184 S.o. Advocaten onder 5.6.

185 S.o. Advocaten onder 5.5.

186 A.I.M. van Mierlo, in: T&C Burgerlijke rechtsvordering, art. 19 Rv, aant. 9 (online, actueel t/m 01-01-2021).

187 Sdu Commentaar EVRM, aant. C.1.2 bij art. 6 EVRM (Gerards e.a.).

188 EHRM 21 februari 1975, nr. 4451/70, ECLI:CE:ECHR:1975:0221JUD000445170, NJ 1975/462, m.nt. E.A. Alkema (Golder/VK), rov. 28-36.

189 EHRM 4 december 1995, nr. 23805/94, ECLI:CE:ECHR:1995:1204JUD002380594 (Bellet/Frankrijk), rov. 36; EHRM 29 november 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1129JUD007694311 (Lupeni Catholic Parish e.a./Roemenië), rov. 86; EHRM 5 april 2018, nr. 40160/12, ECLI:CE:ECHR:2018:0405JUD004016012, EHRC 2018/150 m.nt. F. Fernhout (Zubac/Kroatië), rov. 77.

190 EHRM 28 mei 1985, ECLI:NL:XX:1985:AC8915, NJ 1991/623, m.nt. E.A. Alkema (Ashingdane/VK), rov. 57.

191 Vgl. ook EHRM 17 januari 2012, nr. 36760/06, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD003676006, NTM/NJCM-bull. 2012, p. 338, m.nt. Aart Hendriks, EHRC 2012/73 m.nt. A.C. Hendriks (Stanev/Bulgarije), rov. 230; EHRM 29 november 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1129JUD007694311 (Lupeni Catholic Parish e.a./Roemenië), rov. 89; EHRM 5 april 2018, nr. 40160/12, ECLI:CE:ECHR:2018:0405JUD004016012, EHRC 2018/150 m.nt. F. Fernhout (Zubac/Kroatië), rov. 78.

192 Zie EHRM 5 april 2018, nr. 40160/12, ECLI:CE:ECHR:2018:0405JUD004016012, EHRC 2018/150 m.nt. F. Fernhout (Zubac/Kroatië), rov. 78.

193 EHRM 15 maart 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:0315JUD005135707 (Naït-Liman/Zwitserland), rov. 173-175.

194 Zie onder meer EHRM 5 april 2018, nr. 40160/12, ECLI:CE:ECHR:2018:0405JUD004016012, EHRC 2018/150 m.nt. F. Fernhout (Zubac/Kroatië), rov. 87.

195 Onder meer EHRM 28 mei 1985, ECLI:NL:XX:1985:AC8915, NJ 1991/623, m.nt. E.A. Alkema (Ashingdane/VK), rov. 57; EHRM 17 januari 2012, nr. 36760/06, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD003676006, NTM/NJCM-bull. 2012, p. 338, m.nt. Aart Hendriks, EHRC 2012/73 m.nt. A.C. Hendriks (Stanev/Bulgarije), rov. 230; EHRM 29 november 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1129JUD007694311 (Lupeni Catholic Parish e.a./Roemenië), rov. 89; EHRM 5 april 2018, nr. 40160/12, ECLI:CE:ECHR:2018:0405JUD004016012, EHRC 2018/150 m.nt. F. Fernhout (Zubac/Kroatië), rov. 78.

196 Zie ook P. Smits, Art. 6 EVRM en de civiele procedure, Deventer: Kluwer 2008, par. 2.7; Sdu Commentaar EVRM, aant. C.1.3 e.v. bij art. 6 EVRM (Gerards e.a.); P. Hirvelä & Satu Heikkilä, Right to a Fair Trial, Cambridge/Antwerpen/Chicago: Intersentia 2021, p. 61.

197 Dit is vaste rechtspraak sinds EHRM 17 januari 1970, nr. 2689/65, (Delcourt/België), rov. 25: “Article 6 para. 1 (…) does not (…) compel the Contracting States to set up courts of appeal or of cassation. Nevertheless, a State which does institute such courts is required to ensure that persons amenable to the law shall enjoy before these courts the fundamental guarantees contained in Article 6 (…)”. Zie meer recent bijv. EHRM 5 april 2018, nr. 40160/12, ECLI:CE:ECHR:2018:0405JUD004016012, EHRC 2018/150 m.nt. F. Fernhout (Zubac/Kroatië), rov. 80, waar het EHRM het als volgt verwoordt (met verwijzingen naar eerdere rechtspraak): “Article 6 of the Convention does not compel the Contracting States to set up courts of appeal or of cassation. However, where such courts do exist, the guarantees of Article 6 must be complied with (…).” Zie ook Sdu Commentaar EVRM, aant. C.1.2 bij art. 6 EVRM (Gerards e.a.).

198 EHRM 23 oktober 1996, ECLI:NL:XX:1996:AD2631, NJ 1998/343 (Levages Prestations Services/Frankrijk).

199 EHRM 5 april 2018, nr. 40160/12, ECLI:CE:ECHR:2018:0405JUD004016012, EHRC 2018/150 m.nt. F. Fernhout (Zubac/Kroatië).

200 EHRM 19 december 1997, nr. 155/1996/774/975, ECLI:CE:ECHR:1997:1219JUD002673795 (Brualla Gómez de la Torre/Spanje), rov. 38-39.

201 EHRM 30 juni 2021, no. 4830/18, ECLI:CE:ECHR:2021:0330JUD000483018 (Oorzhak/Rusland),

202 EHRM 19 december 1997, nr. 155/1996/774/975, ECLI:CE:ECHR:1997:1219JUD002673795 (Brualla Gómez de la Torre/Spanje), rov. 36.

203 EHRM 17 januari 2012, nr. 36760/06, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD003676006, NTM/NJCM-bull. 2012, p. 338, m.nt. Aart Hendriks, EHRC 2012/73 m.nt. A.C. Hendriks (Stanev/Bulgarije), rov. 242

204 EHRM, 26 maart 2015, nr. 11239/11, ECLI:NL:XX:2015:345, EHRC 2012/135 m.nt. M. Westerveld (Momčilović/Kroatië), rov. 55-57.

205 Zie bijv. EHRM 13 februari 2020, nr. 25137/16, ECLI:CE:ECHR:2020:0213JUD002513716 (Sanofi Pasteur/Frankrijk), rov. 54.

206 EHRM 13 juli 1995, ECLI:NL:XX:1995:AC3159, NJ 1996/544 m.nt. E.J. Dommering (Tolstoy Miloslavsky/VK), rov. 39 en 45.

207 Zie EHRM 15 maart 2018, nr. 51357/07, ECLI:CE:ECHR:2018:0315JUD005135707 (Naït-Liman/Zwitserland), rov. 173.

208 EHRM 24 mei 2006, ECLI:NL:XX:2006:AY5285, AB 2006/257 m.nt. T. Barkhuysen & M.L. van Emmerik (Liakopoulou/Griekenland).

209 EHRM 24 mei 2006, ECLI:NL:XX:2006:AY5285, AB 2006/257 m.nt. T. Barkhuysen & M.L. van Emmerik (Liakopoulou/Griekenland, rov. 14-15.

210 Zie hierover de noot van Barkhuysen en Van Emmerik bij EHRM 24 mei 2006, ECLI:NL:XX:2006:AY5285, AB 2006/257 Emmerik (Liakopoulou/Griekenland).

211 EHRM 28 oktober 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:1028JUD005506411 (Succi e.a./Italië), m.n. rov. 111-115. Zie voor een bespreking ook de Nieuwsbrief Rechtspraak Europa 2021, nr. 11 (te raadplegen via www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/nre-2021-nr-11.pdf), p. 63-64.

212 Zie ook rov. 23 van het EHRM-arrest Succi e.a./Italië.

213 EHRM 28 oktober 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:1028JUD005506411 (Succi e.a./Italië), rov. 73-77.

214 EHRM 28 oktober 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:1028JUD005506411 (Succi e.a./Italië), rov. 86-95.

215 EHRM 28 oktober 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:1028JUD005506411 (Succi e.a./Italië), rov. 96-106 en 97-115.

216 Eerder reeds K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 93.

217 Vgl. de overweging van de strafkamer van de Hoge Raad in HR 3 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8838, NJ 2003/570, rov. 3.2.4 (hiervoor onder 5.26 geciteerd). De civiele kamer spreekt van een ‘bevoegde rechterlijke organen’; zie o.m. HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210, JIN 2015/134 m.nt. N. de Boer, rov. 3.6.2..

218 Dat bracht De Werd en Neerhof in hun noot onder het Rolrichtlijnenarrest tot de conclusie dat de Hoge Raad er van uit lijkt te gaan dat sprake is van een vorm van 'recht' sui generis in de zin van art. 99 RO, zie HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2117, JB 1996/168 m.nt. M. de Werd en R. Neerhof (Rolrichtlijnen).

219 Zie o.m. HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210, JIN 2015/134 m.nt. N. de Boer, rov. 3.6.2.

220 HR (strafkamer) 11 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1542, NJ 2018/416 m.nt. W.H. Vellinga, rov. 4.2. Vgl. ook HR 22 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:854, NJ 2021/249, waarin werd overwogen dat richtlijnen die het LOVS had opgesteld over het zonder raadkamerzitting afdoen van een zaak in tijden van corona, ‘niet kan afdoen’ aan hetgeen in de wet is bepaald.

221 Zie reeds F. Vellinga-Schootstra, ‘Strafrechtersrecht: rechtersregelingen in het strafproces’, in: B.F. Keulen e.a. (red.), Pet af (liber amicorum D.H. de Jong) 2007, p. 495-500 (m.b.t. het (destijds) Landelijk Overleg Sectorvoorzitters Strafsectoren); M. Borgers, ‘Het landelijk strafprocesreglement’, DD 2011/52, par. 2 (Landelijk Overleg Sectorvoorzitters Strafsectoren) en R.J.N. Schlössels e.a. (red.), In de regel (SteR nr. 10) 2012/III.22.5 (Landelijk Overleg van Voorzitters van de sectoren bestuursrecht). Zie ook K. van Dijk, ‘De noodzaak van rechtersregelingen’, in: A. Dijkstra, B.F. Keulen & G. Knigge (red.) Het roer recht (liber amicorum W. Vellinga en F. Vellinga-Schootstra) 2013, p. 90; J.L. de Wijkerslooth, ‘De betekenis van alternatieve regelgeving in het strafrecht’, in: Alternatieve regelgeving (NJV preadviezen NJV 2007) 2007, p. 196. Vgl. verder K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 150-153, die op andere gronden tot de slotsom komt dat “een vergadering van vertegenwoordigers, zoals een landelijke vergadering van presidenten of sectorvoorzitters” niet kan gelden als ‘bevoegd orgaan’, en voorts – verwijzend naar Teuben – P. Messer-Dinnissen & J. Tromp, ‘Bestuurders van en Raad voor de rechtspraak: houd het bij raad aan de rechtspraak!’, NJB 2010/1014, par. 1 (Landelijke vergadering sectorvoorzitters civiele en kantonsectoren).

222 HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2621, NJ 1998/571.

223 I. Giesen, Alternatieve regelgeving en privaatrecht (Mon. Privaatrecht nr. 8) 2007, p. 47-48; M.Borgers, ‘Het landelijk strafprocesreglement’, DD 2011/52, par. 3; K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden), p. 102, 152-153; S.K. Martens, ‘Mogelijkheden en grenzen van rechterlijke samenwerking, een verkenning’, in: P. Ingelse e.a. (red.), De Mogelijkheden en Grenzen van Rechterlijke Samenwerking, Prinsengrachtreeks 1997/4, p. 18-19.

224 HR 1 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0400, NJ 1992/30. Dat de alimentatienormen niet gelden als recht in de zin van art. 79 Wet RO is vaste rechtspraak. Zie HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3478, NJ 2016/124 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 4.2, verwijzend naar HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2559, NJ 1998/365.

225 HR 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ0545, NJ 2005/553 m.nt. W.D.H. Asser.

226 K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 101-102; W.D.H. Asser, noot bij HR 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ0545, NJ 2005/553; G.K. Schoep, ‘Rechterlijke samenwerking’, in: E.R. Muller & C.P.M. Cleiren (red.), Rechterlijke Macht: Rechtspraak en rechtshandhaving in Nederland 2013/12.3.4.

227 Zie ook K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 101-102; G.K. Schoep, ‘Rechterlijke samenwerking’, in E.R. Muller & C.P.M. Cleiren (red.), Rechterlijke Macht: Rechtspraak en rechtshandhaving in Nederland (Handboeken veiligheid) 2013/12.3.4. Overigens heeft Giesen kritisch geschreven over dit criterium ‘privaatrechtelijke instelling’ als maatstaf voor de vraag of sprake is van recht in de zin van art. 79 Wet RO, zie I. Giesen, Alternatieve regelgeving en privaatrecht (Mon. Privaatrecht nr. 8) 2007, p. 48-49.

228 Zie o.m. HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210, JIN 2015/134 m.nt. N. de Boer, rov. 3.6.2.

229 Zie bijv. ook P.P.T. Bovend’Eert, ‘Het rechtskarakter van procesreglementen en andere rechtersregelingen’, NJB 2016/257, par. 4 en P.P.T. Bovend’Eert, ‘De rechter als wetgever: uniforme rechtstoepassing in rechtersregelingen vanuit staatrechtelijk perspectief’, RegelMaat 2010, p. 23, 27; K. van Dijk, ‘De noodzaak van rechtersregelingen’, in: A. Dijkstra, B.F. Keulen & G. Knigge (red.) Het roer recht (liber amicorum W. Vellinga en F. Vellinga-Schootstra) 2013, p. 90; K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 148-149; P. Messer-Dinnissen & J. Tromp, ‘Bestuurders van en Raad voor de rechtspraak: houd het bij raad aan de rechtspraak!’, NJB 2010/1014, par. 1. Zie voorts P.P.T. Bovend’Eert, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak 2013, p. 104, 106,107-108, 111,114, 238-239 en P.P.T. Bovend’Eert, ‘Uniforme rechtstoepassing. En de nieuwe bestuursstructuur van de gerechten’, Trema 2013, p. 9.

230 Dit maak ik op uit de parlementaire geschiedenis van de Wet Raad voor de rechtspraak: Kamerstukken II 1999-2000, 27 182 nr. 3 (MvT), p. 21-23 en Kamerstukken II 2000-2001, 27 182, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag), p. 3, 12-13, 22, 32-33, 35. Daarbij kan het gaan om regelingen op zowel procesrechtelijk als materieelrechtelijk gebied. Zie Kamerstukken II 1999-2000, 27 182, nr. 3 (MvT), p. 22 en Kamerstukken II 2000-2001, 27 182, nr. 6 (Nota na.v. het verslag), p. 3, 32-33, 39. Zie nader over wat onder ‘uniforme rechtstoepassing’ moet worden verstaan P.P.T. Bovend’Eert, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak 2013, p. 106-107 en P.M. van den Eijnden, Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief (diss. Nijmegen) 2011, p. 274-276.

231 Zie het Rapport ‘Rechtspraak bij de tijd’, Den Haag 1998, p. 28-31, 57.

232 Wet van 6 december 2001 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten in verband met de instelling van de Raad voor de rechtspraak, Stb. 2001, 583 (iwtr. 1 januari 2002, Stb. 2001, 621).

233 Kamerstukken II 1999-2000, 27 182, nr. 3 (MvT Wrvr), p. 5, 14, 17, 23, 65-66; Kamerstukken II 2000-2001, 27 182, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Wrvr), p. 3-4, 7-8 12-15, 20-22, 30, 33-35, 51; Kamerstukken II 2000-2001, 27 181 en 27 182, nr. 22 (Verslag van een wetgevingsoverleg), p. 29, 31; Kamerstukken II 2000-2001, 27 181, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Wet organisatie bestuur en gerechten) p. 51. Zie ook Kamerstukken II 1998-1999, 26 352, nr. 2 (Contourennota modernisering rechterlijke organisatie), p. 15.

234 Kamerstukken II 2000-2001, 27 182, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Wrvrv), p. 13 (citaat), 35. Zie ook Kamerstukken II 1999-2000, 27 182, nr. 3 (MvT Wrvr), p. 66.

235 Zie hierover Kamerstukken II 2000-2001, 27 182, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Wrvrv), p. 3-4, waar het gaat over ‘gemeenschappelijke gedragslijnen’ die betrekking hebben op de toepassing van “rechterlijke bevoegdheden voortvloeiend uit proces- of materieelrechtelijke bepalingen”, waarbij uniforme procesregelingen en straftoemetingsciteria als voorbeelden worden genoemd.

236 Kamerstukken II 2000-2001, 27 182, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Wrvrv), p. 12, 22, 35; Kamerstukken II 2000-2001, 27 181, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Wet organisatie en bestuur gerechten), p. 51.

237 Kamerstukken II 2000-2001, 27 182, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Wrvrv), p. 35.

238 Kamerstukken II 2000-2001, 27 182, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Wrvrv), p. 12.

239 Gedoeld wordt kennelijk op het commentaar d.d. 27 oktober 1999 van de President van en de P-G bij de Hoge Raad op de concept-wetsvoorstellen organisatie en bestuur gerechten en Raad voor de Rechtspraak, NJB 2000-32, p. 1615-1623.

240 Kamerstukken II 2000-2001, 27 182, nr. 3 (MvT Wrvrv), p. 23. Zie over de verhouding tussen deze passages uit de parlementaire geschiedenis P.P.T. Bovend’Eert, ‘De rechter als wetgever: uniforme rechtstoepassing in rechtersregelingen vanuit staatrechtelijk perspectief’, RegelMaat 2010-1, p. 23-24 (concluderend dat ondanks dat niet de bevoegdheid wordt toegekend om bindende regels vast te stellen, “nochtans een betrekkelijk sterke binding aan rechtersregelingen beoogd wordt.”) en K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 139-142 (mogelijkheid van rechterlijke zelfbinding blijft bestaan). Vgl. over het voorgaande ook Kamerstukken II 2001-2002, 26 855, nr. 16b (Nadere MvA), p. 6, waar de minister overigens slechts over onwenselijkheid van regelgevende bevoegdheden voor de Raad voor de rechtspraak en de gerechtsbesturen spreekt.

241 Kamerstukken II 1999-2000, 27 181, nr. 3 (MvT Wet organisatie en bestuur gerechten), p. 1.

242 Zie S.K. Martens, ‘Mogelijkheden en grenzen van rechterlijke samenwerking, een verkenning’, in: P. Ingelse e.a. (red.), De Mogelijkheden en Grenzen van Rechterlijke Samenwerking, Prinsengrachtreeks 1997/4, p. 16-18. Volgens Martens konden behalve de algemene vergadering van rechters (AV), ook een krachtens mandatering door de AV bevoegd ‘orgaan’ van het gerecht en – in geval van een door meerdere gerechten gezamenlijk opgestelde regeling – door de AV gemachtigde personen een rechtersregeling opstellen.

243 Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke indeling, de Wet op de rechterlijke organisatie en diverse andere wetten in verband met de vermindering van het aantal arrondissementen en ressorten, Stb. 2012, 313 (iwtr. 1 januari 2013, Stb. 2012, 314).

244 Wet van 6 december 2001 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten in verband met de modernisering van de organisatie en de instelling van een bestuur bij de gerechten, Stb. 2001, 582 (iwtr. 1 januari 2002, Stb. 2001, 621).

245 Een sectorvergadering was volgens art. 20 lid 3 Wet RO (oud) als volgt samengesteld: “Met uitzondering van de raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers, die hun ambt niet vervullen op basis van een aanwijzing als bedoeld in artikel 5f, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, vormen de binnen een sector werkzame rechterlijke ambtenaren, rechterlijke ambtenaren in opleiding en gerechtsambtenaren tezamen de sectorvergadering.”

246 Kamerstukken II 1999-2000, 27 181, nr. 3 (MvT Wobg), p. 24, 37, 48-49; Kamerstukken II 2000-2001, 27 181, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Wobg), p. 51; Kamerstukken II 1999-2000, 27 182, nr. 3 (MvT Wrvr), p. 13-14; Kamerstukken II 2000-2001, 27 182, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Wrvr), p. 12, 13, 22, 25. Zie ook P.P.T. Bovend’Eert, ‘De rechter als wetgever: uniforme rechtstoepassing in rechtersregelingen vanuit staatsrechtelijk perspectief’, RegelMaat 2010-1, p. 23-24, 27.

247 P.P.T. Bovend’Eert, ‘Het rechtskarakter van procesreglementen en andere rechtersregelingen’, NJB 2016/257, onder 4 en P.P.T. Bovend’Eert, ‘De rechter als wetgever: uniforme rechtstoepassing in rechtersregelingen vanuit staatrechtelijk perspectief’, RegelMaat 2010, p. 23-24, 27; P. Messer-Dinnissen & J. Tromp, ‘Bestuurders van en Raad voor de rechtspraak: houd het bij raad aan de rechtspraak!’, NJB 2010/1014, par. 1; K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 144; M. Meijsen, Ontwikkelingen in het civielrechtelijke conservatoir beslag in Nederland (diss. Utrecht) 2013/4.4.1.3, p. 51. Vgl. ook P.P.T. Bovend’Eert, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak 2013, p. 103-105, 107-108, 111, 114, 232 en P.P.T. Bovend’Eert, ‘Uniforme rechtstoepassing. En de nieuwe bestuursstructuur van de gerechten’, Trema 2013, p. 9; alsmede J. Leijten, ‘Eerbied voor de rechtspraak!’, NJB 2009/122.

248 Kamerstukken II 2000-2001, 27 181, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Wobg), p. 51 (mijn onderstrepingen): “Vaststelling van deze procedureregelingen geschiedt uiteindelijk door de gerechten zelf. Gedacht moet daarbij worden aan de betreffende sectorvergadering of de gerechtsvergadering en niet aan het bestuur. Het bestuur heeft immers op het terrein van de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing alleen de bevoegdheid te overleggen (…).

249 Zie ook K. van Dijk, ‘De noodzaak van rechtersregelingen’, in: A. Dijkstra, B.F. Keulen & G. Knigge (red.) Het roer recht (liber amicorum W. Vellinga en F. Vellinga-Schootstra) 2013, p. 90. Borgers stelt dat onduidelijk is of ‘bevorderen’ ook de bevoegdheid tot het vaststellen van rechtersregelingen omvat. Zie M.J. Borgers, ‘Het landelijk strafprocesreglement’, DD 2011/5.2, par. 2.

250 Zie ook Kamerstukken II 1999-2000, 27 181, nr. 3 (MvT Wobg), p. 49.

251 Zie onder meer R.H. de Bock, Th. Groenewald & L.R. van Harinxma thoe Slooten, ‘Civiele rechtspleging als onderdeel van de rechterlijke organisatie’, in: Th. Groenewald e.a. (red.), Naar vernieuwing van de (civiele) rechtspleging, 2019, p. 165-172; P.P.T. Bovend’Eert, ‘Het rechtskarakter van procesreglementen en andere rechtersregelingen’, NJB 2016/257, par. 4. Zie ook P.P.T. Bovend’Eert, ‘Uniforme rechtstoepassing. En de nieuwe bestuursstructuur van de gerechten’, Trema 2013, p. 9-10 en P.P.T. Bovend’Eert, ‘De rechter als wetgever: uniforme rechtstoepassing in rechtersregelingen vanuit staatrechtelijk perspectief’, RegelMaat 2010, p. 27. Vgl. ook P.M. van den Eijnden, Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief (diss. Nijmegen) 2011, p. 336.

252 Kamerstukken II 1999-2000, 27 181, nr. 3 (MvT Wobg), p. 20.

253 Zie daarover uitvoerig mijn conclusie voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1312, NJ 2020/309.

254 K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p.129-133 (uitgangspunt) en p. 143-145, 154 (bevoegdheid).

255 Zie J. Leijten, ‘Eerbied voor de rechtspraak!’, NJB 2009/122 (sector- of gerechtsvergadering is bevoegd tot het vaststellen van rechtersregelingen); het commentaar d.d. 27 oktober 1999 van de President van en de P-G bij de Hoge Raad op de concept-wetsvoorstellen organisatie en bestuur gerechten en Raad voor de Rechtspraak, NJB 2000-32, p. 1623 (op het niveau van de gerechten zijn de sector- en de collegevergadering bevoegd); P.P.T. Bovend’Eert, ‘Uniforme rechtstoepassing in de nieuwe bestuursstructuur van de rechterlijke organisatie’, in: R.J.N. Schlössels e.a. (red.), In eenheid, 2007, p. 230 (de vaststelling van procesregelingen is volgens de wetgever een zaak van de sectorvergadering of de gerechtsvergadering); alsmede A. Schoep & P. Schuyt, Instrumenten ter ondersteuning van de rechter bij de straftoemeting 2005, p. 12, 17 (primaat van de vorming van rechterlijk beleid ligt bij de sectoren) en – instemmend – J.L. de Wijkerslooth, ‘De betekenis van alternatieve regelgeving in het strafrecht’, in: Alternatieve regelgeving (NJV preadviezen 2007) 2007, p. 196. Volgens Hofhuis zijn de sectorvergaderingen en de gerechtsvergadering bevoegd besluiten te nemen over het onderwerp ‘uniforme rechtstoepassing’. Dit leidt hij onder meer af uit art. 20 Wet RO (oud), dat zag op de sectoren binnen een gerecht. Het vijfde lid van die bepaling hield in dat gerechtsambtenaren niet deelnamen aan een stemming over de juridische kwaliteit en uniforme rechtstoepassing, bedoeld in art. 23 lid 3 Wet RO (oud). Zie H.F.M. Hofhuis, ‘De kantonrechter op de stoel van de wetgever’, Trema 2009-2, p. 38-39 en ‘Jong maar dood hout’, Trema 2009-8, p. 328-329. Zie tevens o.b.v. art. 20 lid 5 Wet RO (oud) P.M. van den Eijnden, Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief (diss. Nijmegen) 2011, p. 336, voetnoot 464 (de sector- en gerechtsvergaderingen) en K. van Dijk, ‘De noodzaak van rechtersregelingen’, in: A. Dijkstra, B.F. Keulen & G. Knigge (red.) Het roer recht (liber amicorum W. Vellinga en F. Vellinga-Schootstra) 2013, p. 90.

256 K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 149, 152, 154.

257 Kamerstukken II 2010-2011, 32 891, nr. 3 (MvT Whgk), p. 1, zie ook p. 24.

258 Kamerstukken II 2010-2011, 32 891, nr. 3 (MvT Whgk), p. 24; Kamerstukken II 2011-2012, 32 891, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Whgk), p. 9.

259 Kamerstukken II 2010-2011, 32 891, nr. 3 (MvT Whgk), p. 10, 24-25; Kamerstukken II 2011-2012, 32 891, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Whgk), p. 20, 31; Kamerstukken I 2011-2012, 32 891, nr. C (MvA Whgk), p. 11, 21-22. Zie ook het advies van de Raad voor de rechtspraak over het wetsvoorstel Herziening gerechtelijke kaart, p. 7.

260 In de memorie van toelichting bij de Whgk is in dit verband opgemerkt dat binnen de nieuwe organisatiestructuur van de gerechten “vanzelfsprekend (...) voorzieningen [zullen] moeten worden getroffen om te voorzien in de thans op sectorniveau uitgevoerde werkzaamheden op het gebied van het bewaken van juridische kwaliteit en de bevordering van uniforme rechtstoepassing”. De memorie van toelichting vermeldt in aansluiting hierop dat art. 23 lid 3 Wet RO hiervoor uitdrukkelijk een taak bij het gerechtsbestuur legt. Hiermee lijkt het treffen van de bedoelde voorzieningen als taak van het gerechtsbestuur te worden aangemerkt. Zie Kamerstukken II 2010-2011, 32 891, nr. 3, p. 24. Zie ook Kamerstukken II 2011-2012 32 891, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Whgk), p. 32.

261 Zie Kamerstukken II 2010-2011, 32 891, nr. 3 (MvT Whgk), p. 25. De Raad voor de rechtspraak had geadviseerd om de gerechtsvergadering en haar wettelijke taak uit de Wet RO te schappen, in welk verband zij onder meer opmerkte dat het gesprek over kwaliteit en rechtseenheid niet gevoerd dient te worden in de gerechtsvergadering, “maar (…) op een veel meer betekenisvolle wijze inhoud [zal] kunnen krijgen in de nieuw te vormen teams en clusters.” (zie p. 8 van het advies).

262 Kamerstukken II 2010-2011, 32 891, nr. 3 (MvT Whgk), p. 25; Kamerstukken II 2010-2011, 32 891, nr. 3 (Advies RvS Whgk), p. 6-7; Kamerstukken II 2011-2012 32 891, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Whgk), p. 32. Voorts geldt sinds de inwerkingtreding van de Whgk dat het door het gerechtsbestuur vast te stellen bestuursreglement nadere regels moet bevatten over de wijze waarop het bestuur uitvoering geeft aan zijn in art. 23 lid 3 Wet RO neergelegde taak om de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing te bevorderen (art. 20 lid 1, onder d, Wet RO) en dat het bestuur in het huishoudelijk reglement aan de president of aan het andere rechterlijke lid van het bestuur het aandachtsgebied juridische kwaliteit en uniforme rechtstoepassing moet toewijzen (art. 19 lid 2 Wet RO). Zie hierover Kamerstukken II 2010-2011, 32 891, nr. 3 (MvT Whgk), p. 25, 28; Kamerstukken II 2010-2011, 32 891, nr. 3 (Advies RvS Whgk), p. 7.

263 Zie ook Kamerstukken II 2000-2001, 27 181 nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Wobg), p. 58-59. De memorie van toelichting bij de Whgk omschrijft de taak van de gerechtsvergadering als “een advies- en overlegtaak op het gebied van de taak van het gerechtsbestuur om de juridische kwaliteit en de uniforme rechtstoepassing te bevorderen” (Kamerstukken II 1999-2000, 27 182, nr. 3, p. 25).

264 P.P.T. Bovend’Eert, ‘Het rechtskarakter van procesreglementen en andere rechtersregelingen’, NJB 2016/257, onder 4; K. van Dijk, ‘De noodzaak van rechtersregelingen’, in: A. Dijkstra, B.F. Keulen & G. Knigge (red.) Het roer recht (liber amicorum W. Vellinga en F. Vellinga-Schootstra) 2013, p. 90; M. Meijsen, Ontwikkelingen in het civielrechtelijke conservatoir beslag in Nederland (diss. Utrecht) 2013/4.4.1.3, p. 51; K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 144. Vgl. voorts P.P.T. Bovend’Eert, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak 2013, p. 234. Zie ook R.H. de Bock, ‘Grip op kwaliteit. Een model voor inhoudelijke kwaliteit van rechterlijke beslissingen’, in: Kwaliteit als keuze (NJV preadviezen 2015) 2015, p. 80, voetnoot 290.

265 M.J. Borgers, ‘Het landelijk strafprocesreglement’, DD 2011/5,2 onder 2; P.M. van den Eijnden, Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief (diss. Nijmegen) 2011, p. 336; F. Vellinga-Schootstra, ‘Strafrechtersrecht: rechtersregelingen in het strafproces’, in: B.F. Keulen e.a. (red.), Pet af (liber amicorum D.H. de Jong) 2007, p. 516; K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 177-178. Vgl. ook het commentaar d.d. 27 oktober 1999 van de President van en de P-G bij de Hoge Raad op de concept-wetsvoorstellen organisatie en bestuur gerechten en Raad voor de Rechtspraak, NJB 2000-32, p. 1622-1623.

266 Zie nader over deze zelfbinding K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 100-103. Van Dijk baseert zich ook op de functionele rechterlijke onafhankelijkheid; zie K. Dijk, ‘De noodzaak van rechtersregelingen’, in: A. Dijkstra, B.F. Keulen & G. Knigge (red.) Het roer recht (liber amicorum W. Vellinga en F. Vellinga-Schootstra) 2013, p. 92. Zie ook P.P.T. Bovend’Eert, ‘Uniforme rechtstoepassing. En de nieuwe bestuursstructuur van de gerechten’, Trema 2013, p. 10.

267 P.P.T. Bovend’Eert, ‘Het rechtskarakter van procesreglementen en andere rechtersregelingen’, NJB 2016/257, onder 4 en 5; K. van Dijk, ‘De noodzaak van rechtersregelingen’, in: A. Dijkstra, B.F. Keulen & G. Knigge (red.) Het roer recht (liber amicorum W. Vellinga en F. Vellinga-Schootstra) 2013, p. 92. Vgl. ook de volgende publicaties, waarin wordt gesteld dat de bevoegdheid bij de rechters zelf ligt, zonder dat een bevoegd orgaan wordt aangewezen, P.P.T. Bovend’Eert, Rechterlijke organisatie, rechters en rechtspraak 2013, p. 115-116 en P.P.T. Bovend’Eert, ‘De rechter als wetgever: uniforme rechtstoepassing in rechtersregelingen vanuit staatrechtelijk perspectief’, RegelMaat 2010-1, p. 27 alsmede P. Messer-Dinnissen & J. Tromp, ‘Bestuurders van en Raad voor de rechtspraak: houd het bij raad aan de rechtspraak!’, NJB 2010/1014; F. Vellinga-Schootstra, ‘Strafrechtersrecht: rechtersregelingen in het strafproces’, in: B.F. Keulen e.a. (red.), Pet af (liber amicorum D.H. de Jong) 2007, p. 499, 516. Anders: P.M. van den Eijnden, Onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief (diss. Nijmegen) 2011, p. 336. Van Eijnden ziet geen rol weggelegd voor de gerechtsvergadering omdat deze te groot in omvang zijn geworden om rechtersregelingen vast te kunnen stellen. Zij bepleit aansluiting bij ‘de gegroeide praktijk’ waarin de LOV’s een belangrijke rol spelen in de beleidsontwikkeling.

268 Zie ook K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) (diss. Leiden) 2004, p. 152, en voorts Kamerstukken II 2000-2001, 27 182, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag Wrvr), p. 12 (“Vaststelling van deze [in PVRO-verband tot stand gebrachte; A-G] procedureregelingen – naar landelijk model – geschiedt uiteindelijk door de gerechten zelf, bijvoorbeeld door de gerechtsvergadering.”).

269 Zo is het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie volgens de considerans vastgesteld door de besturen van alle rechtbanken. De considerans van het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbank handel/voorzieningenrechter vermeldt dat alle rechtbanken het reglement als eigen reglement hebben vastgesteld. De considerans van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken vermeldt hetzelfde voor de eerst versie; een latere versie is vastgesteld door de besturen van alle rechtbanken. De procesreglementen familie- en jeugdrecht van de rechtbanken, het Procesreglement Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en Wet zorg en dwang, het Procesreglement Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken zijn na akkoord van (het dagelijks bestuur van) de Presidentenvergadering, door (de gerechtsbesturen van) alle rechtbanken (als eigen reglement) vastgesteld. De eerste versie van Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton is blijkens de considerans vastgesteld door het LOK. Het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven en het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven zijn blijkens hun considerans ontwikkeld door het LOVC-H respectievelijk het LOVF-H, in samenspraak met de Nederlandse Orde van Advocaten. De eerste versie van de reglementen is door het LOVC-H respectievelijk het LOVF-H goedgekeurd, waarna alle gerechtshoven de reglementen als eigen reglement hebben vastgesteld. De considerans van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven en de considerans van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven vermelden voorts dat de laatste versie van beide procesreglementen is goedgekeurd door het LOVC-H respectievelijk het LOFV-H, “waarna de besturen van de gerechtshoven, na verkregen groen licht van het dagelijks bestuur van de presidentenvergadering, deze versie hebben geaccordeerd en vastgesteld”.

270 S.o. NOvA onder 3.1.33.

271 S.o. NOvA onder 3.1.34.

272 Zie décret n° 2017-891 du 6 mai 2017, art. 22.

273 Zie voor een bespreking van (het voortraject van) deze wetswijziging, A. Gutsunaeva, La concentration des moyens en procédure civile (diss. Nice) 2021, te raadplegen via https://tel.archives-ouvertes.fr/tel-03380372/document. Vgl. voor een voorbeeld uit de recente jurisprudentie waarin dit – als ik het goed zie – leidde tot niet-ontvankelijkheid, Cour d'appel de Grenoble, 2ème chambre, 7 septembre 2021, n° 18/04606 (te raadplegen via https://www.doctrine.fr/d/CA/Grenoble/2021/CFFD31267D5342043C728).

274 Zie décret n° 2017-891 du 6 mai 2017, art. 34.

275 Zie art. 954 van de Franse Code de procédure civile.

276 Dit volgt uit correspondentie met het wetenschappelijk bureau van de Cour de Cassation in december 2021. Vgl. ook het rapport van de Commission de réflexion sur la réforme de la Cour de cassation, april 2017, waarin een voorstel hiertoe gedaan (p. 151: (“Créer un groupe ad hoc à cette fin, animé par les avocats aux Conseils”). Zie ook M. Feteris, ‘Versterking van de Franse cassatierechtspraak. Vergelijking met Nederland’, NJB 2018/302, p. 417. Te raadplegen via Te raadplegen via https://www.courdecassation.fr/files/files/R%C3%A9forme/Archives/Rapport%20sur%20la%20r%C3%A9forme%20de%20la%20Cour%20de%20cassation%202017.pdf.

277 https://www.cortedicassazione.it/cassazione-resources/resources/cms/documents/2015_ProtocolloIntesa_CSC_CNF_Civile.pdf. Zie ook EHRM 28 oktober 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:1028JUD005506411 (Succi e.a./Italië), rov. 23.

278 https://www.cortedicassazione.it/cassazione-resources/resources/cms/documents/2015_ProtocolloIntesa_CSC_CNF_Civile.pdf, p. 3 (“raccomandazioni”).

279 LEGGE 26 novembre 2021, n. 206, te raadplegen via https://www.gazzettaufficiale.it/eli/id/2021/12/09/21G00229/sg.

280 OLG Frankfurt, 22 September 2007, ECLI:DE:OLGHE:2007:0920.22W41.07.0A, NJW-RR 2008, 1080-1081.

281 Vgl. K.G. Deubner, ‘Aktuelles Zivilprozessrecht’, JuS 2008, 1076.

282 OLG Frankfurt, 22 September 2007, ECLI:DE:OLGHE:2007:0920.22W41.07.0A, NJW-RR 2008, 1080-1081.

283 Zie K.G. Deubner, ‘Aktuelles Zivilprozessrecht’, JuS 2008, 1076-1077. Zie voorts ook (zonder kritiek) Gerken, § 42 Ablehnung eines Richters; III. Besorgnis der Befangenheit (Abs. 2)’, in Smid/Gerken/Reuschle/Kruirs/Hartmann, Zivilprozessordnung und Nebengesetze Großkommentar (Band 1), Berlijn: De Gruyter 2020.

284 Zie https://www.poderjudicial.es/stfls/TRIBUNALES%20SUPERIORES%20DE%20JUSTICIA/TSJ%20Madrid/UNIFICACI%C3%93N%20DE%20CRITERIOS/20191120%20AP%20Madrid%20%E2%80%93%20Acuerdos%20de%20Unificaci%C3%B3n%20de%20Criterios%20del%20Orden%20Civil%2019.09.2019.pdf, onder 10.

285 Tribunal Supremo, Sala primera), de 27 de enero 2017 te raadplegen via https://www.poderjudicial.es/stfls/TRIBUNAL%20SUPREMO/ACUERDOS%20y%20ESTUDIOS%20DOCTRINALES/FICHERO/20170214%20Sala1TS.%20Acuerdos%20criterios%20de%20admisi%C3%B3n%202-2017.pdf.

286 Ibid, rov. § III. 3.1. Voor de wettekst, zie https://www.boe.es/buscar/act.php?id=BOE-A-2000-323.

287 Tribunal Supremo, STS 775/2021, (Sala de lo Contencioso-Adminitrativo, Sección Sexta), de 1 de junio 2021 (Recurso 137/2020), ECLI:ES:TS:2021:2206 te raadplegen via https://www.poderjudicial.es/search/TS/openDocument/3379c86433d56432/20210614.

288 Zie Practice Direction HC86, te raadplegen via https://www.courts.ie/content/written-submissions-1.

289 Zie Practice Direction CA06, te raadplegen via https://www.courts.ie/content/submissions-books-appeal-and-authorities-civil-appeals.

290 Zie Practice Direction SC16, te raadplegen via https://www.courts.ie/content/conduct-proceedings-supreme-court, onder 20.

291 Zie Practice Direction CA06, te raadplegen via https://www.courts.ie/content/submissions-books-appeal-and-authorities-civil-appeals, onder 2.

292 Deze wet is te raadplegen via https://www.justice.ie/en/JELR/Civil%20and%20Criminal%20Law%20(Miscellaneous%20Provisions)%20Act%202020.pdf/Files/Civil%20and%20Criminal%20Law%20(Miscellaneous%20Provisions)%20Act%202020.pdf.

293 Zie https://www.courts.ie/content/written-submissions-and-issue-papers.

294 Zie M.J. Bosselaar & B. Kemp, ‘Nadere regels voor processtukken. Wat kunnen we leren van de Verenigde Staten?’, NTBR 2020/13, p. 97-99.

295 Zie daarover M.K.G. Tjepkema & L.A. van Heusen, ‘Inspiratie door internationale samenwerking in het bestuursrecht: over ACA-Europe’, NTB 2020/234.

296 M.K.G. Tjepkema & L.A. van Heusen, ‘Inspiratie door internationale samenwerking in het bestuursrecht: over ACA-Europe’, NTB 2020/234, p 589.

297 Zie voor meer informatie over deze bijeenkomst, https://www.aca-europe.eu/index.php/en/evenements-en/694-dublin-25-26-march-2019-seminar-how-our-courts-decide-the-decision-making-processes-of-supreme-administrative-courts.

298 Zie het document ‘Answers to questionnaire: Greece’, p. 13, te raadplegen via https://www.aca-europe.eu/seminars/2019_Dublin/Greece_en.pdf:must include a summary of the legal issues raised by the case not exceeding 200 words”.

299 Zie https://www.hellenicparliament.gr/UserFiles/bcc26661-143b-4f2d-8916-0e0e66ba4c50/11598897.pdf, p. 9.

300 Art. 3(2) van de Codice del processo amministrativo is te raadplegen via https://www.normattiva.it/atto/caricaDettaglioAtto?atto.dataPubblicazioneGazzetta=2010-07-07&atto.codiceRedazionale=010G0127&atto.articolo.numero=0&atto.articolo.sottoArticolo=1&atto.articolo.sottoArticolo1=10&qId=4c3e4f08-e077-4949-adc4-27561140a755&tabID=0.2972690483756024&title=lbl.dettaglioAtto.

301 Zie Decreto n. 167/2016, te raadplegen via https://www.gazzettaufficiale.it/eli/id/2017/01/03/16A08997/sg.

302 M.K.G. Tjepkema & L.A. van Heusen, ‘Inspiratie door internationale samenwerking in het bestuursrecht: over ACA-Europe’, NTB 2020/234, p 589.

303 Zie https://www.courts.ie/content/conduct-proceedings-supreme-court.

304 According to a Practice Direction of the Court, 'SC16-Conduct of Proceedings before the Supreme Court', written submissions must be no more than 10,000 words in total and the word count to be noted on the submissions document. This can be extended with the permission of the case management judge. It is unusual to extend the limit but not unheard of.” Adlus de antwoorden die door de Ierse delegatie zijn gegeven in reactie op de ACA-enquête: https://www.aca-europe.eu/seminars/2019_Dublin/Ireland.pdf, p. 18.

305 M.K.G. Tjepkema & L.A. van Heusen, ‘Inspiratie door internationale samenwerking in het bestuursrecht: over ACA-Europe’, NTB 2020/234, p 589.

306 Zie https://www.boe.es/buscar/act.php?id=BOE-A-1998-16718.

307 Zie Pb 2014 L31/6 (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:2014:031:FULL&from=NL).

308 Zie Pb 2014 L31/6 (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:2014:031:FULL&from=NL), onder 11, 12 en 13.

309 Zie Pb 2014 L31/6 (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L:2014:031:FULL&from=NL), onder 22 en 25.

310 Zie art. 58 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie, L 2012 265/1 (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32012Q0929(01)&from=NL).

311 Pb 2012, C 326/47.

312 Dit reglement is te raadplegen via https://www.courbeneluxhof.be/pdf/BD_reglement_procedure_nl.pdf.

313 Dit verdrag is te raadplegen via https://www.courbeneluxhof.be/pdf/VerdragHof_consol.pdf.

314 Dit procesreglement is te raadplegen via https://www.echr.coe.int/documents/rules_court_eng.pdf.

315 Zie https://www.echr.coe.int/Documents/Application_Form_NLD.pdf, p. 5-7.

316 Zie https://www.echr.coe.int/Documents/Application_Form_NLD.pdf, p. 8-9.

317 Zie https://www.echr.coe.int/Documents/Application_Form_NLD.pdf, p. 10-11.

318 Zie https://www.echr.coe.int/Documents/Application_Notes_NLD.pdf, p. 8.

319 Zie https://www.echr.coe.int/Documents/Application_Notes_NLD.pdf, p. 8.

320 Zie https://www.echr.coe.int/Documents/Application_Notes_NLD.pdf, p. 8.

321 Zie https://www.echr.coe.int/Documents/Application_Notes_NLD.pdf, p. 8.

322 Zie https://www.echr.coe.int/Documents/Application_Notes_NLD.pdf, p. 8.

323 Zie https://www.echr.coe.int/documents/rules_court_eng.pdf, Written pleadings, onder 12.