Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:117

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-02-2021
Datum publicatie
09-02-2021
Zaaknummer
20/01082
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:484
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplegen van poging bevrijding gevangene (art. 45 jo. 191 Sr), van voorbereiding van kaping van een helikopter (art. 46 jo. 385a Sr) en van het voorhanden hebben van wapens en munitie (art. 26.1 WWM, meermalen gepleegd). Heeft het hof uit de vaststellingen kunnen afleiden dat sprake was van een begin van uitvoering a.b.i. art. 45 Sr van het delict van art. 191 Sr? De AG wijdt algemene beschouwingen aan de rechtspraak van de Hoge Raad over begin van uitvoering. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 20/00997, 20/00935, 20/00934, 20/00928, 20/01090, 20/00995, 20/01007 en 20/01095.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/01082

Zitting 9 februari 2021

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

  1. De verdachte is bij arrest van 6 maart 2020 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. subsidiair “voorbereiding van het in zijn macht brengen/het in zijn macht houden/het van de route doen afwijken van een luchtvaartuig door geweld en/of bedreiging met geweld, door twee of meer personen gezamenlijk gepleegd”, onder 2. “medeplegen van poging tot opzettelijk iemand, op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid beroofd, bevrijden” en onder 3. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II, meermalen gepleegd”, “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III, meermalen gepleegd” en “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een (vuur)wapen van categorie III meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. De zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten met zaaknummers 20/00935 ( [medeverdachte 1] ), 20/00934 ( [medeverdachte 2] ), 20/00997 ( [medeverdachte 3] ), 20/00928 ( [medeverdachte 9] ), 20/01090 ( [medeverdachte 4] ), 20/00995 ( [medeverdachte 5] ), 20/01007 ( [medeverdachte 6] ) en 20/01095 ( [medeverdachte 8] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte.1 Mr. C. Grijsen, advocaat te Almere, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. In deze conclusie zal ik eerst schetsen waarover de zaak gaat. Vervolgens geef ik feitelijke vaststellingen van het hof weer, die voor de bespreking van de middelen van cassatie van belang zijn. Ten slotte bespreek ik de middelen en kom ik tot een slotsom.

De zaak

5. Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte heeft op 11 oktober 2017 met negen anderen geprobeerd om met behulp van een helikopter [betrokkene 1] uit de Penitentiaire Inrichting (P.I.) Roermond te bevrijden. Een van de verdachten heeft daartoe onder valse voorwendselen een (begeleide) rondvlucht met een helikopter geboekt. Daarbij heeft hij voorgewend dat hij zijn vriendin met die rondvlucht wilde verrassen. De helikopter zou vertrekken van Budel en een tussenlanding maken te Weert, waar de vriendin zou worden opgehaald. In werkelijkheid was het plan van de verdachten de ingehuurde piloot op de tussenlandingsplaats te overmeesteren en vanaf daar de daartoe speciaal uit Colombia overgekomen [medeverdachte 5] de helikopter te laten besturen. De helikopter zou vervolgens koers zetten naar Roermond, waar [betrokkene 1] , die van het plan op de hoogte was en via een telefoon met medeverdachten in verbinding stond, van de luchtplaats zou worden opgehaald.

6. Zo ver is het echter niet gekomen. Bij een eerdere boeking voor 4 oktober 2017 kreeg de contactpersoon van het helikopterbedrijf argwaan. Daarop werd contact gezocht met de luchtvaartpolitie. Het verdere contact tussen het helikopterbedrijf en de verdachten is vervolgens overgenomen door de politie in het kader van een pseudodienstverleningstraject. Ook anderszins heeft opsporingsonderzoek plaatsgevonden, waardoor kon worden voorkomen dat een van de verdachten met de helikopter op 11 oktober 2017 vanaf Kempen Airport in Budel zou opstijgen. De beweerde afnemer van de rondvlucht is daar om 13.46 uur aangehouden toen hij zich op de afgesproken plek meldde met een bos bloemen voor zijn ‘vriendin’.

7. Om 13.55 uur zou [betrokkene 1] worden gelucht. Ook het luchten is belet. Vier van de verdachten, onder wie de Colombiaanse piloot, stonden in een gestolen auto in de buurt van de plaats van de tussenlanding te wachten. In de auto werden onder meer wapens, middelen om bij de bevrijding van [betrokkene 1] te gebruiken (een touw met autobanden), middelen om aan de politie te ontkomen (kraaienpoten) en middelen om sporen weg te maken (benzine en vuurpijlen) aangetroffen. De bestuurder kon na een achtervolging worden aangehouden. Twee anderen stonden in de nabijheid van de penitentiaire inrichting klaar in een gestolen auto met daarin een wapen en middelen om aan de politie te ontkomen en sporen weg te maken, met de kennelijke bedoeling het verdere vervoer van [betrokkene 1] te verzorgen. Bij hun vluchtpoging voor de politie is [betrokkene 2] om het leven gekomen.

Feitelijke vaststellingen van het hof

8. Het hof heeft de volgende feiten vastgesteld:

“2.1 De zaak draait kort gezegd om het plan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) uit de Penitentiaire Inrichting (P.I.) Roermond te bevrijden met behulp van een gekaapte helikopter. Dat uit de bewijsmiddelen blijkt van dit plan is door de verdediging niet bestreden. Evenmin is bestreden dat het de bedoeling was dat de eenmaal gekaapte helikopter zou worden bestuurd door de daarvoor speciaal uit Colombia overgekomen medeverdachte [medeverdachte 5] .

2.2

Het was aanvankelijk de bedoeling [betrokkene 1] op 4 oktober 2017 te bevrijden. Door een persoon die opgaf te zijn [medeverdachte 8] (hierna ook wel genoemd: Ismail) is getracht om bij [A] een helikopter te huren. Hij vertelde dat hij een rondvlucht wilde maken met zijn vriendin en dat hij op 4 oktober 2017 wilde vertrekken van heliplatform Heythuysen (Limburg). De helikopter die hij wilde huren was geschikt om vier passagiers te vervoeren. Mede omdat de huurder vertelde dat hij afkomstig was uit Amsterdam, wekte dit argwaan. Daarop is contact gezocht met de luchtvaartpolitie. Vervolgens is een pseudodienstverleningstraject opgestart waarbij het contact met [A] werd overgenomen door de politie. Daarnaast zijn telefoongesprekken afgeluisterd en is een aantal in beeld gekomen verdachten geobserveerd. De rondvlucht is in eerste instantie geannuleerd. Daarna is afgesproken de rondvlucht op 11 oktober 2017 te maken. De huurder zou zich om 13.30 uur melden op Kempen Airport in Budel (Noord- Brabant). De helikopter zou daar opstijgen en in Weert (Limburg) een tussenlanding maken om de ‘vriendin’ van de huurder op te halen.

2.3

Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 5] van Bogota (Colombia) naar Brussel is gevlogen en daar op 27 september 2017 is geland. Hij zou aanvankelijk weer terugvliegen op 8 oktober 2017, maar de terugvlucht is - kennelijk in verband met de uitgestelde helikoptervlucht - door hemzelf op 8 oktober 2017 omgeboekt naar 14 oktober 2017.

2.4

[medeverdachte 5] verbleef in een hotel in Brussel. Daar is hij op 28 en 30 september 2017 opgehaald en naar café [B] in Roosendaal gebracht, waar besprekingen hebben plaatsgevonden over de op handen zijnde bevrijdingsactie. Dat [medeverdachte 5] hier is geweest volgt uit zijn eigen verklaring en de gegevens uit zijn iPad, waaruit blijkt dat die op 28 en 30 september 2017 verbinding heeft gemaakt met het wifi-netwerk van [B] .

2.5

2.5 De nacht voor de op 4 oktober 2017 geplande helikoptervlucht heeft een aantal verdachten, waaronder [medeverdachte 5] , verbleven in ‘ [C] ’ in Eindhoven.

2.6

2.6 Nadat de eerste helikoptervlucht is geannuleerd heeft [medeverdachte 5] vanaf 8 oktober 2017 verbleven in een woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . Die woning blijkt, gelet op dat verblijf van [medeverdachte 5] , en de aangetroffen spullen die in verband kunnen worden gebracht met de bevrijdingsactie (zoals blauwe touwen en restanten van het vervaardigen van kraaienpoten), louter te zijn gebruikt voor de beoogde strafbare feiten. De huurder, verdachte [medeverdachte 2] (hierna ook wel genoemd: [medeverdachte 2] ), heeft in elk geval niet verklaard dat de woning voor (ook) andere doeleinden werd gebruikt en anderszins is daarvan niet gebleken.

2.7

Tussen 9 oktober en de geplande vlucht op 11 oktober 2017 is door een aantal verdachten verschillende keren een Praxis bezocht. Daar zijn goederen gekocht die in verband kunnen worden gebracht met de bevrijdingsactie, zoals grijze pvc buizen en schroeven, waarmee de kraaienpoten zijn gemaakt. In de tussentijd is met [A] , althans met een verbalisant die zich voordeed als een medewerker, een nieuwe afspraak gemaakt voor een helikoptervlucht. Daarbij is voorgewend dat [medeverdachte 8] de huurder was en hij diens vriendin wilde verrassen. In verband met die verrassing is ook een tussenlandingslocatie in Weert afgesproken, waarbij liever geen grondpersoneel aanwezig moest zijn; zogenaamd om de verrassing niet te bederven.

2.8

Op 11 oktober 2017 heeft [medeverdachte 2] zich, met een bosje bloemen in de hand, gemeld op Kempen Airport te Budel voor de geplande rondvlucht. Hij deed zich voor als [medeverdachte 8] . De politie heeft de verdachte - uiteraard - niet laten opstijgen en hem aangehouden.

2.9

Ondertussen stond nabij de locatie van de tussenlanding in Weert een lichtblauwe BMW 335i gereed met daarin een viertal verdachten, waaronder [medeverdachte 5] . Naderhand is gebleken dat de BMW was gestolen en voorzien van valse kentekenplaten. Als het arrestatieteam (AT) tot aanhouding wil overgaan weet de BMW te ontkomen. Na een wilde achtervolging wordt de verdachte [medeverdachte 4] aangehouden als bestuurder. De drie andere inzittenden zijn ontkomen.

2.10

In de BMW 335i zijn twee autobanden, met daaraan blauwe touwen vastgeknoopt, aangetroffen. Aan het uiteinde van het touw zat een karabijnhaak. Deze constructie was kennelijk bedoeld om mee te nemen in de helikopter om zo [betrokkene 1] van de luchtplaats van P.I. Roermond te kunnen takelen. De blauwe touwen zijn soortgelijk aan de restanten van blauw touw die in de woning in de [a-straat] zijn aangetroffen. In de BMW lag verder een kartonnen doos met zelfgemaakte (van grijze pvc buizen en schroeven) kraaienpoten, een zwarte jerrycan met gele dop met benzine en vuurwerk (vuurpijlen).

2.11

Genoemde BMW is niet de enige gestolen auto waarvan de verdachten gebruik hebben gemaakt.

In de Beethovenstraat in Roermond zijn namelijk een gestolen BMW 550 (die daarvoor in Maarheeze stond) en een gestolen Audi A4 klaargezet, elk met valse kentekenplaten. In de BMW 550 is een rode plastic bak met soortgelijke kraaienpoten aangetroffen, een soortgelijke jerrycan benzine en één vuurpijl.

2.12

Genoemde Audi A4 is met de BMW 550 in de ochtend van 11 oktober 2017 verplaatst naar Sint Joost. Dat is ook in de nabijheid van P.I. Roermond. Rond het tijdstip van de geplande bevrijdingsactie was enkel de Audi A4 bemand. In de Audi zaten de verdachten [betrokkene 2] als bestuurder en [medeverdachte 9] als bijrijder. Kennelijk stond deze auto gereed om het verdere vervoer van [betrokkene 1] na zijn ontsnapping uit de P.I. mogelijk te maken. Het is immers hoogst onwaarschijnlijk dat met [betrokkene 1] , hangend in of aan een autoband, lang zou zijn rondgevlogen.

2.13

Ook [betrokkene 2] en [medeverdachte 9] zijn aanvankelijk aan de aanhouding door het AT ontkomen. Dat resulteerde in een wilde achtervolging waarbij door leden van het AT op de Audi is geschoten. Uiteindelijk is de Audi van de weg geramd en zijn de inzittenden gevlucht. [medeverdachte 9] heeft zich vrij snel overgegeven en is aangehouden. [betrokkene 2] is blijven vluchten en op hem is vervolgens geschoten als gevolg waarvan hij is overleden.

2.14

Bij nader onderzoek aan de Audi blijkt dat daarin een soortgelijke rode bak met soortgelijke kraaienpoten lag, een soortgelijke jerrycan met benzine en een plastic tasje met soortgelijke vuurpijlen.

2.15

Door het arrestatieteam is tijdens de achtervolging van de Audi waargenomen dat daaruit een langwerpige, zwarte tas is gegooid. Langs de vluchtroute is die dag een zwarte tas aangetroffen met daarin twee gevulde patroonmagazijnen (merk CZ, model Cz58), aan elkaar vastgemaakt met duct tape, en losse munitie. Een dag later wordt in de berm een, niet geladen, automatisch vuurwapen aangetroffen van het merk Ceska Zbrojovka (CZ). Dat wapen lijkt op een zogenaamde, en meer bekende, AK-47.

2.16

Op 13 november 2017 wordt op de [c-straat] te Maarheeze, de vluchtroute van de blauwe BMW 335i, een tas gevonden. Daarin zaten een automatisch vuurwapen (ook gelijkend op een AK-47), twee gevulde patroonmagazijnen aan elkaar vastgemaakt met duct tape, een revolver van het merk Smith & Wesson met patronen en een pistool van het merk Walther, inclusief patroonmagazijn.

2.17

Uit forensisch onderzoek (scheurranden) is gebleken dat de kans dat de beide stukken duct tape, zoals hiervoor onder 2.15 en 2.16 benoemd, oorspronkelijk één geheel hebben gevormd waarbij de gescheiden uiteinden direct aan elkaar hebben gezeten zeer veel waarschijnlijker is, dan dat de twee tapedelen oorspronkelijk niet een geheel hebben gevormd.

2.18

Bij de doorzoeking in de [a-straat] is, in een afsluitbare muurkast in de slaapkamer, ook een automatisch vuurwapen (Crevena Zastava; een aanvalsgeweer, ook gelijkend op een AK-47) aangetroffen. In die kast lag verder nog een patroonmagazijn met 30 stuks munitie en een plastic zakje met daarin 12-stuks munitie, kaliber .22 Long Rifle met bodemstempel REM (Remington) en een schroefbare loopdop van een vuurwapen.

2.19

De verdachten hebben naast genoemde, gestolen, auto’s ook gebruik gemaakt van een gehuurde Peugeot 208 met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Peugeot 208) en een gehuurde Opel Astra met kenteken [kenteken 2] (hierna: de Opel Astra). Beide auto’s zijn gehuurd op naam van [betrokkene 3] , adres: [d-straat 1] . Op het adres [d-straat 2] staat de verdachte [medeverdachte 6] ingeschreven, op nummer [3] staat de verdachte [medeverdachte 8] ingeschreven.

2.20

In de Opel Astra is later door de politie, in de kofferbak onder de mat, een pistool van het merk Walther PPK met een daarop geschroefde geluiddemper aangetroffen. In het magazijn van het pistool zaten acht patronen met bodemstempel REM. In de [a-straat] is de in 2.19 genoemde munitie met bodemstempel REM aangetroffen. Deze bodemstempel kwam overeen met het bodemstempel van de munitie uit de Walther en bovendien was de munitie uit de [a-straat] ook geschikt om met de Walther verschoten te worden. De in 2.19 genoemde schroefbare loopdop komt qua maatvoering overeen met de ontbrekende loopdop (die zal zijn verwijderd in verband met de opgeschroefde geluiddemper) op de Walther.

2.21

In de P.I. Roermond zou [betrokkene 1] om 13:55 uur gaan luchten, maar dat is - na contact met de politie - door medewerkers van de P.I. verhinderd. [betrokkene 1] bleek in bezit van twee mobiele telefoons. Met één daarvan stond hij in contact met de verdachten.”

De rol van de verdachte

9. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 20 april 2017 bij [betrokkene 1] op bezoek is geweest in de P.I. Roermond. Op 28 en 30 september en in de nacht van 3 op 4 oktober heeft de verdachte ontmoetingen gehad met onder anderen de helikopterpiloot [medeverdachte 5] in (de buurt van) café [B] in Roosendaal, waar hij die piloot vertelt over het bevrijdingsplan. Ook op 10 oktober heeft de verdachte een ontmoeting gehad met de helikopterpiloot, ditmaal in Rotterdam en in het bijzijn van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] .

10. Over de betrokkenheid van de verdachte op 11 oktober 2017 heeft het hof verder het volgende vastgesteld. In de ochtend haalt hij met de Opel Corsa samen met [betrokkene 2] [medeverdachte 9] op, die eerder die nacht in het [D] Hotel in Eindhoven had ingecheckt. Gedrieën nemen zij rond 13:10 uur plaats in een eethuis te Roermond, waar de verdachte en [betrokkene 2] die ochtend ook al geweest waren. Een half uur later verplaatsen zij zich naar de plek in Roermond waar de Audi A4 en de BMW 550 geparkeerd stonden. De verdachten verdelen zich vervolgens over drie auto’s en rijden daarmee rondjes in de buurt van Sint Joost. Eerder die ochtend had de verdachte [medeverdachte 2] geïnstrueerd niet te vroeg op te stijgen, omdat de helikopter anders misschien al zichtbaar is als de gedetineerden nog in de gang staan, er dan misschien alarm wordt geslagen en de gedetineerden niet naar buiten mogen. Ook hebben zij contact over het al dan niet meenemen van een vuurwapen in de helikopter. Nadat de verdachte bij de landingsplaats is gaan kijken, vertelt hij [medeverdachte 2] dat het “een perfecte locatie” is. De verdachte zegt tegen [medeverdachte 2] dat het van belang is dat hij belt als hij is opgestegen, omdat ze nog tien minuten moeten rijden. Vanaf 13.59 uur heeft de verdachte zes keer tevergeefs geprobeerd telefonisch contact te krijgen met [medeverdachte 2] . Om 14.26 uur waarschuwde de verdachte [medeverdachte 9] en [betrokkene 2] met de mededeling dat er “politie is gekomen”. De verdachte heeft niet in de auto’s op de tussenlandingsplaats in Weert en nabij de P.I. in Roermond gezeten, maar zijn rol op afstand was volgens het hof een belangrijke en essentiële. Bovendien heeft hij de tussenlandingsplaats voorverkend, zich ten tijde van de geplande bevrijdingsactie als “plan B” beschikbaar gehouden en uiteindelijk [betrokkene 2] en [medeverdachte 9] voor de komst van de politie gewaarschuwd.

11. Het zijn onder meer deze omstandigheden die het hof in onderlinge samenhang en in samenhang met de gedragingen van de medeverdachten in hoge mate redengevend acht voor het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij de bewezen verklaarde feiten. Gelet hierop had het volgens het hof op de weg van de verdachte gelegen om een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring te geven. In plaats daarvan heeft de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. Het hof komt tot de slotsom dat de verdachte wist van het plan om een gedetineerde uit de P.I. Roermond te bevrijden en in verband daarmee een helikopter te kapen. Hij was daarbij al in een vroeg stadium betrokken en heeft bij de organisatie en uitvoering daarvan een sturende rol gehad.

De middelen

12. In de schriftuur wordt met drie middelen tegen de bestreden uitspraak opgekomen. Het eerste middel bevat bewijsklachten ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde medeplegen van de voorbereiding van de helikopterkaping. Het tweede middel is gericht tegen de bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot bevrijding van een gevangene (feit 2). Het derde middel betreft een bewijsklacht ten aanzien van het medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie in de Audi A4 in de buurt van de P.I. Roermond en in de BMW die in Weert is aangetroffen (feit 3).

13. Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde medeplegen van voorbereiding van – kort samengevat – de kaping van een helikopter niet naar de eis van de wet voldoende met redenen is omkleed.

14. Ten laste van de verdachte is onder 1 subsidiair bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 1 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf van kaping van een luchtvaartuig (artikel 385a lid 2 Wetboek van Strafrecht), voorwerpen bestemd tot het in vereniging begaan van genoemd misdrijf, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, te weten (automatische) vuurwapens en munitie”

15. Deze bewezenverklaring steunt op de inhoud van 115 bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage II bij het arrest. Voor de feitelijke vaststellingen verwijs ik naar hetgeen hiervoor onder 8 tot en met 11 is weergegeven.

16. Het bestreden arrest bevat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde voorts de volgende overwegingen:

“4.6 Kaping is strafbaar gesteld in artikel 385a van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) en houdt, voor zover voor de beoordeling van de onderhavige zaak relevant, in dat de verdachte een luchtvaartuig door geweld of bedreiging met geweld in zijn macht brengt. De verdachte moet dus niet enkel de macht over het luchtvaartuig hebben overgenomen (een materieel aspect van de strafbaarstelling), maar de machtsovername dient te zijn voorafgegaan of vergezeld van geweld of bedreiging met geweld.

4.7

Uit hetgeen hiervoor onder 2 en 3 is vastgesteld volgt dat de verdachten een helikopter hadden gehuurd met de bedoeling deze over te nemen. Dat de machtsovername naar verwachting gepaard zou gaan met geweld of bedreiging met geweld valt niet enkel op te maken uit het feit dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de ingehuurde piloot op enkel vriendelijk verzoek de stuurknuppel zou overdragen aan een uit Colombia afkomstige piloot. De verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2] , alsook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] spreken onderling, blijkens afgeluisterde telefoongesprekken, daadwerkelijk over het wel of niet meenemen van een wapen door [medeverdachte 2] . Men besluit uiteindelijk van niet. [medeverdachte 1] zal een wapen voor [medeverdachte 2] op de locatie van de tussenlanding gereed houden. [medeverdachte 1] geeft nog aan [medeverdachte 2] als instructie mee dat, na het ophalen van het wapen op de locatie van de tussenlanding, hij de handen van de piloot van het stuur moet trekken zodat hij “niet meer omhoog gaat”. Ten slotte bespreken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] nog wat er moet gebeuren als [medeverdachte 2] de helikopter niet uitkomt, om zijn ‘vriendin’ op te halen. Dan is hij volgens [medeverdachte 2] met “die man” (het hof begrijpt: de piloot) bezig en dan moeten “hun” (het hof begrijpt: de inzittenden van de BMW) komen, kennelijk om [medeverdachte 2] te assisteren bij het overmeesteren van de piloot.

4.8

Dat ook [medeverdachte 5] (minst genomen voorwaardelijk) opzet had op het toe te passen, gewapende, geweld volgt niet enkel uit de hiervoor omschreven verwachting daaromtrent. De verdachte heeft immers zelf verklaard dat hij van ‘Spaanse [...] ’, de verdachte [verdachte] , heeft gehoord dat hijzelf of [medeverdachte 2] met een “AK-47” aan boord zou stappen. Ook heeft hij verklaard dat de piloot “uit de helikopter gehaald moest worden”, wat een gewelddadig handelen impliceert.

4.9

De intentie van de verdachten is dus wel duidelijk, maar daarmee is de vraag of sprake was van een begin van uitvoering nog niet beantwoord. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat bij de opstaplocatie in Budel de verdachte [medeverdachte 2] enkel in bezit is van een bosje bloemen. Nog voordat hij kan instappen en de helikopter richting Weert vertrekt wordt hij aangehouden. In Weert, de locatie van de tussenlanding, zou de kaping daadwerkelijk plaatsvinden. Pas daar zou het vereiste geweld of de bedreiging met geweld worden toegepast. De verdachten in Weert zaten, kort voordat de politie ingreep, nog in hun auto de komst van de helikopter af te wachten. In deze situatie is daarom niet de conclusie gerechtvaardigd dat de gedragingen van de verdachten naar hun uiterlijke verschijningsvorm reeds in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van het gewelddadig de macht overnemen van de helikopter. Anders geformuleerd: de gedragingen van de verdachten stonden nog (iets) te ver af van het beoogde misdrijf om van een strafbare poging te kunnen spreken.

Voorbereidingshandelingen kaping

4.10

De vraag die dan voorligt is of de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde voorbereidingshandelingen wel kunnen worden bewezen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de in de tenlastelegging genoemde telefoons, simkaarten, vervoermiddelen, hotelkamers, e-mails, kraaienpoten, touw, autobanden, vuurpijlen en brandbare stoffen niet bestemd waren tot het plegen van de kaping. Wapens kunnen dat wel zijn, maar voor de wapens geldt dat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] de wapens als (mede)pleger voorhanden heeft gehad. Uit het dossier kan niet worden vastgesteld dat hij zelfs maar in de buurt van wapens en/of munitie is geweest. Hoewel directe beschikkingsmacht niet noodzakelijk is, dient de voorbereider wel over het middel - in casu het wapen - te kunnen beschikken. Dit blijkt onvoldoende uit het dossier.

4.11

Het hof sluit zich bij die beslissing van de rechtbank aan en neemt daarbij over de motivering, onder het kopje ‘Voorbereiding’, zoals opgenomen op pagina 8 tot en met 9 (tot en met de derde alinea) van het vonnis. Dat de verdachte wist van de wapens en waarvoor deze bestemd waren, alsook dat hij daarover als mededader kon beschikken, volgt uit de bewijsmiddelen en hetgeen ten aanzien van feit 3 nader is overwogen.”

17. De van de rechtbank overgenomen overwegingen ten aanzien van de voorbereiding luiden, voor zover relevant, als volgt:

“De rechtbank stelt voorop dat uit het dossier voldoende is gebleken dat een helikopter is gehuurd die vervolgens door verdachten zou worden gekaapt om daarmee een gevangene uit de PI te kunnen bevrijden. Het misdadige doel (3) dat de verdachten voor ogen stond, is dus duidelijk. Om de helikopter te kunnen kapen zijn voorbereidingen getroffen. Er is een helikopter gehuurd, de locatie van de tussenlanding in Weert is uitgezocht, er is een piloot geregeld die over de te vliegen route werd geïnstrueerd en er waren wapens aanwezig in de BMW in Weert om bij de kaping te gebruiken.

(…)

Het spreekt voor zich dat wapens en munitie naar hun uiterlijke verschijningsvorm en gebruik wel bestemd kunnen zijn tot het begaan van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde feit, maar dat geldt alleen voor de wapens en munitie die aanwezig waren in de BMW in Weert.

Op die plek zou immers de tussenlanding en kaping plaatsvinden. De wapens (en wapenonderdelen) die elders aanwezig waren (in de woning aan de [a-straat] die als uitvalsbasis diende, in de Audi in Roermond, in de Opel Astra in Amsterdam) zouden namelijk, gezien hun locatie, niet worden ingezet bij of gebruikt worden voor het kapen van de helikopter.”

18. De nadere overwegingen van het hof ten aanzien van feit 3 luiden als volgt:

“Zoals hiervoor al is vastgesteld is sprake geweest van een ingewikkelde bevrijdingsoperatie met een sterk planmatig karakter waarbij verschillende verdachten verschillende taken waren toebedeeld. Onderdeel van dat plan was dat er drie auto’s gereed stonden; een BMW op de tussenlandingslocatie en een BMW en Audi in de nabijheid van de P.I. Roermond, met daarin onder meer zelfgemaakte kraaienpoten, een jerrycan met benzine en vuurpijlen. In de auto bij de tussenlandingslocatie waren voorts wapens voorhanden in verband met de voorgenomen kaping van de helikopter en in de Audi bij de P.I. Roermond lagen wapens die kennelijk bedoeld waren om te gebruiken in het geval dat tijdens de bevrijding van [betrokkene 1] nodig mocht blijken.

Ten aanzien van [verdachte] overweegt het hof dat op 11 oktober 2017 [medeverdachte 2] , die op dat moment naar [A] rijdt, met [verdachte] overlegt of het verstandig is een wapen mee te nemen. [verdachte] antwoordt dat hij dat niet moet doen omdat het een te groot risico is en zegt dat hij er voor moet zorgen dat de “boys dat voor hem hebben”. Zoals hiervoor reeds overwogen begrijpt het hof dat de medeverdachten die op de tussenlandingslocatie stonden te wachten een wapen ter beschikking moesten hebben om de piloot te overmeesteren en de gelande helikopter over te kunnen nemen. Hieruit volgt dat de verdachte wetenschap had van wapens. Ook [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij van [verdachte] had gehoord dat er een automatisch wapen zou worden meegenomen de helikopter in en dat er zou worden geschoten indien er problemen zouden komen. Gelet hierop alsmede gelet op zijn organiserende rol en de omstandigheid dat hij dusdanig nauw en bewust heeft samengewerkt bij dit gewelddadige plan, is de conclusie gerechtvaardigd dat hij wetenschap had van de andere wapens om de voorgenomen kaping en bevrijding van [betrokkene 1] te realiseren. Dit betreft dus niet alleen de wapens en munitie die in de BMW aanwezig zijn geweest, maar ook die in de Audi aanwezig waren. In zoverre is het hof dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen die wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

Dat geldt niet voor de wapens en munitie in de woning aan de [a-straat] in [plaats] . Daarvan is niet gebleken dat ze bij de uitvoering van het plan een rol zouden spelen. Nu ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van die wapens en daarover kon beschikken wordt hij van dit onderdeel vrijgesproken.”

19. Over de rol van de verdachte heeft het hof, buiten de hiervoor onder 9 tot en met 11 weergegeven overwegingen, het volgende overwogen:

17. “5.1 Hierboven is (onder 4) nog zonder onderscheid geschreven over de verdachten en hun betrokkenheid bij de voorbereidingshandelingen van een kaping en de poging tot bevrijding van een gevangene. Het hof komt echter tot het oordeel dat niet elke verdachte een even grote rol heeft. Er moet om te beginnen worden onderscheiden in medeplegers en medeplichtigen.

5.2

De handelingen van [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 9] , zoals hiervoor beschreven, rechtvaardigen de conclusie dat zij nauw en bewust hebben samengewerkt bij de voorbereiding van de kaping en de poging tot bevrijding. De rollen onderling verschillen wel van elkaar wat mede tot uitdrukking zal worden gebracht in de strafmaatoverweging.

Ten aanzien van [medeverdachte 2] en [verdachte] geldt dat zij een grote rol in de voorbereiding hebben gehad en als leiders kunnen worden aangemerkt. Bij de uitvoering was echter vooral [medeverdachte 2] nadrukkelijk aanwezig, terwijl [verdachte] - het contact van de te bevrijden [betrokkene 1] - zich op de achtergrond beschikbaar hield. Hij voerde op dat moment wel nauw overleg met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] , had ook direct contact over de uitvoering met [medeverdachte 2] op de dag van de bevrijdingsactie, had een leidende positie ter plaatse van de tussenlandingslocatie, hield een wapen voor [medeverdachte 2] beschikbaar en werd vanuit de P.I. Roermond gebeld door [betrokkene 1] .”

20. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor de kwalificatie ‘medeplegen’ vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Deze kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bestaat het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, dan rust op de rechter die desondanks oordeelt dat sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken, de taak in de bewijsvoering dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Als voorbeelden van gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht, noemt de Hoge Raad het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan en helpen bij de vlucht. In zijn oordeelsvorming kan de rechter onder meer rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het feit, maar noodzakelijk is dat niet. Zeker in andere, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest.2 Uit de meest recente rechtspraak van de Hoge Raad over medeplegen lijkt te kunnen worden afgeleid dat in toenemende mate het bestaan van een vooraf voor alle deelnemers duidelijk plan een relevant aandachtspunt kan zijn voor de beoordeling of sprake is van medeplegen.3 Ingeval sprake is van het gezamenlijk optrekken met het oog op het realiseren van een gezamenlijk plan kan sprake zijn van medeplegen, ook al zouden de gedragingen van de verdachte op zichzelf beschouwd niet als een bijdrage van voldoende gewicht aan het ten laste gelegde feit kunnen worden aangemerkt.4

21. Het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte zich “tezamen en in vereniging met anderen” heeft schuldig gemaakt aan de voorbereiding van de kaping. Het hof zou ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd hebben geoordeeld dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Het geven van instructies ten behoeve van de uitvoering van de kaping of zelfs het ter hand stellen van een wapen kan volgens de steller van het middel niet worden aangemerkt als medeplegen. Voorts heeft de verdachte de wapens en munitie op de tussenlocatie niet in zijn beschikkingsmacht gehad. Evenmin kan uit de bewijsvoering volgen dat hij deze heeft verworven.

22. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de voorbereiding van de kaping van de helikopter op 11 oktober 2017. Met overneming van de overwegingen van de rechtbank heeft het hof in dat verband vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten een helikopter hebben gehuurd, de locatie voor de tussenlanding in Weert hebben uitgekozen, een piloot hebben geregeld die over de vluchtroute is geïnstrueerd en wapens en munitie aanwezig hebben gehad in de BMW in Weert om bij de kaping te gebruiken.

23. Het hof heeft de rol van de verdachte bij de voorbereiding van de kaping en de poging tot bevrijding van [betrokkene 1] uit de P.I. Roermond niet per feit besproken, maar doen volgen op bewijsoverwegingen die betrekking hebben op beide feiten. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat het hof in deze algemene overwegingen ten aanzien van het medeplegen niet steeds onderscheid maakt tussen het leveren van een bijdrage aan de poging tot bevrijding enerzijds en aan de voorbereiding van de kaping van de helikopter anderzijds. Tegelijk volgt uit de bewijsvoering een sterke verwevenheid tussen de voorgenomen kaping van de helikopter en de beoogde bevrijding van de gedetineerde. De kaping was een cruciaal onderdeel van de bevrijdingsactie en daarmee van het gezamenlijk plan. Die constatering is ook van belang voor de reikwijdte van het medeplegen, omdat de verdachte en zijn medeverdachten gezamenlijk zijn opgetrokken ter realisering van een gezamenlijk plan om een gedetineerde uit de penitentiaire inrichting te bevrijden en om in verband daarmee een helikopter te kapen. Het hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat de verdachte betrokken was bij een vooraf voor alle deelnemers kenbaar gezamenlijk plan om [betrokkene 1] te bevrijden, waarvan het huren van een helikopter met de bedoeling deze (met geweld of bedreiging met geweld) over te nemen een essentieel onderdeel was. Daarnaast blijkt dat de verdachte reeds bij de (voorbereiding van de) eerder geplande bevrijdingsoperatie betrokken is geweest en in verband daarmee de piloot die na de kaping de helikopter zou besturen in kennis heeft gesteld van de voorgenomen bevrijdingsactie en hem verschillende malen heeft ontmoet om het plan met hem door te spreken.

24. Uit de vaststellingen van het hof ten aanzien van de rol van de verdachte in de uitvoering van het plan blijkt voorts dat de verdachte een sturende rol heeft gehad als het gaat om het al dan niet meenemen van wapens in de helikopter. Hij heeft [medeverdachte 2] , die de zogenaamde rondvlucht zou maken, afgeraden een wapen mee aan boord te nemen omdat het een te groot risico was en dat “de boys dat voor hem hebben”. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat het dan gaat om de ‘boys’ die op de tussenlandingslocatie stonden te wachten en wapens ter beschikking hadden om zo nodig de piloot te overmeesteren om de macht over de gelande helikopter over te kunnen nemen.

25. Het oordeel van het hof dat in het licht van de door hem vastgestelde feiten sprake is geweest van een voldoende bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders bij de voorbereiding van de kaping, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat ingeval verdachten gezamenlijk optrekken met het oog op het realiseren van een gezamenlijk plan sprake kan zijn van medeplegen, ook al zouden de door de verdachte afzonderlijke gedragingen elk op zichzelf beschouwd niet als een bijdrage van voldoende gewicht aan de ten laste gelegde feiten kunnen worden aangemerkt.5 Voor medeplegen is niet vereist dat de verdachte (alle) in de bewezenverklaring bedoelde vuurwapens en munitie zelf heeft verworven of voorhanden heeft gehad. Het voorhanden hebben van wapens en munitie op de locatie waar de macht over de helikopter met (bedreiging met) geweld zou worden overgenomen, heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk beschouwd als een onmisbaar, voor ieder van de deelnemers kenbaar onderdeel van de voorgenomen kaping van de helikopter. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van de wapens en munitie in de BMW, omdat het beoogde gezamenlijk gebruik van die wapens een wezenlijk onderdeel vormde van de voorgenomen kaping.6 Het mede daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte ook ten aanzien van het verwerven en voorhanden hebben van de wapens en munitie ter voorbereiding van de kaping zo bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders dat sprake is van medeplegen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel toereikend is gemotiveerd.7 Het hof heeft in zijn oordeel kunnen betrekken dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven die de redengevendheid ontzenuwt van de inhoud van verschillende bewijsmiddelen.8 De bewezenverklaring is naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed. Hetgeen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde door de verdediging naar voren is gebracht, noopte het hof niet tot een nadere motivering, ook niet op grond van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Die bepaling verplicht het hof immers niet op elk onderdeel van een tot vrijspraak strekkend verweer te responderen.

26. Het middel faalt.

27. Het tweede middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de onder 2 bewezen verklaarde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van de bevrijding van [betrokkene 1] blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

28. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat:

hij in de periode van 1 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [betrokkene 1] , die krachtens rechterlijke uitspraak, te weten een veroordeling door de Meervoudige strafkamer van de rechtbank te Amsterdam wegens overtreding van artikel 289 juncto 47 juncto 48 van het Wetboek van Strafrecht, te bevrijden en daartoe tezamen en in vereniging met anderen

- ontmoetingen heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 5] en hem instructies heeft gegeven over de uitvoering van de kaping en

- bij [A] een vlucht met een helikopter voor vier/vijf personen heeft geboekt voor 4 oktober 2017 en daarna, na wijziging voor 11 oktober 2017 rond 13.30 uur vanaf het heliplatform in Heythuijsen in de provincie Limburg met een tussenlanding te Weert en

- vervolgens na diverse telefonische contacten met [A] een wijziging van de vertreklocatie (vanaf Budel) is overeengekomen en

- nadat zij (eerst de nacht van 3 op 4 oktober 2017 en daarna, na wijziging van de boekingsdatum) de nacht van 10 op 11 oktober 2017 hadden doorgebracht en zich hadden verzameld in hotelkamers in Eindhoven op 11 oktober 2017 naar de vertreklocatie te Budel is gegaan vanaf waar de gehuurde helikopter zou vertrekken en

- op 11 oktober 2017 zijn neef [betrokkene 2] heeft afgezet in Roermond en telefonisch overleg heeft gevoerd met en instructies heeft gegeven aan medeverdachten over de organisatie en uitvoering van de kaping en

- zich heeft gemeld bij het heliplatform te Budel en zich heeft geïdentificeerd als [medeverdachte 8] en zich heeft voorgedaan als de bonafide huurder van de helikopter en

- vervolgens telefonisch contact heeft gehad met zijn medeverdachten dat de vlucht met voornoemd luchtvaartuig vanaf Budel naar de tussenlandingslocatie in Weert doorgang zou vinden en

- in gezelschap van een medeverdachte die piloot is, in een (gestolen) BMW voorzien van (valse) kentekenplaten [kenteken 4] , in welk voertuig zich vuurwapens en munitie en een jerrycan benzine en zelf gemaakte kraaienpoten en vuurpijlen en touw met autobanden bevonden, op het afgesproken tijdstip naar de tussenlandingslocatie te Weert is gereden en daar in voornoemde BMW de landing van de te kapen helikopter heeft afgewacht en

- in de omgeving van de beoogde bevrijdingslocatie, zijnde de Penitentiaire Inrichting te Roermond de komst van voornoemd luchtvaartuig heeft afgewacht in een (gestolen) Audi, voorzien van (valse) kentekenplaten [kenteken 3] , in welk voertuig zich een vuurwapen en munitie bevonden en een jerrycan met benzine en zelf gemaakte kraaienpoten en vuurpijlen teneinde een in deze Penitentiaire Inrichting gedetineerd zijnde persoon te bevrijden”

29. Deze bewezenverklaring steunt op de inhoud van 115 bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage II bij het arrest. Voor de feitelijke vaststellingen, ook over de rol van de verdachte, verwijs ik naar hetgeen hiervoor onder 8 tot en met 11 is weergegeven.

30. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen aan een poging tot kaping. Tegen dit oordeel richt het beperkt ingestelde cassatieberoep zich niet, waardoor dit in cassatie niet ter toetsing voorligt. Onder verwijzing naar de motivering in het vonnis van de rechtbank, acht het hof de voorbereidingshandelingen ten aanzien van de kaping wel bewezen.

31. Vervolgens heeft het hof, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, ten aanzien van het medeplegen van de poging tot bevrijding van een gevangene de volgende bewijsoverwegingen in het arrest opgenomen:

“4.12 Dan komt het hof toe aan de vraag of een poging tot bevrijding van een gevangene kan worden bewezen. Daarbij stelt het hof voorop dat de vrijspraak voor de poging tot kaping niet zonder meer tot gevolg heeft dat de poging tot bevrijding evenmin kan worden bewezen. Zoals reeds overwogen hangt de beoordeling van de feiten nauw samen met de delictsomschrijving.

Bovendien, het zij herhaald, was het de verdachten niet primair te doen om de kaping, maar om de bevrijding van [betrokkene 1] uit de P.I. Roermond. Beoordeeld moet worden welke gedragingen de verdachten in verband daarmee hebben verricht en of die, in het licht van de delictsomschrijving, naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing daarvan.

4.13

De bevrijding van een gevangene is strafbaar gesteld in artikel 191 Sr. Dat artikel kent twee varianten: óf het daadwerkelijk bevrijden van iemand, óf het bij zijn zelfbevrijding behulpzaam zijn. Die laatste variant, die ook voltooid kan zijn zonder dat de gevangene is ontsnapt, speelt in deze zaak geen rol. Strikt genomen staat in de tenlastelegging wel ‘of bij zijn zelfbevrijding behulpzaam zijn’, maar de ten laste gelegde feitelijke gedragingen betreffen alle handelingen van de verdachten. Niet ten laste zijn gelegd gedragingen waaruit blijkt dat het initiatief tot de bevrijding van de gevangene afkomstig is, noch blijkt daarvan uit het dossier. Het gaat dus om het daadwerkelijk bevrijden van een gevangene, een delict met een - zoals onder 4.3 geduid - (sterke) materiële component. Pas in het geval de gevangene daadwerkelijk is bevrijd, is sprake van een voltooid delict.

4.14

Uit de feiten en omstandigheden die onder 2 en 3 zijn opgesomd valt af te leiden dat de verdachten gedurende een langere periode bezig zijn geweest dat gevolg, de daadwerkelijke bevrijding van [betrokkene 1] , te bewerkstelligen. Opgesomd en samengevat betreft het onder meer de volgende gedragingen:

  • -

    ter voorbereiding van de bevrijding eind juli 2017 een woning ( [a-straat 1] te [plaats] ) huren;

  • -

    die woning in elk geval gebruiken om kraaienpoten te vervaardigen, de (hijs)constructie met autobanden en touwen te maken om de gevangene van de luchtplaats te takelen en de helikopterpiloot tijdelijk onder te brengen;

  • -

    het in september 2017 uit Colombia laten overkomen van deze helikopterpiloot;

  • -

    het meermalen organiseren van ontmoetingen met de helikopterpiloot en hem instructies geven over de uitvoering van de kaping en bevrijding;

  • -

    het huren van een helikopter voor vier passagiers en het afspreken van een vertreklocatie en tussenlandingslocatie;

  • -

    het (tweemaal) gezamenlijk overnachten in een nabij de vertreklocatie van de helikopter gelegen hotel;

  • -

    het organiseren van gestolen (vlucht)auto’s met valse kentekenplaten;

  • -

    het afleveren van de zogenaamde huurder van de helikopter bij de vertrekplaats;

  • -

    het wachten op de komst van de helikopter op de tussenlandingslocatie in een auto met daarin wapens, de Colombiaanse helikopterpiloot en middelen om eventueel aan de politie te ontvluchten (kraaienpoten) en sporen weg te maken (benzine en vuurpijlen);

  • -

    het gedurende de uitvoering van deze bevrijdingsactie onderling telefonisch overleg voeren over het vertrekmoment van de helikopter in verband met de luchttijd van de gevangene;

  • -

    het telefonisch contact onderhouden met de gevangene zelf rond het tijdstip van zijn geplande bevrijding;

  • -

    het nabij de P.I. Roermond wachten in een (vlucht)auto met daarin ook een wapen en middelen om eventueel aan de politie te ontvluchten (kraaienpoten) en sporen weg te maken (benzine en vuurpijlen).

  • -

    Een belangrijk deel van de hier opgesomde feiten en omstandigheden is ook omschreven in de tenlastelegging en kan zodoende bewezen worden.

4.15

Deze opsomming maakt duidelijk dat sprake was van een niet eenvoudig uit te voeren bevrijdingsoperatie met een sterk planmatig karakter. Om kans van slagen te hebben diende verschillende verdachten op verschillende momenten een taak uit te voeren, dan wel zich daartoe gereed te houden. Aan die gedragingen is feitelijk uitvoering gegeven. In een aantal zaken is nog naar voren gebracht dat het gereed houden van de (vlucht)auto - de Audi A4 - nabij de P.I. Roermond geen rol speelde bij de bevrijding. Dat betoog steunt naar het oordeel van het hof op een te enge uitleg van het begrip ‘bevrijden’ zoals bedoeld in artikel 191 Sr. Van een voltooide bevrijding zou niet zonder meer sprake zijn geweest indien de gevangene zou zijn opgehesen vanaf de luchtplaats en boven de muren van de P.I. bungelde. Het gereed houden van de (vlucht)auto voor het verdere vervoer van de gevangene om hem definitief buiten het onmiddellijke bereik van de justitiële autoriteiten te brengen, maakte wezenlijk onderdeel uit van het ontsnappingsplan (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZD0161).

4.16

Alles afwegende komt het hof tot de slotsom dat de te bewijzen gedragingen van de verdachten naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van de bevrijding van [betrokkene 1] . De poging tot bevrijding, zoals omschreven onder feit 2, kan daarom worden bewezen.”

32. Een poging tot een misdrijf is slechts dan strafbaar wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard (art. 45 Sr). Van een dergelijk begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf is volgens vaste rechtspraak sprake indien de bewezen verklaarde feitelijke handelingen kunnen worden beschouwd als gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.9 Deze maatstaf wordt ook wel aangeduid als het Cito-criterium, naar het arrest waarbij de maatstaf is geïntroduceerd.10

33. Het Cito-criterium onderstreept het belang van objectieve factoren ter vaststelling of sprake is van een begin van uitvoering. De uiterlijke verschijningsvorm van de bewezen verklaarde gedragingen staat centraal.

34. Het onderscheidend vermogen van het Cito-criterium is echter niet groot. Knigge en Wolswijk merken op dat het criterium niet leidt tot een eenduidige toepassing.11 Keijzer meent dat sprake is van een zwak criterium, dat weinig helderheid biedt en mede gelet op het lex certa-beginsel goed tegen het licht zou moeten worden gehouden. Volgens hem is het criterium ongeschikt om poging van voorbereiding te onderscheiden, omdat ook kenmerkende voorbereidingshandelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.12 Mijn voormalig ambtgenoot Knigge had om die reden reeds in 2009 de retorische vraag gesteld of het criterium van de uiterlijke verschijningsvorm voldoende houvast biedt.13 Ook Rozemond is van mening dat het Cito-criterium onderscheidend vermogen mist. Hij voegt daaraan toe dat de Hoge Raad veel aandacht besteedt aan de afbakening van materieelrechtelijke begrippen als voorbedachte raad, roekeloosheid en medeplegen. Dat zou volgens hem ook bij ‘begin van uitvoering’ kunnen worden gedaan, bijvoorbeeld door relevante factoren te noemen. Als zodanig beschouwt hij: het onderscheidende karakter van de bewezen verklaarde gedraging ten opzichte van alledaagse gedragingen, de nabijheid van de gedraging bij het voltooide misdrijf, de omstandigheid dat het beschermde belang acuut wordt bedreigd, de noodzaak om tot politie-ingrijpen over te kunnen gaan en het ontbreken van strafrechtelijke alternatieven.14 Ten slotte noem ik in dit verband de recente dissertatie van Arendse, waarin een uitgebreide analyse van de rechtspraak van de Hoge Raad over de uiterlijke verschijningsvorm in het strafrecht is neergelegd. Volgens haar verdient het aanbeveling het criterium van de uiterlijke verschijningsvorm niet langer te hanteren als maatstaf of de bewezen verklaarde gedragingen moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf. In plaats daarvan zouden relevante omstandigheden of factoren voor de vaststelling daarvan moeten worden geformuleerd.15 In zoverre vertoont dit voorstel verwantschap met dat van Rozemond.

35. De kritiek op het Cito-criterium komt er in wezen op neer dat het niet veel toevoegt aan de in art. 45 Sr neergelegde term ‘begin van uitvoering’. Weliswaar brengt het criterium tot uitdrukking dat het accent bij de oordeelsvorming ligt op objectieve factoren, maar ook die bevinding moet in twee opzichten worden gerelativeerd.

36. In de eerste plaats blijkt uit de rechtspraak dat het – subjectieve – voornemen van de verdachte bij de beoordeling of sprake is van een begin van uitvoering wel degelijk een rol speelt. Gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm veelal multi-interpretabel. Machielse merkt in dit verband op dat de subjectieve factor een omstandigheid vormt die bijdraagt aan de duiding van het gedrag tegen de achtergrond van de delictsomschrijving.16 Bij de interpretatie van de uiterlijk waarneembare gedragingen spelen in de regel aldus ook subjectieve factoren een rol.17

37. De tweede kanttekening betreft de invulling van de uiterlijke verschijningsvorm. De Hullu merkt op dat de indruk op de rechtsgenoten “kennelijk letterlijk van belang” is. Hij citeert in dit verband Mulder, die stelt dat “het gevaar moet worden beoordeeld aan de hand van de indruk die een deskundige waarnemer ter plaatse zou hebben gekregen”.18 Ook Kelk en De Jonge wijzen op het belang van de indruk die de goede waarnemer, die de gemiddelde burger geacht wordt te zijn, ter plaatse zou hebben gekregen ten aanzien van de verwerkelijking van een bepaald misdrijf.19 De gedachte dat de indruk die een goede, deskundige of gemiddelde waarnemer ter plaatse zou hebben maatgevend is voor de beoordeling van een begin van uitvoering, kan naar mijn mening niet worden volgehouden. Daarmee wordt ten onrechte de suggestie gewekt dat het bij het bepalen of sprake is van een begin van uitvoering uitsluitend gaat om de omstandigheden die op het moment en op de plaats van de bewezen verklaarde gedragingen waarneembaar waren. Uit de rechtspraak volgt echter dat ook gegevens die op het moment van de bewezen verklaarde gedragingen niet waarneembaar waren, mogen worden meegewogen bij het oordeel of sprake is van een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf.20 Dat blijkt bijvoorbeeld uit een arrest waarbij een veroordeling wegens een poging tot oplichting in stand bleef.21 In die zaak had de verdachte aan een potentiële koper videorecorders aangeboden en een prijs genoemd. In werkelijkheid waren de dozen waarop een videorecorder was afgebeeld, gevuld met zand. De bedoelde dozen bevonden zich tijdens het gesprek met de potentiële koper bovendien nog in de kofferruimte van de gebruikte auto. AG Leijten was van mening dat de omstandigheid dat de dozen niet zichtbaar waren, betekende dat de aanwezigheid daarvan niet mocht meewerken aan de beoordeling van de uiterlijke verschijningsvorm. De Hoge Raad ging daarin niet mee. De omstandigheid dat de dozen zich ten tijde van het gesprek met de potentiële koper in de kofferruimte bevonden, deed er niet aan af dat dat de bewezen verklaarde gedragingen konden worden beschouwd als gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op voltooiing van de oplichting.

38. In die lijn ligt ook HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4351, NJ 2011/358. In die zaak was het medeplegen van een poging tot diefstal met geweld aan de orde. Het hof had vastgesteld dat de verdachte met drie anderen met de auto naar een woning was gereden ter uitvoering van het voornemen om uit die woning geld of goederen weg te nemen. Zij hadden daartoe een PTT-jas, walkietalkies en een doos meegenomen. Een van de verdachten had de PTT-jas aangedaan en was naar de woning gelopen terwijl hij een doos met daarin het elektrisch wapen bij zich had en bij de woning niets anders te zoeken had. Deze vaststellingen konden het oordeel van het hof dat sprake was van een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf dragen. Daaraan stond de omstandigheid dat het wapen zich in de doos bevond niet in de weg, al had een goede waarnemer daardoor ook in die situatie ter plaatse het nakijken gehad, terwijl die waarnemer evenmin kon beoordelen of de verdachte bij die woning iets anders “te zoeken had”.22

39. De genoemde arresten maken duidelijk dat voor de beoordeling of sprake is van een begin van uitvoering niet (steeds) kan worden teruggevallen op de indrukken van een ter plaatse aanwezige waarnemer.23 Ook achteraf uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden kunnen daaraan bijdragen. Die constatering is in het bijzonder van belang ingeval sprake is van een samenstel van gedragingen ter uitvoering van een plan om een misdrijf te begaan.24 Die situatie kan zich onder meer voordoen ingeval sprake is van medeplegen en verschillende personen, al dan niet op verschillende locaties, gedragingen verrichten ter uitvoering van een gezamenlijk plan. Daarbij kan het ook gaan om gedragingen die zich (min of meer) gelijktijdig op verschillende plaatsen afspelen. Ook tegen die achtergrond kan de indruk van een ‘deskundige waarnemer ter plaatse’ niet maatgevend zijn.

40. In voorkomende gevallen vormen gedragingen die een begin van uitvoering van een misdrijf vormen, op zichzelf eveneens zelfstandige strafbare feiten. Die strafbare feiten vormen dan als het ware tussenstations voor het plegen van het uiteindelijk beoogde strafbare feit.25 Als voorbeeld kan worden gewezen op HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6466, NJ 2012/517, m.nt. Keijzer. In die zaak was de verdachte in het Almelose stadhuis met twee geladen pistolen in zijn handen op zoek gegaan naar een bepaalde wethouder. Hij had daar vijf personen urenlang gegijzeld opdat de wethouder zou komen. De verdachte had tegen medewerkers van de gemeente meermalen gezegd dat hij de wethouder wilde doden. De veroordeling wegens poging tot moord bleef in cassatie in stand. De voltooide gijzeling was in dit verband een tussenstap op weg naar de voltooiing van de voorgenomen moord.

41. In dit verband is ook HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2671 vermeldenswaard. Daarin was sprake van een veroordeling wegens een poging om het telcentrum van de Hoogvliet te overvallen. De verdachten waren naar de woning van een werkneemster van de Hoogvliet gegaan, hadden haar onder bedreiging ondervraagd over de kluis en over de hoeveelheid geld in de kluis. Ook hadden zij haar gevraagd wie van haar collega’s de komende dag zou gaan werken. De verdachten hebben daarbij aangegeven dat zij de medewerkster naar de kluis zouden meenemen en haar de vraag voorgelegd of zij wilde meewerken. De verdachten hadden voorwerpen bij zich, zoals tie-wraps, wapens, pruiken en opplaksnorren, die konden dienen als vermomming. Het hof beschouwde de gedragingen als een opeenvolgend geheel, dat tot voltooiing zou hebben geleid als de verdachten niet door de politie waren gestoord. De overval in de woning en de daarbij gestelde vragen merkte het hof aan als een begin van uitvoering van de voorgenomen overval op het telcentrum. Dit oordeel bleef in cassatie in stand.26

42. Het laatstgenoemde arrest vormt een illustratie dat in geval van deelneming aan poging, diverse handelingen van de deelnemers ‘in samenhang met elkaar en met de gemaakte afspraken’ in ogenschouw mogen worden genomen.27 De Hullu wijst er in dat verband op dat bij een opeenvolgend geheel van geplande handelingen de eerste handeling soms al als uitvoeringshandeling kan worden aangemerkt.28 Hij verwijst daarvoor naar HR 18 november 1986, NJ 1987/276.29 In die zaak ging het om poging tot het binnen het grondgebied brengen van verdovende middelen, met als bewezen verklaarde uitvoeringshandelingen het kopen van een personenauto, het met die auto naar Turkije rijden, het vervolgens in handen van een ander spelen van die auto, de retourvlucht van de één per vliegtuig en de terugreis van de ander per auto met heroïne. Meijers stelde in zijn conclusie voorafgaand aan dat arrest: “Juist bij een langetermijnoperatie als een in Nederland opgezet heroïnetransport van Turkije naar Nederland zal de feitenrechter het begin van uitvoering al in een vroeg stadium van het handelen kunnen aannemen.” In een recentere zaak ging het eveneens om een poging tot invoer van verdovende middelen, door twee stellen met het gezamenlijke plan om in twee van een dubbele bodem voorziene auto’s naar Marokko te rijden om hasjiesj op te halen. De verdachte besloot niet terug te rijden naar Nederland toen zij vermoedde dat het andere stel was aangehouden in Nederland, maar zonder de middelen terug te vliegen. Volgens het hof had de verdachte zich niettemin schuldig gemaakt aan een strafbare poging tot het binnen het grondgebied van Nederland brengen van hasjiesj op het moment dat de verdachte met een speciaal daartoe geprepareerde auto naar Marokko vertrok. De Hoge Raad casseerde omdat het dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk achtte, mede gelet op de omstandigheid dat van de overige bewezen verklaarde gedragingen niet kon worden gezegd dat deze naar hun uiterlijke verschijningsvorm reeds “in voldoende concrete mate” gericht waren op de voltooiing van de invoer in Nederland van hasjiesj.30

43. Mijn ambtgenoot Hofstee leidt uit deze formulering (“in voldoende concrete mate”) af dat het Cito-criterium wat lijkt te zijn aangescherpt.31 Wellicht is een verband te leggen met de kritiek die is geuit op een kort tevoren gewezen arrest.32De verdachte in deze zaak had het voornemen om een vuurwapen ‘voorhanden te krijgen’. Hij had met dat doel telefonisch gereageerd op een advertentie waarin een wapen te koop werd aangeboden. Hij had daarbij aangegeven het wapen daadwerkelijk te willen kopen en daartoe geprobeerd een overeenkomst te sluiten. Verder was het niet gekomen. Mijn ambtgenoot Spronken achtte deze vaststellingen onvoldoende voor een begin van uitvoering; het telefonisch contact met de aanbieder stond volgens haar immers nog heel ver af van het daadwerkelijk voorhanden hebben van dat wapen. De Hoge Raad overwoog evenwel dat het oordeel van het hof dat de bewezen verklaarde gedragingen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op de voltooiing van het delict dat bestaat in het voorhanden hebben van een vuurwapen, niet getuigde van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk was. Aan de hand van het Cito-criterium lijkt deze uitkomst niet vanzelfsprekend.

44. Of met NJ 2016/318 daadwerkelijk sprake is van een aanscherping van het Cito-criterium, kan nog niet met zekerheid worden gezegd. In een recent arrest waarin de Hoge Raad casseert, volstaat de Hoge Raad – zonder verwijzing naar het Cito-criterium – met de overweging dat het oordeel van het hof dat sprake was van een begin van uitvoering van het binnen Nederland brengen van cocaïne niet zonder meer begrijpelijk is.33

45. Een aanscherping van het Cito-criterium, in die zin dat voortaan moet worden beoordeeld of de bewezen verklaarde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm “in voldoende concrete mate” gericht waren op de voltooiing van het misdrijf, zou wel een eerste stap kunnen zijn in een ontwikkeling naar een nadere verduidelijking van het toetsingskader. Daaraan bestaat behoefte. Ik sluit mij in dit verband bij Rozemond aan, die in zijn eerder genoemde noot onder HR 30 juni 2015, NJ 2015/403 de wenselijkheid onderstreept dat de Hoge Raad meer aandacht besteedt aan de afbakening van het begrip ‘begin van uitvoering’, bijvoorbeeld door daarvoor relevante factoren te noemen.

46. De kritiek die op het Cito-criterium is geleverd, spitst zich met name toe op het gebrek aan onderscheidend vermogen ervan. In het belang van de rechtsontwikkeling geef ik de Hoge Raad in overweging het toetsingskader in dit verband te verduidelijken. Daarbij kan inspiratie worden geput uit de wijze waarop de Hoge Raad invulling heeft gegeven aan een eveneens betrekkelijk algemeen criterium als ‘een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen’ in het kader van medeplegen. Dit criterium krijgt pas reliëf door de aandachtspunten die de Hoge Raad in overzichtsarresten ten aanzien van de invulling van dit begrip heeft geformuleerd.34

47. Uiteindelijk zal het bij de beoordeling of sprake is van een begin van uitvoering aankomen op de vraag hoe ver de bewezen verklaarde gedragingen zijn verwijderd van de voltooiing van het misdrijf.35 De enkele (naar uiterlijke verschijningsvorm) gerichtheid op die voltooiing heeft in dit verband weinig onderscheidende betekenis. Het gaat om de nabijheid van de verwerkelijking van het misdrijf. Er moet sprake zijn van een situatie waarin de gedragingen zijn gericht op dadelijke realisering van de voltooiing van het misdrijf. In minder statige, aan de Duitse jurisprudentie ontleende bewoordingen, kan het momentum worden omschreven als: ‘jetzt geht es los’.36 Oftewel: de gedragingen zullen in voldoende concrete mate, rechtstreeks moeten zijn gericht op een prompte verwerkelijking van het misdrijf.

48. De beoordeling van de specifieke gedragingen kan daarbij niet los worden gezien van het specifieke misdrijf waarop deze zijn gericht. Per delict kunnen karakteristieke uiterlijke verschijningsvormen worden onderkend.37 In het algemeen wordt aangenomen dat bij gekwalificeerde delicten de vervulling van een kwalificerend bestanddeel een begin van uitvoering van het delict kan opleveren. Zo plegen ten aanzien van diefstal door middel van braak de handelingen die als braak moeten worden aangemerkt als een begin van uitvoering te worden beschouwd.38 Daarnaast wordt wel aangenomen dat formeel omschreven delicten, die zijn voltooid wanneer de in de delictsomschrijving genoemd gedraging is verricht, minder ruimte laten voor een poging.39 Een begin van uitvoering zal in zulke gevallen sneller een voltooid feit opleveren. Materiële delicten daarentegen kenmerken zich door de strafbaarstelling van een door een handeling teweeggebracht gevolg en laten daarmee in de regel meer ruimte tot strafbaarstelling van gedrag in de voorfase van het delict, zo wordt wel betoogd.40 Messcherp is het onderscheid echter niet, terwijl uit de rechtspraak volgt dat poging bij formele delicten geenszins uitgesloten is.41

49. Met Rozemond meen ik dat voorts een relevant aandachtspunt is in hoeverre de bewezen verklaarde gedraging zich onderscheidt van alledaagse gedragingen.42 Zo levert de omstandigheid dat iemand zich van Amsterdam naar Utrecht begeeft in de verwachting om daar conform een eerder gemaakte afspraak heroïne in ontvangst te nemen geen begin van uitvoering van vervoeren en aanwezig hebben van heroïne op.43 Ook Arendse merkt op dat het er bij de beantwoording of sprake is van ‘gerichtheid op voltooiing’ in de kern om gaat dat uit omstandigheden is gebleken van een bepaalde nabijheid tot de voltooiing van het misdrijf. Hiervan is volgens haar onder meer sprake als er een aanvang is gemaakt met een nauw samenhangend, opeenvolgend geheel van gedragingen, dat zonder van buiten komende omstandigheid tot voltooiing van het misdrijf zou hebben geleid. Daarnaast noemt zij in dit verband de omstandigheid dat het object van het misdrijf daadwerkelijk is benaderd en die waarbij een beslissende gedraging is verricht “op weg naar het misdrijf”, waardoor personen of goederen in gevaar worden gebracht.44 Bij medeplegen kan in dit verband relevant zijn of het gaat om een planmatige aanpak, waarbij de verdachten actief hebben samengewerkt aan de uitvoering van het plan.45

50. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Het onder 2 primair bewezen verklaarde feit betreft het medeplegen van een poging tot het opzettelijk iemand, op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid beroofd, bevrijden (art. 191 Sr). Zoals ook blijkt uit de overwegingen van het hof, gaat het hier om een delictsomschrijving met een materiële component, te weten het bevrijden van een gevangene. Eerst wanneer de gevangene daadwerkelijk is bevrijd, is het misdrijf voltooid. Dat is anders bij het behulpzaam zijn bij zelfbevrijding, waarbij ook handelingen (ver) voorafgaand aan de zelfbevrijding een voltooid delict kunnen opleveren en niet vereist is dat de zelfbevrijding tot stand is gekomen.46

51. De rechtspraak inzake poging tot bevrijding van een gedetineerde is bepaald niet overvloedig. In HR 3 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AB8227, NJ 1984/375 had de verdachte het voornemen opgevat een gedetineerde te bevrijden. Daartoe had hij een gat in de omheining of afrastering van het omliggende terrein geknipt. Vervolgens had hij een raam, waarachter zich de cel van de gedetineerde bevond, met een schroevendraaier, een sloopbeitel en/of ander gereedschap gedeeltelijk losgeschroefd en beschadigd en daaraan gewrikt. Het wekt geen verwondering dat deze gedragingen een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf van art. 191 Sr opleverden.

52. In de onderhavige zaak was het bevrijdingsplan aanzienlijk gecompliceerder. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten een gezamenlijk plan hadden om [betrokkene 1] uit de penitentiaire inrichting te bevrijden met behulp van een gekaapte helikopter. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden.

53. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat de bewezenverklaring opgenomen gedragingen niet in voldoende concrete mate gericht zijn op de voltooiing van het misdrijf. De gedragingen waarnaar het hof verwijst staan nog te ver af van de daadwerkelijke bevrijding om van een begin van uitvoering en dus van een strafbare poging te kunnen spreken, aldus de steller van het middel. Een logische gedachte zou zijn dat bij vrijspraak van de eerder in tijd te plaatsen poging tot kaping van een helikopter ook vrijspraak moet volgen van de poging tot bevrijding van de gevangene, terwijl die helikopter essentieel was om het (kennelijk) ultieme doel, de bevrijding van [betrokkene 1] , te bereiken. In geen van de bewezen verklaarde gedragingen zit een voorwaartse beweging, een stap in de richting van de voltooiing van het delict, terwijl die – ook in samenhang beschouwd – niet kunnen leiden tot bevrijding van [betrokkene 1] uit de P.I. Roermond. Bovendien zou het hof de grondslag van de tenlastelegging hebben verlaten door bij de beoordeling van het begin van uitvoering gedragingen als uitvoeringshandelingen in aanmerking te nemen die niet in de tenlastelegging zijn opgenomen, aldus de steller van het middel.

54. In cassatie staat aldus centraal de vraag of het hof uit (het samenstel van) de feitelijke vaststellingen heeft kunnen afleiden dat sprake was van een begin van uitvoering van het opzettelijk bevrijden van iemand, die op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid is beroofd (art. 191 Sr). Ik beantwoord deze vraag bevestigend. Daartoe merk ik het volgende op.

55. Het hof heeft geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van het misdrijf van art. 191 Sr. Het hof heeft in dit verband overwogen dat de voorgenomen bevrijdingsactie een sterk planmatig karakter had, dat enkel kans van slagen kon hebben als verschillende verdachten op verschillende momenten actie ondernamen en dat aan die gedragingen feitelijk uitvoering is gegeven. In verband met elk van de elkaar opvolgende fasen in de uitvoering van het plan waren door de verdachten reeds handelingen verricht.

56. In de bestreden uitspraak ligt als niet onbegrijpelijk oordeel van het hof besloten dat de uit de bewijsvoering volgende gedragingen in voldoende concrete mate, rechtstreeks zijn gericht op een prompte verwerkelijking van het voorgenomen misdrijf. Daarbij wijs ik op de volgende bijzondere omstandigheden van het geval.

57. De voorgenomen, complexe bevrijdingsactie vergde een opeenvolgend geheel van op elkaar afgestemde gedragingen van verschillende verdachten, op verschillende locaties. Het sluitstuk daarvan zou aanvangen met het vertrek van de helikopter van Kempen Airport in Budel naar Weert. [medeverdachte 2] heeft zich daartoe op 11 oktober 2017 om 13.26 uur op Kempen Airport gemeld (bewijsmiddel 23). Vervolgens heeft hij telefonisch contact gehad met verschillende medeverdachten, waarbij hij heeft doorgegeven dat hij daadwerkelijk in een helikopter zou stappen en waarbij nadere afspraken over de uitvoering zijn gemaakt. [betrokkene 1] zou om 13.55 uur in de P.I. Roermond worden gelucht (bewijsmiddel 24). In de tussentijd zou de helikopter een tussenlanding te Weert maken en zou de macht over de helikopter met geweld of bedreiging met geweld worden verkregen. De medeverdachte [medeverdachte 5] zou daar de besturing van de helikopter overnemen, terwijl een van de verdachten voorzien van een AK-47 met de helikopter zou meegaan om [betrokkene 1] van de luchtplaats van de inrichting te Roermond te bevrijden.

58. Het sluitstuk van de bevrijdingsactie zou aldus plaatsvinden binnen een zeer kort tijdsbestek, waarvan de aanvang werd gemarkeerd door de aankomst bij de vertreklocatie van de helikopter. Negen minuten vóór aanvang van de luchttijd van [betrokkene 1] is [medeverdachte 2] daar aangehouden (13.46 uur), nadat hij zich volgens plan voor de geplande rondvlucht had gemeld. Ook bij de locatie van de tussenlanding in Weert en in de nabijheid van de P.I. Roermond waren gedragingen verricht die het hof heeft kunnen aanmerken als feitelijke uitvoering van geplande taken met het oog op de bevrijdingsoperatie. Daarbij werd gebruikgemaakt van gestolen (vlucht)auto’s met valse kentekenplaten. Uit de bewijsvoering volgt dat in dit verband niet slechts sprake was van handelingen die de wetgever in art. 46 Sr in algemene zin als voorbereidingshandelingen heeft gekwalificeerd, zoals het verwerven en voorhanden hebben van vervoermiddelen bestemd tot het begaan van een misdrijf, maar dat de desbetreffende vervoermiddelen ook daadwerkelijk zijn aangewend.47 De vervoermiddelen waren geplaatst bij de drie locaties die voor de bevrijdingsactie cruciaal waren, te weten Budel, Weert en Roermond. Zo stond een gestolen auto gereed in Weert met daarin wapens, de helikopterpiloot, middelen om de bevrijding mee te realiseren (touw en autoband), middelen om eventueel aan de politie te ontvluchten (kraaienpoten) en sporen weg te maken (benzine en vuurpijlen). In de nabijheid van de P.I. Roermond werd gewacht in een (vlucht)auto met daarin ook een wapen en middelen om eventueel aan de politie te ontvluchten (kraaienpoten) en sporen weg te maken (benzine en vuurpijlen). Daarbij werden middelen aangewend die bepaald niet duiden op alledaags gedrag, zoals gestolen auto’s met valse kentekenplaten, wapens, munitie, kraaienpoten, vuurpijlen en een touw met autobanden. Die voorwerpen passen wel in het kader van het gezamenlijk plan om een gedetineerde te bevrijden. Tussentijds hielden de verdachten telefonisch contact met elkaar en met de gedetineerde, die om 13.24 uur aan een van de verdachten had laten weten dat “dit zijn nummer is”.

59. De situatie verschilt aldus van die waarin gewapende en gemaskerde mannen in hun auto met draaiende motor vlakbij een bankkantoor wachten.48 Een van de verdachten had zich in de onderhavige zaak al, voorzien van een bos bloemen, op de helikopterlocatie gemeld. In zoverre kan de parallel worden getrokken met de eerder genoemde zaak waarin een van de verdachten zich als postbode had vermomd, de auto had verlaten en naar de woning was gelopen.49 Bovendien gaat het om een operatie met een complex, sterk planmatig karakter dat acties vergde op verschillende locaties en binnen een kort tijdsbestek, terwijl daarvoor benodigde gedragingen op die locaties hadden plaatsgevonden. Uit de bestreden uitspraak volgt dat de voltooiing van het misdrijf slechts is afgestuit op adequaat politieoptreden, waardoor is belet dat de helikoptervlucht doorgang vond en dat [betrokkene 1] werd gelucht.

60. Gelet op de hiervoor weergegeven, uit de bewijsvoering blijkende vaststellingen, geeft het oordeel van het hof dat de bewezen verklaarde gedragingen moeten worden aangemerkt als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf van art. 191 Sr geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.

61. Bij het voorafgaande moet worden bedacht dat de poging tot bevrijding van een gevangene wordt bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. Art. 46 Sr is hierop niet van toepassing. Ook uit handhavingsoogpunt is er veel voor te zeggen dat de politie niet eerst op grond van de verdenking van een poging tot bevrijding zou mogen optreden nadat de helikopter met een verdachte aan boord daadwerkelijk op vlieghoogte zou zijn.

62. Naar aanleiding van de schriftuur merk ik nog het volgende op. De omstandigheid dat ten aanzien van de helikopterkaping slechts bewezen is verklaard dat de verdachten daartoe voorbereidingsmiddelen hebben verworven en voorhanden hebben gehad, staat er niet aan in de weg dat de handelingen van de verdachten in dat verband meewegen bij het oordeel dat sprake is geweest van een begin van uitvoering van de bevrijding van een gedetineerde. In het algemeen heeft te gelden dat aan het aannemen van een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet zonder meer in de weg staat dat de mogelijkheid om een delictshandeling te begaan (nog) niet gecreëerd is.50 Daarbij roep ik in herinnering dat de vrijspraak van de ten laste gelegde poging tot kaping niet wordt bestreden en aldus in cassatie niet ter toetsing voorligt. Voor zover de steller van het middel meent dat de afstand tussen de gedragingen en de voorgenomen bevrijding reeds door de desbetreffende vrijspraak te groot was om van een begin van uitvoering te spreken, volg ik haar daarin niet.

63. De steller van het middel voert ten slotte aan dat het hof in de bewijsoverwegingen ten aanzien van het begin van uitvoering in aanvulling op de zeven in de tenlastelegging opgenomen gedragingen in de bewijsoverwegingen ook andere gedragingen heeft aangemerkt als uitvoeringshandelingen, waardoor het hof de grondslag van de tenlastelegging zou hebben verlaten. Ook deze klacht faalt. Het hof heeft in dit verband feiten en omstandigheden opgesomd waaruit is af te leiden dat de verdachten gedurende langere tijd bezig zijn geweest de bevrijding van de gedetineerde te bewerkstelligen. Het middel miskent dat ook – uit de bewijsmiddelen volgende – feiten en omstandigheden die niet als zodanig in de bewezenverklaring zijn opgenomen bij de beoordeling of de bewezen verklaarde feitelijke handelingen kunnen worden beschouwd als gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf mogen worden betrokken.51 Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat deze uit de bewijsmiddelen volgende gedragingen mede redengevend zijn voor het oordeel dat sprake was van een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf van art. 191 Sr. Daarmee heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten.

64. Het middel faalt.

65. Het derde middel behelst de klacht dat het hof zijn oordeel dat sprake is van medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie in de BMW in Weert en in de Audi A4 omdat hij daarvan wetenschap heeft gehad getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en ontoereikend is gemotiveerd.

66. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezen verklaard dat:

“hij op meer tijdstippen gelegen in de periode van 1 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

a. een automatisch vuurwapen, te weten een aanvalsgeweer van categorie II (aangetroffen in de berm langs de vluchtroute van de Audi met kenteken [kenteken 3] ) en

b. munitie, te weten patronen van categorie III, geschikt om te worden verschoten met voornoemd vuurwapen (aanvalsgeweer) en

c. een (langwerpige) tas met daarin onderdelen van een aanvalsgeweer, te weten patroonmagazijnen van categorie III en

d. munitie, te weten losse patronen van categorie III (geschikt om te worden verschoten met voornoemd aanvalsgeweer) en

e. een (zwarte) tas met daarin een automatisch vuurwapen, te weten een aanvalsgeweer van categorie II en een pistool van categorie III en onderdelen van een aanvalsgeweer van categorie II, te weten patroonmagazijnen met daarin munitie, te weten patronen van categorie III”

67. Voor de nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3 verwijs ik naar het citaat dat hiervoor onder 18 is opgenomen.

68. De bewezenverklaring heeft in de eerste plaats betrekking op de wapens en munitie die voorhanden zijn geweest in de blauwe BMW 335i, waarin de verdachten [medeverdachte 4] (als bestuurder), [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] klaarstonden bij de tussenlandingslocatie in Weert. Uit de vaststellingen van het hof blijkt dat de bedoelde wapens en munitie zijn gevonden in een tas op de [c-straat] te Maarheeze. Die locatie bevindt zich op de vluchtroute van deze BMW. Daarnaast gaat het om een wapen en munitie die voorhanden zijn geweest in de Audi A4 die nabij de P.I. Roermond klaarstond met daarin [betrokkene 2] (als bestuurder) en [medeverdachte 9] en die zijn gevonden op de vluchtroute van de Audi.

69. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat voor het medeplegen van het voorhanden hebben van de wapens en munitie onvoldoende is dat de verdachte, mede gelet op zijn organiserende rol en de mate van samenwerking, wetenschap van de aanwezigheid van die wapens en munitie in de BMW en de Audi had, terwijl uit de bewezenverklaring ook niet blijkt dat de verdachte uitvoeringshandelingen heeft verricht ten aanzien van het voorhanden hebben dan wel daarover beschikkingsmacht heeft gehad.

70. Voor een veroordeling ter zake van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van art. 26 Wet Wapens en Munitie (WWM) is vereist dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid van de verdachte ten aanzien van de aanwezigheid van dat wapen of die munitie. Die uit de rechtspraak van de Hoge Raad gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden.52

71. De bewezenverklaring heeft betrekking op het medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie in een auto die een cruciale rol speelt bij het gezamenlijk plan om een gedetineerde te bevrijden en daartoe een helikopter te kapen. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte en zijn medeverdachten een complex, veelomvattend plan hadden gemaakt om [betrokkene 1] uit de P.I. Roermond te bevrijden, dat zij daartoe een helikopter hadden gehuurd waarover zij op de tussenlandingsplaats met (bedreiging met) geweld de macht zouden overnemen en dat in verband daarmee in ieder geval onder meer een BMW beladen met wapens en munitie klaarstond. Voorts volgt uit de vaststellingen dat in verband met dat plan in de Audi bij de P.I. Roermond wapens lagen die kennelijk bedoeld waren om te gebruiken in het geval dat tijdens de bevrijding van [betrokkene 1] nodig mocht blijken. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de verdachte wist van dit plan en in de organisatie en uitvoering daarvan een sturende rol heeft gehad.

72. Voor zover het middel de klacht bevat dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de enkele wetenschap van de aanwezigheid van wapens meebrengt dat hij die vuurwapens tezamen en in vereniging met anderen voorhanden heeft gehad, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.

73. Het hof heeft uit het – op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen gestoelde – oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking aan het gewelddadige plan en de essentiële rol die wapens en munitie in de diverse auto’s daarbij zouden spelen, kunnen afleiden dat de verdachte ook ten aanzien van het voorhanden hebben van die wapens en munitie zo bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders dat sprake is van medeplegen van het voorhanden hebben daarvan. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van de wapens en munitie in de auto’s, omdat het beoogde gezamenlijk gebruik van die wapens een wezenlijk onderdeel vormde van het bevrijdingsplan van de verdachte en zijn medeverdachten.53 Het mede daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte ook ten aanzien van het voorhanden hebben van de wapens en munitie zo bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn mededaders dat sprake is van medeplegen van het voorhanden hebben van die vuurwapens, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel toereikend is gemotiveerd.54 Daaraan voeg ik nog toe dat het hof heeft vastgesteld dat [medeverdachte 2] met de verdachte op 11 oktober 2017 overleg heeft gehad of het verstandig is een wapen mee te nemen vanaf de vertreklocatie van de helikopter. De verdachte antwoordt dat [medeverdachte 2] dat niet moet doen omdat het een te groot risico is en zegt dat hij ervoor moet zorgen dat de “boys dat voor hem hebben”. Daarmee is gedoeld op het voorhanden hebben van wapens door de inzittenden van de BMW, die de komst van de helikopter op de tussenlandingslocatie zouden afwachten. De omstandigheid dat niet is gebleken dat de verdachte op enig moment in de buurt is geweest van of in contact met de vuurwapens en munitie in de beide auto’s dan wel met de inzittenden van de BMW, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af.55

74. Het middel faalt.

Slotsom

75. De middelen falen. Het eerste en het derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

76. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

77. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bij akte van 11 november 2020 is het beroep partieel ingetrokken. Het cassatieberoep richt zich niet langer tegen de door het hof gegeven vrijspraak van het onder 1 primair en onder 4 ten laste gelegde.

2 Zie o.a. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. Mevis; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond; en HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:221, NJ 2020/141, m.nt. Vellinga.

3 Zie hierover uitgebreider de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voorafgaand aan HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187 (ECLI:NL:PHR:2019:1286). Vgl. ook zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:124, onder punt 15) voorafgaand aan HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:544 en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:472, onder punt 10), voorafgaand aan HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1162.

4 In dat verband kan worden gewezen op HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187, NJ 2020/140 m.nt. Vellinga. Zie in dit verband ook de noot van Rozemond onder HR 20 september 2016, NJ 2016/420 en W. Albers, T. Beekhuis & R. ter Haar, ‘Medeplegen: van wezenlijke bijdrage naar planverwezenlijking?’, DD 2020/23.

5 Vgl. HR 4 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:187, NJ 2020/140 m.nt. Vellinga.

6 Vgl. HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9377. Zie ook de conclusie van PG Silvis voorafgaand aan HR 31 maart 2020, ECI:NL:HR:2020:504 NJ 2020/251, onder 14, onder verwijzing naar zijn conclusie voorafgaand aan HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7976 en de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga voorafgaand aan HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7725.

7 Vgl. in dit verband ook HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9380, NJ 2006/178. Zie hierover ook H.J.B. Sackers, Wet wapens en munitie, Deventer: Wolters Kluwer 2012, p. 222-223.

8 Vgl. HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1162.

9 In HR 2 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2806, NJ 2002/187, rov. 4.4, duidt de Hoge Raad deze lijn aan als bestendige rechtspraak.

10 HR 24 oktober 1978, NJ 1979/52.

11 G. Knigge en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, vijftiende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 229.

12 Zie zijn noot onder HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6466, NJ 2012/517.

13 Zie zijn conclusie voorafgaand aan HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3565, NJ 2010/337, m.nt. Borgers.

14 Zie zijn noot onder HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769, NJ 2015/403.

15 S.S. Arendse, De uiterlijke verschijningsvorm in het strafrecht, Den Haag: Boom Juridisch 2020, m.n. p. 453.

16 A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Wetboek van Strafrecht, aant. 2.5.3 bij art. 45. Zie ook A. Machielse, ‘De opmars van de uiterlijke verschijningsvorm’, in: Constante Waarden (Kelk-bundel), Den Haag: BJu 2008, p. 238.

17 A. Machielse, ‘De opmars van de uiterlijke verschijningsvorm’, in: Constante Waarden (Kelk-bundel), Den Haag: BJu 2008, p. 237 en J. de Hullu, Materieel strafrecht, zevende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 393-402. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld voorafgaand aan HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:1093.

18 De Hullu, a.w., p. 396, onder verwijzing naar de noot van Mulder onder HR 8 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0645, NJ 1988/896.

19 C. Kelk, Studieboek materieel strafrecht, bewerkt door F. de Jong, zevende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 427. Zie ook J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, zevende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. p. 395-396. Vgl. de formulering van Röling in zijn noot onder het Poging tot gasmoord/Hamer-arrest uit 1951: ‘Voor de strafbaarheid van poging (…) is van groot belang hoe de rechtsgenoten de daad opvatten. Als deze daad duidelijk wijst op een komende verwerkelijking van het misdrijf, is de grond van de strafwaardigheid aanwezig.’, HR 29 mei 1951, ECLI:NL:HR:1951:3, NJ 1951/480.

20 Zie Kelk, a.w., p. 430; G. Knigge & H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, vijftiende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 226-227 en De Hullu, a.w. p. 398-399, o.a. onder verwijzing naar de noot van Rozemond onder HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575, NJ 2016/318.

21 HR 8 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC8475, NJ 1993/321.

22 Vgl. ook HR 2 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2806, NJ 2002/187.

23 Zie ook Arendse, a.w., p. 138-139 en Knigge en Wolswijk, a.w., p. 227.

24 De Hullu, a.w. p. 397-398.

25 A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Wetboek van Strafrecht, aant. 2.5.3 bij art. 45.

26 Vgl. ook HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2675.

27 De Hullu, a.w. p. 397-398, onder verwijzing naar HR 18 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9559, NJ 1987/276, m.nt. A.C. ’t Hart.

28 De Hullu, a.w. p. 397-398.

29 ECLI:NL:HR:1986:AC9559, NJ 1987/276, m.nt. A.C. ’t Hart.

30 HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575, NJ 2016/318, m.nt. N. Rozemond. Vgl. ook HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9971, NJ 2011/95.

31 Zie zijn conclusie van 12 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:14, onder 14.

32 HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769, NJ 2015/403, m.nt. Rozemond. Zie hierover onder meer M.J. Vetzo, ‘Strafbare poging en formeel omschreven delicten: een bespreking naar aanleiding van HR 30 juni 2015, NJ 2015/403’, DD 2016/73.

33 HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:975, NJ 2020/244.

34 Vgl. onder meer HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis.

35 Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee van 12 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:14.

36 Zie voor dit treffende voetbaljargon: K. Rozemond, ‘De algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen in het licht van de pogingsjurisprudentie van de Hoge Raad’, DD 1994, p. 651-675, m.n. p. 659.

37 Zie vooral de gedifferentieerde benadering in de hiervoor genoemde dissertatie van Arendse. Zie verder De Hullu, a.w. p. 399-400 en Knigge en Wolswijk, a.w., p. 226-230.

38 De Hullu, a.w. p. 399; A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Wetboek van Strafrecht, aant. 2.5.1 bij art. 45.

39 Zie onder meer de noot van Rozemond onder HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575, NJ 2016/318, onder 4.

40 Kelk, a.w. p. 416-417 en 423-424 en Knigge en Wolswijk, a.w., p. 226-230. Zie ook Arendse, a.w., p. 50-51 en 139-140.

41 Zie hierover ook Arendse, a.w., p. 139-140 en M.J. Vetzo, ‘Strafbare poging en formeel omschreven delicten: een bespreking naar aanleiding van HR 30 juni 2015, NJ 2015/403’, DD 2016/73.

42 Zie zijn eerder genoemde noot onder HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769, NJ 2015/403.

43 HR 20 juni 1989, NJ 1990/32. Zie ook ten aanzien van een autorit naar Roemenië in verband met het begin van uitvoering van het binnen Nederland brengen van heroïne: HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9971, NJ 2011/95.

44 Arendse, a.w., p. 135.

45 Hier kan een vergelijking worden gemaakt met de ontwikkeling van de rechtspraak ten aanzien van medeplegen. Zie hierover de noot van Rozemond onder HR 20 september 2016, NJ 2016/420 en W. Albers, T. Beekhuis & R. ter Haar, ‘Medeplegen: van wezenlijke bijdrage naar planverwezenlijking?’, DD 2020/23.

46 HR 12 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7754; HR 9 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0161, NJ 1998/386; HR 2 oktober 1984, ECLI:NL:PHR:1984:AB8090, NJ 1985/271, m.nt. A.C. ’t Hart.

47 Zie over het belang hiervan ook Arendse, a.w., p. 81.

48 Vgl. HR 8 september 1987, NJ 1988/612.

49 HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4351, NJ 2011/358, m.nt. Keijzer.

50 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen voorafgaand aan HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1975, onder 14, onder verwijzing naar HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6466, NJ 2012/517 m.nt. Keijzer.

51 Zie Arendse, a.w., p. 138 en verder bijvoorbeeld HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769, NJ 2015/403, m.nt. Rozemond.

52 HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, NJ 2020/251, m.nt. Sackers, onder verwijzing naar HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992. Zie meer in het bijzonder ten aanzien van bekendheid met de specifieke kenmerken van het wapen: HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:507, NJ 2020/253.

53 Vgl. HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9377. Zie ook de conclusie van PG Silvis voorafgaand aan HR 31 maart 2020, ECI:NL:HR:2020:504 NJ 2020/251, onder 14, onder verwijzing naar zijn conclusie voorafgaand aan HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7976 en de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga voorafgaand aan HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7725.

54 Vgl. in dit verband ook HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9380, NJ 2006/178. Zie hierover ook H.J.B. Sackers, Wet wapens en munitie, Deventer: Wolters Kluwer 2012, p. 222-223.

55 Vgl. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7725.