Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:1157

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-12-2021
Datum publicatie
08-12-2021
Zaaknummer
19/00461
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:46
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Op de zolder van een schuur bij een door de verdachte gehuurde woning is een hennepkwekerij aangetroffen. Heeft het hof verdachte als huurder van dit pand voor het telen van de daarin aangetroffen hennep en de diefstal van elektriciteit kunnen veroordelen op de grond dat zijn verklaring over andere betrokkenen niet verifieerbaar en aannemelijk is bevonden, nu direct bewijs dat hij bij de hennepteelt betrokken is geweest ontbreekt? AG meent van niet. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/00461

Zitting 7 december 2021

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

hierna: de betrokkene.

1 Cassatieberoep

1.1.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 23 januari 2019 de verdachte wegens 1.“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 3. “diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren en met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr alsmede tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts is door het hof een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij en is aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals omschreven in het bestreden arrest.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

1.3.

Het gaat in deze zaak om een op 27 oktober 2015 aangetroffen hennepkwekerij met 608 hennepplanten op de zolder van een schuur bij een door de verdachte gehuurde woning. Door de verdachte is verklaard dat hij niets te maken heeft gehad met het opzetten van de kwekerij en de diefstal van elektriciteit (feit 1 en 3). Volgens de verdachte zijn er jongelui uit het dorp bij hem geweest die aan hem hebben gevraagd of zij de zolderverdieping van de schuur behorende bij zijn woning mochten gebruiken. Het hof heeft het onder 1 ten laste gelegde telen van hennep en het onder 3 diefstal van elektriciteit bewezenverklaard. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van deze feiten.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1 en 3 bewezenverklaard dat:

“1.hij op 27 oktober 2015 te [plaats] , opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan het [a-straat 1] ), hennepplanten, zijnde hennep als een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

(…)

3. hij in de periode van 1 november 2014 tot en met 27 oktober 2015 te [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening in/uit een pand aan het [a-straat 1] heeft weggenomen elektriciteit, toebehorende aan Enexis B.V., waarbij verdachte die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.”

2.2.

De bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen:

Door het hof gebezigde bewijsmiddelen

Alle hierna aangehaalde en weergegeven verklaringen zijn zakelijk weergegeven.

Ten aanzien van feit 1 en 3:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting bij het gerechtshof op 9 januari 2019, voor zover van belang inhoudende:

Het klopt dat op 27 oktober 2015 de zolder van het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] was ingericht als een in werking zijnde hennepkwekerij. Er zijn mensen bij me geweest. Zij hebben me gevraagd of ze mijn zolderverdieping mochten gebruiken. Ik zou daar geld voor krijgen. Het waren jongelui uit het dorp die ik kende van een aantal jaar geleden. Ze hadden zelf geen sleutel. Die legde ik onder de bloempot.

In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s of bijlagen, als opgenomen in de bundel processen-verbaal van politie Eenheid, Oost-Nederland, registratienummer PL0600-2015489003, alsmede de daarbij behorende bijlagen in de vorm van processen-verbaal en overige bescheiden.

2. Het relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden brigadier, als opgenomen in het door hen op 28 oktober 2015 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal, dossierpagina’s 30 tot en met 49, voor zover van belang inhoudende:

3. Ter zake van een verdenking van een overtreding van de Opiumwet werd op woensdag 27 oktober 2015 een onderzoek ingesteld op het adres [a-straat 1] te [plaats] .

4. Aan de linkerzijde van de smalle gang was een toegang tot de kweekruimte. Wij zagen dat deze kweekruimte rechthoekig van vorm was en vol stond met plastic vouwkratten. Wij telden in totaal 152 vouwkratten. Wij zagen dat in iedere vouwkrat vier hennepplanten stonden. In totaal telden wij 608 hennepplanten.

De vouwkratten waren van het formaat 53 cm x 34 cm. De vouwkratten waren gevuld met teelaarde. De kratten stonden dicht opeen. In deze kweekruimte stonden ongeveer 18 hennepplanten op een vierkante meter.

Wij zagen dat de planten in deze kweekruimte hennep betrof. Met hennep wordt bedoeld elk deel van de plant van het soort Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden. De bovenstaande hennep is vermeld op lijst II van de Opiumwet en verboden in artikel 3 en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet.

Ingevolge de richtlijnen van het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk, verwoord in de circulaire van 06-02-1997, kenmerk 97/025 cann. zullen geen monsters van de in dit proces-verbaal bedoelde hennepplanten voor nader onderzoek worden aangeboden bij dit laboratorium. Volstaan wordt met vorenmelde testen c.q. herkenning door verbalisanten.

Door de fraude inspecteur, genaamd [betrokkene 1] van de netbeheerder Enexis werd ons medegedeeld dat het elektriciteitsnetwerk was vernield en beschadigd en dat hierdoor een gevaarlijke situatie zou kunnen ontstaan, zoals brandgevaar in de eigen installatie en de directe omgeving, maar ook gevaar voor persoonlijk letsel, zoals elektrocutiegevaar. Er was, volgens de fraude inspecteur, ook diefstal van elektriciteit in de woning gepleegd.

3. Het relaas van de verbalisant [verbalisant 3] , hoofdagent, als opgenomen in het door hem op 7 oktober 2016 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal, dossierpagina’s 5 tot en met 10, voor zover van belang inhoudende:

Bij navraag in de gemeentelijke basisadministratie bleek dat er op perceel [a-straat 1] te [plaats] op het moment van start van het onderzoek de volgende persoon ingeschreven stond:

Achternaam

: [betrokkene]

Voornamen

: [betrokkene]

Geboren

: [geboortedatum] 1983

Geboorteplaats

: [geboorteplaats]

Geslacht

: Man

4. Een schriftelijk bescheid, zijnde de aangifte door [betrokkene 2] , namens Enexis B.V. van 3 november 2015, dossierpagina’s 138 t/m 161, voor zover van belang inhoudende:

Namens Enexis B.V., gevestigd Magistratenlaan 116 te ‘s-Hertogenbosch ben ik [betrokkene 2] , in dienstbetrekking als Medewerker Beheersen Netverlies uit hoofde van mijn functie bevoegd om aangifte diefstal energie na verbreking van’ verzegeling te doen bij de politie.

Op verzoek van politiekorps Eenheid Oost-Nederland is op 27 oktober 2015 door fraude-inspecteur [betrokkene 1] van Enexis B.V., een onderzoek ingesteld naar de meetinrichting in perceel [a-straat 1] te [plaats] .

De fraude-inspecteur constateerde op 27 oktober 2015 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie en trof het volgende aan:

Het deksel, van de aansluitkast, is ongeoorloofd open geweest. Hiervoor heeft Enexis geen toestemming verleend. Illegale aansluiting op onderzijde zekeringhouders. Deze wijze van illegale aftakking leidt ertoe dat de aangesloten installatie niet beveiligd is met de toegestane hoofdbeveiliging, maar met beveiliging van de aansluitkabel. Er is geconstateerd dat er met de zegels van de meter gefraudeerd is. De eerdergenoemde fraude-inspecteur zag dat de hoofdbeveiliging ten behoeve van de elektrische installatie verzwaard was. Contractueel hoort er 1 x 35A (40A) in te zitten. Hij zag dat er nu een illegale aftakking zat voor de hoofdzekeringen. Daardoor was de gehele installatie onbeperkt verzekerd. Door voorstaande werd schade en hinder veroorzaakt aan Enexis B.V. omdat de juiste tarievenregeling niet kon worden toegepast. Voorts was het gelijktijdige af te nemen vermogen van de getransporteerde elektriciteit niet meer in overeenstemming met de installatie.

Naar aanleiding van het door Enexis B.V. ingestelde onderzoek is door mij een berekening gemaakt waaruit blijkt dat er minimaal 30.921 kWh illegaal is afgenomen (weggenomen) ten behoeve van de hennepplantage en eventueel huishoudelijk verbruik.

5. Het proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 3] van 19 juli 2019, voor zover van belang inhoudende:

U vraagt mij of ik weleens op het adres [a-straat 1] ben geweest. Ja. Dat was toen [betrokkene] daar ging wonen, ik heb hem geholpen met de verhuizing.

[betrokkene] is er in 2014 komen wonen als ik het goed heb, en in 2015 was ik werkloos tot ongeveer halverwege het jaar, dus ik heb hem begin van het jaar 2015 geholpen met het aansluiten van elektra. Rond juli/augustus 2015 ben ik weer aan het werk gegaan. Daarna heb ik niet meer bij [betrokkene] gewerkt. Het laatste dat ik heb gedaan was de cv. Dat was rond juli/augustus.”

2.3.

De verdachte heeft blijkens de inhoud van het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 9 januari 2019 het volgende verklaard:

“De verdachte verklaart:

U, voorzitter, vraagt mij waarom ik niks te maken heb met de hennepkwekerij en de diefstal van elektriciteit. Het enige wat ik verkeerd heb gedaan is het toelaten van anderen in mijn woning. U vraagt mij of ik een beetje bang ben. Dat klopt. U houdt mij de door [betrokkene 3] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring voor waarin hij aangeeft geen vermoeden van een hennepkwekerij te hebben gehad en vraag mij uit te leggen hoe dit is gelopen. Ik zat psychisch in de knoop. Mijn relatie was uit. Ik had schulden. Het was een samenloop van omstandigheden. [betrokkene 3] was best wel handig.

Ik weet dat er mensen bij mij zijn geweest. Ze hebben me gevraagd of ze mijn zolderverdieping mochten gebruiken. Ik zou daar geld voor krijgen. We hebben niet afgesproken hoe hoog dat bedrag zou zijn. (…) Ik woonde in de boerderij. Via de deel, een oude stal, had je toegang tot de zolder. Het voorste deel van de boerderij was het woongedeelte. Ik heb nooit iets waargenomen. Geen plantjes, geen pakketten. Niets. Ik had een sleutel onder een bloempot liggen. Zo kwamen de mensen binnen.

(…)

U houdt mij voor dat het hof vaker van dit soort verhalen te horen krijgt en dat die soms niet te controleren zijn. Het hof heeft soms meer informatie nodig om een verhaal te kunnen geloven of niet. U vraagt mij waar ik de onbekende personen ontmoet heb. Ik woonde in een boerderij die op een heel centraal punt lag. Al het verkeer uit het dorp kwam daar langs. Ik ken ze van ene paar keer eerder. We hebben wel eens met een groepje bij elkaar gestaan. Ze zijn gestopt bij de boerderij toen ze langs reden en hebben toen gevraagd of ze gebruik konden maken van de zolder. In ruil daarvoor zou ik een geldbedrag krijgen.

(…)

U, voorzitter, vraagt mij waarom ik niet heb opgemerkt dat de stroom werd afgetapt. Ik heb echt niets gemerkt. Het was een heel oude boerderij. U houdt mij voor dat er veel camera’s rondom de boerderij hingen. Dat klopt. Dat is een hobby van mij. Het is me nooit opgevallen dat de ramen waren afgeplakt. De voordeur was wel dicht.

(…)

U vraagt mij of ik nog contact heb gehad met de onbekende mannen nadat de kwekerij is opgerold. Ik heb ze nooit meer gezien en nooit meer contact met ze gehad.

(…)

U vraagt mij waar het hof uit moet opmaken dat er andere personen bij de kwekerij betrokken zijn geweest. Dat weet ik niet. Ik kan geen namen noemen. Ik ken hem alleen omdat ik hem eerder gezien had. Ik weet zijn naam niet. U vraagt mij hoe de persoon eruit zag. Hij had kort half lang donkerblond haar. De andere persoon had donker golvend haar. Het was een lange jongen. Verder kan ik u geen informatie geven.

(…)

U, jongste raadsheer, vraagt mij naar de camera’s, mijn hobby. Ik heb er een paar camera’s geïnstalleerd zodat ik kon zien wie eraan kwam en wie er aanbelde. De jongen kwam via de achterkant. Daar had ik geen camera hangen. (…) ik ben verder nooit op de zolder geweest. Ook niet toen ik het huis ging huren. De zolder hoort niet bij de woning

De raadsvrouw voert aan:

In de laatste alinea op de eerste pagina van de gebruikersovereenkomst staat vermeld dat de verdieping van de woning geen deel uitmaakt van de woning.

De verdachte verklaart:

U, voorzitter, houdt mij voor dat ik verklaard heb dat ik de zolder ter beschikking heb gesteld. Dat klopt. Maar er zijn twee zolders. Er was één zolder waar ik niet mocht komen. Die zolder stond volgepakt met dozen. De zolder daarboven mocht niet betreden worden omdat die verrot was en daardoor niet veilig genoeg. Het klopt dat ik [betrokkene 3] het dak op heb gestuurd.

U, jongste raadsheer, houdt mij voor dat ik in de gelegenheid wordt gesteld om mijn verhaal aannemelijk te maken, maar dat ik niet veel verder kom dan een blonde jongen.

U, raadsvrouw, houdt mij voor dat getuige [betrokkene 3] mij op enig moment heeft geholpen. U vraagt mij waarom ik het niet zelf deed. Ik kan dat niet, omdat ik er niet handig genoeg voor ben. Ik ben atechnisch en kan geen hennepkwekerij aanleggen, ik kan geen elektriciteit aanleggen. Ik besteed dat uit. [betrokkene 3] is heel handig (…) ”

2.4.

Uit de aan het hof ter terechtzitting van 9 januari 2019 overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte het verweer heeft gevoerd dat uit niets blijkt dat de verdachte betrokken is geweest bij de bouw en exploitatie van de hennepkwekerij. De raadsvrouw heeft betoogd dat er geen forensische sporen van de verdachte (of anderen) op de zolder zijn aangetroffen en er verder geen enkele link dan wel koppeling is aangetroffen tussen de verdachte en de kwekerij. De verdachte had geen kennis om een dergelijke kwekerij op te bouwen, geen geld om te kunnen investeren en verkeerde bovendien in een zware depressie. Volgens de raadsvrouw was het enige aannemelijke en reële scenario dan ook dat de verdachte “de deur heeft opengedaan voor criminelen, maar zelf alleen op de bank zat beneden.” De rol van de verdachte heeft zich enkel beperkt tot het ter beschikking stellen van de zolderverdieping zodat er hoogstens sprake is geweest van medeplichtigheid. Met betrekking tot de elektriciteit is eveneens aangevoerd dat de verdachte hierbij niet betrokken is geweest.

2.5.

Het hof heeft dit verweer onder het kopje “overweging met betrekking tot het bewijs” als volgt samengevat en verworpen:

“Op de zitting is door de raadsvrouw ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde - kort gezegd - aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het plegen of medeplegen van het telen van hennep door verdachte. Voorts heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte ook dient te worden vrijgesproken van de diefstal van de elektriciteit nu uit het dossier en in het bijzonder uit de getuigenverklaring van [betrokkene 3] afgelegd bij de raadsheer-commissaris, niet blijkt dat verdachte hierbij betrokken is geweest.

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en 3 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat hij door een aantal personen, die hij kent uit het dorp, is benaderd om de zolder van zijn toenmalige woning aan het [a-straat 1] te [plaats] aan hen beschikbaar te stellen. Verdachte heeft erkend dat de zolder op het moment van de instap op 27 oktober 2015, was ingericht als een in werking zijnde hennepkwekerij, maar ontkent dat hij daar iets mee te maken heeft gehad. Op herhaalde vragen van het hof om nadere en specifieke informatie te verstrekken over de door hem bedoelde personen heeft verdachte desgevraagd geen antwoord willen geven.

Nu een concrete, specifieke en verifieerbare verklaring van verdachte over de personen die volgens hem de hennepkwekerij in zijn woning zouden hebben opgezet ontbreekt, acht het hof in de gegeven omstandigheden de verklaring van verdachte dat hij door anderen zou zijn benaderd om een hennepkwekerij in zijn woning op te zetten en dat hij daarmee zelf niets te maken heeft gehad, niet aannemelijk geworden.

Omdat verdachte huurder is geweest van de woning op het adres [a-straat 1] te [plaats] waar de hennepkwekerij is aangetroffen op en voorafgaand aan de datum van 27 oktober 2015, is het hof met de rechtbank van oordeel dat verdachte als enige verantwoordelijk moet worden gehouden voor het telen van hennep op die datum.

Nu het hof verdachte aanmerkt als pleger van de hennepteelt en niet aannemelijk is geworden dat anderen hierbij betrokken zijn geweest, houdt het hof verdachte ook als pleger verantwoordelijk voor de diefstal van de elektriciteit in zijn toenmalige gehuurde woning in de onder 3 tenlastegelegde periode. In tegenstelling tot het standpunt van de verdediging is het hof van oordeel dat de verklaring van de getuige [betrokkene 3] in het bijzonder over de periode waarin hij stelt bij verdachte werkzaamheden te hebben verricht, ruimte biedt voor een eerdere kweek en dat verdachte de hiervoor benodigde elektriciteit heeft weggenomen.”

3 Het middel

3.1.

Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 1 en 3 tenlastegelegde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, hieruit blijkt immers niet dat de verdachte als pleger opzettelijk 608 hennepplanten heeft geteeld en elektriciteit heeft gestolen.

3.2.

In de toelichting op het middel wordt gesteld dat op grond van de bewijsmiddelen de verdachte hoogstens medeplichtigheid zou kunnen worden verweten en wat betreft het stelen van elektriciteit het gebruik door het hof van de verklaring van de getuige [betrokkene 3] (bewijsmiddel 5) niet redengevend is voor het bewijs. Integendeel. Gesteld wordt dat deze verklaring juist tegenbewijs oplevert voor de bewezenverklaring van de diefstal van elektriciteit over de periode van 1 november 2014 tot juli/augustus 2015.

4 Het juridisch kader

4.1.

Waar het in deze zaak om draait is of het hof de verdachte als huurder van een pand voor het telen van de daarin aangetroffen hennep en de diefstal van elektriciteit heeft kunnen veroordelen op de grond dat zijn verklaring over andere betrokkenen niet verifieerbaar en aannemelijk is, terwijl direct bewijs dat hij bij de hennepteelt betrokken is geweest ontbreekt. Het is een casus die in de feitenrechtspraak regelmatig aan de orde is en de jurisprudentie van de Hoge Raad hierover is zeer casuïstisch. Nienke Seijlhouwer-De Visser heeft in het Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht1 deze jurisprudentie van de Hoge Raad geanalyseerd. Zij komt tot de conclusie dat ook wanneer er geen direct bewijs aanwezig is dat de huurder2 van een pand hennep heeft geteeld, hij toch als pleger kan worden aangemerkt wanneer kan worden geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat hij degene is geweest die de kwekerij in zijn pand heeft geëxploiteerd.3 Dit is voornamelijk het geval wanneer de huurder, ondanks dat alle pijlen in zijn richting wijzen, geen (aannemelijke) verklaring heeft gegeven over de hem belastende feiten en omstandigheden. Anders is dit wanneer de huurder de betrokkenheid van eventuele anderen bij de hennepteelt aannemelijk kan maken. Met name wat dit laatste aspect betreft is het lastig in de rechtspraak van de Hoge Raad een lijn te ontdekken.

4.2.

Ter illustratie kunnen de volgende uitspraken dienen. In de eerste twee zaken achtte de Hoge Raad de bewezenverklaring voldoende gemotiveerd, in de laatste twee echter niet:

(i) In HR 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2573 werd in een door de verdachte gehuurde loods een hennepkwekerij aangetroffen. Door de verdachte werd hierover verklaard dat hij het deel van de loods waarin de hennepkwekerij was aangetroffen had verhuurd aan een derde waarvan hij geen naam of telefoonnummer kon geven. De verdachte ontkende op enige manier betrokken te zijn geweest bij het telen van de hennep. Deze bewering werd door het hof niet geloofwaardig geacht waarna de verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk telen van hennepplanten.4 De Hoge Raad achtte dat oordeel toereikend gemotiveerd en overwoog daartoe als volgt:

“Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen voorts vastgesteld dat de verdachte de huurder en sinds september 2009 de gebruiker is van de loods waarin zich de ruimte met de hennepkwekerijen bevond met planten die, toen de opsporingsambtenaren op 16 oktober 2009 die ruimte binnengingen, drie weken (ruimte I en ruimte III) respectievelijk een week (ruimte II) oud waren. Uit die feiten en omstandigheden heeft het Hof het daderschap van de verdachte met betrekking tot het opzettelijk telen van die hennepplanten, kunnen afleiden. De klacht is ongegrond.”

(ii) In HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:48 was op de zolder van de door de verdachte gehuurde woning een hoeveelheid hennep aangetroffen die op een droogrek lag te drogen. Verder werden op zolder goederen (o.a. jerrycans met groeimiddel, vuilniszakken met gebruikte kweekaarde, een dompelpomp en een watervat) gevonden die in relatie kunnen worden gebracht met een hennepkwekerij. De verdachte was in de ten laste gelegde periode de enige huurder van die woning, stond ook op dat adres ingeschreven bij de gemeente en had zich beroepen op zijn zwijgrecht. Daarnaast was de verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet ter terechtzitting verschenen. Bij de waardering van het hierboven genoemde bewijs betrok het hof dat de verdachte “geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring [had] gegeven”, en veroordeelde de verdachte voor het telen van hennep. Dat oordeel achtte de Hoge Raad gelet op de vastgestelde bewijsvoering, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat de bewijsmiddelen onder meer inhielden dat de in de kweekruimte henneptoppen te drogen hingen en dat deze ruimte plaats bood aan 150 hennepplanten.5

(iii) Een voorbeeld van een ontoereikend gemotiveerde veroordeling is te vinden in HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6764. Ook in die zaak werd een hennepkwekerij aangetroffen in een door de verdachte gehuurde loods. De verdachte verklaarde dat de kwekerij niet zijn eigendom was, maar van Irakezen die hij tewerk had gesteld om de loods klaar te maken voor de eigenaar van het pand. Aan deze verklaring hechtte het hof geen geloof. Hoewel de verdachte door het hof werd vrijgesproken voor het medeplegen van het telen van hennep, werd door het hof vervolgens wel de verklaring van de verdachte dat hij twee Irakezen in de loods aan het werk had gezet als bewijs gebruikt voor het telen van hennep. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd en oordeelde daartoe dat uit de bewezenverklaring niet zonder meer kon worden afgeleid dat de verdachte zélf opzettelijk had geteeld.

(iv) Ook in het recente arrest van 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:852, NJ 2021/348, m.nt. Vellinga kon het oordeel van het hof de toets der kritiek niet doorstaan. Daarin was door het hof, in tegenstelling tot in onderhavige zaak, enkel het aanwezig hebben van hennep bewezen verklaard.6 In die zaak werd in een door de verdachte gehuurd bedrijfspand op de bovenverdieping een hennepkwekerij aangetroffen. De verdachte had verklaard dat niet hij maar iemand anders de kwekerij had geëxploiteerd. Ter onderbouwing had de verdachte aangevoerd dat hij door iemand was benaderd over de verhuur van de bovenverdieping die daar samen met een compagnon een ICT bedrijf wilde vestigen. Het pand wilde hij nog met zijn compagnon bekijken waarop de verdachte de sleutels van de voordeur aan hem had afgegeven. Op dat moment had de verdachte nog geen huurovereenkomst met deze persoon gesloten. Het telefoonnummer dat de verdachte had van deze persoon was niet meer te bereiken. Het hof achtte het onaannemelijk dat de verdachte aan een volstrekt onbekende de sleutels van zijn pand zou hebben gegeven en die daarna niet meer terug heeft gevraagd, terwijl er (nog) geen huurovereenkomst was gesloten en/of borg was betaald. Zeker nu de verdachte eveneens had verklaard dat hij de bovenverdieping wilde verhuren vanwege financiële nood, maar hij over de maanden waarin die persoon de bovenverdieping zou hebben gehuurd hij geen huur had ontvangen. Het hof stelde voorop dat van de verdachte mag worden verwacht dat hij zijn verhaal over deze persoon verifieerbaar had moeten maken. Naar het oordeel van het hof had de verdachte dat niet gedaan, nu hij onder meer geen nadere contactgegevens had gegeven van die persoon. Op grond hiervan achtte het hof bewezen dat de verdachte alleen, en niet samen met een ander of anderen, hennep aanwezig heeft gehad. De Hoge Raad overwoog dat dit oordeel niet zonder meer uit de uit de gebruikte bewijsvoering kon worden afgeleid. Daarbij nam de Hoge Raad in overweging dat “het enkele oordeel van het hof dat de door hem als bewijsmiddel gebruikte verklaring van de verdachte over een onderhuurder onvoldoende verifieerbaar is, daartoe niet [volstaat]”.

4.3.

Deze voorbeelden maken duidelijk dat als de betrokkenheid van mogelijke andere personen bij de hennepteelt uitsluitend moet worden afgeleid uit de verklaring van de verdachte daarover, het kennelijk aankomt op de omstandigheden van het geval.7

4.4.

Onderliggende zaak vertoont op het eerste gezicht qua casus bijzonder veel gelijkenis met de zaken die zich hebben afgespeeld in de hierboven onder (i) en (iv) besproken arresten van de Hoge Raad. Ook in die zaken had de verdachte – kort gezegd – een woning respectievelijk een loods gehuurd waarin een hennepkwekerij was aangetroffen en hierover verklaard dat niet hij daar betrokken bij was geweest, maar een ander. Van die ander verschafte de verdachte geen nadere gegevens. In de zaak van 2 september 2014 achtte de Hoge Raad het oordeel van het hof toereikend gemotiveerd en in de zaak van 15 juni 2021 achtte de Hoge Raad het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd. Het blijft speculeren hoe het verschil in beoordeling door de Hoge Raad kan worden verklaard. Het zou kunnen, zoals Vellinga in zijn noot bij het arrest van 15 juni 2021 opmerkt, dat in de zaak van 2 september 2014 de hennepplanten werden aangetroffen op de zolder van de woning waar de verdachte stond ingeschreven en het in de zaak van 15 juni 2021 om een door de verdachte gehuurd bedrijfspand ging. Als de hennepkwekerij zich in de woning van de verdachte bevindt ligt het immers meer voor de hand dat de verdachte daarbij, tenzij hij daar een aannemelijke verklaring voor kan geven, als teler bij betrokken is.

5 Bespreking van het middel

5.1.

Ik keer terug naar de onderliggende zaak.

5.2.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat op 27 oktober 2015 op de zolderverdieping van een door de verdachte gehuurde woning aan de [a-straat 1] te [plaats] een hennepkwekerij met 608 planten is aangetroffen (bewijsmiddel 2). De verdachte stond in de bewezenverklaarde periode ingeschreven op dat adres (bewijsmiddel 3) en woonde daar ook (bewijsmiddel 5). Dat is in cassatie (en overigens ook in hoger beroep) niet betwist, zodat hiervan kan worden uitgegaan.

5.3.

Door het hof is vervolgens overwogen dat de verklaring van de verdachte dat hij door anderen zou zijn benaderd om de zolder van zijn (toenmalige) woning beschikbaar te stellen, niet aannemelijk is geworden. Daartoe ontbreekt volgens het hof een concrete, specifieke en een verifieerbare verklaring over deze personen. De verdachte heeft op herhaalde vragen van het hof om nadere en specifieke informatie over deze personen te verstrekken geen antwoord willen gegeven. Het hof is vervolgens van oordeel dat de verdachte als enige verantwoordelijk kan worden gehouden voor de kwekerij die is aangetroffen in zijn woning “omdat hij huurder is geweest van de woning op het adres [a-straat 1] te [plaats] waar de hennepkwekerij is aangetroffen op en voorafgaand aan de datum van 27 oktober 2015”.

5.4.

Ik geef toe dat ik heb getwijfeld of de bewezenverklaring van het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep nu wel of niet door de beugel kan, met name gelet op de hiervoor onder 4.2 genoemde voorbeelden uit de jurisprudentie. Alles tegen elkaar afwegend kom ik tot de conclusie dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarbij wegen voor mij de navolgende omstandigheden mee.

5.5.

Het hof heeft de verklaring van de verdachte dat derden op de betreffende zolder een hennepkwekerij hebben geëxploiteerd onaannemelijk geacht omdat de verklaring van de verdachte hierover, die het hof voor het bewijs heeft gebruikt (bewijsmiddel 1), onvoldoende verifieerbaar is. Met een dergelijke motivering kon het hof volgens de Hoge Raad in zijn hiervoor onder 4.2. (iv) aangehaalde arrest van 15 juni 2021 niet volstaan en in dat arrest ging het om het aanwezig hebben van hennep. Mij lijkt dat dit temeer geldt als het gaat om het telen van hennep.

5.6.

Verder blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van het hof dat de verdachte daar heeft verklaard dat hij in de boerderij woonde en dat de zolder waar de kwekerij zich bevond “via de deel, een oude stal,” toegankelijk was. Het voorste deel van de boerderij was het woongedeelte en de jongen aan wie hij toegang had verleend kwam via de achterkant. Hij heeft ook verklaard dat hij niet op die zolder mocht komen en dat deze niet bij de woning hoorde. Daaraan heeft zijn raadsvrouw toegevoegd dat in de gebruikersovereenkomst staat, dat de verdieping van de woning geen deel daarvan uitmaakte. Het hof heeft in het midden gelaten of hij dit deel van de verklaring van de verdachte ook onjuist of onaannemelijk achtte, terwijl het, gelet op de hiervoor aangehaalde jurisprudentie, voor de bewijsvoering wel uitmaakt of de hennepkwekerij in de woning wordt aangetroffen waar de verdachte zelf verblijft, of elders, zoals in dit geval op de zolder van een kennelijk aan de woning grenzende oude schuur.

5.7.

Al met al meen ik, gelet op het voorgaande, dat het bewijs dat de verdachte zich op 27 oktober 2015 schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep niet naar de eis der wet voldoende met redenen is omkleed. Het middel slaagt in zoverre.

5.8.

Tot slot nog de diefstal van de elektriciteit. In het middel wordt niet bestreden dat er in de periode van 1 november 2014 tot en met 27 oktober 2015 elektriciteit is weggenomen. Dit blijkt ook uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen dat de stroom voor de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen (bewijsmiddel 4). Nu naar mijn mening op basis van de bewijsvoering niet kan worden aangenomen dat de verdachte de hennepkwekerij heeft geëxploiteerd, kon het hof hieruit evenmin afleiden dat de verdachte als pleger verantwoordelijk kon worden gehouden voor de diefstal van de elektriciteit. Ook in dit opzicht is het middel terecht voorgesteld. Dat betekent dat de overige klachten buiten bespreking kunnen blijven.

5.9.

Het middel slaagt.

6. Ambtshalve wijs ik erop dat het hof bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel heeft bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal ‘vervangende’ hechtenis van 35 dagen wordt toegepast. Gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 en de datum van de binnenkomst van de schriftuur (28 april 2020), kan de Hoge Raad, indien hij mijn conclusie niet volgt, bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast. Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding geven.

7 Conclusie

7.1.

Het middel slaagt.

7.2.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 N. (Nienke) Seijlhouwer-de Visser, “De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar of huurder van een henneppand”, in: NTS:2020/109, nr. 5. 349-357.

2 Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de eigenaar.

3 Zie HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5560, HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1553, HR 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2573, HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2534, HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2340, HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:48, HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:554 en HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:850.

4 Zie voor vergelijkbare zaken ook HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2340, HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2534 en HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:850 welke zaken door de Hoge Raad allemaal met art. 81. RO zijn afgedaan.

5 Mijn voorafgaande conclusie aan deze zaak was overigens contrair.

6 Deze bevindingen lijken mij echter ook van betekenis voor het telen van hennep.

7 Tot die conclusie komt ook Seijlhouwer-de Visser a.w. op p. 350-351.