Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:1103

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-08-2021
Datum publicatie
06-12-2021
Zaaknummer
20/01532
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1689
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen schending ambtsgeheim, meermalen gepleegd (art. 272.1 Sr), (gewoonte)witwassen (art. 420bis.1.a en 420ter.1 Sr), aanwezig hebben ‘jammers’ (art. 10.9.1 (oud) Telecommunicatiewet) en voorhanden hebben valse identiteitskaart en rijbewijs (art. 231.2 Sr). 1. Bewijsklachten medeplegen schenden ambtsgeheim. 2. Bewijs- en kwalificatieklachten (gewoonte)witwassen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 20/01547 en 20/01564.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01532

Zitting 31 augustus 2021

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De verdachte is door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 4 mei 2020 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren wegens kortgezegd de volgende feiten:

- het medeplegen van schending van het ambtsgeheim, meermalen gepleegd (onder feit 1 primair);1

- gewoontewitwassen (onder feit 4);2

- witwassen (onder feit 5 subsidiair);

- opzettelijke overtreding van art. 10.9 lid 1 van de Telecommunicatiewet (onder feit 6)3 en

- het voorhanden hebben van een vals reisdocument en identiteitsbewijs (onder feit 7).4

Daarnaast heeft het hof een aantal in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, verbeurd verklaard, een en ander zoals nader bepaald in het arrest.

1.2.

Er bestaat samenhang met de zaken 20/01564 en 20/01547 respectievelijk betreffende de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , waarin ik vandaag ook zal concluderen. In deze samenhangende zaken staat de medeverdachte [medeverdachte 3] (20/01564) centraal, die in de media bekend is geworden onder de naam ‘politiemol [medeverdachte 3] ’ Hij wordt ervan verdacht dat hij als politieman jarenlang vertrouwelijke informatie heeft opgezocht in politiesystemen en die (tegen betaling) heeft gedeeld met onbevoegde anderen uit het criminele circuit. In de onderhavige zaak en de andere samenhangende zaak 20/01547 gaat het om de medeverdachten van deze politieman. De verdachte is in dit verband het medeplegen van het schenden van het ambtsgeheim ten laste gelegd.

1.3.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2 Het eerste middel

2.1.

Het eerste middel komt op tegen de bewezenverklaring van feit 1 (het medeplegen van het schenden van het ambtsgeheim) en bevat de volgende deelklachten:

(i) het hof heeft verzuimd in zijn bewijsoverwegingen met voldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen aan te geven waaraan het heeft ontleend dat de medeverdachte [medeverdachte 3] op 26 september 2015 informatie heeft gedeeld met ‘A-3869’;

(ii) het hof heeft in strijd met art. 301 lid 4 Sv de verklaring die de medeverdachte [medeverdachte 3] in diens eigen zaak heeft afgelegd, voor het bewijs gebruikt;

(iii) uit de bewijsmiddelen kan het tenlastegelegde en bewezenverklaarde "medeplegen" niet worden afgeleid.

2.2.

Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Onder feit 1 primair is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:


“hij in de periode van 29 juli 2015 tot en met 29 september 2015 in Nederland telkens tezamen en in vereniging met een ander, een geheim, waarvan hij en zijn mededader wisten dat zijn mededader uit hoofde van zijn ambt (namelijk het ambt van politieagent) en wettelijk voorschrift (namelijk artikel 3 Wet Politiegegevens en artikel 7 Wet Politiegegevens) verplicht was het te bewaren, opzettelijk heeft geschonden (telkens) door in politiesystemen (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen en/of opsporingsonderzoeken) te bevragen en door (vervolgens) (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen en opsporingsonderzoeken) uit een of meer politiesystemen op gegevensdragers en in documenten te plaatsen en te mailen en te exporteren en door (vervolgens) (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen en opsporingsonderzoeken) uit een of meer politiesystemen aan daartoe niet-gerechtigde personen te verstrekken en te openbaren;”

2.3.

Gelet op de omvang van de door het hof gebruikte bewijsmiddelen (p. 7-38 van het arrest) volsta ik hier met het citeren van de bewijsoverwegingen voor zover deze relevant zijn voor feit 1. Daarin heeft het hof ook de verweren van de verdediging samengevat en verworpen. Voor zover nog van belang, zal ik bij de beoordeling van het middel de relevante bewijsmiddelen aanhalen. De bewijsoverwegingen luiden als volgt:


Inleiding met betrekking tot feit 1

Introductie

Tijdens het strafrechtelijk onderzoek ‘Bergaster’ in 2015 tegen de verdachte [betrokkene 1] , werden er – in de cloud-omgeving van de digitale administratie van bedrijven [A] B.V., [B] B.V. en [C] B.V. – zogenaamde Blue View Registratie Export documenten aangetroffen. In een map werd een 15-tal files (zo’n 5000 pagina’s) op naam gevonden. De namen werden herkend als bij de politie bekende subjecten. Deze Blue View registratie documenten bleken in juni 2013 te zijn gegenereerd door de gebruiker [001] . Welk verbalisantnummer is gekoppeld aan politiemedewerker [medeverdachte 3] . Door de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten van de landelijk Eenheid van de Nationale Politie werd een oriënterend onderzoek gedaan en naar aanleiding van de bevindingen van die afdeling werd op 29 juni 2015 door de Rijksrecherche een onderzoek gestart op medeverdachte [medeverdachte 3] .


De loopbaan van [medeverdachte 3] bij de politie

[medeverdachte 3] is op 26 januari 2009 aangesteld als aspirant in tijdelijke dienst gedurende de initiële opleiding (zes jaar) bij de Dienst Nationale Recherche (hierna: DNR). Hij is een zij-instromer op niveau 4. Op 21 november 2008 tekende [medeverdachte 3] daartoe een geheimhoudersverklaring van de Landelijke Eenheid en op 15 december 2008 werd een verklaring van geen bezwaar voor deze functie afgegeven. Op 22 april 2009 legde [medeverdachte 3] de ambtseed af en ondertekende hij het eedsformulier.

Op 13 juli 2010 werd [medeverdachte 3] aangesteld als generalist tactische recherche tot en met 31 juli 2011 en op 28 juli 2011 werd de proeftijd verlengd tot en met 31 januari 2012. Op 1 februari 2012 volgde een vaste aanstelling bij de DNR.

Op 14 oktober 2011 ontving het hoofd van het Bureau Veiligheid en Integriteit KLPD een brief ‘Weigering verklaring van geen bezwaar’ (hierna: VGB) met betrekking tot [medeverdachte 3] , waarin wordt vermeld dat [medeverdachte 3] van deze weigering op de hoogte is gesteld. Door deze weigering kon [medeverdachte 3] niet bij de DNR blijven werken en werd hij op verschillende locaties tewerkgesteld. Hij werkte onder andere in 2013 bij de Dienst Verkeer van het KLPD in Driebergen in Maasbracht en in 2014 bij de Landelijk Eenheid, Dienst Infra, locatie Croeselaan te Utrecht. Daarnaast werkte hij nog in de regio Venlo en Eindhoven ten behoeve van het behalen van modules in het kader van zijn opleiding. De opleiding van [medeverdachte 3] verliep niet vlekkeloos, zijn studietijd moest meerdere malen worden verlengd, voor het laatst in het vierde kwartaal van 2014. Bij niet afstuderen zou eventueel ontslag volgen.

Tussenconclusie 1
[medeverdachte 3] is aldus aan te merken als een ambtenaar in de zin van artikel 84 van het Wetboek van Strafrecht. [medeverdachte 3] was in de tenlastegelegde periode werkzaam als politieagent en had uit hoofde van zijn functie, zo blijkt uit zijn beëdiging, een algemene geheimhoudingsplicht.
lue View
Blue View is een indexsysteem, waarin dumps plaatsvinden van diverse politiesystemen, zoals BVO, Summ-it, HKS, BVH, Luris, FIU, afkomstig van bijna alle opsporingsinstanties van Nederland (Kmar, FIOD et cetera). Accounts in Blue View zijn strikt persoonlijk en mogen niet gedeeld worden. Om Blue View te raadplegen wordt ingelogd met een gebruikersnaam en een wachtwoord. De gebruikersnaam is het dienstnummer van de verbalisant, [001] , zijnde [medeverdachte 3] . Hij had een Blue View account vanaf 29 augustus 2011 om 10.18 uur, op niveau Opsporing basis 3 en 4. Bevragingen geschieden op een zogenaamde lange KENO, een zoeksleutel gebaseerd op onder andere achternaam en geboortejaar van de te bevragen persoon. Resultaten van bevragingen kunnen worden geëxporteerd als PDF- of Excelbestand. Vervolgens kunnen deze worden opgeslagen op bijvoorbeeld een harde schijf van een computer of op een USB-stick, indien de gebruiker rechten heeft om gegevens op een USBstick op te slaan. [medeverdachte 3] had die rechten. In de naam die het document krijgt tijdens het exporteren zit de tekst ‘Registratie Export’. Uit de bestandsnaam is afte leiden op welke datum de export is gemaakt en wat het accountnummer is van de gebruiker. Op het eerste blad van elke export is een waarschuwing opgenomen voor de gebruiker: ‘Het oneigenlijk gebruik dan wel misbruik van deze gegevens is ten strengste verboden. Daarnaast is het verstrekken van deze gegevens aan derden welke niet de vereiste autorisatie bezitten eveneens ten strengste verboden’. De gebruiker kan pas verder gaan met exporteren als hij aangeeft dat hij de bovenstaande waarschuwing heeft gelezen en op OK drukt.
Tussenconclusie 2

Het hof stelt vast dat [medeverdachte 3] toegang had tot vertrouwelijke politiegegevens. Artikel 7 van de Wet Politiegegevens bepaalt dat de politieambtenaar aan wie politiegegevens ter beschikking zijn gesteld, in beginsel verplicht is tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover een of bij of krachtens de wet gegeven voorschrift tot verstrekking verplicht, de bepalingen van paragraaf 3 verstrekking toelaten of de politietaak in bijzondere gevallen tot verstrekking noodzaakt. Van enige uitzonderingsgrond is uit het dossier niets gebleken.

[medeverdachte 3] was uit hoofde van zijn ambt derhalve bekend met deze geheimhoudingsplicht, hij wist dat de informatie in Blue View vertrouwelijk was en werd daar bij export van gegevens nogmaals op gewezen.
Abonnementen en bevragingen in Blue View
Vanaf 30 augustus 2011 heeft [medeverdachte 3] 52 abonnementen gehad. Na oktober 2011 werden geruime tijd geen abonnementen afgesloten. Dit betreft de periode nadat de VGB was geweigerd, te weten na 19 oktober 2011. In juli 2012 werd weer een abonnement afgesloten. [medeverdachte 3] deelde geen abonnementen met andere gebruikers. [medeverdachte 3] had in Blue View op 15 juni 2015 24 abonnementen lopen op personen. Deze abonnementen moeten actief worden aangemaakt, driemaandelijks worden verlengd en worden afgesloten. De personen werden automatisch bevraagd op een lange KENO en de gebruiker, in casu [medeverdachte 3] , kreeg elke week berichten op zijn werk e-mailadres met de nieuwe resultaten van zijn abonnementen. Op 14 september 2015 liepen er in de account van [medeverdachte 3] 23 abonnementen op personen. Voorts is uit het overzicht van het totaal aantal bevragingen van [medeverdachte 3] in de onderzoeksperiode, gebleken dat het totale logbestand van [medeverdachte 3] in de periode van 30 augustus 2011 tot en met 29 september 2015 uit 28.521 regels in Blue View bestaat. Die regels werden zowel door zoekvragen als zoekresultaten gegenereerd. Uit het onderzoek Zijdehaai is niet gebleken dat andere personen met de logingegevens van [medeverdachte 3] bevragingen hebben gedaan.
Tussenconclusie 3

[medeverdachte 3] heeft abonnementen op personen aangemaakt en tevens verlengd, ook nadat hij in verband met de weigering van de VGB niet meer deelnam aan opsporingsonderzoeken binnen de DNR. Niet is gebleken dat hij de abonnementen met andere gebruikers deelden. Bovendien heeft [medeverdachte 3] ruim 28.000 bevragingen in Blue View gedaan in de tenlastegelegde periode.

Met betrekking tot feit 1: medeplegen schending ambtsgeheim dan wel medeplichtig zijn aan medeplegen van schending van het ambtsgeheim

Aan verdachte is onder 1 primair – kort gezegd – tenlastegelegd het (mede)plegen van het schenden van het ambtsgeheim (artikel 272 lid 1 Sr) en onder 1 subsidiair het medeplichtig zijn daaraan.
De advocaat-generaal is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte van feit 1 primair dient te worden vrijgesproken, nu – kort gezegd – niet uit het dossier is gebleken dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 3] . Zo zijn er slechts twee observaties op 29 juni 2015 en 1 september 2015 die hebben geleid naar de betrokkenheid van verdachte, derhalve is er geen sprake van medeplegen.
Voorts heeft de verdediging bepleit dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat [medeverdachte 3] gedurende lange tijd politie-informatie heeft gedeeld/verstrekt met/aan verdachte. Het feit dat er tijdens een doorzoeking op 29 september 2015 geen printer werd aangetroffen in de woning van verdachte [het hof begrijpt: de woning aan de [a-straat 1] te [plaats]] en dat er voorts ook geen dactyloscopische sporen van hem zijn aangetroffen op de politie-informatie, vormt hiertegen juist een contra-indicatie.
Bovendien geldt dat [medeverdachte 3] heeft verklaard Blue View uit nieuwsgierigheid te raadplegen, hetgeen geen schending van het ambtsgeheim oplevert. Met betrekking tot feit 1 subsidiair heeft de verdediging gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt het volgende.

Artikel 272 lid 1 Sr luidt als volgt:

Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
Het hof stelt allereerst met de advocaat-generaal en in navolging van de rechtbank vast, dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde niet alleen kan hebben gepleegd, omdat hij de daarvoor vereiste kwaliteit mist. Verdachte was namelijk niet degene die uit hoofde van (een vroeger) ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht was tot het bewaren van enig geheim.
Het hof zal eerst de verweten schending van het ambtsgeheim bespreken aan de hand van de door [medeverdachte 3] afgesloten abonnementen, diens werkwijze en de in het dossier genoemde namen van onderzoeken en personen. Vervolgens zal het hof ingaan op de vraag of verdachte dit feit heeft medegepleegd.

De abonnementen

Op 23 juli 2012 sloot [medeverdachte 3] een abonnement af op de KENO van medeverdachte [medeverdachte 2] .
Op de lange KENO van medeverdachte [betrokkene 5] wordt op 28 juni 2013 een abonnement gemaakt door [medeverdachte 3] .

Op 15 juni 2015 had [medeverdachte 3] nog abonnementen lopen op onder andere de KENO van verdachte en [betrokkene 5] .

Op 14 september 2015 liepen deze abonnementen nog. Op die datum was toen één nieuw abonnement op de KENO van [betrokkene 7] . Voornoemd abonnement werd afgesloten op 7 juli 2015.

In een in beslag genomen agenda van het jaar 2013 van [medeverdachte 3] werd een lijst met namen van personen aangetroffen, welke lijst precies overeenkomt met de tussen 31 augustus 2011 en 29 september 2015 door [medeverdachte 3] bevraagde personen.


Tussenconclusie 4
[medeverdachte 3] maakte abonnementen aan op onder andere verdachte en de andere medeverdachten in het onderhavige onderzoek. Nu deze abonnementen over een langere periode liepen en de abonnementen driemaandelijks moesten worden verlengd, heeft verdachte [AG TS: bedoeld zal zijn medeverdachte [medeverdachte 3]] de betreffende abonnementen bewust in stand gehouden. [medeverdachte 3] bevroeg een vaste groep personen gedurende een langere tijd. Over de concrete bevragingen en abonnementen wilde geen van de verdachten verklaren.

De werkwijze
I.
Vanuit het politiedomein worden (bijvoorbeeld) op 7 november 2014 e-mails verzonden naar het politieacademie domein. De verstuurde e-mails bevatten Blue View export registraties. De verstuurde e-mails worden niet meer aangetroffen in de mailbox van het politieacademie domein. Wel wordt een verwijzing gevonden naar een bijlage, die op een externe mediadrager is geplaatst.
II.

Op 7 september 2015 werd een bevel stelselmatige informatie-inwinning en pseudokoop op [medeverdachte 3] afgegeven.

Op 26 september 2015 keerde [medeverdachte 3] terug uit Curaçao, waar hij met verbalisant A-3869 afspraken had gemaakt over het raadplegen van de politiesystemen op de persoon van de informant, die bij [medeverdachte 3] bekend was als [betrokkene 8] en op een persoon, die bij [medeverdachte 3] bekend was gemaakt als [betrokkene 9] . Op 28 september 2015 om 10.27 uur kocht [medeverdachte 3] bij de Mediamarkt in Son en Breugel een USB-stick PNY en een prepaid telefoon, die hij contant afrekende. Vervolgens reed hij naar het politiebureau aan de Croeselaan in Utrecht, waar hij tussen 11.43 uur en 12.49 uur een groot aantal bevragingen deed op [betrokkene 8] en [betrokkene 9] . De bewuste USB-stick is op 30 september 2015 in de woning van de ouders van [medeverdachte 3] in [plaats] terug gevonden. Op de USB-stick stonden Blue View Exportbestanden met betrekking tot [betrokkene 8] en [betrokkene 9] .

Om ongeveer 14.00 uur verlaat [medeverdachte 3] het politiebureau in Utrecht en op verzoek van A-3869 vindt om 15.30 uur een ontmoeting plaats bij McDonalds in Best. Op aanwijzing van [medeverdachte 3] rijdt deze met A-3869 mee naar een openbare picknickplaats aan de A2. Daar brengt [medeverdachte 3] A-3869 mondeling op de hoogte van zijn bevindingen. Daarbij merkt [medeverdachte 3] op dat de informatie zo minimaal was dat hij had besloten om A-3869 een en ander mondeling mede te delen.
III.

Bij de doorzoeking van de [a-straat 1] te [plaats] , de woning waar verdachte verbleef, werd een grote hoeveelheid bewerkte Blue View informatie op papier aangetroffen (zie hierna) met leesaanduidingen en met namen van geadresseerden erop aangebracht.

Tussenconclusie 5
[medeverdachte 3] e-mailde exportrapportages van zijn politie-emailadres naar zijn mailbox bij de politieacademie en zette de informatie over op (bijvoorbeeld) USB-sticks. [medeverdachte 3] heeft over het hoe en waarom van deze werkwijze zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, geen verklaring willen afleggen. [medeverdachte 3] verstrekte informatie zowel mondeling als schriftelijk aan afnemers. Daarbij werd de nodige behoedzaamheid in acht genomen. Met betrekking tot de aan A-3869 verstrekte informatie heeft [medeverdachte 3] ter zitting van het hof toegegeven dat de verstrekking op de wijze zoals verwoord aan A-3869 heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de aangetroffen informatie op papier hebben verdachte en zijn medeverdachten niet willen verklaren.
Onderzoeken Bergaster en Fuut / [betrokkene 5] , [betrokkene 4] en [verdachte]

I. Onderzoek Bergaster
In de in de cloud opgeslagen digitale administratie van verdachte [betrokkene 1] werden 15 PDF-bestanden gevonden met onder andere de namen [betrokkene 10] , [betrokkene 5] en [verdachte] , te herleiden tot

bij de politie bekende subjecten.

‘ [betrokkene 5] ’ zou medeverdachte [betrokkene 5] , geboren [geboortedatum] 1978, betreffen.
‘ [verdachte] ’ zou verdachte, [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1970, betreffen.

Deze bestanden zijn op 25 en 28 juni 2013 geëxporteerd. Op die data registreert [medeverdachte 3] bijzonder verlof. Desondanks stuurde [medeverdachte 3] op 25 juni 2013 om 15.10 uur en 15.13 uur vanaf zijn politie-emailadres twee e-mails en op 28 juni 2013 te 12.23 uur nog één.

Bij het openen van de PDF van [betrokkene 5] bleek dat het ging om een bestand van 468 pagina's, geëxporteerd op 25 juni 2013 te 13.38 uur.

Het bestand van verdachte betrof 265 pagina's, geëxporteerd op 25 juni 2013 te 13.54 uur.
Op 7 maart 2013 bevraagt [medeverdachte 3] medeverdachten [betrokkene 4] en [betrokkene 5] voor de eerste keer in Blue View. In een memo in een in beslag genomen Samsung Galaxy SIII (aangetroffen in een woning aan de [b-straat 1] te [plaats] , de woning van de ouders van [medeverdachte 3] ) van 6 maart 2013 staan de namen van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] met enige specifieke details, die – naar het hof begrijpt – nodig voor het genereren van een KENO.

In een map met mini processen-verbaal die op 29 september 2015 tevens in de woning van de ouders van [medeverdachte 3] ( [b-straat 1] te [plaats] ) in beslag zijn genomen, stonden op het bovenste vel de gegevens van [betrokkene 1] , [betrokkene 5] en verdachte die – naar het hof begrijpt – nodig zijn voor het genereren van een KENO op deze personen. Ook in een agenda over het jaar 2013 (tevens inbeslaggenomen in de woning aan de [b-straat 1] te [plaats] ) werd een lijst met namen aangetroffen, waaronder die van [betrokkene 1] en verdachte en mogelijk [betrokkene 5] . In een oude telefoon van [medeverdachte 3] werd een memo van 25 juni 2013 aangetroffen, met daarin de namen van [betrokkene 1] en verdachte.

Verder blijkt dat vlak voor de actiedag in het onderzoek ‘Bergaster’ 13 auto's uit de bedrijfsvoorraad van [A] zijn overgeschreven op naam van onder andere [betrokkene 5] en [betrokkene 4] . De sleutels van één van deze auto's zijn op 29 september 2015 aangetroffen in de woning in [plaats] waar verdachte verbleef.


Tussenconclusie 6
Reeds in 2013 bevroeg [medeverdachte 3] verdachte en medeverdachte [betrokkene 5] in Blue View en exporteerde deze gegevens, die uiteindelijk in de cloud van [A] B.V. terechtkwamen. [medeverdachte 3] maakte geen deel uit van het onderzoeksteam in het onderzoek Bergaster, noch is gebleken van een andere politietaak die de betreffende bevragingen en het exporteren van de daaruit vloeiende gegevens zou kunnen verklaren. Derhalve had [medeverdachte 3] geen valide reden om Blue View op deze personen te bevragen. Bovendien hebben verdachte en medeverdachten over deze concrete bevragingen in 2013 geen verklaring willen afleggen.


II. Onderzoek Fuut

Het onderzoek Fuut betreft een verdenking van bedrieglijke bankbreuk.

[betrokkene 5] en [betrokkene 4] zouden aan de verdachte in het onderzoek Fuut een groot geldbedrag hebben geleend. In het kader van dit onderzoek werd op 29 juli 2015 rond 12.00 uur [betrokkene 4] door de FIOD gehoord.

Op diezelfde dag wordt waargenomen dat verdachte [AG TS: kennelijk bedoeld wordt medeverdachte [medeverdachte 3]] om 16.18 uur uit het gebouw van de politieacademie te Eindhoven komt en in een Peugeot ( [kenteken 1] ) stapt. De Peugeot wordt om 16.42 uur geparkeerd op een parkeerterrein De Plaatse in [plaats] en [medeverdachte 3] begeeft zich naar het terras van een grand café. Om 18.37 uur heeft hij contact met de bestuurder van een Ford Mondeo ( [kenteken 2] ). De bestuurder van de Ford Mondeo is verdachte. Verdachte heeft deze Ford Mondeo geleased. [medeverdachte 3] stapt in. Om 18.53 uur staat de Ford Mondeo geparkeerd op de oprit van de [a-straat 1] te [plaats] . In deze woning verblijft verdacht; hij staat er echter niet ingeschreven.
Om 19.17 uur wordt een Audi A5 ( [kenteken 3] ) geparkeerd in de straat en twee mannen, [betrokkene 4] en [betrokkene 5] , gaan de woning binnen. [betrokkene 4] heeft bij de politie verklaard dat hij wel eens met [betrokkene 5] in een woning in [plaats] is geweest om daar te praten en te kaarten. Hij trof toen in die woning [medeverdachte 3] en verdachte. Die zaten samen op de bank. Bij die gelegenheid hebben [betrokkene 4] en [betrokkene 5] gesproken over het gesprek met de FIOD, het zou kunnen zijn dat de beide […] ( [medeverdachte 3] en verdachte) dat hebben opgevangen, aldus [betrokkene 4] .

Het onderzoek Fuut werd door [medeverdachte 3] op 28 juli 2015 en 3 augustus 2015 in Blue View uitgebreid bevraagd. Op 3 augustus 2015 raadpleegt [medeverdachte 3] rechtstreeks op het onderzoek en geeft ook twee zoekopdrachten: ‘vervalst fuut’ en ‘saxo fuut’. Bij het onderhoud van de FIOD met [betrokkene 4] was op 29 juli 2015 gesproken over een vervalst bankafschrift van de Saxobank.


Tussenconclusie 7

Nu [medeverdachte 3] vlak vóór en vlak na de ontmoeting met [betrokkene 5] en [betrokkene 4] in de woning van verdachte het onderzoek Fuut uitgebreid bevroeg, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat hij dit deed op verzoek van een of meer van zijn medeverdachten.

[medeverdachte 3] had met name op de KENO van [betrokkene 5] al vele bevragingen gedaan en er liep ook een abonnement op [betrokkene 5] . [medeverdachte 3] had geen enkele reden of motief om juist op dit onderzoek bevragingen te doen; hij was geen lid van het onderzoeksteam van de FIOD en er is geen enkele valide andere reden voor de raadpleging, anders dan dat hij daar door anderen om is verzocht. Ook op dit punt hebben verdachten geen verhelderende verklaring willen afleggen.


III.A

Op 29 september 2015 werd een achter een afgesloten schot onder de trap in de [a-straat 1] te [plaats] verborgen bundel documenten in beslag genomen van in totaal 167 pagina's met informatie over vele subjecten. Het bleek te gaan om bewerkte Blue View producten: het was het resultaat van verschillende downloads en bewerkingen. Er was informatie toegevoegd.
Op het document [betrokkene 7] staat getypt op de linkerbovenhoek:
‘ [betrokkene 5] [het hof begrijpt: medeverdachte [betrokkene 5]]
Bovenstaande inzake onderstaand onderzoek hennep (reeds verstrekt)’.
Op het document [betrokkene 11] in de linkerbovenhoek getypt:
‘10x afgeschermd onderzoek DOOMER (zie eerdere uitleg)’.
Op het document Zaak in de linkerbovenhoek is getypt:
‘Let op inzet IMSI catcher bij verdachten’.
Op één van de andere pagina's staat het tijdstip van export: 12-08-2015 13.25.06. De tekst betreft een mutatie van een onderzoek, dat door [medeverdachte 3] blijkens zijn logfiles op 12 augustus 2015 om 13.42.32 is bevraagd. Vervolgens zijn er 152 mutaties uit Blue View geëxporteerd.
Op gevouwen hoekjes op twee A4tjes stond: onder andere ‘ [betrokkene 5] ’. ‘ [betrokkene 5] ’ bleek een deel van een mutatie van 19 augustus 2015. Op dit mutatienummer heeft [medeverdachte 3] op 25 augustus 2015 en 28 september 2015 gezocht.
Op één van de pagina's is een vingerafdruk van [betrokkene 5] aangetroffen.
Op zeven pagina's uit de bundel werden vingerafdrukken van [medeverdachte 3] aangetroffen.
Op 1 september 2015 werd om 17.58 uur gezien dat [medeverdachte 3] in [plaats] in een BMW ( [kenteken 4] ) stapte en om 18.26 uur reed hij over de Run in [plaats] . Vervolgens stond de BMW geparkeerd op het parkeerterrein De Plaatse te [plaats] . Om 18.50 uur staat de Ford Mondeo ( [kenteken 2] ) geparkeerd op de oprit van de [a-straat 1] . Om 19.07 uur arriveert een Audi ( [kenteken 5] ) ter hoogte van [a-straat 1] . De bestuurder, die na onderzoek geïdentificeerd kan worden als [betrokkene 5] , stapt uit. Om 19.58 uur verlaat hij de woning. Om 20.04 uur verlaat [medeverdachte 3] de woning en stapt hij bij verdachte als bijrijder in de Ford Mondeo. Om 20.12 uur stopt de Mondeo bij de BMW. Om 20.39 uur is de BMW in [plaats] en om 21.04 stapt [medeverdachte 3] zijn woning binnen met een voorwerp in zijn hand.
Op 27 augustus 2015 werd Blue View door [medeverdachte 3] bevraagd. Er werd een groot aantal bevragingen gedaan en informatie werd geëxporteerd. [betrokkene 5] werd uitgebreid bevraagd en vermoedelijk werd een BVH-registratie geëxporteerd, handelende over de overgeschreven auto's in het onderzoek Bergaster.
Op 1 september 2015 zijn er twee externe gegevensdragers aangesloten geweest op de computer van verdachte. Uit de linkfiles op die computer kan worden afgeleid dat op één van die gegevensdragers op die computer bestanden zijn geopend. In totaal zijn er 27 fragmenten tekst gevonden in de computer van verdachte, onder meer 4 fragmenten op de KENO [betrokkene 5] en 9 fragmenten op het onderzoek Fuut.


III.B
Op 30 september 2015 werd in de garage van de [a-straat 1] te [plaats] in een plastic tas een briefje gevonden met de tekst:
'Ab: [betrokkene 7]
[geboortedatum] /80’.
Een papiertje met ongeveer gelijkluidende gegevens werd aangetroffen in een plastic bakje in een kastje in de woning van [medeverdachte 3] in [plaats] .
Op 22 juni 2015 is door [medeverdachte 3] in Blue View gezocht op de KENO van deze persoon en de registraties worden vermoedelijk geëxporteerd. Op 23 juni 2015 worden de registraties (opnieuw) geëxporteerd. Op 7 juli 2015 wordt wederom een raadpleging gedaan. Er wordt een abonnement aangemaakt op de lange KENO van de persoon.
Op 21 en 28 juli 2015 wordt de KENO bevraagd. Op 25 augustus 2015 wordt opnieuw bevraagd en wordt een BVH-registratie, die ook op 22 en 23 juni 2015 en op 5 augustus 2015 door [medeverdachte 3] is geraadpleegd, geëxporteerd. Deze registratie is gestart naar aanleiding van een melding van activiteiten die verband hielden met het kweken van hennep na een inbraak in een woning en de registratie werd in de loop van de tijd steeds uitgebreid. De registratie werd voor de laatste maal geraadpleegd en geëxporteerd op 28 september 2015 om 11.23.19 uur. De verdachte in die zaak was de huurder van de woning: [betrokkene 7] .
De tekst van de in de bergplaats gevonden documenten met daarop getypt ‘ [betrokkene 7] ’ en handgeschreven ‘AB’, gaan over de persoon [betrokkene 7] en is afkomstig uit mutaties in de bovengenoemde registratie die door [medeverdachte 3] op verschillende tijdstippen is geraadpleegd.
In de computer van verdachte zijn in de 'unallocated space' sporen aangetroffen van teksten die te herleiden zijn naar één van deze mutaties. Deze mutatie betreft een proces-verbaal dat is gesloten op 24 augustus 2015. Op 25 augustus 2015 is de mutatie in Blue View geraadpleegd en geëxporteerd.


Tussenconclusie 8

Uit deze bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 3] in de periode van juni 2015 tot en met september 2015 informatie uit Blue View heeft geëxporteerd, onder meer ten aanzien van [betrokkene 5] . Uit het feit dat de geëxporteerde informatie niet alleen was geprint, maar ook was bewerkt ten behoeve van de afnemer en was voorzien van extra aanwijzingen alsmede uit het aantreffen van dactyloscopische sporen van [medeverdachte 3] op de aangetroffen bundel papieren, blijkt naar het oordeel van het hof dat [medeverdachte 3] met een duidelijk doel buiten zijn politietaak informatie heeft gegenereerd. Uit de aangetroffen teksten op de documenten blijkt tevens dat de informatie werd verstrekt om anderen van buiten de politieorganisatie te waarschuwen, op de hoogte te stellen van lopende onderzoeken en van ingezette opsporingsmiddelen.
Het hof stelt vast dat verdachte zijn verblijfplaats aan de [a-straat 1] te [plaats] beschikbaar stelde om de (papieren) informatie goed te verbergen, dat er informatie op de computer van verdachte werd bekeken / verwerkt en dat de woning van verdachte werd gebruikt om de afnemer(s) van de informatie te ontmoeten / te spreken. Daarnaast bracht verdachte [medeverdachte 3] van en naar het adres in [plaats] . Verdachte moet volledig op de hoogte zijn geweest van het handelen van [medeverdachte 3] .


Conclusie m.b.t. schending ambtsgeheim
Vooropgesteld moet worden dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat het ‘schenden’ van een geheim in de zin van artikel 272 Wetboek van Strafrecht moet worden uitgelegd als het verstrekken van geheime gegevens aan een ander die tot kennisneming daarvan onbevoegd is. Gelet daarop is het hof van oordeel dat [medeverdachte 3] zijn ambtsgeheim niet heeft geschonden door geheime gegevens voor zichzelf te ontsluiten. Echter, het hof stelt – op grond van hetgeen hiervoor overwogen en de daarbij genomen tussenconclusies – vast dat verdachte zijn geheimhoudingsplicht gedurende lange tijd bij herhaling heeft geschonden door politie-informatie te delen met verdachte en medeverdachten [betrokkene 5] en [medeverdachte 2] . Uit de wijze waarop [medeverdachte 3] de informatie aan derden zoals verdachte en [betrokkene 5] overbracht, concludeert het hof dat deze geen van allen bevoegd was om van de informatie kennis te nemen.
Het verweer van de verdediging dat [medeverdachte 3] heeft verklaard Blue View uit nieuwgierigheid te raadplegen en dat bevragingen om die reden geen schending van het ambtsgeheim opleveren, wordt door het hof verworpen. [medeverdachte 3] heeft deze bewering niet nader toegelicht of onderbouwd met concrete voorbeelden. Daarover wilde [medeverdachte 3] , zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, niet verklaren. Het hof acht het volstrekt onaannemelijk dat [medeverdachte 3] alle bevragingen die hij niet in het kader van zijn taakvervulling als politieagent heeft verricht louter uit nieuwsgierigheid heeft gedaan. Uit het dossier blijkt dat verdachte regelmatig hem bekende personen heeft bevraagd, personen die veelal in verband konden worden gebracht met hennepteelt/-kwekerijen. Zo bevroeg verdachte regelmatig verdachte en medeverdachten [betrokkene 4] en [betrokkene 5] . Ook valt op, dat [medeverdachte 3] vaak personen bevroeg voorafgaand, tijdens en na een onderzoek of doorzoeking.
Bovendien, zelfs al zou [medeverdachte 3] een aantal bevragingen louter uit nieuwsgierigheid hebben gedaan, hij wist en behoorde te weten dat hij uitsluitend gerechtigd was Blue View te raadplegen in het kader van zijn politietaak en daarvan is naar het oordeel van het hof bij het hobbymatig door het systeem zoeken ten behoeve van zichzelf geen sprake. Voorts is gebleken dat [medeverdachte 3] de politie-informatie ook daadwerkelijk heeft verstrekt aan onbevoegde derden. Immers, vast is komen te staan dat [medeverdachte 3] in Blue View veelvuldig bevragingen heeft gedaan anders dan ter vervulling zijn politietaak. Bovendien is gebleken dat [medeverdachte 3] met een aantal van de bevraagde personen, al dan niet levenden lijve, contact heeft gehad. In de gedragingen van [medeverdachte 3] over een lange periode is een patroon te zien. Zo is door [medeverdachte 3] uit Blue View geëxporteerde informatie ten aanzien van medeverdachte [betrokkene 5] in geprinte vorm in het huis van verdachte aangetroffen en is op een vel daarvan een dactyloscopisch spoor van [betrokkene 5] gevonden. Daaruit blijkt dat in elk geval een deel van die informatie op enig moment in handen van [betrokkene 5] terecht is gekomen.


Medeplegen
Het bof ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte de schending van het ambtsgeheim heeft medegepleegd in de zin van artikel 47 eerste lid, sub 1, Sr.


Juridisch kader

Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte dit feit heeft medegepleegd in de zin van art. 47 eerste lid, sub 1, Sr.
Het hof stelt als toetsingskader het volgende voorop. Op grond van bestendige jurisprudentie voor medeplegen moet daarbij sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en derhalve eerder zien op het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Voor de vraag of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan in dat geval onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Het beslissingskader zoals dat in het hier voorgaande is weergegeven kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn. Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen. Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. in dezen: HR 02 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411).
Daarbij dient in deze zaak betrokken te worden de vraag of er in dit geval sprake kan zijn van medeplegen van overtreding van artikel 272 Sr, een zogenaamd kwaliteitsdelict. Immers, verdachte en medeverdachten [betrokkene 5] en [medeverdachte 2] waren niet werkzaam bij de politie, maar waren ‘burgers’. Het hof is, samen met de rechtbank, van oordeel dat voor een veroordeling wegens het medeplegen van een kwaliteitsdelict voldoende is dat één van de deelnemers over de kwaliteit beschikt en dat de anderen daar weet van hadden. In casu was daarvan bij verdachte en medeverdachten [betrokkene 5] en [medeverdachte 2] sprake.


Ten aanzien van medeverdachten [betrokkene 5] en [medeverdachte 2]

Anders dan de rechtbank acht het hof het medeplegen van schending van het ambtsgeheim door [medeverdachte 3] , tezamen met de medeverdachten [betrokkene 5] en [medeverdachte 2] niet bewezen. Hoewel is gebleken dat verdachte de namen van [betrokkene 5] en [medeverdachte 2] veelvuldig raadpleegde en abonnementen in Blue View op hen had lopen en er vertrouwelijke informatie uit dat systeem door verdachte is geëxporteerd en bij [betrokkene 5] en [medeverdachte 2] terecht is gekomen, al dan niet op hun verzoek, is er geen wettig en overtuigend bewijs dat [betrokkene 5] en [medeverdachte 2] aan dit strafbare feit door verdachte hebben deelgenomen in de vorm van medeplegen. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier onvoldoende bewijs dat tussen verdachte, [medeverdachte 3] en andere personen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van [betrokkene 5] en [medeverdachte 2] van voldoende gewicht was. Het enkele feit dat zij informatie hebben aangeleverd voor de KENO op hun naam is daartoe onvoldoende.

Ten aanzien van verdachte
Ten aanzien van verdachte overweegt het hof als volgt.

- Uit de bovenstaande feiten en omstandigheden blijkt in de eerste plaats dat verdachte voldoende wetenschap had van de 'kwaliteit' van [medeverdachte 3] , namelijk dat hij politieagent was. Daarnaast is in het vorenstaande het volgende naar voren gekomen. Uit de observaties van 29 juli 2015 blijkt dat [medeverdachte 3] meerijdt in de Ford Mondeo van verdachte. Verdachte haalt [medeverdachte 3] op vanaf een terras naar zijn verblijfplaats aan de [a-straat 1] te [plaats] . Ook [betrokkene 4] verklaart vaker in deze woning te zijn geweest, waarbij hij verdachte en [medeverdachte 3] dan samen op de bank aantrof.

- Op 29 september 2015 werd achter een afgesloten schot onder de trap op de verblijfplaats van verdachte ( [a-straat 1] te [plaats] ) een verborgen bundel documenten in beslag genomen van in totaal 167 pagina's met informatie over vele subjecten. Dit bleek te gaan om bewerkte Blue View producten, welke mutaties door [medeverdachte 3] op 12 augustus 2015 zijn bevraagd en vervolgens zijn er 152 mutaties uit Blue View geëxporteerd.

- Op 1 september 2015 werd gezien dat [medeverdachte 3] opnieuw meerijdt in de Ford Mondeo van verdachte om vervolgens naar de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] te gaan. Enige tijd later verlaat [medeverdachte 3] de woning en stapt hij wederom in bij verdachte als bijrijder in de Ford Mondeo.
- Op 1 september 2015 zijn er twee externe gegevensdragers aangesloten geweest op de computer van verdachte. Uit de linkfiles op die computer kan worden afgeleid dat op één van die gegevensdragers op die computer bestanden zijn geopend. In totaal zijn er 27 fragmenten tekst gevonden in de computer van verdachte, onder meer 4 fragmenten op de KENO [betrokkene 5] , en 9 fragmenten op het onderzoek Fuut.

- Op 30 september 2015 werd in de garage van de [a-straat 1] te [plaats] in een plastic tas een briefje gevonden met de gegevens van [betrokkene 7] . Gelijkluidende gegevens worden aangetroffen in een plastic bakje in een kastje in de woning van verdachte in [plaats] . Door [medeverdachte 3] wordt de KENO van deze persoon veelvuldig gezocht, een abonnement afgesloten en de registraties worden meermaals geëxporteerd.

- De tekst van de in de bergplaats gevonden documenten met daarop getypt ‘ [betrokkene 7] ’ en handgeschreven ‘AB’, gaan over de persoon [betrokkene 7] en is afkomstig uit mutaties in de bovengenoemde registratie die door verdachte op verschillende tijdstippen is geraadpleegd. In de computer van verdachte zijn in de ‘unallocated space’ sporen aangetroffen van teksten die te herleiden zijn naar één van deze mutaties. Deze mutatie betreft een proces-verbaal dat is gesloten op 24 augustus 2015. Op 25 augustus 2015 is de mutatie in Blue View geraadpleegd en geëxporteerd.
Uit deze feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte een bepalende rol had bij het schenden van het ambtsgeheim door [medeverdachte 3] ten behoeve van derden, onder meer met betrekking tot vertrouwelijke politie-informatie betreffende de onderzoeken Fuut en Bergaster. Verdachte stelde niet alleen zijn woning beschikbaar als ontmoetingsplek, hij verborg ook vertrouwelijke politie-informatie van [medeverdachte 3] op een geheime bergplaats, hij gebruikte zijn computer om informatie te lezen en/ofte bewerken of liet zijn computer daarvoor gebruiken, hij maakte het mogelijk dat [medeverdachte 3] en afnemers van de informatie elkaar in zijn woning konden ontmoeten en hij haalde [medeverdachte 3] daartoe op en bracht hem weer terug. Anders dan het standpunt dat de verdediging hanteert, bestaat de betrokkenheid van verdachte daarmee wel degelijk uit meer dan hetgeen de twee observaties laten zien. Gelet op de voorgaande gedragingen was gedurende die maanden sprake een intensieve samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 3] . De onderlinge taakverdeling was zo dat [medeverdachte 3] zorgde voor de gegevens en verdachte hielp met de verspreiding van die gegevens zodat onbevoegden daarvan kennis konden nemen. Daardoor werkte verdachte samen met [medeverdachte 3] met de afhandeling van het delict, de schending van zijn ambtsgeheim. Gelet daarop is er naar het oordeel van het hof sprake van een bewuste en nauwe samenwerking van voldoende gewicht tussen [medeverdachte 3] en verdachte. De rol van verdachte vormde immers een wezenlijke bijdrage in het geheel van handelingen. Het verweer van de verdediging, inhoudende dat er geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, wordt dan ook door het hof verworpen. Het feit dat er tijdens een doorzoeking op 29 september 2015 geen printer werd aangetroffen in de woning van [verdachte] [de woning aan de [a-straat 1] te [plaats]] en dat er voorts geen dactyloscopisch sporen van hem zijn aangetroffen op de politie-informatie, doet aan het bovenstaande niet af.
Het hof concludeert dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het gedurende langere tijd bij herhaling overtreden van artikel 272 Sr.”

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

De steller van het middel heeft gelijk dat over het verstrekken van vertrouwelijke informatie door [medeverdachte 3] aan de undercoveragent aangeduid als ‘A-3869’ geen bewijsmiddelen zijn opgenomen. De eerste deelklacht slaagt dus. De bewijsoverwegingen dienaangaande (in het arrest opgenomen onder Werkwijze, onder II) zijn kennelijk per abuis overgenomen uit het arrest van de medeverdachte [medeverdachte 3] , waarin deze overwegingen ook voorkomen. Ditzelfde geldt voor de verklaring van [medeverdachte 3] ter terechtzitting in hoger beroep in zijn eigen zaak, waarin hij bevestigt dat hij informatie heeft gedeeld met deze undercoveragent. Hoewel het hof deze verklaring aanhaalt in zijn bewijsoverwegingen (namelijk onder ‘Tussenconclusie 5’), is ook deze verklaring niet in de bewijsmiddelen opgenomen. Kennelijk heeft het hof de inleidende bewijsoverwegingen uit het arrest van de medeverdachte [medeverdachte 3] in dit arrest ingevoegd, maar deze vervolgens onvoldoende op de onderhavige zaak aangepast.5 De tweede deelklacht is ook terecht voorgesteld.

Tot cassatie leidt dit alles naar mijn mening echter niet, omdat de derde deelklacht – en daarmee ook het middel – namelijk dat uit de bewijsmiddelen het tenlastegelegde en bewezenverklaarde "medeplegen" niet kan worden afgeleid, afstuit op het volgende.

3.2.

In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat veel bewijsmiddelen die het hof heeft opgenomen betrekking hebben op bevragingen in de politiesystemen die de medeverdachte [medeverdachte 3] deed voorafgaand aan de door het hof bewezenverklaarde periode van 29 juli t/m 29 september 2015, namelijk op bevragingen in de periode van 1 januari 2013 tot 29 juli 2015. In zijn bewijsoverwegingen gaat het hof uitgebreid in op de werkwijze van medeverdachte [medeverdachte 3] en de bevragingen in de politiesystemen die hij deed in het kader van het onderzoek Bergaster. Dat de verdachte bij deze bevragingen betrokken is geweest, volgt echter niet zonder meer uit de bewijsmiddelen.

3.3.

Problematisch voor het bewezenverklaarde medeplegen vind ik dat echter niet. Er zijn namelijk meerdere bewijsmiddelen die (ten minste ten dele) zien op de door [medeverdachte 3] gedane bevragingen en afgesloten abonnementen op personen en onderzoeken binnen de bewezenverklaarde periode. Deze bewijsmiddelen geven bovendien steun aan het feit dat in de bewezenverklaarde periode de vertrouwelijke politiegegevens ook zijn geopenbaard aan onbevoegde derden. Ik wijs op de volgende bewijsmiddelen op pagina 14-21 en 23-25 van het arrest:


“(ZD.01 pagina’s 1268-1269)

DOC486 proces-verbaal onderzoek aangetroffen autosleutel Fisker van 7 april 2016 verbalisant [verbalisant 1] :

Bij onderzoek in de woning van verdachte [verdachte] aan de [a-straat 1] [plaats] werden in een schoenendoos in de heimelijke bergruimte onder de trap op de begane grond autosleutels van het merk Fisker Karma aangetroffen (J.04.01.013.003)

Op 5 april 2016 kon bij de Dienst Domeinen te Bleiswijk met de fysieke sleutel de aldaar staande Fisker Karma [kenteken 6] , ten name van [betrokkene 5] ontgrendeld worden.
(…)


(ZD.01 pagina’s 690-691)

AMB249 proces-verbaal van bevindingen van 17 mei 2016 verbalisant [verbalisant 2] :

Op 29 september 2015 is in de woning aan de [b-straat 1] te [plaats] een witte tas "Compumatica" in beslag genomen (1.14-01.017).

In de tas zat een map met zogenaamde gele mini processen-verbaal. Aan de linker bovenzijde van de formulieren staat met grote letters het logo van Politie afgedrukt.

Op het bovenste vel van deze map was met een pen geschreven: (o.a.)

[betrokkene 1] [geboortedatum]

[betrokkene 5]

[verdachte] [geboortedatum]

[betrokkene 10] , [geboortedatum] -81

Bij controle van de gegevens welke in de cloud van [betrokkene 1] waren aangetroffen bleek dat de namen van de personen op het aangetroffen gele formulier, exact overeenkwamen met de namen die op dit formulier stonden vermeld.
(…)


(ZD.01 pagina’s 377-379)

AMB182 proces-verbaal inzake aantreffen lijst persoonsnamen van 15 januari 2016 verbalisant [verbalisant 3] :

Tussen de inbeslaggenomen voorwerpen 1.07.01.010 (uit de woning van de ouders van [medeverdachte 3] , [b-straat 1] [plaats] ) werd een agenda over het jaar 2013 aangetroffen. Voorin de agenda staat de naam [medeverdachte 3] , twee telefoonnummers van [medeverdachte 3] , data van reizen naar Kiev, de woorden Porsche en Peugeot.

Op de laatste pagina was een handgeschreven lijst met namen opgenomen. [24 namen], o.a. (pagina 378)

[betrokkene 1]

[verdachte]

[betrokkene 5] en [betrokkene 15] , dit betreft mogelijk [betrokkene 5] en [betrokkene 15]

Alle namen in de lijst zijn namen van personen die op enig moment tussen 31 augustus 2011 en 29 september 2015 door [medeverdachte 3] zijn bevraagd in het politiesysteem Blue View.

Deze namen betreffen deels namen die zijn aangetroffen in de cloud van [betrokkene 1] .
(…)
(ZD.01 pagina’s 964-965)

DOC120 proces-verbaal van observatie opgemaakt en gesloten op 4 augustus 2015:

Op woensdag 29 juli 2015 tussen 15.00 uur en 21.00 uur werden de volgende waarnemingen gedaan.
16.18 uur komt [medeverdachte 3] uit de politieacademie te Eindhoven en stapt in een Peugeot [kenteken 1] . 16.42 uur werd de Peugeot geparkeerd op de parkeerplaats gelegen aan De Plaatse te [plaats] , 16.43 uur stapt [medeverdachte 3] uit en gaat op het terras van grand café [D] zitten.

18.37 uur had [medeverdachte 3] contact met de bestuurder van een Ford Mondeo [kenteken 2] en hij stapte in als bijrijder. 18.53 uur stond de Ford Mondeo geparkeerd op de oprit van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] .

19.17 uur werd een AUDI A5 [kenteken 3] geparkeerd in de straat en twee mannen NN1 en NN3 stappen uit. Zij worden binnen gelaten op [a-straat 1] .

19.45 uur reed de Ford Mondeo [kenteken 2] door [plaats] in de richting van Industrieterrein De Hurk te Eindhoven.
(ZD.01 pagina 937-938)

DQC097 proces-verbaal van aanvulling opgemaakt en gesloten op 30 september 2015 verbalisant K120:

"In aanvulling op [DOC120] verklaar ik dat ik NN2, nadien aan de hand van een door het team beschikbaar gestelde foto, herken als [betrokkene 4] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ."


(ZD.01 pagina 1030)

DOC202

Audi A5 Sportback staat op naam van [E] BV te Geldrop.


(ZD.01 pagina 1033)

DOC203

[E] BV is evenals [F] BV bestuurder van [G] BV.

Verklaring getuige [betrokkene 16] d.d. 13 november 2015:

(ZD.01 pagina 1283) Mijn auto is een Audi A5, kenteken [kenteken 3] op naam van [E] BV.

(ZD.01 pagina 1285) [betrokkene 4] en ik zijn niet alleen zakenpartners, wij kennen elkaar al heel lang en gaan privé met elkaar om.

De laatste twee weken van juli 2015 heeft [betrokkene 4] mijn auto geleend, dus de Audi AS met kenteken [kenteken 3] .


(ZD.02 pagina 181)

DOC242

[verdachte] leaset een leaseauto Ford Mondeo [kenteken 2] vanaf november 2014, short lease.
(ZD.01 pagina’s 133-136)

AMB007 proces-verbaal van verdenking van 2 september 2015. verbalisant [verbalisant 2] :

Bij navraag van de gemeentelijke basisadministratie bleken er geen personen ingeschreven op de [a-straat 1] te [plaats] , (pagina 134)

(ZD.01 pagina 915)

DOC023 informatie UPC van 4 augustus 2015

Op [a-straat 1] te [plaats] is een UPC aansluiting op naam van [verdachte] , geboren [geboortedatum] -1970.
(ZD.01 pagina’s 317)

AMB130 proces-verbaal van bevindingen van 17 november 2015 verbalisant [verbalisant 4] :

Op 29 juli 2015 straalt de telefoon van [betrokkene 5] om 18.51 uur de paal [j-straat] 12/14D aan, om 21.21 uur de Blaarthemseweg 16 te [plaats] en om 21.46 uur de [j-straat] 12/14D.


(ZD.01 pagina’s 30-34)

Relaas:

Het onderzoek Fuut werd door [medeverdachte 3] in Blue View veelvuldig bevraagd. De wetenschap dat er op 29 april een doorzoeking zou gaan plaatsvinden was te raadplegen in een mutatie van 20 april 2015 (DOC141 pagina 1002) en maakte deel uit van een bevraging door [medeverdachte 3] op 21 april 2015. (pagina 30)

Het onderzoek Fuut werd op 28 juli 2015 en op 3 augustus uitgebreid bevraagd. Op 3 augustus 2015 zoekt [medeverdachte 3] naar registraties die betrekking hebben op Fuut door rechtstreeks op het onderzoek te [001] 3-aug-2015 13.46.31 Metagegevens vervalst fuut

[001] 3-aug-2015 13.46.38 Metagegevens saxo fuut.
(ZD.01 pagina’s 1413-1416)

Verklaring verdachte [betrokkene 4] d.d. 20 november 2015:

(pagina 1414) Ik kan mij herinneren dat ik wel een keer niet [betrokkene 5] op een avond naar een huis ben geweest. In de woning trof ik zowel [medeverdachte 3] ; die ik herkende van een ontmoeting via een kennis van mij Armando in een café in Eindhoven en [verdachte] . Ik wist niet dat [verdachte] daar woonde.

(pagina 1415) Ik zag dat beide […] met elkaar op de bank in gesprek waren, Naar mijn mening is de kans groot dat het gesprek met de FIOD ter sprake is gekomen. Het kan zijn dat één van beide […] de inhoud van het gesprek tussen [betrokkene 5] en mij heeft opgevangen.
(ZD.01 pagina’s 940-943)

DOC105 proces-verbaal van observatie opgemaakt en gesloten op 15 september 2015:

Op dinsdag 1 september 2015 tussen 15.30 uur en 21.10 uur werden de volgende

waarnemingen gedaan.

17.57

17.57 uur [medeverdachte 3] verliet de woning [h-straat 1] te [plaats] en liep in de richting van de [i-straat] te [plaats] . Hij droeg een klein voorwerp, ter grootte van een mobiel telefoon in zijn linkerhand. Om 17.58 uur stapt hij in de BMW [kenteken 4] en vertrok. Om 18.26 uur reed hij over de Run in [plaats] . 18.40 uur stond de BMW geparkeerd op het parkeerterrein De Plaatse te [plaats] [kennelijk verschrijving in het proces-verbaal: [plaats] i.p.v. [plaats]] 18.50 uur Ford Mondeo [kenteken 2] stond geparkeerd op de oprit van de [a-straat 1] [plaats] . Om 19.07 reed een grijze Audi [kenteken 5] de straat in en parkeerde ter hoogte van [a-straat 1] . De bestuurder stapt uit. Om 19.58 uur verliet hij de woning. OM 20.04 uur liep [medeverdachte 3] over de oprit van [a-straat 1] komende vanaf de voordeur. De Ford Mondeo [kenteken 2] kwam achteruit de oprit af gereden waarna [medeverdachte 3] als bijrijder instapte. Om 20.12 uur stopte de Ford Mondeo bij de BMW [kenteken 4] en [medeverdachte 3] stapt in de BMW. Hij heeft een zwart voorwerp vast. Om 20.39 wordt de BMW geparkeerd op de oprit van de woning aan de [b-straat] , om 20.52 uur vertrekt de BMW, om 21.04 gaat [medeverdachte 3] de woning [h-straat] binnen met een zwart voorwerp in zijn hand, gelijkend op een externe harde schijf.

Verbalisant K 115 herkent de bestuurder van de Ford aan de hand van een door het tactisch team ter hand gestelde foto als [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] .
(ZD.01 pagina’s 340-342)

AMB158 proces-verbaal van bevindingen van 15 december 2015 verbalisant [verbalisant 2] :

De bestuurder van de Audi RS7 [kenteken 5] werd door het OT herkend als [betrokkene 17] . Uit historische gegevens van diens telefoonnummer zou dit nummer op 29 juli 2015 18.16-20.28 uur in [plaats] geweest zijn, zijnde de verblijfplaats van [betrokkene 17] . (AMB153 pagina 338)

Nader onderzoek van de Audi RS7 wees uit dat een zelfde soort auto op verschillende data is waargenomen bij de woning van verdachte [betrokkene 5] aan de [j-straat 1] te [plaats] . Op 3 juni 2015 werd een grijze Audi RS7 met Duitse kentekenplaten op de oprit van de woning gezien. Op 11 juli 2015 wordt eenzelfde auto met Duitse handelaarsplaten waargenomen. De politie heeft aangebeld bij [betrokkene 5] en bij hem navraag gedaan over deze auto. [betrokkene 5] vertelde dat deze auto bij hem stond om namens een klant te verkopen.

(AMB144 pagina’s 322-323)

Op 21 september 2015 werden door de dienst luchtvaart overzichtsfoto's genomen van de woning aan de [j-straat 1] te [plaats] . Op deze foto's was op de oprit een Audi RS7-te zien.

Op 22 september 2015 te 11.20 uur zag verbalisant [verbalisant 5] bij perceel [j-straat 1] op de linker oprit een grijze Audi personenauto met het kenteken [kenteken 5] staan. (AMB094 pagina 308)

Op 1 september 2015 tussen 18.00 uur en 20.28 blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in gebruik bij [betrokkene 5] in [plaats] was. Om 18.00 uur Had [betrokkene 5] een 91 seconde durend gesprek met [betrokkene 4] .( [telefoonnummer 2] ). (AMB130 pagina 320)

Vergelijking van de foto’s van [betrokkene 17] en [betrokkene 5] en de signalementen laten zien dat beiden een grote gelijkenis vertonen.
(ZD.01 pagina’s 41-42)

Relaas:

Op 27 augustus 2015 werd door [medeverdachte 3] Blue View bevraagd. Daarbij werd door hem een groot aantal bevragingen gedaan en informatie geëxporteerd. Onder meer werd de volgende raadpleging in de Iogfiles aangetroffen met betrekking tot [betrokkene 5] .

27-aug-2015 13.42.32 Natuurlijk Persoon schal19780731

Natuurlijk Persoon NATPERS# [betrokkene 5] # [betrokkene 5] #1978

13.42.35 07-31

13.42.35 07-31 [betrokkene 5] [geboortedatum]

27-aug-2015 13.43.41 Registratie PL2100_2014151554_BVH [betrokkene 5]

Vermoedelijk werd de BVH registratie PL2100 2014151554 geëxporteerd. In deze registratie wordt de inbeslagname van verschillende voertuigen gerelateerd, waaronder de Fisker Karma op naam van [betrokkene 5] . Ook worden de aanhoudingen van [betrokkene 18] en [betrokkene 19] op 25 augustus 2015 gerelateerd.


(ZD.01 pagina 213)

AMB082:

Op 1 september 2015 zijn er twee externe gegevensdragers aangesloten geweest op de computer J.01.01.001 [computer van [verdachte] ]: Ox636f6463 en Ox965a2f84.

Uit de linkfiles op de computer kan worden afgeleid dat op 1 september 2015, tussen 18.50 uur en 18.52 uur op de externe gegevensdrager Ox636f6463, verbonden met de computer van [verdachte] , bestanden zijn geopend. (tabel 11 pagina 213)
(ZD.01 pagina’s 639-646)'

AMB212 proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2016 verbalisant [verbalisant 2] :

Op 29 september 2015 werd op de [a-straat 1] te [plaats] een bundel documenten in beslag genomen uit de veerborgen ruimte onder de trap: J.04.01.014.

Het betrof in totaal 167 pagina's. De documenten waren niet allen in hetzelfde lettertype afgedrukt. Het waren geen 'directe' downloadproducten van Blue View, maar de meeste waren kennelijk bewerkt.,Er ontbraken pagina's, er waren verschillende downloads geweest en er zijn verschillende bewerkingen gedaan.

(pagina’s 640-641)

[betrokkene 5]

Bovenstaande inzake onderstaand onderzoek hennep (reeds verstrekt)

lOx afgeschermd onderzoek DOOMER (zie eerdere uitleg)

Let op inzet IMSI catcher bij verdachten
Op één van de pagina's (J.04.01.014.131) staat het tijdstip 12-08-2015 13.25.06. (zie AMB064 hieronder)
Op een 4-tje (J.04.01.014001) (paginanummer 6) stond op een gevouwen hoekje

" [betrokkene 4] ", " [betrokkene 5] ".

[betrokkene 4] zou de verdachte [betrokkene 4] betreffen, [betrokkene 5] zou de verdachte [betrokkene 5] betreffen

(pagina 642)

" [betrokkene 4] " bleek een deel van een mutatie d.d. 19-08-2015 met nummer 012920_ACTJRN233589 SUM. [medeverdachte 3] heeft pp 25 augustus en 28 september 2015 gezocht op dit mutatienummer. Sinds 28-6-2015 heeft [medeverdachte 3] een abonnement op [betrokkene 5] en het onderzoek Fuut.

Op het document is een dactyloscopisch spoor van [betrokkene 5] aangetroffen, (zie DOC398)
(…)
(ZD.01 pagina’s 558-559)

AMB201 proces-verbaal van bevindingen van 9 februari 2016. verbalisant [verbalisant 6] :

In de op de [b-straat 1] te [plaats] op een slaapkamer aangetroffen telefoon Samsung Galaxy SIII), I.11.01.001 werden verschillende memo's aangetroffen. In een memo van 6 maart 2013 21.42 staat o.a. de volgende tekst:

[betrokkene 4] 82

[betrokkene 5] portstrt vel

De naam ‘ [betrokkene 4] 82’ betrekking heeft op de verdachte [betrokkene 4] en zijn geboortedatum, [geboortedatum] 1982.

De naam ‘ [betrokkene 5] [j-straat] [plaats] ’ betrekking heeft op de verdachte [betrokkene 5] , waarbij ‘ [j-straat] [plaats] ’ vermoedelijk verwijst naar zijn woonadres: [j-straat 1] te [plaats] .


Uit de loggingfiles van BlueView blijkt dat op 7 maart 2013, een dag nadat deze notitie in de telefoon gemaakt werd, deze drie entiteiten, in de genoteerde volgorde, door [medeverdachte 3] in BlueView bevraagd werden:

(…)

7-mrt-2013 11:11:13 Natuurlijk Persoon [betrokkene 4] 1982- [geboortedatum]

7-mrt-2013 11:11:18 Natuurlijk Persoon [betrokkene 4] 1982- [geboortedatum]

NATPERS#N# [betrokkene 4] 1982- [geboortedatum]

7-mrt-2013 11:11:20 Natuurlijk Persoon [betrokkene 4] 1982- [geboortedatum]

NATPERS#N# [betrokkene 4] 1982- [geboortedatum]

7-mrt-2013 11:28:20 Natuurlijk Persoon [betrokkene 5]

7-mrt-2013 11:28:49 Natuurlijk Persoon [betrokkene 5]

7-mrt-2013 11:28:52 Natuurlijk Persoon NATPERS#N# [betrokkene 5]

1978- [geboortedatum]
7-mrt-2013 11:28:53 Natuurlijk Persoon NATPERS#N# [betrokkene 5]

1978- [geboortedatum]

Het is de eerste keer dat [medeverdachte 3] [betrokkene 4] en [betrokkene 5] in BlueView bevraagt. Hierna worden zowel [betrokkene 4] als [betrokkene 5] over een lange periode – tot en met 28 september 2015, de dag voor zijn aanhouding – door [medeverdachte 3] met zeer grote regelmaat bevraagd. Op de lange KENO van [betrokkene 5] wordt door [medeverdachte 3] bovendien op 28 juni 2013 een abonnement aangemaakt.


Op 7 maart 2013 11.11.18 - 11.28.53 uur bevraagt [medeverdachte 3] [betrokkene 4] en [betrokkene 5] voor de eerste keer in Blue View, tot en met 28 september 2015. Op de lange KENO van [betrokkene 5] wordt op 28 juni 2013 een abonnement gemaakt.
III

[betrokkene 7]


(ZD.01 pagina’s 354-359)

AMB168 proces-verbaal van bevindingen van 8 december 2015. verbalisant [verbalisant 6] :

Op 30 september 2015 werd op de [a-straat 1] te [plaats] een AH-tas met papieren aangetroffen. (J.05.01.003)

In de tas zat een briefje (ZD.01 pagina 1545) met de handgeschreven tekst:

"Ab: [betrokkene 7]

/80"

Op 30 september werd op de [h-straat 1] te [plaats] in een kastje in de woonkamer een plastic bakje aangetroffen met inhoud (H.03.01.002).

In het bakje werd een papier aangetroffen met daarop een handgeschreven tekst. (H.03.01.002.001) (ZD.01 pagina 1537):


" [betrokkene 7]

-1980"

(dit betreft vermoedelijk [betrokkene 7] geboren [geboortedatum] 1980 [geboorteplaats] ) (pagina 355) Op 22 juni 2015 is door [medeverdachte 3] in Blue View gezocht op de KENO [betrokkene 7] en [betrokkene 7] . Deze bevraging genereerde een aantal regels. Verschillende registratie op de KENO [betrokkene 7] worden vermoedelijk geëxporteerd. Op 23 juni 2015 worden deze registratie opnieuw geëxporteerd.

Op 7 juli 2015 wordt wederom een raadpleging gedaan op de KENO [betrokkene 7] en [betrokkene 7] en op de lange KENO [betrokkene 7] 1980 [geboortedatum] . Op de lange KENO wordt een abonnement opgemaakt.

Op 21 juli, 28 juli 2015 wordt de KENO bevraagd. Op 25 augustus 2015 wordt opnieuw bevraagd en wordt de BVH registratie met nummer 2014016123 geëxporteerd. Deze registratie werd door [medeverdachte 3] al eerder bevraagd op 22, 23 juni 2015, 5 augustus 2015 en voor het laatst geraadpleegd en geëxporteerd op 28 september 2015 om 11.23.19 uur. Vlak daarvoor wordt door [medeverdachte 3] het resultaat van een abonnement opgevraagd.

De BVH registratie met nummer 2014016123 is opgestart nadat naar aanleiding van een melding van een inbraak in een woning activiteiten werden ontdekt die verband houden met het kweken van hennep. [betrokkene 7] was de huurder van de woning en werd als verdachte aangemerkt. In de BVH registratie werden verschillende activiteiten geregistreerd, iedere activiteit breidt de registratie uit. Dus de informatie die de registratie bevat op een latere datum is uitgebreider indien er sinds de laatste keer dat de registratie geraadpleegd werd, nieuwe activiteiten werden gemuteerd in deze registratie, (pagina 356) Op 29 september 2015 werden in de bergplaats in de woning van verdachte [verdachte] een set documenten gevonden waarvan de linkerbovenhoek is omgevouwen. Op de omgevouwen hoek staat handgeschreven: "AB". Bovenaan de pagina staat getypt: " [betrokkene 7] "., paginanummers 7 tot en met 9. (J.04.01.014.003 tot en met J. 04.01.014.009).

De documenten in getypte tekst handelen over een persoon [betrokkene 7] .

De tekst bevat informatie afkomstig uit BVH nummer 201416123. Op de pagina's met sub nummer J.04.01.014.004 en 005 staan twee mutaties uit deze BVH registratie, mutatienummers 2014016123-114 en -115. De mutatie betreffen processen-verbaal die gesloten zijn op 31 juli 2015 en 24 augustus 2015. Na deze mutaties staat in het document de vetgedrukte zin:

"Bovenstaande inzake onderstaand onderzoek hennep; (reeds verstrekt)".

In de computer van [verdachte] (J.01.01.001) die op 29 september 2015 aangetroffen op de [a-straat 1] te [plaats] zijn in de unallocated space sporen gevonden van teksten, o.a.:

"Uit deze gegevens bleek dat de verdachte [betrokkene 7] ove"

"Ik zag dat door de ABNAMRO bank de transactiegegevens over de periode"

Deze teksten komen voor in mutatienummer 201416123-115. Dit betreft een proces-verbaal dat is gesloten op 24 augustus 2015. Deze informatie zou op 25 augustus zijn geraadpleegd en geëxporteerd.
(ZD.01 pagina’s 384-436)

AMB195 proces-verbaal bevindingen van 27 januari 2016 verbalisant [verbalisant 7] :

In totaal zijn er 27 fragmenten tekst gevonden in de computer van [verdachte] , (pagina 385), onder meer 4 fragmenten op de KENO [betrokkene 5] en 9 op het onderzoek Fuut. (pagina 72)”

3.4.

Uit de hiervoor geciteerde bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 3] meerdere malen over meerdere onderzoeken en personen bevragingen heeft gedaan, waaronder informatie over de verdachte zelf. Ook volgt daaruit dat deze informatie op verschillende plekken is aangetroffen, waaronder een bundel documenten met bewerkte Blue View gegevens in de woning waar de verdachte verbleef en in bestanden op de computer van de verdachte in die woning. Die woning ligt aan de [a-straat 1] te [plaats] . Uit de bewijsvoering volgt dat [medeverdachte 3] en de verdachte elkaar daar ten minste twee maal hebben ontmoet en dat de verdachte op 29 juli 2015 en 1 september 2015 [medeverdachte 3] heeft opgehaald en/of gebracht naar van/zijn woning in een Ford Mondeo die hij had geleaset/gehuurd. Ook anderen, zoals [betrokkene 5] en [betrokkene 4] waren in de woning aanwezig, personen die ook meermalen door [medeverdachte 3] in de politiesystemen zijn bevraagd. Daarbij is [medeverdachte 3] op 1 september 2015 gezien met een zwart voorwerp in zijn hand, gelijkend op een externe harde schijf. Op diezelfde dag, zo blijkt uit de bewijsmiddelen, zijn twee externe gegevensdragers aangesloten geweest op de computer van de verdachte. Uit de linkfiles op de computer kan worden afgeleid dat op 1 september 2015 op één van die twee externe gegevensdragers, verbonden met de computer van de verdachte, bestanden zijn geopend. Ook volgt uit de bewijsmiddelen dat in de computer van de verdachte unallocated space sporen zijn gevonden van teksten die voortkomen uit een proces-verbaal dat in Blue View is geraadpleegd en geëxporteerd door [medeverdachte 3] . Daarnaast zijn er 27 andere tekstfragmenten gevonden die afkomstig zijn uit Blue View. Tot slot zijn bij de verdachte sleutels in een schoenendoos aangetroffen van een auto die op naam stond van [betrokkene 5] , een persoon die ook in deze woning kwam en waarover ook veel gegevens waren bevraagd in de politiesystemen door [medeverdachte 3] . De stelling in de toelichting op het middel dat bij het slagen van de eerste deelklacht (over het bewijs omtrent de undercoveragent) enkel nog zou overblijven dat geheime informatie met [betrokkene 5] is gedeeld, mist dus feitelijke grondslag.

3.5.

Het hof heeft uit bovenstaande bewijsmiddelen naar mijn mening kunnen en mogen afleiden dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 3] en de verdachte. Het oordeel van het hof dat de wezenlijke bijdrage van de verdachte was gelegen in het verschaffen van zijn woning als ontmoetingsplek en het verzorgen van vervoer naar en vanaf deze woning teneinde de vertrouwelijke gegevens te kunnen openbaren aan niet bevoegde derden, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk. Het hof heeft daarmee het juridisch kader van medeplegen niet miskend. Ook gedragingen die duiden op medeplichtigheid kunnen, onder omstandigheden, immers de nauwe en bewuste samenwerking van het medeplegen vormen. Daarbij is van belang dat voor het medeplegen de samenwerking soms belangrijker is dan de vervulling van de delictsbestanddelen door de verdachte zelf. Het hof heeft in dat verband uitgebreid gemotiveerd wat de rol van de verdachte was bij de afhandeling/eindfase van het delict, namelijk het verstrekken van de door medeverdachte [medeverdachte 3] verzamelde vertrouwelijke gegevens aan onbevoegde derden. Tevens neem ik daarbij in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de bevragingen van de vertrouwelijke gegevens op verzoek van (onder meer) de verdachte zijn gedaan, hetgeen in cassatie niet wordt bestreden.

3.6.

Het eerste middel faalt.

4 Het tweede en derde middel

4.1.

Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaring van feit 4 (gewoontewitwassen) en bevat de volgende deelklachten:

(i) de feitelijke vaststelling door het hof dat de verdachte betalingen heeft verricht met het door hem op zijn bankrekening(en) gestorte totaalbedrag van 88.320,- euro is niet begrijpelijk;

(ii) het oordeel van het hof dat sprake is van een vermoeden van witwassen is niet begrijpelijk;

(iii) de bewezenverklaring van het bestanddeel “gewoonte maken” is niet begrijpelijk;

(iv) de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is, is niet begrijpelijk.

4.2.

Het derde middel komt op tegen de bewezenverklaring van feit 5 subsidiair (witwassen) en bevat de volgende twee deelklachten:

(i) het oordeel van het hof dat sprake is van een vermoeden van witwassen is niet begrijpelijk;

(ii) de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is, is niet begrijpelijk.

4.3.

De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.4.

Ten laste van de verdachte is onder feit 4 bewezenverklaard dat:


“hij in de periode van 10 januari 2013 tot en met 1 september 2015 in Nederland, voorwerpen, te weten geldbedragen, heeft voorhanden gehad, immers heeft hij, verdachte:
- telkens contante geldbedragen (tot een totaalbedrag van 88.320,- euro) gestort op een bankrekening die op zijn, verdachtes, naam was gesteld, en

- telkens contante geldbedragen (tot een totaalbedrag van 13.808,53 euro) betaald voor de huur van auto's bij het bedrijf [H] en bij het bedrijf [I] B.V., en:

- een bedrag van 2.534,14 euro per moneytransfer overgemaakt naar Enexis B.V., terwijl hij wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;”

4.5.

Ten laste van de verdachte is onder feit 5 bewezenverklaard dat:


“hij op 29 september 2015 te [plaats] , voorwerpen, te weten geldbedragen (met een totaalbedrag van 235.140,- euro); voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;”

4.6.

De bewezenverklaringen van de feiten 4 en 5 steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:


Met betrekking tot feit 4: gewoontewitwassen
(ZD.02 pagina’s 7-15)

Binnen het opsporingsonderzoek is onderzoek gedaan naar de financiële situatie van [verdachte] . Bij de Belastingdienst (iCOV) zijn gegevens gevorderd met betrekking tot het vermogen en inkomen van verdachte [verdachte] . Uit het onderzoek naar de financiële situatie, zijn vermogen en inkomen, van de verdachte [verdachte] zijn geen legale bronnen van komsten uit arbeid of onderneming naar voren gekomen. Uit de gevorderde gegevens van de Belastingdienst kan ook niet blijken van enige verrichting van economische activiteiten door verdachte [verdachte] , (zie BOB.187 op ZD.02 pagina 179 en DOC.045 op ZD.02 pagina’s 83-84).

Uit de opgevraagde mutatiegegevens van de bankrekening [002] ten name van verdachte [verdachte] blijken de volgende bijzonderheden:

• Tussen 10/01/2013 en 01/09/2015 zijn voor een totaalbedrag van € 88.320,00 contante stortingen verricht; (zie de draaitabel op ZD.02 pagina 8 waar staat vermeld dat er in 2013 voor een bedrag van € 27.470,- aan kasstortingen zijn gedaan, dat er in 2014 voor een bedrag van € 31.350,- aan kas stortingen zijn gedaan, en dat er in 2015 voor een bedrag aan € 29.500,- aan kasstortingen zijn gedaan). (€ 27.470,- + € 31:350,- + € 29.500,- = € 88.320) (zie AMB.021 op ZD.02 pagina 32 en DOC.065 op ZD.02 pagina 86)


Uit de observaties is gebleken dat verdachte [verdachte] gebruik maakte van een Ford Mondeo met het kenteken [kenteken 2] , op naam van een leasemaatschappij [H] BV. Uit informatie van de leasemaatschappij is gebleken dat verdachte [verdachte] voor de Ford Mondeo vanaf november 2014 een short lease contract had en dat hij het leasebedrag, ad €.1.199,99 niet giraal, maar maandelijks contant betaalde.

(zie BOB.242 op ZD.02 pagina’s 181-182 en DOC.169 op ZD.02 pagina 124 en DOC.174 ZD.02 pagina’s 126-134)

(ZD.02 pagina’s 181-182)

BOB.242 proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] d.d. 7 december 2015. zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Op 10 november 2015 omstreeks 13.10 uur zijn wij, verbalisanten, gegaan naar [I] te Eindhoven voor een gesprek met de daar aanwezige [betrokkene 20] . Uit het gesprek met [betrokkene 20] met de navolgende informatie naar voren:

- [verdachte] had een short lease contract met [H] over de periode november en december 2014;

- Door een faillissement van [H] is de verdere huur van de Ford Mondeo overgenomen door [I] ;

- Van de maanden november en december 2014 kon [betrokkene 20] geen facturen overleggen dan wel een huurovereenkomst;

- [verdachte] had een short lease contract met [I] vanaf januari 2015;

- Per maand een factuur wordt opgemaakt voor de huur van een personenauto, welke iedere maand weer kan worden opgezegd dan wel verlengd;

- De Ford Mondeo met kenteken [kenteken 2] werd vanaf november 2014 door [verdachte] gehuurd;

- [verdachte] betaalde iedere maand contant;

- [verdachte] bracht nooit iemand mee als hij kwam betalen;

- [verdachte] betaalde iedere keer rond de 1e van de maand contant;

Tevens werd aan ons, verbalisanten, door [betrokkene 20] de kopieën van de betreffende facturen van de huur van voornoemde Ford Mondeo aan ons overgedragen. (Zie de documenten DOC.174 op ZD.02 pagina’s 126-134)

Ook kregen wij, verbalisanten, van [betrokkene 20] 2 kopieën huurovereenkomsten en 2 bijbehorende kopieën facturen welke kort en zakelijk weergegeven, de navolgende informatie bevatte:

- De Ford Transit kenteken [kenteken 7] , (DOC. 170, huurovereenkomst 8394) werd door [verdachte] gehuurd vanaf 18 mrt 2015, 12:00 uur tot 19 mrt 2015, 07.59 uur. Contant betaalt 65 euro.

- De Ford Focus kenteken [kenteken 8] (DOC. 171, huurovereenkomst 8473) werd door [verdachte] gehuurd vanaf 23 mrt 2015, 17:30 uur tot 9 april 2015, 17.30 uur. Contant betaalt 543,64 euro.


Het totale bedrag van de contante betalingen die [verdachte] heeft gedaan voor de huur van auto's:

- Voor de Ford Mondeo met kenteken [kenteken 2] (van november 2014 tot en met september 2015): 11 maanden x € 1.199,99 = € 13.199,89.

- Voor de Ford Transit met kenteken [kenteken 7] is door [verdachte] contant betaald 65 euro.

- Voor de Ford Focus met kenteken [kenteken 8] is door [verdachte] contant betaald 543,64 euro.

€ 13.199,89 + € 65,- + € 543,64 = € 13.808,53.


Naar aanleiding van een ingezonden LOVJ2-verzoek aan de Financial Intelligence Unit is onder andere de volgende informatie verstrekt:

• Op 30-03-2013 verricht verdachte [verdachte] een binnenlandse money transfer van € 2.534, 14 op rekening 523896328 t.n.v. Enexis BV te Rosmalen, fact.no 90862776.

(zie DOC.490 op ZD.02 pagina’s 160-161)
Met betrekking tot feit 5 subsidiair: witwassen

(ZD.02 pagina’s 7-15)

Bij de doorzoeking d.d. 29 september 2015 in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] werd onder verdachte [verdachte] een contant geldbedrag van € 235.330,00 in beslag genomen. Een deel van het inbeslaggenomen geld werd tevens nader onderzocht op echtheid. Uit onderzoek door Forensische opsporing bleek dat de biljetten onder 1BN nummer J.04.01.013.001 voor een totaalbedrag van € 190,00 vals bleken te zijn. (DOC.353,
(ZD.02 pagina’s 143-144) Dit geld is ter vernietiging bij de Nederlandsche Bank afgegeven.

Bij de Belastingdienst (iCOV) zijn gegevens gevorderd met betrekking tot het vermogen en inkomen van verdachte [verdachte] . Uit het onderzoek naar de financiële situatie, zijn vermogen en inkomen, van de verdachte [verdachte] zijn geen legale bronnen van komsten uit arbeid of onderneming naar voren gekomen. Uit de gevorderde gegevens van de Belastingdienst kan ook niet blijken van enige verrichting van economische activiteiten door verdachte [verdachte] , (zie BOB. 187 op ZD.02 pagina 179 en DOC.045 op ZD.02 pagina's 83-84)”

4.7.

De bewijsoverwegingen van het hof met betrekking tot feit 4 en 5 luiden als volgt:


Met betrekking tot feit 4: gewoontewitwassen
Aan verdachte is onder feit 4 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van de aldaar genoemde geldbedragen (‘gewoontewitwassen’).

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat dit feit, conform het oordeel van de rechtbank, bewezen kan worden verklaard, met dien verstande dat ook kan worden bewezen dat verdachte de bedoelde geldbedragen heeft omgezet.


De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat voor dit feit ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen, nu het voorhanden hebben van gelden uit eigen misdrijf voor 1 januari 2017 niet gekwalificeerd kan worden als witwassen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij verwezen naar een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 2 mei 2017 (parketnummer 20-003244-16).

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.


Juridisch kader


Het in artikel 420ter lid 1 Sr opgenomen delict ‘gewoontewitwassen’ is de specialis van het generalis witwas-artikel 420bis Sr. In de onderhavige zaak is de vraag of een brondelict ten grondslag ligt aan het bewezenverklaarde witwassen. Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring voor het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen-bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp (in casu: het contante geld) afkomstig is uit een concreet aangeduid misdrijf. Wel is voor een bewezenverklaring ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ is kan – indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf – niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.


Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs (vgl. HR 18-12-2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, rov. 2.3.1.-2.4.).


Het hof stelt vast dat het onderzoek in deze strafzaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat de voorwerpen waarop de witwasgedragingen van verdachte betrekking zouden hebben van enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof dient daarom vast te stellen of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen.


Het hof leidt, overeenkomstig de rechtbank, uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.
Contante stortingen
Verdachte heeft in de ten laste gelegde periode contante stortingen verricht op bankrekeningen van hemzelf tot een totaalbedrag van € 88.320,- en heeft hiermee betalingen verricht.

Verder heeft hij in die periode een auto, merk Ford, type Mondeo, geleased bij [H] en [I] . Hiervoor heeft hij in de periode van november 2014 tot en met september 20[1]5 (11 maanden) iedere maand € 1.199,99 betaald. Ook heeft hij in 2015 nog twee auto's gehuurd, te weten een Ford, type Transit, voor € 65,- en een Ford, type Focus, voor € 543,64. De huur voor deze auto's heeft hij contant voldaan. Het totaalbedrag voor huren/leasen auto's bedraagt derhalve: 11 x € 1.199,99 = € 13.199,89 + € 65,- + € 543,64 = € 13.808,53.

Tot slot heeft hij in de periode nog een money transfer van € 2.534,14 naar Enexis overgemaakt.


Van verdachte zijn geen legale bronnen van inkomsten bekend. Ook is niet bekend dat hij beschikte over legaal vermogen.


Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat reeds uit voormelde feiten en omstandigheden en gelet op de omvang van de stortingen en uitgaven en op de aanwijzingen dat verdachte zich bezig hield met strafbare feiten, worden afgeleid dat sprake is van een vermoeden van witwassen.
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep zeer summier verklaard dat deze contante stortingen gelden zijn die zijn verkregen uit eigen criminele activiteiten. Het hof overweegt ter zake van deze verklaring als volgt.

Ten aanzien van het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die "onmiddellijk" uit "eigen" misdrijf afkomstig zijn, geldt dat die gedragingen niet zonder meer als gewoon (schuld)witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Wanneer het gaat om gewoon (schuld)witwassen bestaande in het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moet uit de motivering van de uitspraak kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. De rechtspraak over de kwalificeerbaarheid van gewoon (schuld)witwassen houdt in dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 en HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ 2017/218).


Echter, op grond van bestendige jurisprudentie geldt dat een verklaring van een verdachte dat van verwerven of voorhanden hebben van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp sprake is, enkel mogelijk tot dat oordeel aanleiding kan geven indien door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (vgl. HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1655, rov. 2.3.1 en 2.3.2; HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3028, rov. 3.2.3. en HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3020, rov. 2.6.).

Aangezien verdachte steeds binnen een beperkt tijdsbestek met voornoemde bedragen (van € 88.320,- en € 13.808,53 en € 2.534,14), waarvan naar het oordeel van het hof is gebleken dat deze bedragen uit misdrijf afkomstig zijn, betalingen heeft verricht kan gewoontewitwassen worden bewezen.
Met betrekking tot feit 5 primair en subsidiair: witwassen in de zin van art. 420bis lid 1 respectievelijk lid 2 Sr

Aan verdachte is onder 5 primair – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij een geldbedrag van € 235.140,- heeft witgewassen doordat hij van dat geldbedrag de werkelijke aard, de herkomst, en/of de vindplaats heeft verborgen of verhuld en/of heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat geldbedrag was, en dat geldbedrag voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat dat geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf.

Subsidiair is verdachte onder 5 tenlastegelegd dat hij het geldbedrag van € 235.140,- heeft verworven en/of voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 5 subsidiair tenlastegelegde, conform het oordeel van de rechtbank, bewezen kan worden verklaard.


De verdediging heeft betoogd dat de contante stortingen gelden zijn […] die zijn verkregen uit eigen criminele activiteiten. Zij heeft op die grond ook hier betoogd, dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daarbij heeft zij verwezen naar een eerdere veroordeling met betrekking tot voorbereidingshandelingen van hennepteelt van verdachte. In dit vonnis d.d. 6 februari 2018 (parketnummer 01-993936-15) overwoog de rechtbank dat verdachte zich bezig heeft gehouden met activiteiten op softdrugs niveau en dat hij daartoe onder andere het onderhavige geldbedrag voorhanden heeft gehad. Ook voor wat betreft dit feit kan derhalve worden geconcludeerd dat het voorhanden hebben van gelden uit eigen misdrijf niet gekwalificeerd kan worden als witwassen, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.

Het juridisch kader is hiervoor onder feit 4 al besproken.


Het hof leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.


Op 29 september 2015 is het geldbedrag van € 235.140,- bij een doorzoeking in de woning van verdachte aangetroffen in een ruimte onder de trap van de woning. Deze ruimte was met een houten plaat afgesloten. Op deze houten plaat waren twee ronde afdrukken zichtbaar van vermoedelijk zuignappen. Van verdachte zijn geen legale bronnen van inkomsten bekend. Ook is niet bekend dat hij beschikte over legaal vermogen.

Het hof is van oordeel dat reeds uit voormelde feiten en omstandigheden en gelet op de omvang van het bedrag en op de aanwijzingen dat verdachte zich bezighield met strafbare feiten, kan worden afgeleid dat sprake is van een vermoeden van witwassen.


Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep zeer summier verklaard dat deze contante stortingen gelden betreffen die zijn verkregen uit eigen criminele activiteiten.


Het hof overweegt ter zake van deze verklaring gelijk als hiervoor feit 4 als volgt.
Tegen de achtergrond van de bestendige jurisprudentie zoals reeds hiervoor aangehaald onder feit 4 geldt echter ook bij het tenlastegelegde witwassen bij feit 5 dat een verklaring van een verdachte dat van verwerven of voorhanden hebben van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp sprake is, enkel mogelijk tot dat oordeel aanleiding kan geven indien door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (vgl. HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1655, rov. 2.3.1 en 2.3.2; HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3028, rov. 3.2.3. en HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3020, rov. 2.6.).

Het hof acht niet bewezen dat verdachte van dat geldbedrag de werkelijke aard, de herkomst, en/of de vindplaats heeft verborgen of verhuld en/of heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat geldbedrag was.

Wel acht het hof het onder 5 subsidiair ten laste gelegde (witwassen) wettig en overtuigend bewezen, te weten dat verdachte het geldbedrag van € 235.140,- voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf.”

4.8.

Het proces-verbaal van de behandeling in hoger beroep op 16, 17 en 20 april 2020 houdt het volgende in:


“Verdachte verklaart als volgt.

U, voorzitter, vraagt mij of ik bereid ben vragen met betrekking tot de ten laste gelegde feiten te beantwoorden. Ik wens alleen vragen te beantwoorden over de witwasfeiten. Ik wil niets verklaren over de criminele organisatie, het medeplegen van de schending ambtsgeheim, de omkoping en het voorhanden hebben van valse documenten en jammers.

Verdachte verklaart – op vragen van de voorzitter – als volgt.

U vraagt mij waar de contante stortingen, ter hoogte van een totaalbedrag van ongeveer € 88.000,00, vandaan kwamen. Deze gelden zijn afkomstig uit eigen criminele activiteiten. Ik wil verder niets zeggen over deze criminele activiteiten.
(…)
De voorzitter stelt de persoonlijke omstandigheden van verdachte aan de orde en deelt kort de inhoud van het Uittreksel Justitiële Documentatie mede.


Verdachte verklaart omtrent zijn persoonlijke omstandigheden als volgt.

Ik ben al eerder in aanmerking gekomen met politie en justitie in verband met drugsdelicten.
(…)
De advocaat-generaal gaat verder met rekwireren en voert daarbij wederom het woord overeenkomstig de inhoud van het door deze aan het hof overgelegde op schrift gestelde requisitoir. In aanvulling daarop voert hij het volgende aan.

Pagina 11 eerste ster

Ik kom zo nog terug op de verklaring die [verdachte] zojuist ter zitting heeft afgelegd, inhoudende dat het verdiende geld uit eigen criminele activiteiten afkomstig is.
Pagina 11 tweede ster en pagina 12 eerste ster

Met betrekking tot de verklaring van [verdachte] over zijn criminele activiteiten wens ik nog het volgende op te merken. [verdachte] heeft vandaag geen verklaring gegeven over het bedrag van € 235.140,00, welk bedrag bij hem is aangetroffen. Ik wijs uw hof op twee arresten van de Hoge Raad, bekend onder ECLI:NL:HR:2015:1655 en ECLI:NL:HR:2015:3028. De conclusie bij dat laatste arrest, luidt onder meer als volgt:

In de kern zegt de advocaat-generaal bij het Hof dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing is als het eigen (grond)delict niet bewijsbaar is wegens onvoldoende concretisering (welke plaats, welke periode). Voor die stelling valt wel wat te zeggen. In het algemeen is er geen reden om de kwalificatie-uitsluitingsgrond toe te passen indien het bewijs van het grondfeit niet valt te leveren. De toepassing van de aannemelijkheidsmaatstaf heeft als nadeel dat niet valt uit te sluiten dat wel aannemelijk is dat het grondfeit door verdachte is gepleegd, maar dat desondanks het grondfeit niet kan worden bewezen. Dat is onwenselijk en onbevredigend. Voorkomen moet worden dat verdachte niet door de hond en de kat wordt gebeten en hier wordt bereikt dat hij door geen van beide wordt gebeten.
Anders gezegd: er kan niet te snel worden aangenomen dat de aangetroffen contante gelden uit eigen criminele activiteiten afkomstig zijn. Dit in aanvulling op hetgeen de officieren van justitie naar voren hebben gebracht op pagina’s 54 en 55 van hun requisitoir.
(…)
Voorts pleit de raadsman overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota’s, welke als bijlagen 3 en 4 aan dit proces-verbaal zijn gehecht en als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. In aanvulling daarop brengt hij het volgende naar voren [opmerking griffier: bij elke aanvullende opmerking is op de betreffende plek in het pleidooi een ster aangebracht]
(…)
Pagina 5 eerste ster

De advocaat-generaal was het met die bewezenverklaring eens, zo blijkt uit zijn requisitoir. Alhoewel ik ook geluiden hoorde waarbij de advocaat-generaal nijgt naar een bewezenverklaring van het verhullen van die geldbedragen. Uiteindelijk heeft het openbaar ministerie zich toch op het standpunt gesteld dat er een bewezenverklaring dient te volgen van het onder feit 5 subsidiair ten laste gelegde.


Pagina 5 tweede ster

Ik zal deze arresten straks overleggen aan uw hof, niet om belerend te zijn maar zodat uw hof de door mij bedoelde passage gemakkelijker kan opzoeken.

Pagina 5 derde ster

Verdachte heeft dit hedenochtend al verklaard: die geldbedragen zijn afkomstig uit eigen criminele activiteiten. Daar dient uw hof ook van uit te gaan.”

4.9.

De tijdens de zitting in hoger beroep voorgedragen pleitnotities d.d. 20 april 2020 houden tot slot het volgende in:


Feiten 4 en 5 witwassen van gelden
Onder feit 4 werd door de rechtbank bewezen verklaard dat cliënt in de periode van 10 januari 2013 t/m 1 september 2015 geldbedragen voorhanden heeft gehad en deze contante geldbedragen heeft gestort op zijn eigen bankrekening (een bedrag van € 88.320,00), contant de huur van auto's heeft betaald ( € 13.808,53) en een money transfer heeft verricht naar Enexis BV (€ 2.534,14). De rechtbank stelt in haar vonnis dat er geen direct bewijs in deze zaak is voor een nauwkeurig aangeduid gronddelict. Ook stelt de rechtbank dat van cliënt geen legale bronnen van inkomsten bekend zijn. Ook is niet bekend dat hij beschikte over legaal vermogen. Vervolgens zegt de rechtbank van oordeel te zijn dat reeds uit voormelde feiten en omstandigheden, gelet op de omvang van de stortingen en de uitgaven en op de aanwijzing dat verdachte zich bezig hield met strafbare feiten, kan worden afgeleid dat er sprake is van een vermoeden van witwassen.
Dit zo zijnde zegt de rechtbank eigenlijk met andere woorden dat verdachte deze gelden uit door hem zelf begane strafbare feiten heeft verkregen. Indien de rechtbank dit vaststelt is het zo dat de nadien te bespreken uitspraak van uw Hof in de zaak [betrokkene 5] van 2 mei 2017, parketnummer 20.003244-16 had dienen te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging, omdat het voorhanden van gelden uit eigen misdrijf niet gekwalificeerd kan worden als witwassen, althans en in ieder geval niet voor 1 januari 2017.
Een zelfde redenering wenst de verdediging te volgen voor het voorhanden hebben van een bedrag van € 235.140,00, bewezen verklaard onder feit 5 subsidiair ter zake van witwassen.*

Hiertoe diene het navolgende.

Op de eerste plaats is het zo dat de verdediging in eerste aanleg al heeft betoogd dat ook het voorhanden hebben van dit zelfde geldbedrag aan cliënt werd verweten in de zaak Radium, parketnummer 01-993936-15 en dat in het kader van voorbereidingshandelingen ex art. 11a Opiumwet. Het voorhanden hebben van genoemd geldbedrag werd ook door de rechtbank in de zaak Radium bij vonnis d.d. 6 februari 2018 meegenomen in de bewezenverklaring.

De rechtbank acht dus in ieder geval in de zaak Radium bewezen dat cliënt zich bezig heeft gehouden met activiteiten op softdrugs niveau en daartoe o.a. het genoemde geldbedrag voorhanden heeft gehad. Hierop voort redenerend kan het niet anders zijn dan dat de rechtbank dan meent dat dit geldbedrag door cliënt verkregen is uit door hem ontplooide hennepactiviteiten.

Terug naar de onderhavige zaak: De rechtbank heeft in het thans bestreden vonnis bewezen verklaard dat cliënt dit geldbedrag van € 235.140,00 voorhanden heeft gehad en dat dit als witwassen kan worden gekwalificeerd. Ten aanzien van feit 5 zegt de rechtbank (pagina 17 vonnis bovenaan) dat er aanwijzingen zijn dat verdachte zich bezig hield met strafbare feiten en dat derhalve kan worden afgeleid dat er sprake is van een vermoeden van witwassen.

Ik citeer nu een passage uit het arrest van uw Hof in eerder genoemde zaak [betrokkene 5] * waarin het Gerechtshof het volgende stelt: "in aanmerking nemende dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de aangetroffen geldbedragen, moet het er voor gehouden worden dat die geldbedragen een criminele herkomst hebben. Het dossier bevat geen aanwijzingen waaruit zou kunnen volgen dat de verdachte de aangetroffen geldbedragen voor een ander onder zich had. Daarom houdt het Hof het ervoor dat de aangetroffen geldbedragen van eigen misdrijf van de verdacht afkomstig waren".


Geachte leden van het Hof, dit betekent concreet dat nu er geen aanwijzingen zijn dat cliënt het in zijn woning aangetroffen geldbedrag voor een ander onder zich hield, het ervoor gehouden moet worden, ook indachtig de uitspraak in de zaak Radium van 6 februari 2018, dat dit geldbedrag aangetroffen bij cliënt, in diens woning een criminele herkomst heeft en wel uit eigen misdrijf.* Het Hof hanteert hier eigenlijk simpelweg ook dezelfde redenering van de rechtbank in de zaak Radium van 6 februari 2018 alsook van de rechtbank in de thans bestreden uitspraak. Het zou ook heel vreemd zijn om een andere redenering te volgen, omdat dan alle geldbedragen onder de feiten 4 en 5 genoemd, andermans geld zou moeten zijn, terwijl er telkens gezegd wordt dat cliënt zich bezig hield met het plegen van strafbare feiten.


Ik meen derhalve met een uitbreiding van mijn standpunt ingenomen in de appelmemorie dat bewezen kan worden verklaard het voorhanden hebben van geldbedragen genoemd in de feiten 4 en 5, doch tevens dat dit niet als witwassen is te kwalificeren, gelet op het hierboven gestelde. Ik verzoek u dan ook cliënt voor de feiten 4 en 5 te ontslaan van alle rechtsvervolging.”

4.10.

De appelmemorie houdt onder andere het volgende in:


“Ten aanzien van feit 5 (witwassen van € 235.140,00)
De rechtbank was gelet op haar vonnis op de hoogte van het feit dat [verdachte] op 6 februari 2018 door dezelfde rechtbank werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden ter zake voorbereidingshandelingen m.b.t. de hennepteelt. Onderdeel van dit vonnis en ook bewezen werd verklaard dat hiervan deel uitmaakte een bedrag van € 235.140,00. Dit zo zijnde, had de rechtbank moeten oordelen dat het onder feit 5 subsidiair ten laste gelegde witwassen niet als witwassen gekwalificeerd had kunnen worden, omdat blijkens bestendige rechtspraak, [verdachte] ter zake van dit feit in ieder geval ontslagen had dienen te worden van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft in haar pleidooi ook gewezen op een arrest van het Gerechtshof ’s Hertogenbosch van 2 mei 2017, gewezen onder parketnummer 20-003244-16. In die zaak heeft het Gerechtshof geoordeeld dat het geldbedrag verkregen was uit eigen misdrijf, weshalve in die zaak tot ontslag van alle rechtsvervolging werd gekomen. De rechtbank had juist oordelend [verdachte] ter zake van feit 5 subsidiair dienen te ontslaan van alle rechtsvervolging.”

4.11.

In het dossier bevindt zich het door de raadsman aangehaalde vonnis van de rechtbank d.d. 6 februari 2018. Daaruit volgt dat de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden voor overtreding van art. 11a Ow, te weten voorbereidingshandelingen voor bedrijfsmatige hennepteelt. In die veroordeling is meegenomen een contant geldbedrag van 235.330 euro dat op 29 september 2015 in beslag is genomen in de woning van de verdachte. Het verschil met het genoemde bedrag in onderhavige zaak (235.140 euro) valt te verklaren omdat blijkens het dossier van onderhavige zaak er enkele valse coupures aanwezig waren ter hoogte van 190 euro. De bewezenverklaring van het vonnis houdt (onder meer) in dat de verdachte:


“in de periode van 16 september 2015 tot en met 29 september 2015 te [plaats] voorwerpen voorhanden heeft gehad en gelden voorhanden heeft gehad en gegevens voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten, te weten het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II
immers heeft hij:
(…)
te [plaats] ( [a-straat] ) de volgende voorwerpen en gegevens voorhanden gehad;
E) een catalogus DGO (prijslijst van hennepgroothandel), en
F) papiertjes met namen en bedragen, notities met klusjes, facturen voor goederen voor een inrichting van een hennepkwekerij, althans een hennepadministratie, en
G) een sealapparaat en
H) 34 (vierendertig) telefoons en
I) 6 (zes) jammers en
J) identiteitsbewijzen van derden en
M) 235.330 euro.”

5 Juridisch kader

5.1.

In het onderhavig geval is het voorhanden hebben van voorwerpen (geldbedragen) die uit misdrijf afkomstig zijn bewezenverklaard, terwijl de verdachte zich op het standpunt heeft gesteld dat deze voorwerpen (onmiddellijk) uit eigen misdrijf afkomstig waren, op grond waarvan het bewezenverklaarde niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Mijn ambtgenoot Aben heeft het hiervoor toepasselijk juridisch kader als volgt samengevat:


“In situaties waarin de bewezen verklaarde witwasgedraging van de verdachte bestaat uit het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die onmiddellijk uit een door hemzelf begaan misdrijf afkomstig zijn, geldt dat die gedragingen niet zonder meer als ‘witwassen’ kunnen worden gekwalificeerd. In dergelijke gevallen zal het meerdere erin moeten bestaan dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Dit moet uit de motivering van de uitspraak kunnen worden afgeleid. De kwalificatie van witwassen is niet toegestaan indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp. Met deze uitsluitingsgrond beoogt de Hoge Raad te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen.6

De kwalificatie-uitsluitingsgrond is in beginsel niet van toepassing als naast het ‘voorhanden hebben’ dan wel ‘verwerven’ óók (of slechts) ‘overdragen’, ‘gebruikmaken’ of ‘omzetten’ bewezen is verklaard. Die gedragingen hebben immers een nadrukkelijker verhullend karakter dan verwerven of voorhanden hebben. Toch is dat anders als het bijzondere geval zich voordoet dat zulk overdragen, gebruikmaken of omzetten van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen.7

Om het nog ingewikkelder te maken geldt dat in de regel sprake is van zo’n bijzonder geval als hiervoor bedoeld in gevallen waarin het ‘omzetten’ of ‘overdragen’ heeft bestaan uit het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Ook hier geldt weer dat een dergelijk geval (dus) slechts de kwalificatie van ‘witwassen’ kan dragen als de gedraging – of, zo is mijns inziens niet uitgesloten, het geheel van de gedragingen – een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft.8

Indien de feitenrechter zijn kwalificatiebeslissing zoals hierboven bedoeld heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst. Hetzelfde geldt overigens voor het geval waarin een dergelijke motivering achterwege is gebleven, ook dan kan de kwalificatie op haar begrijpelijkheid worden getoetst.

Voor de vraag of het voorwerp in kwestie (on)middellijk afkomstig is uit eigen misdrijf acht de Hoge Raad met name van belang of:

(i) naast het tenlastegelegde witwassen sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel

(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel

(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.9

Samengevat betekent dit dat in gevallen waarin (gewoon) witwassen wordt bewezen verklaard, terwijl (1) de verweten gedraging (slechts) bestaat uit het verwerven of voorhanden hebben van een in de tenlastelegging omschreven voorwerp dat (2) onmiddellijk afkomstig is (3) uit eigen misdrijf, (4) uit de motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Indien de onderdelen 1 tot en met 3 van toepassing zijn op de zaak, maar de rechter niet heeft voldaan aan de motiveringsplicht als bedoeld onder 4, én als vaststaat dat het enkele voorhanden hebben of verwerven niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, dan is de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing. Indien het geval zich voordoet waarin (naast ‘verwerven’ of ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp, ook) ‘omzetten’, ‘gebruikmaken’ of ‘overdragen’ is bewezen verklaard, dan is toepassing van de kwalificatie-uitsluitingsgrond afhankelijk van de vraag of dat ‘omzetten’, ‘gebruikmaken’ of ‘overdragen’ op hetzelfde neerkomt als ‘verwerven’ of ‘voorhanden hebben’. Doorgaans zal dat niet het geval zijn, maar blijkt daarvan toch, dan geldt dezelfde motiveringseis als bij het ‘verwerven’ of ‘voorhanden hebben’ en zal de rechter dus in de uitspraak moeten laten zien waaruit het verhullende karakter blijkt.”

6 Beoordeling van het tweede middel

6.1.

Het hof heeft ten aanzien van feit 4 onder andere vastgesteld dat de verdachte in een tijdbestek van 10 januari 2013 tot en met 1 september 2015 contante stortingen heeft verricht tot een totaalbedrag van € 88.320,-, de verdachte tot een totaalbedrag van 13.808,53 aan contante euro’s heeft betaald voor de huur/lease van auto's en dat geen legaal inkomen bij verdachte bekend is geworden. In samenhang met het feit dat de verdachte ter zitting heeft verklaard dat het geld afkomstig is uit eigen criminele activiteiten, acht ik het oordeel van het hof dat sprake is van een vermoeden van witwassen geenszins onbegrijpelijk. Daarbij neem ik tevens in aanmerking dat ter zitting door de verdediging (enkel) verweer is gevoerd dat het bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen omdat dit geld uit eigen misdrijf afkomstig zou zijn geweest. De tweede deelklacht, die gericht is tegen het oordeel dat sprake is van een vermoeden van witwassen, faalt dan ook. Ook de eerste deelklacht over de overweging van het hof dat de verdachte betalingen heeft verricht met het door hem op zijn bankrekening(en) gestorte totaalbedrag van 88.320,- euro, stuit daar op af. Het hof heeft immers hoe dan ook kunnen komen tot het oordeel dat sprake is van een vermoeden van witwassen.

6.2.

Ook de derde deelklacht over de bewezenverklaring van gewoontewitwassen faalt. Het argument dat de steller van het middel aanvoert, is, dat deze bewezenverklaring steunt op de overweging dat de verdachte binnen een kort tijdbestek betalingen heeft verricht, terwijl het hof enkel het voorhanden hebben van geldbedragen bewezen heeft geacht. Het doen van deze betalingen maar ook het storten van het geld impliceren echter dat de verdachte daarmee ook telkens die (contante) geldbedragen voorhanden heeft gehad.

6.3.

Dan blijft de vierde deelklacht nog over, die gaat over de verwerping door het hof van het verweer dat (ten tijde van de tenlastegelegde periode) het voorhanden hebben van gelden uit eigen misdrijf niet gekwalificeerd kan worden als witwassen. Daartoe wordt in de toelichting op het middel (enkel) aangevoerd dat het hof in zijn oordeel heeft betrokken dat de verdachte zich bezig hield met strafbare feiten terwijl het de juistheid van de stelling van de verdediging dat de geldbedragen afkomstig waren uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf in het midden heeft gelaten. De verwerping van het kwalificatieverweer zou daarmee onbegrijpelijk zijn. Ik zie dat anders. Na het toepasselijke juridisch kader over witwassen te hebben uiteengezet overweegt het hof namelijk: “Echter, op grond van bestendige jurisprudentie geldt dat een verklaring van een verdachte dat van verwerven of voorhanden hebben van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp sprake is, enkel mogelijk tot dat oordeel aanleiding kan geven indien door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.”

6.4.

Hieruit volgt naar mijn mening onmiskenbaar dat het hof oordeelt dat hetgeen de verdachte heeft aangevoerd over de herkomst van het geld, als te weinig concreet heeft opgevat en daarom kennelijk van oordeel is dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een uit onmiddellijk eigen misdrijf afkomstig voorwerp zodat het feit als witwassen kan worden gekwalificeerd. De stelling dat het hof in het midden heeft gelaten of de geldbedragen (onmiddellijk) uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf afkomstig zijn, berust op een onjuiste lezing van het arrest. Dat het hof, in het kader van zijn (tussen)oordeel dat sprake is van een vermoeden van witwassen, heeft overwogen dat verdachte zich bezig hield met strafbare feiten maakt dat niet anders. Het hof heeft daarmee het toepasselijk juridisch kader omtrent witwassen en de kwalificatie-uitsluitingsgrond, zoals door het hof in zijn arrest ook vooropgesteld, niet miskend. Onbegrijpelijk is zijn oordeel evenmin. De verdachte heeft immers enkel verklaard dat het geld uit eigen criminele activiteiten zou zijn verkregen en dat hij zich eerder met drugsfeiten bezig had gehouden. De raadsman heeft vervolgens met betrekking tot feit 4 enkel aangevoerd dat de rechtbank zou hebben geoordeeld dat sprake is van uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp (hetgeen ik overigens niet zo lees) en een arrest aangehaald van de medeverdachte [betrokkene 5] en daarvan gezegd dat dezelfde redenering en uitkomst (namelijk ontslag van alle rechtsvervolging) dient te volgen. Daarbij merk ik nog op dat de enkele omstandigheid, dat de herkomst uit een door verdachte (onmiddellijk) zelf begaan misdrijf ‘niet kan worden uitgesloten’ niet volstaat om de kwalificatie-uitsluitingsgrond toepasselijk te achten.10 Daarnaast is in onderhavige zaak geen sprake van een bewezenverklaring van een misdrijf ten aanzien van hetzelfde witgewassen voorwerp, noch zijn er bewijsmiddelen waaruit rechtstreeks voortvloeit dat er sprake is van het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is.

6.5.

Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.

7 Beoordeling van het derde middel

7.1.

Het hof heeft ten aanzien van feit 5 vastgesteld dat het geldbedrag van € 235.140,- bij een doorzoeking in de woning van verdachte is aangetroffen in een ruimte onder de trap. Deze ruimte was met een houten plaat afgesloten. Van verdachte zijn geen legale bronnen van inkomsten bekend. Ook is niet bekend dat hij beschikte over legaal vermogen. In samenhang met het feit dat de verdachte ter zitting heeft verklaard dat het geld afkomstig is uit eigen criminele activiteiten, acht ik het oordeel van het hof dat sprake is van een vermoeden van witwassen geenszins onbegrijpelijk. Daarbij neem ik, net als bij het tweede middel, in aanmerking dat ter zitting door de verdediging (enkel) verweer is gevoerd dat het bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen omdat dit geld uit eigen misdrijf afkomstig zou zijn geweest. De eerste deelklacht, die klaagt over het oordeel dat sprake is van een vermoeden van witwassen, faalt dan ook.

7.2.

Dan de tweede deelklacht, die net als het tweede middel in wezen de vraag aan de orde stelt of het kennelijk oordeel van het hof dat niet aannemelijk is geworden dat het geldbedrag onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is, begrijpelijk is in het licht hetgeen door de verdediging daaromtrent is aangevoerd. Net als bij het tweede middel geldt ook hier dat de stelling in de toelichting op het middel dat het hof in het midden heeft gelaten of het geldbedrag uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf afkomstig is, berust op een onjuiste lezing van het arrest. Ook met betrekking tot feit 5 ligt namelijk in de overwegingen van het hof besloten dat het van oordeel is dat het niet aannemelijk is geworden dat het geldbedrag onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is: “Tegen de achtergrond van de bestendige jurisprudentie zoals reeds hiervoor aangehaald onder feit 4 geldt echter ook bij het tenlastegelegde witwassen bij feit 5 dat een verklaring van een verdachte dat van verwerven of voorhanden hebben van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp sprake is, enkel mogelijk tot dat oordeel aanleiding kan geven indien door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (…).” Dat het hof, in het kader van zijn (tussen)oordeel dat sprake is van een vermoeden van witwassen, (wederom) heeft overwogen dat verdachte zich bezig hield met strafbare feiten maakt dat niet anders. Het hof heeft daarmee het toepasselijk kader omtrent witwassen en de kwalificatie-uitsluitingsgrond, zoals door het hof in zijn arrest ook vooropgesteld, niet miskend.

7.3.

De vraag is vervolgens of het oordeel van het hof begrijpelijk en/of toereikend gemotiveerd is, aangezien de raadsman heeft aangevoerd dat het voorhanden hebben van het hetzelfde geldbedrag zoals onder feit 5 bewezenverklaard, ook door de rechtbank in de zaak Radium met parketnummer 01-993936-15 bij vonnis van 6 februari 2018 is meegenomen in de bewezenverklaring in het kader van drugsfeiten. Ik meen van wel. Het door de raadsman aangehaalde vonnis, dat zich tussen de stukken in het dossier bevindt, laat weliswaar zien dat hetzelfde contante geldbedrag11 betrokken is geweest bij een ander strafbaar feit waarvoor de verdachte is veroordeeld, maar een concrete onderbouwing voor de stelling dat dit geldbedrag onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is, levert dat niet op. Het feit dat het aanwezig hebben van het geldbedrag, naast vele andere in het vonnis genoemde voorwerpen, als voorbereidingshandeling van bedrijfsmatige hennepteelt in de zin van art. 11a Ow wordt gezien, zegt immers nog niets over de (criminele) herkomst van dit geldbedrag.12 Dit zou anders zijn als het bewuste geldbedrag bijvoorbeeld betrokken was geweest bij een veroordeling van de verdachte voor diefstal. Ter vergelijking: ook het aanwezig hebben van de 34 telefoons die de rechtbank in de veroordeling van art. 11a Ow heeft betrokken (zie hiervoor onder 4.11) betekent nog niet dat deze telefoons daarmee (onmiddellijk) van (eigen) misdrijf afkomstig zijn, maar slechts dat ze voor criminele doeleinden (zouden) worden gebruikt. Naar mijn mening hoefde het hof dan ook niet uitgebreider te responderen op het verweer dan het heeft gedaan, zodat ook de tweede deelklacht faalt.

7.4.

Het derde middel faalt.

8 Ambtshalve opmerkingen

8.1.

De verdachte heeft op 7 mei 2020 cassatie ingesteld en bevindt zich in voorlopige hechtenis. Reeds bij het nemen van deze conclusie is op voorhand aannemelijk dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan zestien maanden (7 september 2021) zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn in cassatie hetgeen de Hoge Raad dient te compenseren.

8.2.

Ten overvloede vestig ik nog de aandacht op een deelbeslissing van het hof met betrekking tot het beslag. Het hof heeft onder meer bepaald:


“Over de op de lijst van in beslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen die inmiddels zijn vernietigd zal het hof geen beslissing nemen. Uit artikel 134, tweede lid, Sv volgt immers dat het beslag door de vernietiging is geëindigd.”

8.3.

Uit art. 353 lid 1 Sv volgt echter dat de strafrechter in de hoofdzaak een beslissing dient te nemen over de op grond van art. 94 Sv in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Daartoe behoren ook vernietigde voorwerpen, zo blijkt uit art. 353 lid 3 en art. 119 lid 2 Sv. In het geval (naast de mogelijkheid tot ‘definitieve’ verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer) teruggave dient te volgen, kan dit weliswaar feitelijk niet meer plaatsvinden maar kan wel worden overgegaan tot uitbetaling van de waarde ervan.13 Dit heeft het hof miskend. In casu wordt daarover in cassatie niet geklaagd. Ik volsta dan ook met erop te wijzen dat de verdachte op de voet van art. 552a Sv alsnog een rechterlijke beslissing hierover kan uitlokken.14

9 Conclusie

9.1.

De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

9.2.

Ambtshalve heb ik, afgezien van hetgeen ik onder 8.1 heb overwogen, geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar alleen voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De volledige kwalificatie luidt als volgt: “medeplegen van enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van zijn ambt en wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden meermalen gepleegd.”

2 De volledige kwalificatie luidt als volgt: “van het plegen van witwassen een gewoonte maken.”

3 De volledige kwalificatie luidt als volgt: “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.9 eerste lid van de Telecommunicatiewet, opzettelijk begaan.”

4 De volledige kwalificatie luidt als volgt: “een reisdocument en een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet, dat het vals is.”

5 Ik merk daarbij op dat in de bewijsoverwegingen hier en daar ook andere slordigheden zijn te bespeuren, zo wordt er soms gesproken over ‘verdachte’ terwijl daarmee eigenlijk ‘medeverdachte [medeverdachte 3] ’ wordt bedoeld.

6 Zie HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ 2017/218 m.nt. Mevis. Dit kader is meest recentelijk herhaald in HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:78. Er is veel rechtspraak gewijd aan de vormgeving van (het toepassingsbereik van) de kwalificatie-uitsluitingsgrond. In grote lijnen is de hier geformuleerde, vooralsnog meest definitieve vorm het resultaat van HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7923, NJ 2008/16 m.nt. Borgers (waarin het uitgangspunt is geformuleerd dat het enkele voorhanden hebben van een uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp niet in de weg hoeft te staan aan een kwalificatie van gewoon (schuld)witwassen); HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, NJ 2010/655 m.nt. Keijzer (waarin de kwalificatie-uitsluitingsgrond werd geformuleerd); HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266 m.nt. Borgers (waarin die uitsluitingsgrond werd verduidelijkt); HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3302 (waarin werd overwogen dat de uitsluitingsgrond niet alleen van toepassing is op het ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp, maar ook op het verwerven daarvan); HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75 m.nt. Borgers onder NJ 2014/77 van diezelfde datum (inhoudende dat de nadere motiveringseis die in het kader van de kwalificatie-uitsluitingsgrond is geformuleerd voor de situatie waarin de verdachte een voorwerp heeft verworven of voorhanden heeft, slechts geldt als dat verwerven of voorhanden hebben het gevolg is van een door hemzelf gepleegd misdrijf), en HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 m.nt. Keijzer onder NJ 2014/305 (waarin de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing wordt geacht op voorwerpen die middellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte begaan misdrijf).

7 HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714, NJ 2014/303 m.nt Keijzer onder NJ 2014/305.

8 HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500 m.nt. Keijzer, rov. 2.5.2.

9 HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3618, NJ 2015/160 m.nt. Keijzer; HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:888, NJ 2015/339 m.nt. Keijzer onder NJ 2015/340 van diezelfde datum, en het overzichtsarrest van HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, NJ 2017/218 m.nt. Mevis, rov. 2.4.2.

10 HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:78. Datzelfde geldt voor voorwerpen die middellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte begaan misdrijf, vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702.

11 Feitelijk wordt in dit vonnis betrokken een bedrag van € 235.330 euro dat op 29 september 2015 is aangetroffen in de woning van de verdachte, terwijl in onderhavige zaak het gaat om € 235.140 euro. Dit verschil valt echter te verklaren door het feit dat 190 euro van eerstgenoemd bedrag bestond uit valse biljetten, zoals blijkt uit de hiervoor onder 4.6. geciteerde bewijsmiddelen die door het hof tot het bewijs zijn gebruikt.

12 Blijkens het vonnis van de rechtbank wenste de verdachte ook geen verklaring af te leggen voor de aanwezigheid van de bewezenverklaarde voorwerpen in zijn woning en beriep hij op zijn zwijgrecht.

13 Vgl. HR 27 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5210, rov. 3.3. en de conclusie van AG Machielse voor HR 14 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR4905, onder 3.6.

14 En voor het openbaar ministerie is er de mogelijkheid van art. 552f Sv.