Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:1081

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-11-2021
Datum publicatie
21-12-2021
Zaaknummer
20/04397
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:520, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vermogensrecht. Effectenlease. Verstekvonnis tot betaling restschuld uit effectenlease-overeenkomst. Vordering (na vermindering met bedrag waarop afnemer o.g.v. verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst recht heeft) verjaard, omdat grondslag vordering is vervangen door verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/04397

Zitting 19 november 2021

CONCLUSIE

M.H. Wissink

In de zaak

[eiser]

tegen

Tealinez B.V.

1 Inleiding

1.1

Deze zaak betreft de incasso in 2018, op basis van een verstekvonnis uit 2003, van een vordering tot betaling van een restschuld na afloop van een effectenleaseovereenkomst. Het hof verwierp het standpunt dat de verbindend verklaring van de Duisenberg-regeling (de WCAM-overeenkomst) in 2007 tot gevolg heeft dat de grondslag van de vordering niet langer de effectenleaseovereenkomst is, maar de WCAM-overeenkomst en daarom op de voet van art. 3:307 lid 1 BW vijf jaar na 2007 is verjaard. Het middel komt m.i. vergeefs op tegen dit oordeel. Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiser] respectievelijk Tealinez.

2 Feiten en procesverloop

2.1

Het hof heeft de volgende feiten vastgesteld, waarvan in cassatie kan worden uitgegaan:1

(i) Dexia Bank Nederland N.V. is rechtsopvolgster van de naamloze vennootschap Bank Labouchere N.V., ook wel handelend onder de handelsnaam Legio, die op haar beurt rechtsopvolgster is van de besloten vennootschap Legio Lease B.V. Dexia en haar rechtsvoorgangers worden hierna aangeduid als Dexia.

(ii) [eiser] en Dexia hebben op of omstreeks 18 augustus 1999 een effectenleaseovereenkomst ondertekend met een looptijd van drie jaren onder de naam WinstVerDriedubbelaar en met nummer [001] (hierna: de effectenleaseovereenkomst). Op basis van deze overeenkomst verstrekte Dexia aan [eiser] een lening voor de aankoop van effecten tot een bedrag van € 38.985,50. [eiser] was ter zake van de lening 36 maandtermijnen van fl 500,73 / € 237,22 verschuldigd aan Dexia. Het aankoopbedrag voor de effecten diende [eiser] bij het einde van de looptijd af te lossen. Dit bedrag zou worden verrekend met de verkoopopbrengst van de aandelen.

(iii) De effectenleaseovereenkomst is op 19 augustus 2002 met verlies geëindigd door het verstrijken van de overeengekomen looptijd. In verband hiermee heeft Dexia een eindafrekening opgemaakt en aanspraak gemaakt op betaling van een bedrag van € 17.067.

(iv) Na [eiser] een eindafrekening te hebben verzonden en in gebreke te hebben gesteld, heeft Dexia [eiser] gedagvaard.

(v) Bij verstekvonnis van 8 oktober 2003 is [eiser] veroordeeld tot betaling van het bedrag van de eindafrekening, vermeerderd met de contractuele rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

(vi) Bij beschikking van 25 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033 (verder: de beschikking) heeft het hof Amsterdam de zogenoemde Duisenberg-regeling verbindend verklaard. De Duisenberg-regeling is een tussen Dexia en belangenorganisaties tot stand gekomen WCAM-overeenkomst (overeenkomst als bedoeld in artikel 7:907 BW ter collectieve afwikkeling van massa-schade, verder de WCAM-overeenkomst). Op grond van die beschikking eindigt de termijn waarbinnen een gerechtigde schriftelijk (door middel van een zogenoemde opt out-verklaring) kan laten weten niet gebonden te willen zijn aan die regeling op 31 juli 2007.

(vii) [eiser] heeft niet tijdig een opt out-verklaring afgelegd.

(viii) In de WCAM-overeenkomst is - voor zover thans van belang - onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 2 - De Gerechtigden

2.1

De Gerechtigden zijn alle personen die met Dexia een effectenlease-overeenkomst zijn aangegaan, met uitzondering van de in artikel 2.2 en 2.3 bedoelde personen.

2.2

Een persoon is geen Gerechtigde met betrekking tot een effectenlease-overeenkomst:

(...)

(e) die onderwerp is van een tussen Dexia en de Contractant gewezen gerechtelijke uitspraak die op de datum van ondertekening van deze Overeenkomst kracht van gewijsde heeft verkregen of voorafgaand aan de datum van de Beschikking kracht van gewijsde verkrijgt;

(...)

Artikel 3 - De omvang van de Vergoeding - indeling

3. De Vergoeding wordt per Effectenlease-overeenkomst berekend en is gelijk aan een percentage van de Restschuld, waarbij de indeling en daarmee dat percentage conform het bepaalde in artikel 4 tot en met 8 [het hof leest gelet op de beschikking: 9] afhankelijk is van: (...)

Artikel 9 - Vergoedingen Reguliere Beëindiging op of na de Peildatum

(...)

Restschuldproduct

9.2 Indien op of na de Peildatum een Reguliere Beëindiging plaatsvond respectievelijk plaatsvindt van een Restschuldproduct, dan wordt met betrekking tot de desbetreffende Effectenlease-overeenkomst een Vergoeding toegekend gelijk aan 66,67% van de RSP Restschuld, (...)

Artikel 13 - Tijdstip en wijze van uitbetaling van de Vergoeding

13.1 De Vergoeding waarop een Gerechtigde uit hoofde van deze Overeenkomst in verband met een bepaalde Effectenlease-Overeenkomst recht heeft, wordt voor zo veel mogelijk verrekend met (i) de Restschuld die bij de Beëindiging van die Overeenkomst ontstaat, en (ii) eventuele (andere) Openstaande Posten. (...) De Gerechtigde is geen rente of andere vertragingsvergoeding verschuldigd terzake van verplichtingen die aldus worden verrekend. Dexia zal deze verrekening ook zonder daartoe strekkend verzoek van de Gerechtigde toepassen. (...)

Artikel 14 - Kwijting

14.1 Elke Gerechtigde verleent aan Dexia (...) kwijting terzake van alle vorderingen die voortvloeien uit of verband houden met de geldigheid, het aangaan en de uitvoering van de Effectenlease-Overeenkomsten en de wijze waarop voor dergelijke overeenkomsten reclame is gemaakt of anderszins het aangaan daarvan is bevorderd, ongeacht de aard en grondslag van dergelijke vorderingen (...)

14.4 Voor zover bestaande of toekomstige verplichtingen uit een Effectenlease-overeenkomst niet teniet gaan door verrekening met een Vergoeding uit hoofde van deze Overeenkomst, bevestigt de Gerechtigde die verplichtingen2 en de rechtshandelingen waaruit die voortvloeien en worden die verplichtingen, voor zover die zich niet voor bevestiging lenen, hierbij vernieuwd.

De voorwaarden en condities van de Effectenlease-overeenkomsten van een Gerechtigde (...) blijven onverminderd van kracht voor zover daarvan bij deze Overeenkomst niet is afgeweken

(…)”.

(ix) Dexia heeft de in geding zijnde vordering overgedragen aan een derde en deze heeft de vordering overgedragen aan Tealinez.

(x) Op 3 april 2018 heeft Tealinez het verstekvonnis (opnieuw) laten betekenen aan [eiser] en de tenuitvoerlegging van dat vonnis aangezegd. Het door [eiser] te betalen bedrag was blijkens het exploot inmiddels opgelopen tot € 87.269,81, waarvan € 68.216,49 aan rente.

2.2

[eiser] heeft op 30 april 2018 verzet aangetekend tegen het verstekvonnis. Hij vorderde de vernietiging van het verstekvonnis en primair de afwijzing van de inleidende vorderingen van Dexia, subsidiair een gebod aan Tealinez met onmiddellijke ingang verdere incassomaatregelen uit hoofde van het verstekvonnis te stoppen.

2.3

Tealinez heeft haar eis vervolgens onder verwijzing naar de WCAM-overeenkomst verminderd tot een bedrag in hoofdsom van € 11.112,66, vermeerderd met de contractuele, althans de wettelijke rente.

2.4

Bij vonnis in verzet van 9 januari 2019 heeft de rechtbank Rotterdam, kort gezegd, het beroep van [eiser] op verjaring gehonoreerd, het verstekvonnis vernietigd en de vordering van (thans) Tealinez afgewezen. Daartoe overwoog de rechtbank:

“4.11. De WCAM-overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:907 BW die door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard (…).

Zodra het verzoek tot verbindendverklaring is toegewezen heeft de WCAM-overeenkomst (op grond van artikel 7:908 lid 1 BW) voor Dexia en [eiser] de gevolgen van een vaststellingsovereenkomst. De verbindendverklaring heeft geen gevolg ten aanzien van een gerechtigde, als hij gebruik maakt van de opt-outregeling (artikel 7:908 lid 2 BW), maar daar is in dit geval geen sprake van. De WCAM-overeenkomst heeft dus per 25 januari 2007 voor Dexia en [eiser] de gevolgen van een vaststellingsovereenkomst. Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging van een onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan (artikel 7:900 lid 1 BW).

4.12. Op grond van het voorgaande geldt dat de rechtsverhouding tussen (de rechtsvoorganger van) Tealinez en [eiser] is vervangen door de WCAM-overeenkomst. Dit betekent dat (de rechtsvoorganger van) Tealinez vanaf 25 januari 2007 niet langer de bevoegdheid toekomt om het verstekvonnis van 8 oktober 2003 ten uitvoer te leggen. Dat in de WCAM-overeenkomst niet uitdrukkelijk is geregeld hoe moet worden omgegaan met een tussen partijen gewezen gerechtelijke uitspraak die op dat moment nog geen kracht van gewijsde heeft verkregen, doet hier niet aan af. Daarbij weegt de rechtbank de volgende omstandigheden mee:

  • -

    De WCAM-overeenkomst had tot doel om een zo groot mogelijk bereik te krijgen en Dexia was bereid om met de WCAM-overeenkomst daadwerkelijke en mogelijke geschillen en/of daadwerkelijke en mogelijke onzekerheden over de rechtsbetrekkingen tussen Dexia en de gerechtigden te beëindigen (…).

  • -

    In de WCAM-overeenkomst heeft Dexia zich verplicht om de aan de gerechtigden toekomende vergoeding met de restschuld en andere openstaande posten te verrekenen (…).

  • -

    De gerechtigden verlenen Dexia kwijting kort gezegd ter zake van al hun andere (eventuele) rechten en bevoegdheden tegen Dexia en bevestigen, dan wel ‘vernieuwen’, (eventueel) na vergoeding overblijvende verplichtingen jegens Dexia (…).

4.13. De vordering van (de rechtsvoorganger van) Tealinez is dus een vordering tot nakoming van een verbintenis uit hoofde van de algemeen verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst, waarin de achterliggende vordering uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst is bevestigd, danwel ‘vernieuwd’. Deze vordering verloopt door vijfjaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (artikel 3:307 lid 1 BW). Deze vordering van (de rechtsvoorganger van) Tealinez is opeisbaar geworden op de dag van de algemeen verbindendverklaring, dus op 25 januari 2007. Dit is immers het moment vanaf wanneer de WCAM-overeenkomst voor Dexia en [eiser] de gevolgen van een vaststellingsovereenkomst heeft (…).”

2.5

Op het hoger beroep van Tealinez heeft het hof Den Haag bij arrest van 29 september 2020 het vonnis in verzet vernietigd, voor zover daarbij de vordering van Tealinez geheel is afgewezen en ten aanzien van de proceskosten, en in zoverre opnieuw rechtdoende [eiser] veroordeeld tot betaling aan Tealinez van € 11.112,66, vermeerderd met de contractuele rente voor zover deze niet hoger is dan de wettelijke rente ex art. 6:119 BW ingaande 19 augustus 2002, en de proceskosten van zowel de procedure in eerste aanleg als van het hoger beroep gecompenseerd.

2.6

Het hof overwoog ten aanzien van het beroep op verjaring:

“3.4 Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering van Dexia op 9 september 2003, ten tijde van de inleidende dagvaarding, niet was verjaard. De instelling van de eis had ingevolge artikel 3:316 BW stuitende werking gedurende de procedure. De eis is door een toewijzing (het verstekvonnis) gevolgd. Hierop is artikel 3:324 BW van toepassing, welk artikel bepaalt dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging verjaart door verloop van 20 jaar na de uitspraak. Sinds het verstekvonnis zijn nog geen 20 jaar vestreken. De bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis was dus nog niet verjaard. Door het instellen van verzet is de stuitende werking van de inleidende dagvaarding herleefd. De vordering van Tealinez was toen dus nog niet verjaard. De omstandigheid dat partijen inmiddels waren gebonden aan de WCAM-overeenkomst (die maakte dat [eiser] jegens Tealinez recht had verkregen op een met de eindafrekening te verrekenen vergoeding) doet daaraan niet af.

3.5 Tealinez heeft met haar eiswijziging in eerste aanleg ook geen afstand gedaan van haar vordering. Zij heeft slechts haar eis verminderd, omdat zij had onderkend dat in de periode tussen het verstekvonnis en het verzet de eerder genoemde WCAM-overeenkomst tot stand is gekomen en verbindend verklaard en dat deze overeenkomst van invloed is op (het saldo van) haar vordering. [eiser] is immers een Gerechtigde als bedoeld in artikel 2 van die overeenkomst, die in gevolge de WCAM-overeenkomst jegens Dexia aanspraak kan maken op een vergoeding, die dient te worden verrekend met haar vordering.

3.6 Daarom valt niet in te zien dat door deze eisvermindering verjaring is ingetreden. Tealinez heeft immers niet de grondslag van haar vordering gewijzigd of prijsgegeven (die blijft nakoming van de tussen Dexia en [eiser] gesloten effectenleaseovereenkomst), maar heeft slechts haar vordering aangepast in die zin dat zij deze heeft verminderd met de vergoeding die aan [eiser] toekomt op basis van de WCAM-overeenkomst. De WCAM-overeenkomst heeft immers niet aan Tealinez het recht ontnomen nakoming te vorderen van de Effectenlease-overeenkomst (artikel 14.4), maar verplicht Tealinez wel tot verrekening van haar vordering met de aan [eiser] toekomende vergoeding (artikel 13.1). Ook de verminderde vordering is dus niet verjaard. (…)”

Het hof heeft daarna beoordeeld in hoeverre de vordering toewijsbaar is en geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Tealinez aanspraak maakt op een contractuele rente van 0,96% per maand voor zover deze meer bedraagt dan de wettelijke rente.

2.7

Met een op 28 december 2020 bij de Hoge Raad ontvangen procesinleiding heeft [eiser] tijdig cassatieberoep ingesteld tegen dit arrest. Tealinez is in cassatie niet verschenen. Namens [eiser] is afgezien van een schriftelijke toelichting.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het middel bevat drie onderdelen. De onderdelen 1 en 2 zijn gericht tegen het oordeel van het hof dat geen sprake is van verjaring. Onderdeel 3 bevat een louter voortbouwende klacht.

3.2

Onderdeel 1 klaagt dat het hof in rov. 3.4-3.6 heeft miskend dat de grondslag van de vordering van Tealinez niet meer is nakoming van de effectenleaseovereenkomst maar nakoming van de WCAM-overeenkomst. Daartoe wordt erop gewezen dat de WCAM-overeenkomst op grond van art. 7:908 lid 1 BW de gevolgen heeft van een vaststellingsovereenkomst, waarbij ieder der gerechtigden als partij geldt. Volgens de klacht is de vordering uit hoofde van de WCAM-overeenkomst verjaard op de gronden die de rechtbank noemt in rov. 4.13 van haar vonnis, althans heeft het hof nagelaten te motiveren waarom dat niet zo is.

3.3

Onderdeel 2 klaagt dat onjuist of onbegrijpelijk is dat volgens het hof in rov. 3.6 de WCAM-overeenkomst niet aan Tealinez het recht heeft ontnomen nakoming te vorderen van de effectenlease-overeenkomst. Art. 14.4 van de WCAM-overeenkomst bepaalt immers dat de gerechtigde de verplichtingen uit de effectenleaseovereenkomst en de rechtshandelingen waaruit die voortvloeien bevestigt en dat die verplichtingen, voor zover ze zich niet voor bevestiging lenen, worden vernieuwd. Hieruit volgt - althans mede bezien in het licht van art. 7:900 lid 1 BW - dat de WCAM-overeenkomst leidt tot afstand van het vorderingsrecht uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst c.q. schuldvernieuwing. De woorden ‘bevestiging’ en ‘vernieuwing’ in art. 14.4 impliceren een nieuwe rechtsverhouding.

3.4

De klachten gaan er, kort gezegd, vanuit dat door de verbindend verklaring van de WCAM-overeenkomst, waaraan ook [eiser] gebonden is, de grondslag van de vordering van Tealinez niet langer de effectenleaseovereenkomst is, maar de WCAM-overeenkomst, omdat de WCAM-overeenkomst een vaststellingsovereenkomst is (onderdeel 1) en omdat dit volgt uit art. 14 lid 4 van de WCAM-overeenkomst (onderdeel 2).

3.5

Naar mijn mening slagen deze klachten niet. In de eerste plaats volgt uit de enkele omstandigheid dat de WCAM-overeenkomst een (ook) [eiser] bindende vaststellingsovereenkomst is, niet dat de grondslag van de vordering van (thans) Tealinez materieelrechtelijk – dus nog daargelaten de uitleg die het hof heeft gegeven aan de gewijzigde/verminderde vorderingen van Tealinez − niet langer de effectenleaseovereenkomst is (zie hierna in 3.6 e.v.). In de tweede plaats getuigt de uitleg die het hof aan de WCAM-overeenkomst heeft gegeven niet van een onjuiste rechtsopvatting en is deze niet onbegrijpelijk (zie hierna in 3.12 e.v.).

3.6

Art. 7:907 BW voorziet in de mogelijkheid om een overeenkomst over de afwikkeling van een groot aantal gelijksoortige schadevorderingen (‘massaschade’) die is gesloten tussen een of meer organisaties die de belangen van schuldeisers van die vorderingen behartigen en de aansprakelijke partij(en), door de rechter verbindend te laten verklaren voor de gehele groep benadeelden. Door de verbindendverklaring heeft de overeenkomst, aldus art. 7:908 lid 1 BW, “tussen partijen en de gerechtigden tot een vergoeding de gevolgen van een vaststellingsovereenkomst waarbij ieder der gerechtigden als partij geldt”. Met deze bepaling is blijkens de parlementaire geschiedenis beoogd om een hernieuwde discussie over aanspraken op schadevergoeding uit te sluiten.3 Een benadeelde die niet gebonden wil zijn aan de overeenkomst, dient gebruik te maken van de opt-out-mogelijkheid binnen de daarvoor door de rechter te bepalen termijn (zie art. 7:908 lid 2).

3.7

Een vaststellingsovereenkomst is een overeenkomst waarbij partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar binden aan een vaststelling daarvan, bestemd ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken (art. 7:900 lid 1 BW). De vaststelling is de beoogde rechtstoestand. De inhoud van de vaststelling wordt bepaald door een beslissing van partijen gezamenlijk of krachtens een aan één van hen of een derde opgedragen beslissing, zo volgt uit art. 7:900 lid 2 BW.4 De vaststellingovereenkomst heeft (geen declaratieve, maar) dispositieve werking (zo volgt uit art. 7:901 lid 1 BW). Daarom zijn partijen jegens elkaar verplicht te verrichten hetgeen nodig is om aan de vereisten voor de totstandkoming van de vaststelling te voldoen (zo volgt uit art. 7:901 lid 2 BW). Voor zover aan deze vereisten kan worden voldaan door een verklaring van partijen of een hunner, wordt deze verklaring in de vaststellingsovereenkomst besloten geacht, tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit (art. 7:901 lid 3 BW).

3.8

In een vaststellingsovereenkomst verbinden partijen zich dus aan een beslissing over hetgeen rechtens tussen hen geldt en om de prestaties te verrichten die nodig zijn om de door de beslissing beoogde rechtstoestand (de vaststelling) te verwezenlijken.5 Zo kan een vaststellingsovereenkomst bijvoorbeeld meebrengen dat partijen de beslissing opdragen aan een derde en vervolgens rechtshandelingen moeten gaan verrichten om de met de beslissing van de derde beoogde rechtstoestand te verwezenlijken.

3.9

Het is ook denkbaar dat partijen in hun vaststellingsovereenkomst reeds de beslissing opnemen indien de beslissing wordt genomen door partijen zelf (zoals bij een schikking het geval kan zijn).6 Hetzelfde geldt voor de vaststelling, voor zover aan de vereisten voor de totstandkoming van de vaststelling kan worden voldaan door een verklaring van partijen.7 In zoverre is wel denkbaar dat de ‘vaststellingovereenkomst’ al leidt tot bepaalde rechtsgevolgen. De parlementaire geschiedenis wijst in dit verband op voorbeelden als afstand van een vordering en bevestiging van een vernietigbare rechtshandeling.8 Of hiervan in een concreet geval sprake is, zal door uitleg moeten worden vastgesteld, zoals ook blijkt uit de slotpassage van art. 7:901 lid 3 BW. Dat van een automatisme in dit opzicht geen sprake is, blijkt ook uit de volgende passage in de memorie van toelichting bij afdeling 7.15 van het Burgerlijk Wetboek:9

“Tenslotte verdient aandacht dat de nieuwe opzet ten aanzien van vaststellingen van vorderingsrechten niet impliceert dat moet worden aangenomen dat schuldvernieuwing plaats vindt (in het stelsel van het nieuwe wetboek: afstand van de oorspronkelijke vordering tegen toekenning van een nieuwe). De vraag in hoeverre wetsbepalingen die van toepassing waren op de oorspronkelijke vordering bij voorbeeld betreffende rechterlijke bevoegdheid, vervaltermijnen, verjaringstermijnen en voorrechten) na de vaststelling nog toepasselijk zijn, zal evenals in het huidige recht moeten worden beantwoord aan de hand van de strekking van de wetsbepalingen die voor toepassing in aanmerking komen, welke strekking van uiteenlopende aard kan zijn, zodat op dit punt moeilijk een algemene regel kan worden gegeven.”

3.10

De vaststellingsovereenkomst kan worden getypeerd als een hulpovereenkomst, in die zin dat zij wordt aangegaan in afhankelijkheid van een buiten haar liggende rechtsverhouding doordat zij beoogt deze rechtsverhouding bijvoorbeeld te bevestigen, te regelen, te wijzigen of af te wikkelen.10 Een vaststellingsovereenkomst behoeft niet betrekking te hebben op het gehele geschil tussen partijen.11 De inhoud van de vaststellingsovereenkomst en van de (eventueel daarin opgenomen) beslissing moet door uitleg worden vastgesteld.12

3.11

Uit het voorgaande volgt dat het enkele gegeven dat de verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst voor [eiser] de gevolgen heeft van een vaststellingsovereenkomst, niet meebrengt dat de op [eiser] rustende betalingsverplichtingen uit de effectenleaseovereenkomst teniet zijn gegaan (doordat, naar ik begrijp in het licht van onderdeel 2, sprake is van afstand van het vorderingsrecht en in de plaats daarvan nieuwe verbintenissen in het leven zijn geroepen). Het antwoord op de vraag of de WCAM-overeenkomst zodanige gevolgen heeft, is louter een kwestie van uitleg van deze overeenkomst. Onderdeel 1 gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting en slaagt daarom niet.

3.12

Onderdeel 2 stelt de uitleg van de WCAM-overeenkomst aan de orde. Het hof oordeelde in rov. 3.6, kort gezegd, dat de WCAM-overeenkomst niet aan Tealinez het recht heeft ontnomen nakoming te vorderen van de effectenleaseovereenkomst, maar [eiser] recht geeft op een bepaalde vergoeding die moet worden verrekend met de restschuld uit de effectenleaseovereenkomst (waartoe Tealinez haar vordering heeft verminderd). Het hof baseerde dit op art. 13.1 en 14.4 van de WCAM-overeenkomst.

3.13

De verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst dient naar objectieve maatstaven te worden uitgelegd.13 Ik lees in het middel geen klacht dat het hof een onjuiste uitlegmaatstaf heeft gehanteerd.

3.14

Het cassatiemiddel verwijst niet naar vindplaatsen in de stukken van de procedure bij de rechtbank en het hof, waaruit blijkt dat [eiser] heeft gesteld dat art. 14.4 van de WCAM-overeenkomst leidt tot afstand van het vorderingsrecht uit de effectenleaseovereenkomst c.q. schuldvernieuwing en dat de woorden ‘bevestiging’ en ‘vernieuwing’ een nieuwe rechtsverhouding impliceren. Overigens is, anders dan het onderdeel aanvoert, niet onbegrijpelijk dat het hof in ‘bevestiging’ van verplichtingen en rechtshandelingen geen afstand en schuldvernieuwing maar veeleer een erkenning heeft gelezen,14 mede gezien art. 13.1 van de WCAM-overeenkomst dat bepaalt dat de vergoeding waarop de gerechtigde uit hoofde van deze overeenkomst recht heeft zo veel mogelijk wordt verrekend met de restschuld die bij beëindiging van de desbetreffende effectenleaseovereenkomst ontstaat.

3.15

Dit wordt niet anders in het licht van de opmerkingen van Van Boom, waarnaar het onderdeel (in voetnoot 7) verwijst. Van Boom heeft in verband met hoofdelijke schuldenaren over WCAM-overeenkomsten in het algemeen opgemerkt:15

“De WCAM-bedragen die toegekend worden, zullen in de regel minder dan 100% van de werkelijk geleden schade vergoeden. In die zin leidt de vaststellingsovereenkomst dus tot afstand c.q. schuldvernieuwing. Als nu benadeelden eerst de uitkering uit de WCAM-schikking genieten en daarna eventuele hoofdelijke mededebiteuren die niet tot de aanbieders van de WCAM-schikking behoorden, aanspreken voor de resterende schade, dan kan de aansprakelijke partij die de WCAM-schikking had gesloten, alsnog in regres worden aangesproken voor een aansprakelijkheidsrisico dat hij met de vaststellingsovereenkomst juist probeerde in te dammen. Om die reden ligt het voor de hand dat gebondenheid van de benadeelde aan de WCAM-schikking mede ertoe leidt dat de benadeelde zich verbindt om de eventuele resterende vordering(en) die hij heeft op niet-betrokken mededebiteur(en) te verminderen met het bedrag dat van de WCAM-aanbieder(s) als bijdrage gevorderd had kunnen worden in de interne verhouding tussen de niet-betrokken mededebiteur(en) en de WCAM-aanbieder(s)”.

De opmerking van Van Boom betreft dus de schadevordering van de benadeelde die in een WCAM-overeenkomst is afgewikkeld.16 Het gaat in deze zaak echter om een vordering op de benadeelde uit hoofde van de restschuld na afloop van een effectenleaseovereenkomst.

3.16

De uitleg van de WCAM-overeenkomst door het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn. Hierop stuit onderdeel 2 af.

3.17

Onderdeel 3 bevat een louter op de onderdelen 1 en 2 voortbouwende klacht en dient daarom ook te falen. Ik kom tot de slotsom dat het cassatieberoep moet worden verworpen.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Plv.

1 Zie rov. 2.1-2.12 van het arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 september 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1710, in samenhang met rov. 2.1-2.14 van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:398).

2 Het hof citeert niet het vervolg van deze bepaling na het woord ‘verplichtingen’. De tekst van dit vervolg is ontleend aan de feitenvaststelling in rov. 2.9 van het vonnis van de rechtbank, waarvan ook het hof (blijkens rov. 1 van zijn arrest) is uitgegaan.

3 MvT, Kamerstukken II, 2003-2004, 29 414, nr. 3, p. 3-4 en 18.

4 Vgl. MvT, Kamerstukken II, 1982-1983, 17 779, nr. 3 , p. 37; Asser/Van Schaick 7-VIII 2018/133; A.J. Verheij, in: SBR Bijzondere overeenkomsten, 2019/453.

5 Vgl. MvT, Kamerstukken II, 1982-1983, 17 779, nr. 3, p. 36; Asser/Van Schaick 7-VIII 2018/141; C.Th.I.M. van den Heuvel & M.M. Maclean, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:900 BW, aant. 2.

6 Asser/Van Schaick 7-VIII 2018/147; A.G. Luttik, Bindende partijbeslissing en bindend advies in titel 7.15, in CHJB (Brunner-bundel), 1994, p. 261 (die hier de term ‘vaststelling’ gebruikt om de ‘beslissing’ aan te duiden).

7 Asser/Van Schaick 7-VIII 2018/159 (op p. 178 onderaan); Th.I.M. van den Heuvel & M.M. Maclean, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:900 BW, aant.4; A.J. Verheij, in: SBR Bijzondere overeenkomsten, 2019/453.

8 MvT, Kamerstukken II, 1982-1983, 17 779, nr. 3, p. 37.

9 MvT, Kamerstukken II, 1982-1983, 17 779, nr. 3, p. 38.

10 Asser/Van Schaick 7-VIII 2018/133; Asser/Sieburgh 6-III 2018/90; A.J. Verheij, SBR Bijzondere overeenkomsten, 2019/456.

11 C.Th.I.M. van den Heuvel & M.M. Maclean, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:900 BW, aant. 2.

12 Asser/Van Schaick 7-VIII 2018/157.

13 HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2835, NJ 2017/11, rov. 3.3.2. Zie ook HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936, NJ 2018/305 m.nt. J. Hijma, rov. 4.5.2 en 4.6.2. Ter onderscheiding: een cao kan algemeen verbindend verklaard worden en daarmee recht in de zin van art. 79 RO vormen.

14 Uit de omstandigheid dat in rov. 2.10 het hof art. 14.1 slechts citeert voor wat betreft ‘bevestigen’ kan worden afgeleid dat naar zijn oordeel niet wordt toegekomen aan de passage over ‘vernieuwen’.

15 W.H. van Boom, Hoofdelijke verbintenissen, 2016, p. 203.

16 Het door Van Boom besproken probleem is geregeld in art. 7:910 lid 1 in verbinding met art. 6:14 BW. Tenzij van een andere bedoeling blijkt, wordt een WCAM-overeenkomst geacht mede een beding in te houden als bedoeld in art. 6:14 BW. Dat is het beding dat ertoe leidt, kort gezegd, dat de afstand door de schuldeiser van zijn vorderingsrecht jegens een medeschuldenaar tot gevolg heeft dat deze medeschuldenaar wordt bevrijd van zijn bijdrageplicht jegens een andere medeschuldenaar.