Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2021:107

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-02-2021
Datum publicatie
09-02-2021
Zaaknummer
19/04748
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:488
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag ex art. 552a Sv tegen inbeslagneming lease-auto o.g.v. art. 94a Sv. Is het oordeel van de rechtbank juist, dat in het maatschappelijk verkeer klaagster wat betreft de juridische positie zozeer de status van civielrechtelijk eigenaar nadert, dat zij in het kader van de beklagzaak daaraan kan worden gelijkgesteld? De AG geeft de HR in overweging de beschikking van de rechtbank te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04748 B

Zitting 9 februari 2021

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[klaagster] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de klaagster.

  1. De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft bij beschikking van 9 oktober 2019 het beklag van de klaagster, strekkende tot teruggave aan haar van een op 6 maart 2019 onder haar in beslag genomen personenauto van het merk BMW, type 435d Xdrive met kenteken [kenteken 1] , ongegrond verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1.

Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat de klaagster als rechthebbende van de in beslag genomen auto kan worden aangemerkt onjuist en/of onbegrijpelijk is, althans dat de rechtbank bij de beoordeling van het beklag een te ruime - en daarmee onjuiste - maatstaf heeft toegepast.

3.2.

De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De feiten

De raadkamer heeft acht geslagen op het door klaagster ingediend klaagschrift, de stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier en de nader toegezonden stukken waaruit onder meer het volgende blijkt.

Op 6 maart 2019 is voornoemde personenauto in beslag genomen, omdat klaagster wordt verdacht van een opiumwetdelict, namelijk het kweken van (1004) hennepplanten. Er rust in de strafzaak tegen klaagster, conform artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering, conservatoir beslag op de personenauto nu er wederrechtelijk verkregen voordeel lijkt te zijn van € 120.245,90,-. Uit het dossier blijkt dat er aanwijzingen zijn voor een eerdere oogst.

Het beklag

De raadsman van klaagster stelt - zakelijk weergegeven - dat strafvordering zich niet langer verzet tegen teruggave van de in beslag genomen personenauto. Het is volgens de raadsman hoogst onwaarschijnlijk dat een rechter, later inhoudelijk oordelend over de strafzaak, aan klaagster een geldboete of ontnemingsmaatregel zal opleggen die het bedrag van het ook in beslag genomen geldbedrag van € 1.949,83,-, waar niet over wordt geklaagd, overschrijdt. Uit het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel volgt slechts dat klaagster in een hennepkwekerij is aangetroffen. Daaruit kan niet de conclusie worden getrokken dat de hennepkwekerij van haar is en dat de auto is gefinancierd met crimineel geld. De auto is gekocht in april 2017 en de kweekperiode dateert van 17 oktober 2018, dus kan de auto niet zijn betaald uit hennepactiviteiten.

De raadsman merkt verder op dat klaagster hooguit een ondergeschikte rol zou kunnen hebben gehad ten aanzien van de hennepkwekerij. Dit heeft gevolgen voor de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, dan wel de hoogte van de geldboete. De auto strekt ook niet tot het verkrijgen van enige zekerheid, nu klaagster niet de eigenaar is van de auto. Op grond van het bepaalde in artikel 2.1 van de algemene kredietvoorwaarden heeft klaagster aan [A] het bij het voertuig horende kentekenbewijs deel II ter hand gesteld, zodat zij niet in staat is om de auto te verkopen aan een derde partij. Aangezien op dat kentekenbewijs ook de tenaamstelling van de auto is vermeld, kan niet nader worden bewezen dat het voertuig op naam van klaagster staat. De eigendom van de auto gaat pas over, als het restbedrag van de aankoopsom is voldaan. Klaagster moet eerst nog ruim € 30.000,00 betalen. Klaagster is als gebruikster wel belanghebbende, maar geen eigenaar.

Overigens wordt klaagster bezwaard door de inbeslagneming van de auto en het voortduren daarvan, omdat zij de auto nodig heeft om zich te kunnen verplaatsen in en rondom haar woonplaats, alwaar geen openbaar vervoer aanwezig is. Daarnaast heeft klaagster de auto ook nodig om haar in Slowakije woonachtige oma te kunnen bezoeken en te verzorgen. Klaagster hielp haar oma met het doen van de boodschappen en bracht haar regelmatig naar afspraken in het ziekenhuis.

Gelet op het voorgaande stelt klaagster zich op het standpunt dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard en verwijst naar de zich in het dossier bevindende schriftelijke conclusie. De officier van justitie heeft gepersisteerd bij deze conclusie.

De beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend.

In een procedure als deze toetst de raadkamer de rechtmatigheid van het beslag en slechts marginaal het belang van een rechtens juiste en zorgvuldige strafvordering.

Het is niet komen vast te staan dat het beslag onrechtmatig is. De raadkamer overweegt voorts dat in het kader van deze raadkamerprocedure op basis van een klacht ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek, gelet op de aard van die procedure, niet anders dan summier kan zijn.

Dat klaagster rechthebbende is van de personenauto, volgt genoegzaam uit het raadkamerdossier en uit de door de raadsman ter zitting in raadkamer overgelegde financiële gegevens waaruit blijkt dat klaagster de auto maandelijks afbetaalt. Met betrekking tot de auto is er sprake van een leaseconstructie, waardoor in beginsel de lessor ( [A] ) de eigenaar is van de auto totdat klaagster aan alle betalingsverplichtingen heeft voldaan. Echter, klaagster heeft de dagelijkse beschikking over de auto, voldoet aan alle daarmee samenhangende verplichtingen en heeft tot op heden aan al haar - uit de overeenkomst voortvloeiende - betalingsverplichtingen voldaan. In het maatschappelijk verkeer nadert klaagster wat betreft de juridische positie zozeer de status van civielrechtelijk eigenaar, dat zij in het kader van deze beklagzaak daaraan kan worden gelijkgesteld. Naar het oordeel van de raadkamer kan klaagster dan ook als rechthebbende worden aangemerkt ter zake van de in beslag genomen auto.

Op grond van de verdenking tegen klager heeft de officier van justitie conservatoir beslag gelegd tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van het misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bij de stukken bevindt zich een kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering en een machtiging handhaven conservatoir beslag. De machtiging handhaven conservatoir beslag is gebaseerd op de overweging dat het aannemelijk is dat klaagster een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 120.245,90,- heeft genoten. Uit het dossier blijkt dat klaagster op heterdaad werd aangehouden in een in werking zijnde hennepkwekerij en trachtte te vluchten toen de politie binnen viel. Ook is gebleken uit haar telefoongegevens dat zij op het moment van binnenvallen door de politie, een sms-bericht verstuurde met in het Duits: "politie is binnen" of woorden van gelijke strekking. Dit duidt op het feit dat zij mogelijk andere verdachte(n) ingeseind heeft dat de hennepkwekerij ontdekt was. Klaagster bevond zich ten tijde van de aanhouding midden tussen de kweekruimtes en bevond zich alleen in deze ruimte die zij helemaal afgesloten had met slot en sleutel. Deze toegangsdeur die afgesloten was, was eveneens de enige toegangsdeur richting de kweekruimtes die vrij toegankelijk was. Tijdens het verhoor van klaagster, verklaarde zij dat zij de hennepplanten voor een onbekend gebleven persoon (ene [betrokkene 1] ) moest verzorgen en zij daar geld mee verdiende. Na de aanhouding werd naast de in beslag genomen auto ook een contant geldbedrag aangetroffen bij klaagster. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is het aannemelijk te achten dat klaagster een groot geldbedrag verdiend heeft met hennepteelt, bereiding/onderhoud van hennepplanten. Hierin is het belang van handhaving van het beslag gelegen en is het voortduren van het beslag naar het oordeel van de raadkamer proportioneel te achten.

Gelet op het voorgaande blijkt dat er nog sprake is van een strafvorderlijk belang, namelijk dat niet uit te sluiten is dat een rechter, later inhoudelijk oordelend over de strafzaak en een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, klaagster als verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling van een geldboete en/of een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, dat mogelijk de waarde van de auto vergaand overstijgt.

De raadkamer is voorts van oordeel dat in dezen het strafvorderlijk belang zwaarder moet wegen dan het persoonlijk belang van klaagster, nu klaagster haar stelling, dat zij de in beslag genomen personenauto nodig heeft om zich te kunnen verplaatsen in en rondom haar woonplaats, alwaar geen openbaar vervoer aanwezig is en om haar in Slowakije woonachtige oma te kunnen bezoeken en te verzorgen, niet nader heeft onderbouwd.

Gelet op het voorgaande zal het klaagschrift ongegrond worden verklaard.

De raadkamer zal derhalve beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.

De beschikking

De enkelvoudige raadkamer:

verklaart het klaagschrift ongegrond.”

3.3.

In de toelichting op de eerste deelklacht van het middel wordt aangevoerd dat de personenauto in onderhavig geval enkel verhaal in de zin van art. 94a Sv biedt indien deze aan de klaagster toebehoort (d.w.z. als de klaagster juridisch eigenaar van de auto is). Volgens de steller van het middel moet voor het verhaal als bedoeld in art. 94a, eerste en tweede lid, Sv zoveel mogelijk worden aangesloten bij de regels van het burgerlijk recht en is het oordeel van de rechtbank dat ook de klaagster - naast [A] - juridisch eigenaar van de auto is omdat zij het juridisch eigenaarschap aan het naderen is, in strijd met het (burgerlijk) recht dan wel onbegrijpelijk. Hetzelfde lot deelt het mede hierop gebaseerde oordeel van de rechtbank dat het beslag rechtmatig is gelegd en dat is gebleken van een strafvorderlijk belang voor (het voortduren van) het beslag, nu het beslag géén van de in art. 94a Sv genoemde doelen dient, aldus de steller van het middel.

3.4.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de klaagster rechthebbende is van de personenauto. In dat verband heeft de rechtbank vastgesteld dat met betrekking tot de auto sprake is van een leaseconstructie, waardoor in beginsel de lessor ( [A] ) de eigenaar is van de auto totdat klaagster aan alle betalingsverplichtingen heeft voldaan. Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat de klaagster de auto maandelijks afbetaalt, de dagelijkse beschikking over de auto heeft, aan alle daarmee samenhangende verplichtingen voldoet en tot op heden aan al haar - uit de overeenkomst voortvloeiende - betalingsverplichtingen heeft voldaan. Laatstgenoemde omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat de klaagster in het maatschappelijk verkeer wat betreft de juridische positie zozeer de status van civielrechtelijke eigenaar is genaderd dat zij in het kader van de beklagzaak daaraan wordt gelijkgesteld, zodat zij als rechthebbende van de in beslag genomen auto kan worden aangemerkt.

3.5.

Het oordeel van de rechtbank dat de klaagster in de beklagzaak als rechthebbende kan worden aangemerkt is mijns inziens onjuist, in aanmerking genomen dat op basis van de door de rechtbank vastgestelde feiten uitsluitend sprake is van economische eigendom en nog niet van juridische eigendom. Immers, de juridische eigendom ligt (bij een financial lease) nog steeds bij [A] .1 Klaagster beschikt als lessee niet over de bevoegdheid om de juridische eigendom van de auto te vervreemden of te bezwaren.

3.6.

Nu in de bestreden beschikking besloten ligt dat het conservatoir beslag is gelegd op grond van art. 94a, tweede lid, Sv en daartoe is vereist dat het inbeslaggenomen voorwerp toebehoort aan degene aan wie het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 GS Vermogensrecht, art. 3:84 BW, aant. 3.4.7.1.