Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:990

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-10-2020
Datum publicatie
27-10-2020
Zaaknummer
19/05068
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1973
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Verwerping verweer tot bewijsuitsluiting. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat op het moment dat de verdachte werd staande gehouden en aan hem, nadat de verbalisant een sterke hennepgeur had waargenomen, is gevraagd of hij drugs bij zich had en de buddyseat van zijn scooter te openen, er nog geen sprake was van een verhoorsituatie en ook geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. De AG stelt zich met verwijzing naar HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2056, NJ 2019/309 op het standpunt dat het middel daarover terecht klaagt. Het middel hoeft bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden omdat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verdachte niet in zijn belang is geschaad door het achterwege laten van de cautie. De bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd, ook als daaruit de verklaring van de verdachte waarvan het cassatiemiddel (impliciet) het gebruik als bewijs bestrijdt, wordt weggelaten. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05068 J

Zitting 27 oktober 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De verdachte is bij arrest van 7 november 2019 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 2 “medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen jeugddetentie en één week voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft daarnaast de verbeurdverklaring gelast van voorwerpen zoals genoemd in het arrest.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. L. Tricoli, advocaat te Alphen aan den Rijn, heeft één middel van cassatie voorgesteld waarin wordt geklaagd over de verwerping door het hof van een verweer tot bewijsuitsluiting.

2 De procesgang

2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“1. hij op 02 oktober 2018 te Leiden opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 58,3 gram hennep en/of 7,1 gram hasj, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2. een onbekend gebleven persoon in de periode tussen 28 september 2018 en 02 oktober 2018 te Leiden, opzettelijk heeft verstrekt, een hoeveelheid hennep en/of hasj, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode tussen 28 september 2018 en 02 oktober 2018 in Nederland, meermalen, opzettelijk behulpzaam is geweest, door voor die onbekend gebleven persoon die hennep en/of hasj te vervoeren en/of af te leveren en betalingen voor die hennep en/of hasj te ontvangen.”

2.2.

Deze bewezenverklaringen berusten op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 7 november 2019 verklaard - zakelijk weergegeven-:

Ik ontken niet dat ik drugs bij me had. Ik had twee telefoons bij me, een Nokia en een Samsung. Het klopt dat ik van A naar B ben gereden om spullen weg te brengen. Dat is volgens mij vijfmaal gebeurd.

2. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 2 oktober 2018 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018266368-2. Dit- proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 4-6):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 2 oktober 2018 hield ik te Leiden als verdachte aan: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 2001.

Op 2 oktober 2018 reed ik, verbalisant, over de IJsselmeerlaan te Leiden. Ik reed in een onopvallend dienstvoertuig en in uniform gekleed. Aldaar zag ik 2 scooters stil staan. Ik zag dat beide elkaar een hand gaven en weg reden. Ik zag dat 1 scooter mijn richting uit kwam rijden en dat er een jongen op zat welke wat jong op mij over kwam. Ik riep naar de jongen of hij even wilde stoppen omdat ik hem wilde controleren op grond van de Wegenverkeerswet. Hij stopte en ik liep naar de bestuurder van de scooter. Ik, verbalisant, rook tijdens de staandehouding de gehele tijd een behoorlijk sterke hennepgeur rondom [verdachte] . Ik vroeg [verdachte] of hij softdrugs, hennep, bij zich had. Ik hoorde hem zeggen dat hij geen drugs bij zich had. Ik rook echter een zeer sterke hennepgeur.

Ik vroeg vervolgens aan [verdachte] of hij de buddyseat van zijn scooter wilde openen omdat ik het idee had dat de geur uit de scooter kwam. [verdachte] opende de scooter. Ik zag dat er een zwart heuptasje lag. Ik pakte het tasje vast en rook direct een sterke hennepgeur uit het tasje komen. Hierop opende ik de ritssluiting en zag dat er een hoop kleine gripzakjes in zaten met gedroogde henneptoppen. Ik kon zien dat dit een grote hoeveelheid was en heb hierop [verdachte] aangehouden. Tijdens zijn fouillering trof ik in zijn linker broekzak 2 mobiele telefoons aan van het merk Nokia en Samsung.

In zijn rechter broekzak trof ik een stapel bankbiljetten, dit bleek te gaan om: 1 x 50 euro, 8 x 20 euro en 15 x 10 euro, totaal 360 euro.

Op het bureau van politie heb ik, verbalisant, als taakaccenthouder verdovende middelen nader onderzoek gedaan naar de aangetroffen hennep. Ik heb de aangetroffen hennep gewogen in de plastic verpakking. Dit bleek te gaan om 58,3 gram hennep en 7,1 gram hasj.

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 oktober 2018 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018266368-8. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 26-28):

als de op genoemde datum afgelegde verklaring van de verdachte:

In de buddyseat lag een zwarte heuptas met wiet. De wiet heb ik zelf opgehaald en erin gedaan om vervolgens ergens te brengen waar ik naartoe moest. In de [e-straat] heb ik het opgehaald. Ik had daar afgesproken met degene aan de telefoon. We spraken af dat het klaargelegd zou worden rondom het speelpleintje. Ik heb alleen 2 namen die in de telefoon stonden. Ze zeiden dit zijn twee nummers die je kunt bellen. Eentje is [betrokkene 1] en die andere weet ik niet. Ik heb die telefoon afgelopen vrijdag (het hof begrijpt: 28 september 2018) gekregen. Hij zei tegen mij dat ik makkelijk geld kon verdienen door alleen maar dingen heen en weer te brengen. Vijf keer heb ik dat gedaan, inclusief vandaag. 10 minuten voordat ik werd aangehouden had ik de wiet opgehaald. De 7,1 gram hash zat ook in het heuptasje.

4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 oktober 2018 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018266368-9. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 29-32):

als de op genoemde datum afgelegde verklaring van de verdachte:

De Nokia telefoon heb ik gekregen van personen, ze konden mij dan hierop bereiken. Ik ben er al best wel vaak op gebeld. Ik kreeg dan een opdracht van ga naar dat pleintje en kom dit ophalen en dat moet je dan daar of daar naar toe brengen. Ik moest dan een zakje wiet ophalen, net zo'n hoeveelheid als gisteren bij mij is aangetroffen. Ik denk dat ik dit een keer of 5 heb opgehaald.

Ik kreeg het adres binnen via SMS op de Nokia. In Leiden maar ook een keer in Oegstgeest. Ik zou 200 euro krijgen.

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 oktober 2018 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018266368-13. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 33-35):

als de op genoemde datum afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik kreeg de Nokia telefoon op vrijdag (het hof begrijpt: 28 september 2018). Ik heb alleen de persoon met het telefoon nummer eindigend op [001] gezien. We gingen er samen heen op de scooter. Ik moest wiet ophalen bij de skatebaan. Ik moest daar een tasje ophalen. We gingen samen omdat die andere jongen me de routes wilde leren kennen. [a-straat 1] was gistermiddag. Daar moest ik het naartoe brengen. Ik heb het beneden aan de flat afgegeven. Er stond iemand beneden. Ik belde met de Nokia met nummer eindigend op [002] die heeft het waarschijnlijk geregeld want toen kwam er iemand naar beneden. Ik heb daar een brood zakje vol met wiet afgegeven.

6. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 oktober 2018 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018266368-14. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - (blz. 54) :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 3 oktober 2018 hebben wij, verbalisanten, een onderzoek ingesteld naar sms verkeer op de telefoon van verdachte [verdachte] . Verdachte [verdachte] werd aangehouden inzake dealen en had twee telefoons bij zich welke in beslag genomen zijn. In de verklaring van de verdachte geeft deze aan dat er grotendeels informatie omtrent het bezorgen van wiet in de Nokia te vinden is. In de Nokia telefoon zijn maar 2 contacten ingevoerd te weten: telefoon nummer [002] en [001] . Via deze telefoonnummers krijgt de verdachte informatie omtrent de afleveradressen. Te lezen is dat er diverse adressen genoemd worden in Leiden, Voorhout en Oegstgeest. Uit onderzoek blijkt dat er geleverd is op 1 oktober op [b-straat 1] Leiden. Op 2 oktober op de [c-straat 1] en de [a-straat 1] te Oegstgeest verder is te lezen dat er geleverd is op 2 oktober 2018 bij [betrokkene 2] en de [d-straat 1] . Mogelijk is dit in Voorhout.”

2.3.

Volgens het proces-verbaal van de zitting van het hof van 7 november 2019 heeft de raadsman van de verdachte het navolgende verweer gevoerd:

“De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt.

Toen de verdachte werd aangehouden werd een sterke hennepgeur rondom hem geroken. Vervolgens zijn hem vragen gesteld. De vraag is of er dan sprake is van een verhoorsituatie. Dat vind ik wel. Er was sprake van een verdenking, van een strafbaar feit.

De verbalisant heeft gevraagd of de verdachte drugs in zijn bezit had. Dan is naar mijn mening sprake van een verhoorsituatie. Zonder dat hem de cautie is gegeven is hem gevraagd de buddyseat te openen. Op dat moment werkt de verdachte mee aan zijn eigen veroordeling en is de verdachte in zijn belangen geschaad.

Primair verzoek ik het hof het bewijs dat hieruit is voortgekomen uit te sluiten en de verdachte vrij te spreken van het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de verdachte drugs bij zich had. Met de bewezen verklaarde periode ben ik het ook niet eens. Die periode dient verkleind te worden. Ik verzoek het hof subsidiair de door de kinderrechter opgelegde straf voorwaardelijk op te leggen.”

2.4.

Het hof heeft het door de verdediging gevoerde verweer tot bewijsuitsluiting in zijn nadere bewijsoverweging als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman heeft namens de verdachte bewijsuitsluiting bepleit nu aan de verdachte niet de cautie is gegeven toen hij werd staande gehouden en aan hem is gevraagd of hij drugs bij zich had en de buddyseat van zijn scooter te openen, nadat de verbalisant een sterke hennepgeur had waargenomen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Aan artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering ligt ten grondslag dat niemand verplicht of gedwongen kan worden aan zijn eigen veroordeling mee te werken.

De Hoge Raad beschouwt als verhoor in de zin van artikel 29 Sv 'alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkte persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit'.

Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige zaak nog geen sprake van een verhoorsituatie zoals bedoeld in het Wetboek van Strafvordering. Het stond de politie vrij om de verdachte te vragen of hij softdrugs bij zich had en - nadat hij daarop ontkennend had geantwoord - de buddyseat van zijn scooter te openen. Er was op dat moment geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Vervolgens heeft de verdachte vrijwillig de buddyseat geopend. Vervolgens is hem de cautie gegeven.

Het feit dat de verbalisant een sterke hennep geur had waargenomen, maakt deze situatie naar het oordeel van het hof niet anders. Door het - ten tijde van het stellen van bovenvermelde vragen - achterwege laten van de cautie is de verdachte niet in zijn belangen geschaad.

Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim en het verweer wordt verworpen.”

3 De bespreking van het middel

3.1.

Het middel dat voorzien is van het kopje “Responsplicht onrechtmatige fouillering” is niet heel scherp geformuleerd, waardoor niet precies duidelijk wordt tegen welk oordeel van het hof het middel zich richt. Aangevoerd wordt dat toen de verdachte door de verbalisant werd staande gehouden en door de verbalisant een sterke hennepgeur geroken werd, sprake was van een redelijk vermoeden dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan overtreding van de Opiumwet. Volgens de steller van het middel had de politie op dat moment, alvorens de verdachte vragen te stellen en te verzoeken de buddyseat van zijn scooter te openen de cautie moeten geven. Ik lees het middel zo, dat de klacht zich richt tegen het oordeel van het hof dat op het moment dat de verdachte werd staande gehouden en aan hem, nadat de verbalisant een sterke hennepgeur had waargenomen, is gevraagd of hij drugs bij zich had en de buddyseat van zijn scooter te openen, er nog geen sprake was van een verhoorsituatie en ook geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Die ‘mening’, zo wordt in de toelichting op het middel gesteld, deelt de verdediging niet.

Over het oordeel van het hof dat de verdachte niet in zijn belangen is geschaad door het achterwege laten van de cautie bij de vragen van de verbalisant wordt, als ik het goed zie, niet geklaagd.

3.2.

De cautieplicht is neergelegd in art. 29 lid 2 Sv en luidt:

“De verdachte is niet tot antwoorden verplicht. Voor de aanvang van het verhoor wordt de verdachte medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht. Deze mededeling wordt in het proces-verbaal opgenomen.”

3.3.

De cautieplicht geldt alleen ten aanzien van verdachten.1 Art. 27 lid 1 Sv bepaalt dat vóórdat de vervolging is aangevangen als verdachte wordt aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. De opsporingsambtenaar die een dergelijk vermoeden heeft, is verplicht aan de verdachte de cautie te geven zodra er sprake is van een verhoor. In zijn wat oudere jurisprudentie heeft de Hoge Raad onder verhoor verstaan ‘alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkt persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit’.2 De plaats waar een verhoor plaatsvindt is daarbij niet van belang.3 Of er sprake is (geweest) van een verhoor hangt dus samen met de vraag of er een redelijk vermoeden van schuld is van de betrokkenheid van de verdachte bij een strafbaar feit op het moment dat daarover door opsporingsambtenaren vragen worden gesteld. In de definitie van wat onder een verhoor moet worden verstaan heeft de Hoge Raad zoals hiervoor aangehaald bepaald dat het gaat om vragen over ‘een geconstateerd strafbaar feit’. Dat is ook het criterium waaraan het hof in onderhavige zaak refereert. In latere rechtspraak heeft de Hoge Raad zijn standpunt hierover echter aangescherpt.

3.4.

In de zaak die heeft geleid tot HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2056, NJ 2019/309 m.nt. Kooijmans, werd in cassatie geklaagd dat aan de verdachte, toen hem in zijn woning de vraag werd gesteld of zich daar een hennepkwekerij bevond, Salduz-bijstand was onthouden. Daaraan ging de vraag vooraf of er sprake was van een verhoor toen die vraag over de hennepkwekerij aan hem gesteld werd. Het hof oordeelde van niet en overwoog dat de vraag van de verbalisant of de verdachte een hennepkwekerij in zijn woning had, kennelijk geen betrekking had op een reeds geconstateerd strafbaar feit en dat de hennepkwekerij in de bijkeuken pas later was ontdekt.4 Omdat van een ‘verhoor’ derhalve (nog) geen sprake was, had de verdachte volgens het hof op dat moment (nog) geen recht op bijstand van een raadsman.

3.5.

De Hoge Raad oordeelde hierover onder meer als volgt:

“2.3.2. Het vorenoverwogene brengt met zich dat indien — zoals in deze zaak — door de politie aan een aangehouden verdachte gestelde vragen betrekking hebben op diens betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt, sprake is van een verhoor, zodat hij op dat moment dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Daarbij verdient opmerking dat op grond van art. 27, eerste lid, Sv als verdachte wordt aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Dat vermoeden betreft zowel de omstandigheid dat een strafbaar feit wordt of is begaan, als de betrokkenheid van een persoon bij dat feit. Derhalve kan, ook indien (nog) niet vaststaat dat een strafbaar feit plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit en dientengevolge van een verhoorsituatie.

2.4.

Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte niet behoefde te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat op het moment dat hem door de opsporingsambtenaar (…) werd gevraagd of hij een hennepkwekerij in zijn woning had, aangezien de hennepkwekerij op dat moment nog niet was ontdekt en de gestelde vraag daarom kennelijk geen betrekking had op "een reeds geconstateerd strafbaar feit". Voor zover dit oordeel berust op de opvatting dat het hiervoor onder 2.3.1 bedoelde recht op raadpleging van een advocaat uitsluitend toekomt aan de verdachte indien hem vragen worden gesteld ten aanzien van zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit en vaststaat dat dit feit heeft plaatsgevonden, getuigt het — gelet op hetgeen onder 2.3.2 is vooropgesteld — van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het Hof niet van die opvatting is uitgegaan, is het oordeel van het Hof niet zonder meer begrijpelijk, aangezien de vraag van [de verbalisant] aan de verdachte of hij een hennepkwekerij in zijn woning had, bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een vraag betreffende diens betrokkenheid bij een strafbaar feit — kort gezegd: het aanwezig hebben of telen van hennep — ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt.”

3.6.

Uit dit arrest moet worden afgeleid dat sprake is van een verhoor indien door de politie vragen worden gesteld aan de verdachte die betrekking hebben op diens betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt.5 Ook voordat vaststaat dat een strafbaar feit plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, kan reeds sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit en dus van een verhoorsituatie wanneer een op dat redelijke vermoeden betrekking hebbende vraag aan de verdachte (die van dat feit wordt verdacht) wordt gesteld.6

3.1.

Het hof heeft in onderhavige zaak geoordeeld dat nog geen sprake was van een verhoorsituatie toen de verbalisant aan de verdachte vroeg of hij softdrugs, hennep, bij zich had en dat het de politie vrij stond om de verdachte die vraag te stellen en – nadat hij daarop ontkennend had geantwoord – de verdachte te vragen de buddyseat van de scooter te openen. Voorts heeft het hof geoordeeld dat er op dat moment geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit en overwogen dat de verdachte vervolgens vrijwillig de buddyseat heeft geopend en aan hem daarna de cautie is gegeven. Het feit dat de verbalisant een sterke hennepgeur had waargenomen, maakte die situatie naar het oordeel van het hof niet anders.

3.2.

In de overwegingen van het hof ligt als zijn kennelijke oordeel besloten dat van een verhoor slechts sprake is indien aan de verdachte vragen worden gesteld ten aanzien van zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit en vaststaat dat dit feit heeft plaatsgevonden. Gelet op het hiervoor besproken arrest van de Hoge Raad van 6 november 2018, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Daar komt bij dat het oordeel van het hof dat van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit geen sprake was, mede gelet op de overweging dat de verbalisant een sterke hennep geur had waargenomen, niet zonder meer begrijpelijk is. Tegen die achtergrond kan de vraag van de verbalisant aan de verdachte of hij softdrugs, hennep, bij zich had immers moeilijk anders worden verstaan dan als een vraag betreffende zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit – kort gezegd: het aanwezig hebben van hennep – ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt.7

3.3.

Het middel klaagt hierover terecht, maar het hoeft naar mijn mening bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden omdat het hof, zij het niet geheel op juiste gronden, terecht heeft geoordeeld dat de verdachte niet in zijn belang is geschaad door het achterwege laten van de cautie.

3.4.

Mij lijkt namelijk, dat de bewezenverklaring toereikend is gemotiveerd, ook als daaruit de verklaring van de verdachte waarvan het cassatiemiddel (impliciet) het gebruik als bewijs bestrijdt, wordt weggelaten.8 Het bewijsmiddel waar het hier om gaat betreft het proces-verbaal van aanhouding dat is opgenomen als bewijsmiddel 2. Daarin is gerelateerd dat de verdachte door de verbalisant is staande gehouden en hem is gevraagd of hij softdrugs bij zich had, terwijl dat proces-verbaal niet inhoudt dat hem de cautie was gegeven. Ook is daarin opgenomen dat de verbalisant op het bureau van politie als taakaccenthouder verdovende middelen nader onderzoek heeft gedaan naar de bij de verdachte aangetroffen hennep. De aangetroffen hennep is gewogen in de plastic verpakking en het bleek te gaan om (de bewezenverklaarde hoeveelheid) 58,3 gram hennep en 7,1 gram hasj.

3.5.

Het laat zich in deze zaak goed denken dat uit de bewijsconstructie alleen het gedeelte uit het proces-verbaal van aanhouding (bewijsmiddel 2) dat betrekking heeft op de door de verbalisant gestelde vraag of de verdachte softdrugs bij zich heeft vanwege de schending van de cautieplicht wordt geëlimineerd. Ook dan blijft de bewezenverklaring voldoende met redenen omkleed. Het hof heeft immers ook de processen-verbaal van latere verhoren van de verdachte voor het bewijs gebezigd waarin de verdachte nadat hem de cautie is gegeven een bekennende verklaring heeft afgelegd (bewijsmiddelen 3, 4 en 5).9 Ook is de verklaring van de verdachte die hij op de terechtzitting in hoger beroep van 7 november 2019 heeft afgelegd tot het bewijs gebezigd (bewijsmiddel 1). Nadat de verdachte erop is gewezen dat hij niet tot antwoorden verplicht is heeft hij onder meer verklaard dat hij niet ontkent dat hij drugs bij zich had, dat hij twee telefoons bij zich had, een Nokia en een Samsung en dat het klopt dat hij van A naar B is gereden om spullen weg te brengen. Deze latere verklaringen hoeven niet als een direct gevolg van het vormverzuim bij het eerste verhoor te worden beschouwd, nu de verdachte tijdens het latere verhoor de keuze heeft gehad om te zwijgen en hier kennelijk niet voor heeft gekozen.10 De latere bekennende verklaringen van de verdachte en het gedeelte van het proces-verbaal van aanhouding (bewijsmiddel 2) waaruit blijkt dat in de buddyseat van de scooter van de verdachte drugs is aangetroffen en het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat in de Nokia-telefoon van de verdachte afleveradressen zijn aangetroffen (bewijsmiddel 6), kunnen gezamenlijk de bewezenverklaringen van de feiten 1 en 2 zelfstandig dragen. Daarbij merk ik nog op dat over de vaststelling van het hof dat de verdachte toestemming heeft gegeven tot het openen van de buddyseat in cassatie niet wordt geklaagd.

3.6.

De verdachte heeft derhalve onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing (dan wel verwijzing) van de zaak voor een nieuwe behandeling.

4 Conclusie

4.1.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

4.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bew. door. M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 325.

2 HR 2 oktober 1979, NJ 1980/243 m.nt. Mulder. Vgl. ook HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8773, NJ 2012/398 m.nt. Van Kempen.

3 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bew. door. M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 326.

4 Overeenkomstig het criterium dat de Hoge Raad had geformuleerd in HR 2 oktober 1979, NJ 1980/243 m.nt. Mulder.

5 In zijn annotatie is door Kooijmans met verwijzing naar HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:341, NJ 2019/132 opgemerkt dat niet moet worden aangenomen dat het aangehouden zijn van de verdachte een voorwaarde is om te kunnen spreken van een verhoor, omdat de vraag of sprake was van een verhoor in NJ 2019/309 diende te worden beantwoord in het licht van de daarmee samenhangende vraag of de verdachte aanspraak had op consultatiebijstand van een raadsman. Een dergelijke aanspraak kwam ten tijde van het politieoptreden in die zaak (op 17 februari 2014) ingevolge de ‘Salduz-rechtspraak’ van de Hoge Raad (HR 30 juni 2009, NJ 2009/349, m.nt. Schalken) toe aan een aangehouden verdachte. Zie de annotatie bij HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2056, NJ 2019/309 onder 4.

6 Zie de annotatie bij HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2056, NJ 2019/309 onder 3.

7 Terzijde merk ik op dat de onderhavige zaak in zoverre verschilt van de in de literatuur over de cautieplicht aangehaalde zaak HR 29 september 1981, NJ 1982/258 waarin twee verbalisanten een hen bekende verdachte met een plastic tas door een winkelcentrum zagen lopen. Zij vroegen hem wat er in die tas zat en de verdachte antwoordde dat hij vier boeken bij zich droeg. Op de vraag waar hij die boeken had gekocht zei de verdachte dat hij ze had gestolen. Daarop werd hij aangehouden op verdenking van diefstal. Volgens de Hoge Raad vloeide uit het relaas van de verbalisanten niet noodzakelijkerwijze voort dat er op het moment van aanspreken van de verdachte reeds sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Zie ook – met verwijzingen – G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bew. door. M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 326.

8 Zie o.a. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 (rov. 2.2.5), m.nt. Bleichrodt en HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2056, NJ 2019/309.

9 Zie G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bew. door. M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 329-330.

10Kamerstukken II 1993/ 94 , 23 705, nr. 3, p. 25-26.