Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:980

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-09-2020
Datum publicatie
27-10-2020
Zaaknummer
19/03381
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1644
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verlaten plaats ongeval wetende dat aan verschillende auto’s schade is ontstaan door ander op bestuurdersstoel van auto te laten plaatsnemen, art. 7.1.a WVW 1994. Hof heeft in strijd met art. 359.2 Sv verzuimd gemotiveerd te beslissen op uos m.b.t. overschrijding redelijke termijn in e.a. Kan (eerste) politieverhoor verdachte worden aangemerkt als beginpunt redelijke termijn in e.a.? HR: Op redenen vermeld in CAG is middel terecht voorgesteld. CAG: Uit pleitnota blijkt dat namens verdachte verweer is gevoerd inzake overschrijding van redelijke termijn. Nu uit stukken kan volgen dat redelijke termijn in h.b. niet is overschreden, is met hetgeen is aangevoerd klaarblijkelijk bedoeld te betogen dat redelijke termijn in e.a. is overschreden alsook dat totale duur van procesverloop in beide instanties redelijke termijn overschrijdt. Aldus is namens verdachte verweer gevoerd waarop hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk met reden omklede beslissing had moeten geven. Uit ’s hofs overwegingen blijkt niet van zo’n beslissing. HR doet zaak zelf door aan te nemen dat in e.a. redelijke termijn is overschreden en opgelegde geldboete met € 100 te verminderen. Samenhang met 19/03360.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03381

Zitting 8 september 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 10 juli 2019 door het Gerechtshof Den Haag, dat het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 4 september 2017 in zoverre heeft bevestigd, wegens 1. ‘overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld. Het hof heeft het vonnis wat betreft de opgelegde straffen vernietigd en de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

  2. Er bestaat samenhang met zaak 19/03360. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op een ter terechtzitting gevoerd verweer dat de redelijke termijn is geschonden.

5. De raadsman heeft blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 26 juni 2019 het woord gevoerd overeenkomstig de overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze houdt voor zover van belang in (met weglating van een voetnoot):

Schending redelijke termijn

18. Cliënt is op 31 oktober 2013 verhoord, inmiddels zijn er 5 jaren en 8 maanden verstreken voordat de zaak inhoudelijk in hoger beroep dient. De verdediging is dan ook van oordeel dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, gelet op het bepaalde in het standaardarrest van de Hoge Raad. Immers als aanvang van de redelijke termijn kan 31 oktober 2013 worden vastgesteld nu cliënt vanaf dat moment in “redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld”. De behandeling van de terechtzitting van de strafzaak van cliënt had binnen vier jaren (voor beide instanties) met een eindvonnis dienen te zijn afgerond, welke termijn inmiddels is overschreden met 1 jaar en 8 maanden. Cliënt heeft in de tussenliggende periode telkens in onzekerheid geleefd over de afdoening van zijn strafzaak.

19. Gelet daarop verzoekt de verdediging uw Hof de zaak af te doen met een schuldigverklaring zonder strafoplegging (9a sr) danwel subsidiair met een geheel voorwaardelijke straf.’

6. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het de opgelegde straffen betreft en derhalve de motivering van de strafoplegging door de rechtbank niet overgenomen. Het arrest houdt als strafmotivering het volgende in:

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en bijkomende straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verlaten van een plaats ongeval, terwijl hij wist dat er aan verschillende auto's schade was ontstaan. In zijn plaats heeft hij een ander op de bestuurdersstoel van de auto laten plaatsnemen, kennelijk om aan de nasporing van politie en justitie te ontkomen. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 juni 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Anders dan gevorderd door de advocaat-generaal, zal het hof aan de verdachte geen taakstraf opleggen nu ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte niet (meer) in Nederland woonachtig is. Het hof is derhalve - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen. Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.’

7. In HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis heeft Uw Raad onder meer overwogen dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op het in art. 6, eerste lid, EVRM vervatte recht op berechting binnen een redelijke termijn. Hij hoeft in zijn uitspraak alleen in bepaalde gevallen te doen blijken van dat onderzoek. Daaronder ressorteert het geval dat ter terechtzitting door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd, omdat op een zodanig verweer een gemotiveerde beslissing dient te worden genomen (rov. 3.8).

8. Uit hetgeen onder randnummer 5 is weergegeven blijkt dat namens de verdachte verweer is gevoerd inzake schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn. Dat verweer houdt onder meer in dat het verhoor van de verdachte op 31 oktober 2013 heeft plaatsgevonden, dat sindsdien ‘5 jaren en 8 maanden verstreken voordat de zaak inhoudelijk in hoger beroep’ is behandeld, dat de ‘behandeling van de terechtzitting van de strafzaak (…) binnen vier jaren (voor beide instanties) met een eindvonnis (had) dienen te zijn afgerond’ en dat die termijn ‘inmiddels is overschreden met 1 jaar en 8 maanden’.

9. Nu uit de stukken kan volgen dat de redelijke termijn in hoger beroep niet is overschreden,1 is met hetgeen in hoger beroep is aangevoerd klaarblijkelijk bedoeld te betogen dat de termijn in eerste aanleg is overschreden alsook dat de totale duur van het procesverloop in beide instanties de redelijke termijn overschrijdt. Aldus is namens de verdachte een verweer gevoerd waarop het hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een met reden omklede beslissing had moeten geven.2 Uit de overwegingen van het hof blijkt niet van zo een beslissing.

10. Het middel slaagt.

11. Vervolgens is het de vraag of Uw Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf kan afdoen. Uw Raad benut die mogelijkheid eigenlijk standaard in zaken waarin het hof niet heeft gerespondeerd op een verweer dat betrekking had op schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in de fase van het hoger beroep.3 In die fase is de overschrijding van de redelijke termijn veelal ook betrekkelijk eenvoudig vast te stellen. De termijn begint op de dag waarop het rechtsmiddel is ingesteld en eindigt op de dag waarop arrest wordt gewezen. Daarbij geldt het uitgangspunt van twee jaar, behoudens nader omschreven ‘bijzondere omstandigheden’.

12. Ook in – de minder talrijke - zaken waarin het hof niet heeft gerespondeerd op een verweer dat betrekking had op schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in eerste aanleg doet Uw Raad de zaak dikwijls zelf af. In HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1077 was namens de verdachte (onder meer) aangevoerd dat de verdachte op 15 februari 2011 als verdachte is gehoord, dat op 10 oktober 2014 vonnis is gewezen en dat derhalve op dat moment 3 jaar en 8 maanden waren verstreken zonder rechtvaardiging voor dat tijdsverloop. A-G Harteveld stelde vast dat het hof geen overweging heeft gewijd aan de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, dat het middel daar terecht over klaagde, maar dat Uw Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf kon afdoen. Hij wees er daarbij op dat uit rechtspraak van Uw Raad volgt dat geen strafvermindering wordt toegepast indien de rechter heeft volstaan met de oplegging van een taakstraf waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte minder beloopt dan honderd uren. In de betreffende zaak was een taakstraf van tachtig uren opgelegd. Uw Raad was van oordeel dat er in het licht van ‘de opgelegde taakstraf van tachtig uren en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden’ geen aanleiding was om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden.

13. Dat geen vermindering wordt toegepast als het gaat om een onvoorwaardelijke taakstraf van minder dan honderd uren, is een regel die in het standaardarrest is geformuleerd voor de cassatierechter. De feitenrechter kan in zo een geval eveneens ervoor kiezen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.4 Daarom valt het op dat Uw Raad niet aan die overweging refereert, maar los daarvan de opgelegde straf noemt als een factor die de afweging heeft bepaald. Ook de verwijzing naar de mate van overschrijding als een factor die de afweging mede heeft bepaald, duidt erop dat Uw Raad een andere weg kiest dan A-G Harteveld had geadviseerd. Harteveld stelde voor enkel de vaste ondergrens te hanteren; als straffen daaronder blijven kan met de vaststelling van de schending worden volstaan. Uw Raad kiest voor een andere formulering, waarin zowel de opgelegde straf als de mate waarin de redelijke termijn is overschreden de beslissing bepaalt.5 Deze afweging kan slechts worden gemaakt op basis van een (feitelijke) vaststelling van het beginpunt van de redelijke termijn.

14. Ook in HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2492 had het hof niet gerespondeerd op een verweer dat betrekking had op schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in eerste aanleg. Het middel dat daarover klaagde, slaagde. A-G Harteveld wees er op dat de rechtbank in haar vonnis in de strafmotivering uitdrukkelijk rekening had gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en mede gelet op die overschrijding een gevangenisstraf van 57 maanden had opgelegd. Hij adviseerde tot vernietiging wat betreft de strafoplegging ‘en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen’. Daarmee liet hij in het midden of het middel tot terug- of verwijzing diende te leiden. Uw Raad oordeelde dat het middel terecht was voorgesteld en dat hetzelfde gold voor een middel dat klaagde over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Een en ander moest volgens Uw Raad ‘leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren’. Uw Raad verminderde de opgelegde gevangenisstraf vervolgens met zes maanden.

15. Het verdient de aandacht dat de strafvermindering in het laatste geval niet berust op een vaststelling dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in eerste aanleg is geschonden. Van een vaststelling door het hof is geen sprake; het hof had het verweer niet besproken. De strafvermindering steunt ook niet op de vaststellingen van de rechtbank. Want die zijn door het hof niet overgenomen. Uw Raad stelt zelf geen feiten vast die het oordeel dat van een schending sprake is ondersteunen. Zo kan het beginpunt van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in eerste aanleg als ik het goed zie niet uit (de conclusie en) het arrest worden afgeleid. Feitelijk blijft daarmee in het midden of daadwerkelijk van een schending sprake was en, zo ja, hoe ernstig de schending precies was. Ik wijs er in dit verband ook op dat één strafkorting is verleend voor de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg en in de cassatiefase.

16. Het komt mij gelukkig voor dat Uw Raad zaken zoveel mogelijk zelf afdoet indien alleen een middel dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn betreft, slaagt. Verwijzen of terugwijzen leidt er al gauw toe dat het (gevolg van het) middel erger is dan de kwaal waar het bestreden arrest aan lijdt. Wenselijk lijkt mij evenwel dat, in het geval het hof niet heeft gereageerd op verweren die schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in eerste aanleg betreffen, Uw Raad bij afdoening op de voet van art. 440, tweede lid, eerste volzin, Sv zelf feiten vaststelt die in verband met die schending van belang zijn.

17. Een vraag is of daarbij dient te worden uitgegaan van de stellingen van de raadsman. In HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:591 had de raadsman aangevoerd dat de redelijke termijn was aangevangen met de doorzoeking op 19 januari 2011. Het vonnis dateerde van 21 januari 2015. Het hof had geoordeeld dat de redelijke termijn in eerste aanleg was overschreden, maar dat deze schending was gecompenseerd door de snelle afdoening in hoger beroep. A-G Vellinga meende dat er in cassatie van moest worden uitgegaan dat de redelijke termijn was aangevangen op de dag van de doorzoeking, nu het hof in het midden had gelaten wanneer de redelijke termijn was aangevangen (randnummer 5). Uw Raad achtte ’s hofs oordeel dat de redelijke termijn in eerste aanleg was overschreden maar dat deze schending was gecompenseerd door de snelle afdoening in hoger beroep niet zonder meer begrijpelijk ‘in aanmerking genomen dat de zaak in eerste aanleg eerst is afgedaan meer dan vier jaren na aanvang van de termijn’. Uit de betreffende overweging wordt niet duidelijk of Uw Raad dat aanvangstijdstip zelfstandig vaststelt, aan de onweersproken stellingen van de raadsman ontleent, of als impliciete vaststelling van het hof aanmerkt.

18. In HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1283 had de raadsman aangevoerd dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn van berechting in eerste aanleg was begonnen op 21 juni 2011, de dag van de aanhouding van de verdachte. De rechtbank had uitspraak gedaan op 4 februari 2014. Het hof had niet gerespondeerd op het verweer dat de redelijke termijn in eerste aanleg was overschreden. A-G Aben meende dat in cassatie van het ter terechtzitting niet betwiste uitgangspunt diende te worden uitgegaan dat de datum van aanhouding het beginpunt vormde (randnummer 11). Uw Raad overwoog dat er in cassatie van moest worden uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting was aangevangen op de dag van de aanhouding. Of dat uitgangspunt aan de onweersproken stelling van de raadsman werd ontleend of een eigen oordeel van Uw Raad betrof, wordt uit de overweging niet duidelijk.

19. Van de stellingen van de raadsman kan naar het mij voorkomt onder omstandigheden – veronderstellenderwijs - worden uitgegaan als daarvan uitgaand geen strafkorting behoeft te worden verleend. Als de straf uitgaand van de stellingen van de raadsman dient te worden verminderd, heeft deze benadering risico’s. Varen op het kompas van de raadsman die geen weerwoord heeft gekregen is geen garantie dat strafkortingen verleend worden aan verdachten die daar recht op hebben. Bij deze benadering dreigt het gevaar dat strafkorting wordt verleend wegens het over het hoofd zien van het verweer, niet voor de schending van de redelijke termijn. Een korting is alleen gerechtvaardigd bij de vaststelling dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn is geschonden. Het in het midden laten van de relevante feiten lijkt mij - als de vaststelling daarvan voor de uitkomst van belang is - ook geen begaanbare weg.6

20. De rechtsregels die Uw Raad heeft vastgesteld in verband met schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn bieden in veel gevallen voldoende houvast bij vaststellingen die de berechting in eerste aanleg betreffen. Uw Raad formuleert het beginpunt als ‘het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld’. En Uw Raad heeft vastgelegd dat de inverzekeringstelling en de betekening van de inleidende dagvaarding als zodanige handelingen moeten worden aangemerkt.7 Dat brengt mee dat Uw Raad zelf kan vaststellen dat de inverzekeringstelling het beginpunt vormt.8 Ook in ontnemingszaken is het beginpunt veelal betrekkelijk helder.9

21. Minder duidelijk is in welke gevallen een verhoor door de politie als het beginpunt is aan te merken. Uw Raad is van oordeel dat art. 6 EVRM niet dwingt ‘tot de opvatting dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als zodanige handeling heeft te gelden’.10 Mede tegen die achtergrond casseerde Uw Raad in HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3050: dat het hof de aanvang van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn had bepaald op de dag van het eerste politieverhoor was niet zonder meer begrijpelijk. In die lijn ligt ook HR 9 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2479, NJ 2007/50. De verdachte was op 27 augustus 1999 aangehouden, verhoord en zonder in verzekering te zijn gesteld heengezonden. Pas op 29 augustus 2001 was de inleidende dagvaarding in persoon aan de verdachte betekend. ’s Hofs oordeel dat de redelijke termijn een aanvang had genomen met de betekening van de inleidende dagvaarding gaf volgens Uw Raad niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2475 was wel aangenomen dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn een aanvang had genomen door het eerste verhoor; de verdachte had in dat verhoor bekend.

22. Dat het eerste verhoor als verdachte het beginpunt van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn kan zijn, spoort met de benadering van het EHRM.11 In Hozee v. Nederland werd het eerste verhoor als beginpunt genomen.12Dat verhoor vond plaats op 14 juni 1984, nadat `between 1981 and May 1984 the applicant’s companies were under investigation in connection with the tax returns which they had submitted’ (rov. 45). Het was ook de datum waar Nederland in de procedure voor het EHRM vanuit was gegaan.

23. Dat het eerste politieverhoor niet per definitie als beginpunt behoeft te worden genomen, kan worden geïllustreerd met O’Neill and Lauchlan v. the United Kingdom.13 Het slachtoffer (A.M.) was in 1998 verdwenen. Er werd een onderzoek gestart op basis van de verdenking van moord. In de context van dat onderzoek werden O’Neill en Lauchlan elk meer dan vijf uur ondervraagd. Tijdens dat verhoor werden zij van de moord beschuldigd, maar een charge volgde niet. In april 2004 werden O’Neill en Lauchlan in Spanje gearresteerd in verband met de ontvoering van een minderjarige. Nadat zij waren veroordeeld op basis van de Sex Offenders Act 1997 werden zij op 5 april 2005 ‘charged with the murder of A.M. and with concealing and disposing of her body’ (rov. 16). Het Verenigd Koninkriijk was van oordeel dat 5 april 2005 het beginpunt van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn was; dat was de dag ‘when the applicants appeared on petition at the Sheriff Court’. De klagers waren van oordeel ‘that the correct starting point was in fact 17 September 1998, that being the date when they were interviewed and accused by police officers of having murdered A.M.’ (rov. 84). Het EHRM beoordeelt de zaak ‘on the assumed basis that the period to be taken into consideration began on 5 April 2005’, overwegend dat een keuze voor de benadering van de klagers ‘would not have materially affected the Court’s overall conclusion, since the lapse of time between September 1998 and April 2005 was not the result of a lack of diligence on the part of the authorities’ (rov. 85).14

24. Een belangrijk element in de beoordeling door het EHRM is of de verdachte tijdens het politieverhoor heeft bekend. Als dat het geval is, lijkt er weinig ruimte te zijn om het politieverhoor niet te zien als het beginpunt van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn. Illustratief is Yankov en Manchev v. Bulgarije.15 Yankov werd verdacht van diefstal van twee schapen en een lam. Op 27 januari 1995 legde hij tegenover de politie een bekentenis af. Bulgarije was van oordeel dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn begon op 15 november 2001, ‘when Mr Yankov had been formally charged’ (rov. 17). Het EHRM overweegt: ‘The prominent place held in a democratic society by the right to a fair trial favours a substantive, rather than a formal, conception of “charge”; it requires the Court to look behind the appearances and examine the realities of the procedure in question (…). Applying these principles to the situation before it, the Court finds that Mr Yankov was subject to a “charge” from the moment when the police took a statement from him in which he confessed to taking part in the commission of the offence, that is, 27 January 1995’ (rov. 18).16

25. Ik keer terug naar de vraag of Uw Raad deze zaak zelf kan afdoen. Eerste vraag daarbij is of van een schending van het vereiste van een berechting binnen een redelijke termijn sprake is. Aan de stukken van het geding kan het volgende worden ontleend:

- het onder 1 bewezenverklaarde verlaten van de plaats van het ongeval heeft op 9 februari 2013 plaatsgevonden;

- Uit verklaringen van getuigen volgt dat een man uit het voertuig stapte en de plaats van het ongeval verliet en dat kort nadien een auto kwam aangereden waaruit een vrouw stapte (medeverdachte [medeverdachte]) die op de bestuurdersstoel plaats nam;

- uit het daaropvolgende onderzoek is verdachte als mogelijke bestuurder ten tijde van het ongeval naar voren gekomen;

- medeverdachte [medeverdachte] beriep zich tijdens een verhoor door de politie op 19 juli 2013 op haar zwijgrecht;

- verdachte beriep zich tijdens het (eerste) politieverhoor dat op 31 oktober 2013 plaatsvond op zijn zwijgrecht;

- het proces-verbaal is gesloten en ondertekend op 26 november 2013;

- de inleidende dagvaarding is op 5 juli 2017 in persoon aan de verdachte uitgereikt;

- het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2017. De officier van justitie heeft aangeven ten aanzien van de strafmaat rekening te houden met het tijdsverloop, maar hij heeft geen verklaring voor dat tijdsverloop gegeven. De raadsman heeft zich niet op schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn beroepen;

- de rechtbank wees vonnis op 4 september 2017;

- het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft op 26 juni 2019 plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de advocaat-generaal heeft gereageerd op het verweer dat de redelijke termijn is geschonden;

- het bestreden arrest dateert van 10 juli 2019.

26. Het komt mij voor dat Uw Raad kan vaststellen dat van een schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn sprake is. Het verhoor van 31 oktober 2013 kan als beginpunt van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn worden genomen. Zo begrijp ik ook de rechtbank, die rekening heeft gehouden met overschrijding van de redelijke termijn en daarom een taakstraf van 50 in plaats van 60 uren heeft opgelegd. Weliswaar heeft de verdachte het tenlastegelegde feit niet bekend tijdens dat politieverhoor, maar het verhoor vond pas plaats toen het onderzoek in de zaak tegen verdachte min of meer was afgerond. Van een situatie als in O’Neill en Lauchlan, waarin de resultaten van het onderzoek na het eerste verhoor van de verdachten onvoldoende waren om tot dagvaarding over te gaan, is geen sprake. Dat de raadsman zich bij de rechtbank niet op schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn heeft beroepen, is geen grond om aan te nemen dat de verdachte in die periode niet onder de dreiging van een strafvervolging heeft geleden.17 Al met al blijkt uit de stukken van het geding niet van een rechtvaardiging waarom in eerste aanleg pas meer dan drie jaren en acht maanden na het begin van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn vonnis is gewezen.18

27. De volgende vraag is of met de enkele constatering van de schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn kan worden volstaan. De hoogte van de opgelegde straffen rechtvaardigt dat naar het mij voorkomt niet. Geen vermindering wordt toegepast indien het gaat om een straf waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte minder beloopt dan € 1.000,- in geval van een geldboete.19 De geldboete bedraagt precies € 1.000,-, onvoorwaardelijk. Daar komt bij dat een voorwaardelijke rijontzegging is opgelegd van zes maanden. Die bijkomende straf rechtvaardigt als zodanig geen (extra) strafvermindering.20 Maar zij vormt wel een aanvullende reden om de straf niet zo laag te achten dat strafvermindering reeds op die grond achterwege kan blijven.

28. Zoals wij eerder zagen let Uw Raad bij de vraag of strafvermindering dient plaats te vinden evenwel niet alleen op de opgelegde straf maar ook op de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. In HR 26 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY0099, NJ 2006/539 leidde deze regel ertoe dat een vermindering achterwege bleef hoewel zes weken gevangenisstraf was opgelegd. Het bestreden arrest was in die zaak gewezen op 3 december 2004, het bij verstek gewezen vonnis van de politierechter op 4 juli 2003. De schending van de redelijke termijn bestond alleen in het te laat inzenden van de stukken, die pas op 26 april 2004 ter griffie van het hof waren binnengekomen.21 Die situatie doet zich hier niet voor.

29. Ik wijs nog op de omstandigheid dat het hof een geldboete heeft opgelegd nadat de rechtbank eerder een taakstraf had opgelegd. Als strafvermindering geldt volgens Uw Raad de oplegging van een straf die op grond van art. 9 Sr als minder zwaar moet worden aangemerkt.22 Uit ’s hofs overwegingen blijkt evenwel dat het hof alleen van het opleggen van een taakstraf heeft afgezien omdat de verdachte niet meer in Nederland woont.

30. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

31. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot het verminderen van de opgelegde straf in de mate die Uw Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Op 7 september 2017 is namens de verdachte (tijdig) hoger beroep ingesteld. Het hof heeft op 10 juli 2019 arrest gewezen. Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.16.

2 Zie (recentelijk) bijvoorbeeld HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:922 en ECLI:NL:HR:2020:923.

3 Zie onder meer HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:923; HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2055. Zie ook reeds HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8809, NJ 2006/25, waarin het hof had geoordeeld dat aan de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep geen gevolg behoefde te worden verbonden.

4 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.2 sub C en 3.23.

5 Eerder koos Uw Raad eenzelfde formulering in HR 26 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY0099, NJ 2006/539. Dat arrest is evenwel gewezen uitgaande van het eerdere standaardarrest over berechting binnen een redelijke termijn, HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721 m.nt. De Hullu. In dat arrest was nog geen grens opgenomen waaronder hoofdstraffen niet worden verminderd. Vgl. de noot van Mevis onder NJ 2008/358, onder 9. De weg die A-G Harteveld in 2020 wees was in 2006 derhalve nog niet begaanbaar.

6 Uw Raad vraagt van de feitenrechter – terecht – ook een adequate motivering. Tekortkomingen in die motivering kunnen ook tot cassatie leiden: vgl. HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:442.

7 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.12.1.

8 HR 2 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:AB8028, NJ 1992/774. Zie ook de conclusie van A-G Vellinga voorafgaand aan HR 22 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2548, randnummer 15.

9 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.12.2; HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3255; HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8465.

10 Zie ook HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721 m.nt. De Hullu, rov. 3.12.

11 J. Meese, Sdu Commentaar EVRM, art. 6, par. C.7.2, Den Haag: Sdu 2020.

12 EHRM 22 mei 1998, Hozee v. Nederland, nr. 21961/93, NJ 1998/809 m.nt. Knigge.

13 EHRM 28 juni 2016, O’Neill and Lauchlan v. the United Kingdom, nrs. 41516/10 en 75702/13.

14 Vgl. ook EHRM 10 december 2019, Radzevil v. Oekraïne, nr. 36600/09, rov. 85. De enkele omstandigheid dat de betrokkene niet als verdachte wordt aangemerkt, verhindert echter niet dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn begint te lopen: zie EHRM 5 oktober 2017, Kaleja v. Letland, nr. 22059/08, rov. 40.

15 EHRM 22 oktober 2009, Yankov en Manchev v. Bulgarije, nrs. 27207/04 en 15614/05.

16 Zie ook (andere rechtspraak vermeld in) EHRM 10 mei 2011, Dimitrov en Hamanov v. Bulgarije, nrs. 48059/06 en 2708/09, rov. 74.

17 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.9. Deze rechtsregel is in cassatie van toepassing, niet in hoger beroep (rov. 3.16). Daar komt bij dat de raadsman ook over het totale tijdsverloop klaagt.

18 Uit het vonnis van de rechtbank blijkt ook van een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 3] door de rechter-commissaris d.d. 30 september 2014 (noot 7). Uit het vonnis in de zaak tegen de medeverdachte blijkt dat de verdachte op 8 april 2014 als getuige door de rechter-commissaris is gehoord (noot 3). Van andere onderzoeksinspanningen, die een verklaring voor het tijdsverloop zouden kunnen vormen, blijkt niet, en daar is door vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie ook geen beroep op gedaan.

19 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.2 onder C en rov. 3.23.

20 HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7086; HR 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7692.

21 Het achterwege laten van strafvermindering spoorde ook met de destijds geldende regel dat strafvermindering achterwege bleef als deze leidde tot strafvermindering van minder dan een halve week (vgl. HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721 m.nt. De Hullu, rov. 3.6 onder b).

22 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.22.