Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:96

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-01-2020
Datum publicatie
21-02-2020
Zaaknummer
18/04794
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

IPR. Rechtsmacht. Art. 7 lid 1 Rv. Portugese aandeelhoudster stelt verschillende gedaagden, waaronder een in Nederland gevestigde vennootschap, hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die zij zou hebben geleden als gevolg van een door gedaagden in samenspanning gepleegde onrechtmatige daad. Komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe op grond van art. 7 lid 1 Rv?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04794

Zitting 31 januari 2020

CONCLUSIE

R.H. de Bock

In de zaak

[eiser 1]

eiser tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep

advocaten: mr. R.S. Meijer en mr. A. Stortelder

tegen

PT Ventures SGPS S.A.

verweerster in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep

advocaat: mr. F.E. Vermeulen

In de hoofdzaak in de onderhavige procedure stelt een Portugese aandeelhoudster van een Angolees telecombedrijf verschillende gedaagden hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die zij zou hebben geleden als gevolg van een door deze gedaagden in samenspanning gepleegde onrechtmatige daad. In het door gedaagden opgeworpen bevoegdheidsincident zijn rechtbank en hof van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is om op de voet van art. 7 lid 1 Rv kennis te nemen van de ingestelde vorderingen. Tegen dit oordeel worden in het principale en het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep verschillende rechts- en motiveringsklachten opgeworpen.

Deze zaak hangt samen met de zaak […] en Tokeyna Management Ltd./PT Ventures SGPS S.A. (18/04764), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

1 Feiten

In deze zaak kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 augustus 2018, rov. 2.1 en 2.2.1

1.1

Unitel S.A. (hierna: Unitel) is een Angolees telecombedrijf. Unitel heeft vier aandeelhouders, waaronder de Portugese vennootschap PT Ventures SGPS S.A. (hierna: PTV) en Vitadel Ltd. (hierna: Vitadel), een rechtspersoon naar het recht van de Britse Maagdeneilanden. Elk van de vier aandeelhouders houdt 25% van de aandelen.

1.2

[betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), woonachtig in Angola, is bestuurder en indirect – door middel van Vitadel – medeaandeelhouder van Unitel. Zij is tevens enig aandeelhoudster van Tokeyna Management Limited (hierna: Tokeyna), gevestigd in de Britse Maagdeneilanden, en van de in Nederland gevestigde besloten vennootschap Unitel International Holdings B.V. (hierna: UIH).

1.3

In 2012 en 2013 heeft Unitel voor ruim $ 470 miljoen aan leningen verstrekt aan UIH. Tokeyna heeft de vorderingen uit hoofde van deze leningen van Unitel overgenomen en als tegenprestatie een serviceovereenkomst met Unitel gesloten, waaraan geen uitvoering is gegeven. Deze drie rechtshandelingen – (i) het verstrekken van de leningen, (ii) het overdragen van de vorderingen uit hoofde van de leningen en (iii) het aangaan van de serviceovereenkomst – worden door PTV aangeduid als ‘de Transacties’.2

1.4

[eiser 1] (hierna: [eiser 1]), woonachtig in Angola, was ten tijde van de overname van de leningen door Tokeyna medebestuurder en Chief Executive Officer van Unitel.

1.5

In verband met de Transacties en andere beweerdelijke ongeoorloofde handelingen jegens haar, heeft PTV Unitel in Angola in verschillende procedures betrokken, voert zij tegen haar medeaandeelhouders in Unitel een arbitrageprocedure voor de International Chamber of Commerce, procedeert zij in Frankrijk tegen haar medeaandeelhouder Vitadel en in de Britse Maagdeneilanden tegen Vitadel en Tokeyna.

1.6

UIH, [betrokkene 1], Tokeyna en [eiser 1] zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als [betrokkene 1] c.s.3

2 Procesverloop

2.1

Bij inleidende dagvaarding van 30 december 20154 heeft PTV in de hoofdzaak gevorderd dat de rechtbank Amsterdam:

(i) voor recht verklaart dat [betrokkene 1] door het verrichten van de Transacties onrechtmatig jegens PTV heeft gehandeld;

(ii) voor recht verklaart dat UIH door haar betrokkenheid bij de Transacties onrechtmatig jegens PTV heeft gehandeld;

(iii) voor recht verklaart dat Tokeyna door haar betrokkenheid bij de Transacties onrechtmatig jegens PTV heeft gehandeld;

(iv) voor recht verklaart dat [eiser 1] door zijn betrokkenheid bij de Transacties nrechtmatig jegens PTV heeft gehandeld;

(v) voor recht verklaart dat [betrokkene 1] c.s. uit hoofde van hun onrechtmatig handelen aansprakelijk zijn jegens PTV voor de dientengevolge door PTV geleden schade;

(vi) [betrokkene 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan PTV van een voorschot op de schadevergoeding van $ 111.573.422,-, althans tot een door de rechtbank in goede justitie te bepalen voorschot, te vermeerderen met de wettelijke rente;

(vii) [betrokkene 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de overige schade van PTV, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

(viii) [betrokkene 1] c.s. veroordeelt binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis aan de raadsman van PTV gedocumenteerd opgave te doen van hun inkomens- en vermogenspositie en al hun voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen in binnen- en buitenland, op straffe van een dwangsom;

(ix) [betrokkene 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedure, waaronder begrepen nakosten en beslagkosten, alsmede in de vertaalkosten.

2.2

PTV heeft voorts bij incidentele vordering ex art. 843a Rv gevorderd dat [betrokkene 1], UIH en Tokeyna worden veroordeeld om aan PTV afschriften te verstrekken van alle bescheiden die betrekking hebben op de Transacties en de investering van UIH in een Portugese concurrent van PTV, op straffe van een dwangsom en met hoofdelijke veroordeling van [betrokkene 1], UIH en Tokeyna in de kosten van het incident.

2.3

Aan haar vorderingen in de hoofdzaak heeft PTV ten grondslag gelegd dat [betrokkene 1] c.s. door middel van de Transacties op onrechtmatige wijze een bedrag van $ 470 miljoen hebben onttrokken aan Unitel, waardoor PTV schade heeft geleden. [betrokkene 1] zou voornoemd bedrag op onrechtmatige wijze aan Unitel hebben onttrokken en buiten bereik van PTV hebben gebracht; Tokeyna, UIH en [eiser 1] zouden op verschillende wijzen aan deze onttrekking hebben meegewerkt en/althans zouden daarvan hebben geprofiteerd.5 Betoogd wordt dat sprake is van een door [betrokkene 1] c.s. in samenspanning gepleegde onrechtmatige daad, die bestaat uit het aangaan van een samenstel van rechtshandelingen – de Transacties – die in onderling verband beschouwd strekken tot het onttrekken van gelden uit Unitel naar de door [betrokkene 1] gecontroleerde entiteiten UIH en Tokeyna, en het door UIH, Tokeyna en uiteindelijk [betrokkene 1] profiteren van die onttrekking.6 Voor de schade die PTV als gevolg hiervan heeft geleden, zijn [betrokkene 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk, aldus PTV.7 Volgens PTV is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van art. 7 lid 1 Rv en worden de vorderingen primair door Portugees recht en subsidiair door Angolees recht beheerst.8

2.4

Bij identieke incidentele conclusies van 25 mei 2016, ingediend door [betrokkene 1], UIH en Tokeyna enerzijds en [eiser 1] anderzijds, hebben [betrokkene 1], Tokeyna en [eiser 1] vóór alle verweren in de hoofdzaak een bevoegdheidsincident opgeworpen, waarin zij hebben gevorderd, samengevat, dat (i) de rechtbank zich onbevoegd verklaart ter zake van de tegen hen ingestelde vorderingen, (ii) indien de rechtbank zich wel bevoegd verklaart, tegen het vonnis tussentijds hoger beroep open te stellen (art. 337 lid 2 Rv), (iii) met veroordeling van PTV in de kosten van het incident. In het door PTV opgeworpen 843a-incident hebben [betrokkene 1], UIH en Tokeyna verweer gevoerd en geconcludeerd tot onbevoegdverklaring (op dezelfde gronden als in de hoofdzaak) dan wel – onder openstelling van tussentijds appel (art. 337 lid 2 Rv) – afwijzing van de vorderingen, een en ander met veroordeling van PTV in de kosten.

2.5

PTV heeft verweer gevoerd in de bevoegdheidsincidenten en geconcludeerd tot verwerping, zulks met veroordeling van [betrokkene 1], Tokeyna en [eiser 1] in de kosten van het incident.

2.6

Nadat een pleidooi in het incident heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank Amsterdam bij tussenvonnis in incident van 17 mei 2017 zich in de hoofdzaak en in het 843a-incident bevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen tegen de in Nederland gevestigde vennootschap UIH. Ten aanzien van de vorderingen tegen [betrokkene 1], Tokeyna en [eiser 1] heeft de rechtbank zich op grond van art. 7 lid 1 Rv bevoegd verklaard, omdat deze vorderingen voldoende samenhangen met de vordering op UIH. De door PTV op de voet van art. 843a Rv ingestelde vorderingen zijn afgewezen. De rechtbank heeft tot slot in beide incidenten tussentijds hoger beroep opengesteld en in de hoofdzaak bepaald dat de zaak weer op de rol zal komen voor conclusie van antwoord.9

2.7

Bij appeldagvaardingen van 7 augustus 2017 hebben [betrokkene 1] en Tokeyna hoger beroep ingesteld tegen het oordeel in het tussenvonnis dat de rechtbank op grond van art. 7 lid 1 Rv bevoegd is van de vorderingen van PTV kennis te nemen. [eiser 1] is bij appeldagvaarding van 14 augustus 2017 van dit oordeel in hoger beroep gekomen.

2.8

PTV is bij appeldagvaarding van 15 augustus 2017 in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van de rechtbank, voor zover dat ziet op de afwijzing van haar vordering ex art. 843a Rv tegen UIH. Tevens heeft zij incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar 843a-vorderingen jegens [betrokkene 1] en Tokeyna. Voorts heeft PTV in de appeldagvaarding op de voet van art. 222 jo. art. 353 lid 1 Rv voeging gevorderd met de zaken die door [betrokkene 1] en Tokeyna enerzijds, en door [eiser 1] anderzijds bij het hof aanhangig zijn gemaakt.

2.9

Het gerechtshof Amsterdam heeft de zaken bij tussenarrest van 3 oktober 2017 gevoegd.10

2.10

Vervolgens hebben [betrokkene 1] en Tokeyna een memorie van grieven in het bevoegdheidsincident genomen. [eiser 1] heeft een afzonderlijke memorie van grieven genomen. In beide memories is gevorderd, kort samengevat, dat het hof het tussenvonnis zal vernietigen voor zover daarin de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring is afgewezen en deze vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van PTV in de proceskosten. Voor het geval het hof zou beslissen dat de rechtbank rechtsmacht toekomt, is gevorderd dat tegen het arrest in het bevoegdheidsincident op grond van art. 401a lid 2 Rv tussentijds cassatieberoep wordt opengesteld.

2.11

PTV heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis in het bevoegdheidsincident.

2.12

Bij memorie van grieven in het 843a-incident heeft PTV, na vermeerdering van haar eis en onder aanvoering van drie grieven, gevorderd, kort samengevat, dat het hof het bestreden tussenvonnis wat betreft de afwijzing van de vordering ex art. 843a Rv vernietigt en haar (gewijzigde) vorderingen op dit punt alsnog toewijst.

2.13

UIH, [betrokkene 1] en Tokeyna hebben bij gezamenlijke memorie van antwoord verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis ter zake van de incidentele vordering ex art 843a Rv. [eiser 1] heeft in het 843a-incident geen memorie van antwoord genomen.

2.14

Nadat partijen hun zaak ter zitting hebben doen bepleiten, heeft het hof bij tussenarrest van 14 augustus 2018 het tussenvonnis van de rechtbank bekrachtigd en de zaak verwezen naar de rechtbank voor een beslissing in de hoofdzaak.11

2.15

Ten aanzien van de door [betrokkene 1], Tokeyna en [eiser 1] opgeworpen grieven, gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de Nederlandse rechter op grond van art. 7 lid 1 Rv bevoegd is van de vorderingen jegens hen kennis te nemen, overwoog het hof – samengevat – als volgt. Vooropgesteld wordt het volgende (rov. 3.2):

“3.2 Vooropstaat dat de regels van internationaal bevoegdheidsrecht van openbare orde zijn en derhalve ambtshalve moeten worden toegepast, en dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of hij rechtsmacht heeft zich niet dient te beperken tot de stellingen van de eiser, maar ook acht dient te slaan op de stellingen van de gedaagde en op de beschikbare gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding. Hieruit volgt dat die rechtsmacht niet mag worden bepaald op basis van alleen de door de eiser gekozen grondslag van zijn vordering. (HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694). Voorts is van belang dat de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, in casu weliswaar moet worden beantwoord aan de hand van art. 2 e.v. Rv., maar dat de hier niet-toepasselijke (herschikte) EEX-Verordening en de daaraan door het Europese Hof van Justitie gegeven uitleg een bron van inspiratie kan zijn (MvT art. 6 Rv, Van Mierlo/Bart, Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Deventer: Kluwer,2002, p. 102).”

2.16

Tegen deze achtergrond overweegt het hof, kort samengevat, het volgende (rov. 3.3). Volgens het hof betwisten [betrokkene 1] c.s. niet dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens PTV als de stellingen van PTV met betrekking tot de onrechtmatigheid van de Transacties gegrond worden bevonden. Vervolgens wijst het hof erop dat uit het toelichtende rapport van P. Jenard over het EEX-Verdrag12 blijkt dat bij art. 6 EEX-Verdrag (thans: art. 8 van de Verordening Brussel I-bis) in de eerste plaats is gedacht aan gevallen van hoofdelijkheid. Het hof komt vervolgens tot het oordeel dat uit de stellingen van PTV volgt dat er sprake is van zodanige samenhang tussen de vorderingen tegen de onderscheiden verweerders dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling van de vorderingen van PTV. De stellingen van “[betrokkene 1] c.s.” leiden volgens het hof niet tot een andere conclusie. Het hof overweegt daartoe, kort samengevat, dat:

(i) niet kan worden gezegd dat de vorderingen van PTV evident niet toewijsbaar zijn;

(ii) een verschil in toepasselijk recht niet aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in de weg staat;

(iii) eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, aan de orde is;

(iv) voor [betrokkene 1], Tokeyna en [eiser 1] redelijkerwijs voorzienbaar is geweest dat zij samen met UIH voor de Nederlandse rechter zouden kunnen worden gedaagd; en

(v) PTV niet kan worden verweten dat zij misbruik maakt van haar bevoegdheid om partijen gezamenlijk te betrekken bij haar procedure tegen UIH.

2.17

Bij brief van zijn advocaat van 21 augustus 2018 heeft [eiser 1] het hof erop gewezen dat het in zijn arrest van 14 augustus 2018 niet heeft beslist op het bij memorie van grieven gedane verzoek tussentijds cassatieberoep open te stellen en heeft hij het hof verzocht om bij aanvullend arrest alsnog onmiddellijk cassatieberoep toe te staan. [betrokkene 1], UIH en Tokeyna hebben het verzoek van [eiser 1], onder verwijzing naar het gelijkluidende verzoek in hun eigen memorie van grieven, gesteund. PTV heeft zich tegen de toewijzing van het verzoek verzet. Het hof heeft het verzoek bij aanvullend arrest van 4 september 2018 toegewezen.13

2.18

[eiser 1] heeft tijdig14 beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van 14 augustus 2018.15 PTV heeft geconcludeerd tot verwerping van het principaal cassatieberoep en tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [eiser 1] heeft geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. Daarbij heeft [eiser 1] de Hoge Raad in overweging gegeven om na het slagen van het principale middel en na het verwerpen van het incidentele middel de zaak op de voet van art. 420 zelf af te doen en te beslissen dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van PTV tegen [eiser 1].16 Vervolgens heeft [eiser 1] gerepliceerd, waarna PTV heeft gedupliceerd.17 Daarbij heeft PTV er, in reactie op de passage in de schriftelijke toelichting van [eiser 1] over het zelf afdoen van de zaak door de Hoge Raad, op gewezen dat bij het slagen van het principaal cassatieberoep en verwerping van het incidenteel cassatieberoep, nog moet worden beslist over de alternatieve bevoegdheidsgronden voor de Nederlandse rechter, te weten art. 9 Rv ([betrokkene 1] en [eiser 1]) en art. 767 Rv ([betrokkene 1]).18

3 Juridisch kader

3.1

Het gaat in deze zaak om de vraag of het hof bij zijn oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van art. 7 lid 1 Rv rechtsmacht toekomt, de juiste maatstaf heeft aangelegd en of het zijn oordeel toereikend heeft gemotiveerd.

3.2

Na het wisselen van de cassatiestukken heeft de Hoge Raad bij arrest van 29 maart 2019 (Moldavië) uitspraak gedaan over de uitleg van en toetsing aan art. 7 lid 1 Rv. In dit arrest is in de eerste plaats het volgende overwogen:19

“4.1.3 Bij de invoering en latere wijzigingen van de art. 1-14 Rv heeft de Nederlandse wetgever aansluiting gezocht bij, onder meer, de voorlopers van de huidige Verordening Brussel I-bis (zie Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 80; Kamerstukken II 2002/03, 28863, nr. 3, p. 1). Bij de uitleg van de commune regels voor internationale rechtsmacht moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJEU over (de voorlopers van) de Verordening Brussel I-bis. Dit is uiteraard anders indien aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJEU.”

3.3

Bij de uitleg van het commune bevoegdheidsrecht moet dus in beginsel aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie van het HvJEU ten aanzien van de Verordening Brussel I-bis en diens voorlopers, tenzij aannemelijk is dat de wetgever hiervan beoogde af te wijken.

3.4

Met deze overweging lijkt de Hoge Raad voor wat betreft de betekenis van de jurisprudentie van het HvJEU ten aanzien van de Verordening Brussel I-bis en diens voorlopers voor het commune bevoegdheidsrecht, een stap verder te zijn gegaan dan A-G Vlas. Vlas betoogde namelijk dat de jurisprudentie van het HvJEU (slechts) een belangrijk richtsnoer is bij de uitleg van art. 7 lid 1 Rv.20 Vlas benadrukt het verschil in doelstelling tussen de bevoegdheidsregeling in het Unierecht en die in de nationale bepalingen: de Unierechtelijke regeling is erop gericht om binnen de lidstaten een ‘intern-regionale relatieve bevoegdheidsverdeling’ tot stand te brengen, terwijl de nationale bepalingen eenzijdig gericht zijn op het bepalen van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in het geval dat verdragen en verordeningen ontbreken.21 Dit verschil in doelstelling tussen de Unierechtelijke en nationale bepalingen kan volgens hem leiden tot een verschil in uitleg.22

3.5

In het arrest van 29 maart 2019 (Moldavië) vervolgt de Hoge Raad als volgt (mijn onderstreping):

“4.1.4 Uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat de rechter die in het kader van de toepassing van (de voorlopers van) de Verordening Brussel I-bis onderzoekt of hem bevoegdheid toekomt, zich bij dit onderzoek niet dient te beperken tot de stellingen van de eisende of verzoekende partij, maar ook acht moet slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verwerende partij. Wel geldt in dit verband de beperking dat indien de verwerende partij de stellingen van de eisende of verzoekende partij betwist, de rechter in het kader van de bepaling van zijn bevoegdheid geen gelegenheid behoeft te geven voor bewijslevering. Het onderzoek naar de bevoegdheid aan de hand van de Unierechtelijke instrumenten mag dus niet plaatsvinden op basis van enkel de door de eisende of verzoekende partij gekozen grondslag van haar vordering of verzoek. Zie voor het vorenstaande HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa/Barclays Bank), punt 58-65, en HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music/Schilling), punt 42-46; zie tevens HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, rov. 4.2.3.

4.1.5

Op grond van hetgeen hiervoor in 4.1.3 is overwogen, geldt de hiervoor in 4.1.4 bedoelde maatstaf ook indien de Nederlandse rechter in het kader van de toepassing van de commune regels voor internationale rechtsmacht onderzoekt of hem bevoegdheid toekomt. Immers, niet aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd op dit punt af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJEU.”

3.6

Bij het onderzoek naar zijn bevoegdheid moet de rechter dus rekening houden met alle hem ter beschikking staande gegevens, en in voorkomend geval ook met de stellingen van de verweerder. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in een arrest van 12 april 2019.23 De rechter hoeft echter geen gelegenheid te geven voor bewijslevering (de zogenoemde Kolassa-richtlijn). Dit is een wijziging van de tot dan toe bestaande lijn in de rechtspraak binnen het commune internationaal privaatrecht, die inhield dat de rechter voor het bepalen van zijn rechtsmacht uit mag gaan van de stellingen van de eiser.24

3.7

In het arrest Moldavië overweegt de Hoge Raad verder dat nu art. 7 lid 1 Rv is gebaseerd op (de voorloper van) art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis en laatstgenoemde bepaling op grond van de rechtspraak van het HvJEU strikt moet worden uitgelegd, de Nederlandse rechter, als voorwaarde voor toepassing van art. 7 lid 1 Rv, ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht dient te hebben op een andere grond dan vermeld in art. 7 lid 1 Rv zelf (rov. 4.2.2). Als aan die voorwaarde is voldaan, geldt als tweede voorwaarde voor toepassing van art. 7 lid 1 Rv dat de vorderingen tegen de andere gedaagde(n) voldoende samenhang vertonen met de vorderingen tegen de gedaagde ten aanzien van wie de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op een andere grond dan die vermeld in art. 7 lid 1 Rv zelf.

4 Bespreking van het principale cassatiemiddel

4.1

Het principale cassatiemiddel bestaat uit vijf onderdelen. Alle onderdelen richten zich, kort gezegd, tegen het oordeel van het hof dat de Nederlandse rechter op grond van art. 7 lid 1 Rv rechtsmacht toekomt ten aanzien van de vorderingen van PTV jegens [eiser 1] (rov. 3.3).

4.2

De bestreden rechtsoverweging 3.3 van het hof luidt als volgt:

3.3 Volgens PTV zijn “de Transacties”, kort gezegd, een samenstel van rechtshandelingen die in onderling verband strekken tot het onttrekken van gelden uit Unitel ten gunste van [betrokkene 1] c.s. en ter benadeling van PTV, en daarmee onrechtmatige daden jegens PTV die hebben geleid tot schade voor PTV, voor welke schade [betrokkene 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn.

[betrokkene 1] c.s. betwisten niet dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens PTV als de stellingen van PTV met betrekking tot de onrechtmatigheid van de transacties gegrond worden bevonden. Uit het toelichtende rapport van P. Jenard over het EEX-Verdrag (p. 26) blijkt dat bij art. 6 EEX-Verdrag (daarna art. 6 EEX-Verordening en thans art. 8 van de herschikte EEX-Verordening) in de eerste plaats is gedacht aan gevallen van hoofdelijkheid: “Voor de toepassing van dit voorschrift is vereist dat er een band bestaat tussen de tegen elk van de verweerders ingestelde vorderingen, bijv. dat zij hoofdelijke schuldenaren zijn.”

Het hof is dan ook van oordeel dat uit de stellingen van PTV volgt dat er sprake is van een zodanige samenhang tussen de vorderingen tegen de onderscheiden verweerders dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling van de vorderingen van PTV rechtvaardigen. Aldus wordt voorkomen dat verschillende rechters die dezelfde vragen moeten beantwoorden, tegenstrijdige beslissingen geven ter zake van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [betrokkene 1] c.s.

De stellingen van [betrokkene 1] c.s. leiden niet tot een andere conclusie. In het licht van de feitelijke motivering van de vorderingen van PTV kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat – zoals [betrokkene 1], Tokeyna en [eiser 1] betogen – de vorderingen van PTV evident niet toewijsbaar zijn. De vraag of de vorderingen van PTV gegrond zijn, behoeft in dit incident voor het overige geen beoordeling.

Aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter staat niet in de weg dat de vorderingen die tegen de betrokkenen zijn ingesteld naar het recht van verschillende rechtsstelsels dienen te worden beoordeeld. Die omstandigheid kan evenmin tot de conclusie leiden dat de feitelijke grondslag van de vorderingen niet gelijk is. Het gaat om een bepaald gesteld feitencomplex, op basis waarvan samenhangende vorderingen worden ingesteld die kunnen leiden tot een hoofdelijke aansprakelijkheid, zodat eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, aan de orde is. Als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat PTV terecht stelt dat [betrokkene 1] c.s. door “de Transacties” onrechtmatig jegens PTV hebben gehandeld en voor de schade van PTV hoofdelijk aansprakelijk zijn, is het door hun betrokkenheid bij “de Transacties” voor [betrokkene 1], Tokeyna en [eiser 1] redelijkerwijs voorzienbaar geweest dat zij samen met UIH voor de Nederlandse rechter zouden kunnen worden gedaagd. Uitgaande van diezelfde veronderstelling kan PTV ook niet worden verweten dat zij misbruik maakt van haar bevoegdheid om partijen gezamenlijk te betrekken bij haar procedure tegen UIH.

4.3

Ik bespreek eerst de onderdelen 2-5 en daarna onderdeel 1.

Onderdeel 2

4.4

Onderdeel 2 klaagt dat voor zover het hof in rov. 3.3 heeft geoordeeld dat hoofdelijke aansprakelijkheid zonder meer meebrengt dat aan het samenhangvereiste van art. 7 lid 1 Rv is voldaan, dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. In dat geval heeft het hof namelijk miskend dat de vraag of aan dit vereiste is voldaan, moet worden beantwoord met inachtneming van alle ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding, waaronder die welke blijken uit de verweren van [eiser 1].

4.5

Het hof overweegt in het eerste deel van rov. 3.3 dat uit de stellingen van PTV volgt dat van de vereiste samenhang sprake is, maar beoordeelt vervolgens óók of de betwisting van die stellingen door [betrokkene 1] c.s. tot een andere conclusie kunnen leiden. Waarom dit volgens het hof niet het geval is (“de stellingen van [betrokkene 1] c.s. leiden niet tot een andere conclusie”), volgt uit het tweede deel van rov. 3.3. Het verwijt dat het hof zijn oordeel dat voldoende samenhang bestaat als bedoeld in art. 7 lid 1 Rv, uitsluitend heeft gebaseerd op de door PTV gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid van [betrokkene 1] c.s., is dan ook niet terecht.

Onderdeel 2 slaagt derhalve niet.

Onderdeel 3

4.6

Onderdeel 3 houdt in dat het hof heeft miskend dat onder meer ook betekenis toekomt aan de betwisting door [eiser 1] dat sprake is van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens en hetgeen [eiser 1] daartoe heeft aangevoerd. Het hof heeft de stellingen van [eiser 1] daarover ten onrechte niet, althans niet voldoende kenbaar en/of gemotiveerd in zijn beoordeling betrokken. Het onderdeel voert in dit verband het volgende aan:

(i) Het hof heeft zich ten onrechte enkel gebaseerd op het door PTV gestelde feitencomplex en aldus ten onrechte niet (voldoende kenbaar en/of gemotiveerd) in zijn beoordeling betrokken het betoog van [eiser 1] dat er geen enkele relatie is tussen hem en UIH tussen hetgeen PTV elk van hen verwijt. Feitelijk verschillen de verweten gedragingen wezenlijk. De verwijten jegens UIH betreffen het verkrijgen van leningen van Unitel. [eiser 1] was bij het aangaan van die leningen op geen enkele wijze betrokken en vervulde destijds nog geen functie bij Unitel. De verwijten aan [eiser 1] zien enkel op de (tijdelijke) overdracht van de leningen aan en het sluiten van de serviceovereenkomst met Tokeyna, waarbij UIH geen enkele rol heeft gespeeld. De serviceovereenkomst staat geheel los van het aangaan van de leningen. Daaraan wordt toegevoegd dat het hof heeft miskend dat PTV onvoldoende heeft toegelicht dat [eiser 1] betrokken zou zijn geweest bij een samenstel aan rechtshandelingen, waarbij ook UIH betrokken zou zijn, en dat het hof zijn oordeel dat sprake is van eenzelfde feitelijke situatie hierop niet (althans niet zonder kenbaar de stellingen van [eiser 1] daarbij te betrekken) kon baseren.

(ii) Rechtens is de situatie ten aanzien van [eiser 1] anders dan ten aanzien van UIH, nu de grondslagen van de vorderingen jegens UIH (onrechtmatige daad) en [eiser 1] (aansprakelijkheid als bestuurder van een Angolese vennootschap jegens een aandeelhouder) fundamenteel anders zijn.

4.7

Het onderdeel richt zich hiermee tegen het oordeel van het hof dat sprake is van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens.

4.8

Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof zich geen rekenschap zou hebben gegeven van het betoog van [eiser 1] dat géén sprake is van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, faalt het. In rov. 3.3. overweegt het hof dat wél van een dergelijke situatie sprake is en dat de stellingen van [betrokkene 1] c.s. niet tot een andere conclusie leiden. Daaruit blijkt dat het hof zich rekenschap heeft gegeven van de stellingen van [eiser 1] op dit punt en van oordeel is dat deze verworpen dienen te worden.

4.9

Voor wat betreft het betoog onder (i), dat het hof niet voldoende kenbaar en/of gemotiveerd in zijn beoordeling heeft betrokken het verweer dat geen sprake zou zijn van eenzelfde situatie feitelijk, omdat tussen UIH en [eiser 1] geen enkele relatie bestaat en [eiser 1] geen betrokkenheid heeft gehad bij de gedragingen die UIH worden verweten, en vice versa, geldt het volgende.

4.10

Uit rov. 3.3 blijkt dat het hof ervan uit is gegaan dat sprake is van één feitencomplex, op basis waarvan samenhangende vorderingen zijn ingesteld. Dit impliceert dat het hof er niet vanuit is gegaan dat de feitelijke grondslag van de vorderingen voor alle gedaagden precies hetzelfde is, maar dat, gegeven de omstandigheid dat sprake is van één feitencomplex, er sprake is van ‘feitelijke samenhang’ tussen de vorderingen. In dat oordeel ligt ook besloten dat – anders dan [eiser 1] in feite voorstaat – zijn handelen niet geïsoleerd kan worden van de gedragingen van de andere gedaagden, maar in samenhang daarmee moet worden beoordeeld.

4.11

Dat oordeel is geenszins onbegrijpelijk, nu de stellingen van PTV inhouden dat sprake is van een samenstel van handelingen van de verschillende gedaagden, die in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd. Die handelingen komen erop neer dat gedaagden in samenspanning PTV – als aandeelhouder van Unitel –onrechtmatig hebben benadeeld, doordat zij honderden miljoenen aan Unitel hebben onttrokken.25 Gedaagden hebben weliswaar elk op verschillende wijze bijgedragen aan die benadeling, maar zij zijn alle daarbij betrokken geweest, in die zin dat hun gezamenlijke handelen tot de onttrekking van gelden aan Unitel heeft geleid, aldus PTV.26 Het voorgaande betekent dat het oordeel van het hof níet erop gebaseerd is dat de verschillende gedaagden dezelfde feitelijke gedragingen wordt verweten.

4.12

In het oordeel van het hof ligt besloten dat het verweer van [eiser 1] dat hij niet betrokken was bij het aangaan van de leningen door UIH (en omgekeerd, dat UIH niet betrokken was bij de overdracht van de leningen en het aangaan van de serviceovereenkomst), het hof niet tot een ander oordeel kon brengen. Het hof hoefde daarop dan ook niet nader in te gaan. In het oordeel van het hof ligt besloten dat het handelen van [eiser 1] (of een van de andere gedaagden) niet geïsoleerd kan worden beschouwd, omdat het gaat om het samenstel van de beweerdelijke onrechtmatige gedragingen van de verschillende gedaagden, waardoor PTV schade heeft geleden. Dat betekent dat aan zijn betrokkenheid bij het gestelde onrechtmatig handelen niet kan afdoen dat hij niet betrokken was bij het aangaan van de leningen door UIH, zoals [eiser 1] stelt.

De klacht slaagt niet.

4.13

Het onderdeel, onder (i), houdt in de tweede plaats in dat het hof heeft miskend dat PTV onvoldoende heeft toegelicht dat [eiser 1] betrokken zou zijn geweest bij een samenstel van rechtshandelingen, waarbij ook UIH betrokken zou zijn.

4.14

Deze klacht, die niet aangeeft waaruit zou blijken dat PTV haar stellingen ter zake onvoldoende heeft toegelicht, ziet eraan voorbij dat het ter beoordeling van de feitenrechter staat of een procespartij zijn stellingen voldoende heeft toegelicht en is derhalve tevergeefs voorgesteld.

4.15

Voor wat betreft het betoog onder (ii), dat het hof niet voldoende kenbaar en/of gemotiveerd in zijn beoordeling heeft betrokken het verweer dat evenmin sprake is van eenzelfde situatie rechtens, omdat de grondslagen van de vorderingen jegens UIH respectievelijk [eiser 1] fundamenteel verschillen, geldt het volgende.

4.16

In het arrest Freeport/Arnoldsson oordeelde het HvJEU dat het feit dat de tegen de verschillende verweerders gerichte vorderingen een verschillende rechtsgrondslag hebben (in dat geval: wanprestatie respectievelijk onrechtmatige daad), niet aan toepassing van (thans) art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis in de weg staat. Daartoe overwoog het HvJEU dat uit de bewoordingen van art. 8 onder 1 niet blijkt dat voor toepassing van deze bepaling is vereist dat de vorderingen dezelfde rechtsgrondslag hebben. Het Hof vervolgt met de overweging dat de nationale rechter bij de beoordeling of de verschillende bij hem ingestelde vorderingen samenhangend zijn (en dus of er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat) rekening dient te houden met alle noodzakelijke elementen van het dossier. Daartoe zal de rechter in voorkomend geval, ook al is dit voor de beoordeling niet noodzakelijk, de rechtsgrondslagen van de vorderingen in de beschouwing moeten betrekken, aldus het HvJEU.27

4.17

In het arrest Painer/Standard, waarin het ging om de vraag of ook sprake kan zijn van samenhang als op de diverse vorderingen verschillend nationaal recht van toepassing is dat niet volledig is geharmoniseerd,28 heeft het HvJEU deze overwegingen herhaald. Overwogen werd dat de omstandigheid dat de rechtsgrondslagen van de ingediende vorderingen identiek zijn niet de enige relevante factor is bij de beoordeling of de verschillende vorderingen samenhangend zijn en geen onmisbare voorwaarde vormt voor toepassing van (thans) art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis. Het HvJEU voegt hieraan toe dat een verschil in rechtsgrondslag (in dat geval: een verschil in toepasselijk recht) op zichzelf niet aan toepassing van voornoemde bepaling in de weg staat, mits voor de verweerders voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waarin een van hen zijn woonplaats heeft. Dit geldt volgens het Hof temeer indien het op de onderscheiden vorderingen toepasselijke recht in de hoofdzaak identiek is.29 Het HvJEU heeft deze lijn in latere uitspraken bevestigd (overigens niet steeds onder verwijzing naar de in Painer/Standard geformuleerde eis van voorzienbaarheid).30

4.18

Uit deze rechtspraak volgt dat de rechtsgrondslagen van de tegen de verschillende gedaagden ingestelde vorderingen (c.q. het op die vorderingen toepasselijke recht) niet identiek hoeven te zijn voor toepassing van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis. Overeenstemming van de rechtsgrondslag vormt echter wel een relevante factor bij de beoordeling of de verschillende vorderingen samenhangend zijn.31 Deze rechtspraak van het HvJEU zal ook bij de toepassing van art. 7 lid 1 Rv tot uitgangspunt moeten worden genomen. In de wetgeschiedenis bij art. 7 lid 1 Rv zijn namelijk geen aanknopingspunten te vinden op basis waarvan zou moeten worden aangenomen dat het aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever op dit punt heeft beoogd af te wijken van de uitleg van (de voorlopers van het huidige) art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis door het HvJEU.32

4.19

Uit de overwegingen van het hof is af te leiden dat het, in lijn met deze rechtspraak, inderdaad bij zijn beoordeling heeft betrokken of sprake is van dezelfde rechtsgrondslag. Daarbij begrijp ik de overwegingen van het hof zo, dat het hof ervan uitgaat dat voor alle gedaagden geldt dat de juridische grondslag van de tegen hen ingestelde vorderingen is dat zij onrechtmatig hebben gehandeld. Dit is in lijn met de stellingen van PTV.33 Ik lees in het verweer van [eiser 1] in feitelijke instanties geen betwisting van deze stellingen, in ieder geval niet in de in de procesinleiding op dit punt genoemde vindplaatsen.34 Daar is slechts aangevoerd dat het bij [eiser 1] gaat om bestuurdersaansprakelijkheid, waarvoor niet hetzelfde beoordelingskader geldt (en waarop mogelijk ook niet hetzelfde recht van toepassing is) als voor de gestelde onrechtmatige gedragingen van de andere gedaagden. Dat doet er echter niet aan af dat ook bestuurdersaansprakelijkheid berust op onrechtmatig handelen. Het hof kon er dan ook – zonder nadere motivering – vanuit gaan dat alle vorderingen gebaseerd zijn op onrechtmatige daad.

4.20

Verder heeft het hof bij zijn beoordeling betrokken dat de vorderingen (wellicht) naar het recht van verschillende rechtsstelsels beoordeeld dienen te worden. Het hof overweegt in rov. 3.3 immers dat “aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter [niet in de weg staat] dat de vorderingen die tegen betrokkenen zijn ingesteld naar het recht van verschillende rechtsstelsels dienen te worden beoordeeld.” Aldus is het hof kennelijk tot het oordeel gekomen dat ondanks de mogelijkheid dat op de vorderingen tegen de verschillende gedaagden (wellicht) verschillend recht van toepassing is, de omstandigheid dat sprake is van eenzelfde feitelijke grondslag én eenzelfde juridische grondslag (onrechtmatige daad) voldoende is om aan te nemen dat sprake is van ‘eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens’. Dit oordeel is – mede tegen de achtergrond van de hiervoor besproken rechtspraak van het HvJEU – noch onjuist noch onbegrijpelijk.

4.21

Daarbij is overigens aan te tekenen dat PTV heeft gesteld dat alle vorderingen wél naar hetzelfde recht dienen te worden beoordeeld (ofwel allemaal naar Portugees recht, ofwel allemaal naar Angolees recht).35 In de hoofdzaak zal de rechter moeten vaststellen naar welk recht de vorderingen tegen gedaagden moeten worden beoordeeld.

4.22

Hiermee faalt onderdeel 3.

Onderdeel 4

4.23

Volgens onderdeel 4 is onjuist dan wel onbegrijpelijk ’s hofs oordeel dat “[betrokkene 1] c.s. niet betwisten dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens PTV als de stellingen van PTV met betrekking tot de onrechtmatigheid van de transacties gegrond worden bevonden”. Daartoe voert het onderdeel aan, samengevat weergegeven, dat in feitelijke instanties is gesteld dat:

(i) [eiser 1] en UIH niet voor dezelfde schade aansprakelijk zijn, omdat de vermeende schade in verband met de leningen, waarvoor UIH aansprakelijk zou zijn, samenhangt met de voorwaarden waaronder deze leningen zouden zijn aangegaan, terwijl [eiser 1] bij het aangaan niet betrokken was. De vermeende schade waarvoor [eiser 1] aansprakelijk zou zijn, hangt samen met de tijdelijke overdracht van de leningen, waarvoor UIH weer niet aansprakelijk kan zijn.

(ii) de tijdelijke overdracht van de leningen en het terugdraaien daarvan niet tot schade, maar tot voordeel voor Unitel hebben geleid, en

(iii) PTV slechts afgeleide schade vordert, waarvoor [eiser 1] op grond van het toepasselijke recht niet aansprakelijk kan worden gehouden.

4.24

Ik begrijp het oordeel van het hof zo, dat – aangenomen dat de verwijten van PTV terzake van het onrechtmatig handelen door [betrokkene 1] c.s. terecht zijn – de hoofdelijkheid niet afzonderlijk (specifiek) door hen is betwist. Het hof overweegt immers dat [betrokkene 1] c.s. niet hebben betwist dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens PTV als de stellingen van PTV met betrekking tot de onrechtmatigheid van de Transacties gegrond worden bevonden. Nu de stellingen van PTV inhouden dat sprake is van een samenstel van onrechtmatige gedragingen, waarbij de verschillende gedragingen van gedaagden tezamen de schade van PTV hebben veroorzaakt, impliceert dat dat in dat geval sprake is van aansprakelijkheid voor dezelfde schade en dus sprake is van hoofdelijkheid.

4.25

Dat dit geenszins een onbegrijpelijke lezing is van de stellingen van [eiser 1] laat zich als volgt toelichten.

4.26

Ten aanzien van stelling (i) heeft [eiser 1] in feitelijke instanties op de in de procesinleiding vermelde vindplaatsen (zie voetnoot 22 van de procesinleiding) in de memorie van grieven het volgende aangevoerd:36

“3.19. UIH wordt verweten dat aan haar leningen zijn verstrekt door Unitel waardoor UIH eenzijdig zou zijn verrijkt ten nadele van (de aandeelhouders van) Unitel. De leningen hebben volgens PTV een waardedrukkend effect op Unitel en PTV zou daardoor schade lijden.

3.20.

Wat daar ook van zij, op het moment dat Unitel de leningen verstrekte aan UIH was [eiser 1] nog niet bij Unitel betrokken. De laatste leningsovereenkomst is door Unitel met UIH aangegaan op 28 augustus 2013. [eiser 1] is pas sinds september 2013 werkzaam bij Unitel en in november 2013 benoemd als bestuurder. Op dat moment waren de leningen dus al een gegeven. Dat betekent dat [eiser 1] ten aanzien van het aangaan van de leningsovereenkomsten niets verweten kan worden. UIH was uiteraard wel betrokken bij het aangaan van de leningen als leningnemer.

3.21

[eiser 1] is enkel betrokken geweest bij de overdracht van de leningen (de Assignment Agreement), het ondertekenen van de serviceovereenkomst (de Services Agreement) namens Unitel en het later terugdraaien hiervan. Dit alles is buiten UIH omgegaan en UIH is van de transacties enkel op de hoogte gesteld.

(…).

5.20.

De situatie is ten aanzien van [eiser 1] feitelijk anders omdat de gedragingen die hem verweten worden volstrekt anders zijn dan de gedragingen die UIH verweten worden.

5.21

De verwijten jegens UIH betreffen het door UIH verkrijgen van leningen terwijl zij zou hebben geweten dat die niet in het belang van Unitel en haar aandeelhouders zou zijn geweest, dat dit in strijd zou zijn met tussen de aandeelhouders van Unitel gemaakte afspraken en dat UIH daarmee ten koste van PTV werd verrijkt. [eiser 1] was hierbij echter op geen enkele wijze betrokken.

5.22

De verwijten aan [eiser 1] zien enkel op de tijdelijke overdracht van de leningen. UIH heeft als leningnemer geen rol gehad bij die overdracht of bij het aangaan van de leningen (waar de vordering tegen UIH op ziet). Feitelijk verschillen de verweten gedragingen van [eiser 1] en UIH dus wezenlijk van elkaar.

5.23

Een en ander betekent bovendien dat [eiser 1] en UIH, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, juist niet voor dezelfde schade aansprakelijk zullen zijn. De beweerde schade in verband met de leningen (waarvoor UIH dan aansprakelijk zou zijn) heeft te maken met de door PTV gestelde tekortkomingen in de voorwaarden van de lening (te lage rente). Voor die schade kan [eiser 1] in ieder geval niet hoofdelijk aansprakelijk zijn. De schade waar [eiser 1] voor aansprakelijk zou zijn hangt samen met de overdracht van de leningen (wat die schade zou moeten zijn is niet duidelijk, de overdracht ven het terugdraaien daarvan heeft Unitel enkel voordeel opgeleverd, waar UIH als leningnemer onmogelijk voor aansprakelijk kan zijn. Ook in die zin kan er dus geen hoofdelijkheid zijn.”

4.27

Verder heeft [eiser 1] in zijn pleitaantekeningen aangevoerd:37

“1.3 Dat en waarom de Nederlandse rechter in deze zaak niet bevoegd is ten aanzien van [eiser 1] is uitvoerig toegelicht in de Memorie van Grieven. PTV probeert [eiser 1] voor de Nederlandse rechter te krijgen via de pretense ankervordering tegen UIH. Er is echter geen enkele relatie tussen UIH en [eiser 1] en er is geen samenhang tussen hetgeen PTV ieder van hen verwijt. Van “samengestelde fraude” is geen sprake, dat heeft PTV op geen enkele wijze onderbouwd.

1.4

PTV’s vordering op UIH is gebaseerd op de leningen die Unitel aan UIH heeft verstrekt. [eiser 1] heeft geen enkele betrokkenheid gehad bij het aangaan van de leningen met UIH. [eiser 1] was überhaupt nog niet betrokken bij Unitel toen de leningen aan UIH werden verstrekt.

1.5

Na indiensttreding bij Unitel is [eiser 1] enkel betrokken geweest bij de overdracht van de leningen aan groepsvennootschap Tokeyna, het aangaan van de serviceovereenkomst tussen Unitel en Tokeyna en het terugdraaien daarvan (de unwind). Bij deze transacties met Tokeyna was UIH niet betrokken (anders dan dat zij als leningnemer hiervan op de hoogte is gesteld.

1.6

Dit volgt ook uit de tijdlijn die ik hier heb opgenomen.

(…).

1.7

De rechterzijde van de tijdlijn [Assignment Agreement, Services Agreement en de “Unwind”; A-G] kan inmiddels in feite worden “weggedacht” want de daar opgenomen transacties zijn teruggedraaid en hebben een positief effect gehad op Unitel’s cijfers. Ik kom daar nog op terug.

1.8

Het enige wat thans nog resteert zijn de leningen aan UIH. PTV heeft mogelijk dus alleen nog een vordering op [betrokkene 1] en UIH in verband met die leningen. Daar had [eiser 1], zoals gezegd, niets mee te maken.”

4.28

Uit deze passages blijkt dat de stelling dat geen sprake is van dezelfde schade, berust op de gedachte dat het handelen van [eiser 1] los moet worden gezien van het handelen van UIH (en de overige gedaagden) en ‘geïsoleerd’ moet worden beoordeeld. Die stelling staat echter haaks op de stellingen waarop PTV haar vorderingen heeft gebaseerd. Die houden immers in dat sprake is van een samenstel van handelingen van de verschillende gedaagden, dat die handelingen in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd, en dat de gezamenlijke handelingen van gedaagden PTV schade hebben toegebracht.38

4.29

Een inhoudelijk oordeel over de vraag of hoofdelijkheid ontbreekt omdat het handelen van [eiser 1] los moet worden gezien van het handelen van UIH en de overige gedaagden (zodat – in zoverre – geen sprake is van samenspanning tussen gedaagden en een samenstel van handelingen van hen), kan pas worden gegeven nadat voor elk van gedaagden is beoordeeld of sprake is van onrechtmatig handelen, omdat zij, zoals PTV stelt, in samenspanning PTV onrechtmatig hebben benadeeld. Daarvoor is een diepgaande analyse en beoordeling nodig van alle stellingen en verweren die door de verschillende partijen zijn aangevoerd, waarvoor nadere bewijslevering nodig zal zijn. Het hof hoefde zijn oordeel op dit punt dan ook niet nader te motiveren (zie ook hierna onder 4.37-4.41).

4.30

Overigens heeft PTV ook gesteld dat haar vorderingen worden beheerst door Portugees of Angolees recht, en dat ook volgens Portugees en Angolees recht sprake is van hoofdelijkheid.39 [eiser 1] heeft daartegen geen specifiek verweer gevoerd.

4.31

Ook op stelling (ii) hoefde het hof niet expliciet in te gaan in het kader van zijn oordeel dat sprake is van hoofdelijkheid. Deze stelling houdt immers (slechts) in dat PTV geen schade heeft geleden. Het hof hoefde daarin dan ook geen betwisting van de gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser 1] te lezen. De context waarin de stelling is aangevoerd behoefde het hof evenmin tot een andere lezing te nopen. [eiser 1] heeft het argument dat PTV geen schade heeft geleden door de gewraakte handelingen (maar juist voordeel heeft behaald) namelijk ten grondslag gelegd aan haar stellingen dat PTV geen enkele vordering heeft op [eiser 1],40 dat PTV geen enkel belang heeft bij haar actie tegen [eiser 1],41 en dat de vorderingen tegen [eiser 1] (evident) kansloos zijn42 (en dat PTV door toch te procederen misbruik van procesrecht maakt43). De door PTV gestelde hoofdelijkheid wordt hiermee niet betwist.

4.32

Ten slotte kon het hof ook stelling (iii) onbesproken laten. De stelling dat sprake is van afgeleide schade die op grond van het toepasselijke recht niet voor vergoeding in aanmerking komt, houdt immers slechts in dat [eiser 1] (en [betrokkene 1] en Tokeyna) niet aansprakelijk kan (kunnen) worden gesteld voor de door PTV geleden schade. Daarmee is echter niet het specifieke element van hoofdelijkheid van de gestelde aansprakelijkheid betwist. Voorts geldt ook ten aanzien van stelling (iii) dat de context waarin deze stelling is betrokken, het hof niet tot een andere lezing hoefde te brengen.44

4.33

De klachten uit onderdeel 4 falen.

Onderdeel 5

4.34

Onderdeel 5 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.3 dat – in de woorden van het onderdeel – “de door gedaagden aangevoerde stellingen niet leiden tot een andere conclusie inzake het aannemen van rechtsmacht op de voet van artikel 7 lid 1 Rv, voor wat betreft de daartoe vereiste samenhang”. Gesteld wordt dat de verwerping door het hof van de stellingen van [eiser 1] dat (i) de vorderingen tegen hem evident niet toewijsbaar zijn, (ii) dat voor hem niet voorzienbaar was dat hij voor een Nederlandse rechter zou kunnen worden gedaagd en (iii) dat PTV misbruik maakt van haar bevoegdheid, niet bijdraagt aan de juistheid of begrijpelijkheid van zijn oordeel dat aan het samenhangvereiste is voldaan. Hetzelfde geldt volgens het onderdeel voor de – op zichzelf juiste – overweging van het hof (iv) dat, kort gezegd, het verschil in toepasselijk recht niet aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in de weg staat. Daarnaast klaagt het onderdeel dat de onder (i) tot en met (iii) genoemde verwerpingen ook op zichzelf onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn. Deze klacht wordt uitgewerkt in subonderdelen 5.a tot en met 5c. Subonderdeel 5.d richt voorts een afzonderlijke klacht tegen de onder (iv) genoemde overweging.

4.35

Het onderdeel klaagt in de eerste plaats, overigens zonder toe te lichten waarom dit het geval zou zijn, dat de genoemde overwegingen van het hof niet bijdragen aan de juistheid en begrijpelijkheid van het oordeel dat sprake is van een zodanige samenhang dat om redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling van de vorderingen van PTV gerechtvaardigd is. Deze klacht gaat eraan voorbij dat “de stellingen van [betrokkene 1] c.s.” die het hof in het tweede deel van rov. 3.3 bespreekt, de grieven betreffen die gedaagden hebben aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de Nederlandse rechter op grond van art. 7 lid 1 Rv rechtsmacht toekomt ter zake van de door PTV ingestelde vorderingen.45 Het hof was derhalve gehouden deze stellingen in zijn beoordeling te betrekken. De eerste klacht van het onderdeel stuit hierop af.

4.36

Bij de bespreking van de subonderdelen 5.a tot en met 5.d is het volgende voorop te stellen.

4.37

Uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat de rechtszekerheid verlangt dat de nationale rechter zich gemakkelijk over zijn internationale bevoegdheid kan uitspreken, zonder dat hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken.46 Dit is de zogenoemde Kolassa-richtlijn, die – in de woorden van Strikwerda47– inhoudt “dat enerzijds ‘het doel van de rechtszekerheid’ verlangt dat de nationale rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken, zonder dat hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken (r.o. 61) en dat anderzijds zowel ‘het doel van een goede rechtsbedeling’ als ‘de geboden eerbiediging van de autonomie van de rechter in de uitoefening van zijn functies’ vereisen dat de aangezochte rechter zijn internationale bevoegdheid kan toetsen aan alle te zijner beschikking staande gegevens, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de verweerder (r.o. 64)”. Dit uitgangspunt brengt volgens het HvJEU met zich mee dat indien de verweerder de stellingen van de eiser betwist, de rechter in de fase van het bepalen van zijn bevoegdheid niet hoeft over te gaan tot een gedetailleerde bewijsvoering met betrekking tot de zowel voor de bevoegdheid als voor de gegrondheid relevante feiten, omdat daarmee op het onderzoek naar de gegrondheid van de vorderingen vooruit zou worden gelopen.48 Hieruit volgt dat de rechter zich bij de beantwoording van de bevoegdheidsvraag kan beperken tot een prima facie (of summierlijk49) oordeel.50

4.38

Uit het arrest Moldavië van de Hoge Raad51 volgt dat deze toetsingsmaatstaf ook geldt indien de Nederlandse rechter in het kader van de toepassing van de commune regels voor internationale rechtsmacht onderzoekt of hem bevoegdheid toekomt (zie hiervoor onder 3.5-3.6). De rechtsmacht moet op eenvoudige wijze kunnen worden bepaald, zoals ook A-G Vlas constateerde.52 Zie in deze zin ook de noot van Strikwerda bij het arrest Zürich/LAG:53

“In de onderhavige zaak komen beide aspecten van de Kolassa-richtlijn goed uit de verf. Bij de beoordeling van de bevoegdheidsvraag wordt de door Zürich als grondslag van haar rechtsvordering meegegeven aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad niet klakkeloos aanvaard. De gestelde grondslag wordt getoetst aan de beschikbare gegevens over de onder het toepasselijke recht werkelijk tussen Zürich en LAG bestaande rechtsverhouding en aan het verweer van LAG. De ingewikkelde casus brengt mee dat die toetsing enige omhaal van woorden vergt, maar dat betekent niet dat de overwegingen van Hof en Hoge Raad buiten de grenzen van een voor bevoegdheidsdoeleinden toereikende prima facie beoordeling van de door Zürich aangevoerde grondslag van haar rechtsvordering treden. Hoewel die overwegingen onvermijdelijk tevens een voorlopig oordeel impliceren over de toewijsbaarheid van de rechtsvordering op die grondslag, wordt de zaak niet ten gronde onderzocht.

4.39

De prima facie beoordeling van de bevoegdheid kán ertoe leiden dat als de rechter de zaak inhoudelijk beoordeelt, hij tot een ander oordeel komt over dezelfde feiten die (op grond van een summierlijk oordeel) aan zijn bevoegdheidsoordeel ten grondslag waren gelegd. Dit worden wel de ‘dubbel relevante feiten’ genoemd, dat wil zeggen (betwiste) feiten die van belang zijn voor zowel de beantwoording van de bevoegdheidsvraag als voor de inhoudelijke beoordeling van het verschil.54 In zo’n situatie moet de rechter zich niet alsnog onbevoegd verklaren, maar de vordering inhoudelijk afwijzen.

4.40

Een verplichting tot het steeds expliciet meewegen van álle inhoudelijke betwistingen en daarover een in extenso gemotiveerde beslissing te nemen, zou beantwoording van de bevoegdheidsvraag echter de facto tot een onderzoek ten gronde maken, waartoe de rechter in dat kader juist niet is gehouden.

4.41

Dat van de rechter in het kader van de bevoegdheidsvraag niet gevergd kan worden om alle inhoudelijke betwistingen expliciet mee te wegen en de juistheid daarvan ten gronde te onderzoeken omdat dat zou neerkomen op een onderzoek ten gronde, geldt bij uitstek voor de onderhavige zaak. In deze zaak gaat het om een uitgebreid en ingewikkeld feitencomplex, waarbij veel partijen en verschillende rechtsordes betrokken zijn. Het onrechtmatig handelen dat gedaagden wordt verweten, komt neer op een grootschalige en complexe financiële fraude, waarbij een Nederlandse vennootschap als ‘schakel’ zou hebben gefunctioneerd, en waarvan [betrokkene 1] (mede via Tokeyna en UIH) uiteindelijk zou hebben geprofiteerd. Voorts kenmerkt de zaak zich hierdoor dat gedaagden in feite alle relevante stellingen van PTV betwisten. Als de rechter in het kader van de beoordeling van zijn bevoegdheid al die verweren inhoudelijk ten gronde zou moeten beoordelen, zou uitvoerige bewijslevering nodig zijn. Daarmee zouden in feite de stellingen en verweren in de hoofdzaak worden beoordeeld. Dat strookt niet met het doel dat de rechter zich gemakkelijk over zijn bevoegdheid moet kunnen uitspreken (zie de Kolassa-richtlijn) en geen gelegenheid hoeft te geven voor bewijslevering. Het alternatief, dat de rechter zich onbevoegd verklaart omdat de in het bevoegdheidsincident opgeworpen verweren zich niet zonder een uitvoerig onderzoek naar de feiten inhoudelijk laten beoordelen, spreekt weinig aan. Dit zou er immers op neerkomen dat hoe ingewikkelder het feitencomplex (of: hoe groter de betrokken belangen, of: hoe grootschaliger de frauduleuze handelingen die gedaagde partijen worden verweten), hoe groter de kans dat de rechter zich onbevoegd moet verklaren.

4.42

Subonderdeel 5.a komt op tegen de volgende overweging in rov. 3.3:

“In het licht van de feitelijke motivering van de vorderingen van PTV kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat – zoals [betrokkene 1], Tokeyna en [eiser 1] betogen – de vorderingen van PTV evident niet toewijsbaar zijn.”

4.43

Het subonderdeel klaagt dat deze verwerping van stelling (i) onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is, omdat het hof niet (kenbaar) heeft gereageerd op de stellingen van [eiser 1] dat (a) de rechtshandelingen waarbij [eiser 1] betrokken was geen enkel nadeel hebben opgeleverd voor Unitel of PTV en (b) PTV slechts afgeleide schade vordert zonder schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens PTV te stellen, waarvoor [eiser 1] niet aansprakelijk kan worden gehouden op grond van het toepasselijke recht.

4.44

De genoemde stellingen behelzen dat PTV geen voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden, althans slechts afgeleide schade kan vorderen. Of PTV, zoals zij stelt, schade heeft geleden door het beweerdelijke onrechtmatige handelen en, vervolgens, of deze schade voor vergoeding in aanmerking komt onder het toepasselijke recht, zijn evenwel kwesties die nopen tot nader (feitelijk en juridisch) onderzoek, dat in de hoofdzaak zal moeten plaatsvinden. Met andere woorden: op basis van genoemde stellingen kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat de door het hof genoemde feitelijke onderbouwing door PTV onjuist is c.q. dat de vorderingen van PTV evident niet toewijsbaar zijn. Ik acht het bestreden oordeel van het hof in het licht van deze stellingen dan ook niet onvoldoende of onbegrijpelijk gemotiveerd.
Het subonderdeel faalt.

4.45

Subonderdeel 5.b is gericht tegen de volgende overweging van het hof in rov. 3.3:

“Als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat PTV terecht stelt dat [betrokkene 1] c.s. door “de Transacties” onrechtmatig jegens PTV hebben gehandeld en voor de schade van PTV hoofdelijk aansprakelijk zijn, is het door hun betrokkenheid bij “de Transacties” voor [betrokkene 1], Tokeyna en [eiser 1] redelijkerwijs voorzienbaar geweest dat zij samen met UIH voor de Nederlandse rechter zouden kunnen worden gedaagd.”

4.46

Het subonderdeel stelt dat dit oordeel ten aanzien van stelling (ii) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de voorzienbaarheid voor [eiser 1] niet kan worden gebaseerd op een voorlopige beoordeling van (louter) stellingen van PTV, laat staan op de door het hof (zonder acht te slaan op de betwisting daarvan door [eiser 1]) veronderstelde juistheid daarvan. Hieraan voegt het subonderdeel toe dat ’s hofs oordeel in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is, nu het hof niet (kenbaar) heeft gereageerd op de stelling van [eiser 1] dat het voor hem als Brits staatsburger, woonachtig en werkzaam in Angola, redelijkerwijs niet voorzienbaar was dat hij met UIH voor de Nederlandse rechter zou kunnen worden gedaagd, nu hij slechts bestuurder is van een Angolese vennootschap en ter zake van de hem verweten gedragingen geen enkele band heeft gehad met UIH of Nederland.

4.47

Ik begrijp de overweging van het hof als volgt. Uitgaande van een prima facie beoordeling van de stellingen van PTV en de betwisting daarvan door [betrokkene 1] c.s., oordeelt het hof dat een zodanige samenhang tussen de vorderingen bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling van die vorderingen rechtvaardigen. Vervolgens oordeelt het hof (“veronderstellenderwijs”) dat dat impliceert dat dán het gedaagd worden voor de Nederlandse rechter redelijkerwijs voorzienbaar is geweest. Het gestelde feitencomplex – waarvan het hof op basis van een summierlijke beoordeling uitgaat – houdt immers in dat sprake is van gezamenlijke betrokkenheid van [betrokkene 1], Tokeyna, [eiser 1] en UIH bij het gestelde onrechtmatig handelen jegens PTV. Daarbij gaat het, zoals gezegd, om een samenstel van onrechtmatige gedragingen, waarbij gedaagden weliswaar elk op eigen wijze hebben bijgedragen aan de benadeling van PTV, maar waarbij dat handelen in samenhang heeft geleid tot de benadeling van PTV en ook in samenhang moet worden beoordeeld. Gelet op die samenhang én de omstandigheid dat gedaagde UIH in Nederland gevestigd is, was daarmee redelijkerwijs voorzienbaar voor [betrokkene 1], Tokeyna en [eiser 1] dat zij samen met UIH voor de Nederlandse rechter zouden kunnen worden gedagvaard, aldus het hof.

4.48

Het voorgaande betekent dat het hof niet voorbij is gegaan aan de betwisting van de stellingen van PTV door [eiser 1], maar dat het deze in de voorgaande overwegingen reeds onder ogen heeft gezien.

4.49

Het oordeel van het hof dat voor [eiser 1] voorzienbaar was dat hij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd, is ook zeker niet onbegrijpelijk. Daarbij is te bedenken dat het voorzienbaarheidsvereiste is bedoeld om te voorkomen dat een gedaagde voor een rechter wordt gedaagd op grond van het handelen van een mede-gedaagde, met wie hij niets te maken heeft. Zo schrijft A-G Vlas dat géén sprake is van samenhang als een gedaagde ‘onafhankelijk van zijn medegedaagde(n) heeft gehandeld’.55 In de stellingen van PTV – die het hof op grond van een summierlijke beoordeling voor juist heeft gehouden – ligt echter besloten dat de verschillende gedaagden juist níet onafhankelijk van elkaar hebben gehandeld.

4.50

Hierop stuit het subonderdeel af.

4.51

Subonderdeel 5.c komt op tegen het slot van rov. 3.3, waarin het hof het volgende overweegt:

“Uitgaande van dezelfde veronderstelling kan PTV ook niet worden verweten dat zij misbruik maakt van haar bevoegdheid om partijen gezamenlijk te betrekken bij haar procedure tegen UIH.”

4.52

Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel, dat een verwerping inhoudt van stelling (iii), berust op een onbegrijpelijke motivering ten aanzien van hetgeen [eiser 1] in dit verband heeft aangevoerd, namelijk dat:

(a) PTV door ongemotiveerd te stellen dat sprake zou zijn van een samenstel van transacties een verband heeft gesuggereerd tussen [eiser 1] en UIH dat in werkelijkheid niet bestaat en dat hierbij ten onrechte onvoldoende is onderscheiden tussen de verschillende rechtshandelingen en de daarbij betrokken rechtssubjecten; en

(b) PTV, om redenen genoemd door subonderdeel 5.a, evident kansloze vorderingen jegens [eiser 1] heeft ingesteld.

Bovendien bouwt het bestreden oordeel voort op het door het hof veronderstellenderwijs uitgaan van de juistheid van de stellingen van PTV en kan het ook daarom niet in stand blijven, zoals reeds is aangevoerd in onderdeel 1 t/m 4, aldus het subonderdeel.

4.53

Voorop te stellen is dat ik, anders dan in het onderdeel wordt aangenomen, de bestreden overweging níet zo lees dat het hof zijn oordeel heeft gegeven zonder daarbij acht te slaan op de betwisting van de stellingen van PTV door [betrokkene 1] c.s. Ik begrijp de overweging zo, dat het hof, uitgaande van een prima facie beoordeling van de stellingen van enerzijds PTV en anderzijds de betwisting daarvan door [betrokkene 1] c.s., die leidt tot het oordeel dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling van de vorderingen van PTV rechtvaardigen, vervolgens oordeelt (“uitgaande van diezelfde veronderstelling”) dat dat betekent dat dán ook geen sprake is van misbruik van recht. Het hof is dus niet voorbijgegaan aan de betwisting van de stellingen van PTV door [eiser 1], maar heeft deze in de voorgaande overwegingen reeds onder ogen gezien.

4.54

Met betrekking tot de vraag of sprake is van misbruik van bevoegdheid geldt verder het volgende. Volgens vaste rechtspraak van het HvJEU kan de bevoegdheidsregel van (thans) art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis niet worden gebruikt om een vordering tegen meerdere verweerders in te stellen met het enkele doel een van hen te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter van zijn woonplaats.56 Voor toepassing van art. 8 onder 1 wordt niet als zelfstandige eis gesteld dat moet vaststaan dat van een dergelijk misbruik geen sprake is.57 Dit volgt uit het arrest Freeport/Arnoldsson. In dat arrest overwoog het HvJEU, na te hebben vooropgesteld dat het vereiste van samenhang in het arrest Kalfelis/Schröder is gesteld om misbruik van (thans) art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis te voorkomen,58 dat deze bepaling van toepassing is wanneer is voldaan aan het samenhangvereiste, zonder dat afzonderlijk hoeft te worden aangetoond dat de vorderingen niet enkel zijn ingediend met het doel een verweerder te onttrekken aan de rechter van zijn woonplaats.59

4.55

In het CDC-arrest heeft het HvJEU hieraan toegevoegd dat de aangezochte rechter een eventuele omzeiling van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis slechts kan vaststellen, indien er afdoende bewijs is op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd.60 Strikwerda leidt hieruit af dat de rechter bij aanwijzingen van misbruik niet ambtshalve mag ingrijpen en dat de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de voorwaarden voor toepassing van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis zijn gemanipuleerd rusten op de verwerende partij.61

4.56

Ik ga er vanuit dat de besproken rechtspraak van het HvJEU ook geldt bij het toetsen door de Nederlandse rechter van zijn internationale bevoegdheid onder het commune bevoegdheidsrecht, nu er in de wetgeschiedenis geen aanknopingspunten zijn dat de Nederlandse wetgever op dit punt heeft beoogd af te wijken van de uitleg van (de voorlopers van het huidige) art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis.62

4.57

Ik keer terug naar het subonderdeel, dat in drie klachten uiteenvalt. De eerste klacht houdt in dat het oordeel van het hof berust op een onbegrijpelijke motivering ten aanzien van het onder (a) weergegeven betoog dat, kort gezegd, PTV een verband suggereert tussen de rechtshandelingen dat er niet is en onvoldoende onderscheid maakt tussen de verschillende rechtshandelingen en rechtssubjecten. In feitelijke instanties heeft [eiser 1] in dit verband het volgende aangevoerd:63

“8.7 Uit de conclusie van A-G Mengozzi bij de Freeport-uitspraak uit 2008 blijkt dat er een algemene grens zit aan de bevoegdheidsregels die wordt bereikt als er sprake is van een manoeuvre van de eiser met het doel en het gevolg een procedure aanhangig te maken bij een gerecht dat zonder deze manoeuvre onbevoegd zouden zijn geweest.

8.8

In het onderhavige geval past PTV een manoeuvre toe door te stellen dat er sprake is van een “samenstel van transacties”. PTV verwijst in haar stukken telkens naar “de Transacties”, waaronder PTV zowel het aangaan van de leningen enerzijds als de overdracht en het aangaan van de serviceovereenkomst anderzijds schaart. Deze definitie maakt ten onrechte geen onderscheid tussen de verschillende rechtshandelingen en rechtssubjecten. Zo probeert PTV kunstmatig een verband te creëren dat er niet is.”

4.58

Zo dit betoog het hof op grond van de onder 4.54-4.55 besproken rechtspraak van het HvJEU al noopte tot beantwoording van de vraag of sprake was van misbruik van bevoegdheid in de door [eiser 1] voorgestane zin, dan nog mist de klacht doel. De geciteerde stellingen van [eiser 1] vallen in wezen samen met zijn betoog dat geen sprake zou zijn van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, dat in dit cassatieberoep al meerdere malen naar voren kwam.64 De stellingen komen er immers op neer dat [eiser 1] geen betrokkenheid heeft gehad bij de gedragingen van de andere gedaagden en vice versa. Dat betoog heeft het hof onder ogen gezien en genoegzaam verworpen. Ik verwijs naar de bespreking van onderdeel 3. Dit betekent dat de klacht geen doel kan treffen voor zover het betrekking heeft op het onder (a) weergegeven betoog.

4.59

De tweede klacht stelt dat het oordeel van het hof berust op een onvoldoende begrijpelijke motivering ten aanzien van de onder (b) weergegeven stelling dat PTV evident kansloze vorderingen heeft ingesteld.

4.60

Deze stelling is door [eiser 1] opgeworpen in het kader van zijn betoog dat (ook naar Nederlands recht) sprake is van misbruik van recht, omdat de vorderingen jegens [eiser 1] evident kansloos zijn.65 Dit betoog is door het hof eerder in rov. 3.3 echter al verworpen, namelijk met de overweging dat niet gezegd kan worden dat de vorderingen van PTV evident niet toewijsbaar zijn. Reeds daarom hoefde het hof de onder (b) genoemde stelling niet (nogmaals) in zijn oordeel te betrekken. Het oordeel is in het licht van deze stelling ook niet onbegrijpelijk.

4.61

De derde klacht houdt in dat het bestreden oordeel ook niet in stand kan blijven, omdat het voortbouwt op het door het hof ten onrechte veronderstellenderwijs uitgaan van de juistheid van de stellingen van PTV.

4.62

Anders dan in de klacht wordt aangenomen, lees ik de bestreden overweging níet zo dat het hof zijn oordeel heeft gegeven zonder daarbij acht te slaan op de betwistingen van die stellingen door [betrokkene 1] c.s. Ik verwijs naar wat ik opmerkte onder 4.53.

4.63

Ik merk nog op dat zich in de onderhavige zaak niet voordoet dat het aannemen van bevoegdheid door de Nederlandse rechter betekent dat (een van) gedaagden wordt afgehouden van de behandeling van zijn zaak bij een andere rechter (laat staan bij een rechter in een lidstaat). [eiser 1] heeft dit ook niet aangevoerd.

4.64

Subonderdeel 5.d is gericht tegen volgende overweging van het hof in rov. 3.3:

“Aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter staat niet in de weg dat de vorderingen die tegen de betrokkenen zijn ingesteld naar het recht van verschillende rechtsstelsels dienen te worden beoordeeld.”

4.65

Het subonderdeel klaagt dat voor zover het hof met dit (onder (iv) genoemde) oordeel heeft miskend dat de omstandigheid dat de vorderingen tegen de verschillende gedaagden mogelijk naar het recht van verschillende rechtsstelsels dienen te worden beoordeeld, een bij de toetsing aan art. 7 lid 1 Rv in aanmerking te nemen omstandigheid is (die tegen het bestaan van voldoende samenhang pleit), dit oordeel getuigt van de in onderdeel 2 genoemde onjuiste rechtsopvatting.

4.66

Volgens het subonderdeel had het hof niet mogen volstaan met zijn oordeel dat, kort gezegd, een verschil in toepasselijk recht niet aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in de weg staan, maar deze omstandigheid (ook) – als een tegen het aannemen van samenhang pleitende factor – had moeten betrekken bij de beantwoording van de vraag of sprake is van voldoende samenhang.66

4.67

Het oordeel van het hof houdt in dat een mogelijk verschil in toepasselijk recht niet in de weg staat aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter, en dat die omstandigheid evenmin tot de conclusie kan leiden dat de feitelijke grondslag van de vorderingen niet gelijk is (rov. 3.3). Dat oordeel houdt daarmee tevens in dat een mogelijk verschil in toepasselijk recht niet in de weg staat aan de aanwezigheid van voldoende samenhang. Daarmee heeft het hof dit aspect in afdoende mate bij zijn oordeel betrokken. Ik verwijs naar mijn opmerkingen onder 4.20.

4.68

De slotsom is dat alle klachten van onderdeel 5 falen.

Onderdeel 1

4.69

Onderdeel 1 stelt dat het hof heeft miskend dat aan de bijzondere bevoegdheidsregel van art. 7 lid 1 Rv een restrictieve uitleg moet worden gegeven, nu hiermee een medegedaagde ([eiser 1]) wordt afgehouden van de rechter van zijn woonplaats of gewone verblijfplaats. Volgens het onderdeel heeft het hof dit miskend door de gedaagden over één kam te scheren en bij zijn toetsing of aan de voor toepassing van art. 7 lid 1 Rv geldende vereisten is voldaan niet, althans niet voldoende kenbaar en/of gemotiveerd, in te gaan op de aan [eiser 1] gemaakte verwijten en de daartegen door [eiser 1] aangevoerde verweren. Zo heeft het hof in de weergave van het standpunt van PTV in rov. 3.3 (en rov. 2.2) miskend dat PTV niet heeft gesteld dat [eiser 1] van ‘de Transacties’ heeft geprofiteerd. Ook is het hof niet, althans niet voldoende kenbaar en/of gemotiveerd ingegaan op hetgeen [eiser 1] heeft aangevoerd ter betwisting van de voor toepassing van art. 7 lid 1 Rv benodigde samenhang en doelmatigheid, namelijk dat:

(i) geen sprake is van eenzelfde feitelijke situatie ten aanzien van de vorderingen jegens [eiser 1] enerzijds en de ankervordering jegens UIH anderzijds (zie nader onderdeel 3, onder (i)). Bovendien heeft [eiser 1] wel degelijk betwist dat sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid. Dit een en ander klemt te meer, nu PTV niet heeft toegelicht dat en waarom sprake zou zijn van eenzelfde samenstel van rechtshandelingen dat zowel aan [eiser 1] als UIH kan worden verweten, terwijl dit gelet op de betwisting van [eiser 1] wel van PTV kon en moest worden gevergd;

(ii) geen sprake is van eenzelfde situatie rechtens, nu de vraag of [eiser 1] als bestuurder van Unitel aansprakelijk is jegens een aandeelhouder een wezenlijke andere is dan de vraag naar aansprakelijkheid van UIH op grond van onrechtmatige daad (zie nader onderdeel 3, onder (ii));

(iii) op de onder (i) en (ii) genoemde gronden afzonderlijke berechting van de vorderingen jegens [eiser 1] en UIH niet tot onverenigbare beslissingen zou leiden en ook overigens redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling van de vorderingen niet rechtvaardigen. Bovendien zijn de vorderingen van PTV jegens [eiser 1] evident kansloos (zie nader subonderdeel 5.a).

(iv) voor [eiser 1] redelijkerwijs niet voorzienbaar was dat hij (met UIH) voor de Nederlandse rechter zou kunnen worden gedaagd (zie nader subonderdeel 5.b).

4.70

Het door onderdeel 1 gevoerde betoog behelst in de kern drie klachten.

4.71

Het onderdeel houdt in de eerste plaats in dat, kort gezegd, het hof partijen niet ‘over één kam had mogen scheren’, maar voor iedere gedaagde afzonderlijk had moeten beoordelen of is voldaan aan het samenhangvereiste van art. 7 lid 1 Rv.67

4.72

In de overwegingen van het hof in rov. 3.3 ligt besloten dat het hof voor zowel [betrokkene 1], Tokeyna als [eiser 1] van oordeel is dat aan het samenhangvereiste is voldaan. Dat oordeel is gegrond op ’s hofs oordeel dat sprake is van één feitencomplex, op basis waarvan samenhangende vorderingen worden ingesteld, die gebaseerd zijn op dezelfde juridische grondslag (onrechtmatig handelen) en die betrekking hebben op dezelfde schade. Het oordeel van het hof berust op een prima facie beoordeling van de stellingen van enerzijds PTV en anderzijds [betrokkene 1] c.s. en is daarmee toereikend gemotiveerd.
De klacht is derhalve tevergeefs voorgesteld.

4.73

In de tweede plaats klaagt het onderdeel dat het hof in de weergave van het standpunt van PTV in rov. 3.3 (en rov. 2.2) zou hebben miskend dat PTV niet heeft gesteld dat [eiser 1] van de Transacties heeft geprofiteerd.

4.74

Het hof geeft het betoog van PTV in rov. 2.2 van het bestreden arrest als volgt weer (mijn onderstrepingen):

“In de hoofdzaak van de onderhavige procedure vordert PTV, kort gezegd, dat [betrokkene 1] c.s. hoofdelijk worden veroordeeld om aan PTV (bij staat op te maken) schade te vergoeden die zij heeft geleden doordat [betrokkene 1] in 2012 en 2013 per saldo ruim $ 470 miljoen onrechtmatig heeft onttrokken aan Unitel en buiten bereik van PTV heeft gebracht, aan welke onttrekking Tokeyna, UIH en [eiser 1] op verschillende wijzen hebben meegewerkt en/althans waarvan zij hebben geprofiteerd. De onttrekkingen, het meewerken daaraan respectievelijk het profiteren daarvan, worden in deze procedures door PTV “de Transacties” genoemd.”

4.75

In rov. 3.3. van het bestreden arrest heeft het hof het standpunt van PTV vervolgens nogmaals (sterker) verkort weergeven:

Volgens PTV zijn “de Transacties”, kort gezegd, een samenstel van rechtshandelingen die in onderling verband strekken tot het onttrekken van gelden ten gunste van [betrokkene 1] c.s. en ter benadeling van PTV, en daarmee onrechtmatige daden jegens PTV die hebben geleid tot schade voor PTV, voor welke schade [betrokkene 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn.”

4.76

Deze overwegingen moeten in samenhang worden bezien en bieden geen steun voor de opvatting dat het hof in de weergave van het standpunt van PTV eraan voorbij zou hebben gezien dat PTV niet zou hebben gesteld dat [eiser 1] van de Transacties heeft geprofiteerd. De klacht faalt derhalve.

4.77

Het onderdeel voert in de derde plaats aan dat het hof niet, althans niet voldoende kenbaar en/of gemotiveerd, is ingegaan op de onder (i)-(iv) genoemde stellingen van [eiser 1]. Ten aanzien van deze klacht heeft het volgende te gelden.

4.78

Onder (i) wordt allereerst aangevoerd dat het hof niet, althans niet voldoende kenbaar en/of gemotiveerd is ingegaan op het betoog van [eiser 1] dat geen sprake zou zijn van eenzelfde situatie feitelijk, omdat, kort gezegd, [eiser 1] geen betrokkenheid heeft gehad bij de gedragingen die UIH worden verweten, en vice versa.

4.79

De klacht kan niet slagen. Ik verwijs naar de bespreking van onderdeel 3 (zie onder 4.8-4.12).

4.80

Verder wordt onder (i) aangevoerd dat [eiser 1] wel degelijk heeft betwist dat sprake zou zijn van hoofdelijke aansprakelijkheid.

4.81

Ook deze klacht kan niet slagen. Ik verwijs naar de bespreking van onderdeel 4.

4.82

Tot slot wordt onder (i) gesteld dat “het bovenstaande” te meer klemt omdat PTV niet heeft toegelicht waarom sprake zou zijn van eenzelfde samenstel aan rechtshandelingen dat aan [eiser 1] én aan UIH zou kunnen worden verweten, terwijl dit, gelet op de betwisting van [eiser 1], wel van PTV kon en moest worden gevergd.

4.83

Ook deze klacht kan niet slagen. Ik verwijs naar de bespreking van onderdeel 3 (zie onder 4.13-4.14).

4.84

De onder (ii) genoemde stellingen houden in, als ik het goed begrijp, dat geen sprake is van eenzelfde situatie rechtens, omdat de rechtsgrondslag van de vordering jegens [eiser 1] een andere zou zijn dan die van de vordering jegens UIH.

4.85

Het onderdeel is ook ten aanzien van deze stellingen tevergeefs voorgesteld. Ik verwijs naar de bespreking van onderdeel 3 (zie onder 4.15-4.21).

4.86

Onder (iii) wordt allereerst geklaagd dat het hof niet, althans niet voldoende kenbaar en/of gemotiveerd is ingegaan op het betoog van [eiser 1] dat bij gebreke van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens, een afzonderlijke berechting van de vorderingen jegens [eiser 1] en UIH niet tot onverenigbare beslissingen zou leiden.68

4.87

De klacht faalt, omdat de verwerping van dit betoog besloten ligt in ’s hofs overweging dat wél sprake is van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. Daarbij teken ik aan dat het hof eerder in rov. 3.3 (3e alinea) reeds heeft overwogen dat “aldus wordt voorkomen dat verschillende rechters die dezelfde vragen moeten beantwoorden, tegenstrijdige beslissingen geven ter zake van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [betrokkene 1] c.s.”.

4.88

Het onderdeel voert onder (iii) daarnaast nog aan dat het hof niet (voldoende kenbaar en/of gemotiveerd) is ingegaan op de stelling van [eiser 1] dat de vorderingen van PTV jegens hem evident kansloos zijn.

4.89

Deze klacht slaat evenmin. Ik verwijs naar de bespreking van subonderdeel 5a.

4.90

Onder (iv) stelt het onderdeel tot slot dat het hof niet, althans niet voldoende kenbaar en/of gemotiveerd is ingegaan op het betoog van [eiser 1] dat het voor hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was dat hij (met UIH) voor de Nederlandse rechter zou kunnen worden gedaagd.

4.91

Ook deze klacht is tevergeefs voorgesteld. Ik verwijs naar de bespreking van subonderdeel 5b.

4.92

De slotsom is dat ook de klachten van onderdeel 1 niet kunnen slagen.

Slotsom

4.93

De slotsom is dat alle onderdelen in het principaal cassatieberoep falen.

5 Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel

5.1

PTV heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld onder de voorwaarde dat één of meer klachten in het principale cassatieberoep gegrond worden bevonden. Uit het voorgaande volgt dat deze voorwaarde niet is vervuld, zodat dit cassatieberoep onbesproken kan blijven.

6 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Hof Amsterdam 14 augustus 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2951.

2 Zie de inleidende dagvaarding, onder 59.

3 Waar in deze conclusie wordt verwezen naar de stukken van het geding in feitelijke instanties, wordt gedoeld op de stukken van [eiser 1], tenzij anders is aangegeven.

4 Uit de aanhef bij de dagvaarding van 30 november 2015 (hierna: de inleidende dagvaarding), volgt dat [betrokkene 1], UIH en Tokeyna in november 2015 reeds bij exploten waren gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. Van de inleidende dagvaarding, bestemd voor [eiser 1], is naar hen een afschrift verzonden, vergezeld van een document waaruit de verschillen tussen deze dagvaarding en de eerder aan hen betekende dagvaardingen blijken. PTV heeft in de inleidende dagvaarding enkele stellingen aangepast. Vgl. ook de memorie van grieven in het bevoegdheidsincident, onder 4, waar wordt aangegeven dat op de dagvaarding van 30 november 2015 is voortgeprocedeerd.

5 Zo volgt uit rov. 2.2 van het bestreden arrest. Zie de inleidende dagvaarding, onder 108-120 voor de concrete verwijten die [betrokkene 1], UIH en Tokeyna, respectievelijk [eiser 1] worden gemaakt.

6 Conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, onder 1 en 8. Zie ook het tussenvonnis van de rechtbank van 17 mei 2017, rov. 3.5.

7 Dit geldt volgens PTV zowel onder het (primair) toepasselijke Portugese recht als onder het (subsidiair) toepasselijke Angolese recht. Zie de inleidende dagvaarding, onder 124.

8 Inleidende dagvaarding, onder 89-96 (rechtsmacht) en 97-107 (toepasselijke recht).

9 Rb. Amsterdam 17 mei 2017, zaaknummer C/13/605112 / HA ZA 16-330. De uitspraak is helaas niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.

10 Hof Amsterdam 3 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4065.

11 Hof Amsterdam 14 augustus 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2951.

12 Rapport over het verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 1979, C 59/1.

13 Hof Amsterdam 4 september 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3242. Het voorgaande is ontleend aan dit arrest.

14 De procesinleiding is op 14 november 2018 in het webportaal van de Hoge Raad ingediend.

15 Ook [betrokkene 1] en Tokeyna zijn van dit arrest van het hof in cassatie gekomen; zie zaak 18/04764 waarin ik vandaag eveneens concludeer. Het door PTV in die zaak ingestelde voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep berust op dezelfde gronden als het door haar in de onderhavige zaak voorwaardelijk ingestelde incidenteel cassatieberoep.

16 Schriftelijke toelichting van [eiser 1], onder 65.

17 De schriftelijke toelichting en de nota van dupliek van PTV bestrijken zowel het cassatieberoep van [eiser 1] als het door [betrokkene 1] en Tokeyna ingestelde cassatieberoep.

18 Nota van dupliek, onder 9.

19 HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019/259 m.nt. L. Strikwerda, JBPR 2019/32 m.nt. T.A.G. Bens (Moldavië).

20 Conclusie A-G Vlas (onder 3.5 en 3.8) bij HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019/259 m.nt. L. Strikwerda (Moldavië).

21 Conclusie A-G Vlas (onder 3.3 en 3.8) bij HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019/259 m.nt. L. Strikwerda (Moldavië).

22 Conclusie A-G Vlas (onder 3.8) bij HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019/259 m.nt. L. Strikwerda (Moldavië).

23 HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566, NJ 2019/260 m.nt. L. Strikwerda, JIN 2019/90 m.nt. M. Teekens, JBPR 2019/58 m.nt. R.B. van Hees, rov. 3.4.4.

24 Zie de conclusie van A-G Vlas (onder 3.10) en de noot van L. Strikwerda bij HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019/259 (onder 11 en 13) (Moldavië).

25 Inleidende dagvaarding, onder 3-5, 34, 65, 111, 116, 118, 124. Zie ook conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, onder 1 en 8.

26 Zie onder meer conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, onder 1-4, 7-9, 18, 22-23; memorie van antwoord in het bevoegdheidsincident, onder 1-4; pleitaantekeningen in hoger beroep, onder 5-9.

27 HvJEG 11 oktober 2007, C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595, NJ 2008/80 m.nt. P. Vlas, JBPR 2008/1 m.nt. D.F. de Lange, AA 2007-31 m.nt. M.V. Polak (Freeport/Arnoldsson), punt 38-47.

28 Vgl. conclusie A-G Vlas bij HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019/259 m.nt. L. Strikwerda (Moldavië), onder 3.7.

29 HvJEU 1 december 2011, C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798, NJ 2013/66 m.nt. Th.M. de Boer en P. Hugenholz, IER 2012/16 m.nt. S.J. Schaafsma en P.G.F.A. Geerts (Painer/Standard), punt 80-84.

30 Zie HvJEU 11 april 2014, C-645/11, ECLI:EU:C:2013:228, NJ 2013/499 m.nt. L. Strikwerda (Land Berlin/Sapir c.s.), punt 44 (geen voorzienbaarheidsvereiste) en HvJEU 21 mei 2015, C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335, NJ 2016/106 m.nt. L. Strikwerda, JBPR 2016/15 m.nt. R.B. van Hees (CDC/Akzo c.s.), punt 23 (inclusief eis van voorzienbaarheid).

31 Vgl. conclusie A-G Vlas bij HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019/259 m.nt. L. Strikwerda (Moldavië), onder 3.7 en 3.13; F. Ibili, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 8 Brussel I bis-Verordering, aant. 2, onder a; noot M.V. Polak bij HvJEG 11 oktober 2007, C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595 (Freeport/Arnoldsson), AA 2007-31, p. 992.

32 Van Mierlo & Bart (red.), Parl. Gesch. Burgerlijk procesrecht 2002, p. 77-80, 108. Vgl. ook Kamerstukken II 2002-2003, 28 863, nr. 3, p. 1.

33 Inleidende dagvaarding, onder 5.2 (t.a.v. [betrokkene 1]), 5.3 (t.a.v. UIH en Tokeyna) en 5.4 (t.a.v. [eiser 1]); conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, onder 18 en memorie van antwoord in het bevoegdheidsincident, onder 53.

34 Incidentele conclusie in het bevoegdheidsincident, onder 5.22-5.24; memorie van grieven in het bevoegdheidsincident, onder 5.24-25.

35 Memorie van antwoord in het bevoegdheidsincident, onder 53.

36 Memorie van grieven in het bevoegdheidsincident, onder 3.19-3.21 5.20-5.23. Ik citeer wat ruimer; de procesinleiding verwijst niet naar punt 5.20-5.22.

37 Pleitaantekeningen in hoger beroep, onder 1.3-1.8.

38 Zie onder meer conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, onder 1-4, 7-9, 18, 22-23; memorie van antwoord in het bevoegdheidsincident, onder 1-4; pleitaantekeningen in hoger beroep, onder 5-9.

39 Inleidende dagvaarding, onder 124 en prods. 54 en 55 bij die dagvaarding.

40 Pleitaantekeningen in eerste aanleg in het bevoegdheidsincident van [eiser 1], onder 1.1 (“(…). Ook de pleidooien zijn afgestemd en om herhaling zo veel mogelijk te voorkomen sluit ik mij voor [eiser 1] aan bij het pleidooi van [de advocaat van [betrokkene 1] en Tokeyna; A-G]”) jo. pleitaantekeningen in eerste aanleg in het bevoegdheidsincident van [betrokkene 1] en Tokeyna, onder 33-41. De procesinleiding verwijst naar deze vindplaatsen.

41 Pleitaantekeningen in eerste aanleg in het bevoegdheidsincident, onder 4.9-4.10 (genoemd door de procesinleiding).

42 Memorie van grieven in het bevoegdheidsincident, onder 6.6. Vgl. ook onder 3.8-3.10 (genoemd door de procesinleiding)

43 Memorie van grieven in het bevoegdheidsincident, onder 8.10; pleitaantekeningen in hoger beroep in het bevoegdheidsincident, onder 4.1-4.7 (genoemd door de procesinleiding).

44 [eiser 1] heeft de stelling namelijk geponeerd in het kader van zijn betoog dat PTV naar Nederlands recht geen vorderingsrecht toekomt (pleitaantekeningen in eerste aanleg in het bevoegdheidsincident van [eiser 1], onder 1.1 jo. pleitaantekeningen in eerste aanleg in het bevoegdheidsincident van [betrokkene 1] en Tokeyna, onder 42-45) alsmede ter onderbouwing van zijn standpunt dat de vorderingen van PTV jegens [eiser 1] onmogelijk toewijsbaar kunnen zijn en derhalve sprake is van misbruik van procesrecht (pleitaantekeningen in hoger beroep in het bevoegdheidsincident, onder 4.8-4.10; genoemd door de procesinleiding).

45 Vgl. de weergave van de grieven in rov. 3.1 van het bestreden arrest.

46 HvJEG 3 juli 1997, C-269/95, ECLI:EU:C:1997:337, NJ 1999/681 m.nt. P. Vlas (Benincasa/Dentalkit), punt 27; HvJEU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, NJ 2015/332 m.nt. L. Strikwerda, JOR 2015/109 m.nt. T.M.C. Arons (Kolassa/Barclays Bank), punt 61.

47 Zie de noot van L. Strikwerda bij HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, NJ 2017/418 (Zürich/LAG), onder 6.

48 HvJEU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, NJ 2015/332 m.nt. L. Strikwerda, JOR 2015/109 m.nt. T.M.C. Arons (Kolassa/Barclays Bank), punt 63-64. Zie ook HvJEU 16 juni 2016, C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449, NJ 2018/38 m.nt. L. Strikwerda (Universal Music/Schilling c.s.), punt 45 alsmede de conclusie van A-G Vlas bij HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019/259 m.nt. L. Strikwerda (Moldavië), onder 3.9.

49 Aldus Bens in haar noot bij HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, JBPR 2019/32, onder 9 (Moldavië).

50 Conclusie A-G Szpunar bij HvJEU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa/Barclays Bank), onder 78; L. Strikwerda in zijn noten bij HvJEU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, NJ 2015/332 (Kolassa/Barclays Bank), onder 10, resp. HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, NJ 2017/418 (Zürich/LAG), onder 7 en 9.

51 HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019/259 m.nt. L. Strikwerda (Moldavië).

52 Conclusie A-G Vlas bij HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019/259 m.nt. L. Strikwerda (Moldavië), onder 3.18.

53 Noot L. Strikwerda bij HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, NJ 2017/418 (Zürich/LAG), onder 7.

54 Zie hierover de noot van L. Strikwerda bij HvJEU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, NJ 2015/332 (Kolassa/Barclays Bank), onder 10 en de noot van T.A.G. Bens bij HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, JBPR 2019/32 (Moldavië), onder 9.

55 Conclusie van A-G Vlas bij HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019/259 m.nt. L. Strikwerda (Moldavië), onder 3.7.

56 HvJEG 13 juli 2006, C-103/05, ECLI:EU:C:2006:471, NJ 2008/79 m.nt. P. Vlas, JBPR 2008/16 m.nt. D.F. de Lange (Reisch/Kiesel), punt 32; HvJEU 1 december 2011, C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798, NJ 2013/66 m.nt. Th.M. de Boer en P. Hugenholz, IER 2012/16 m.nt. S.J. Schaafsma en P.G.F.A. Geerts (Painer/Standard), punt 78; HvJEU 21 mei 2015, C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335, NJ 2016/106 m.nt. L. Strikwerda, JBPR 2016/15 m.nt. R.B. van Hees (CDC/Akzo c.s.), punt 27.

57 Vgl. de conclusie van A-G Vlas bij HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019/259 m.nt. L. Strikwerda (Moldavië), onder 4.7: “Het subonderdeel miskent dat misbruik van art. 7 lid 1 Rv wordt voorkomen door het stellen van de eis van samenhang tussen de vorderingen die tegen de verschillende verweerders zijn ingesteld. Een zelfstandige eis dat sprake zou moeten zijn van een ‘real claim’ of voldoende serieuze vordering, wordt niet gesteld.”

58 Zie HvJEG 27 september 1988, C-189/87, ECLI:EU:C:1988:459, NJ 1990/425 m.nt. J.C. Schultsz (Kalfelis/Schröder), punt 9.

59 HvJEG 11 oktober 2007, C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595, NJ 2008/80 m.nt. P. Vlas, JBPR 2008/1 m.nt. D.F. de Lange, AA 2007-12 m.nt. M.V. Polak (Freeport/Arnoldsson), punt 52-54. Zie ook HvJEU 21 mei 2015, C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335, NJ 2016/106 m.nt. L. Strikwerda, JBPR 2016/15 m.nt. R.B. van Hees (CDC/Akzo c.s.), punt 28.

60 HvJEU 21 mei 2015, C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335, NJ 2016/106 m.nt. L. Strikwerda, JBPR 2016/15 m.nt. R.B. van Hees (CDC/Akzo c.s.), punt 29 en 31. Zie ook de conclusie van A-G Jääskinen bij het arrest, onder 86. Vgl. eerder reeds de conclusie van A-G Mengozzi bij HvJEG 11 oktober 2007, C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595 (Freeport/Arnoldsson), onder 62. Van een dergelijk misbruik is bijvoorbeeld sprake indien eiser en een verwerende partij een minnelijke schikking hebben bereikt, maar deze vervolgens opzettelijk verzwijgen om de schijn te wekken dat aan de voorwaarden voor toepassing van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis is voldaan. Zie punt 30 en 32 van het CDC-arrest.

61 L. Strikwerda, noot bij HvJEU 21 mei 2015, C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC/Akzo c.s.), NJ 2016/106, onder 8. Zie ook R.B. van Hees in zijn noot bij het CDC-arrest, JBPR 2016/15, onder 8, die erop wijst dat de verweerder die zich in het kader van een onbevoegdheidsverweer baseert op misbruik, dus tijdig voldoende bewijs voor die stelling in het geding zal moeten brengen.

62 Vgl. impliciet in deze zin de conclusie van A-G Vlas bij HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019/259 m.nt. L. Strikwerda (Moldavië), onder 4.7: “Het subonderdeel miskent dat misbruik van art. 7 lid 1 Rv wordt voorkomen door het stellen van de eis van samenhang tussen de vorderingen die tegen de verschillende verweerders zijn ingesteld. Een zelfstandige eis dat sprake zou moeten zijn van een ‘real claim’ of voldoende serieuze vordering, wordt niet gesteld.”

63 Memorie van grieven in het bevoegdheidsincident, onder 8.7-8.8.

64 Vgl. in dit verband de incidentele conclusie, onder 1.14-1.15; de pleitaantekeningen in eerste aanleg in het bevoegdheidsincident van [eiser 1], onder 1.1 jo. pleitaantekeningen in eerste aanleg in het bevoegdheidsincident van [betrokkene 1] en Tokeyna, onder 49-50.

65 Dit kan worden opgemaakt uit de pleitaantekeningen in eerste aanleg in het bevoegdheidsincident van [eiser 1], onder 1.1 jo. pleitaantekeningen in eerste aanleg in het bevoegdheidsincident van [betrokkene 1] en Tokeyna, onder 42-48; memorie van grieven in het bevoegdheidsincident, onder 8.9-8.10; de pleitaantekeningen in hoger beroep in het bevoegdheidsincident, onder 4.1-4.10 (m.n. onder 4.8-4.10).

66 Vgl. de schriftelijke toelichting van [eiser 1], onder 45 en 51.

67 Vgl. de schriftelijke toelichting van [eiser 1], onder 26 en 34.

68 Vgl. de schriftelijke toelichting van [eiser 1], onder 32.