Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:947

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
18/05579
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1610
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen (poging) zware mishandeling (meermalen gepleegd), art. 302.1 Sr. 1. Strafmotivering. Heeft hof onjuiste uitleg gegeven aan LOVS-oriëntatiepunten door bij bepalen van op te leggen straf oriëntatiepunten voor zeer zwaar lichamelijk letsel als uitgangspunt te nemen? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. HR: art. 81.1 RO.

Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichtingen opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemde slachtoffers in arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest telkens genoemde aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Samenhang met 18/05595 en 19/00385.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05579

Zitting 1 september 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1.

De verdachte is bij arrest van 20 december 2018 door het gerechtshof Amsterdam wegens 2. “medeplegen van zware mishandeling, meermalen gepleegd, en medeplegen van poging tot zware mishandeling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 en 27a Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest nader is omschreven.

1.2.

Er bestaat samenhang met de zaken 18/05595 ( [medeverdachte 3] ) en 19/00385 ( [medeverdachte 2] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3.

Volgens de bewijsconstructie van het hof heeft zich in deze zaak en in de samenhangende zaken het volgende afgespeeld. In de avond van 10 december 2010 omstreeks 22.30 zijn de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] gezamenlijk naar de woning aan de [a-straat 1] in De Kwakel gegaan. Dit gebeurde op initiatief van de verdachte, die geld van [aangever 1] , die in deze woning samen met andere huisgenoten [aangever 2] en [aangever 3] verbleef, wilde innen. Toen zij in de woning werden binnengelaten, is de verdachte samen met [medeverdachte 3] naar [aangever 1] gegaan, die zich op dat moment in zijn slaapkamer bevond waar ook [aangever 2] lag te slapen. [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] zijn naar de woonkamer gelopen. In de slaapkamer werd [aangever 1] geslagen en van hem werd geld geëist. Ook [aangever 2] kreeg klappen. [aangever 1] gaf vervolgens aan dat hij zich wilde aankleden om geld te kunnen halen. Daarop heeft [aangever 1] in de hal van de woning de verdachte met een voorwerp op zijn hoofd geslagen. Hierdoor raakte de verdachte buiten zinnen en is hij op [aangever 1] gesprongen. [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] zijn op het kabaal afgekomen en troffen in de hal een bloedende verdachte aan. Daarna is de grove mishandeling begonnen. Alle vier de verdachten hebben [aangever 1] zijn slaapkamer uit gesleurd en met stoelpoten mishandeld. Ook tegen [aangever 2] en [aangever 3] , die hun huisgenoot te hulp wilden schieten, werd hevig tekeer gegaan. [aangever 1] en [aangever 3] hebben hierbij zwaar letsel opgelopen.

1.4.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.1 Het eerste middel komt op tegen de strafoplegging. Het tweede middel bevat een klacht over schending van de redelijke termijn in cassatiefase.

1.5.

Alvorens ik toekom aan de bespreking van de middelen, geef ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen die betrekking hebben op de toegebrachte letsels en bewijsoverwegingen van het hof weer.

2 De bewezenverklaring, relevante bewijsmiddelen en -overwegingen

2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat:


“hij van 10 december 2010 omstreeks 22.30 uur tot en met 11 december 2010 omstreeks 00.30 uur in De Kwakel, gemeente Uithoorn, tezamen en in vereniging met anderen, aan personen te weten [aangever 1] en [aangever 3] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten:
- bij die [aangever 1] schade aan de prostaat en een steekwond (links) naast de anus en

- bij die [aangever 3] een gebroken jukbeen en een gebroken oogkas
heeft toegebracht, door opzettelijk:
- slaan met een stoelpoot in het gezicht van die [aangever 3] en
- prikken van een stok naast de anus van die [aangever 1] en schoppen en slaan met een stok tegen het lichaam van die [aangever 1]
en
hij in de periode van 10 december 2010 omstreeks 22.30 uur tot en met 11 december 2010 omstreeks 00.30 uur in De Kwakel, gemeente Uithoorn, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet tegen het lichaam van die [aangever 2] heeft geslagen met een stoelpoot en tegen het lichaam heeft geschopt.”

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt voor zover voor de beoordeling van het eerste middel van belang op de volgende in een bijlage bij het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen:


“(...)

3. Een proces-verbaal aanvullend met nummer 2010302690-23 van 10 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , met doorgenummerde pagina’s 61 t/m 64.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 december 2010 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van aangever [aangever 1] :

Gedurende twee weken had ik een katheter omdat mijn blaas was beschadigd. De artsen hebben gezegd dat ik schade heb aan mijn prostaat.

[verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) sloeg mij in mijn gezicht in de slaapkamer. Daarna begon het gevecht in de hal. Er waren vier daders. Aan het eind van het gevecht sloeg [verdachte] mij met een stok op mijn linkerarm en benen. Tijdens het slaan prikte [verdachte] met de stok tussen mijn billen. Dat weet ik zeker.

4. Een letselverklaring van 14 december 2010, opgemaakt door [betrokkene 2], zaalarts AMC Urologie, betreffende [aangever 1] .

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Omschrijving van het letsel: Insteek wond Li naast de anus
Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? Ja
Is er vermoeden van inwendig bloedverlies? Ja
Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 11-12-2010
Overige van belang zijn informatie (operaties, blijvend letsel ed): Letsel aan urethra, verder onderzoek en evt. behandeling volgt.

5. Een Schade-onderbouwingsformulier van Slachtofferhulp van 31 mei 2011, opgemaakt door [betrokkene 3] , betreffende [aangever 1] .

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Voor zijn wonden van/in/rond de anus werd benadeelde naar het ziekenhuis vervoerd waar hij een week verbleef. Er is (inwendig) blaasletsel geconstateerd waardoor twee weken een katheter is geplaatst. Ook had benadeelde vier weken veel pijn en last bij het poepen. Bij elkaar heeft de benadeelde zes maanden niet kunnen werken. Benadeelde kon die maanden moeilijk staan en lopen.

(…)

8. Een geneeskundige verklaring van 29 december 2010, opgemaakt door [betrokkene 4], geneeskundige, betreffende [aangever 3] , met doorgenummerde pagina 95.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Uitwendig waargenomen letsel:

- Gebroken oogkas (re)

- Gebroken jukbeen (re)

- Mogelijk letsel oogzenuw (re)

- Letsel aangezicht

Mogelijk indicatie voor opnieuw een operatie over enkele maanden.

9. Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer PL 133J 2010302690-25 van 10 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , met doorgenummerde pagina 97.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 10 januari 2011 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van aangever [aangever 3] :

V: Krijgt u uw zicht terug van uw rechteroog?

A: Ik zie nu nog vaag met dat oog. Het is mij nu nog niet bekend of ik mijn zicht volledig terugkrijg.

V: Heeft u de afgelopen tijd gewerkt?

A: Ik heb helemaal niet gewerkt, hoogstwaarschijnlijk kan ik nog twee maanden niet werken. Dit komt door de fysieke klachten aan mijn oog ten gevolge van het incident. Ik kan niet goed zien aan 1 oog.

10. Een e-mailbericht van 15 juni 2011, opgemaakt door [betrokkene 5], werkzaam in het Academisch Medisch Centrum.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Patiënt heeft fracturen van de botten die de oogkas vormen ten gevolge van een stomp trauma op de rechteroogbol. Door dit trauma is de iris deels losgekomen van de basis en dit kan oogdrukproblemen opleveren. Het kan dus zijn dat de patiënt voor de rest van zijn leven druk verlagende medicatie moet gebruiken. Tevens is de lens aangedaan, deze begint eerder dan normaal te vertroebelen en zal eerder vervangen moeten worden.

Patiënt heeft momenteel een gezichtsscherpte van 0,1 (dat is 10% van wat de gemiddelde Nederlander normaal zou moeten kunnen zien). Het is niet bekend hoe goed patiënt zal gaan zien na het vervangen van de troebele lens. Er bestaat een kans dat hij nooit meer zo goed zal kijken als voorheen.”

3 Het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt in de kern dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de LOVS-oriëntatiepunten, doordat het hof bij het bepalen van de op te leggen straf de oriëntatiepunten voor zeer zwaar lichamelijk letsel als uitgangspunt heeft genomen (24 maanden gevangenisstraf). Hierdoor is de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden onbegrijpelijk dan wel ongenoegzaam gemotiveerd.

3.2.

Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging het volgende overwogen:


“Oplegging van straf
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De advocaat-generaal heeft bij haar vordering rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich tezamen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan de zware mishandeling van twee mannen en de poging daartoe van een andere man. Daartoe zijn zij in de nachtelijke uren de woning van de slachtoffers binnen gegaan, die op dat moment lagen te slapen of aanstonds van plan waren om te gaan slapen. Naast de slachtoffers waren er verschillende andere personen in de woning aanwezig. Eenmaal binnen hebben de verdachte en zijn medeverdachten de slachtoffers op vreselijke wijze toegetakeld, onder meer door samen op hen in te schoppen en hen met afgebroken stoelpoten te slaan. Bovendien hebben zij geprobeerd een bezemsteel in de anus van een van de slachtoffers te duwen. De slachtoffers hebben hier (zeer fors en pijnlijk) letsel aan overgehouden. Dat de slachtoffers er niet nog erger aan toe zijn en het voorval hebben kunnen navertellen is geenszins aan het handelen van de verdachte noch dat van zijn medeverdachten toe te schrijven.

De toedracht van het toegepaste geweld moet in de financiële sfeer gezocht worden. Daarmee hebben de verdachten hun gestelde financiële belangen ver boven het fysieke welzijn van de slachtoffers geplaatst. Het voorgaande acht het hof des te kwalijker nu de mishandeling gedurende de nachtelijke uren in de woning van de slachtoffers heeft plaatsgevonden, een plek waar de slachtoffers zich, evenals de overige bewoners, veilig en onbezorgd moeten kunnen voelen. Het voorgaande rekent het hof de verdachte aan.
Het hof heeft gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen voor zware mishandeling plegen te worden opgelegd, welke hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden als passend geacht. Die straf neemt het hof als uitgangspunt; een andere strafmodaliteit dan onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is voor dergelijk geweld niet aan de orde. In dit geval hebben de verdachte en zijn medeverdachten zich schuldig gemaakt aan de zware mishandeling van twee slachtoffers en de poging daartoe van een derde slachtoffer. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, zoals door de advocaat-generaal is geëist.

(…).”

3.3.

Vooropgesteld moet worden dat de feitenrechter niet is gebonden aan de LOVS-oriëntatiepunten en dat de uitleg hiervan aan hem is voorbehouden. In gevallen waarin hij die oriëntatiepunten uitlegt en/of toepast, kan in cassatie wel worden getoetst of die uitleg en toepassing begrijpelijk is. Gelet op de rechterlijke straftoemetingsvrijheid en de aard van die oriëntatiepunten, heeft die toetsing echter een beperkt karakter.2

3.4.

De LOVS-oriëntatiepunten ten aanzien van (zware) mishandeling houden, voor zover hier relevant, het volgende in:


“Art. 300/302/304 Sr mishandeling
(…)

Art. 302 Sr zware mishandeling
(…)

Omschrijving

Oriëntatiepunt

a. Opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zonder gebruik te maken van een wapen

3 maanden gs ov

b. Opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van bijvoorbeeld één of meer kopsto(o)t(en) en/of schoppen/trappen tegen het hoofd

6 maanden gs ov

c. Opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen)

7 maanden gs ov

d. Opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel, zonder gebruik te maken van een wapen

8 maanden gs ov

e. Opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen)

1 jaar gs ov

Toelichting oriëntatiepunten 300/302 Sr (zware) mishandeling
(…)
Begripsomschrijvingen
(…)


Het in art. 302 Sr bedoelde zwaar lichamelijk letsel kan worden onderscheiden in zwaar lichamelijk letsel en zeer zwaar lichamelijk letsel. Onder zwaar lichamelijk letsel moet worden begrepen zwaar lichamelijk letsel, als bedoeld in art. 302 Sr, waarvan volledig herstel valt te verwachten binnen zes maanden na de gebeurtenis. Medisch ingrijpen zal in het algemeen geïndiceerd zijn. Het gaat bijvoorbeeld om ingrijpende breuken. Onder zeer zwaar lichamelijk letsel moet worden begrepen zwaar lichamelijk letsel, als bedoeld in art. 302 Sr, dat levensbedreigend is of waarvan een zeer langdurige herstelperiode (meer dan zes maanden) of geen volledige genezing wordt verwacht.”

3.5.

Zoals gezegd, is de steller van het middel van opvatting dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de LOVS-oriëntatiepunten door bij het bepalen van de op te leggen straf de oriëntatiepunten voor zeer zwaar lichamelijk letsel als uitgangspunt te nemen.

3.6.

Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. Het hof heeft overwogen dat de verdachte zich tezamen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan de zware mishandeling van twee mannen en de poging daartoe van een ander, onder meer door samen op hen in te schoppen en met afgebroken stoelpoten te slaan. Bovendien hebben zij geprobeerd een bezemsteel in de anus van een van de slachtoffers te duwen. De slachtoffers hebben hier (zeer fors en pijnlijk) letsel aan overgehouden. Volgens de hiervoor onder 2.2. weergegeven bewijsmiddelen 3, 4 en 5 heeft aangever [aangever 1] hierdoor onder meer schade aan zijn prostaat en (inwendig) blaasletsel opgelopen waardoor twee weken een katheter is geplaatst, heeft hij bij elkaar zes maanden niet kunnen werken en kon hij die maanden moeilijk staan en lopen. Afgaande op bewijsmiddel 8, 9 en 10, heeft aangever [aangever 3] onder meer een gebroken oogkas, een gebroken jukbeen, mogelijk letsel aan de oogzenuw en letsel in het aangezicht opgelopen. Hierdoor is de iris deels losgekomen van de basis, wat oogdrukproblemen kan opleveren en kan betekenen dat hij voor de rest voor zijn leven druk verlagende medicatie moet gebruiken. Ook is de lens aangedaan, deze begint eerder dan normaal te vertroebelen en zal eerder vervangen moeten worden. Mede daardoor heeft hij een gezichtsscherpte van 0,1 (dat is 10% van wat de gemiddelde Nederlander normaal zou moeten kunnen zien) en er bestaat een kans dat hij, ondanks het vervangen van de troebele lens, nooit meer zo goed zal kijken als voorheen.

3.7.

Volgens de – hiervoor onder 3.5. weergegeven – “toelichting oriëntatiepunten 300/302 Sr (zware) mishandeling” moet onder zeer zwaar lichamelijk letsel worden begrepen zwaar lichamelijk letsel, als bedoeld in art. 302 Sr, dat levensbedreigend is of waarvan een zeer langdurige herstelperiode (meer dan zes maanden) of geen volledige genezing wordt verwacht. Dat het hof bij het bepalen van de op te leggen straf van de verdachte is uitgegaan van het oriëntatiepunt voor het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen), acht ik dan ook, gelet op de hiervoor samengevatte (blijvende) letsels van de slachtoffers en de herstelperiode, geenszins onbegrijpelijk. Voor een verdere toetsing is in cassatie geen plaats.

3.8.

Het middel faalt.

4 Het tweede middel

4.1.

Het middel bevat de klacht dat de redelijke termijn in cassatiefase is overschreden.

4.2.

Namens de verdachte is op 21 december 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 26 november 2019 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De klacht houdt in dat de stukken niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden, zodat de redelijke termijn is geschonden. De inzendtermijn is met afgerond vier maanden overschreden. Daarbij merk ik op dat ook de termijn van zestien maanden sinds het instellen van het cassatieberoep is overschreden, zodat dit verzuim niet meer valt te repareren met een voortvarende afdoening door de Hoge Raad. Dit betekent dat de schending dient te leiden tot strafvermindering zoals de Hoge Raad gepast zal voorkomen.3

4.3.

Het middel is terecht voorgesteld.

5 Ambtshalve opmerkingen

5.1.

Ambtshalve wijs ik op het volgende. De op 1 januari 2020 gedeeltelijk in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017/82) heeft onder meer tot gevolg dat met ingang van die datum de rechter niet langer de mogelijkheid heeft om vervangende hechtenis te verbinden aan de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, voor het geval geen volledige betaling of volledig verhaal volgt. In plaats daarvan kan de rechter het dwangmiddel van de gijzeling opleggen, die net als de vervangende hechtenis ten hoogste één jaar kan duren.

5.2.

In HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat daarmee sprake is van een verandering in de regels van sanctierecht die ten gunste van de verdachte werkt en die met onmiddellijke ingang moet worden toegepast. Gelet hierop zal de Hoge Raad in zaken waarin de cassatieschriftuur is binnengekomen voor of op 26 juni 2020 de uitspraak van het hof waarbij aan de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is verbonden in zoverre ambtshalve vernietigen. In de onderhavige zaak doet zich dit voor.

6 Conclusie

6.1.

Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende verkorte motivering. Het tweede middel is gegrond.

6.2.

Ambtshalve heb ik, afgezien van hetgeen ik onder 5 heb vermeld, geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

6.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers vervangende hechtenis is toegepast, respectievelijk tot zodanige vermindering van de opgelegde straf naar de gebruikelijke maatstaf en tot bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de slachtoffers met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bij akte van 23 maart 2020 is namens de verdachte het cassatieberoep partieel ingetrokken, voor zover dit de beslissing om de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep te verklaren ter zake van het onder 1 en 3 ten laste gelegde betrof.

2 HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:320 en HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:114, NJ 2017/199, m.nt. F. Vellinga-Schootstra.

3 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis.