Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:924

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-10-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
19/05747
Formele relaties
Nadere conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1138
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1898
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG in zaak waarbij in een Rotterdamse animeerbar in september 2016 een man om het leven is gebracht. Eendaadse samenloop van gekwalificeerde doodslag (art. 288 Sr) en gekwalificeerde diefstal (art. 311 jo. 312 lid 1 en lid 3 Sr). Middelen over het bewijs van het voor beide feiten vereiste bijkomend oogmerk dat de doodslag/het geweld werd gepleegd om de uitvoering van de diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. De conclusie strekt tot omzetting van de ten behoeve van de schadevergoedingsmaatregelen opgelegde vervangende hechtenis naar gijzeling en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/05747

Zitting 13 oktober 2020

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 11 december 2019 wegens 1 subsidiair en 2 “de eendaadse samenloop van doodslag, gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken; en diefstal, door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl de schuldige het goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren en zes maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Ook heeft het hof de verdachte ter beschikking gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Voorts heeft het hof de vorderingen van drie benadeelde partijen toegewezen en één benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft aan de verdachte ter zake van de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen tevens schadevergoedings-maatregelen als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte.1 Mr. O.J. Much, advocaat te Rotterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

3. Het gaat in deze zaak om een geweldsmisdrijf waarbij het slachtoffer [slachtoffer] op 7 september 2016 om het leven is gebracht. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt het volgende.

4. Op 8 februari 2016 werd in de animeerbar [A] te Rotterdam het levenloze lichaam van het slachtoffer aangetroffen. De man lag op zijn buik en met name op zijn achterhoofd werd veel letsel waargenomen. Het overlijden was het gevolg van hersenschade, opgelopen door meermalen bij het leven opgelopen uitwendig inwerkend heftig botsend geweld op het hoofd. Het slachtoffer lag voor twee gokkasten. De gokkasten waren opengebroken. Op een werkbank lagen goederen en gereedschap. Daartussen lag een klauwhamer, die geheel was bebloed. Uit veiliggestelde camerabeelden blijkt dat de verdachte op 7 september 2016 een hamer van tafel heeft gepakt en het slachtoffer is gevolgd naar de kelder. Daar heeft de verdachte het slachtoffer uit het niets een harde klap met de hamer op zijn hoofd gegeven, terwijl het slachtoffer op zijn knieën voor de verdachte zat, met zijn rug haar hem toe gekeerd. In de tien minuten daarna heeft de verdachte met tussenpozen het slachtoffer meer dan tien maal op zijn hoofd geslagen. Het slachtoffer is ten gevolge van het op zijn hoofd uitgeoefende geweld overleden. Uit de camerabeelden blijkt ook dat de verdachte en zijn mededader geld uit de kassa en flessen alcoholhoudende drank hebben weggenomen. Daarnaast is op de camerabeelden te zien dat zij de twee gokkasten hebben opengebroken.

De middelen

5. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair onvoldoende met redenen is omkleed, doordat het bewezen verklaarde oogmerk om met de doodslag de uitvoering van het in art. 311 Sr omschreven feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, mede in het licht van een gevoerd verweer, niet zonder meer uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid. Het tweede middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende met redenen is omkleed, doordat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat het aan de bewezen verklaarde diefstal voorafgegane geweld is gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

6. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

“1.

hij op 07 februari 2016 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen met kracht met een hamer op het hoofd van die [slachtoffer] geslagen,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd van enig strafbaar feit, te weten een diefstal in vereniging van een geldbedrag met braak/verbreking en van flessen alcoholhoudende drank, strafbaar gesteld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

2. hij op 07 februari 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander,
met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een pand gelegen aan de [a-straat 1] “ [A] ” heeft weggenomen
uit speelautomaten geld, zulks nadat hij en zijn mededader, dat weg te nemen geld onder hun bereik had gebracht door braak/verbreking, en flessen alcoholhoudende drank
toebehorende aan [A] of [slachtoffer]
welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,
welk geweld bestond uit het meermalen met kracht slaan met een hamer op het hoofd van die [slachtoffer] , terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.”

7. Het bestreden arrest betreft een zogenoemd Promisarrest. Daarin heeft het hof de volgende overwegingen gewijd aan de vraag of sprake was van gekwalificeerde doodslag:2

“Ten aanzien van de vraag of de doodslag is gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van de diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, overweegt het hof als volgt.

Uit de op 18 februari 2016 afgelegde verklaring van de medeverdachte volgt dat de verdachte een huurachterstand had.

In haar op 22 februari 2016 tegenover de politie afgelegde verklaring heeft de medeverdachte -omtrent het onderhavige incident het volgende verklaard:

“Hij zat in de problemen dat had hij al twee maanden geleden tegen mij gezegd. Hij vroeg weleens geld aan die man. (...) Hij was boos omdat hij het in de kelder wilde gaan doen. Dan had hij minder hoeven op te ruimen. Toen hij die man dood geslagen had. Die man was ook aan het snurken. (...) Nadat hij die man op zijn hoofd had geslagen. Toen kwam hij naar mij toe. Toen was hij ook boos op mij. Hij zei: “Kijk wat je nou gedaan heb”. Het had in de kelder moeten gebeuren. (...) Ja, ik voel me schuldig met dat geld maar dat was in opdracht van hem. Hij was hier op voorbereid. (...) Ik moest de dinges doen die hij mij opdroeg. Hij gaf mij sleutels, ik moest de kassa voor hem doen, ging niet, hij werd alleen maar kwader. Hij zocht 1800 euro. Hij riep: dat fucking varken dat hij mij geen 10 euro geeft. Ik moest de deuren dichtdoen, gokkasten openmaken, maar dat ging niet, ik moest het geld in een zwarte tas doen. (...) [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) zei als hij nog leeft sla ik hem nog een keer dat varken. Ik moet dat geld nu vinden. (...) Hij werd alleen maar kwader en kwader. (...) Hij zocht die 1800 euro zei die. Ik moest in het kantoortje kijken. Ik dacht dat hij mij wat aan wilde doen maar [verdachte] zei nee, nee ik moet gewoon dat geld hebben. (...) Ik moest zoveel mogelijk meenemen. (...) [verdachte] zat aan de broek (het hof begrijpt: van de eigenaar) te hengelen.”


Volgens de medeverdachte zocht de verdachte naar 1800 euro. Hij had tegen haar gezegd waar dat zou zijn. Hij ging overal zoeken. Hoe vaker de verdachte sloeg, hoe kwader hij werd. Het kwam door de medeverdachte dat hij moest opruimen. De hersenen van het slachtoffer zaten aan de muur.

Na het slaan probeerde de verdachte het slachtoffer in de kast te krijgen. Dat lukte niet.


Op 25 februari 2016 is [betrokkene 1] , ten tijde van de feiten de vriendin van de verdachte, door de politie gehoord. Tijdens dat verhoor heeft zij onder meer verklaard dat zij en de verdachte een huurachterstand van drie maanden hadden. Zij betaalden ongeveer 500 euro huur. Voorts heeft [betrokkene 1] verklaard dat de verdachte en de medeverdachte op 7 februari 2016 samen waren thuisgekomen. [betrokkene 1] zag dat de verdachte laveloos was. Zijn handen waren roze van het bloed. Ook zijn kleding zat onder het bloed. De verdachte had [betrokkene 1] verteld hoe het was gegaan. Hij had haar alles in detail verteld. Volgens de verdachte zou er 1800 euro liggen. De verdachte wilde dat bedrag hebben, maar kon het niet vinden. De verdachte had haar gevraagd naar de [b-straat] te gaan om te kijken of er politie bij de [A] was. Indien dat niet het geval was, moest [betrokkene 1] hem bellen, zodat hij iets met het lichaam kon doen. Het lichaam van het slachtoffer was volgens de verdachte te zwaar. Hij had een takel nodig om het te verplaatsen.

Volgens [betrokkene 1] hadden de verdachte en de medeverdachte tassen met sterke drank bij zich. Ook haalden zij muntgeld uit een tas. De medeverdachte heeft een deel van het muntgeld gekregen.


Oordeel van het hof


Het hof stelt op grond van de verklaringen van de medeverdachte en de verklaring van [betrokkene 1] vast dat

- de verdachte en [betrokkene 1] een huurachterstand van drie maanden hadden;

- de huur 500 euro per maand bedroeg;

- er volgens de verdachte een bedrag van 1800 euro in de [A] zou liggen;

- de verdachte dat bedrag niet kon vinden en steeds bozer werd;

- de verdachte de medeverdachte had opgedragen de deuren te controleren en naar geld te zoeken;

- de verdachte, en de medeverdachte muntgeld en flessen drank in de [A] hebben weggenomen.


Het hof stelt op grond van hetgeen op de camerabeelden is weggenomen vast dat er sprake is van een kort tijdsverloop tussen de eerste geweldshandelingen op het hoofd van het slachtoffer en het zoeken naar geld. Voorts stelt het hof vast dat de geweldshandelingen tijdens die zoektocht zijn voortgezet.


Gelet op de hierboven weergegeven verklaringen van de medeverdachte en [betrokkene 1] , het korte tijdsverloop tussen de eerste geweldshandelingen en het zoeken naar geld, alsmede gelet op het feit dat de geweldshandelingen nog werden voortgezet tijdens die zoektocht, is het hof van oordeel dat de verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd met het oogmerk om de daarop volgende diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken. De diverse door de verdediging aangevoerde contra-indicaties voor dat oogmerk brengen het hof niet tot een ander oordeel. Ten overvloede overweegt het hof nog dat – zeker in het licht van verklaringen van [betrokkene 1] en de medeverdachte – ook hetgeen voorafgaand aan het geweld te zien is op de beelden (het omhoog houden en kussen van de hamer, het eerder al maken van een stekende beweging richting het slachtoffer en het met de hamer volgen van het slachtoffer naar de kelder) duidt op een vooropgezet plan om het slachtoffer met geweld te beroven. Dat de verdachte geweld jegens het slachtoffer heeft gebruikt als gevolg van een (door de verdediging gesuggereerde) hevige gemoedsopwelling acht het hof mede in dat licht volstrekt onaannemelijk.

Het hof acht dan ook – met de advocaat-generaal en anders dan de verdediging – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.
(…)
Diefstal met geweld?

De verdediging heeft betoogd dat de ten laste gelegde geweldshandelingen niet zijn gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Het hof gaat ook aan dit betoog voorbij. Zoals het hof reeds ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft overwogen, is het hof van oordeel dat het op het slachtoffer toegepaste geweld wel degelijk is gepleegd met het oogmerk om de daarop volgende diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.”

8. Voor gekwalificeerde doodslag in de zin van art. 288 Sr is vereist dat de doodslag in onmiddellijk verband staat met enig ander strafbaar feit. Dat andere feit moet de doodslag vergezellen, nabij volgen of voorafgaan.3De opzettelijke levensberoving geschiedt met het oogmerk om de uitvoering van dat andere feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om – bij betrapping op heterdaad – aan zichzelf of andere deelnemers hetzij straffeloosheid, hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. De doodslag moet dus zijn begaan met een ‘bijkomend’ oogmerk om dat andere feit te begunstigen of te vergemakkelijken. De memorie van toelichting bevat de volgende onderbouwing van het hogere strafmaximum4:

“Doodslag gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van een strafbaar feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken, of de vervolging daarvan te beletten, grenst in strafwaardigheid zoo nabij aan moord, dat de straf dezelfde behoort te wezen. De oogenblikkelijke gemoedsopwelling, waarin dergelijke doodslagen gewoonlijk bedreven worden, heeft haren oorsprong in de strafbare handeling van den schuldige zelven.”

9. Cleiren verwoordt deze strekking aldus: “In de strekking van de bepaling ligt het ernstige morele verwijt besloten dat het leven van een ander welbewust wordt opgeofferd uit zelfzucht.”5

10. Ingeval het andere feit een diefstal betreft, heeft de gekwalificeerde doodslag van art. 288 Sr “een zekere verwantschap” met de gekwalificeerde diefstal in de zin van art. 312, eerste en derde lid, Sr.6 Dat delict vereist geen opzet op de dood van het slachtoffer, maar wel dat de diefstal is voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld (of bedreiging met geweld) dat de dood ten gevolge heeft. Ook voor deze vorm van gekwalificeerde diefstal dient het geweld (of de bedreiging daarmee) te zijn begaan met het ‘bijkomend’ oogmerk om de diefstal voor te bereiden of te vergemakkelijken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers de vlucht mogelijk te maken dan wel het bezit van het gestolene te verzekeren.

11. In de toelichting op de middelen wordt verwezen naar een in hoger beroep gevoerd verweer dat in de kern inhoudt dat de verdachte “in een explosie van woede” en “in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling” heeft gehandeld. Deze “verblindende woede” en “bewustzijnsvernauwing” bij de verdachte zouden niet verenigbaar zijn met het ten laste gelegde oogmerk om de diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken.

12. Het hof heeft het verweer verworpen en daartoe overwogen volstrekt onaannemelijk te achten dat de verdachte geweld heeft gebruikt als gevolg van een hevige gemoedsopwelling. Het hof heeft geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte duiden op een vooropgezet plan om het slachtoffer met geweld van het leven te beroven. Met deze overweging, die letterlijk gelezen lijkt te duiden op voorbedachte raad, heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de verdachte opzet had op de levensberoving en dat de doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

13. De steller van de middelen betoogt dat dit oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is, in het licht van de in de bewijsvoering van het hof besloten liggende vaststellingen. In dat verband wordt erop gewezen dat de verdachte voorafgaand aan de diefstal de verdachte zes maal hard met een hamer tegen het hoofd heeft geslagen, dat de verdachte de hamer met kracht op de grond heeft gegooid, deze daarna weer heeft opgepakt en nog tweemaal een slaande beweging heeft gemaakt richting de hals van het slachtoffer en dit alles plaatsvond voorafgaand aan de diefstal.7 Gelet op deze door het hof vastgestelde feiten, zou het oordeel van het hof dat volstrekt onaannemelijk is dat de verdachte het geweld heeft gebruikt als gevolg van een hevige gemoedsopwelling zonder nadere motivering niet begrijpelijk zijn en zou de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig zijn.

14. Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte de doodslag (feit 1) heeft begaan en het geweld heeft uitgeoefend (feit 2) met het oogmerk de diefstal voor te bereiden en te vergemakkelijken uitvoerig gemotiveerd. In de overwegingen komt tot uitdrukking dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft afgeleid dat sprake was van een onmiddellijk verband tussen de (voorgenomen) diefstal en de doodslag. Dat oordeel acht ik in het licht van de door het hof vastgestelde feiten niet onbegrijpelijk. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn vriendin een huurachterstand van drie maanden (drie maal € 500,00) hadden, dat er volgens de verdachte in de [A] een bedrag van € 1800 zou liggen, dat de verdachte ten tijde van het delict het bedrag niet kon vinden en steeds bozer werd, dat de verdachte de medeverdachte heeft opgedragen de deuren te controleren en naar geld te zoeken en dat de verdachte en de medeverdachte muntgeld en flessen drank hebben weggenomen. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat tussen de eerste geweldshandelingen van de verdachte en het zoeken naar geld sprake was van een kort tijdsverloop en dat de geweldshandelingen tijdens die zoektocht werden voortgezet. Voorts heeft het hof acht geslagen op hetgeen voorafgaand aan het geweld is te zien op de camerabeelden, te weten het door de verdachte omhoog houden en kussen van de hamer, het maken van een stekende beweging richting het slachtoffer en het met de hamer volgen van het slachtoffer naar de kelder. Deze feiten en omstandigheden heeft het hof redengevend kunnen achten voor het bewijs dat sprake was van doodslag (feit 1) gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van de diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, alsmede dat de verdachte het geweld (feit 2) heeft uitgeoefend met het oogmerk de diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken. Van innerlijke tegenstrijdigheid in de bewijsvoering is geen sprake.

15. Het hof heeft aldus uit de bewijsvoering kunnen afleiden dat de verdachte de doodslag (feit 1 subsidiair), respectievelijk het geweld (feit 2) heeft begaan met het oogmerk de diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken. De bewezenverklaringen van feit 1 subsidiair en feit 2 zijn in dit opzicht naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.

16. De middelen falen.

17. Het derde middel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

18. Het middel is, gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast.

19. Het middel slaagt.

Slotsom

20. Het eerste en tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het derde middel slaagt.

21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Uit een akte partiële intrekking cassatie van 17 juli 2020 blijkt dat het cassatieberoep niet is gericht tegen de vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

2 Met weglating van voetnoten.

3 Zie ook A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Artikel 288 Sr, aant. 1 (bijgewerkt tot en met 1 maart 2006).

4 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede deel, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 458.

5 C.P.M. Cleiren, in: T&C Strafrecht, aant. 5 bij art. 288 Sr.

6 Aldus ook A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 1 bij art. 288 Sr.

7 De steller van de middelen schrijft herhaaldelijk dat deze handelingen bezwaarlijk anders kunnen worden aangemerkt dan als een “explosie van geweld”. Dat is echter iets anders dan de in hoger beroep gestelde en door het hof volstrekt onaannemelijk geachte “explosie van woede”.