Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:910

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
25-08-2020
Datum publicatie
06-10-2020
Zaaknummer
19/02305
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1561
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wederspannigheid, enig lichamelijk letsel ten gevolge hebbend (art. 180 jo. 181.1 Sr). Motiveringsklacht over opzet en een klacht over de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02305

Zitting 25 augustus 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 30 april 2019 bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan “wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft”, maar heeft de verdachte niet strafbaar verklaard en deze te dier zake ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en ten aanzien van deze vordering verder beslist, zoals in het arrest omschreven.

2. Namens de verdachte heeft mr. J.A.P.F. Hoens, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over (de motivering van) het oordeel van het hof dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 6 mei 2017 in de gemeente Utrecht, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren,

[verbalisant 1], hoofdagent van politie en [verbalisant 2], hoofdagent van politie, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten algemene surveillance, door

- zijn, verdachtes, lichaam aan te spannen en

- zich in een andere richting te bewegen dan die waarin verbalisanten hem trachtten te geleiden en

- zich met kracht uit de greep van die verbalisanten (trachtte) los te rukken en

- zijn, verdachtes, arm onder zijn lichaam te houden en

- die [verbalisant 1] in het (rechter)onderbeen te bijten, terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een bijtwond bij die [verbalisant 1] ten gevolge heeft gehad.”

5. De bewezenverklaring steunt op de (3) bewijsmiddelen als genoemd in de aanvulling van 3 september 2019 op het arrest. Voorts heeft het hof in zijn arrest het volgende overwogen:

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft ter terechtzitting (primair) betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd, omdat verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd en daardoor het bewijs van opzet ter zake van het feit niet kan worden geleverd. De raadsman heeft daarbij gewezen op hetgeen de psychiater in zijn rapportage heeft opgenomen, namelijk dat verdachte zijn handelen volstrekt niet in vrije wil kon bepalen en ook het drugsgebruik verdachte niet te verwijten valt omdat hij in zijn psychotische toestand niet in staat was om de […] gevolgen van zijn gebruik te overzien. Ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen ontbrak.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Uit de verdachte betreffende Pro Justitia rapportage van 19 juli 2018, opgesteld door psychiater G.J.A.M. Bakkeren, blijkt dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde zijn handelen volstrekt niet in vrije wil kon bepalen en dat verdachte niet in staat was om de gevolgen van zijn cannabisgebruik goed te overzien. Het advies van de rapporteur is om verdachte het tenlastegelegde niet toe te rekenen.

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van een verweer waarbij met een beroep op een ernstige geestelijke stoornis bij de verdachte het opzet wordt bestreden, zo’n stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2775).

Het hof van oordeel dat, anders dan de raadsman heeft gesteld, de door de psychiater geconcludeerde volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte niet in de weg staat aan een bewezenverklaring van opzet, nu het hof niet is gebleken dat bij verdachte ten tijde van het handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken. Hierbij overweegt het hof in het bijzonder dat uit de verklaring van verdachte op 7 mei 2017 bij de politie blijkt dat hij nog wel enig besef heeft gehad van wat hij deed. Verdachte verklaart immers dat hij nog weet dat hij in de bus is gestapt, in de bus shag heeft gerookt en heeft lopen tegenstribbelen toen de politie kwam. Bij de psychiater verklaart verdachte nog “uit schrik te hebben gehandeld”.

Het hof verwerpt het verweer.”

6. De steller van het middel klaagt dat het hof, mede in het licht van het hieromtrent gevoerde verweer, niet begrijpelijk heeft geoordeeld dat de verdachte opzet had op het bewezenverklaarde feit. Uit de overwegingen van het hof volgt immers niet begrijpelijk dat de verdachte ten tijde van zijn handelen enig inzicht had in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan. ’s Hofs oordeel dat de verdachte nog enig besef had van wat hij deed en herinneringen heeft aan het incident is daartoe immers onvoldoende, aldus het middel.

7. Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Ten tijde van het bewezenverklaarde feit bepaalde art. 39 Sr dat niet strafbaar is hij die een feit begaat dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens niet kan worden toegerekend.1 De aanwezigheid van toerekenbaarheid wordt overigens verondersteld en haar afwezigheid wordt opgevat als een uitzonderingsgeval, een exceptie. Ontoerekenbaarheid als bedoeld in dit artikel vormt een schulduitsluitingsgrond en heeft – indien door de rechter aannemelijk geacht – ontslag van alle rechtsvervolging tot gevolg. Van ontoerekenbaarheid is sprake als de verdachte ten tijde van het delict lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens als gevolg waarvan hij niet kon begrijpen dat het feit wederrechtelijk was of onvoldoende in staat was in overeenstemming met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van het feit te handelen.2

8. De vraag of een daad aan de dader kan worden toegerekend, behoort bij uitstek tot de exclusieve taak van de rechter. Gelet op art. 39 (oud) Sr, diende de strafrechter hiertoe de volgende drie vragen te beantwoorden:

(i) Was er ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens van de verdachte? Zo ja,

(ii) Is een causaal verband tussen de stoornis en het strafbare feit voldoende aannemelijk? Zo ja,

(iii) Welk oordeel moet – gelet op de eerste twee vragen én gelet op alle omstandigheden van het geval – worden gegeven over de toerekening van het strafbare feit in kwestie?3

Hoewel psychiatrische deskundigenoordelen bij de beantwoording van deze vragen veel gewicht in de weegschaal kunnen leggen, betreft het een juridisch oordeel dat is voorbehouden aan de feitenrechter.4

9. Voorts volgt uit de rechtspraak dat de geestelijke stoornis sterk is losgekoppeld van subjectieve bestanddelen, zoals het opzet.5 Een psychische stoornis die een toerekening in de weg staat, sluit het aannemen van opzettelijk handelen slechts uit indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken.6 Uit de rechtspraak volgt ook dat al spoedig enig besef of benul wordt aangenomen. Of wel of niet sprake is geweest van vorenbedoeld inzicht, betreft een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.

10. Terug naar het onderhavige geval. Het hof stelt vast dat niet is gebleken dat de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken. Daartoe overweegt het hof dat uit de verklaring van de verdachte bij de politie blijkt dat hij nog enig besef heeft gehad van wat hij deed. Hij weet immers nog dat hij in de bus is gestapt, daarin shag heeft gerookt en heeft tegengestribbeld toen de politie kwam. Voorts stelt het hof vast dat de verdachte bij de psychiater heeft verklaard dat hij uit schrik zou hebben gehandeld. Aldus is het hof van oordeel dat de door de psychiater geconcludeerde volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte niet in de weg staat aan een bewezenverklaring van opzet. In aanmerking genomen hetgeen ik heb vooropgesteld, acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. In dat oordeel ligt voorts niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd besloten de verwerping van het hieromtrent namens de verdachte gevoerde verweer.

11. Het eerste middel faalt.

12. Het tweede middel klaagt over de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

13. Het hof heeft hieromtrent het volgende overwogen:

“Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte niet in de weg staat aan (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, te weten een bedrag van € 250,00 zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”

14. Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte niet in de weg staat aan (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij7, nu het hof in het onderhavige geval heeft nagelaten te motiveren waarom verdachtes ontoerekeningsvatbaarheid niet tot matiging/vermindering van zijn aansprakelijkheid heeft geleid.

15. Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Een geslaagd beroep op ontoerekenbaarheid als bedoeld in art. 39 Sr, hoeft de civiele toerekening van een schadeveroorzakende gebeurtenis aan de verdachte in beginsel niet uit te sluiten. Art. 6:165, eerste lid, BW8 bepaalt immers dat “de omstandigheid dat een als een doen te beschouwen gedraging van een persoon van veertien jaren of ouder verricht is onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, is geen beletsel haar als een onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen.”9

16. Voorts schrijft art. 361, vierde lid, Sv voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.10

17. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 16 april 2019 blijkt dat namens de verdachte het volgende is aangevoerd:

“Wat betreft de vordering van de benadeelde partij is het de vraag of het redelijk is om mijn cliënt een schadevergoeding te laten betalen als hij volstrekt niet toerekeningsvatbaar is. Je zegt dan eigenlijk dat het binnen zijn risicosfeer valt. Dat zou je dan niet in het strafrecht, maar in een civiele procedure moeten uitvechten. Ik verzoek u dus de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.”

18. Door de steller van het middel wordt erkend dat de omstandigheid dat een verdachte ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard, niet in de weg staat aan een gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. In de kern wordt slechts geklaagd dat het hof zijn beslissing op de vordering van de benadeelde partij onvoldoende heeft gemotiveerd. Gezien hetgeen ik heb vooropgesteld en het hieromtrent gevoerde verweer van de verdediging, acht ik de beslissing van het hof op dit punt echter niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het middel faalt dan ook.

19. Het eerste en het tweede middel falen.

20. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.11

21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het artikel is gewijzigd bij wet van 24 januari 2018, Stb. 2018, 37 (inwerkingtreding 1 januari 2020). Tot 1 januari 2020 luidde het artikel als volgt: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens niet kan worden toegerekend.” Vanaf 1 januari 2020 luidt de tekst van art. 39 Sr als volgt: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend.

2 Zie: J. Bijlsma, Stoornis en strafuitsluiting, Wolf Legal Publishers (WLP): Oisterwijk 2016, p. 245.

3 Zie: J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 351.

4 Zie: J. Bijlsma, Stoornis en strafuitsluiting, Wolf Legal Publishers (WLP): Oisterwijk 2016, p. 260 e.v.

5 Zie: J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 356 e.v.

6 Vlg. HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2775, NJ 2009/157 m.nt. T.M. Schalken. Zie ook HR 9 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9223, NJ 2010/160.

7 Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij tot een schadevergoeding van € 500,- gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 250,-, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.

8 Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij in het strafproces gelden de civiele regels van stelplicht en bewijslastverdeling, zie onder meer HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8755, NJ 2012/135.

9 Voor de ruime interpretatie die de Hoge Raad geeft aan het begrip “een als een doen te beschouwen gedraging” zie HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:147, NJ 2016/167 m.nt. S.D. Lindenbergh.

10 Zie: HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 2.8.6.

11 In het onderhavige geval heeft het hof de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Nu het hof geen straf of maatregel heeft opgelegd, noch art. 9a Sr van toepassing heeft verklaard, had het hof gelet op art. 361, tweede lid, onder a, Sv de vordering van de benadeelde partij, anders dan het heeft gedaan, niet-ontvankelijk moeten verklaren..Daarover wordt niet geklaagd. Gelet op HR 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1492, NJ 2005/99 m.nt. P.A.M. Mevis, ga ik ervan uit dat een en ander voor de Hoge Raad geen aanleiding vormt voor ambtshalve cassatie.