Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:870

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
19/00022
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1529
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verdachte n-o in h.b. nu OvJ en verdachte afstand hebben gedaan van het instellen van rechtsmiddelen bij de Pr. Middelen over het ontbreken van de zittingsaantekeningen van de griffier bij afwezigheid van een p-v van de ttz van de Pr, de afwijzing van het verzoek een meegebrachte getuige te horen en over het in strijd met de wet wijzen van een mondeling arrest door de meervoudige kamer van het hof, welk verzuim het hof vervolgens zou hebben geprobeerd te herstellen door het nadien op schrift stellen van een (veel) uitvoeriger en afwijkend arrest wat niet in het openbaar is uitgesproken. HR: art. 81. 1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/00022

Zitting 30 juni 2020

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 5 december 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J. Visscher, advocaat te Amersfoort, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ik zal de middelen in een afwijkende volgorde bespreken, te beginnen met het eerste middel, daarna het derde, en tot slot het tweede middel.

4. Het eerste middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2018 en de op basis daarvan gedane uitspraak nietig zijn, nu de zittingsaantekeningen van de griffier van de terechtzitting in eerste aanleg van 29 juni 2018 zich niet (meer) bij de stukken bevinden en ook niet meer beschikbaar zullen komen.

5. In eerste aanleg is de verdachte door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, bij vonnis van 29 juni 2018, wegens overtreding van artikel 9 lid 7 en artikel 8 lid 2, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken, waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6. Op 25 juli 2018 is buiten de wettelijke appeltermijn namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

7. De inhoudelijke zitting bij het hof heeft plaatsgehad op 5 december 2018, in aanwezigheid van de verdachte, zijn raadsman en een tolk. Het proces-verbaal van die zitting houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

(…)

De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte heeft laten weten dat hij de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst. Daarom vindt het onderzoek plaats met bijstand van [...], zijnde een in het register als bedoeld in artikel 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers ingeschreven tolk in de Turkse taal.

Hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen is door de tolk vertaald.

De voorzitter stelt de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a,eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

wonende te [plaats], [a-straat 1].

Als raadsman van verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr. J. Visscher, advocaat te Amersfoort.

De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen deze zal horen en deelt verdachte mede dat deze niet tot antwoorden verplicht is.

De voorzitter maakt melding van de ingekomen stukken, te weten:

- de justitiële documentatie van de verdachte van 1 november 2018,

- de zittingsaantekeningen van de griffier van de terechtzitting van 29 juni 2018 in eerste aanleg (ingekomen op 29 november 2018),

- een e-mailbericht van de officier van justitie betreffende de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg (ingekomen op 29 november 2018),

- een e-mail van de griffier betreffende de terechtzitting in eerste aanleg van 29 juni 2018 (ingekomen op 3 december 2018) en

- een brief van de raadsman van verdachte met het verzoek om een tolk op te roepen en de aankondiging van het meebrengen van een getuige ter terechtzitting (ingekomen op 4 december 2018).

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De voorzitter voert het woord - zakelijk weergegeven -:

U bent in deze zaak bij de zitting bij de rechtbank geweest op 29 juni 2018. Daar was u zonder raadsman en er was ook geen tolk bij die zitting aanwezig. Op 25 juli van dit jaar heeft u hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak van de rechtbank.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep is van belang dat u niet binnen de termijn van twee weken in hoger beroep bent gegaan en dat uit de aantekening mondeling vonnis blijkt dat u afstand heeft gedaan van het recht om in hoger beroep te gaan.

Er is geen proces-verbaal van de terechtzitting opgemaakt, omdat u te laat in hoger beroep bent gegaan. Het hof heeft informatie ingewonnen bij de griffier van de rechtbank die uw zaak heeft behandeld. De griffier heeft de zittingsaantekeningen daarvan opgestuurd.

De oudste raadsheer legt de zittingsaantekeningen over aan de raadsman ter inzage.

De voorzitter deelt mede, zakelijk weergegeven:

Ik heb aan de officier van justitie gevraagd of hij nog weet hoe het gegaan is op de zitting.

Het hof heeft een mail gekregen van de officier van justitie op 29 november van dit jaar. Ik hoor de raadsman zeggen dat hij deze mail ook heeft ontvangen.

Uit die stukken zou kunnen worden opgemaakt dat verdachte in ieder geval adequaat heeft geantwoord op vragen die hem in het Nederlands werden gesteld. De officier van justitie zegt dat het ondenkbaar is dat de zitting zou zijn doorgegaan indien het vermoeden zou zijn gerezen dat verdachte de Nederlandse taal onvoldoende machtig zou zijn.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik woon nu ongeveer twintig jaar in Nederland (hof: de verdachte zegt dit in het Nederlands. Daarna vertaalt de tolk weer).

De voorzitter vraagt mij hoe de zitting van 29 juni 2018 waar ik aanwezig was, is verlopen.

Ik ging ervan uit dat ik een geldboete opgelegd zou krijgen, omdat dat meestal wordt gedaan in dit soort zaken. Dat had ik van anderen gehoord. Pas toen ik de uitspraak thuis kreeg, begreep ik dat dat niet het geval was. Vijf jaar geleden heb ik een soortgelijke zaak gehad, toen kreeg ik ook een geldboete.

Het klopt dat ik ook een zitting had op 28 mei 2018 en dat ik bij die zitting ook afstand heb gedaan van het hoger beroep en dat daarbij evenmin een tolk aanwezig was.

Ik snapte het niet helemaal. Ik ging er daarom vanuit dat het hetzelfde zou gaan. Ik heb een aantal dingen goed begrepen, maar als er binnensmonds wordt gesproken versta ik het niet.

De oudste raadsheer houdt nog het volgende voor, zakelijk weergegeven:

Uit het dossier blijkt nog het volgende.

Bij de politie is verdachte in deze zaak gehoord zonder bijstand van een tolk.

In de zaak met de pleegdatum 16 februari 2018, waarvan de zitting in mei 2018 plaatsvond (parketnummer 96-031797-18), is verdachte eveneens zonder tolk gehoord en heeft verdachte gezegd dat hij vier tot vijf glazen bier had gedronken voorafgaand aan het rijden. Die zaak is op 28 mei 2018 onherroepelijk geworden, wat inhoudt dat toen ook afstand van hoger beroep is gedaan.

Het proces-verbaal van de politie in die zaak bevindt zich ook in dit dossier. Ook is in het dossier dus vermeld dat dat verhoor heeft plaatsgevonden in het Nederlands.

In deze zaak heeft u verklaard dat u vanaf ’s middags één glas whisky-cola had gedronken en dat u moest rijden omdat u een eigen garage bedrijf heeft.

In die andere zaak van pleegdatum 16 februari 2018 heeft de verdachte gezegd dat hij vier of vijf glazen bier na zijn werk had gedronken.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik een garagebedrijf heb, zoals ook vermeld als mijn afgelegde verklaring in deze tegenover de politie.

In de zaak die plaatsvond in mei 2018, had ik geen raadsman. Dat kwam omdat ik ervan uit ging dat ik een geldboete zou krijgen.

Ik heb alleen bij deze zitting een raadsman.

De oudste raadsheer vraagt mij of ik bij de zitting van 29 juni 2018 heb gezegd dat ik niet wist waar het over ging en dat ik een tolk wilde.

Ik dacht toen dat ik het had begrepen. Ik heb het ook aan [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) verteld toen. De brief die ik kreeg waar de uitspraak in stond was in het Nederlands.

Toen ik naar de zitting in mei 2018 ging, dacht ik dat het ging over een geldboete en een taakstraf. Ze zeiden dat ik onder invloed had gereden, maar ik reed niet. Ik zat achter het stuur bij een benzinestation. Ik had niet gekeken wat er in de oproeping stond, ik heb alleen naar de datum gekeken en ben toen naar de zitting gegaan zonder dat ik wist waarover ik zou gaan spreken.

Ik dacht dat het over hetzelfde zou gaan. De afgelopen vijf jaar ben ik bijna niet weggeweest vanuit de garage, alleen van mijn huis naar de garage.

In 2014 ben ik twee keer met de politie in aanraking gekomen. Ik accepteerde toen ook mijn straf, ik had ook alcohol gedronken. Het behouden van mijn rijbewijs is van zeer groot belang. Ik begreep waar het over ging bij de politierechter. Het klopt dat ik toen ook afstand heb gedaan van het hoger beroep.

De raadsman voert het woord, zakelijk weergegeven:

Als cliënt geen woord Nederlands had gesproken, hadden we hier niet gestaan. Het is een grensgeval. Eenvoudige vragen kan hij in het Nederlands beantwoorden. Essentiële onderdelen van de strafzaak, zoals de eis van de officier van justitie of het doen van afstand, moet hij dan wel begrijpen. Dat heeft hij echter niet begrepen. In dat kader is het van belang om de meegebrachte getuige te horen. Zij heeft verdachte naar de zitting in eerste aanleg gebracht en heeft de zaak met hem besproken na de zitting. Zij is niet bij de zitting zelf geweest. Het horen is van belang. We hebben slechts beperkt zicht op zijn begrip van de situatie door beperkte zittingsaantekeningen en een kort proces-verbaal. De zitting duurde heel kort. Pas bij het ontvangen van de meldbrief, is cliënt op de hoogte geraakt van de oplegging van gevangenisstraf.

Ik heb daarnaast gezien wie de rechter was in eerste aanleg en ik weet uit ervaring dat deze een onorthodoxe aanpak hanteert, waarbij ik me kan voorstellen dat het snel en kort is gegaan. We hebben het proces-verbaal van de zitting niet, dus we weten niet wat er is toegelicht op zitting. Ik zou allereerst de getuige willen horen en me daarna uitlaten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van cliënt.

De advocaat-generaal voert het woord, zakelijk weergegeven:

Ik zie geen noodzaak om de getuige te horen, gelet op de verklaringen van de officier van justitie en de griffier van de rechtbank die de zaak in eerste aanleg hebben gedaan. Verdachte heeft niet gezegd dat hij het niet begrepen heeft, alleen dat hij vooraf een bepaalde gedachte had over hoe het zou gaan. Hij heeft de oproeping niet gelezen, hij ging ervan uit dat hij weer een boete zou moeten betalen. De teleurstelling van verdachte rechtvaardigt niet het idee dat er iets mis is gegaan bij de zitting in eerste aanleg. De getuige kan er weinig aan toevoegen nu zij niet bij de zitting aanwezig is geweest.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

Mijn rijbewijs is ingevorderd op 14 september 2018. Ik heb inmiddels mijn rijbewijs terug. Ik heb een EMA-cursus gedaan. Die cursus heb ik in het Nederlands gevolgd. Omdat er veel persoonlijke aandacht was van de docent, begreep ik het.

Na een korte onderbreking wordt de zitting hervat.

De tolk deelt mede dat hij de zittingszaal dient te verlaten omdat hij ontboden is bij de rechter-commissaris en verlaat vervolgens de zaal.

De voorzitter deelt de beslissing van het hof omtrent het horen van de getuige mede, inhoudende dat het hof het verzoek zal afwijzen.

De voorzitter zegt zakelijk weergegeven:

Het hof acht het horen van [betrokkene 1] niet nodig.

[betrokkene 1] is immers niet bij de terechtzitting in eerste aanleg geweest. Het horen van [betrokkene 1] is evenmin nodig in het licht van de inhoud van het gehele dossier, de ter terechtzitting besproken eerdere zittingen en de verklaringen van verdachte zoals afgelegd bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep. Het verzoek wordt afgewezen.

De advocaat-generaal leest de vordering voor en legt die aan het hof over.

De advocaat-generaal voert het woord, zakelijk weergegeven:

Verdachte dient niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep te worden verklaard. Hij heeft afstand gedaan van zijn recht om in hoger beroep te gaan ter terechtzitting in eerste aanleg. Gelet op de informatie van de officier van justitie, de rechtbank en het dossier bestaat er bij mij geen twijfel over dat verdachte heeft begrepen wat er besproken is op zitting.

De raadsman voert het woord tot verdediging, zakelijk weergegeven:

Het cruciale punt is dat cliënt geen idee had welke straf hem was opgelegd en niet begreep wat afstand doen van het recht op hoger beroep betekent. De inhoud van de zaak en de zittingsaantekeningen zijn erg beperkt.

De oudste raadsheer merkt op dat verdachte het moet zeggen als hij iets niet begrijpt. De oudste raadsheer merkt op dat verdachte instemmend knikt.

De raadsman voert het woord tot verdediging, zakelijk weergegeven:

Er is geen proces-verbaal van de terechtzitting en de zittingsaantekeningen zijn beperkt. Er wordt niet concreet ingegaan op de herinneringen aan deze zaak, er wordt enkel gezegd dat de officier van justitie zich niets bijzonders kan herinneren. Ik ga ervan uit dat er een tolk wordt geraadpleegd als de situatie dat vereist, maar in dit geval is er slechts een snelle inschatting gemaakt. De zitting in eerste aanleg was vrij kort. Met de gedachte die cliënt had, zou je verwachten dat hij zou reageren wanneer hij een gevangenisstraf in plaats van een boete zou krijgen. Maar dat is niet gebeurd, cliënt heeft ook geen laatste woord gehouden. Ik snap de situatie van cliënt, dat hij de uitspraak voorlegt aan zijn partner en dat hij dan pas door heeft dat er sprake is van gevangenisstraf. Om die reden is het beroep ontvankelijk en dient de getuige te worden gehoord. Ik herhaal mijn eerder gedane verzoek.

Primair verzoek ik om verdachte ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep omdat niet gezegd kan worden dat verdachte het begrepen heeft. Om die reden is het onderzoek in strijd met artikel 6 EVRM.

De oudste raadsheer vraagt mij of in de zaak van mei 2018 alsnog hoger beroep is ingesteld.

Dat is niet het geval.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

Na een korte onderbreking verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

8. Het (uitgewerkte) arrest van het hof dateert van 5 december 2018 en houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

(…)

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 december 2018.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J. Visscher, naar voren is gebracht.

Afwijzen verzoek horen getuige en bespreking verweer

De raadsman heeft verzocht om [betrokkene 1] te horen als getuige nu deze getuige op 29 juni 2018 verdachte heeft vervoerd naar de rechtbank. Deze persoon heeft verdachte na afloop van de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg gesproken, waarbij de verdachte gezegd zou hebben dat hij een geldbedrag moest betalen.

De raadsman wenst deze getuige te horen in het kader van het door hem naar voren gebrachte verweer (zakelijk weergegeven) dat de verdachte ter terechtzitting van de politierechter niet heeft begrepen dat hij tot een vrijheidsstraf was veroordeeld en daarom niet gehouden kan worden aan zijn verklaring ter zitting in eerste aanleg dat hij afstand deed van het recht om in hoger beroep te gaan. Evenmin was hem bekend dat voor beroep tegen een vonnis van de politierechter een termijn van veertien dagen geldt.

Het hof wijst het verzoek van de verdediging om de medegebrachte persoon als getuige te horen af.

Gelet op de volgende omstandigheden valt redelijkerwijs niet aan te nemen dat de verdachte daardoor in zijn verdediging wordt geschaad:

- [betrokkene 1] is niet bij de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 juni 2018 aanwezig geweest en kan aldus niet uit eigen wetenschap verklaren over wat ter terechtzitting is voorgevallen,

- gelet op de inhoud van het dossier, in het bijzonder op de processen-verbaal die door de politie zijn opgemaakt en die de weergave bevatten van de door verdachte op respectievelijk 16 februari 2018 in een andere zaak (parketnummer 96-031797-18) en op 21 maart 2018 (in deze zaak) afgelegde verklaring met betrekking tot de verdenking van strafbare feiten, moet worden geconstateerd dat de verdachte, in elk geval bij die gelegenheden, beschikte over een alleszins redelijke beheersing van de Nederlandse taal,

- in de aantekeningen van de griffier van de zitting van de politierechter van 29 juni 2018 (die aan het dossier zijn toegevoegd en vóór de zitting in hoger beroep aan de raadsman zijn verstrekt) zijn geen aanwijzingen te vinden die erop duiden dat de verdachte ten tijde van de behandeling van deze strafzaak bij de politierechter over te weinig taalvaardigheid beschikte om te begrijpen waar het over ging,

- uit een nadere mail van 3 december 2018 van de zittingsgriffier van 29 juni 2018 blijkt voorts dat de verdachte bij eerdere veroordelingen ook afstand van rechtsmiddelen heeft gedaan en dat op de zitting van 28 mei 2018 (het hof begrijpt uit de justitiële documentatie betreffende de verdachte dat dit de zaak met parketnummer 96-031797-18 is) evenmin een tolk aanwezig is geweest; de verdachte heeft dit ter zitting van het hof bevestigd,

- uit de justitiële documentatie betreffende de verdachte van 1 november 2018 blijkt voorts dat voormelde zaak met parketnummer 96-031797-18 door de politierechter op 28 mei 2018 beslist is en dat deze zaak op die dag onherroepelijk geworden is, hetgeen eveneens door de verdachte ter zitting van het hof bevestigd is,

- gelet op voormeld uittreksel Justitiële Documentatie met betrekking tot de verdachte heeft hij ervaring met politierechterzittingen; op 17 januari 2014 (parketnummer 96-122838-13) heeft verdachte na een veroordeling door de politierechter kennelijk (ook) al eens afstand gedaan van zijn recht om in hoger beroep te gaan, hetgeen de verdachte eveneens ter zitting heeft bevestigd,

- en de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, waaruit naar voren komt dat de verdachte al ongeveer 20 jaar in Nederland verblijft en zich als garagehouder en in privé op zodanig niveau in het Nederlands weet uit te drukken en bovendien mans genoeg is om, als hij iets niet zou begrijpen, nadere uitleg te vragen.

Gelet op de hiervoor opgesomde omstandigheden wordt ook het verweer dat verdachte niet gehouden kan worden aan zijn afstandsverklaring, dan wel de beroepstermijn van 14 dagen, verworpen.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Uit de aantekening mondeling vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingslocatie Utrecht van 29 juni 2018 blijkt dat de verdachte én de officier van justitie ter terechtzitting afstand hebben gedaan van hun recht tegen het vonnis hoger beroep in te stellen.

Verdachte heeft vervolgens alsnog hoger beroep ingesteld op 25 juli 2018.

Voor zover van het recht om in hoger beroep te gaan niet al afstand was gedaan, kan volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het (op tegenspraak gewezen) vonnis hoger beroep worden ingesteld tegen dat vonnis.

Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld.

Om voornoemde redenen zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

(…)

9. Het middel nodigt uit tot het vooropstellen van enkele uitgangspunten. Het proces-verbaal van de terechtzitting is de kenbron bij uitstek van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen.1 Wil de Hoge Raad kunnen nagaan of op de terechtzitting in hoger beroep van de zijde van de verdediging (meer) verweren zijn gevoerd of (meer) uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht (dan genoemd in de bestreden uitspraak), en zo ja welke, dan is het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep dus onmisbaar. Wanneer dit processtuk in het ongerede is geraakt en blijkens ingewonnen informatie niet meer beschikbaar zal komen, is dit verzuim zozeer in strijd met de behoorlijke procesorde dat het in beginsel de nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak met zich brengt.2 Hetzelfde geldt voor de vermissing van de pleitnota (in hoger beroep) ingeval het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep daarnaar verwijst voor de verslaglegging van hetgeen de verdediging aldaar te berde heeft gebracht.3

10. De klacht dat het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg ontbreekt bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden, kan niet slagen indien het vonnis in eerste aanleg door de appelrechter is vernietigd. Dan geldt immers de regel dat in cassatie slechts wordt onderzocht of de uitspraak van de appelrechter en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep in orde zijn.4

11. In deze zaak doet zich evenwel de situatie voor dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep en het vonnis van de eerste rechter in stand is gebleven. Van de terechtzitting in eerste aanleg van 29 juni 2018 is geen proces-verbaal opgemaakt, op de grond dat de verdachte te laat hoger beroep heeft doen instellen. In plaats daarvan heeft het hof – na het inwinnen van informatie – kunnen beschikken over de zittingsaantekeningen van 29 juni 2018 van de griffier in eerste aanleg.

12. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2018 is aldaar door de voorzitter melding gemaakt van de ingekomen stukken, waaronder de genoemde zittingsaantekeningen. Deze zittingsaantekeningen zijn ter inzage overgelegd aan de toenmalige raadsman van de verdachte, mr. Visscher, tevens de indiener van de voorliggende cassatieschriftuur.

13. De in dit proces-verbaal vermelde zittingsaantekeningen van de terechtzitting van 29 juni 2018 ontbreken bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Overeenkomstig artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden heeft de raadsman van de verdachte bij faxbericht van 24 juni 2019 tijdig aan de rolraadsheer verzocht alsnog in het bezit te worden gesteld van een afschrift van deze zittingsaantekeningen. Desgevraagd is namens de voorzitter van het hof bij brief van 9 juli 2019 aan de Hoge Raad bericht dat deze zittingsaantekeningen niet op het hof zijn achtergebleven, noch bij de rechtbank Midden-Nederland terug te vinden zijn. Derhalve moet worden aangenomen dat dit stuk (onherstelbaar) in het ongerede is geraakt.

14. De klacht over het ontbreken van deze zittingsaantekeningen is enigszins ambigue. Als ik het goed begrijp, stelt het middel dat zonder de zittingsaantekeningen in eerste aanleg van 29 juni 2018 niet meer is na te gaan:

(1) of het ter terechtzitting in hoger beroep gedane getuigenverzoek en het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer tot ontvankelijkheid van het appel, op goede gronden is verworpen, en

(2) of (andere) uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht.

15. Op het tweede punt moet het middel in elk geval falen. Voor zover het middel hier namelijk doelt op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in hoger beroep faalt het wegens gebrek aan feitelijke grondslag, nu het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep zich wel bij de stukken bevindt. Voor zover het middel hier wellicht doelt op dergelijke standpunten ingenomen ter terechtzitting in eerste aanleg, faalt het eveneens. Dit omdat (a) er geen raadsman in eerste aanleg aanwezig was, en (b) de verdachte kennelijk zelf geen standpunt – uitdrukkelijk onderbouwd of anderszins – naar voren heeft gebracht met de strekking dat hij het verhandelde ter terechtzitting niet begreep, c.q. de bijstand van een tolk wenste. Hierover heeft het hof de verdachte in hoger beroep immers kunnen bevragen (en ik voeg hier voor het leesgemak het betreffende onderdeel van het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep in):

(…)

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

(…)

Ik heb alleen bij deze zitting een raadsman.

De oudste raadsheer vraagt mij of ik bij de zitting van 29 juni 2018 heb gezegd dat ik niet wist waar het over ging en dat ik een tolk wilde.

Ik dacht toen dat ik het had begrepen.

(…)

16. Voor zover het middel bij het tweede punt nog doelt op het ontbreken van de controlemogelijkheid van de hogere rechter, stuit het af op gemis aan voldoende concreet belang.5

17. Het eerste punt dat de steller van het middel maakt, raakt mijns inziens wel aan het concrete belang van de verdachte bij vernietiging. Door het ontbreken van de zittingsaantekeningen in eerste aanleg zou niet meer zijn na te gaan of het ontvankelijkheidsverweer en het getuigenverzoek in hoger beroep op goede gronden zijn verworpen. Wat zijn dan die gronden? Het arrest van het hof noemt er zeven:

1. de getuige kan niet uit eigen wetenschap verklaren over wat er ter terechtzitting in eerste aanleg is voorgevallen;

2. de politie-processen-verbaal in het dossier wijzen uit dat de verdachte ten tijde van zijn politieverhoren beschikte over een alleszins redelijke beheersing van de Nederlandse taal;

3. in de zittingsaantekeningen van de griffier van de zitting van 29 juni 2018 zijn geen aanwijzingen te vinden die erop duiden dat de verdachte ten tijde van de behandeling van de strafzaak bij de politierechter over te weinig taalvaardigheid beschikte om te begrijpen waar het over ging;

4. uit informatie van de zittingsgriffier in eerste aanleg volgt dat de verdachte bij eerdere veroordelingen ook afstand van rechtsmiddelen heeft gedaan en dat op een andere politierechterzitting evenmin een tolk aanwezig is geweest, wat door de verdachte in hoger beroep is bevestigd;

5. uit de justitiële documentatie betreffende de verdachte volgt dat in voormelde andere politierechterzaak op de zittingsdag beslist is en die zaak daarmee onherroepelijk is geworden, wat eveneens door de verdachte in hoger beroep is bevestigd;

6. uit diezelfde justitiële documentatie volgt dat de verdachte ervaring heeft met politierechterzittingen en in weer een andere politierechterzaak ook al eens afstand heeft gedaan van zijn recht op in hoger beroep te gaan, eveneens door de verdachte in hoger beroep bevestigd;

7. uit de verklaring van de verdachte in hoger beroep volgt dat hij al circa twintig jaar in Nederland verblijft, zich als garagehouder en in privé op zodanig niveau in het Nederlands weet uit te drukken, en bovendien mans genoeg is om, als hij iets niet zou begrijpen, nadere uitleg te vragen.

18. Van deze zeven gronden is de derde grond niet meer na te gaan nu de gewraakte griffiersaantekeningen van de zitting van 29 juni 2018 bij de stukken bij de Hoge Raad ontbreken. Constitueert dat nu een voldoende concreet belang voor de verdachte bij vernietiging, zoals het middel wil? Ik meen van niet. Ook zonder de zittingsaantekeningen lagen er voldoende feiten en omstandigheden op tafel waaruit het hof heeft kunnen afleiden dat de verdachte de Nederlandse taal voldoende machtig was om (1) het verhandelde op de zitting in eerste aanleg van 29 juni 2018 te kunnen begrijpen, om (2) nadere uitleg te vragen als hem iets niet duidelijk was ter zitting, alsmede om (3) te weten wat het doen van afstand van hoger beroep inhoudt. De ontbrekende zittingsaantekeningen zijn voor deze beoordeling niet essentieel.

19. Daarbij verdient nog opmerking dat de griffiersaantekeningen van 29 juni 2018 het hof kennelijk geen enkele aanleiding gaven om aan te nemen dat de verdachte ten tijde van de behandeling van de strafzaak bij de politierechter over te weinig taalvaardigheid beschikte om te begrijpen waar het over ging. De raadsman in hoger beroep heeft ter zitting ook geen concrete passage(s) uit deze aantekeningen van 29 juni 2018 aangehaald waaruit het tegendeel zou moeten blijken. Alleen het kale argument in cassatie, inhoudende dat er op de zitting in eerste aanleg wellicht iets aangevoerd of voorgevallen is dat zou kunnen wijzen op een mogelijke taalbarrière en dat dat nu niet meer te controleren is – het algemene belang van de controlemogelijkheid –, constitueert, zoals gezegd, niet een voldoende concreet belang bij vernietiging.6

20. Het middel faalt.

21. Het derde middel klaagt dat het oordeel van het hof, inhoudende dat de verdachte door het afwijzen van het verzoek de meegebrachte getuige [betrokkene 1] te horen, redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad, onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is.

22. Zowel de verdediging als het hof heeft het verzoek tot het horen van de getuige c.q. de afwijzing daarvan, in de sleutel van de vraag naar de ontvankelijkheid van de verdachte in zijn hoger beroep gezet. Voor de motivering van het verzoek alsmede de afwijzing door het hof verwijs ik naar de onder punt 7 en 8 van deze conclusie geciteerde passages uit het proces-verbaal ter terechtzitting van 5 december 2018 en het bestreden arrest van die datum.

23. De vragen waarvoor het hof zich daarbij gesteld zag waren:

(1) of de verdachte ten tijde van de terechtzitting in eerste aanleg van 29 juni 2018 wel heeft begrepen dat hij tot een vrijheidsstraf was veroordeeld en gehouden kan worden aan zijn afstandsverklaring op die zitting;

(2) of de verdachte wist dat voor beroep tegen het vonnis van de politierechter een beroepstermijn van veertien dagen geldt.

24. De verdediging heeft deze vragen ontkennend, het hof bevestigend beantwoord. Van doorslaggevend belang hierbij is de vraag of verdachtes kennis van het Nederlands en van politierechterprocedures voldoende was ten tijde van de behandeling in eerste aanleg. De verdediging heeft het verweer en het getuigenverzoek immers hierop ingestoken (en ik citeer):

Als cliënt geen woord Nederlands had gesproken, hadden we hier niet gestaan. Het is een grensgeval. Eenvoudige vragen kan hij in het Nederlands beantwoorden. Essentiële onderdelen van de strafzaak, zoals de eis van de officier van justitie of het doen van afstand, moet hij dan wel begrijpen. Dat heeft hij echter niet begrepen. (…)

25. Voor de beantwoording van de vraag naar de taalvaardigheid en procedurekennis bij de verdachte heeft het hof niet alleen naar de huidige strafzaak tegen verdachte gekeken, maar bij zijn oordeel eveneens andere omstandigheden betrokken, zoals uiteengezet in het bestreden arrest. Deze benadering is geenszins onbegrijpelijk nu er, wegens het ontbreken van een zittingsproces-verbaal, slechts beperkt zicht is op de gang van zaken op de terechtzitting in eerste aanleg.7

26. Bovendien zijn (een redelijke) beheersing van de Nederlandse taal en kennis van strafprocedures nu eenmaal geen omstandigheden die de ene keer wel, maar een andere keer niet aanwezig zijn. Anders geformuleerd: je beheerst een taal wel of niet (voldoende); je weet wel of niet hoe een procedure in elkaar steekt. Dat zou alleen anders kunnen zijn indien moet worden aangenomen dat de kennis en taalvaardigheid van de verdachte tussen de zitting in eerste aanleg en die in hoger beroep drastisch is toegenomen. Dat is echter gesteld, noch gebleken.

27. Het hof is op basis van de door hem gewogen omstandigheden tot het niet-onbegrijpelijke oordeel gekomen dat ook in de voorliggende zaak de kennis van het Nederlands en van het verloop van strafprocedures (inclusief het afstand doen van het recht op hoger beroep) bij de verdachte voldoende moet zijn geweest. De verdachte moet derhalve hebben begrepen welke straf hem werd opgelegd en wat het doen van afstand van rechtsmiddelen inhield.

28. Dit vindt bevestiging in verdachtes verklaringen op de zitting bij het hof, die ik hier voor het leesgemak invoeg:

"(…)

De oudste raadsheer vraagt mij of ik bij de zitting van 29 juni 2018 heb gezegd dat ik niet wist waar het over ging en dat ik een tolk wilde.

Ik dacht toen dat ik het had begrepen. Ik heb het ook aan [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) verteld toen. De brief die ik kreeg waar de uitspraak in stond was in het Nederlands.

Toen ik naar de zitting in mei 2018 ging, dacht ik dat het ging over een geldboete en een taakstraf. Ze zeiden dat ik onder invloed had gereden, maar ik reed niet. Ik zat achter het stuur bij een benzinestation. Ik had niet gekeken wat er in de oproeping stond, ik heb alleen naar de datum gekeken en ben toen naar de zitting gegaan zonder dat ik wist waarover ik zou gaan spreken.

Ik dacht dat het over hetzelfde zou gaan. De afgelopen vijf jaar ben ik bijna niet weggeweest vanuit de garage, alleen van mijn huis naar de garage.

In 2014 ben ik twee keer met de politie in aanraking gekomen. Ik accepteerde toen ook mijn straf, ik had ook alcohol gedronken. Het behouden van mijn rijbewijs is van zeer groot belang. Ik begreep waar het over ging bij de politierechter. Het klopt dat ik toen ook afstand heb gedaan van het hoger beroep.

(…)

Ik heb een EMA-cursus gedaan. Die cursus heb ik in het Nederlands gevolgd. Omdat er veel persoonlijk aandacht was van de docent, begreep ik het.

(…)

29. Cruciaal is mijns inziens dat de verdachte tegenover het hof heeft verklaard dat hij ter terechtzitting in eerste aanleg dacht dat hij het had begrepen, en dat hij in eerdere procedures, eveneens alcoholzaken, begreep waarover het ging bij de politierechter, zijn straf toen heeft geaccepteerd en daarbij ook afstand heeft gedaan van zijn recht om in hoger beroep te gaan. Ook de EMA-cursus in het Nederlands leverde kennelijk geen problemen op.

30. Tegen deze achtergrond is ook het oordeel van het hof, dat door het niet horen van getuige [betrokkene 1] de verdachte niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad, niet onbegrijpelijk.8

31. Juist omdat taalvaardigheid en begrip van politierechterprocedures nu eenmaal geen van zaak tot zaak veranderende factoren zijn, mocht het hof – in weerwil van wat het middel wil – andere (eerdere) strafzaken, de afgenomen politieverhoren, alsmede de verstrekte informatie van de griffier en de officier van justitie in eerste aanleg, in de onderhavige zaak in zijn oordeel betrekken. De taalvaardigheden en het begrip bij de verdachte van politierechterprocedures zijn keer op keer als voldoende beoordeeld. Een eventuele verklaring van de getuige strekkende tot het tegendeel kan daaraan weinig afdoen en was derhalve niet van doorslaggevend belang te achten.

32. Het middel faalt.

33. Het tweede middel behelst de klacht dat de meervoudige kamer van het hof, in strijd met de wet, ter terechtzitting van 5 december 2018 (aanvankelijk) mondeling arrest heeft gewezen en na de zitting (tevens) een schriftelijk arrest d.d. 5 december 2018 heeft doen opmaken en ondertekenen, welk laatste arrest niet in het openbaar is uitgesproken. De steller van het middel verbindt daaraan de conclusie dat dit verzuim zozeer strijdt met een behoorlijke procesorde, dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak moet meebrengen.

34. In de toelichting op het middel wordt achtereenvolgens uiteengezet:

- dat de meervoudige kamer van het hof direct na de behandeling en sluiting van het onderzoek op 5 december 2018 mondeling arrest heeft gewezen;

- dat pas enkele weken na de zitting, op 21 december 2018, aan de raadsman van de verdachte een schriftelijk arrest d.d. 5 december 2018 is toegezonden;

- dat het toegezonden schriftelijk arrest een andere, en veel uitvoeriger motivering bevatte dan de motivering die op de zitting van 5 december 2018 is uitgesproken;

- dat aldus in eerste instantie sprake is van het wijzen van een mondeling arrest d.d. 5 december 2018 en een nadien afwijkend en later opgemaakt schriftelijk arrest d.d. 5 december 2018, wat niet in het openbaar is uitgesproken;

- dat de wet geen voorziening kent waarbij de meervoudige kamer van het gerechtshof mondeling arrest kan wijzen;

- dat aldus sprake is van het wijzen van arrest in strijd met de wet;

- en dat een en ander niet kan worden hersteld door het nadien op schrift stellen van een (veel) uitvoeriger en afwijkend arrest dat niet in het openbaar is uitgesproken.

35. Het middel berust mijns inziens op een verkeerde lezing van het arrest van het hof en ontbeert daarmee feitelijke grondslag. Ik leg dat uit.

36. De voorliggende casus is goeddeels te vergelijken met die van ECLI:NL:HR:2017:3214, waarvoor mijn voormalige ambtgenoot Knigge de conclusie schreef.9 Hij vond in het derde middel in die zaak aanleiding om enkele opmerkingen te maken over de eisen die gelden als de rechtbank of het hof op de voet van artikel 345 lid 1 Sv ‘aanstonds’ uitspraak doet. De steller van het middel voert een passage van deze conclusie aan ter onderbouwing van zijn klacht dat de handelwijze van het hof strijdig is met de wet. Ik moet evenwel constateren dat de steller zich bedient van een wel heel beperkte, en daarmee onjuiste lezing van (ook) deze conclusie.

37. De steller haalt uit voornoemde conclusie de volgende passage aan (punt 3.6):

(…)

3.6.

Het ‘aanstonds’ uitspraak doen waarin art. 345 lid 1 Sv voorziet, moet worden onderscheiden van het mondeling uitspreken van het vonnis of arrest door de alleensprekende rechter (ik noem de politierechter of de kantonrechter in eerste aanleg en de enkelvoudige kamer van het hof in hoger beroep). De hoofdregel die uit de Vierde Afdeling van Titel VI van Boek III kan worden afgeleid, is dat schriftelijk vonnis wordt gewezen. De mogelijkheid om in bij de wet bepaalde gevallen mondeling uitspraak te doen, vormt een uitzondering op die regel. Als mondeling uitspraak wordt gedaan, blijft een schriftelijk vonnis achterwege. De uitspraak wordt aangetekend in een stuk dat aan het dubbel van de dagvaarding wordt gehecht (zgn. stempelvonnis) of aangetekend in het proces-verbaal van de zitting. (…)

38. Hoe de steller van het middel uit (slechts) deze passage heeft kunnen afleiden dat er in de onderhavige zaak sprake is van het in strijd met de wet wijzen van een mondeling arrest door de meervoudige kamer van het hof, welk verzuim het hof vervolgens zou hebben geprobeerd te herstellen door het nadien op schrift stellen van een (veel) uitvoeriger en afwijkend arrest wat niet in het openbaar is uitgesproken, vermag ik niet in te zien.

39. Een en ander wordt duidelijk bij verdere bestudering van de conclusie. Punt 3.6 loopt namelijk nog verder door. Bovendien is (het vervolg van) deze conclusie zeer verhelderend wanneer men de uiteenzetting over de varianten waarin een vonnis of arrest kan worden gewezen in zijn geheel beschouwt. Het gaat dan om de punten 3.4 tot en met 3.12:10

(…)

3.4.

Art. 345 Sv, dat ook in hoger beroep van toepassing is, luidt voor zover hier van belang:

1. Na afloop van het onderzoek wordt dit door den voorzitter gesloten verklaard en wordt hetzij aanstonds de uitspraak gedaan, hetzij door den voorzitter mondeling medegedeeld, wanneer zij, volgens de bepaling der rechtbank zal plaats vinden.

(…)

3. In geen geval mag de uitspraak later plaats vinden dan op den veertienden dag na de sluiting van het onderzoek. Daarbij kan volstaan worden met het uitspreken van een verkort vonnis.

Art. 365 lid 1 Sv, dat eveneens ook in hoger beroep van toepassing is, luidt:

Het vonnis wordt binnen tweemaal vier en twintig uren na de uitspraak ondertekend door de rechters die over de zaak hebben geoordeeld en door den griffier die bij de beraadslaging tegenwoordig is geweest.

3.5.

De mogelijkheid die art. 345 lid 1 Sv biedt om ‘aanstonds’ uitspraak te doen, wordt in de praktijk wel benut in gevallen waarin de verdachte wordt vrijgesproken, in het bijzonder als die verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt. De wet maakt echter geen onderscheid, zodat ook andere einduitspraken ‘aanstonds’ kunnen worden gedaan. Een reden om een veroordelend vonnis aanstonds uit te spreken, zou kunnen zijn om een aansluitende tenuitvoerlegging met andere veroordelingen mogelijk te maken. Een andere denkbare reden is ‘pedagogisch’ van aard: de rechtbank kan het van belang achten dat de verdacht[e], die mogelijk niet zal terugkomen voor de uitspraak, de motivering van in het bijzonder de straf aanhoort.

3.6.

Het ‘aanstonds’ uitspraak doen waarin art. 345 lid 1 Sv voorziet, moet worden onderscheiden van het mondeling uitspreken van het vonnis of arrest door de alleensprekende rechter (ik noem de politierechter of de kantonrechter in eerste aanleg en de enkelvoudige kamer van het hof in hoger beroep). De hoofdregel die uit de Vierde Afdeling van Titel VI van Boek III kan worden afgeleid, is dat schriftelijk vonnis wordt gewezen. De mogelijkheid om in bij de wet bepaalde gevallen mondeling uitspraak te doen, vormt een uitzondering op die regel. Als mondeling uitspraak wordt gedaan, blijft een schriftelijk vonnis achterwege. De uitspraak wordt aangetekend in een stuk dat aan het dubbel van de dagvaarding wordt gehecht (zgn. stempelvonnis) of aangetekend in het proces-verbaal van de zitting. In theorie kan misschien worden volgehouden dat (voor zover de wet niet anders bepaalt) het vonnis zoals dat mondeling wordt uitgesproken, moet voldoen aan alle eisen die de artt. 357 Sv e.v. aan een schriftelijk vonnis stellen, maar de praktijk is toch een andere. Het komt zelden of nooit voor dat de bewijsmotivering die is vervat in de aantekening van het mondelinge vonnis in het proces-verbaal van de zitting, op die wijze door de politierechter is uitgesproken. Ik denk dat het ook moeilijk anders kan en dat het dus een overspanning van de rechtseis zou betekenen als werkelijk geëist wordt dat de tekst die de politierechter uitspreekt, beantwoordt aan alle eisen die aan een schriftelijk vonnis worden gesteld. Iets anders is dat er geen wezenlijke verschillen mogen zijn tussen de aantekening van het vonnis en het uitgesproken vonnis. Aanvullen mag, veranderen niet.

3.7.

De mogelijkheid die art. 345 lid 1 Sv biedt om aanstonds uitspraak te doen, moet ook worden onderscheiden van de mogelijkheid die art. 283 Sv de rechtbank biedt om zonder onderzoek van de zaak zelf de nietigheid van de dagvaarding, de onbevoegdheid van de rechtbank of de niet-ontvankelijkheid van de OvJ uit te spreken. De beraadslaging die aan een dergelijke, op art. 283 Sv gebaseerde einduitspraak voorafgaat, vindt niet plaats na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting. Volgens art. 283 lid 4 Sv gaat de rechtbank ingeval van een preliminair verweer, na de procespartijen te hebben gehoord, tot beraadslaging over en doet zij vervolgens uitspraak over het gevoerde verweer. Als het verweer ongegrond wordt bevonden, wordt, zo bepaalt art. 283 lid 5 Sv, het onderzoek onmiddellijk voortgezet. Een sluiting van dat onderzoek heeft dus niet plaatsgevonden, niet voorafgaand aan de beraadslaging en ook niet voorafgaand aan de uitspraak. Dat laatste geldt naar ik aanneem ook als het verweer wel gegrond wordt bevonden en de beraadslaging dus resulteert in een einduitspraak. Dat betekent dat het onderzoek ter terechtzitting gesloten wordt nadat de einduitspraak is gedaan. Dat is een verschil met art. 345 lid 1 Sv.

3.8.

Dit verschil maakt dat de wet niet (expliciet) voorschrijft aan welke eisen een op art. 283 Sv gebaseerde einduitspraak moet voldoen. Van een beraadslaging waarop art. 348 Sv betrekking heeft (dat is een beraadslaging die na de sluiting van het onderzoek op de zitting plaatsvindt), is strikt genomen geen sprake, zodat ook geen sprake is van een geval als bedoeld in art. 349 lid 1 Sv waarop art. 358 lid 1 Sv betrekking heeft. Op grond van de tekst van de wet zou dus verdedigd kunnen worden dat motivering van de einduitspraak niet is voorgeschreven en dat met de vermelding van de beslissing in het proces-verbaal van de terechtzitting kan worden volstaan. De Hoge Raad heeft echter anders beslist. Hij oordeelde “dat einduitspraken in den zin van art. 138 Sv (…) buiten de gevallen waarin de Wet zulks toestaat, niet mondeling kunnen worden gedaan, doch dienen te worden vervat in een vonnis, beantwoordende aan de daaraan in den zesden titel van het tweede boek van genoemd wetboek gestelde vereisten”. Ook ingeval van een einduitspraak die op art. 283 Sv is gebaseerd, moet dus een aan de eisen van art. 357 Sv e.v. beantwoordend schriftelijk vonnis worden gewezen. Het bijzondere daarbij is dat dit schriftelijke vonnis wordt uitgesproken voordat het op schrift is gesteld.

3.9.

De vraag is hoe het ‘aanstonds’ uitspreken van het vonnis op grond van art. 345 lid 1 Sv zich verhoudt tot de beraadslagingsvoorschriften van de artt. 348 en 350 Sv en tot het vereiste van een schriftelijk vonnis dat voldoet aan het bepaalde in de artt. 357 Sv e.v. Geldt ook ingeval van een aanstonds uitgesproken vonnis dat de voorafgaande beraadslaging dient plaats te vinden na de sluiting van het onderzoek op de zitting en dat het vonnis op schrift moet zijn gesteld voordat het wordt uitgesproken? Blok en Besier lijken beide vragen bevestigend te beantwoorden. Omdat aan de uitspraak “uit den aard der zaak de beraadslaging vooraf behoort te gaan, “alsmede het opstellen van het vonnis”, moet het begrip ‘aanstonds’ volgens hen niet in al te letterlijke zin worden opgevat. Het zal intussen niet steeds nodig zijn, zo voegen zij daaraan toe, dat de terechtzitting hiervoor wordt geschorst en dat de rechtbank zich in raadkamer terugtrekt. In “zéér eenvoudige zaken” achten zij het mogelijk dat de leden van de rechtbank “ter terechtzitting even overleg plegen en dat het vonnis, dat eerst later in het net geschreven en onderteekend behoeft te worden (art. 365), ter plaatse wordt samengesteld met gebruikmaking van een voorhanden formulier en van de gemaakte aanteekeningen betreffende hetgeen het onderzoek heeft opgeleverd”.

3.10.

Wat de voorafgaande beraadslaging betreft, behoeft naar ik meen niet strikt vast gehouden te worden aan het uitgangspunt dat de beraadslaging eerst na de sluiting van het onderzoek op de zitting plaatsvindt. Ik acht het niet per se onjuist als al op een eerder moment in voorlopige zin is beraadslaagd over de mogelijkheid om, afhankelijk van de resultaten van het onderzoek op de zitting, vervroegd uitspraak te doen. Meer dan een verkennende bespreking zal dat echter niet mogen zijn. De fundamentele eis dat beraadslaagd wordt naar aanleiding van het onderzoek op de zitting brengt mee dat de uiteindelijk besluitvorming moet plaatsvinden nadat dit onderzoek in zijn geheel is afgerond. In de onderhavige zaak heeft het hof nadat de verdachte het laatste woord heeft gehad, het onderzoek op de terechtzitting geschorst en na een korte tijd weer hervat. Daarna werd het onderzoek gesloten en deelde de voorzitter mee dat de uitspraak “volgens de beslissing van het hof” ter terechtzitting van heden zal plaatsvinden, waarna de voorzitter het arrest uitsprak. Het kan ervoor gehouden worden dat de beraadslaging in dit geval plaatsvond vóór de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting. Nu die beraadslaging plaatsvond nadat de verdachte het laatste woord was gelaten, meen ik dat de handelwijze van het hof niet indruist tegen enig fundamenteel beginsel van strafprocesrecht en daarom in elk geval niet een verzuim oplevert dat tot cassatie zou moeten leiden. Ik meen zelfs dat er, nu de door het hof gevolgde werkwijze praktisch gezien het minste gedoe oplevert, geen reden is om die werkwijze in strijd met het recht te oordelen.

3.11.

Ook zie ik, anders dan Blok en Besier, geen reden om te eisen dat de inhoud van het schriftelijke vonnis dat wordt uitgesproken al ten tijde van de uitspraak op papier staat, zodat dat vonnis alleen nog maar in het net behoeft te worden overgeschreven. De eis van een schriftelijk vonnis brengt niet noodzakelijk met zich mee dat dit vonnis vóór de uitspraak op schrift is gesteld, zo leert de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot art. 283 Sv. Het uitgangspunt is weliswaar dat het vonnis wordt uitgeschreven voordat het wordt uitgesproken, maar art. 345 lid 1 Sv legitimeert mijns inziens dat van dit uitgangspunt wordt afgeweken. Ik merk daarbij op dat tegenwoordig hogere eisen aan de motivering van een vonnis worden gesteld dan het geval was ten tijde van het verschijnen van de commentaar van Blok en Besier. Dat geldt ook voor de motivering van een vrijspraak. Tegenwoordig wordt meer dan vroeger onderkend dat het openbaar ministerie, het slachtoffer en de samenleving aanspraak hebben op uitleg, met als gevolg dat in veel gevallen niet meer wordt volstaan met de standaardoverweging dat de rechtbank het wettig en overtuigend bewijs niet geleverd acht. Het zou jammer zijn als deze ontwikkeling het in feite onmogelijk maakt om aanstonds uitspraak te doen, zeker in gevallen waarin de verdachte voorlopig gehecht is. Ik merk ook op dat het uitspreken van het vonnis niet impliceert dat het gehele vonnis wordt voorgelezen. Doorgaans wordt met het dictum volstaan. Ook zo gezien is het dus niet nodig dat het hele vonnis op papier staat voordat het wordt uitgesproken. Ik merk ten slotte op dat de professionaliteit van de rechter een voldoende waarborg vormt dat hetgeen de voorzitter aan beslissing en motivering uitspreekt, gedragen wordt door de beraadslaging die daar direct aan is voorafgegaan. De eis van art. 365 lid 1 Sv dat het schriftelijke vonnis binnen twee maal vierentwintig uur moet worden ondertekend, een eis die ook geldt als aanstonds uitspraak is gedaan, vormt daarbij een extra waarborg dat het op schrift gestelde vonnis inhoudelijk niet afwijkt van hetgeen is uitgesproken.

3.12.

Het schriftelijke vonnis dat moet worden opgemaakt nadat aanstonds uitspraak is gedaan, moet voldoen aan de eisen die de wet aan een (al dan niet verkort) vonnis stelt. Dat betekent onder meer dat een dergelijk vonnis de strafmotivering moet bevatten. Het is op dit punt dat het verkorte arrest in de onderhavige zaak tekortschiet. In het arrest wordt verwezen naar een passage in het proces-verbaal van de terechtzitting die als ingelast en herhaald zou moeten worden beschouwd. Een wettelijke grondslag voor die werkwijze ontbreekt. Het is het hof toegestaan om gedeelten van het vernietigde vonnis dat in eerste aanleg is gewezen, in zijn arrest over te nemen (art. 423 lid 3 Sv). Het is de alleensprekende rechter (de politierechter, de kantonrechter en de unus in hoger beroep) onder meer toegestaan om bij de aantekening van het mondelinge vonnis in het proces-verbaal van de zitting wat de inhoud van de bewijsmiddelen betreft te verwijzen naar het proces-verbaal van de zitting en naar andere processtukken. Deze uitzonderlijke voorzieningen zijn hier niet van toepassing. Voor het hof gold derhalve de normale regel dat de vereiste motivering in het arrest zelf moet worden opgenomen. Die regel voorkomt dat de redenen die de straf hebben bepaald alleen gekend kunnen worden door raadpleging van verschillende processtukken die in onderling verband moeten worden beschouwd en geïnterpreteerd. De motivering moet geen zoekplaatje worden.

(…)

40. Tegen de achtergrond van deze uiteenzetting van Knigge is duidelijk dat in de onderhavige zaak:

- het hof wel degelijk aanstonds uitspraak heeft gedaan als bedoeld in artikel 345 lid 1 Sv (vergelijk de laatste passages van het proces-verbaal van de zitting van 5 december 2018, opgenomen onder punt 6 van deze conclusie), en het hof dus niet mondeling arrest heeft gewezen (het is óf het één, óf het ander);

- niet bepalend is of ten tijde van de uitspraak het arrest reeds op schrift was gesteld: het uitgangspunt is weliswaar dat het vonnis wordt uitgeschreven voordat het wordt uitgesproken, maar artikel 345 lid 1 Sv laat toe dat van dit uitgangspunt wordt afgeweken;11

- het schriftelijke arrest (dat moet worden opgemaakt nadat aanstonds uitspraak is gedaan) een veel uitvoeriger motivering mocht bevatten: het uitspreken van het arrest impliceert immers niet dat het gehele arrest wordt voorgelezen, en in die zin kan het schriftelijke arrest dus afwijken van wat er op de zitting is uitgesproken.12

41. Dan blijft over de (deel)klacht dat het hof pas enkele weken na de zitting van 5 december 2018, te weten op 21 december 2018, het schriftelijk arrest aan de raadsman van de verdachte heeft doen toekomen, terwijl artikel 365 lid 1 Sv13 voorschrijft dat het arrest binnen tweemaal vierentwintig uren na de uitspraak wordt ondertekend.

42. Hier geldt evenwel dat de wet geen nietigheid verbindt aan het verzuim van tijdige ondertekening van het reeds uitgesproken arrest en dat in de jurisprudentie deze nietigheid ook nimmer is aangenomen.14

43. Het middel faalt.

44. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

45. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8867; HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219; HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393; HR 13 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9111. Zie bovendien A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2018, p. 164-177.

2 Vgl. onder meer HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8142; HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1766; HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:80, en HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:737.

3 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2018, p. 71; HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1319.

4 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2018, p. 189, en zie de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Knigge van 29 november 2005, ECLI:NL:PHR:2006:AU8047, waaruit ik citeer: “Het Hof heeft arrest gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van het Hof van 6 oktober 2004 en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank, voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen, vernietigd. Voor zover het middel betoogt dat de onderzoeken ter terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2003, 2 maart 2004 en 16 juni 2004 nietig zijn, ziet het eraan voorbij dat 's Hofs arrest niet naar aanleiding van die onderzoeken is gewezen, en kan het in zoverre reeds daarom niet tot cassatie leiden. Voor de beoordeling van het middel voor het overige heeft te gelden dat wanneer het vonnis in eerste aanleg door de appèlrechter is vernietigd, in cassatie slechts wordt onderzocht of de uitspraak van de appèlrechter en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep in orde zijn.” HR 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8047 (81 RO).

5 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8903, NJ 2002/448.

6 Zie noot 5.

7 Dit laatste werd ook aangevoerd door de verdediging.

8 Wellicht ten overvloede: het hof heeft bij de beoordeling van het verzoek de meegebrachte getuige te horen de juiste maatstaf – die van het verdedigingsbelang – aangelegd. Zie HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. Kooijmans, en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, NJ 2017/441 m.nt. Kooijmans.

9 HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3214, met conclusie van 7 november 2017.

10 Hier overgenomen zonder de voetnoten.

11 Aldus Knigge in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2017:1385 (HR: 81 RO).

12 Ik lees de opmerkingen van de steller van het middel dan ook zo dat dit de ‘afwijking’ is waarop hij doelt.

13 Via de schakelbepaling van artikel 415 Sv geldt artikel 365 lid 1 Sv over de ondertekening van het vonnis eveneens voor arresten in hoger beroep.

14 Zie G.K. Schoep, in: T&C Strafvordering, Kluwer online, actueel tot en met 11 mei 2020, aant. 2 bij art. 365, en HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2961, NJ 2002/233 met de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Wortel, die onder punt 35 schrijft: “De omstandigheid dat een proces-verbaal der terechtzitting buiten de in art. 327 juncto art. 365, eerste lid, Sv bedoelde termijn van twee maal vierentwintig uur na het uitspreken van het vonnis is vastgesteld ontneemt daaraan niet de rechtskracht die een dergelijk proces-verbaal heeft.
In dit verband moet worden vooropgesteld dat de wet aan overschrijding van deze termijn geen nietigheid verbindt. Daar is bewust voor gekozen. Aanvankelijk was die sanctie in het ontwerp van het Wetboek van Strafvordering voorzien, maar zij is op aandrang van de Raad van State en de Tweede Kamer daaruit verwijderd. De wetgever heeft er rekening mee willen houden dat de druk van een te grote werklast tot gevolg kan hebben dat de termijn wordt overschreden, vgl. Melai, Wetboek van Strafvordering, art. 365, aant. 3 (suppl. 62).
In de rechtspraak is niet aanvaard dat aan overschrijding van deze termijn substantiële nietigheid verbonden moet worden, vgl. HR NJ 1981, 367.”