Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:869

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-06-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
19/03454
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1514
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag tegen beslag, art. 552a en 116.3 Sv. Ontvankelijkheid klager in klaagschrift. Teruggave aan iemand anders dan klager/beslagene. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat geen toepassing is gegeven aan art. 116.3 Sv. Onder deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat het beklag het rechtskarakter heeft van een beklag omtrent het voornemen van de ovj om in afwijking van de hoofdregel van art. 116 Sv het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan de beslagene (klager) te doen teruggeven, alsof deze teruggave nog niet had plaatsgevonden (vgl. ECLI:NL:HR:1996:AD2480). De rb heeft dit miskend. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 19/03452.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03454 B

Zitting 30 juni 2020

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[klager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de klager.

1. De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft de klager bij beschikking van 18 juli 2019 niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag gericht tegen de inbeslagneming onder hem1 van een auto (Mercedes A180 met Bulgaars kenteken [kenteken]) en de zich daarin bevindende goederen (start-en sleepkabels, boodschappen, spullen van de Action, spullen van zijn kinderen en een compressor).2

2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/03452B. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1.

Het middel klaagt dat de Rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beklag.

4.2.

De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“De procedure

Uit het politiedossier blijkt dat op 13 maart 2019 in beslag is genomen een Mercedes A180 met Bulgaars kenteken [kenteken]. Klager was bestuurder van deze auto.

Op 22 mei 2019 is bij deze rechtbank binnengekomen het klaagschrift van klager ingevolge artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, welk klaagschrift betrekking heeft op de in beslag genomen auto en op verschillende goederen die zich in de auto zouden bevinden, te weten start- en sleepkabels, boodschappen, spullen van de Action, spullen van klagers kinderen en een compressor.


Het onderzoek in raadkamer

Ter zitting van 20 juni 2019 is de zaak aangehouden om nadere informatie van de politie te krijgen. Klager werd gevraagd zijn standpunt, dat hij rechthebbende van de auto is, nader te onderbouwen.

In openbare raadkamer van 18 juli 2019 zijn gehoord:

- mr. S. van Minderhout, ter vervanging van mr. A.W.A.P. Doesburg;

- de officier van justitie.

De raadkamer deelt mee dat er twee aanvullende processen-verbaal van politie zijn binnengekomen, waaruit blijkt dat de Mercedes, met de zich daarin bevindende goederen, door tussenkomst van bureau “Sirene”, reeds is teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde een in Bulgarije gevestigd autobedrijf [A].

Het standpunt van klager

In het klaagschrift heeft klager zich op het standpunt gesteld dat de onder klager inbeslaggenomen goederen aan hem moeten worden geretourneerd. Daartoe, is, kort samengevat, aangevoerd dat klager rechthebbende van de auto en de zich daarin bevindende goederen is. De goederen heeft klager niet door enige strafbaar feit verkregen of onttrokken aan de rechthebbende. Klager wordt bezwaard door de inbeslagneming en het voortduren daarvan, nu hij niet vrijelijk over de goederen kan beschikken. Naar het oordeel van klager verzet het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave, nu immers de desbetreffende strafzaak tegen hem is geseponeerd.

Ter zitting heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de raadkamer.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat de Mercedes, met de zich daarin bevindende goederen, reeds is teruggegeven aan de rechthebbende, te weten een leasemaatschappij in Bulgarije. Het klaagschrift dient derhalve ongegrond verklaard te worden.

De beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend.

In een procedure als deze toetst de raadkamer de rechtmatigheid van het beslag en slechts marginaal het belang van een rechtens juiste en zorgvuldige strafvordering. De raadkamer overweegt voorts dat in het kader van deze raadkamerprocedure op basis van een klacht ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek, gelet op de aard van die procedure, niet anders dan summier kan zijn.

Het is niet komen vast te staan dat het beslag onrechtmatig is.

Uit de aanvullende processen-verbaal is komen vast te staan dat de Mercedes, met de zich daarin bevindende goederen, door tussenkomst van bureau “Sirene”, is teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde een in Bulgarije gevestigd autobedrijf. Ingevolge artikel 134, lid 2, Sv wordt het beslag beëindigd doordat het inbeslaggenomen voorwerp wordt teruggegeven. Door de teruggave van de auto is het beslag derhalve beëindigd. Nu er geen beslag meer ligt, dient klager niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn klaagschrift. Dit geldt ook voor de goederen die zich volgens klager in de auto bevonden.

De raadkamer zal daarom beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.

De beslissing

De raadkamer

verklaart klager niet-ontvankelijk in het klaagschrift.”

4.3.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de klager ontvankelijk is in zijn beklag, omdat de auto is teruggegeven aan een ander dan de beslagene (klager), terwijl art. 116, derde lid, Sv niet is toegepast, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het beklag het rechtskarakter heeft van een beklag omtrent het voornemen van de officier van justitie om in afwijking van de hoofdregel van art. 116 Sv het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan de beslagene te doen teruggeven, alsof die teruggave nog niet had plaatsgevonden.

4.4.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat de auto - met de zich daarin bevindende goederen - waarvan door de klager de teruggave is verzocht op 13 maart 2019 in beslag is genomen en dat klager de bestuurder van deze auto was.3 Uit eerdergenoemd mutatierapport volgt dat de klager in deze de beslagene is. Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat uit de door de politie opgestelde aanvullende processen-verbaal blijkt dat de auto door tussenkomst van bureau “Sirene”, is teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde een in Bulgarije gevestigd autobedrijf ([A]). Genoemde aanvullende processen-verbaal bevinden zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Uit het aanvullende proces-verbaal d.d. 10 juli 2019 (PL0600-2019111461-23) blijkt dat de auto op 26 maart 2019 is overgedragen aan een speciaal naar Nederland afgereisde “vertegenwoordiger” van de in Bulgarije gevestigde leasemaatschappij, hetgeen ook door de officier van justitie tijdens de raadkamerbehandeling van 18 juli 2019 naar voren is gebracht. De klager heeft op 22 mei 2019 een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend.

4.5.

In het onderhavige geval doet zich, nu de auto blijkens de vaststellingen van de rechtbank is teruggegeven aan de rechthebbende, de vraag voor of het Openbaar Ministerie toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 116, derde lid, Sv. In genoemd artikellid is immers bepaald dat in de situatie dat degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen ten overstaan van de rechter-commissaris, de officier van justitie of een opsporingsambtenaar niet schriftelijk heeft verklaard afstand te doen van het voorwerp, het Openbaar Ministerie - voor zover hier van belang - het voorwerp kan teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt (art. 116, tweede lid, onder a Sv). Daarvoor geldt wel dat het Openbaar Ministerie degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen schriftelijk kennis heeft gegeven van genoemd voornemen tot teruggave en diegene zich niet binnen veertien dagen na genoemde kennisgeving heeft beklaagd of het door hem ingestelde beklag ongegrond is verklaard. Op een dergelijk beklag is titel IX van het vierde boek van overeenkomstige toepassing.

4.6.

In aanmerking genomen dat uit de eerder weergegeven vaststellingen blijkt dat de auto op 13 maart 2019 onder de klager in beslag is genomen en reeds op 26 maart 2019 is overgedragen aan een vertegenwoordiger van een in Bulgarije gevestigd autobedrijf ([A]), moet er in cassatie vanuit worden gegaan dat géén toepassing is gegeven aan art. 116, derde lid, Sv, in die zin dat de klager schriftelijk in kennis is gesteld van het voornemen tot teruggave van de auto aan genoemde rechthebbende.4 Immers, de overdracht van de auto heeft reeds plaatsgevonden voordat de termijn voor het doen van beklag tegen het voornemen tot teruggave als bedoeld in art. 116, derde lid, Sv was verstreken. Daarbij merk ik nog op dat het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 18 juli 2019 als opmerking van de raadsvrouw van de klager inhoudt dat de klager er niet van op de hoogte was dat de auto is teruggegeven aan dat bedrijf in Bulgarije.

4.7.

In cassatie moet er daarom vanuit worden gegaan dat géén toepassing is gegeven aan art. 116, derde lid, Sv, zodat het er onder deze omstandigheden voor moet worden gehouden dat het beklag het rechtskarakter heeft van een beklag omtrent het voornemen van de Officier van Justitie om in afwijking van de hoofdregel van art. 116 Sv het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan de beslagene (klager) te doen teruggeven, alsof deze teruggave nog niet had plaatsgevonden (vgl. HR 30 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2480, NJ 1996/526).5 De rechtbank heeft dit miskend.

4.8.

Het middel slaagt.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Uit het mutatierapport (PL0600-2019111461-1, blad 5), dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, blijkt dat de klager in deze de beslagene is.

2 In het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 18 juli 2019 is de mededeling van de raadkamer opgenomen dat er géén apart beslag is gelegd op de spullen in de auto (p. 2).

3 De klager in de samenhangende zaak 19/03452B, [betrokkene 1], was de bijzitter.

4 Een dergelijke kennisgeving bevindt zich evenmin bij de stukken.

5 Vgl. HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2588, HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:964 en HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9397. In zijn beschikking van 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0455 oordeelde de Hoge Raad dat de omstandigheid dat het inbeslaggenomen goed inmiddels is vernietigd aan het in genoemde beschikkingen bepaalde niet af doet. Vgl. in dat verband ook HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3661.