Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:858

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-09-2020
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
19/04338
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1960
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over art. 13 Wet bodembescherming en dumpen van drugsafval. De AG geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2020/11
JBO 2020/106 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/04338 E

Zitting 29 september 2020

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 2 mei 2018 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. ‘medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan’ en 2. ‘medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan’ veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

2. Er bestaat samenhang met zaak 19/04335. Deze zaak is door Uw Raad op 17 maart 2020 afgedaan met toepassing van art. 80a RO (niet gepubliceerd).

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 voor zover deze inhoudt dat de verdachte handelingen op de bodem heeft verricht waardoor de bodem kon worden verontreinigd, onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd. Het hof zou in het midden hebben gelaten of de door de verdachte achtergelaten vaten en jerrycans al dan niet waren gevuld met een (vloei)stof. En zelfs als dat zou worden aangenomen zou uit de bewijsvoering niet kunnen volgen dat door het handelen van verdachte de bodem kon worden verontreinigd, nu het drugsafval geëmballeerd was. Alvorens ik het middel bespreek geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, ’s hofs bewijsoverweging, alsmede passages uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie betreffende art. 13 Wet bodembescherming weer.

Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en ’s hofs bewijsoverweging

4. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

‘hij op of omstreeks 16 mei 2013, in de gemeente Valkenswaard, aan of nabij de Luikerweg, tezamen en in vereniging met een ander, handelingen op de bodem heeft verricht, bestaande uit het neerleggen van afvalstoffen, afkomstig van de productie van drugs, waardoor de bodem kon worden verontreinigd - terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd - en toen opzettelijk niet aan de verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging te voorkomen.’

5. De bewezenverklaring berust, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 mei 2013 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , brigadier respectievelijk agent van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost:

Op 16 mei 2013, omstreeks 00.20 uur, waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , belast de directe hulpverlening en handhaving in de gemeente Valkenswaard. Wij waren in uniform gekleed en reden in een opvallend dienstvoertuig.

Op bovengenoemde datum en tijdstip reden wij over de Luikerweg te Valkenswaard, komende uit de richting Kempervennendreef en gaande in de richting van het centrum van Valkenswaard. Ter hoogte van de eerste afslag na de Kempervennendreef aan de voor ons linkerzijde van de Luikerweg, zagen wij vanuit een bospad een vrachtwagen rijden. Dit bospad is gelegen ter hoogte van hectometerpaal 45.1 op de Luikerweg te Valkenswaard en ligt tussen de Luikerweg en de Victoriedijk.

Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat de verlichting van de vrachtwagen aan ging en vervolgens weer uit ging. Wij zagen dat de vrachtwagen vervolgens over de Luikerweg in de richting van België reed en zijn verlichting weer brandde. Wij zagen dat de vrachtwagen met hoge snelheid vanaf het bospad de Luikerweg op reed. Wij zagen dat de bestuurder de vrachtwagen niet volledig onder controle had en hierdoor slingerend reed. Wij zagen dat de vrachtwagen was voorzien van het Belgische kenteken: [kenteken 1] . Wij zagen dat de vrachtwagen aan de achterzijde de belettering had: AUTOVERHUUR. Hierop hebben wij doorgegeven aan onze meldkamer dat wij de inzittenden van deze vrachtwagen wilden controleren en dat wij de bestuurder een stopteken zouden geven middels de stoptransparant aan de voorzijde van ons dienstvoertuig.

Op bovengenoemde datum, omstreeks 00.25 uur, stond het stoptransparant aan de voorzijde van ons dienstvoertuig aan. Wij zagen dat de vrachtwagen niet stopte. Ten einde onszelf zichtbaar te maken, stuurde ik, verbalisant [verbalisant 2] , ons dienstvoertuig naar de linker weghelft. Wij zagen dat de vrachtwagen vervolgens op de linker weghelft ging rijden en vervolgens slingerend in het midden van de Luikerweg ging rijden, kennelijk met de bedoeling ons te beletten om hem in te halen. Hierop hebben wij met toestemming van onze meldkamer onze optische en geluidsignalen aangezet teneinde de vrachtwagen te stoppen en de inzittenden staande te houden. Wij bleven onze positie doorgeven aan de meldkamer en vroegen of de Belgische politie gebeld kon worden teneinde de achtervolging met de vrachtwagen in België over te nemen.

Op bovengenoemde datum, omstreeks 00.25 uur, zagen wij dat de vrachtwagen de landgrens met België passeerde. Hierop hebben wij onze stoptransparant uitgezet en onze optische en geluidssignalen uitgezet. Wij zijn de vrachtwagen op een afstand van circa 50 à 100 meter blijven volgen in België in afwachting van de Belgische collega’s.

Wij reden gezien vanaf de grens met België, rechtdoor over de N74.

Wij zagen dat de vrachtwagen rechtsaf de afslag nam richting Echel. Wij zagen dat de vrachtwagen vervolgens reed in de richting van Lindenhoeven. Wij zagen, binnen de bebouwde kom van Lindenhoeven, dat de vrachtwagen zijn snelheid verhoogde naar circa 100 kilometer per uur en enkele personenauto’s inhaalde. Wij zagen dat hij hierbij slingerend reed alsof de bestuurder zijn voertuig niet volledig onder controle had. Wij zagen dat de vrachtwagen vervolgens Lindenhoeve uit reed in de richting van Overpelt. Wij zagen dat de vrachtwagen op een rotonde uit kwam waarbij hij twee maal de rotonde rond reed. Wij zagen dat de vrachtwagen vervaarlijk overhelde bij het nemen van deze rotonde.

Wij zagen, op bovengenoemde datum, omstreeks 00.33 uur, dat de vrachtwagen, na twee maal de rotonde rond te zijn geweest, rechtsaf de N74 richting Neerpelt/Eindhoven op reed.

Wij zagen dat de vrachtwagen in de richting van de landgrens met Nederland reed. Wij zagen dat op bovengenoemde datum, omstreeks 00.37 uur, de vrachtwagen Nederland binnen reed over de Luikerweg te Valkenswaard. Hierop hebben wij opnieuw onze stoptransparant aan de voorzijde van ons voertuig en de optische en geluidssignalen aangezet. Wij zagen dat de vrachtwagen op de rotonde rechtsaf de Dorpsstraat op reed in de richting van de Achelse Kluis. Wij zagen dat de vrachtwagen vervolgens de Grensdijk te Hamont op reed en hiermee de landgrens met België opnieuw passeerde. Hierop hebben wij onze optische en geluidssignalen en stoptransparant uitgezet en zijn wij de vrachtwagen weer op circa 100 meter achterna gereden teneinde onze locatie te blijven doorgeven aan de Belgische collega’s. Wij zagen dat de vrachtwagen via de Grensdijk, Ruiterstraat, Koleneind [reed] om vervolgens weer de landgrens met Nederland te passeren en op bovengenoemde datum, omstreeks 00.57 uur, de Abdijweg op reed. Hierop hebben wij onze optische en geluidssignalen weer aangezet. Wij hoorden dat er inmiddels meerdere eenheden op de Abdijweg stonden en aldaar stopsticks op het wegdek hadden gelegd teneinde de vrachtwagen te doen stoppen.

Wij hebben de vrachtwagen vanaf het moment dat wij hem de Luikerweg op zagen rijden, op bovengenoemde datum omstreeks 00.20 uur, constant in het zicht gehad.

Op bovengenoemde datum, omstreeks 00.59 uur, zagen wij dat de vrachtwagen stopte op de Abdijweg te Valkenswaard.

Wij zagen dat de bestuurder en de passagier uit de vrachtwagen stapten. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , richtte mijn vuurwapen op de bestuurder en ik hoorde dat andere collega’s naar hem riepen dat de verdachte moest gaan liggen en dat hij was aangehouden. Ik zag dat de verdachte (hof: naar later bleek de verdachte [verdachte] ) onder controle was. Ik richtte mijn vuurwapen op de passagier. Ik hoorde dat de andere collega’s riepen dat deze verdachte moest gaan liggen en dat hij was aangehouden. Ik zag dat de verdachte (hof: naar later bleek de verdachte [medeverdachte] ) onder controle werd gehouden door een andere collega.

Omstreeks 01.01 uur stond ik, verbalisant [verbalisant 1] , aan de achterzijde van de vrachtwagen. Ik zag dat een collega aan de zijkant van de vrachtwagen de automatische laadklep van de vrachtwagen opende. Ik zag dat er in het laadgedeelte van de vrachtwagen, meerdere blauwe vaten stonden. Ik rook een sterke amfetaminelucht rondom de vrachtwagen. Toen de laadklep openging versterkte deze lucht. Hierop heb ik de laadklep meteen afgesloten in afwachting van het forensisch onderzoeksteam.

2. Het proces-verbaal aanhouding d.d. 16 mei 2013 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

Op 16 mei 2013 te 01.00 uur hielden wij, verbalisanten, op de locatie Abdijweg te Valkenswaard, als verdachte aan:

Achternaam: [verdachte]

Voornaam: [verdachte]

Geboren: [geboortedatum] 1980

3. Het proces-verbaal aanhouding d.d. 16 mei 2013 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :

Op 16 mei 2013 te 01.00 uur hielden wij, verbalisanten, op de locatie Abdijweg te Valkenswaard, als verdachte aan:

Achternaam: [medeverdachte]

Voornaam: [medeverdachte]

Geboren: [geboortedatum] 1983

4. Het proces-verbaal bevindingen ondersteuning LFO d.d. 16 mei 2013 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] , werkzaam als senior LFO-expert bij de Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Operationele Samenwerking, groep Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmanteling:

Op 16 mei 2013 omstreeks 01:30 uur was ik ter plaatse en heb, met collega [verbalisant 7] van de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen, een onderzoek ingesteld naar de vrachtauto op de Abdijweg te Borkel en Schaft in de gemeente Valkenswaard en de dumping op het bospad aan de Luikerweg te Valkenswaard.

Op de rijbaan van de Abdijweg stond een witte kleine vrachtauto. Het betrof hier een vrachtauto van het merk Ford welke was voorzien van een afzonderlijke laadruimte welke via een hydraulische laadklep kon worden betreden. Deze bestelauto was voorzien van het Belgische kenteken [kenteken 1] . De vrachtauto was aan de zijkant voorzien van de tekst: ‘Autoverhuur [A] , [a-straat 1] , [plaats] ’.

Ik zag dat aan de rechterzijde en linkerzijde van de laadruimte vloeistof uit de vrachtauto liep. Ik zag dat deze vloeistof op het wegdek terecht kwam. Vervolgens zag ik dat aan de bovenzijde van de vrachtauto witte damp kwam. Ik rook rond de vrachtauto de voor mij kenmerkende geur van amfetamine en de bij de productie van amfetamine gebruikte chemicaliën en daarbij ontstane afvalstoffen. Op mijn verzoek werd door de ter plaatse zijnde lokale brandweer en met ondersteuning van een regionaal chemicaliënpakkenteam de vrachtauto aan de achterzijde geopend door de laadklep te laten zakken.

Ik zag dat de laadruimte geheel was geladen met een groot aantal vaten, tonnen, emmers, jerrycans en aan de productie van synthetische drugs gerelateerde materialen. Ik zag dat tijdens het openen een witte damp uit de vrachtauto kwam. Het betrof hier vermoedelijk zoutzuurdamp. Ik zag tevens dat de laadvloer was besmet met een hoeveelheid vloeibare chemicaliën en/of afvalstoffen. Een deel van deze chemicaliën en/of afvalstoffen liep via naden in de zijwand van de laadruimte naar buiten en kwam op het wegdek terecht. Ik zag dat de inhoud van de vrachtauto door elkaar lag, vermoedelijk als gevolg van de rijstijl van de bestuurder gedurende de achtervolging. Ik zag tevens dat een aantal jerrycans lekte en dat daardoor de inhoud van de laadruimte deels was besmet met chemicaliën en/of afvalstoffen.

Op mijn verzoek werd door het ingeschakelde chemicaliënpakkenteam van de regionale brandweer de laadruimte ontruimd en werd de lekkage en vloeistofbesmetting op het wegdek gestabiliseerd met behulp van absorptiemateriaal. Nadat alle goederen uit de laadruimte waren verwijderd werd door mij een voorlopige inventarisatie gemaakt van de inhoud van de laadruimte. Van een klein aantal voorwerpen-jerrycans zijn spoedmonsters genomen. De inhoud betrof:

• 1 zwarte luchtslang

• 1 kartonnen doos met het opschrift ‘HUAOI Deco glas’. Kenmerkend verpakkingsmateriaal voor het verpakken van 20 liter rondbodemkolven

• 1 kartonnen doos inhoudende diverse gebruikte glazen distillatiespiralen

• 1 plastic 5 liter maatbeker, inhoudende een restant wit-beige poeder. Hiervan werd een monster genomen; monsternummer VAL-1. Met behulp van een microchemische kleurreactietest werd door mij vastgesteld dat dit monster amfetamine bevatte.

• 2 rode emmers inhoudende een plastic trechter met daarin een glazen stop

• 2 lege witte emmers inhoudende een wollen plaid

• 2 lege zakken waarin volgens opschrift absorptiemateriaal heeft gezeten

• 3 blauwe 220 liter vaten

• 1 blauw 220 liter vat gevuld met afval waaronder slangen

• 1 blauw 120 liter vat wat restanten amfetamine afval bevatte

• 1 blauw 220 liter vat inhoud 2 rode 10 liter jerrycans met het opschrift: ‘ 1e’

• 1 blauw 120 liter vat met restanten poeder

• 1 zwart 220 liter vat inhoudende 7 emmers welke restanten olieachtige vloeistof bevatte

• 2 blauwe 220 liter vaten welke restanten olieachtige vloeistof bevatten

• 1 blauw 220 liter vat met aan de binnenzijde een sproeisysteem met Gardena aansluiting

• 1 blauw 120 liter vat wat restanten amfetamine bevatte

• 1 blauw 160 liter vat wat restanten amfetamine bevatte

• 1 blauw 120 liter vat wat rook naar Benzylmethylketon (BMK)

• 1 blauw 120 liter vat wat restanten kristallen bevatte

• 1 blauw 220 liter vat met daarin een zwarte deksel

• 2 blauwe 160 liter vaten met daarin restanten poeder en vloeistof

• 6 witte emmers met deksel, inhoud 40 liter, alle gevuld met een donkere vloeistof.

Opschrift: ‘B restjes’, ‘20B’ en ‘25 pH7’

• 12 rode 10 liter jerrycans waarvan sommige met het opschrift ‘1e’

• 1 zuurkool vat, inhoud circa 50 liter

• 3 blauwe jerrycans, inhoud 10 liter. Enkele waren voorzien van een etiket met het opschrift ‘Astro Syn Chemtec Chemicals BV’

• 1 blauwe jerrycan, inhoud 5 liter

• 17 witte 25 liter jerrycans, opschrift: ‘Aklitos’, aantal gevuld met een licht troebele vloeistof met donker bruine drijflaag. Uit een van deze jerrycans werd een monster genomen. Monsternummer VAL-4

• 13 witte 25 liter jerrycans, aantal gevuld met een licht troebele vloeistof met donker bruine drijflaag. Uit een van deze jerrycans werd een monster genomen. Monsternummer VAL-3. Deze jerrycan bevatte circa 5 liter donker bruine vloeistof.

• 3 witte 30 liter jerrycans, waarvan 1 leeg, 1 half vol en 1 geheel gevuld.

• 2 blauwe ovale 30 liter jerrycans, een voorzien van het opschrift ‘Mier’.

• 10 blauwe 30 liter jerrycans voorzien van een sticker met o.a. het opschrift ‘Energy base’

• 2 witte 30 liter jerrycans

• 7 witte 25 liter jerrycans

• 8 witte 5 liter jerrycans waarvan sommige voorzien van een etiket met het opschrift ‘Methanol’

• 2 witte 10 liter jerrycans waarvan 1 leeg en een gevuld. De gevulde jerrycan was gevuld met een bruine vloeistof met witte bezinksel laag. Uit deze jerrycan werd een monster genomen. Monsternummer VAL-2. Deze jerrycan was voorzien van het opschrift ‘1’

Opgemerkt wordt dat een aantal van de zwarte deksels van de blauwe 120, 160 en 220 liter vaten was gemodificeerd. In het midden van deze deksels was een doorvoeropening aangebracht waarin een grijze kunststof aansluiting was bevestigd. Op deze aansluiting kon een slang worden bevestigd.

Opgemerkt wordt dat vanwege de locatie, het tijdstip alsmede de mate van besmetting geen volledige inventarisatie en bemonstering is uitgevoerd. Dit dient op een nader tijdstip plaats te vinden. De voorlopig geschatte hoeveelheid chemisch afval betreft circa 1.500 liter.

De genomen monsters zijn door mij behoorlijk verpakt en verzegeld. Deze monsters zijn voorzien van de SINnummers:

Sin nummer

Monsternummer

Omschrijving stukken van overtuiging

AAE10309NL

1

Plastic 5 liter maatbeker inhoudende een hoeveelheid wit poeder.

AAE10310NL

2

2 witte 10 liter jerrycans waarvan 1 leeg en 1 gevuld met een wit bezinksel en een bruine vloeibare bovenlaag.

AAE10311NL

3

13 witte 25 liter jerrycans zonder opschrift. Uit een jerrycan een monster genomen. Jerrycan was gevuld met circa 5 liter donker bruine olie.

AAE10312NL

4

17 witte 25 liter jerrycans, opschrift 'Aklitos', alle gevuld met een licht buine vloeistof met dunne donkere drijflaag. Een jerrycan bemonsterd.

Deze monsters werden op donderdag 16 mei 2013, omstreeks 16.00 uur, overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut - afdeling Verdovende Middelen -, te Den Haag, ten behoeve van spoedanalyse.

Dumping op bospad aan de Luikerweg te Valkenswaard, ter hoogte van hectometerpaal 45.1

Op deze locatie werd het onderzoek uitgevoerd door mijn LFO collega [verbalisant 7] . Op basis van zijn bevindingen kon worden opgemaakt dat op deze locatie werd aangetroffen:

• 1 kartonnen doos met het opschrift ‘HUAOI Deco glas’. Kenmerkend verpakkingsmateriaal voor het verpakken van 20 liter rondbodemkolven. In deze doos zat een gebruikte 20 liter 3 hals rondbodemkolf.

• 1 blauw 220 liter vat inhoudende een gele slang, 2 witte 10 liter jerrycans en een witte emmer met bruine restanten

• 1 blauw 220 liter vat inhoudende 3 rode 10 liter jerrycans voorzien van het opschrift ‘1e’

• 1 witte 10 liter jerrycan

• 1 aluminium koffer inhoudende een gebruikte weegschaal

• 1 zwarte deksel welke was gemodificeerd. In het midden van dit deksel was een doorvoeropening aangebracht waarin een grijze kunststof aansluiting was bevestigd. Op deze aansluiting was een stuk slang bevestigd door middel van een slangenklem.

• 4 blauwe 10 liter jerrycans waarvan er 2 waren voorzien van een etiket met het opschrift ‘Astro Syn Centre Chemicals’ en een was voorzien van een etiket met het opschrift ‘Microsol’.

Opgemerkt wordt dat de vaten en jerrycans alsmede de inhoud van de jerrycans roken naar amfetamine en bij de productie van amfetamine gebruikte chemicaliën en ontstane afvalstoffen.

Overeenkomsten:

Tussen de aangetroffen materialen uit de vrachtwagen op de Abdijweg te Borkel en Schaft, in de gemeente Valkenswaard en de dumping op bospad aan de Luikerweg te Valkenwaard, ter hoogte van hectometerpaal 45.1, zijn de navolgende overeenkomsten aangetroffen:

• blauwe 10 liter jerrycans waarvan voorzien van een etiket met het opschrift ‘Astro Syn Centre Chemicals’.

• kartonnen doos met het opschrift ‘HUAOI Deco glas’. Kenmerkend verpakkingsmateriaal voor het verpakken van 20 liter rondbodemkolven.

• zwarte deksels welke waren gemodificeerd. In het midden van deze deksels was een doorvoeropening aangebracht waarin een grijze kunststof aansluiting was bevestigd. Op deze aansluiting was/kon een stuk slang worden bevestigd door middel van een slangenklem.

• rode 10 liter jerrycans voorzien van het opschrift ‘1e’

• blauwe 220 liter vaten

• witte emmer met bruine restanten

• de vaten en jerrycans alsmede de inhoud van de jerrycans roken naar amfetamine en bij de productie van amfetamine gebruikte chemicaliën en ontstane afvalstoffen.

Daarnaast is door surveillanten geconstateerd dat de vrachtauto uit het desbetreffende bospad kwam rijden waar de dumping is aangetroffen.

Interpretatie LFO:

De op beide locaties aangetroffen jerrycans, tonnen, emmers en vaten waren al dan niet gevuld met afvalstoffen en/of productiematerialen welke zijn gebruikt ten behoeve van de productie van synthetische drugs, in casu amfetamine. Een monster wit poeder werd positief getest op amfetamine.

De aangetroffen teksten en etiketten (bv. ‘Mier’) wijzen op enerzijds de gebruikte chemicaliën waaronder mierenzuur, zoutzuur en methanol en anderzijds op processtappen en/of productiehandelingen (b.v. ‘1e’). Deze chemicaliën en processtappen en/of productiehandelingen wijzen in combinatie met de aangetroffen productieapparatuur op de productie van amfetamine volgens de Leuckart synthese.

De hoeveel aangetroffen jerrycans, tonnen, emmers en vaten welke waren gevuld met een voorlopig geschatte hoeveelheid van circa 1.500 liter afval wijzen op grootschalige productie. Per kilogram geproduceerde amfetamine volgens de Leuckart synthese komt gemiddeld tussen de 8 en 12 liter vloeibaar afval vrij. De 1.500 liter afval, indien allemaal afkomstig van de productie van amfetamine, zou wijzen op een productie van tussen de 125 en 160 kg amfetamine.

5. Een tweetal afdrukken van foto’s, behorende bij het IncidentFormulier Inzet LFO, plaats: Valkenswaard, Straat: Luikerweg, (…):

Foto’s op pg 63 en 64: op deze foto’s is afgebeeld een onverhard pad met onverharde berm waarop onder meer 2 blauwe vaten en een doos zijn geplaatst.

6. Het Incidentformulier Inzet LFO Valkenswaard - Luikerweg d.d. 16 mei 2013 (…), voor zover inhoudende als volgt:

Op 16 mei 2013 werd door een surveillance waargenomen dat uit een bospad aan de Luikerweg te Valkenswaard een vrachtauto kwam rijden. De bestuurder van de vrachtauto negeerde een stopteken. Hierop volgde een achtervolging door de grensstreek zowel in Nederland als België. Omstreeks 01.00 uur werd op de Abdijweg te Borkel en Schaft, in de gemeente Valkenswaard, de vrachtauto tot stoppen gedwongen. Twee verdachten konden worden aangehouden.

Nader onderzoek op het bospad aan de Luikerweg te Valkenswaard wees uit dat op het bospad diverse jerrycans waren gedumpt.

De meeste jerrycans waren gevuld met afval afkomstig van de productie van amfetamine. De meeste blauwe vaten waren gemodificeerd voor de omzetting van APAAN in BMK.

Het aangetroffen afval kwam overeen met het materiaal wat in de vrachtauto was aangetroffen.

7. Het rapport Identificatie van drugs en precursoren van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 21 mei 2013 (…), voor zover inhoudende als volgt:

Betreft: Opiumwet

Zaaknummer: 2013.05.16.286

Datum aanvraag: 16 mei 2013

Verdachten: [medeverdachte] en [verdachte]

Vraagstelling:

Bevat het materiaal middelen die vermeld zijn op een van de lijsten van de Opiumwet of op de bijlage van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Wvmc) en zo ja, welke?

Resultaten en conclusie Nederlands Forensisch Instituut

Tabel 1 Onderzoeksmateriaal en conclusie

Kenmerk AAEI0309NL/1

Omschrijving monster crèmekleurige schilfers, volgens opgave uit een plastic vijf liter maatbeker

Conclusie

bevat een lage concentratie N-formylamfetamine en Leuckart syntheseverontreinigingen

Kenmerk AAEI031ONL/2

Omschrijving monster oranje/bruine olieachtige vloeistof, volgens opgave uit één van de twee

witte tien liter jerrycans

Conclusie

bevat N-formylamfetamine

Kenmerk AAEI0311NL/3

Omschrijving monster bruine olieachtige vloeistof, volgens opgave uit vijf liter in één van de dertien witte 25 liter jerrycans zonder opschrift

Conclusie

bevat N-formylamfetamine en BMK

Kenmerk AAEI0312NL/4

Omschrijving monster bruine olieachtige vloeistof op een kleurloze onderlaag, volgens opgave uit één van de zeventien witte 25 liter jerrycans met opschrift “Aklitos”

Conclusie bevat amfetamine

Benzylmethylketon (BMK; 1-fenyl-2-propanon)

8. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 16 mei 2013 (…), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :

V: Was je de bestuurder van het voertuig?

A: Ja

V: Hoe kwam je aan die auto?

A: Die had ik sinds eergisteren gehuurd in [plaats] , België.

V. Wat heb je meegekregen van de achtervolging, wanneer had je door dat je achterna gezeten werd door de politie?

A: Toen ik de zwaailichten zag. Ik reed toen op de doorgaande weg richting Lommel, België. Dat is de Luikerweg.

9. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 mei 2013 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] :

Op 21 mei 2013 vingen wij aan met een verhoor van verdachte [verdachte] .

Hij verklaarde dat hij met de bus naar de dumpplaats was gereden.

Op de dumpplaats opende hij de auto en zag tonnen. Hij trok enkele tonnen uit de auto en gooide deze weg. Hierop dacht hij dat dit niet goed was, hij sloot de deur en reed weg.

10. Het proces-verbaal van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, locatie ’s-Hertogenbosch van 27 januari 2015, inhoudende de verklaring van verdachte:

Ik heb die bus leeg gehuurd en op 14 mei 2013 op een parkeerplaats achtergelaten. Ik heb hem de volgende dag, 15 mei 2013, weer opgehaald. Nadat ik de bus had opgehaald, ben ik naar de bossen in Valkenswaard gereden. Daar heb ik de klep opengemaakt en er een paar dingen uitgehaald. Ik heb er twee tonnen en een paar kannetjes uitgehaald. Ik zat niet alleen in die auto. Ik had iemand meegevraagd. Toen ik de bus wilde terugbrengen, reed de politie langs. Na een achtervolging werden we uiteindelijk op de Abdijweg aangehouden.

11. Het (losse) procesdossier KIEVIT (zaakdossier 10), betreffende: Dumpingen van chemicaliën, van politie-eenheid Limburg, Dienst Regionale Recherche, Team Opsporing, (…), voor zover inhoudende het ovc-gesprek van 14 april 2015 vanaf 06:03:00 (…):

Voertuig: [kenteken 2]

Tijdstip: 14-04-2015 6:03:00

[medeverdachte] en [betrokkene 1] (fon) in het voertuig.

[betrokkene 1] is bestuurder.

[medeverdachte] = [medeverdachte]

[betrokkene 1] = [betrokkene 1]

06:03:44

[medeverdachte] : Ik ben (...) gepakt met een dumping hè? ...in Valkenswaard.

Toen heb ik anderhalf uur achtervolging gehad...met een bakwagen. Maar die zat tot de nok toe vol met eh... chemicaliën.

(…)

Dus ik kom bij dat bos aan, ik doe de klep open en zeg: ja dat begrijp ik.

Ik zeg: Luister kan van mij de tering krijgen...als ik dat gedaan had, dan werd alles anders, dan kreeg ik mijn geld en dan was het klaar.

[medeverdachte] : ...maar effen een paar tonnetjes weggooien...zo...

Maar ik had hem twee weken van te voren vijfhonderd (500) betaald voor te dumpen. Dus ik kijk jongen hey..., heel de bakwagen tot nok toe vol. Ik zeg luister, je kan de tering krijgen, ik doe het dicht en we zetten hem terug.

Ik rij dat bospad uit... wouten (...).

Maar mee dat ze voorbij rijden zet ik de lampen aan (...).

Daar krijg ik een achtervolging jongen, door België heen.

Maar ik dacht als ik de grens overrijd, dan mogen ze me niet meer volgen.

Mij hebben ze helemaal gevolgd maat.

Ik rij naar Holland toe en daar stonden ze klaar he, met van die dingen over de weg heen.’

6. De bewijsoverwegingen van het hof houden het volgende in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

Ten aanzien van feit 1

(…)

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van het onderzoek kunnen de navolgende feiten en omstandigheden worden vastgesteld.

Op 16 mei 2013 omstreeks 00.20 uur zien surveillerende opsporingsambtenaren van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, rijdende op de Luikerweg te Valkenswaard, dat een vrachtauto vanuit een bospad komt gereden. De vrachtauto, voorzien van een Belgisch kenteken en met opschrift ‘Autoverhuur [A] [plaats] ’, doet de verlichting aan, vervolgens weer uit en rijdt daarna met hoge snelheid met de verlichting weer aan over de Luikerweg in de richting van België. De verbalisanten zien dat de bestuurder de vrachtauto niet volledig onder controle heeft en hierdoor slingerend rijdt. Nadat een stopteken is gegeven, is de bestuurder van de vrachtauto niet gestopt maar doorgereden en vervolgens slingerend in het midden van de Luikerweg gaan rijden. Omstreeks 00.25 uur rijdt de vrachtauto het grondgebied van België in. Korte tijd later rijdt de vrachtauto Nederland weer in. Omstreeks 00.59 uur wordt de vrachtauto op de Abdijweg te Borkel en Schaft (gemeente Valkenswaard) tot stoppen gedwongen en staande gehouden. De bestuurder van de vrachtauto blijkt verdachte [verdachte] te zijn en de bijrijder medeverdachte [medeverdachte] (…).

Bij het onderzoek op de Abdijweg (…) werden in de laadruimte van voornoemde vrachtauto een groot aantal vaten, tonnen, emmers, jerrycans en andere aan de productie van synthetische drugs gerelateerde materialen aangetroffen. Aan de rechter- en linkerzijde van de laadruimte liep vloeistof uit de vrachtauto die op het wegdek terecht kwam. Tevens kwam er witte damp aan de bovenzijde van de vrachtauto vrij en was een chemische lucht waarneembaar. De inhoud van de vrachtauto lag door elkaar. Tijdens het openen van de vrachtauto kwam een witte damp uit de vrachtauto, vermoedelijk zoutzuurdamp. De laadvloer was besmet met vloeibare chemicaliën/afvalstoffen; een deel van deze chemicaliën/afvalstoffen liep via de naden in de zijwand van de laadruimte naar buiten en kwam op het wegdek terecht. Een aantal van de jerrycans was lek waardoor de laadruimte deels was besmet met de chemicaliën/afvalstoffen. Bij het onderzoek werd de kenmerkende geur van amfetamine geroken. Ter plaatse werden monsters genomen en vervolgens onderzocht door het NFI (…). Dit onderzoek wees uit dat drie monsters N-formylamfetamine bevatten, een monster benzylmethylketon (BMK) en een monster amfetamine (…).

Omstreeks 01.30 uur werd een onderzoek ingesteld op het bospad waaruit de vrachtauto was komen rijden, gelegen aan de Luikerweg te Valkenswaard. Hierbij werden op de onbeschermde bodem aangetroffen: twee blauwe 220 liter vaten, een emmer met bruine restanten, een kartonnen doos met daarin een gebruikte rondbodemkolf, een aantal 10 liter jerrycans, een deksel met een doorvoeropening en een stuk slang en een aluminium koffer met weegschaal. Ook bij dit onderzoek werd de geur van amfetamine waargenomen. De meeste jerrycans waren gevuld met afval (…).

Bij een onderzoek aan de aangetroffen goederen uit de vrachtauto en de goederen op het bospad op de Luikerweg bleek dat de betreffende goederen een aantal overeenkomsten hadden (…).

Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij degene is geweest die de vrachtauto twee dagen eerder in België heeft gehuurd en de bestuurder is geweest op het moment van de staandehouding.

Voorts heeft [verdachte] verklaard dat hij, nadat hij de vrachtauto leeg op een parkeerplaats heeft achtergelaten en beladen weer heeft opgehaald, midden in de nacht naar de bossen in Valkenswaard is gereden (het hof begrijpt: het bospad gelegen aan de Luikerweg te Valkenswaard), de klep van de vrachtauto heeft opengemaakt, enkele vaten en kleine kannetjes uit de vrachtauto heeft gehaald en vervolgens is weggereden (…).

Op basis van vorenstaande feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] , een hoeveelheid afvalstoffen, afkomstig van drugsproductie, heeft vervoerd.

(…)

Ten aanzien van feit 2 (locatie Luikerweg te Valkenswaard)

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep - op gronden als in de pleitnota verwoord - vrijspraak bepleit van het overtreden van artikel 13 van de Wet bodembescherming met betrekking tot de locatie Luikerweg te Valkenswaard, althans van het opzettelijk overtreden daarvan. Daartoe is primair aangevoerd dat niet onomstotelijk vast is komen te staan dat sprake is geweest van drugsafval op voornoemde locatie, omdat geen monsters zijn genomen van de op deze locatie aangetroffen goederen en tevens onvoldoende is gebleken dat de goederen (vloei)stoffen bevatten. Onder deze omstandigheden kan in de visie van de verdediging niet bewezen worden dat artikel 13 van de Wet bodembescherming in dit geval is geschonden.

Subsidiair is aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van opzet bij verdachte, ook niet voorwaardelijke zin.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Voor wat betreft de dumping aan of nabij de Luikerweg te Valkenswaard, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] , handelingen op de bodem heeft verricht, bestaande uit het neerleggen van afvalstoffen, afkomstig van de productie van drugs, waardoor de bodem kon worden verontreinigd. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat verdachte midden in de nacht de bestuurder is geweest van een volgeladen vrachtauto waarmee vervolgens drugsafval is gedumpt. De verdachte heeft in dit verband erkend dat hij op enig moment in de bossen in Valkenswaard de klep van de vrachtauto heeft geopend, enkele vaten en kannen uit de vrachtauto heeft gehaald, op de bodem heeft gezet, heeft laten staan en vervolgens is weggereden.

Los van de vraag of de door verdachte neergelegde vaten en jerrycans al dan niet waren gevuld met een (vloei)stof, kan op grond van het dossier worden vastgesteld dat hiermee sprake is geweest van het neerleggen van afvalstoffen afkomstig van de productie van drugs.

Wat er ook zij van de verklaring van verdachte dat hij voorafgaand aan het openen van de klep van de vrachtauto in de veronderstelling verkeerde dat sprake zou zijn hennepafval, op het moment dat verdachte de afvalstoffen dumpte wist hij dat het, zoals hij zelf heeft verklaard, ‘niet goed’ was. Door de afvalstoffen aldaar te plaatsen en te laten staan heeft verdachte opzettelijk niet aan de verplichting voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd, teneinde milieuverontreiniging te voorkomen.

Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, verklaart het hof bewezen dat verdachte zich samen met medeverdachte heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

De verweren van de verdediging worden dan ook verworpen.’

Art. 13 Wet bodembescherming en rechtspraak terzake

7. In het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet bodembescherming kwam de zorgplicht die thans is neergelegd in art. 13 van deze wet niet voor.1 Wel waren daar artikelen in opgenomen die het mogelijk maakten bij AMvB regels te stellen (vgl. thans de artikelen 6-11). De leden van de CDA-fractie waren daar blijkens het Voorlopig verslag niet tevreden mee.2 Zij vonden het ‘zo goed als exclusieve gebruik van «kan»-bepalingen met betrekking tot het produceren van algemene maatregelen van bestuur’ opvallend. Daardoor zou ‘de onzekerheid omtrent het toekomstige beleid’ worden gevoed. Zij nodigden de regering uit ‘in elk geval te overwegen het wetsontwerp zodanig te wijzigen dat in dit opzicht meer houvast wordt geboden’. De leden van de fractie van (toen nog) D’66 hadden al een concreet idee:3

‘Bovendien is er, zolang de algemene maatregelen van bestuur in kwestie er nog niet zijn, geen mogelijkheid tot verdergaand optreden dan thans; dat kan, gelet op de tijd die veelal met het tot stand brengen van uitvoeringsbesluiten gemoeid is, voor geruime tijd een stilstand op het gebied van het bodembeschermingsbeleid betekenen. Om hieraan tegemoet te komen zou in elk geval een algemeen verbod te handelen «in strijd met het bodembeschermingsbelang» in de wet opgenomen kunnen worden, wat een grondslag zou kunnen bieden tot optreden ook als er (nog) geen van toepassing zijnd uitvoeringsbesluit in werking is. Wil de Minister aangeven hoe deze gedachte uit te werken zou zijn?’

8. De ministers Winsemius en Braks antwoordden daarop dat de ‘aan dit voorstel ten grondslag liggende gedachte om eventueel op te kunnen treden voordat uitvoeringsbesluiten van de artikelen 8-13 van kracht zijn’ ten volle werd onderschreven. De ministers wezen op art. 18, dat het mogelijk wilde maken om ‘bij ministerieel besluit onmiddellijk op te treden waar dit geboden is om ernstige schade te voorkomen’.4 Een zorgplichtbepaling werd door de ministers niet voorgesteld. In de Nota naar aanleiding van het verslag wezen zij die gedachte af:5

‘De derde aanbeveling betreft het in de Wet bodembescherming opnemen van een algemene zorgplicht ten aanzien van de bodem. Handelen in strijd met deze plicht zou dan handelen in strijd met een wettelijk voorschrift zijn, zodat onrechtmatigheid uit dien hoofde kan worden aangenomen. De leden van de D'66-fractie waren hierop reeds in het voorlopig verslag ingegaan. In de milieuwetgeving is tot nu toe alleen in artikel 2 van het ontwerp van de Wet milieugevaarlijke stoffen een zorgplicht-bepaling opgenomen. Voor de motivering hiervan moge verwezen worden naar de parlementaire behandeling van dat wetsontwerp. Het opnemen van een zorgplicht-bepaling in de milieuwetgeving heeft in feite niet alleen betrekking op het milieucompartiment bodem, maar ook op de overige milieucompartimenten. Het ligt daarom in de rede dat het eventueel opnemen van een dergelijke bepaling in de milieuwetgeving aan de orde komt bij de verdere uitbouw van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne. Vooruitlopend daarop wordt er dan ook van afgezien een dergelijke bepaling in het onderhavige wetsontwerp op te nemen.’

9. Het Kamerlid Lansink stelde vervolgens een amendement voor. Dat stelde voor na art. 13 een artikel in te voegen, luidend:6

‘leder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 8-13 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, deze zoveel mogelijk te beperken en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.’

10. De toelichting was kort: ‘Deze amendementen beogen een algemene zorgplicht in de wet vast te leggen’. Minister Winsemius liet het oordeel over dit amendement aan de Tweede Kamer.7 Het amendement is vervolgens met algemene stemmen aangenomen8 en als art. 14 in de Wet bodembescherming gekomen.

11. Enkele jaren later is een wetsvoorstel ingediend dat strekte tot uitbreiding van de Wet bodembescherming met een regeling inzake de sanering van de bodem.9 Dat bracht ook wijziging in art. 14 Wet bodembescherming. In het aanvankelijke wetsvoorstel werd voorgesteld de zinsnede ‘deze zoveel mogelijk te beperken en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken’ te vervangen door: ‘de bodem te saneren of de aantasting en de directe gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken’. Deze voorgestelde wijziging werd als volgt toegelicht:10

‘Onderdeel B

Artikel 14 bevat de wel zogenoemde zorgplicht ten aanzien van de bodem. De wijziging in onderdeel B strekt ertoe artikel 14 aan te passen aan de terminologie, gebruikt in de begripsomschrijving van saneren. Zij heeft geen inhoudelijke betekenis.

Terzijde zij opgemerkt dat in artikel 14 wordt gesproken van «handelingen als bedoeld in de artikelen 8 - 13». Deze term geeft aan dat de verplichting van artikel 14 betrekking heeft op de handelingen waar de artikelen 8 - 13 op doelen. Voor het gelden van de bovenbedoelde verplichtingen is het dus niet nodig dat op grond van die artikelen uitvoeringsmaatregelen bestaan, in de vorm van algemene maatregelen van bestuur die betrekking hebben op de verontreinigende handeling. Zou dat wel de bedoeling zijn geweest, dan had de formulering moeten zijn: handelingen ten aanzien waarvan regels zijn gesteld krachtens de artikelen 8-13. Wellicht ten overvloede zij er op gewezen dat onder «handelen» mede «nalaten» wordt begrepen.

Op grond van artikel 14 moeten alle maatregelen worden genomen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd. Dat brengt met zich dat degene die bij het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 14, kennis neemt van een verontreiniging of aantasting van de bodem ten gevolge van die handelingen, onverwijld passende curatieve maatregelen dient te nemen. In artikel 21 is bepaald dat hij daarvan zo spoedig rnogelijk melding doet aan gedeputeerde staten.

Het is denkbaar dat voor handelingen waar artikel 14 op doelt, regels zijn gesteld met het oog op de bescherming van de bodem. Dat is bijvoorbeeld het geval voor handelingen waarvoor op grond van de artikelen 8-13 regels gelden. Een voorbeeld daarvan zijn de regels in het kader van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen. Degene die zich aan die regels houdt, mag er in beginsel van uit gaan dat hij daardoor voldoet aan de verplichting van artikel 14 alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde de verontreiniging of aantasting van de bodem ten gevolge van de betrokken handeling te voorkomen. In het algemeen zal hij ook geen melding behoeven te doen op grond van artikel 21. Uiteraard zal hij de nodige zorgvuldigheid in acht moeten blijven nemen. Hetzelfde geldt voor degene die zich gedraagt overeenkomstig eisen gesteld bij of krachtens andere wetten voor zover bij het stellen van die eisen uitdrukkelijk (mede) het belang van de bescherming van de bodem in acht is genomen.

Over de zorgplicht in het algemeen vindt momenteel discussie plaats in het kader van de Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten. Te verwachten is dat het Kabinet daarover binnenkort een standpunt zal innemen. Dit zal consequenties kunnen hebben voor de in artikel 14 opgenomen zorgplicht.’

12. De voorgestelde herformulering is bij Nota van Wijziging nog enigszins aangepast.11 De zinsnede ‘zoveel mogelijk’ sloeg daarna alleen op het ongedaan maken; verder werd een tweede volzin toegevoegd. In de memorie van antwoord is over art. 14 Wet bodembescherming nog het volgende opgemerkt:12

‘De leden van de fractie van de PvdA wilden weten waarom in het artikel over de zorgplicht wordt verwezen naar de artikelen 8-13. Deze verwijzing dient om de soort handelingen aan te duiden. Dat zijn de handelingen die zijn bedoeld in die artikelen, dus de handelingen waarvoor op grond van de artikelen 8-13 regels kunnen worden gesteld. Dat betekent niet dat de plicht eerst ingaat als die regels zijn gesteld. Was dat de bedoeling, dan zou dat met zo veel woorden in artikel 14 zijn aangegeven. Aangezien de zorgplichtbepaling over deze soort handelingen gaat, is zij goed op haar plaats na artikel 13. Overigens zij opgemerkt dat bij het onderhavige wetsvoorstel slechts die wijzigingen in de Wet bodembescherming worden aangebracht die samenhangen met de saneringsregeling. Een verdergaande herschikking van artikelen past daar niet in.’

13. De vernummering van art. 14 Wet bodembescherming tot art. 13 Wet bodembescherming is het gevolg van een tekstplaatsing in 1994.13 Nadien is in 2005 de term ‘bodem te saneren’ nog vervangen door ‘de verontreiniging’.14 Art. 13 van de Wet bodembescherming luidt sindsdien als volgt:

‘Ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.’15

14. Voor strafbaarheid uit hoofde van art. 13 Wet bodembescherming dient derhalve vast te staan dat sprake is van het op of in de bodem verrichten van handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat niet vereist is dat de handelingen in strijd zijn met de bij AMvB gestelde regels. In die zin oordeelde ook Uw Raad. In HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9474, NJ 1994/99 leidde Uw Raad uit de parlementaire behandeling van de Wet bodembescherming af ‘dat de wetgever met art. 14 Wet bodembescherming de mogelijkheid heeft geschapen om reeds, in afwachting van de totstandkoming van op de art. 8–13 berustende algemene maatregelen van bestuur, strafrechtelijk te kunnen optreden tegen, kort gezegd, bodembedreigende handelingen’.

15. Tot de handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 behoren die ‘waarbij stoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten, op of in de bodem worden gebracht, teneinde deze aldaar te laten’ (art. 6 Wet bodembescherming). Tot deze handelingen behoort, naar het mij voorkomt, ook ‘het transporteren van (…) stoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten’ (art. 9 Wet bodembescherming). De eis dat de stoffen bij AMvB zijn aangewezen is in de context van art. 13 Wet bodembescherming – in het licht van de geciteerde passages uit de wetsgeschiedenis – naar het mij voorkomt niet van toepassing. De gedachte is immers geweest, zoals Uw Raad het formuleerde, om in afwachting van de totstandkoming van de algemene maatregelen van bestuur te kunnen optreden tegen bodembedreigende handelingen. Tot de bedoelde handelingen behoren ook die ‘waarbij als nevengevolg stoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten, op of in de bodem geraken’ (art. 10 Wet bodembescherming). De strafrechter is niet gehouden aan te geven welke van de in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming bedoelde handelingen in het geding zijn, mits uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen dat sprake is van een van de in die artikelen aangeduide handelingen.16

16. Art. 13 Wet bodembescherming eist niet dat de bodem is verontreinigd of aangetast. Voor strafbaarheid volstaat dat de bodem door het verrichten van de betreffende handelingen kan worden verontreinigd of aangetast.17 In HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2976 stond ter discussie of aan die eis was voldaan. De tenlastelegging zag op het opslaan van paardenmest op de bodem of in een op de bodem geplaatste container zonder een absorberende laag onder die mest aan te brengen of die mest voldoende af te dekken. De verdachte had verklaard dat hij onder de klinkerbestrating waar de container op stond een puinlaag had laten aanbrengen. Het hof had vrijgesproken omdat ‘niet buiten enige mate van redelijke twijfel’ vaststond dat door de handelingen van verdachte de bodem kon worden verontreinigd. Uw Raad overwoog dat dit oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend geformuleerd was, nu ‘niets vastgesteld is kunnen worden omtrent de samenstelling en de dikte van de puinlaag’.

17. In HR 6 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6088, NJ 2000/445 zag de tenlastelegging op het zonder bodembeschermende maatregelen op de bodem opslaan van 16m3 paardenmest. Uw Raad overwoog dat noch van algemene bekendheid is noch uit de bewijsmiddelen kon volgen dat het opslaan van deze hoeveelheid paardenmest een handeling is waardoor de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast. Daardoor was de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed. In HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5126 werd een veroordeling eveneens gecasseerd. Uit de bewijsvoering van het hof kon niet zonder meer volgen noch was het volgens Uw Raad een feit van algemene bekendheid dat het achterlaten van de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen, in het bijzonder het plastic en de autobanden, een handeling betrof waardoor de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast. Voor een veroordeling wegens art. 13 Wet bodembescherming is niet vereist dat het om een grote hoeveelheid verontreinigende stoffen gaat. HR 22 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9872, NJ 1995/438 betrof een veroordeling wegens het op straat vervangen van het motorblok van een auto door een ander motorblok, waarbij de politie constateerde dat olie uit dat motorblok op straat lekte.

18. Een veroordeling wegens art. 13 Wet bodembescherming bleef in stand in HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1661 (art. 81 RO; ongepubliceerd). Uit de conclusie van A-G Wortel blijkt dat de bewezenverklaring zag op het op onbeschermde bodem opslaan van een hoeveelheid koelkasten, diepvriezers, accu’s en olievaten. De vloer bestond uit los zand. Ook was er een brandstofinstallatie aanwezig bestemd voor het aftanken van landbouwvoertuigen die was geplaatst in een niet gecertificeerde bak die zo was opgesteld dat bij het aftanken gemorste brandstof in de bodem terecht zou komen. Daarbij stonden ook diverse jerrycans met olieachtige inhoud, zonder voorzieningen om bij morsen verontreiniging van de bodem te voorkomen. Ook al dan niet gedemonteerde koelkasten en losse motoren stonden deels buiten de loods op de onverharde ondergrond. Dat daadwerkelijk olie gemorst was, blijkt niet.

19. In ABRvS 9 april 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC9035 stond een last onder dwangsom ter discussie die was opgelegd aan de Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V. De Afdeling oordeelde dat het ‘tijdelijk op de grond plaatsen van met benzine gevulde jerrycans, containers met motorolie en mobiele oliepompen’ niet kon worden beschouwd als het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet bodembescherming, ‘nu het geen handelingen betreft die zijn gericht op het op of in de bodem brengen van stoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten’. Maar ‘met het vullen van de brandstofreservoirs van motorvoertuigen door middel van met benzine gevulde jerrycans’ was wel gehandeld in strijd met art. 13 Wet bodembescherming.

20. In ABRvS 9 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3753 was bestuursdwang toegepast ter verwijdering van een voormalige SRV-wagen op een trailer. De Afdeling overwoog dat de stelling van appellant dat er geen brandbare stoffen meer in de (door een eerdere brand zwaar beschadigde) SRV-wagen aanwezig waren, niet werd gevolgd. In dat kader werd overwogen dat appellant het rapport waaruit hij dat zou hebben afgeleid niet had overgelegd en niet zelf had gecontroleerd of er nog brandbare stoffen in de wagen aanwezig waren. De Afdeling nam aan dat appellant ‘de wagen in zwaar beschadigde toestand en zonder deze deugdelijk aan de trailer te bevestigen aan de Koopvaardijweg heeft neergezet en daar gedurende langere tijd heeft achtergelaten’. En stelde vast dat appellant ‘heeft nagelaten voldoende voorzorgsmaatregelen te treffen teneinde te voorkomen dat als nevengevolg van het op vorenomschreven wijze onbeschermd achterlaten van een zwaar beschadigd voertuig olie en benzine uit dit voertuig op of in de bodem zouden terechtkomen’.

21. Art. 13 Wet bodembescherming is ook bij de Afdeling aan de orde geweest in verband met de productie van amfetamine. Relevant voor de onderhavige zaak is ABRvS 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2639. In deze zaak was bestuursdwang toegepast in verband met een amfetaminelaboratorium nadat door gemeentelijke toezichthouders was ‘vastgesteld dat de activiteiten in dit laboratorium zeer waarschijnlijk een bodemverontreiniging hebben veroorzaakt, doordat vloeistoffen vanuit een put met behulp van een pomp en een slang in de bodem zijn gebracht’ (rov. 1). De betrokkenheid van appellant ‘bestond in ieder geval uit het transporteren van een grote hoeveelheid chemicaliën naar het laboratorium en het verrichten van hand- en spandiensten in het laboratorium, zoals het ophangen van afzuigapparatuur’. Appellant bestreed dat hij handelingen als bedoeld in de artikelen 6 tot met 11 van de Wet bodembescherming had verricht, een ander zou feitelijk verantwoordelijk zijn voor het lozen van afvalstoffen in de bodem via de put. De Afdeling overwoog dat ‘ook het in werking hebben van het laboratorium zelf’ kan worden aangemerkt als een dergelijke handeling nu vaststaat ‘dat het in werking hebben van het amfetaminelaboratorium als direct gevolg heeft gehad dat verontreinigende stoffen in de bodem zijn gebracht’. Tegen die achtergrond was naar het oordeel van de Afdeling van een handeling als bedoeld in art. 10, eerste lid, Wet bodembescherming sprake.18

Bespreking van het eerste middel

22. De steller van het middel meent dat het hof in zijn bewijsmotivering nadrukkelijk in het midden heeft gelaten of de door de verdachte achtergelaten vaten en jerrycans al dan niet waren gevuld met een (vloei)stof. Het hof zou kennelijk de opvatting zijn toegedaan (a) dat (lege) vaten en jerrycans reeds zijn aan te merken als ‘afvalstoffen’ en (b) dat het op de bodem achterlaten of neerleggen van dergelijke goederen zonder meer tot verontreiniging van de bodem kan leiden.

23. Informatie omtrent de samenstelling van het afval dat door de verdachte en de medeverdachte bij de dumping op het bospad aan de Luikerweg te Valkenswaard is achtergelaten kan worden ontleend aan bewijsmiddel 4. Daaruit blijkt dat een kartonnen doos met een gebruikte rondbodemkolf, twee blauwe 220 liter vaten, drie witte 10 liter jerrycans, drie rode 10 liter jerrycans, vier blauwe 10 liter jerrycans, een witte emmer met bruine restanten, een aluminium koffer met gebruikte weegschaal, alsmede een gemodificeerd zwart deksel zijn aangetroffen. Opgemerkt wordt dat de vaten en jerrycans en de inhoud van de jerrycans roken naar amfetamine en bij de productie van amfetamine gebruikte chemicaliën en ontstane afvalstoffen. Kennelijk bevatten de jerrycans ‘inhoud’. Anders dan bij de goederen die in de laadruimte van de vrachtauto zijn aangetroffen wordt bij geen enkel vat en bij geen enkele jerrycan specifiek gerept over een vulling met een (vloei)stof. Uit de ‘Interpretatie LFO’ kan evenmin nadere informatie over de vulling van op het bospad aangetroffen vaten en jerrycans worden afgeleid.

24. Dat de op het bospad aangetroffen jerrycans afval bevatten ‘afkomstig van de productie van amfetamine’ kan wel worden afgeleid uit bewijsmiddel 6, het ‘Incidentformulier Inzet LFO Valkenswaard – Luikerweg’. Vermeld wordt ook dat het aangetroffen materiaal overeenkwam ‘met het materiaal wat in de vrachtauto was aangetroffen’. Uit de analyse van de monsters die van dat materiaal zijn genomen volgt dat deze monsters N-formylamfetamine, Leuckart syntheseverontreinigingen, Benzylmethylketon en amfetamine bevatten (bewijsmiddel 7). Om hoeveel afval het gaat, wordt in de bewijsmiddelen niet vermeld. Bewijsmiddel 4 doet betwijfelen dat het om een groot aantal liters gaat. De in de laadruimte van de vrachtauto aangetroffen hoeveelheid chemisch afval wordt geschat op ‘circa 1.500 liter’; bij de bespreking van de op beide locaties aangetroffen materialen (‘Interpretatie LFO’) wordt weer gesproken over ‘circa 1.500 liter afval’. Maar het gaat ook om tien jerrycans van tien liter, die niet helemaal gevuld behoeven te zijn geweest.

25. Het hof heeft in de bewijsoverwegingen inzake feit 1 vastgesteld dat de meeste op het bospad aangetroffen jerrycans waren gevuld met afval. Daarmee heeft het hof niet, zoals de steller van het middel meent, in het midden gelaten of de door de verdachte achtergelaten vaten en jerrycans waren gevuld met (vloei)stof. Die gedachte is bij de steller van het middel gewekt doordat het hof in de bewijsoverwegingen inzake feit 2 ‘(l)os van de vraag of de door verdachte neergelegde vaten en jerrycans al dan niet waren gevuld met een (vloei)stof’ op grond van het dossier vaststelt dat ‘hiermee sprake is geweest van het neerleggen van afvalstoffen afkomstig van de productie van drugs’. Het hof heeft daarmee, zo volgt uit de bewijsmotivering in zijn geheel beschouwd, niet in het midden willen laten of de op het bospad neergelegde vaten en jerrycans gevuld waren met een (vloei)stof, maar heeft duidelijk willen maken dat het hier een andere, daarvan losstaande voorwaarde voor strafbaarheid adresseert. In zoverre het middel van een andere lezing van ’s hofs overweging uitgaat, faalt het.

26. De steller van het middel formuleert ook een klacht voor het geval wel wordt aangenomen dat de op het bospad neergelegde vaten en jerrycans gevuld waren met een potentieel bodemverontreinigende (vloei)stof. In die situatie zou nog steeds vaststaan dat het drugsafval geëmballeerd was. En dat zou in beginsel in de weg staan aan de vaststelling ‘dat dit drugsafval de bodem heeft bereikt of heeft kunnen bereiken’. Daarbij wijst de steller van het middel op de casus in de zaak die ten grondslag lag aan HR 13 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:49.

27. In die zaak was de tenlastelegging toegesneden op art. 8.1 (oud) Wet milieubeheer. Dat bevatte onder meer een verbod om zonder daartoe verleende vergunning een inrichting van een bij AMvB aangewezen categorie in werking te hebben.19 Bewezen was verklaard (kort gezegd) dat rechtspersonen zonder vergunning een afvalstoffeninrichting in werking hadden gehad, aan welke gedraging de verdachte feitelijk leiding had gegeven. De casus houdt, zo volgt uit de door A-G Vegter geciteerde overwegingen van het hof, in dat het industrieproduct carbon black door de voormalige huurder van loodsen van de verdachte was achtergelaten. Die huurder – zo wist de verdachte – had de carbon black op zijn beurt ontvangen van een ander bedrijf. Het hof had vastgesteld dat de carbon black vanaf het moment dat dit bedrijf zich ervan ontdeed was aan te merken als afvalstof. Het karakter van afvalstof is daaraan vervolgens niet meer komen te vervallen. Ik zie niet hoe uit de casus van dit arrest kan volgen dat, zoals de steller van het middel daaruit lijkt af te leiden, de omstandigheid dat het drugsafval was geëmballeerd in de weg staat aan de vaststelling dat dit drugsafval de bodem heeft kunnen verontreinigen.

28. Uitgangspunt bij de beoordeling van deze klacht kan zijn dat uit de bewijsmotivering in toereikende mate volgt dat de inhoud van de jerrycans, indien deze op en in de bodem terecht was gekomen, tot verontreiniging en aantasting van de bodem had geleid. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat die inhoud afvalstoffen afkomstig van de productie van drugs betrof waardoor de bodem kon worden verontreinigd. Ik wijs er daarbij op dat de op het bospad aangetroffen vaten en jerrycans en de inhoud van de jerrycans roken naar amfetamine en bij de productie van amfetamine gebruikte chemicaliën en ontstane afvalstoffen, dat kenmerkende gelijkenissen zijn vastgesteld tussen de aldaar aangetroffen materialen en de in de vrachtwagen aangetroffen materialen en dat in monsters genomen van vloeistoffen die in de vrachtwagen zijn aangetroffen de eerder omschreven stoffen zijn aangetroffen. Ik wijs ook op het door medeverdachte [medeverdachte] gevoerde ovc-gesprek, waarin hij spreekt over een bakwagen die tot de nok vol zat met chemicaliën (bewijsmiddel 11). De steller van het middel bestrijdt als ik het goed zie ook niet dat in het geval de overwegingen van het hof zo moeten worden gelezen dat de jerrycans (vloei)stoffen bevatten, deze in potentie bodemverontreinigend zijn.

29. Waar het de steller van het middel om gaat is of de omstandigheid dat deze afvalstoffen in jerrycans zitten, meebrengt dat het neerleggen daarvan niet kan worden aangemerkt als een handeling ‘waardoor de bodem kon worden verontreinigd’. Naar het mij voorkomt staat deze omstandigheid daar gelet op de vaststellingen van het hof niet aan in de weg. Het tijdelijk op de grond plaatsen van jerrycans met benzine in de context van het Circuit Park Zandvoort is wat anders dan het definitief achterlaten van jerrycans met drugsafval aan een bospad. Net als bij de SRV-wagen is er sprake van ‘onbeschermd achterlaten’; de verdachte heeft verklaard dat hij enkele tonnen uit de auto heeft getrokken en weggegooid (bewijsmiddel 9). Elke controle op wat er verder met het afval gebeurt ontbreekt; de betrokkenen hebben het niet langer in hun macht om te voorkomen dat het afval al dan niet door toedoen van derden dan wel weersinvloeden (regen, wind, vorst) alsnog tot bodemverontreiniging leidt. Uit de besproken rechtspraak volgt voorts niet dat vaststellingen noodzakelijk zijn omtrent de kans dat en de termijn waarop de afvalstoffen die zich in de betreffende jerrycans bevinden daadwerkelijk in de bodem terechtkomen.20 Reeds op deze grond kan de bewezenverklaring voor zover daarin besloten ligt dat sprake is van handelingen op de bodem verrichten, bestaande uit het neerleggen van afvalstoffen, waardoor de bodem kon worden verontreinigd, naar het mij voorkomt uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.

30. Daar komt bij dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de gedragingen van de verdachte zich niet beperkten tot het neerleggen van de op het bospad aangetroffen voorwerpen. Zoals het hof in de bewijsoverweging ten aanzien van feit 2 vaststelt, is op basis van die bewijsmiddelen komen vast te staan dat de verdachte ‘midden in de nacht de bestuurder is geweest van een volgeladen vrachtauto waarmee vervolgens drugsafval is gedumpt’. Ik wijs erop dat het hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte ‘tezamen en in vereniging met een ander, handelingen op de bodem heeft verricht, bestaande uit het neerleggen van afvalstoffen’. Het hof heeft als handelingen die op de bodem zijn verricht niet bewezenverklaard het (wel tenlastegelegde) opslaan of opgeslagen houden van afvalstoffen. En het hof heeft in de eerder besproken zin de vraag of de neergelegde vaten en jerrycans gevuld waren met vloeistof losgekoppeld van de vraag of sprake was van (de handeling) neerleggen. Dat kan ook zo worden begrepen dat het hof het neerleggen inclusief het daaraan voorafgaande vervoeren heeft aangemerkt als de handeling die de zorgplicht welke de kern vormt van art. 13 Wet bodembescherming voor de op het bospad aangetroffen verontreinigende stoffen deed ontstaan. Zo gelezen ligt in ’s hofs vaststellingen besloten dat niet alleen sprake is van ‘handelingen waarbij stoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten, op of in de bodem worden gebracht, ten einde deze aldaar te laten’ (art. 6 Wet bodembescherming), maar ook van ‘het transporteren van (…) stoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten’. Dat door het samenstel van deze handelingen de bodem kon worden verontreinigd, heeft het hof in deze lezing mede afgeleid en kunnen afleiden uit de wijze waarop het transport plaatsvond. De beschrijving van de inhoud van de laadruimte van de vrachtauto maakt duidelijk dat het vervoer van circa 1.500 liter chemisch afval plaatsvond op een wijze waardoor de bodem kon worden verontreinigd (bewijsmiddel 4).

31. Al met al heeft het hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat sprake was van het verrichten van (in de artikelen 6 tot en met 11 Wet bodembescherming omschreven) handelingen op de bodem, bestaande uit het neerleggen van afvalstoffen, afkomstig uit de productie van drugs, waardoor de bodem kon worden verontreinigd, en heeft het de bewezenverklaring in zoverre ook overigens toereikend met redenen omkleed.

32. Het middel faalt.

Het tweede middel; slot

33. Het tweede middel klaagt dat de inzendtermijn in de cassatiefase is geschonden.

34. Namens de verdachte is op 15 mei 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 23 augustus 2019 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim zeven maanden is overschreden. Ambtshalve wijs ik erop dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

35. Het tweede middel is gegrond.

36. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt. Ambtshalve heb ik, afgezien van de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

37. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het hof maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II 1980/81, 16 529, nr. 2.

2 Kamerstukken II 1981, 16 529, nr. 6, p. 2.

3 Kamerstukken II 1981, 16 529, nr. 6, p. 22-23.

4 Kamerstukken II 1983/84, 16 529, nr. 7, p. 27.

5 Vgl. Kamerstukken II 1984/85, 16 529, nr. 10, p. 3-4.

6 Kamerstukken II 1984/85, 16 529, nr. 20. Vgl. ook Handelingen II 1984/85, p. 4027, waar Kamerlid Lansink aangeeft dat het hem verstandig lijkt ‘nu al een zorgplicht vast te leggen’.

7 Handelingen II 21 maart 1985, p. 4222; Handelingen II 26 maart 1985, p. 4285.

8 Handelingen II 11 juni 1985, p. 5553.

9 Kamerstukken II 1989/90, 21 556, nrs. 1-2.

10 Kamerstukken II 1989/90, 21 556, nr. 3, p. 39-40.

11 Kamerstukken II 1991/92, 21 556, nr. 6.

12 Kamerstukken II 1991/92, 21 556, nr. 5, p. 55.

13 Stb. 1994, 374.

14 Wet van 15 december 2005, Stb. 680.

15 Op grond van art. 1a, onder 1°, WED levert de overtreding van art. 13 Wet bodembescherming een economisch delict op. Voor zover opzettelijk begaan is sprake van een misdrijf, en anders is sprake van een overtreding (art. 2 lid 1 WED).

16 HR 22 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9872, NJ 1995/438.

17 Zie onder meer ABRvS 3 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL6256, AB 2010/110 m.nt. Michiels, rov. 2.6.3; ABRvS 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2224, rov. 3.1.

18 Zie voorts ABRvS 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1458. Daarin was bestuursdwang toegepast toen tijdens een controle was geconstateerd dat in een paardenstal vaten waren opgeslagen die deels waren gevuld met drugsgerateerde stoffen. Centraal stond de vraag of aan de verhuurder van een perceel waar door anderen vaten met drugsgerelateerde stoffen waren opgeslagen, het handelen van die anderen kon worden toegerekend in het kader van art. 13 Wet bodembescherming.

19 Art. 8.1 Wet milieubeheer is per 1 oktober 2010 vervallen (Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Stb. 2010, 142). Zie thans art. 2.1 sub e Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

20 In lagere rechtspraak wordt in dit verband wel verwezen naar een standaardverklaring van het NFI over de milieu- en gezondheidsrisico’s van het achterlaten van (afval)stoffen van de MDMA en amfetamine productie. Rechtbank Limburg 25 september 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:8655 leidt daaruit af ‘dat de aangetroffen afvalstoffen door hun zeer lage of juist zeer hoge pH-waardes als bijtend (corrosief) moeten worden aangemerkt. Deze stoffen kunnen chemische brandwonden veroorzaken en de ogen ernstig beschadigen. Het opslaan in emballage van dergelijke stoffen is een bodembedreigende handeling en het lozen daarvan een bodemverontreinigende handeling die bedreigend is voor veel leven en verstorend is voor de neutrale pH-waarde van de Nederlandse bodem’. Vgl. ook Rechtbank Overijssel 28 november 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:4704 (bewijsmiddel 3) en Rechtbank Overijssel 24 september 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:3479 (noot 24).