Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:84

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-02-2020
Datum publicatie
06-02-2020
Zaaknummer
18/04771
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:495
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Middelen met betrekking tot de beslissingen van het hof inzake het volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv en de redelijke termijn. De cocnclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04771

Zitting 4 februari 2020

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte

  1. De verdachte is bij arrest van 5 november 2018 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van het voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

  2. Namens de verdachte heeft mr. O.J. Much, advocaat te Sliedrecht, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 5 augustus 2015 te Breda tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2060 gram van een materiaal bevattende amfetamine (pasta), zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“Het hof volstaat op de voet van het bepaalde in artikel 359 lid 3 Wetboek van Strafvordering met de opgave van de bewijsmiddelen, aangezien de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit.

- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 22 oktober 2018;

- Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 augustus 2015 (pg. 7-9), opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] ;

- Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 augustus 2015 (pg. 10-11), opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] ;

- Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 augustus 2015 (pg. 14-15), opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5] ;

- Het rapport van het NFI d.d. 14 september 2015 met zaaknummer 2015.09.03.044 (pg. 16-17), opgemaakt door deskundige Ing. P.H. Wallinga.”

6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2018 heeft de raadsman aldaar het woord tot verdediging gevoerd en, voor zover hier van belang, het volgende naar voren gebracht:

“Ik wil voorop stellen dat cliënt schuld heeft bekend en spijt heeft van zijn daden. Ik ben van mening dat op grond van de observatie, voorafgaande aan het in de auto van verdachte aantreffen van de in de tenlastelegging bedoelde hoeveelheid amfetamine, geen sprake kon zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Gelet hierop was doorrechercheren door de politie op dat moment niet toegestaan, hetgeen met zich meebrengt dat bewijsuitsluiting dient te volgen dan wel dient te worden overgegaan tot strafvermindering.”

7. Dit verweer is door het hof verworpen en wel als volgt:

Bewijsoverwegingen

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de observatie, voorafgaande aan het in de auto van verdachte aantreffen van de in de tenlastelegging bedoelde hoeveelheid amfetamine, geen sprake kon zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Gelet hierop was ‘doorrechercheren’ - zo stelt de verdediging - door de politie op dat moment niet toegestaan, hetgeen met zich meebrengt dat bewijsuitsluiting dient te volgen dan wel dient te worden overgegaan tot strafvermindering.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het verweer wordt verworpen nu de verdediging niet aan de hand van de in artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde criteria (nader ontwikkeld door de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321) gemotiveerd heeft aangegeven waarom het gestelde vormverzuim moet leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering.”

8. Art. 359, derde lid, Sv luidde in de tenlastegelegde (en bewezenverklaarde) periode, en luidt ook thans nog:

"De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit."

Dit artikel is ingevolge art. 415 Sv van overeenkomstige toepassing op het rechtsgeding in hoger beroep.

9. Uit de bewoordingen van art. 359, derde lid, Sv en de (vaste) rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens de verdachte ter terechtzitting op welke grond dan ook vrijspraak is bepleit.1 Wordt in een dergelijk geval toch volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, dan doet zich een motiveringsgebrek voor en kan de bestreden uitspraak in beginsel niet in stand blijven.

10. In de voorliggende zaak heeft de raadsman in hoger beroep aangevoerd dat op grond van de observatie geen sprake kon zijn van een redelijk vermoeden van schuld en dat daarom verder rechercheren niet was toegestaan, zodat bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering dient te volgen. Volgens de toelichting op het middel zou uit dit verweer voor zover het betrekking heeft op bewijsuitsluiting, moeten worden afgeleid dat “wel degelijk vrijspraak is bepleit”. De vraag is of deze gevolgtrekking voor juist kan worden gehouden, hoewel de raadsman het woord vrijspraak in zijn pleidooi niet heeft gebezigd, en, zo ja, wat daarvan dan het rechtsgevolg zou moeten zijn.

11. Een vergelijking dringt zich op met de zaken die hebben geleid tot de arresten van HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0492, NJ 2007/314 en HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2773. In beide zaken ging het om 1. het aanwezig hebben respectievelijk het telen van hennepplanten en 2. diefstal van stroom. Wat betreft het arrest van 15 mei 2007 had de verdachte onder meer verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode stroom van Nuon had gestolen. De raadsman van de verdachte voerde in hoger beroep aan dat voor het aanwezig hebben van de hennepplanten voldoende bewijs was, maar geen sprake was van een vorm van betrokkenheid bij het tweede feit; de enkele handtekening van zijn cliënt op de huurovereenkomst gaf niet aan dat hij ook de stroom had gestolen. Ook in die zaak, waarin de verdachte had bekend, had de raadsman het woord vrijspraak niet in de mond genomen. Het hof had naar aanleiding van het verweer overwogen dat en waarom het "anders dan de raadsman" van oordeel was dat de verdachte wel betrokken was geweest bij de onder 2 tenlastegelegde diefstal. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat in die zaak kon worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv, onjuist, omdat hetgeen de raadsman had aangevoerd bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als ontkenning van de tenlastelegging en dat daarom de bewezenverklaring van het medeplegen van de diefstal van stroom ontoereikend was gemotiveerd. In de zaak waarover het arrest van 16 september 2014 ging, was door de raadsman van de verdachte bepleit dat geen sprake was van een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet en daarom een krachtig signaal diende te worden afgegeven door middel van bewijsuitsluiting. Mijn ambtgenoot Vegter noemde het in zijn voorafgaande conclusie opmerkelijk en tegelijkertijd interessant dat de raadsman van verdachte het woord “vrijspraak” niet expliciet had gebezigd, maar meende niettemin dat het betoog de strekking had een bewezenverklaring te voorkomen. De Hoge Raad deelde die mening en vond het oordeel van het hof dat kon worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv, onjuist, nu hetgeen door de raadsman was aangevoerd bezwaarlijk anders kon worden verstaan dan “als strekkende tot vrijspraak van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten”.2De bewezenverklaring van deze feiten was daarom ontoereikend gemotiveerd.

12. Uit deze arresten blijkt dat ook zonder dat van vrijspraak in het verweer wordt gesproken, niet met enkel een opgave van de bewijsmiddelen kan worden volstaan indien kan worden gezegd dat het een tot vrijspraak strekkend verweer betreft.3

13. De vraag is nu of hetgeen door de raadsman in de onderhavige zaak is aangevoerd bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde feit. Degene die deze vraag in ontkennende zin wil beantwoorden, zou daarvoor als argumenten kunnen aandragen: (i) de raadsman is zijn pleidooi op ’s hofs terechtzitting aangevangen met de vooropstelling “dat cliënt schuld heeft bekend en spijt heeft van zijn daden”; (ii) de bewezenverklaring is niet enkel gebaseerd op de processen-verbaal van bevindingen ter zake van de doorzoeking van de auto, maar tevens op de (ondubbelzinnige en stellige) bekentenis van de verdachte in hoger beroep en het rapport van het NFI, zodat ook met weglating van die processen-verbaal van bevindingen uit de bewijsvoering nog altijd voldoende bewijsmateriaal voor een bewezenverklaring overblijft. Daargelaten of dat laatste juist is, zal degene die de vraag in bevestigende zin wenst te beantwoorden ter onderbouwing van zijn standpunt kunnen aanvoeren: (i) gelet op het arrest van HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0492, NJ 2007/314 gaat het in een geval als het onderhavige er niet om of de verdachte heeft bekend of niet, maar om de vraag of de raadsman vrijspraak heeft bepleit in de zin van art. 359, derde lid, Sv; (ii) om dezelfde reden doet het er in het verband van art. 359, derde lid, Sv niet toe of met weglating van de bedoelde processen-verbaal genoeg bewijsmateriaal resteert, simpelweg omdat deze bepaling nu eenmaal voorschrijft dat met een opgave van bewijsmiddelen niet kan worden volstaan wanneer door de raadsman vrijspraak is bepleit.

14. Naar het mij voorkomt kan in casu het pleidooi van de raadsman bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde feit, mede in aanmerking genomen dat het daarbij niet van belang is op welke grond de vrijspraak is bepleit. Tevens heb ik in ogenschouw genomen hetgeen Van Dorst schrijft met betrekking tot het volstaan met een opgave van bewijsmiddelen: “De Hoge Raad is vrij strikt als het gaat om deze uitzondering. Bij de geringste aanwijzing dat de verdachte het tenlastegelegde niet duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend dan wel dat zijn raadsman vindt dat vrijspraak moet volgen, mag niet worden volstaan met de enkele opsomming van de bewijsmiddelen”.4 Ook wijs ik erop dat het hof het verweer heeft samengevat en gemotiveerd heeft verworpen onder het hoofd “Bewijsoverwegingen”, hetgeen er op duidt dat het hof het door de raadsman aangevoerde (mede) heeft verstaan als een tot vrijspraak strekkend bewijsverweer.

15. Uit mijn standpunt vloeit voort dat het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv, onjuist is en dat daarom de bewezenverklaring van het feit ontoereikend is gemotiveerd.

16. Een volgende vraag is nu of de verdachte voldoende belang heeft bij een vernietiging van de bestreden uitspraak op het bedoelde punt en een terugwijzing van de zaak naar het hof.

17. In zijn conclusie vóór het (in randnummer 11 besproken) arrest van HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2773 had mijn ambtgenoot Vegter zich met betrekking tot de desbetreffende zaak afgevraagd welk belang er met cassatie was gediend, nu de verdachte in die zaak ter ’s hofs terechtzitting een gave bekentenis voor beide feiten had afgelegd en de opgave uit een verwijzing bestond naar het proces-verbaal van aantreffen van de hennepplantage (feit 1) en een rapportage diefstal van de elektriciteit (feit 2). Niet onverdedigbaar op het eerste gezicht, aldus Vegter met verwijzing naar de memorie van toelichting bij het ‘wetsvoorstel inzake de aanpassing van de eisen te stellen aan de motivering van de bewezenverklaring bij een bekennende verdachte’,5 was dat zich daar een geval voordeed waarin de bewijsconstructie rechtstreeks uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid. Toch wilde Vegter niet zover gaan: “De rechtspraktijk is gediend bij een eenduidige en daarmee eenvoudig te hanteren benadering. De mogelijkheid af te wegen of in bijzondere gevallen ondanks een betoog tot vrijspraak kan worden volstaan met een opgave van bewijsmiddelen draagt niet bij aan eenduidigheid en eenvoud”. Ook merkte hij op dat een voorstel van mijn vroegere ambtgenoot Vellinga om het verzuim met betrekking tot uitwerking van de bewijsmiddelen niet tot nietigheid te doen leiden,6 door de Hoge Raad niet was gevolgd. Vegter doelde op het (eveneens in randnummer 11 besproken) arrest van HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3686, NJ 2009/260. Als gezegd overwoog HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2773 dat het oordeel van het hof onjuist was; in zoverre volgde hij de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter.

18. Een jaar later echter, introduceerde de Hoge Raad in zijn arrest van 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2460 het gebrek aan belang bij cassatie in een zaak waarin door de raadsman expliciet was verzocht om vrijspraak en het hof toch had volstaan met enkel een opgave van de bewijsmiddelen. De Hoge Raad besliste als volgt:

“Het slagen van de klachten van de middelen behoeft in dit geval evenwel niet tot cassatie te leiden wegens gebrek aan voldoende belang van de verdachte bij vernietiging van de bestreden uitspraak op dit punt en verwijzing. Zonder nadere toelichting, welke in de schriftuur niet is gegeven, valt niet in te zien welk rechtens te respecteren belang de verdachte, die met betrekking tot deze feiten ter terechtzitting in hoger beroep een stellige en ondubbelzinnige bekentenis heeft afgelegd, heeft bij het alsnog weergeven van de inhoud van de desbetreffende, met nauwkeurigheid aangeduide, processen-verbaal van aangifte en van sporenonderzoek, waarvan de korte inhoud hem ter terechtzitting in hoger beroep is voorgehouden.”7

19. Deze overweging is mijns inziens mutatis mutandis evenzeer van toepassing op het onderhavige geval. Ook hier is sprake van een stellige en ondubbelzinnige bekentenis van de verdachte en van met nauwkeurigheid aangeduide processen-verbaal en een NFI-rapport, waarvan de inhoud de verdachte ter ’s hofs terechtzitting kort is voorgehouden. De toelichting op het middel vermeldt weliswaar dat de verdachte “belang heeft bij vernietiging van het arrest, nu in dat geval alsnog aan de hand van de in art. 359a tweede lid van het Wetboek van Strafvordering genoemde criteria gemotiveerd kan worden aangegeven waarom het gestelde vormverzuim moet leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering”, maar miskent daarmee tegelijkertijd dat door het hof al is gereageerd op het verweer van de raadsman in hoger beroep en het in dat verband heeft vastgesteld dat het verweer niet aan de eisen van art. 359a, tweede lid, Sv voldoet.

20. Het eerste middel is mijns inziens tevergeefs voorgesteld.

21. Het tweede middel klaagt dat het hof heeft verzuimd gemotiveerd te beslissen op een namens de verdachte gevoerd verweer met betrekking tot de redelijke termijn.

22. Het reeds genoemde proces-verbaal van de terechtzitting van het hof houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

“De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir.

[…]

Het betreft hier een feit uit 2015. Het tijdsverloop in deze zaak hangt echter samen met het verzoek van de verdediging om de getuigen nader te horen.

Volgens de richtlijnen van het openbaar ministerie dient een first offender die in het bezit is van 2000 gram harddrugs een gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 14 maanden te krijgen. De landelijke richtlijnen schrijven echter een lagere straf voor. Ik ben het eens met de door de politierechter opgelegde straf. Verdachte zou eventueel in aanmerking kunnen komen voor een zeer beperkt beveiligde inrichting, waarbij de mogelijkheid bestaat dat verdachte zijn werkzaamheden kan blijven uitvoeren.

Concluderend vorder ik dat uw hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen voor het opzettelijk aanwezig hebben van twee kilo amfetamine tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

[…]

De raadsman voert het woord tot verdediging:

[…]

Mijns inziens gaat de advocaat-generaal eraan voorbij dat de verdediging het strafproces niet opzettelijk heeft vertraagd. Door de vertraging heeft cliënt drie jaar lang in onzekerheid geleefd. Ik ben van mening dat hier rekening mee dient te worden gehouden in de strafoplegging.”

23.Het hof heeft in zijn arrest onder het hoofd “Op te leggen straf” het volgende overwogen:

“Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van het bewezenverklaarde heeft het hof in bijzonder gelet op:

- de aanzienlijke hoeveelheid amfetamine, te weten meer dan 2 kilogram, die verdachte aanwezig heeft gehad;

- de omstandigheid dat het bewezenverklaarde de handel in harddrugs bevordert, waarmee allerlei maatschappelijk ongewenste en negatieve gezondheidseffecten gepaard gaan.

Het hof heeft voor wat betreft de op te leggen strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf in geval van het aanwezig hebben van 2060 gram harddrugs een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden en zeven maanden voor het aanwezig hebben van 1500-2000 gram harddrugs.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 augustus 2018, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder door een strafrechter is veroordeeld;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken;

- het feit dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekend opzettelijk 2060 gram amfetamine aanwezig te hebben gehad en daarmede verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn aandeel in het tenlastegelegde.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof - gelijk de advocaat-generaal en de politierechter - de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, in dit geval passend en geboden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde kan - in tegenstelling tot hetgeen is bepleit door de verdediging - niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich mee brengt.”

24. Vooropgesteld moet worden dat als uitgangspunt geldt dat de feitenrechter ambtshalve dient te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op het in art. 6, eerste lid, EVRM beschreven recht op berechting binnen een redelijke termijn. Dit hoeft de feitenrechter niet te doen wanneer de zaak in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting ter zake geen verweer is gevoerd. Dat betekent dus omgekeerd dat als ter terechtzitting door of namens de verdachte wel een zodanig verweer is gevoerd, de feitenrechter daarop een gemotiveerde beslissing moet geven.8

25. De uitleg van een in hoger beroep gevoerd verweer of ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is in beginsel voorbehouden aan het hof en kan in cassatie slechts op de begrijpelijkheid ervan worden getoetst.9 Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van het oordeel daarover, moet in aanmerking worden genomen dat een door de verdediging gevoerd verweer – dat wil hier zeggen: ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt – dat ertoe strekt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, weliswaar valt binnen het toetsingskader van de tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv,10 maar dat aan de mate van onderbouwing van een dergelijk verweer geen zwaardere eisen worden gesteld dan daaraan vóór de wijziging van die bepaling werden gesteld.11 Derhalve hoeft een beroep op overschrijding van de redelijke termijn niet aan heel hoge eisen te voldoen. Dat wil uiteraard niet zeggen dat de feitenrechter ieder beroep op onredelijke vertraging onderscheidenlijk overschrijding van de redelijke termijn heeft op te vatten als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarop gereageerd moet worden. Een responsieplicht bestaat in ieder geval niet wanneer niet zonder meer duidelijk is dat de verdediging het oog heeft op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Zo behoefde het hof niet te reageren op het standpunt van de verdediging dat het een ‘oud feit’ betrof, noch op een verzoek aan de rechter om bij de strafoplegging rekening te houden met het tijdsverloop. Dit zijn slechts mededelingen of wensen, die bovendien niet voldoende ondubbelzinnig zijn.12 Maar ook het enkele betoog van de verdediging dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, levert nog geen responsie-plichtig standpunt op, indien niet tevens wordt aangevoerd op welke grond die redelijke termijn als overschreden moet worden beschouwd.13

26. Anders lag het in HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:138. Op de terechtzitting van het hof had de verdediging het volgende naar voren gebracht: “Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn nu meer dan twee jaar is verstreken sinds de aanvang van de zaak. Op de vorige zitting is de zaak aangehouden in verband met het niet verschijnen van een tolk. De overschrijding van de redelijke termijn dient tot strafvermindering te leiden.” Aldus was volgens de Hoge Raad een verweer gevoerd waaromtrent het hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven. Daaraan deed niet af dat door de verdediging niet precies was aangegeven in welke fase van het geding de termijnoverschrijding had plaatsgevonden; omdat de behandeling in eerste aanleg van zeer korte duur was geweest, ging de Hoge Raad ervan uit dat het verweer (klaarblijkelijk) betrekking had op de overschrijding van de redelijke termijn in de appelfase.14

27. Terug naar de in het middel vervatte klacht. In de strafmotivering is het hof niet ingegaan op hetgeen door de raadsman is aangevoerd. Kennelijk heeft het hof dat niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv en achtte het zich mitsdien niet gehouden daarop expliciet te responderen.

28. Dat oordeel acht ik niet onjuist of onbegrijpelijk. Ik heb daarbij het volgende in aanmerking genomen. Het pleidooi houdt in dit verband slechts enkele mededelingen in: de verdediging heeft het strafproces niet opzettelijk vertraagd, door de vertraging zou cliënt drie jaar lang in onzekerheid hebben geleefd en daarmee zou dan rekening moeten worden gehouden in de strafoplegging. In deze bewoordingen ligt ten eerste besloten dat naar het oordeel van de raadsman de vertraging (weliswaar) is veroorzaakt door de verdediging, maar dat zulks niet opzettelijk is gebeurd. Daarin klinkt enkel een zekere disculpatie door.15 Ten tweede wordt slechts gerept van vertraging. Een vertraging in het procesverloop wil nog niet zeggen dat zij onredelijk is, en nog minder dat dan ook al sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. De toelichting op het middel plaatst de woorden van de raadsman nu wel in het kader van zo een overschrijding van de redelijke termijn, maar nergens blijkt uit dat de raadsman daarop in zijn pleidooi het oog heeft gehad. Door hem is in ieder geval in het geheel niet aangevoerd dat door de opgelopen vertraging de redelijke termijn zou zijn overschreden. Onduidelijk is trouwens ook wat de raadsman bedoelde met “het strafproces” is vertraagd: het strafproces vanaf het begin tot aan de zitting in hoger beroep, of alleen het strafproces in hoger beroep?16 Ten derde wordt een beroep gedaan op het hof om met die gestelde vertraging rekening te houden omdat de verdachte daardoor te lang in onzekerheid zou hebben verkeerd. Als dat zo is, had de verdachte er misschien voor moeten kiezen af te zien van zijn verzoek om via de weg van een rechtshulpverzoek de opgegeven getuige in Polen te (doen) horen, dan wel dat verzoek op enig moment in te trekken. Voorts heb ik in randnummer 25 er al op gewezen dat de feitenrechter niet ertoe gehouden is te reageren op een verzoek om in het kader van de straftoemeting rekening te houden met het tijdsverloop.17

29. Het middel faalt.

30. De middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

31. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

32. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. ook HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1146, NJ 2006/645, m.nt. Schalken, HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3686, NJ 2009/260 en HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3297. Zie voorts G.J.M. Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 890 en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 239.

2 Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Aben vóór HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:1381 (niet gepubliceerd; HR: art. 80a RO) onder randnummer 10: “[…] De raadsman heeft daarop vrijspraak bepleit, zulks vanwege een onrechtmatige staandehouding van de verdachte op 7 januari 2012 en de daaruit voortvloeiende bewijsuitsluiting van de bevindingen van de politie op 16 januari 2012. Bij deze stand van zaken komt het middel op goede gronden op tegen het oordeel dat op de voet van art. 359, derde lid, Sv kon worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen ten aanzien van de strafbare feiten van 7 en 17 januari 2012”. Ik begrijp dat in die zaak de raadsman wel in zoveel woorden een vrijspraak voor ogen had; in zoverre is er een verschil met de onderhavige zaak en de in randnummer 11 besproken arresten.

3 In die zin ook Corstens, a.w., p. 890.

4 Van Dorst, a.w., p. 239

5 Kamerstukken II 2003/04, 29 255, nr. 3, p.11.

6 Zie ECLI:NL:PHR:2009:BH3686.

7 In dezelfde zin HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3434 en HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:1381 (niet gepubliceerd; HR: art. 80a RO).

8 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 (rov. 3.8), m.nt. Mevis.

9 Vgl. Van Dorst, a.w., p. 193 en 195.

10 Zie met betrekking tot de eisen die aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt worden gesteld HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma: Aangenomen moet worden “dat de verdachte of zijn raadsman dan wel het openbaar ministerie, wil het ingenomen standpunt de - uiteindelijk in cassatie te toetsen - verplichting tot beantwoording scheppen, zijn standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren dient te brengen”.

11 Zie HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV934, NJ 2012/254, m.nt. Mevis.

12 Vgl. HR 5 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2093, NJ 2001/111: “Het Hof behoefde het onder 3.2 weergegeven verweer niet op te vatten als een beroep op schending van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak behandeld moet worden, als bedoeld in art. 6 EVRM. De bewoordingen van het door een rechtsgeleerde raadsman geformuleerde verweer noopten daartoe niet. De Hoge Raad neemt bij dat oordeel voorts in aanmerking dat het procesverloop tot dan toe van dien aard was geweest dat in geen der - tot dan toe vier - instanties aanzienlijke vertragingen in de behandeling van de zaak waren opgetreden, maar dat de sedert het strafbare feit verstreken tijd een gerede aanleiding kon vormen de aandacht van het Hof daarop te vestigen met het oog op de keuze van de strafsoort en – maat”. Zie ook de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Jörg vóór HR 4 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1646 (niet gepubliceerd, HR: art. 81 RO): “In de toelichting op het middel wordt hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd geplaatst in het kader van schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Daarop werd ter terechtzitting evenwel geen (responsieplichtig) beroep gedaan en het hof behoefde hetgeen is aangevoerd evenmin als een dergelijk verweer op te vatten (vgl. HR 5 december 2000, NJ 2001, 111)”. En zijn eerdere conclusie vóór HR 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR9287 (niet gepubliceerd, HR: art. 81 RO) waarin werd verzocht om “rekening te houden met de redelijke termijn”, maar niet met zoveel woorden werd aangegeven dat deze was overschreden.

13 HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9347, NJ 2012/254, m.nt. Mevis.

14 Vgl. mijn conclusie vóór HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:247, in welke zaak door de raadsman was aangevoerd: “Ten slotte merk ik op dat de redelijke termijn is overschreden. Indien uw hof wel tot een bewezenverklaring komt, verzoek ik u gezien de ruime mate van overschrijding van de redelijke termijn geen straf op te leggen aan mijn cliënt”. Daarop had het hof niet gereageerd. Ik meende dat het daartegen opkomende middel terecht was, maar geen bespreking behoefde omdat een ander middel reeds slaagde. De Hoge Raad liet het middel inderdaad om die reden onbesproken.

15 Uit de stukken van het geding blijkt dat de raadsman in de appelfase op 5 augustus 2016 een verzoek tot het horen van getuigen heeft gedaan. Dit verzoek is op 25 augustus 2016 door de raadsheer-commissaris gedeeltelijk toegewezen. Twee van de drie toegewezen getuigen zijn gehoord op 17 april 2018. Het horen van een derde getuige, die woonachtig zou zijn in Polen, is niet gelukt vanwege het ontbreken van een actuele verblijfplaats. Nadat het bericht daarover op 1 juni 2018 was binnengekomen, sloot de raadsheer-commissaris op 2 juli 2018 ‘het dossier’.

16 Ik neem aan het strafproces in hoger beroep. De behandeling van de strafzaak in eerste aanleg is blijkens de gedingstukken namelijk van zeer korte duur geweest: op 5 augustus 2015 de aanhouding van de verdachte en op 23 november 2015 de instelling van het hoger beroep.

17 Zie nogmaals het reeds aangehaalde arrest van HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9347, NJ 2012/254, m.nt. Mevis, waarin (als gezegd) door de raadsman alleen maar was aangevoerd: “Indien geen vrijspraak volgt, dan dient bij de strafoplegging rekening te worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn”; het aangevoerde hield niet in op welke grond de redelijke termijn was overschreden (en ook uit de stukken van het geding kon niet worden afgeleid waarin de gestelde overschrijding van de redelijke termijn dan wel zou zijn gelegen).