Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:838

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-09-2020
Datum publicatie
16-10-2020
Zaaknummer
20/01853
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:2016, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wvggz. Verlenen van zorgmachtiging. Hoorplicht, art. 6:1 lid 1 Wvggz. Kon rechter aannemen dat betrokkene niet in staat of niet bereid was zich te doen horen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01853

Zitting 23 september 2020

CONCLUSIE

F.F. Langemeijer

In de zaak

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Limburg

In deze zaak is een zorgmachtiging verleend op grond van de Wvggz. In cassatie wordt geklaagd dat de machtiging ten onrechte is verleend zonder betrokkene zelf te horen. Daarnaast wordt de vaststelling van de psychische stoornis bestreden.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij verzoekschrift, bij de rechtbank ingekomen op 6 maart 2020, heeft de officier van justitie de rechtbank Limburg verzocht een zorgmachtiging ten aanzien van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) te verlenen voor de duur van zes maanden. Bij dat verzoekschrift werd onder meer een medische verklaring overgelegd, die op 21 februari 2020 is opgemaakt door een niet bij de behandeling betrokken psychiater.1 In rubriek 4.a van die verklaring is vermeld dat het psychiatrisch onderzoek van betrokkene heeft plaatsgevonden op 10 februari 2020. In rubriek 4 (e) en (f) is de (voorlopige) diagnose beschreven. Deze is gerubriceerd onder: “schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen”, “middelgerelateerde en verslavingsstoornissen” en “persoonlijkheidsstoornissen”.

1.2

Op 18 maart 2020 heeft de rechter vanuit de rechtbank het verzoek mondeling behandeld via een Face Time-verbinding.2 De rechter heeft daarbij de advocaat van betrokkene en een behandelend arts (psychiater in opleiding) gehoord, die zich toen bevonden in een gezondheidscentrum te Weert. Betrokkene zelf is niet verschenen voor de mondelinge behandeling. Zij was bij aangetekende brief van 11 maart 2020 door de griffier opgeroepen om in het gezondheidscentrum te verschijnen voor de mondelinge behandeling van het verzoek van de officier van justitie. De rechtbank heeft (door middel van track & trace) geconstateerd dat die brief niet is bezorgd en ook niet is afgehaald op het postagentschap.

1.3

Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling heeft de arts verklaard dat betrokkene ambulant werd behandeld, maar dat hij geen contact met haar kon krijgen. De advocaat heeft verklaard dat haar laatste contact met betrokkene dateerde van drie weken daarvoor. De advocaat verzocht aanhouding van de mondelinge behandeling om betrokkene alsnog te kunnen horen. Ter zitting is besproken dat betrokkene niet meer woont op het adres waarop zij bij de gemeente is ingeschreven (blijkens de medische verklaring onder 3 en 5 en het cassatierekest was zij haar huis uitgezet). Volgens het proces-verbaal heeft de rechter geconstateerd dat de niet afgehaalde aangetekende brief van de griffier is verzonden naar het laatst bekende verblijfadres van betrokkene te Weert. Een voorstel van de advocaat ter zitting om naar dit adres toe te gaan om te kijken of betrokkene daar kon worden aangetroffen, werd niet gevolgd in verband met het risico van besmetting met het virus COVID-19.

1.4

Aan het slot van het proces-verbaal is vermeld:

“De rechter verklaart de behandeling gesloten en stelt vast dat betrokkene zich niet doet horen en zich onvindbaar maakt. De aangetekende brief die naar het verblijfadres is gezonden is niet afgehaald en op het GBA-adres verblijft betrokkene niet.”

1.5

Bij mondelinge beschikking van 18 maart 2020, schriftelijk uitgewerkt op 20 maart 2020, heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor het tijdvak tot en met 18 juni 2020. De rechtbank heeft de volgende vormen van verplichte zorg bepaald:

- beperken van de bewegingsvrijheid;

- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;

- onderzoek aan kleding of lichaam;

- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;

- opnemen in een accommodatie;

- toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis (ter behandeling van een somatische aandoening).

1.6

De rechtbank overwoog in rov. 2.1:

“De rechtbank is van oordeel dat tot een beoordeling in deze zaak kan worden overgegaan ook nu betrokkene niet is verschenen. De rechtbank stelt vast dat betrokkene niet meer op het adres verblijft waar zij staat ingeschreven. Betrokkene is aangetekend opgeroepen op het adres dat bekend is als het adres waar zij verblijft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft betrokkene dus op de hoogte kunnen zijn van de zitting.”

1.7

De rechtbank heeft beoordeeld of voldaan is aan de criteria voor en de doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz (rov. 2.2 - 2.7). Na te hebben besloten dat dit het geval is, overwoog de rechtbank over de duur van de te verlenen machtiging:

“(…) De zorgmachtiging zal worden verleend voor de duur van drie maanden (…). Deze termijn is gekozen om diagnostiek mogelijk te maken, maar tevens betrokkene te kunnen horen indien voor langere duur een maatregel nodig zou blijken te zijn.” (rov. 2.8).

1.8

Namens betrokkene is op 17 juni 20203 − tijdig − beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het eerste middelonderdeel heeft betrekking op de omstandigheid dat betrokkene niet ter zitting van de rechtbank is verschenen. Het tweede middelonderdeel is gericht tegen de vaststelling van de psychische stoornis.

Onderdeel I: betrokkene niet ter zitting verschenen

2.2

Onderdeel I is gericht tegen rov. 2.1, aangehaald in alinea 1.6 hiervoor. Subonderdeel 1.1 houdt in dat deze overweging in strijd is met de wettelijke verplichting om betrokkene te horen, als bedoeld in art. 6:1 lid 1 Wvggz. Het middelonderdeel legt ook een verbinding met art. 5 lid 1, aanhef en onder e, en lid 2 en lid 4 EVRM (de verdragsrechtelijke eisen, te stellen aan een vrijheidsontneming) en met art. 6 lid 1 in verbinding met art. 13 EVRM (toegang tot een rechter). Subonderdeel 1.2 klaagt over het ontbreken van een geldige oproeping voor de zitting. Subonderdeel 1.3 hangt samen met de vorige klacht en houdt in dat de advocaat geen mogelijkheid heeft gehad om het inleidend verzoek van de officier van justitie met bijlagen (waaronder de medische verklaring) met betrokkene te bespreken vóór de zitting.

2.3

Er moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds het oproepen van de betrokkene voor de mondelinge behandeling en, anderzijds, het horen van de betrokkene ter zitting. Art. 6:1 Wvggz onderscheidt, voor zover van belang, drie mogelijkheden:

- de rechter hoort de betrokkene in een door de rechtbank bepaalde locatie;

- indien de betrokkene in een accommodatie verblijft, wordt de rechter, vergezeld van de griffier, door de zorgaanbieder in de gelegenheid gesteld hem aldaar te horen;

- indien de betrokkene in Nederland verblijft en van hem redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij in een door de rechtbank bepaalde locatie wordt gehoord, begeeft de rechter zich daartoe, vergezeld door de griffier, naar de woon- of verblijfplaats van betrokkene.

2.4

In dit geval gaat het om een ambulant behandelde patiënt. De rechtbank heeft als locatie voor de mondelinge behandeling (via telehoren) een gezondheidscentrum te Weert aangewezen.

2.5

Art. 6:1 lid 10 Wvggz bepaalt dat, in aanvulling op hetgeen uit deze wet voortvloeit, de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing zijn, behoudens enkele voor deze zaak niet relevante uitzonderingen. Dit brengt mee dat de oproepingsvoorschriften van art. 271 – 276 en art. 279 Rv van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat de rechter op grond van art. 272 Rv bij een onbekende woon- of verblijfplaats kan bepalen dat de oproeping tevens op andere wijze geschiedt dan door plaatsing in de Staatscourant. De oproeping van overige (nog) niet in de procedure verschenen belanghebbenden geschiedt door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt. Als de betrokken belanghebbende moeilijk per post te bereiken is, kan er voor de rechter reden zijn om van deze bevoegdheid gebruik te maken en (ook) een andere wijze van uitreiking te bepalen.4 Dat een betrokkene geen bekende verblijfplaats heeft, moeilijk te achterhalen is, dat het aan hemzelf te wijten is dat hij niet kon worden bereikt, dat hem rechtsmiddelen ten dienste stonden om tegen de beslissing op te komen, zijn omstandigheden die in de jurisprudentie niet zijn geaccepteerd als reden om een oproeping achterwege te laten.5 In één geval is geoordeeld dat het sturen van een oproep achterwege kon blijven. In dat specifieke geval waren de bescherming tegen ernstig gevaar en de korte beslistermijn van drie dagen (in samenhang met het gegeven dat de verblijfplaats van de betrokkene onbekend was) doorslaggevend voor het in stand laten van het oordeel van de eerste rechter dat uitreiking van de oproeping achterwege kon blijven.6

2.6

Voor het oordeel dat een belanghebbende rechtsgeldig is opgeroepen, behoeft de rechter niet te onderzoeken of de oproeping de betrokkene daadwerkelijk heeft bereikt. Voor een behoorlijke oproeping is slechts vereist dat deze heeft plaatsgevonden overeenkomstig de wettelijke eisen.7 Nu – als onbestreden in cassatie − ervan moet worden uitgegaan dat in dit geval de oproeping aangetekend is verstuurd naar het adres dat bij de rechtbank bekend was als het adres waar betrokkene op dat moment verblijf hield, kan niet worden gezegd dat het verzoek een persoon zonder bekende woon- of verblijfplaats betrof in de zin van art. 272, eerste volzin, Rv.

2.7

De brief is door de griffier verstuurd naar het bekende verblijfadres van betrokkene. Wanneer Post.nl de brief terugstuurt als niet afgehaald, handelt de griffier overeenkomstig art. 275 Rv. Indien de betrokkene ter zitting verschijnt, komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of de betrokkene rechtsgeldig is opgeroepen. Indien de betrokkene niet ter zitting verschijnt, kan de rechter wel constateren dat de oproeping rechtsgeldig is geschied, maar daarmee is nog niet voldaan aan het in art. 6:1 Wvggz neergelegde vereiste om de betrokkene te horen.

2.8

Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt onder meer dat de rechter na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging de betrokkene hoort, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Deze bepaling is in het parlement toegelicht als volgt:

“Met het eerste lid wordt duidelijker gesteld dat de rechter betrokkene moet horen tenzij deze dat niet wil of daartoe niet in staat is. De rechter moet zich er persoonlijk van vergewissen of betrokkene al dan niet gehoord wil worden. Het moet de rechter zelf zijn die vaststelt dat betrokkene niet kan of wil gehoord worden, desnoods ter plekke, maar niet tevoren op basis van de mededeling van iemand anders of een schriftelijke verklaring van betrokkene waarvan de rechter niet weet hoe die tot stand is gekomen. (…)”8

2.9

Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad, ontwikkeld onder de vroegere Wet Bopz,9 gaat het bij de hoorplicht om méér dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat iemand niet van zijn vrijheid kan worden beroofd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zélf door de rechter wordt gehoord.10Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld.11

2.10

In haar beschikking heeft de rechtbank niet vastgesteld dat betrokkene niet in staat is of niet bereid is om te worden gehoord. Uit het enkele feit dat betrokkene niet ter zitting is verschenen,12 kan dit niet worden afgeleid. Het gegeven dat de aangetekende brief van de griffier, gericht aan het laatst bekende verblijfadres, niet door betrokkene is afgehaald, kan evenmin het oordeel dragen dat betrokkene niet in staat of niet bereid is te worden gehoord. De omstandigheden van het geval wijzen veeleer in de richting dat betrokkene niet op de hoogte was van datum, plaats en tijdstip van de mondelinge behandeling: (i) zij was haar huis uitgezet en kennelijk aangewezen op een (tijdelijke) verblijfplaats; (ii) zij is ook niet door haar advocaat op de hoogte gesteld van datum, plaats en tijdstip van de mondelinge behandeling: het laatste contact dat betrokkene en haar advocaat hebben gehad dateerde van vóór de indiening van het inleidend verzoekschrift. Noch uit de beschikking, noch uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt of andere pogingen zijn ondernomen om contact met betrokkene te zoeken en, zo ja, welke dat waren.

2.11

Ter zijde merk ik op dat in dit geval er nog mogelijkheden tot onderzoek waren. De aan de rechtbank overgelegde zorgkaart (prod. 5) vermeldt dat betrokkene “momenteel dakloos” is, maar ook een mobiel telefoonnummer en een emailadres van betrokkene. Aan het slot daarvan schrijft de zorgverantwoordelijke dat zij op 3 februari 2020 nog een afspraak met betrokkene had en dat betrokkene toen is verschenen, maar het gesprek voortijdig heeft verlaten. Het aan de rechtbank overgelegde Informatierapport CM/ZM d.d. 22 januari 2020 (prod. 7 bij het cassatierekest) noemt nog een ander mobiel telefoonnummer. Niet blijkt of de rechtbank een poging heeft ondernomen om met betrokkene contact te krijgen via één van die twee telefoonnummers of dat emailadres, al was het maar om zich ervan op de hoogte te stellen of betrokkene bekend was met datum, plaats en tijdstip van de mondelinge behandeling en of zij wenst te worden gehoord. Verder had de rechtbank de mogelijkheid om de mondelinge behandeling aan te houden, zoals de advocaat had verzocht, teneinde betrokkene op een ander tijdstip te horen.

2.12

Dit alles leidt ertoe dat de klacht met betrekking tot de hoorplicht slaagt en dat de overige klachten onbesproken kunnen blijven. Slechts ten overvloede ga ik kort op die klachten in.

2.13

Subonderdeel 1.3 mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten. Deze klacht over ontbrekende mogelijkheden om rechtsbijstand te verlenen en het inleidend verzoekschrift met betrokkene door te nemen, is slechts onderbouwd met de stelling dat contact tussen betrokkene en haar advocaat niet heeft kunnen plaatsvinden, door het feit dat betrokkene niet ter zitting is verschenen en ook niet naar behoren daarvoor is opgeroepen.

Onderdeel II: de vaststelling van de psychische stoornis

2.14

Onderdeel II is gericht tegen rov. 2.2. Daarin overwoog de rechtbank het volgende:

“Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, middelgerelateerde- en verslavingsstoornissen en persoonlijkheidsstoornissen. Uit de medische verklaring komt naar voren dat er sprake is van een dieperliggend psychotisch toestandsbeeld, dat lijkt te blijven bestaan ook indien er geen sprake is van middelen gebruik.”

2.15

De klacht houdt in dat deze overweging onjuist althans onbegrijpelijk is, in het licht van de inhoud van de medische verklaring en “de ervaring die de psychiater zelf beschrijft”. Subonderdeel 2.1 verwijst naar een passage in rubriek 9 van de medische verklaring (“Welke overige mededelingen acht u nog van belang?”), die als volgt luidt:

“Tijdens de periode dat ik geprobeerd heb contact te krijgen, toen ik met haar psychiater en zorgverantwoordelijke sprak en het dossier las, dacht ik vooral aan een door middelen geïnduceerde psychose als hoofdprobleem.

Hiervoor is mijns inziens een zorgmachtiging niet het meest aangewezen instrument, zou ik liever opteren voor terugkerende crisismaatregelen op moment dat zo’n episode optreedt, ze zijn eigenlijk altijd snel voorbij.

In de loop van deze weken kreeg ik echter steeds meer de indruk dat de beperkte uitspraken die wijzen op onderliggende meer ernstige psychiatrische problematiek een belangrijke rol zouden kunnen spelen.

De enige manier om hier goed achter te komen is een klinische opname op een zo goed mogelijk middelenvrije afdeling, met beperkingen, zodanig dat het middelengebruik stopt.

Mocht dat het geval zijn dan is het mogelijk om vandaaruit een poging te doen om te komen tot meer gerichte en daardoor waarschijnlijk meer succesvolle behandeling.”

2.16

Volgens de toelichting op de klacht blijkt hieruit dat de psychische stoornis (nog) niet vaststaat. Aan het slot is betoogd dat de rechtbank de zo-even geciteerde woorden van de psychiater te vrij interpreteert, als ware sprake van “een dieperliggend psychotisch toestandsbeeld, dat lijkt te blijven bestaan ook indien er geen sprake is van middelen gebruik” (rov. 2.2), en dat de rechtbank die vrije ‘vertaling’ ten onrechte heeft gebruikt ter onderbouwing van haar beslissing om aan betrokkene voor drie maanden de vrijheid te ontnemen.

2.17

Art. 5:8 lid 1 Wvggz vereist een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene en over de vraag of uit het gedrag van betrokkene als gevolg van de psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit. In het oorspronkelijke wetsvoorstel was de medische verklaring geregeld in het voorgestelde artikel 5:6. Dit was toegelicht als volgt:

“(…) In de medische verklaring zal in elk geval moeten worden ingegaan op de symptomen en, zo mogelijk, een diagnose (…). Een diagnose is niet direct altijd te stellen. Het komt regelmatig voor dat een persoon met psychotische kenmerken nader (en ook langdurig) moet worden onderzocht, om een definitieve diagnose te kunnen stellen. Achter psychoses kunnen immers meer aandoeningen schuil gaan. Ook zal de medische verklaring de eventuele relatie tussen de psychische stoornis en het schadelijke gedrag moeten vermelden (…).

Anders dan onder het regime van de Wet bopz het geval is, zal de medisch deskundige altijd een medische verklaring moeten afgeven. Als de medisch deskundige van oordeel is dat er geen sprake is van een psychische stoornis, dan wel dat het aanzienlijke risico op ernstige schade zeer beperkt wordt geacht, zal een medische verklaring met die strekking moeten worden opgesteld. De medische verklaring krijgt daarmee een zuiver medisch karakter en hoeft niet langer vooruit te lopen op het oordeel van de rechter ten aanzien van de proportionaliteit van onvrijwillige zorg. (…).”13

2.18

Art. 6:4 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter een zorgmachtiging verleent, indien naar zijn oordeel is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, bedoeld in art. 3:3 Wvggz, en het doel van verplichte zorg, bedoeld in art. 3:4, onderdelen b tot en met e, Wvggz. Dit neemt niet weg dat het rechterlijk oordeel steun moet vinden in een medisch oordeel. Volgens de memorie van toelichting moet een psychische stoornis “met voldoende zekerheid” zijn vastgesteld, wil de rechter een zorgmachtiging kunnen afgeven.14

2.19

Indien de Hoge Raad toekomt aan beoordeling van deze klacht − zie de bespreking van middelonderdeel I −, ben ik van mening dat de klacht faalt. In rubriek 4.b van de medische verklaring heeft de onafhankelijke psychiater betrekkelijk uitvoerig de symptomen beschreven, aan de hand van eigen waarnemingen en informatie van behandelaars en anderen. Vervolgens heeft de psychiater in rubriek 4.e (“Tot welke (voorlopige) diagnose bent u gekomen?”) zes in de DSM-classificatie genoemde diagnoses gesteld. Daarbij heeft de psychiater de volgende toelichting gegeven:

“Tot nu toe is steeds gedacht dat sprake is van kortdurende psychotische stoornis, samenhangend met middelengebruik en een persoonlijkheidsstoornis.

Bij opname was de psychose steeds snel weer over.

Op dit moment bestaan er belangrijke zorgen in verband met beperkte uitingen dat […] ook buiten deze ernstige verwarde en ontwrichtende psychotische periodes [sprake is] van doorsluimerende psychotische symptomen, zoals de wanen bovengenoemd, waar patiënte weliswaar niet steeds voortdurend maar regelmatig over spreekt.

Het zijn wel beperkte uitingen.

Om helder te krijgen wat hier nu precies mee aan de hand is, is een langer durende abstinente periode noodzakelijk, wat we in de afgelopen periode voor zover ons bekend op de momenten dat er problemen waren niet gezien hebben.

Ook de bovenbeschreven ontremde periodes passen daarbij.”

2.20

In rubriek 9 (hiervoor reeds aangehaald) heeft de psychiater zijn nadere overwegingen over de diagnoses en de te verlenen verplichte zorg opgenomen. Zou hieruit al enige twijfel van de psychiater naar voren komen, dan betreft deze twijfel niet het feit dát sprake is van een psychische stoornis met ernstig nadeel tot gevolg, maar veeleer de vraag welke psychiatrische diagnose en behandelwijze daarbij passen. Onder 10 verklaart de psychiater stellig “van oordeel te zijn dat voornoemde persoon lijdt aan een psychische stoornis waaruit gedrag voortvloeit dat een ernstig nadeel veroorzaakt dat niet zonder verlening van verplichte zorg kan worden afgewend.”

2.21

Blijkens het proces-verbaal (blz. 1) heeft de behandelend arts (psychiater in opleiding) ter zitting verklaard dat betrokkene al langer poliklinisch in psychotherapeutische behandeling is, dat zij vanaf eind november 2019 reeds zes keer is beoordeeld in verband met een crisisopname, dat ontregelingen door escalerend gebruik van o.a. ketamine, cocaïne en jointjes werden veroorzaakt, met als gevolg drugs-geïnduceerde decompensaties, en dat betrokkene na elke opname weer snel opknapte, waardoor er geen acuut gevaar meer was. Op de vraag van de rechtbank of hij iets kan zeggen over de diepere onderliggende problematiek heeft deze arts het volgende verklaard (proces-verbaal, blz. 2):

“Betrokkene was in ambulant in behandeling vanwege een persoonlijkheidsstoornis. We willen betrokkene nader onderzoeken om de onderliggende problematiek duidelijk te krijgen, maar betrokkene werkt hier niet aan mee. We krijgen geen contact met betrokkene, het is daarom moeilijk om antwoord te geven op uw vraag.”

2.22

Voor zover de rechtsklacht berust op de opvatting dat een rapporterend psychiater niet tot een “voorlopige diagnose” mag komen, faalt zij in het licht van de inhoud van de in alinea 2.17 weergegeven wetsgeschiedenis. In het bestreden oordeel ligt besloten dat de in de medische verklaring aangekruiste en aldaar nader omschreven psychische stoornissen “met voldoende zekerheid” zijn vastgesteld. Het oordeel van de rechtbank berust voor het overige op een waardering van de inhoud van de medische verklaring en van de ter zitting afgelegde verklaringen. Die waardering is feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk. Voor zover het middelonderdeel erover klaagt dat de medische verklaring niets vermeldt over de actuele gezondheidstoestand van betrokkene mist de klacht feitelijke grondslag.

2.23

Subonderdeel 2.2 is geplaatst onder de kop: “(Vermoeden van) een psychische stoornis, ultimum remedium, minder bezwarende alternatieven, evenredigheid en effectiviteit.” Het vermeldt dat de advocaat van betrokkene ter zitting heeft aangevoerd:

- dat de vraag is of enkel het onderzoeken en diagnostiek krijgen vanwege het vermoeden van onderliggende problematiek, voldoende grond is om een zorgmachtiging te vragen; hiermee is niet voldaan aan de wettelijk noodzakelijke onderbouwing van een psychische stoornis;

- dat zij in de gedingstukken niets heeft gezien over een ultimum remedium, minder bezwarende alternatieven, evenredigheid en effectiviteit;

- dat de ter zitting gehoorde arts oudere gebeurtenissen ophaalt, dat zich geen nieuwe strafrechtelijke zaken hebben voorgedaan en dat betrokkene volgens de onafhankelijke psychiater Hofma op 10 februari 2020 niet psychotisch was.

2.24

Voor zover deze klacht voortbouwt op subonderdeel 2.1, behoeft zij hier geen afzonderlijke bespreking. In reactie op de overige aangevoerde punten, merk ik op dat de rechtbank in rov. 2.6 overweegt dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn die hetzelfde beoogde effect hebben. Vervolgens oordeelt de rechtbank in rov 2.7 dat de voorgestelde verplichte zorg evenredig is en naar verwachting effectief. In deze overwegingen, waartegen de middelonderdelen niet (expliciet) opkomen, ligt de verwerping besloten van de op dit punt ter zitting ingenomen - en daar nauwelijks nader toegelichte - stellingen. Het oordeel berust op een waardering van de gedingstukken die aan de rechtbank was voorbehouden en is niet onbegrijpelijk. In de medische verklaring zijn de mogelijkheid van vrijwillige behandeling en ambulante behandeling uitdrukkelijk besproken. Dat wordt bevestigd in het aan de rechtbank overgelegde zorgplan van 30 januari 2020 (rubriek 5.b). De rechtbank heeft zich niet verlaten op verouderde gegevens. Met betrekking tot de vastgestelde geldigheidsduur van drie maanden (in plaats van de verzochte zes maanden) overweegt de rechtbank in rov. 2.8 dat deze termijn mede is gekozen om diagnostiek mogelijk te maken. Uit de bestreden beschikking volgt onmiskenbaar dat het hier niet gaat om een zogenaamde ‘observatiemachtiging’ voor nader onderzoek ter beoordeling óf aan de criteria voor verplichte zorg is voldaan (art. 6:4 Wvggz), wat betreft de vormen van verplichte zorg waarvoor de zorgmachtiging is verleend. De rechtbank is van oordeel dát aan deze criteria is voldaan. Middelonderdeel II faalt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Limburg.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 De medische verklaring is overgelegd als prod. 4 bij het cassatierekest.

2 Zie de bestreden beschikking onder 1.2 en 1.3. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, overgelegd als prod. 10 bij het cassatierekest, vermeldt op blz. 1 dat de rechter in verband met de sluiting van de rechtbank per 17 maart 2020 vanwege de uitbraak van het virus COVID-19 de zaak op 18 maart 2020 via telehoren heeft behandeld. Zie voor een overzicht van de overheidsmaatregelen in verband met COVID-19 de conclusie in ECLI:NL:PHR:2020:705.

3 Per fax. Het originele cassatierekest is op 18 juni 2020 ter griffie ingekomen.

4 Zie onder de Wet Bopz: HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1616, NJ 2019/410, met verdere vindplaatsen aldaar. Zie ook: SDU Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:1 Wvggz, aant. C.4.4 (W.J.A.M. Dijkers).

5 HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7892, NJ 2010/596 en HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1616, NJ 2019/410.

6 HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3335 (rov. 3.5), NJ 2016/198 m.nt. J. Legemaate. Zie, kritisch op dit punt: JVGGZ 2016/1 m.nt. W.J.A.M. Dijkers (onder punt 6).

7 Zie: HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2283, NJ 1997/378 m.nt. J. de Boer (rov. 3.4).

8 Tweede nota van wijziging, Kamerstukken II 2015/16, 32 399, nr. 25, blz. 168.

9 In de Wet Bopz was de hoorplicht neergelegd in art. 8 lid 1.

10 Zie onder meer: HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7892, NJ 2010/596 en HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:770, JGZ 2017/3 m.nt. W.J.A.M. Dijkers, onder verwijzing naar HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2283, NJ 1997/378 m.nt. J. de Boer.

11 Zie HR 21 april 2017, hiervoor aangehaald, waarin wordt verwezen naar HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2998, NJ 2014/471 en HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:188, JVGGZ 2015/10 m.nt. W.J.A.M Dijkers.

12 De rechtbank heeft ter zitting wel vastgesteld dat betrokkene “zich niet doet horen en zich onvindbaar maakt”. Zie het proces-verbaal, blz. 3.

13 MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32 399, nr. 3, blz. 64 (onderstreping toegevoegd).

14 MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32 399, nr. 3, blz. 74.