Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:836

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-07-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
19/04044
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1454
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag door douane ex art. art. 1:37.1 Algemene Douanewet (Adw) op auto van klager met verborgen ruimte. Rb heeft klaagschrift ongegrond verklaard. De bestreden beschikking houdt geen beslissing in op verzoek tot geldelijke tegemoetkoming. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2020:403 inhoudende dat ex art. 1:37.1 en 1:37.4 Adw inbeslaggenomen vervoermiddelen zonder rechtsvervolging aan Staat vervallen tenzij bij rechterlijke beslissing a.b.i. art. 1:37.6 Adw inbeslagneming niet wordt gehandhaafd, dat o.g.v. art. 1:37.8 Adw de minister van Financiën de aan de Staat vervallen vervoermiddelen onder door hem te stellen voorwaarden aan eigenaar kan teruggeven, dat o.g.v. art. 1:37.6 Adw jo. art. 552b.5 Sv de rechter ex art. 33c.2 Sr een geldelijke tegemoetkoming toekent wanneer degene aan wie aan Staat vervallen vervoermiddelen toebehoren daardoor onevenredig zou worden getroffen en dat aan de hand van omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of eigenaar van vervoermiddelen door vervallen van zijn eigendom aan Staat onevenredig wordt getroffen wanneer hem geen geldelijke tegemoetkoming wordt toegekend. Gelet op bij klaagschrift gedane verzoek om toekenning van een geldelijke tegemoetkoming, alsmede op wat door raadsman van klager in raadkamer is aangevoerd, diende de Rb te motiveren waarom het niet toepassing heeft gegeven aan - het o.g.v. art. 1:37.6 Adw jo. art. 552b.5 Sv toepasselijke – art. 33c.2 Sr. In zoverre is bestreden beschikking niet toereikend gemotiveerd. Volgt partiële vernietiging (t.a.v. beslissing op verzoek om geldelijke tegemoetkoming) en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04044 B

Zitting 7 juli 2020

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[betrokkene],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de betrokkene.

  1. De Rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 19 april 2019 het klaagschrift van de klager, strekkende tot teruggave aan klager van een onder hem inbeslaggenomen auto, ongegrond verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld door de klager. Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Voorafgaand aan de bespreking van het middel maak ik een opmerking over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Op 12 juli 2019 is cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 19 april 2019. Op grond van art. 1:37, zevende lid, Algemene Douanewet jo. art. 552d, tweede lid, Sv kan beroep in cassatie door de klager worden ingesteld binnen veertien dagen na de betekening van de beschikking. Uit het dossier blijkt dat de beschikking op 10 juli 2019 aan de klager is betekend. Dat brengt mee dat de klager tijdig beroep in cassatie heeft ingesteld en het ingediende cassatiemiddel voor bespreking in aanmerking komt.

  4. Het middel bevat de klacht dat het klaarblijkelijke oordeel van de rechtbank dat de bevoegdheid van de Minister van Financiën een vervoermiddel onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven in de weg staat aan het toekennen van een geldelijke vergoeding als bedoeld in art. 33c, tweede lid, Sr getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de beschikking onvoldoende met redenen is omkleed.

  5. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het volgende overwogen:

    Feiten

    Op 16 november 2018 is op de Vaanweg te Rotterdam onder klager beslag gelegd op een personenauto van het merk/type Volvo V40 met kenteken [kenteken] (hierna: de auto).

    In de auto is een verborgen ruimte als omschreven in artikel 1:37 Algemene Douanewet (ADW) aangetroffen. Het beslag is op grond van artikel 94 Sv opgeheven, waarna op grond van genoemd artikel uit de ADW is beslag gelegd op de auto en is de auto overgedragen aan de Douane.

    Standpunt officier van justitie

    De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Als de kosten voor het herstel (in essentie: het terugbrengen in de oorspronkelijke staat van de auto) en de boete worden betaald dan kan de auto terug, redenen dat er geen aanleiding is voor een geldelijke vergoeding aan klager.

    Standpunt klager

    Het klaagschrift zoals nader in raadkamer toegelicht strekt tot teruggave aan de klager van de auto. Aangevoerd is dat het om een schadeauto gaat die vanuit België is ingevoerd en waarvan eerder de airbags mogelijk zijn geactiveerd en onjuist zijn teruggeplaatst/gerepareerd. Er is geen sprake van een ruimte “welke is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken” als bedoeld in artikel 1:37 lid 1 ADW. De auto heeft een aanzienlijke marktwaarde en mocht het beslag worden gehandhaafd, dan wordt verzocht een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen aan klager om schending van artikel 1 Eerste protocol bij het EVRM te voorkomen. Klager wordt onevenredig zwaar getroffen door het beslag op zijn auto.

    Standpunt Douane/belasting:

    Namens de douane is aangevoerd dat de auto valt binnen het bereik van art. 1:37 van de ADW. Op kosten van klager en bij de garage die de douane aanwijst (doorgaans een merkdealer) kan de auto weer in de oude staat worden gebracht en dat is een van de voorwaarden voor een teruggave. Die kosten worden thans geraamd op € 2.800,- Daarnaast moeten ook de standaardkosten aan de douane worden vergoed, een bedrag van euro 1000,--. Bij de RDW is navraag gedaan en daarbij is gebleken dat de auto op 16 juni 2017 voor het eerst is ingeschreven na onderzoek bij het RDW en dat toen de airbag er wel op de normale manier in zaten, en er dus geen verborgen ruimte was in de auto.

    Beoordeling klacht

    Ingeval van een beklag tegen een op grond van artikel 1:37 ADW gelegd beslag moet de rechtbank beoordelen of de personenauto kan worden aangemerkt als 'een vervoermiddel, dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken' (zie o.a. ECLI:NL:HR:2014:3632).

    Uit de zich in het raadkamerdossier bevindende processen-verbaal blijkt dat verbalisanten bij de doorzoeking van de auto, na he verwijderen van het rechter zijpaneel van het dashboard, zien dat:

    - van de airbag de diverse bevestigingsschroeven verwijderd zijn;

    - de airbag overdwars in het dashboard ligt.

    Voorts zien zij:

    - dat de airbag overdwars tegen de middenconsole in het dashboard ligt;

    - doordat de airbag losgemaakt en verplaatst is, er een ruimte is ontstaan waarin heimelijk goederen gelegd kunnen worden.

    Gelet op deze feiten en omstandigheden is de auto aan te merken als een vervoermiddel dat kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken in de zin van artikel 1:37, lid 1 van de ADW. Vast staat dat nog niet aan de door de Douane gestelde voorwaarden voor teruggave van de auto is voldaan. Er bestaat daardoor geen aanleiding het beslag op te heffen.

    Ten overvloede wordt opgemerkt dat de Minister van Financiën op grond van artikel 1:37, lid 8, ADW bevoegd is om de auto onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven. Voor een beoordeling van die voorwaarden is door de rechtbank in deze procedure geen plaats.

    De rechtbank zal, gelet op het bovenstaande, het beklag ongegrond verklaren.

    Beslissing

    De rechtbank:

    - verklaart het beklag ongegrond.’

  6. Art. 1:37 Algemene Douanewet luidt sinds 1 augustus 2008 als volgt:1

‘1. Vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om tot het nakomen van de op grond van artikel 1:27, eerste lid, genomen dwangmaatregelen te verijdelen, zomede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om een vervoermiddel tot een van de hiervoor omschreven doeleinden in te richten of toe te rusten, worden in beslag genomen.

2. Tot inbeslagneming krachtens het eerste lid zijn, behalve de inspecteur, bevoegd de bij of ingevolge artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen.

3. Van de inbeslagneming en van de gronden daartoe doet de inspecteur zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan degene op wie de inbeslagneming heeft plaatsgehad. In geval van inbeslagneming op onbekende personen geschiedt die mededeling in het openbaar volgens bij regeling van Onze Minister van Financiën te stellen regels.

4. Krachtens het eerste lid in beslag genomen vervoermiddelen en voorwerpen vervallen zonder rechtsvervolging aan de staat, tenzij bij een rechterlijke beslissing als bedoeld in het zesde lid de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd.

5. De belanghebbende bij het in beslag genomen vervoermiddel of voorwerp kan binnen een maand na de mededeling omtrent de inbeslagneming bij de rechtbank van het arrondissement binnen hetwelk de inbeslagneming heeft plaatsgehad, daartegen hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde een met redenen omkleed klaagschrift indienen.

6. De rechtbank behandelt het klaagschrift op de voet van het bepaalde in artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering, met dien verstande, dat ook de inspecteur in de gelegenheid wordt gesteld tijdens de behandeling te worden gehoord en hem, zo hij voor de behandeling is verschenen, tijdig tevoren door de griffier schriftelijk mededeling van de dag der uitspraak wordt gedaan.

7. Artikel 552d van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

8. Onze Minister van Financiën is bevoegd in bijzondere gevallen de aan de staat vervallen vervoermiddelen en voorwerpen onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven.’

7. Art. 552b Sv, voor het laatst gewijzigd op 1 december 2016,2 luidt voor zover van belang, als volgt:

‘1. De belanghebbenden, andere dan de verdachte of veroordeelde, kunnen schriftelijk zich beklagen over de verbeurdverklaring van hun toekomende voorwerpen of over de onttrekking van zodanige voorwerpen aan het verkeer. Geen beklag staat open, indien het bedrag, waarop de verbeurdverklaarde voorwerpen bij de uitspraak zijn geschat, is betaald of ingevorderd, dan wel vervangende vrijheidsstraf is toegepast.

(…)

4. Acht het gerecht het beklag gegrond, dan herroept het de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer en geeft een last als bedoeld in artikel 353, tweede lid, onderdeel a of b.

5. Bij de herroeping van een verbeurdverklaring kan het gerecht de voorwerpen aan het verkeer onttrokken verklaren, indien zij daarvoor vatbaar zijn. De artikelen 33b, 33c en 35, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn van overeenkomstige toepassing.’

8. De beschikking van de rechtbank houdt onder meer in dat in de onder klager inbeslaggenomen auto een verborgen ruimte als omschreven in art. 1:37 Algemene Douanewet (Adw) is aangetroffen, dat het beslag op grond van art. 94 Sv is opgeheven, waarna op grond van de Adw beslag is gelegd op de auto, die is overgedragen aan de Douane. Daarmee deed zich ten tijde van de beoordeling van het beklag niet een situatie voor waarin sprake was van samenloop van beide vormen van beslag.3

9. Voor de beoordeling van het middel zijn de overwegingen van belang die Uw Raad in HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:403, NJ 2020/239 m.nt. De Bont heeft geformuleerd.4 Deze overwegingen luiden als volgt:

‘3.5.1 Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Krachtens art. 1:37, eerste en vierde lid, Adw (douanebeslag) vervallen de inbeslaggenomen vervoermiddelen of voorwerpen zonder rechtsvervolging - dus van rechtswege - aan de Staat tenzij bij een rechterlijke beslissing als bedoeld in art. 1:37, zesde lid, Adw, de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd. Dat betekent dat bij een onherroepelijke ongegrondverklaring van een op de voet van art. 1:37, eerste en vijfde lid, Adw ingediend klaagschrift het eigendom van de inbeslaggenomen vervoermiddelen en voorwerpen overgaat op de Staat. Op grond van art. 1:37, achtste lid, Adw kan de minister van Financiën de aan de Staat vervallen vervoermiddelen en voorwerpen onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar teruggeven. Indien die voorwaarden worden nageleefd en de teruggave plaatsvindt, beschikt de Staat niet meer over het eigendom van de betreffende vervoermiddelen en voorwerpen.

3.5.2 Op grond van art. 1:37, zesde lid, Adw, in samenhang met art. 552b, vijfde lid, Sv, kent de rechter op de voet van art. 33c, tweede lid, Sr, een geldelijke tegemoetkoming toe wanneer degene aan wie de aan de Staat vervallen vervoermiddelen of voorwerpen toebehoren, daardoor onevenredig zou worden getroffen (vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3632). Of de eigenaar van de vervoermiddelen of de voorwerpen door het vervallen van zijn eigendom aan de Staat onevenredig wordt getroffen wanneer hem geen geldelijke tegemoetkoming wordt toegekend, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan worden betrokken hoe de eigenaar van de vervoermiddelen of de voorwerpen zich in relatie daartoe heeft gedragen, de waarde van de onttrokken vervoermiddelen of voorwerpen, alsmede eventueel voordeel dat de Staat na het vervallen aan de Staat met betrekking tot die vervoermiddelen of voorwerpen verkrijgt, bijvoorbeeld door de verkoop van (onderdelen) daarvan. (Vgl. HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1156.)’

10. De rechter kent op grond van (overeenkomstige toepassing van) art. 33c, tweede lid, Sr een geldelijke tegemoetkoming toe wanneer dit nodig is om te voorkomen dat degene aan wie de aan de Staat vervallen vervoermiddelen of voorwerpen toebehoren, daardoor ‘onevenredig zou worden getroffen’.5 Uw Raad wijst op enkele omstandigheden die bij deze beslissing kunnen worden betrokken.6 Indien een gemotiveerd verzoek is gedaan tot toekenning van een geldelijke tegemoetkoming maar door de rechter geen toepassing wordt gegeven aan art. 33c, tweede lid, Sr, moet de rechter die beslissing motiveren.7

11. Aan het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer van 19 april 2019 waar het onderhavige klaagschrift is behandeld ontleen ik het volgende:

‘Tevens zijn namens de belastingdienst/douane in raadkamer verschenen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. (…)

[betrokkene 2] deelt mee dat het beslag wordt opgeheven indien de auto in originele staat wordt teruggebracht en dat dit herstel in de oorspronkelijke toestand moet gebeuren door een erkend dealer van het betreffende automerk.

De raadsman merkt op:

Omdat niet duidelijk was wat klager moest doen, gelet op standaardbrief van de Douane met een standaard tekst, heb ik contact gehad met [betrokkene 2] van de Douane. Met het herstel is een bedrag van € 2.800,- genoemd. Het juridisch vraagstuk moet zijn gericht op de vraag of de auto is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. Dat moet zonder meer duidelijk en boven enige twijfel verheven zijn. In casu zijn enkel de airbags niet gemonteerd. In de brief van de douane staan die voorwaarden wel, maar dan kost het wel erg veel geld om de auto terug te krijgen. Bij teruggave van de auto kan klager de airbags zelf monteren. Als de douane weigert de auto terug te geven vraag ik een vergoeding voor de auto.

De rechter houdt voor dat uit het proces-verbaal lijkt te volgen dat je via de zijkant van het dashboard bij een ruimte komt die normaal niet toegankelijk is. Verder merkt hij op dat, indien de auto in deze toestand zou zijn aangeschaft, klager de kosten voor herstel in beginsel zou moeten kunnen verhalen op diegene van wie deze auto is gekocht.

(…)

De officier van justitie deelt zijn standpunt mee:

Er is geen strafvorderlijk belang voor het beslag, maar de politie schrijft in het proces-verbaal de bevindingen op. De Douane legt op basis van de resultaten van dit onderzoek beslag op de auto op grond van art. 1:37 van de ADW. De auto mag in de staat waarin deze is aangetroffen, dus met een heimelijke bergruimte, niet meer aan het verkeer deelnemen. De raadsman vraagt een geldelijke vergoeding voor het beslag, maar dat is niet mogelijk. Hiervoor moet klager zich, wat de Douane betreft, wenden tot diegene van wie hij de auto heeft gekocht. Bovendien is een geldelijk vergoeding enkele mogelijk indien sprake is van ter goeder trouw en op grond van mijn bevindingen ga ik er van uit dat in 2017 de verborgen ruimte nog niet in deze auto zat.’

12. Dat de raadsman bij de behandeling van het klaagschrift om een vergoeding verzoekt, sluit aan op de inhoud van het klaagschrift. Daarin is subsidiair verzocht om een geldelijke tegemoetkoming. De bestreden beschikking houdt ook als weergave van het standpunt van de klager in dat de auto ‘een aanzienlijke marktwaarde [heeft] en mocht het beslag worden gehandhaafd, dan wordt verzocht een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen aan klager om schending van artikel 1 Eerste protocol bij het EVRM te voorkomen. Klager wordt onevenredig zwaar getroffen door het beslag op zijn auto’.

13. Anders dan de stellers van het middel, lees ik in de beschikking niet dat de rechtbank klaarblijkelijk van oordeel zou zijn dat de bevoegdheid van de Minister van Financiën om een vervoermiddel onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven in de weg staat aan het toekennen van een geldelijke vergoeding als bedoeld in art. 33c, tweede lid, Sr.8 Wel had de rechtbank, gelet op de inhoud van het klaagschrift en hetgeen door de raadsman van de klager in raadkamer is aangevoerd dienen te motiveren waarom het beklag ongegrond is verklaard zonder toekenning van een geldelijke tegemoetkoming op de voet van art. 1:37, zesde lid, Adw, in samenhang met art. 552b, vijfde lid, Sv, jo. art. 33c, tweede lid, Sr. In zoverre is de beschikking van de rechtbank dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Ik vat het middel, dat onder meer klaagt over het onvoldoende met redenen omkleed zijn van de beschikking, aldus op dat het (ook) klaagt over dit motiveringsgebrek.

14. Ik merk nog op dat blijkens door de strafgriffie van de Hoge Raad bij het parket Rotterdam ingewonnen informatie de in beslag genomen personenauto (merk/type Volvo V40 met kenteken [kenteken]) op 16 december 2019 is gesloopt. Dat brengt mee dat bij de vraag of de klager door het vervallen van zijn eigendom aan de Staat onevenredig wordt getroffen wanneer hem geen geldelijke tegemoetkoming wordt toegekend, mede zal kunnen worden betrokken of de Staat na het vervallen aan de Staat van die auto eventueel voordeel heeft verkregen, bijvoorbeeld door de verkoop van (onderdelen) daarvan.

15. Het middel slaagt.

16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, maar uitsluitend voor zover daarin niet is beslist op het verzoek tot toekenning van een geldelijke tegemoetkoming, tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank Rotterdam, opdat het klaagschrift in zoverre opnieuw wordt behandeld en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Wet van 3 april 2008, Stb. 111 (inwerkingtredingsbesluit Stb. 2008, 286).

2 Wet van 17 februari 2016, Stb. 90 (inwerkingtredingsbesluit Stb. 2016, 432).

3 Zie daarover de conclusie van A-G Knigge voorafgaand aan HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:404 (onder 5) en de noot van De Bont onder HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:403, NJ 2020/239 (vanaf nr. 6). Uit de overwegingen die Uw Raad in laatstgenoemd arrest formuleert volgt overigens dat Uw Raad van oordeel is dat ook een beslissing op een verzoek om een geldelijke tegemoetkoming dient te worden genomen indien ten tijde van het douanebeslag tevens strafvorderlijk beslag is gelegd terwijl de strafrechter nog niet onherroepelijk heeft beslist in de strafzaak en/of de ontnemingszaak (rov. 3.5.3).

4 Zie in verband met art. 1:37 Adw ook HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:755. Klachten tegen de afwijzing van een verzoek om een geldelijke tegemoetkoming faalden in HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:982 en HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1080 (beide art. 81 RO).

5 Zie eerder ook reeds HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1210, NJ 1998/863.

6 Zie daarover de noot van Kooijmans onder HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1156, NJ 2019/328, nrs 3 en 4.

7 HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:196, NJ 2019/329 m.nt. Kooijmans, HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3154, HR 2 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1365, NJ 1999/329, rov. 4.3 en HR 27 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9338, NJ 1993/586 m.nt. Van Veen, rov. 5.5.2.

8 Dat dit oordeel niet juist zou zijn, volgt overigens uit HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1210, NJ 1998/863 en HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3632, rov. 5.2.