Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:835

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
20/01544
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1752
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Vervolgingsuitlevering aan Russische Federatie wegens verdenking van smokkel van ruim 3.400 marterstaarten. Dubbele strafbaarheid. Middelen zien onder meer op kwalificatie naar Nederlands recht van het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht. De AG adviseert de Hoge Raad de uitspraak te vernietigen, de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren en de beëindiging te gelasten van de uitleveringsdetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2020/151 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01544 U

Zitting 29 september 2020

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

hierna: de opgeëiste persoon.

1 Inleiding

1.1.

De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, heeft bij beslissing van 28 april 2020 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Russische Federatie toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van het feit, zoals omschreven in de bestreden uitspraak in de uiteenzetting van de feiten onder 2.4.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de opgeëiste persoon en mr. L.J. Woltring, advocaat te Haarlem, heeft zes middelen van cassatie voorgesteld.

2 Bestreden uitspraak

2.1.

De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“1.1. Het verzoek tot uitlevering.

In het dossier bevindt zich het verzoek tot uitlevering, gedateerd 4 maart 2020, van de hierboven aangeduide opgeëiste persoon, afkomstig van het Parket-Generaal van Rusland, met als kenmerk [001] en, met tussenkomst van de ambassade van Rusland in Nederland en de Minister van Justitie en Veiligheid te Den Haag, ontvangen door het Openbaar Ministerie Noord-Holland.

Uitlevering wordt gevraagd ter fine van strafvervolging terzake van de strafbare feiten opgenomen in genoemd verzoek tot uitlevering, te weten - kort gezegd - het illegaal over de douanegrens van de Douane-unie van de Euraziatische Economische Gemeenschap brengen van strategische goederen op grote schaal, strafbaar gesteld bij artikel 226.1, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van Rusland.

(…)

2.1. Toepasselijk verdrag

Van toepassing is het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb. 1965, 9; hierna: EUV).

(…)

2.3. Inhoud en grondslag van het verzoek.

De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht in verband met strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor hij als verdachte is aangemerkt, zoals omschreven in de hiervoor genoemde beschikking over het aanmerken als verdachte, d.d. 24 april 2019, te weten (kort gezegd) de illegale uitvoer van 3453 marterstaarten.

(…)

2.4. Het feitencomplex.

Blijkens de beschikking over de opsporing van verdachte, d.d. 27 februari 2019 is uit het vooronderzoek gebleken dat de opgeëiste persoon op 30 januari 2019 omstreeks 03:50 uur het groene kanaal in de vertrekhal van terminal E van de internationale luchthaven Sjeremetjevo te Moskou passeerde. Hij was vertrekkende uit Moskou naar Amsterdam met [(...)] en had een stuk handbagage en twee stuks ruimbagage meegenomen, waarbij hij de meegenomen voorwerpen niet bij de douane volgens de vastgestelde regels had aangegeven. Tijdens de douanecontrole van de bagage werd onder andere halffabricaat van pels en/of bont, te weten 3453 stuks marterstaart, aangetroffen en in beslag genomen.

2.5. De genoegzaamheid van de stukken.

De door de verzoekende Staat overgelegde stukken voldoen aan de daaraan ingevolge het EUV en de Uitleveringswet te stellen eisen. Met name is in de hiervoor genoemde beschikkingen over het aanmerken als verdachte, d.d. 24 april 2019 en over de opsporing van verdachte, d.d. 27 februari 2019 voldoende duidelijk omschreven ter zake van welke feiten de uitlevering wordt verzocht, met voldoende nauwkeurige aanduiding van plaats en tijd.

Uit 2.2 tot en met 2.5 volgt dat is voldaan aan de in art. 12 EUV en artikel 18 van de Uitleveringswet gestelde eisen.

2.6. De overige voorwaarden voor toelaatbaarheid van de uitlevering.

2.6.1. Dubbele strafbaarheid.

Vastgesteld wordt dat het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, blijkens de door de verzoekende Staat overgelegde stukken strafbaar is naar het recht van de verzoekende Staat en dat daarvoor naar het recht van de verzoekende Staat een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd.

Door de raadsman is ter zitting het verweer gevoerd dat geen sprake is van de vereiste dubbele strafbaarheid. De opgeëiste persoon heeft zich hoogstens schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 10:1, eerste lid, Algemene douanewet, hetgeen bestraft wordt met een geldboete.

De rechtbank verwerpt dit verweer, nu het feit naar haar oordeel naar Nederlands recht oplevert: opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 3.37, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. Ingevolge artikel 6, eerste lid, Wet economische delicten kan daarvoor eveneens een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd.

Daaraan voegt de rechtbank nog toe dat het vereiste van de dubbele strafbaarheid niet betekent dat de strafbepaling van de verzoekende Staat dezelfde kwalificatie moet hebben als de Nederlandse strafbepaling. Het materiële feit waarvoor de uitlevering is verzocht en dat strafbaar is naar het recht van de verzoekende Staat, moet echter wel binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling vallen (vgl. HR 4 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0451). Daarbij is het niet van belang of de buitenlandse strafbaarstelling in alle opzichten overeenstemt met de Nederlandse. Voldoende is dat die buitenlandse strafbaarstelling in de kern bezien hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in deze zaak sprake. De strafbaarstelling in de verzoekende Staat strekt tot het tegengaan van het illegaal op grote schaal over de Staatsgrens brengen van onder meer bont van marterachtigen, terwijl de strafbaarstelling in Nederland ingevolge de Wet op de economische delicten en de Wet natuurbescherming strekt tot het zonder de benodigde controles en formaliteiten uitvoeren van specimen van marterachtigen. Beide strafbaarstellingen beogen daarmee - in de kern genomen - de bescherming van hetzelfde rechtsgoed, te weten de ongecontroleerde uitvoer van een beschermde diersoort.

Dit betekent dat is voldaan aan de in artikel 2 EUV en artikel 5 Uitleveringsverdrag gestelde vereisten voor toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering.

2.6.2. Vermoeden van schuld.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting erkend dat hij op 30 januari 2018, terwijl hij voornemens was het grondgebied van Rusland uit te reizen, in totaal 3453 marterstaarten in zijn bagage heeft meegevoerd zonder deze bij de douane aan te geven. Onder overlegging van een afschrift van een factuur heeft hij echter betoogd dat de waarde van de betreffende marterstaarten minder was dan 1 miljoen Russische roebel, als gevolg waarvan hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 226.1 van het Wetboek van Strafrecht van Rusland.

Gelet op artikel 28, tweede lid, Uitleveringswet wordt de uitlevering ontoelaatbaar geacht indien geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd. Volgens vaste rechtspraak dient de vermeende onschuld onverwijld te worden aangetoond. Dit betekent dat een dergelijk verweer alleen kans van slagen heeft indien de rechtbank zonder diepgaand onderzoek zoals in een strafgeding, tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld.. Hetgeen de opgeëiste persoon daartoe heeft aangevoerd, leidt niet tot dat oordeel. Door de verzoekende Staat zijn stukken overgelegd waaruit blijkt dat er door twee verschillende deskundigen rapporten zijn opgemaakt. Beide deskundigen hebben de waarde van de marterstaarten vastgesteld op meer dan 1 miljoen Russische roebel. Mede gelet op deze omstandigheid kan de waarde van de betreffende marterstaarten niet zonder een diepgaand onderzoek worden vastgesteld. Dit gaat het toetsingskader van het hier aan de orde zijnde uitleveringsverzoek te buiten.

Evenmin is anderszins gebleken dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan het feit waarvoor de uitlevering is gevraagd.

2.6.3. (Dreigende) schending van fundamentele rechten.

De raadsman heeft ter zitting aandacht gevraagd voor de voortdurende schending door Rusland van fundamentele mensenrechten. Hij heeft daartoe onder meer een viertal zaken genoemd waarbij sprake zou zijn van een strafrechtelijke veroordeling zonder een fair trial in de zin van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bovendien heeft de raadsman gewezen op de mensonterende omstandigheden waaronder personen in Rusland gedetineerd zijn. Er is geen garantie dat de detentie van de opgeëiste persoon onder veilige omstandigheden in Rusland kan plaatsvinden. De conclusie moet volgens de raadsman zijn dat uitlevering naar Rusland onder deze omstandigheden niet toelaatbaar is.

(…)

De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) volgt dat het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in het EVRM, is voorbehouden aan de minister van Justitie en Veiligheid. In het geval dat komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.

Het vorenstaande betekent dat hetgeen is aangevoerd, niet tot de conclusie kan leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Namens de opgeëiste persoon is immers niet aangevoerd dat sprake is van een voltooide schending van enige bepaling van het EVRM. Een zodanige schending is overigens ook niet komen vast te staan:

Tenslotte is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de beoordeling van de vraag of de uitlevering, gelet op de detentieomstandigheden in Rusland, feitelijk doorgang kan vinden, is voorbehouden aan de minister van Justitie en Veiligheid die, te zijner tijd naar de alsdan bekende detentieomstandigheden, daarover een beslissing zal moeten nemen.

3. Slotsom.

Nu ook overigens niet is gebleken van feiten die in de weg zouden staan aan de toelaatbaarverklaring van de uitlevering, zal, gelet op de artikelen:

- 2 en 12 EUV,

- 5 Tweede aanvullend Protocol bij het EUV,

- 65 Uitvoeringsovereenkomst Schengen,

- 5 en 18 Uitleveringswet,

- 1a, 2 en 6 Wet op de economische delicten,

- 3.37 Wet natuurbescherming,

- 3.14 Regeling natuurbescherming,

- 5 Verordening (EG) nr. 338/97 (CITES-basisverordening)

worden beslist als volgt.

4. De beslissing.

De rechtbank:

verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de Russische Federatie van [opgeëiste persoon] ter strafvervolging terzake van het feit, hierboven omschreven in de uiteenzetting van de feiten onder 2.4.”

3 Eerste middel

3.1.

Het eerste middel houdt in dat het uitleveringsrecht is gebaseerd op de beginselen van reciprociteit en vertrouwen, dat Rusland deze beginselen niet nakomt, zoals onder meer volgt uit het niet meewerken aan de uitlevering van verdachten in het kader van het MH17-proces, en dat alleen al om die reden de uitlevering niet toelaatbaar geacht zou moeten zijn.

3.2.

Als een middel van cassatie in de zin van de wet kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.1 In dit geval heeft de steller van het middel volstaan met de stelling dat Rusland het vertrouwensbeginsel en het beginsel van reciprociteit niet nakomt en daaraan de conclusie verbonden dat de uitlevering niet toelaatbaar geacht zou moeten zijn. Naast de opmerking dat het niet nakomen van het vertrouwensbeginsel en het beginsel van reciprociteit volgt uit het niet meewerken aan de uitlevering van verdachten in het kader van het MH17-proces ontbreekt het de klacht aan iedere toelichting. Hetgeen als eerste middel is voorgesteld blijft daarmee steken in algemene bewoordingen en kan mijns inziens niet worden aangemerkt als een middel van cassatie.

3.3.

Voor het geval de Hoge Raad hierover anders oordeelt, merk ik op dat het middel naar mijn mening ook niet tot cassatie kan leiden. Allereerst kan het beginsel van reciprociteit ofwel wederkerigheidsbeginsel, dat de belangen van staten beschermt en niet die van de opgeëiste persoon, alleen door de Minister van Justitie en Veiligheid en niet door de uitleveringsrechter worden toegepast.2

Wat betreft het vertrouwensbeginsel merk ik op dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren. Dat lijdt uitzondering wanneer in de zaak waarvoor de uitlevering is gevraagd sprake is van een voltooide inbreuk op de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon dan wel is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR toekomend recht, en tevens dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat. In een dergelijk geval dient de uitleveringsrechter de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.3 Door en namens de opgeëiste persoon is echter niet aangevoerd dat zich in deze zaak een dergelijk geval voordoet.

3.4.

Het middel faalt.

4 Tweede middel

4.1.

Het middel klaagt dat Rusland misbruik heeft gemaakt van de internationale signalering door Interpol, via een zogenaamde Red Notice, nu het slechts de verdenking van uitvoer van marterstaarten betreft.

4.2.

Ik kan in het middel geen stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen, ontdekken. Daarom kan het middel mijns inziens buiten bespreking blijven.4

5 Derde middel

5.1.

Het middel klaagt dat (ik citeer het middel) “in strijd met art 6 EVRM, (…) er geen sprake [is] van een eerlijk proces als zonder nadere onderbouwing de feiten, ic de deskundige rapporten, worden gewijzigd, inzoverre dat de waarde van de staarten de ene keer 1.225.815 roebel bedraagt en een andere keer 3.453.000 roebel”.
Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat in de beschikking van 27 juni 2018 over het aanspannen en in behandeling nemen van een strafzaak wordt verwezen naar een rapport van een deskundige d.d. 25 juni 2018 waarin is vastgesteld dat de marterstaarten op 30 januari 2018 een waarde hadden van 1.225.815 roebel, in de beschikking over de opsporing van verdachte van 27 februari 2019 wordt verwezen naar een rapport van 30 november 2018 waarin dezelfde marterstaarten een waarde hebben van 3.453.000 roebel en vervolgens in de beschikking tot het uitvaardigen van een internationaal opsporingsbevel van 24 april 2019 wordt vastgesteld dat de opgeëiste persoon 3.453 marterstaarten ter waarde van 1.225.815 roebel illegaal over de grens heeft gebracht.

5.2.

Deze klacht faalt reeds omdat art. 6 EVRM niet van toepassing is bij het onderzoek naar de toelaatbaarheid van een gevraagde uitlevering, aangezien dat onderzoek niet strekt tot het bepalen van de gegrondheid van de tegen de opgeëiste persoon ingestelde strafvervolging zoals bedoeld in art. 6 EVRM.5 Ten overvloede merk ik op dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, mij niet duidelijk is waarom het feit dat twee deskundigen de waarde van de marterstaarten op verschillende bedragen hebben vastgesteld zou betekenen dat geen sprake is van een eerlijk proces. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat, zoals de rechtbank heeft vastgesteld, beide deskundigen de waarde van de marterstaarten hebben vastgesteld op meer dan 1 miljoen Russische roebel, zoals van belang is voor de strafbaarheid van het feit naar het recht van de verzoekende Staat.

5.3.

Het middel faalt.

6 Vierde, vijfde en zesde middel

6.1.

Het vierde middel klaagt dat de uitvoer van marterstaarten met een waarde van meer dan één miljoen roebel overeenkomt met overtreding van het verbod om goederen met een waarde van meer dan € 10.000 uit te voeren zonder dit aan te geven bij de douane, op welke overtreding van art. 10:1 Algemene douanewet geen vrijheidsbenemende straf van meer dan één jaar is gesteld, zodat de uitlevering wegens het ontbreken van de dubbele strafbaarheid niet toelaatbaar is.

Het vijfde middel klaagt dat geen sprake is van dubbele strafbaarheid, aangezien het hier gaat om Russische marterstaarten en deze marters in Rusland niet als bedreigde diersoort worden beschouwd, zodat er geen strijd kan zijn met art. 3:37, eerste lid, Wet Natuurbescherming.

Het zesde middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de uitvoer van 3.453 marterstaarten naar Nederlands recht een overtreding van de flora en faunawet betreft waarop een vrijheidsbenemende straf staat van meer dan 1 jaar, terwijl het volgens het recht van de Russische Federatie een overtreding van een met de Nederlandse wet vergelijkbare overtreding van de Douanewet betreft, waarop slechts een geldboete als sanctie staat.

Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

6.2.

De rechtbank heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard ter strafvervolging van het feit zoals omschreven in de bestreden uitspraak onder 2.4. De rechtbank verwijst in dat kader onder meer naar de beschikking over het aanmerken als verdachte d.d. 24 april 2019. Dit stuk bevindt zich bij de stukken van het geding en houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“A citizen of the United States of America, [opgeëiste persoon] , committed smuggling, that is, illegal movement of strategically important goods across the customs border of the customs union within the EurAsEC, under the following circumstances:

January 30, 2018 at about 03:50 a.m. on the “green corridor” of the departure lounge of terminal E of Sheremetyevo International Airport, located at the address: Moscow Region, about. Khimki, Sheremetyevo Airport, was followed by US citizen [opgeëiste persoon] , departing by [(...)] via the Moscow-Amsterdam route, moving one piece of hand luggage and two meta baggage with him, without having, in the established manner, not declaring the objects he is moving.

During the customs inspection of two pieces of luggage and one piece of hand luggage, transported and owned by [opgeëiste persoon] , among other things, a fur-fur semi-finished product was found and seized - a marten tail in the amount of 3,453 pieces.

The seized fur-fur semi-finished product - the marten tail is included in the List of strategically important goods and resources for the purposes of Art. 226.1 of the Criminal Code of the Russian Federation, approved by Decree of the Government of the Russian Federation No. 923 of September 13, 2012.

According to the expert’s opinion No. 65 / 07-2018-3 of November 30, 2018. the cost of the seized fur-fur semi-finished product is a marten tail, brown in color, 30 cm long, with a total amount of 3,453 pieces, (…) amounted to 3 453 000 rubles, which according to the note to Art, 226.1 of the Criminal Code is a large amount of strategically important goods.

Thus, [opgeëiste persoon] . committed a crime under h. 1 tbsp. 226.1 of the Criminal Code - smuggling, that is, illegal movement of strategically important goods on a large scale across the customs border of the Customs Union within the EurAsEC.”

6.3.

Bij de stukken van het geding bevindt zich een Engelse vertaling van de “Decree of the Government of the Russian Federation No. 923 of September 13, 2012”. Deze houdt het volgende in:

“Decree of the Government of the Russian Federation of September 13, 2012 N 923

«On the approval of the list of strategically important goods and resources for the purposes of Article 226.1 of the Criminal Code of the Russian Federation, as well as on the determination of the types of strategically important goods and resources for which a large amount is recognized as a value exceeding 100 thousand rubles»

(…)

Code of the FEA of the EAEU

II. Strategic Resources

5.

Meat of cattle, poultry, pork *

0201-0203, 0207

6.

Fish and crustaceans, molluscs and other aquatic invertebrates *

0302 - 0308

6.1

Artemia, eggs (cysis) of Artemia ****

0511 91 909 0

7.

Finished products of fish or crustaceans, molluscs or other aquatic invertebrates *

1604-1605

8.

Amber, amber agglomerated, jet (black amber)*

2530 90 000 1

8.1

Treated amber, amber agglomerated, jet (black amber)*

9602 00 000 1

9.

Coal, including anthracite, coke and semi-coke *

2701-2704 00

10.

Crude oil and petroleum products containing 70 wt.% Or more of oil or petroleum products, these petroleum products being the main components of the products; waste oil products *

2709 00-2710

11.

Natural gas, oil and hydrocarbon gases, in a liquefied and gaseous state *

2711

12.

Fur *

4301 10 00, 4301 60 00, 4301 80, 4301 90 00, 4302

13.

Timber *

4401, 4403, 4404, 4407, 4408

14.

Precious and semiprecious stones *

7101-7104

14.1

Precious rnetal ores and concentrates *

2616

6.4.

Met betrekking tot de in de derde kolom genoemde codes merk ik op dat de Russische Federatie evenals Nederland en de Europese Unie partij is bij het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen. In de bijlage bij het verdrag is het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen opgenomen. Deze bijlage houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Chapter 43

Furskins and artificial fur; manufactures thereof

(…)

Heading No.

H.S. Code

43.01

Raw furskins (including heads, tails, paws and other pieces or cuttings, suitable for furriers' use), other than raw hides and skins of heading 41.01, 41.02 or 41.03.

4301.10

- Of mink, whole, with or without head, tail or paws

(…)

4301.60

- Of fox, whole, with or without head, tail or paws

4301.80

- Other furskins, whole, with or without head, tail or paws

4301.90

- Heads, tails, paws and other pieces or cuttings, suitable for furriers' use

43.02

Tanned or dressed furskins (Including heads, tails, paws and other pieces or cuttings), unassembled, or assembled (without the addition of other materials) other than those of heading 43.03.

- Whole skins, with or without head, tail or paws, not assembled:”

6.5.

Deze beschrijvingen komen overeen met die in de Engelse taalversie van hoofdstuk 43 van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/876. In de Nederlandse taalversie luidt bijlage I bij deze verordening, voor zover hier van belang, als volgt:

“Hoofdstuk 43

Pelterijen en bontwerk; namaakbont

(…)

GN-code

Omschrijving

(…)

1

2

(…)

4301

Pelterijen (koppen, staarten, poten en andere delen, geschikt voor bontwerk, daaronder begrepen), niet gelooid noch anderszins bereid, andere dan de ongelooide huiden en vellen bedoeld bij de posten 4101, 4102 en 4103:

(…)

4301 10 00

– van nertsen, in gehele vellen, ook indien ontdaan van kop, staart of poten

(…)

(…)

4301 60 00

– van vossen, in gehele vellen, ook indien ontdaan van kop, staart of poten

(…)

4301 80 00

– andere pelterijen, in gehele vellen, ook indien ontdaan van kop, staart of poten

(…)

4301 90 00

– koppen, staarten, poten en andere voor bontwerk geschikte delen

(…)

4302

Pelterijen (koppen, staarten, poten en andere delen daaronder begrepen, alsmede afvallen), gelooid of anderszins bereid, ook indien samengevoegd (zonder toevoeging van andere materialen), andere dan die bedoeld bij post 4303:

– in gehele vellen, ook indien zonder kop, staart of poten, niet samengevoegd:”

(…)

6.6.

Het vierde, vijfde en zesde middel komen op tegen het oordeel van de rechtbank dat het feitencomplex zoals omschreven in de door de Russische Federatie overgelegde stukken binnen de termen van een Nederlandse strafbaarstelling valt waarvoor een vrijheidsstraf van ten minste één jaar kan worden opgelegd, namelijk art. 3:37 Wet natuurbescherming.

6.7.

Voordat ik toekom aan een bespreking van deze middelen merk ik op dat het vereiste van dubbele strafbaarheid niet vergt dat een met de buitenlandse delictsomschrijving als zodanig overeenstemmende Nederlandse strafbepaling bestaat. Het materiële feit waarvoor de uitlevering is verzocht en dat strafbaar is naar het recht van de verzoekende Staat, dient binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling te vallen. Daarbij doet dus niet ter zake of de buitenlandse strafbaarstelling in alle opzichten overeenstemt met de Nederlandse. Voldoende is dat die buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. In dat geval kan worden gezegd dat een wettelijke bepaling is aan te wijzen op grond waarvan het materiële feit als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar is gesteld.7

6.8.

Voor de beoordeling van de middelen zijn de volgende bepalingen van belang:

  • -

    art. 2, eerste lid, EUV:

    “Tot uitlevering zullen kunnen leiden feiten die krachtens de wetten van de verzoekende Partij en van de aangezochte Partij strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt, met een maximum van ten minste een jaar of met een zwaardere straf. Wanneer er binnen het gebied van de verzoekende Partij een straf of een maatregel is opgelegd moet die straf of die maatregel ten minste de duur van vier maanden hebben.”

  • -

    art. 5, eerste lid, UW:

    “Uitlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van:

    a. een door autoriteiten van de verzoekende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar dat van Nederland, een vrijheidsstraf van een jaar, of van langere duur, kan worden opgelegd;

    b. de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de verzoekende staat te ondergaan wegens een feit als onder a bedoeld.”

    – art. 3.37, eerste lid, Wet natuurbescherming:

    “Het is verboden in strijd te handelen met bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen.”

    – art. 1a WED:

    “Economische delicten zijn eveneens:

    1° overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:

    (…)

    de Wet natuurbescherming, artikelen (…) 3.37, eerste en tweede lid, (…);

    (…)”

    – art. 2, eerste lid, WED:

    “De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 1° en 2°, en artikel 1a, onder 1° en 2°, zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan; voor zover deze economische delicten geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen.”

    – art. 6, eerste lid, WED:

    “Hij, die een economisch delict begaat, wordt gestraft:

    1° in geval van misdrijf, voor zover het betreft een economisch delict, bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1a, onder 1°, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie;

    (…)”

    – art. 3.14 Regeling natuurbescherming:

    “Als voorschriften als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, van de wet worden aangewezen:

    a. de artikelen 4, eerste lid, eerste volzin, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, 5, eerste en vierde lid, eerste volzin, 6, derde lid, 8, eerste lid, in samenhang met het vijfde lid, en 9, eerste, vierde en vijfde lid van de CITES-basisverordening;

    (…)”

  • -

    art. 5 Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (hierna: de CITES-basisverordening:

    “1. Specimens van de in bijlage A van deze verordening genoemde soorten mogen slechts uit de Gemeenschap uitgevoerd of wederuitgevoerd worden indien de nodige controles zijn verricht en vooraf bij het douanekantoor waar de uitvoerformaliteiten vervuld worden, een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat is voorgelegd, dat is afgegeven door een administratieve instantie van de Lid-Staat waar de specimens zich bevinden.

    (…)

    4. Specimens van de in de bijlagen B en C genoemde soorten mogen slechts uit de Gemeenschap uitgevoerd of wederuitgevoerd worden indien de nodige controles zijn verricht en vooraf bij het douanekantoor waar de uitvoerformaliteiten vervuld worden, een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat is voorgelegd die/dat werd afgegeven door een administratieve instantie van de Lid-Staat waar de specimens zich bevinden.

    (…)”

    – de bijlage bij de CITES-basisverordening8, voor zover inhoudende:

“Opmerkingen over de interpretatie van de bijlagen A, B, C en D

(…)

6. De tekens „(I)”, „(II)” en „(III)” achter de naam van een soort of hoger taxon verwijzen naar de bijlagen bij de overeenkomst waarin de betrokken soorten zijn opgenomen, zoals aangegeven in de opmerkingen 7, 8 en 9. Indien geen van deze tekens is aangebracht, zijn de betrokken soorten niet in de bijlagen bij de overeenkomst opgenomen.

7. (I) achter de naam van een soort of hoger taxon betekent dat die soort of dat hogere taxon is opgenomen in bijlage I bij de overeenkomst.

8. (II) achter de naam van een soort of hoger taxon betekent dat die soort of dat hogere taxon is opgenomen in bijlage II bij de overeenkomst.

9. (III) achter de naam van een soort of hoger taxon betekent dat die soort of dat hogere taxon is opgenomen in bijlage III bij de overeenkomst. In dat geval wordt tevens het land aangegeven met betrekking waartoe de soort of het hogere taxon in bijlage III is opgenomen.

(…)

Bijlage A

Bijlage B

Bijlage C

Gewone naam

FAUNA

(…)

Mustelidae

Marterachtigen

(…)

Mustelinae

Marters en Wezels

Eira barbara (III Honduras)

Tayra

Martes flavigula (III India)

Maleise bonte marter

Martes foina intermedia (III India)

Indiase steenmarter

Martes gwatkinsii (III India)

Zuid-Indiase marter

Mellivora capensis (III Botswana)

Honingdas of ratel

Mustela nigripes (I)

Zwartvoetbunzing”

  • -

    art. 10:1 Algemene douanewet:

    “1. Degene die:

    a. in strijd met de artikelen 127, eerste tot en met zesde lid, en 130 van het Douanewetboek van de Unie in samenhang met in voorkomend geval de artikelen 105, 106 of 110 van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie geen, niet tijdig of onvolledig een summiere aangifte indient;

    b. niet of niet tijdig een aankomstmelding doet als bedoeld in artikel 133 van het Douanewetboek van de Unie;

    c. goederen het douanegebied van de Unie binnenbrengt in strijd met de artikelen 135, eerste en zesde lid, of 137 van het Douanewetboek van de Unie;

    d. binnengebrachte goederen in strijd met artikel 139, eerste of tweede lid, van het Douanewetboek van de Unie niet of niet tijdig bij de inspecteur aanbrengt;

    e. bij de tijdelijke opslag in strijd met artikel 145, eerste, derde, vierde of vijfde lid, van het Douanewetboek van de Unie of artikel 193 van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie handelt;

    f. zonder toestemming van de inspecteur goederen wegvoert in strijd met artikel 139, zevende lid, van het Douanewetboek van de Unie of lost in strijd met artikel 140, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie;

    wordt gestraft met een geldboete van de derde categorie, of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de rechten bij invoer die ter zake van de goederen zijn verschuldigd.

    2. Degene die een der in het eerste lid omschreven feiten begaat met het oogmerk de rechten bij invoer die ter zake van de goederen zijn verschuldigd, te ontduiken of de ontduiking daarvan te bevorderen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van die rechten.

    3. Degene die uit zee of door de lucht goederen aanvoert ten aanzien waarvan het in artikel 2:2 genoemde tegenbewijs niet wordt geleverd, wordt geacht die goederen uit zee, onderscheidenlijk door de lucht, binnen het douanegebied van de Unie te hebben gebracht.

    4. Degene die uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten verplicht is tot het doen van aangifte en deze aangifte niet, onvolledig of onjuist doet, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.

    5. Degene die een der in het vierde lid omschreven feiten opzettelijk begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

    6. Met betrekking tot de in het vierde en vijfde lid strafbaar gestelde feiten is artikel 10:15, tweede lid, onderdeel d, niet van toepassing.”

  • -

    art. 10:2 Algemene douanewet:

    “Degene die voor goederen die het douanegebied van de Unie verlaten:

    a. niet of niet tijdig een aangifte vóór vertrek indient als bedoeld in artikel 263 van het Douanewetboek van de Unie;

    b. goederen in strijd met artikel 267, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie niet langs een voorgeschreven route vervoert; of

    c. in strijd met artikel 274 van het Douanewetboek van de Unie geen kennisgeving van wederuitvoer indient;

    wordt gestraft met een geldboete van de derde categorie.”

6.9.

Het vierde en het zesde middel berusten op de opvatting dat het feit waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht binnen de termen van een strafbepaling uit de Algemene douanewet valt waarop enkel een geldboete staat. In het vierde middel verbindt de steller van het middel daaraan de conclusie dat de uitlevering ontoelaatbaar is, terwijl in het zesde middel daaraan kennelijk de conclusie wordt verbonden dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het feit naar Nederlands recht een overtreding van de flora en faunawet betreft.

6.10.

De middelen zien er echter aan voorbij dat de omstandigheid dat het feit waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht zou vallen binnen de termen van een strafbepaling uit de Algemene douanewet waarop enkel een geldboete staat, niet uitsluit dat het feit ook valt binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling waarvoor wel een vrijheidsstraf van een jaar of meer kan worden opgelegd, zoals de rechtbank heeft geoordeeld. De enkele omstandigheid dat het feit waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht zou vallen binnen de termen van een strafbepaling uit de Algemene douanewet waarop enkel een geldboete staat, kan aldus niet de conclusie dragen dat de uitlevering ontoelaatbaar is en evenmin dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht naar Nederlands recht strafbaar is gesteld in art. 3.37 Wet natuurbescherming.

6.11.

Het vierde en het zesde middel falen.

6.12.

Het vijfde middel klaagt, zoals hiervoor reeds weergegeven, dat geen sprake is van dubbele strafbaarheid, aangezien het hier gaat om Russische marterstaarten en deze marters in Rusland niet als bedreigde diersoort worden beschouwd, zodat er geen strijd kan zijn met art. 3:37, eerste lid, Wet Natuurbescherming.

6.13.

Anders dan de steller van het middel meen ik dat de vraag of de marters in Rusland als bedreigde diersoorten worden aangemerkt niet van belang is voor de vraag of de uitvoer van de marterstaarten zonder de benodigde controles en formaliteiten naar Nederlands recht strafbaar is gesteld in art. 1a en 2 WED in verbinding met art. 3.37 Wet natuurbescherming, art. 3.14 Regeling natuurbescherming en art. 5 CITES-basisverordening. Bij de toepassing van art. 5 CITES-basisverordening staat immers de vraag centraal of sprake is van een specimen van een soort genoemd in bijlage A, B of C bij de CITES-basisverordening.

6.14.

Toch stelt het middel mijns inziens terecht de vraag aan de orde of art. 3.37 Wet natuurbescherming van toepassing is op de onderhavige marterstaarten. De bestreden uitspraak houdt namelijk niet meer in dan dat het gaat om marterstaarten. Van welke martersoort deze afkomstig zijn, blijkt niet uit de bestreden uitspraak. Bij ontbreken van de vaststelling omtrent de martersoort die het betreft, is het oordeel van de rechtbank dat het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht naar Nederlands recht strafbaar is gesteld in art. 3.37 Wet natuurbescherming naar mijn mening echter niet begrijpelijk. Op grond van art. 5 CITES-basisverordening is het immers slechts verboden specimens van de in bijlagen A, B en C genoemde soorten marters uit te voeren of weder uit te voeren zonder een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat. Zonder enige vaststelling omtrent de martersoort, kan daarom niet worden aangenomen dat de staarten afkomstig waren van een soort die is genoemd in bijlage A, B of C en dus evenmin of het uitvoeren van die marterstaarten zonder de benodigde controles en formaliteiten een opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens art. 3.37, eerste lid, Wet natuurbescherming oplevert. Een blik achter de papieren muur leert dat ook de door de Russische Federatie overgelegde stukken niet inhouden van welke martersoort de staarten afkomstig zijn. Zij vermelden alleen dat het gaat om marterstaarten.

6.15.

Gelet op het voorgaande komt het oordeel van de rechtbank dat het feit naar Nederlands recht opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 3.37, eerste lid, van de Wet natuurbescherming oplevert mij niet begrijpelijk voor. Het oordeel van de rechtbank dat is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid is aldus ontoereikend gemotiveerd. Dat moet leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak.

6.16.

Het voorgaande roept in het licht van art. 31, achtste lid, UW de vraag op of de Hoge Raad de zaak kan afdoen zonder in een nieuw onderzoek naar de feiten te treden. Ik meen dat dit het geval is.9 In dat kader stel ik voorop dat het bepaalde in art. 12 EUV en 18 UW, welke bepalingen zien op de genoegzaamheid van de door de verzoekende staat over te leggen stukken, strekt tot beantwoording van de vraag of aan de voorwaarde van de dubbele strafbaarheid is voldaan. Aan de hand van die stukken zal de uitleveringsrechter moeten nagaan of de in die stukken verwoorde 'uiteenzetting van de feiten' een strafbaar feit naar Nederlands recht oplevert.10

6.17.

In dit geval voldoen de door de Russische Federatie overgelegde stukken, zoals door de rechtbank is vastgesteld, aan de eisen van art. 12 EUV en art. 18 UW. Uit deze stukken kan echter, zoals hiervoor reeds opgemerkt, niet blijken van welke martersoort de staarten afkomstig zijn. Een nieuw onderzoek naar de feiten kan daarin geen verandering brengen, zodat ook dan niet kan worden vastgesteld dat het materiële feit waarvoor de uitlevering is verzocht, zoals omschreven in de door de verzoekende staat overgelegde stukken, binnen de termen van art. 3.37 Wet natuurbescherming valt. Er kan immers niet worden vastgesteld dat het hier gaat om specimens van een in bijlage A, B of C bij de CITES-basisverordening genoemde soort. Ten overvloede merk ik op dat zelfs indien sprake zou zijn van staarten afkomstig van een martersoort genoemd in bijlage A, B of C het oordeel van de rechtbank dat deze Nederlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de buitenlandse strafbaarstelling mij niet zonder meer begrijpelijk voorkomt. Waar art. 3.37 Wet natuurbescherming in verbinding met art. 5 CITES-basisverordening immers de bescherming en instandhouding van in het wild levende dier- en plantensoorten beoogt11, strekt de Russische strafbepaling tot het tegengaan van de smokkel van onder meer strategisch belangrijke goederen.

6.18.

Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat het materiële feit waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is verzocht binnen de termen van art. 3.37 Wet natuurbescherming jo. art. 1a en 2 WED valt. Het valt evenmin binnen de termen van art. 10:1 Algemene douanewet. Wel valt het feit binnen de termen van art. 10:2 Algemene douanewet, maar hiervoor kan geen vrijheidsstraf van ten minste een jaar worden opgelegd.12 Ook overigens is het materiële feit waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is verzocht mijns inziens niet strafbaar krachtens een andere Nederlandse wettelijke bepaling waarvan overtreding wordt bedreigd met een vrijheidsstraf van ten minste een jaar, zodat niet wordt voldaan aan de eis van de dubbele strafbaarheid.

6.19.

Gelet op het voorgaande kan de Hoge Raad mijns inziens de verzochte uitlevering ontoelaatbaar verklaren zonder in een nieuw onderzoek naar de feiten te treden. Daarbij merk ik op dat de opgeëiste persoon zich in uitleveringsdetentie bevindt, zodat gelet op art. 37, eerste lid, onder a, UW tevens de ter zake van het uitleveringsverzoek bevolen vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon dient te worden beëindigd.13

6.20.

Het vijfde middel slaagt.

7 Conclusie

7.1.

Het vijfde middel slaagt. Het eerste, tweede, derde, vierde en zesde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

7.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering en tot het gelasten van de beëindiging van de ter zake van het uitleveringsverzoek bevolen vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 2 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AB7950, NJ 1999/739, m.nt. De Hullu. Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 179-181.

2 Vgl. HR 17 januari 1984, DD 84.248, HR 21 mei 1991, DD 91.322, en HR 28 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0468, DD 96.324. Zie ook V.H. Glerum & N. Rozemond, ‘Uitlevering’, in: R. van Elst & E. van Sliedregt (red.), Handboek internationaal strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 177.

3 HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276, m.nt. Rozemond, rov. 3.5-3.6.

4 Vgl. HR 19 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1171. Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 179-181.

5 HR 10 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6597, rov. 3.10. Zie ook EHRM 16 april 2002, app. no. 65964/01 (Peñafiel Salgado t. Spanje).

6 Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG 1987, L. 256), laatstelijk gewijzigd door Uitvoeringsverordening (EU) 2020/523 van de Commissie van 7 april 2020 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEU 2020, L 116).

7 Vgl. HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1442, rov. 3.3.

8 PbEG 1997, L 61, zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2019/2117 van de Commissie van 29 november 2019 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2019, L 320).

9 Vgl. HR 12 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9032.

10 Vgl. de schriftelijke samenvatting van mijn ambtgenoot Hofstee (ECLI:NL:PHR:2012:BW6798, onder 15), voor HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6798.

11 Zie bijvoorbeeld art. 1 CITES-basisverordening.

12 Zie ook hetgeen de officier van justitie hierover opmerkt op p. 3 van het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 14 april 2020.

13 Vgl. HR 27 maart 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8362, NJ 1984/611, m.nt. Van Veen, rov. 6.6. Anders HR 20 januari 1976, ECLI:NL:HR:1976:AD7237, NJ 1976/380.