Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:833

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-06-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
19/02998
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1461
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beschadiging taxi, art. 350.1 Sr. 1. Betekeningsperikelen t.a.v. dagvaarding in h.b. (bij verstek). Heeft hof nagelaten te onderzoeken of verdachte verbleef in een accommodatie bestemd voor de tijdelijke opvang van vreemdelingen? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

O.g.v. art. 588.1 ahf en onder b sub 3° (oud) Sv, dat in deze zaak van toepassing is, wordt een dagvaarding uitgereikt aan griffier indien geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in BRP en er ook geen feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is.

Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan echter o.m. niet worden aangenomen, indien het ernstige vermoeden bestaat dat verdachte een vreemdeling is die o.g.v. art. 2.6.1 Wet BRP jo. art. 21 lid 1, ahf en onder f Besluit BRP niet in aanmerking komt voor inschrijving als ingezetene in BRP, en niet d.m.v. een voor OM toegankelijk registratiesysteem is onderzocht of hij verblijft in een door het Rijk beschikbaar gestelde accommodatie die uitsluitend bestemd is voor het bieden van tijdelijke opvang aan vreemdelingen. Indien bij dat onderzoek een verblijfplaats in zo’n accommodatie aan het licht komt, moet die worden aangemerkt als de feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte. (Vgl. ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rov. 3.24 sub c.)

Uit art. 2.6.1 Wet BRP jo. art. 21.1 ahf en onder f Besluit BRP volgt dat vreemdeling die geen toelating heeft tot Nederland en verblijft in een door Rijk beschikbaar gestelde accommodatie die uitsluitend bestemd is voor het bieden van tijdelijke opvang aan vreemdelingen, gedurende de eerste zes maanden van het verblijf in Nederland niet in aanmerking komt voor inschrijving in de BRP.

Hof heeft geoordeeld dat de dagvaarding geldig is betekend. Daarbij heeft hof kennelijk geoordeeld dat niet het hiervoor bedoelde ernstige vermoeden bestond. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de ID-staat SKDB van 7 september 2018 een V-nummer (vreemdelingennummer) van verdachte vermeldt en inhoudt dat verdachte geen verblijfstitel (meer) heeft, biedt onvoldoende grond voor dat ernstige vermoeden, in aanmerking genomen dat uit stukken van het geding moet worden afgeleid dat verdachte t.t.v. van de betekening van de appeldagvaarding al langer dan zes maanden in Nederland verbleef.

Opmerking verdient nog het volgende. Art. 588 (oud) Sv is bij de gedeeltelijke inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de Wet USB vervangen door art. 36e Sv. Met die wijziging is de in art. 588.1 ahf en onder b sub 3° (oud) Sv voorgeschreven uitreiking aan de griffier indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in BRP, en ook geen feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, vervallen. Dat heeft in het overwogene geen wijziging gebracht. Volgt verwerping.

HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichtingen opgelegd om aan Staat t.b.v. in arrest genoemde slachtoffer in arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest telkens genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02998

Zitting 23 juni 2020

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 21 september 2018 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen’ veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis. Het hof heeft voorts de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het hof de dagvaarding in hoger beroep ten onrechte niet nietig heeft verklaard, althans heeft nagelaten te (doen) onderzoeken of de verdachte verbleef in een opvangcentrum als bedoeld in art. 21, eerste lid, sub f, van het Besluit basisregistratie personen. Uit de stukken van het geding zou het ernstige vermoeden voortvloeien dat de verdachte behoort tot de categorie van personen als bedoeld in art. 2.6 Wet basisregistratie personen jo. art. 21, eerste lid, sub f, Besluit basisregistratie personen.

  4. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 september 2018 houdt - voor zover in deze van belang – het volgende in:

‘De verdachte genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

met als laatst bekend adres: [plaats], [a-straat 1],

is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet ter terechtzitting aanwezig.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

(…)

De voorzitter deelt mede dat op de meest recente Informatiestaat SKDB-persoon, van 3 augustus 2018, bovenstaand adres als laatst opgegeven adres is vermeld. Er is geen huidig BRP-adres beschikbaar. Er zijn geen verblijfsgegevens bekend en er is geen verblijfstitel (meer). Er is getracht de dagvaarding op 28 juli 2018 te betekenen op het adres [a-straat 1] te [plaats], maar dat heeft niet geleid tot een uitreiking omdat volgens de mededeling van degene die zich daar bevond de verdachte daar niet woont, noch verblijft. Vervolgens is de dagvaarding op 3 augustus 2018 uitgereikt aan de griffier en is diezelfde dag de dagvaarding verzonden naar voornoemd adres. Tevens bevindt zich in het dossier een uitreiking van de dagvaarding aan de griffier op 20 juli 2018, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is.

De raadsman:

Ik heb veel moeite gedaan om cliënt te pakken te krijgen. Ik heb telefonisch met [betrokkene 1], de bewoonster van het adres [a-straat 1] in [plaats], gesproken. Zij deelde mij mede dat cliënt daar nooit heeft gewoond en dat zij geen post meer van hem wil ontvangen. Ik heb helemaal geen contact meer met hem gehad.

De voorzitter deelt mede dat het hof graag wil beschikken over een recentere Informatiestaat SKDB-persoon, zodat bezien kan worden wat heden de adresgegevens van de verdachte zijn.

Na een korte onderbreking van het onderzoek om de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen daar navraag naar te doen, deelt de advocaat-generaal mede dat er geen wijzigingen in de adresgegevens zijn en dat de verdachte thans niet gedetineerd is. De advocaat-generaal overlegt een informatiestaat SKDB-persoon d.d. 7 september 2018, die wordt toegevoegd aan het dossier.

De raadsman deelt mede dat hij niet gemachtigd is.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.’

5. Zich bij de gedingstukken bevindende Informatiestaten SKDB-persoon d.d. 20 juli 2018, 15 oktober 2018 en 26 oktober 2018 houden onder andere in dat aan de verdachte een V-nummer1 is toegekend, dat hij geen verblijfstitel (meer) heeft en dat een huidig BRP-adres niet beschikbaar is. Onder de rubriek ‘detentie adres’ is vermeld: ‘niet gedetineerd’. De laatst opgegeven woon- of verblijfplaats is [a-straat 1] in [plaats], datum registratie 7 oktober 2017.

6. In het overzichtsarrest HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken heeft Uw Raad onder meer overwogen (met weglating van een voetnoot):

‘D. De verdachte heeft geen bekende woon- of verblijfplaats

3.23. Indien op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte:

  • -

    niet is ingeschreven in een GBA, waaronder mede is begrepen het geval dat hij is ingeschreven op een zogeheten punt-adres,

  • -

    niet is gedetineerd in Nederland,

  • -

    niet een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem in Nederland bekend is, waaronder mede begrepen is het geval dat alleen een postbusnummer bekend is, en voorts

  • -

    niet een adres van hem in het buitenland bekend is,

  • -

    is de betekening in elk geval geldig indien de dagvaarding is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waarbinnen de zaak zal dienen (art. 588 lid 1 sub b onder 3°). De griffier kan de dagvaarding vervolgens opleggen.

  • -

    In het geval dat ten tijde van de uitreiking een postbusnummer van de verdachte bekend is waarheen niet een afschrift van de dagvaarding is verzonden, behoort de rechter het onderzoek ter terechtzitting te schorsen waarna een oproeping voor de nadere terechtzitting naar die postbus dient te worden gezonden. Zie daartoe hierna onder 3.34 sub b.

3.24. Bij het vorenstaande dient te worden aangetekend dat de onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats niet kan worden aangenomen:

a. indien niet is onderzocht of de verdachte in Nederland is gedetineerd. Is dat het geval, dan moet immers de penitentiaire inrichting waarin de verdachte verblijft worden aangemerkt als diens bekende verblijfplaats. Daarbij past de volgende kanttekening. Tot op heden is met betrekking tot een verdachte zonder bekende woon- of verblijfplaats in de vrije samenleving de eis gesteld dat bij de betekening van de dagvaarding moet worden nagegaan of en zo ja, waar hij als afgestrafte - dus in het kader van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak - verblijft in een penitentiaire inrichting. Het is de Hoge Raad echter bekend dat inmiddels een geautomatiseerd informatiesysteem in gebruik is waardoor het mogelijk is na te gaan of de verdachte - ongeacht de titel van de vrijheidsbeneming - in een Nederlandse gevangenis of een huis van bewaring verblijft. Het onderzoek zal zich dus daartoe moeten uitstrekken.

b. indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Of van dat laatste sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Een algemene regel daaromtrent laat zich dus bezwaarlijk formuleren. Daarom zal de Hoge Raad volstaan met het noemen van enige voorbeelden.

Wat betreft de dagvaarding in eerste aanleg zou in aanmerking kunnen komen een door de verdachte bij zijn verhoor door de politie of de rechter-commissaris opgegeven adres en voorts een adres dat door of namens de verdachte aan het openbaar ministerie is medegedeeld met het oog op de betekening van gerechtelijke mededelingen. Wat betreft een oproeping voor een nadere terechtzitting kan worden gedacht aan het adres dat de verdachte heeft opgegeven op de eerdere terechtzitting, waar het onderzoek voor onbepaalde tijd is geschorst.

Wat betreft de appèldagvaarding kunnen worden genoemd het adres dat de verdachte in de appèlakte heeft doen opnemen en - indien daarin geen woon- of verblijfplaats is vermeld - het adres dat hij bij de betekening van de uitspraak in eerste aanleg dan wel op de (laatste) terechtzitting in eerste aanleg heeft opgegeven.

c. indien ten aanzien van de verdachte het ernstige vermoeden bestaat dat hij behoort tot de categorie van personen als bedoeld in art. 33 Wet GBA in verbinding met art. 55 Besluit GBA, en in dat geval niet door middel van een voor het openbaar ministerie toegankelijk registratiesysteem is onderzocht of hij verblijft in een opvangcentrum als bedoeld in lid 3 van genoemd art. 55 (een door het Rijk beschikbaar gestelde accommodatie die uitsluitend bestemd is voor het bieden van tijdelijke opvang aan vreemdelingen). Opmerking verdient in dit verband dat uit genoemde voorschriften volgt dat vreemdelingen die geen toelating hebben tot Nederland en verblijven in een dergelijk opvangcentrum, gedurende de eerste zes maanden van hun verblijf in Nederland niet in aanmerking komen voor inschrijving in de GBA.

Indien bij dat onderzoek een verblijfplaats in een opvangcentrum aan het licht komt, moet die worden aangemerkt als de feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte.’

7. De steller van het middel meent dat in de onderhavige zaak gelet op de Informatiestaat SKDB-persoon van, zo begrijp ik, 20 juli 2018, het ernstige vermoeden bestond dat verdachte ‘behoort tot de categorie van personen die verblijft in een door het Rijk beschikbaar gestelde accommodatie die uitsluitend bestemd is voor het bieden van tijdelijke opvang van vreemdelingen’. In dat licht zou er aanleiding zijn geweest voor een nader onderzoek of verdachte verblijft in een opvangcentrum als bedoeld in art. 21, eerste lid, sub f Besluit basisregistratie personen. De steller van het middel merkt daarbij op dat uit de Informatiestaat SKDB-persoon niet kan worden afgeleid of de verdachte in een dergelijk opvangcentrum verblijft. En dat op basis van nader omschreven gedingstukken niet de conclusie kan worden getrokken dat de verdachte ten tijde van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep en nadien langer dan zes maanden in een dergelijk opvangcentrum voor vreemdelingen verbleef.

8. Uit de overwegingen van Uw Raad in het arrest van 12 maart 2002 kan worden afgeleid dat niet kan worden aangenomen dat geen feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte in Nederland bekend is (rov. 3.24 sub c) ‘indien ten aanzien van de verdachte het ernstige vermoeden bestaat dat hij behoort tot de categorie van personen als bedoeld in art. 33 Wet GBA in verbinding met art. 55 Besluit GBA, en in dat geval niet door middel van een voor het openbaar ministerie toegankelijk registratiesysteem is onderzocht of hij verblijft in een opvangcentrum als bedoeld in lid 3 van genoemd art. 55 (een door het Rijk beschikbaar gestelde accommodatie die uitsluitend bestemd is voor het bieden van tijdelijke opvang aan vreemdelingen).’

9. De Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA) is vervallen op 6 januari 2014.2 Art. 33 van deze wet luidde in 2002 als volgt:

‘1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën worden bepaald van personen, die in verband met hun bijzondere verblijfsrechtelijke positie niet in aanmerking komen voor inschrijving.

2. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde maatregel kunnen regels worden gesteld ten aanzien van een persoon die behoort tot een categorie als bedoeld in het eerste lid, omtrent:

a. het niet-inschrijven van de persoon;

b. het aanmerken van de persoon die reeds is ingeschreven als een ingeschrevene die wegens zijn vertrek uit Nederland niet als ingezetene is ingeschreven.’

10. Art. 55 Besluit gemeentelijke basisadministratie personen luidde in 2002 als volgt:3

‘1. Gedurende de eerste zes maanden van het verblijf in Nederland komen niet voor inschrijving in aanmerking vreemdelingen die geen toelating hebben tot Nederland en verblijven in een opvangcentrum.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het verblijf in Nederland aanvangt door geboorte en omtrent betrokkene door een ambtenaar van de burgerlijke stand in Nederland een geboorteakte is opgemaakt.

3. Onder een opvangcentrum als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: een door het Rijk beschikbaar gestelde accommodatie die uitsluitend bestemd is voor het bieden van tijdelijke opvang aan vreemdelingen.’

11. Uw Raad creëerde aldus, met rov. 3.24 van het genoemde overzichtsarrest, een verplichting die zag op het informeren van vreemdelingen die zich (nog) niet in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens konden inschrijven. Het ligt in de rede dat deze verplichting thans geldt ten opzichte van personen die op grond van art. 2.6 Wet basisregistratie personen jo. art. 21, eerste lid, onder f, Besluit basisregistratie personen niet voor inschrijving als ingezetene in aanmerking komen. Dat zijn: ‘vreemdelingen die geen toelating hebben tot Nederland en verblijven in een door het Rijk beschikbaar gestelde accommodatie die uitsluitend bestemd is voor het bieden van tijdelijke opvang aan vreemdelingen, gedurende de eerste zes maanden van het verblijf in Nederland.’4

12. In de onderhavige zaak is evenwel geen sprake van een ernstig vermoeden dat de verdachte tot deze categorie vreemdelingen behoort. Dat de verdachte ten tijde van de betekening van de appeldagvaarding al (veel) langer dan zes maanden in Nederland verbleef, heeft het hof eenvoudig kunnen afleiden uit de stukken van het geding, in het bijzonder de justitiële documentatie van de verdachte. Ik wijs er ook op dat de verdachte volgens de genoemde SKDB-staten op 7 oktober 2017, de dag van de tenlastegelegde vernieling, het adres [a-straat 1] in [plaats] heeft opgegeven.

13. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.

14. Ambtshalve wijs ik erop dat het hof bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis heeft toegepast. Gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 en de datum van de binnenkomst van de schriftuur kan de Hoge Raad bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Een V-nummer staat voor vreemdelingennummer. Ingevolge art. 107, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt aan een vreemdeling in de vreemdelingenadministratie een uniek vreemdelingennummer toegekend. Zie voorts www.ind.nl.

2 Zie de Wet van 9 juni 1994, Stb. 494. Aanvankelijk werd bij het artikel (toen nog genummerd als 20a) onder meer gedacht ‘aan buitenlandse NAVO-militairen’ (Kamerstukken II 1992/93, 21 123, nr. 13, p. 9).

3 Zie het Besluit van 22 september 1994, Stb. 690, zoals gewijzigd door het Besluit van 28 maart 2000, Stb. 151. Bij die wijziging is de termijn van het eerste lid van een jaar verkort tot zes maanden. Voor de termijn van een jaar was destijds gekozen ‘om de werklast bij gemeenten met een opvangcentrum te verlagen en om bestandsvervuiling van de GBA tegen te gaan, voortvloeiend uit het gegeven dat een groot aantal asielzoekers binnen een jaar met onbekende bestemming vertrok uit de opvangcentra’, aldus de Nota van Toelichting bij laatstgenoemd besluit.

4 Zie het Besluit van 28 november 2013, Stb. 493.