Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:831

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-06-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
18/05582
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1467
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Witwassen, art. 420bis Sr. 1. Bewijsklacht ‘afkomstig uit enig misdrijf’. 2. Verwerping beroep op kwalificatie-uitsluitingsgrond. 3. Strafmotivering. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05582

Zitting 23 juni 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1.

De verdachte is bij arrest van 20 december 2018 door het gerechtshof Den Haag wegens “witwassen”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een onvoorwaardelijke geldboete opgelegd ter hoogte van € 15.000,-, subsidiair 110 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr. Verder heeft het hof een deel van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedragen verbeurd verklaard, en ten aanzien van het resterende deel de bewaring gelast ten behoeve van de rechthebbende, een en ander zoals nader is omschreven in het arrest.

1.2.

Aan de veroordeling van de verdachte is het volgende voorafgegaan. Op 28 november 2016 gaven verbalisanten van de politie een stopteken aan de verdachte om het door hem bestuurde voertuig te controleren op grond van de Wet wapens en munitie. In het voertuig werd niets aangetroffen. De verdachte had echter € 13.480,- aan contanten bij zich in zijn portemonnee en jaszak. Hierop werd hij aangehouden op verdenking van witwassen. Vervolgens werden ook de woning van de verdachte en de auto van zijn vrouw doorzocht. Verspreid over verschillende plaatsen, zoals in een sok in een kofferbak van de auto of in een plastic zak bovenop de kledingkast, troffen verbalisanten van de politie diverse eurobiljetten aan, die veelal waren vastgemaakt in coupures met daaromheen een elastiekje. In totaal is een geldbedrag van meer dan € 100.000,- in contanten aangetroffen.

1.3.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.S. Nan, advocaat te 's-Gravenhage, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel komt op tegen de bewezenverklaring. Het tweede middel bevat een klacht over de verwerping van een uitdrukkelijk voorgedragen verweer. Het derde middel komt op tegen de strafoplegging. Het vierde middel bevat een klacht over schending van de redelijke termijn in cassatiefase.

1.4.

Alvorens ik toekom aan de bespreking van de middelen, geef ik eerst de bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen van het hof weer.

2 De bewezenverklaring, bewijsmiddelen en -overwegingen

2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1 subsidiair bewezen verklaard dat:


“hij op 28 november 2016, te Gorinchem, contante geldbedragen, te weten
- een contant geldbedrag van 1.750 euro (aangetroffen in de jaszak van verdachte), en
- een contant geldbedrag van 11.370 euro (aangetroffen in de portemonnee van verdachte), en
- een contant geldbedrag van 9.700 euro (aangetroffen in de auto van de vrouw van verdachte, met kenteken [kenteken 1] , in een sok in de achterbak), en
- een contant geldbedrag van 7.900 euro (aangetroffen in een sok in de achterbak van de auto van de vrouw van verdachte, met kenteken [kenteken 1] ), en
- een contant geldbedrag van 2.330 euro (aangetroffen in een tissuebox op het dashboard in de auto van de vrouw van verdachte, met kenteken [kenteken 1] ), en
- in een witte plastic tas bovenop de kledingkast aan de [a-straat 1] de volgende geldbedragen:
- een contant geldbedrag van 10.000 euro (aangetroffen in meerdere sokken)
- een contant totaalbedrag van 56.900 euro (in acht bundels (telkens) samengebundeld door middel van een elastiek), en
- een contant geldbedrag van 750 euro (aangetroffen in een kartonnen verpakking van mondwater op zolder aan de [a-straat 1] ),
voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in een bijlage bij het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 2 mei 2018, inhoudende:

Ja, al het geld dat op 28 november 2016 is aangetroffen is mijn geld, met uitzondering van het geld dat in enveloppen is aangetroffen. Ook het geld dat in de auto van mijn vrouw is aangetroffen is van mij.

2. Een proces-verbaal d.d. 28 november 2016 van de politie met nr. 2016386800-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (op p. 16 e.v.):


Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:


Op 28 november 2016 omstreeks 12.00 uur kregen wij het verzoek een voertuig te controleren. Op de Matthijs Snoeckstraat (het hof: in Gorinchem) hebben wij de bestuurder een stopteken gegeven. Hij bleek te zijn genaamd [verdachte] . Wij zagen dat hij zijn portemonnee op het dak van het voertuig legde. Hierin zagen wij een dik pak met geld zitten. In zijn jaszak had hij ook nog een pakketje met briefjes van 50 euro zitten. Hij vertelde dat het pakketje in zijn zak een bedrag van 1750 euro zou bedragen. Uit onderzoek bleek dat het totaalbedrag 11.730 euro en een bedrag van 1750 euro bedroeg.

3. Een proces-verbaal d.d. 28 november 2016 van de politie met nr. 2016386800-14. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (op p. 23 e.v.):


Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:


Op 28 november 2016 werd [verdachte] gecontroleerd op grond van de Wet wapens en munitie. In het voertuig werd niets aangetroffen. [verdachte] had echter een bedrag van 13.480 euro aan contanten bij zich en werd hierop aangehouden ter zake witwassen. Op het bureau van politie werd door de Officier van Dienst na overleg met een officier van justitie besloten tot het doorzoeken van de woning van [verdachte] op grond van de Wet wapens en munitie.


Op 28 november 2016 omstreeks 14.30 uur betraden wij de woning van [verdachte] op de [a-straat 2] te [plaats] .

Bovenop de kledingkast trof ik een zwartkleurige lederen schoudertas aan. Bij het openen van het hoofdcompartiment van de tas zag ik een witkleurige plastic draagtas. Ik zag dat de inhoud van deze tas bestond uit meerdere bundels met eurobiljetten. Hoofdzakelijk biljetten van vijftig euro. Deze waren doormiddel van een elastiek samengebundeld. Naast deze bundels zag ik een aantal opgerolde sokken. Bij het openen/uitvouwen van deze sokken zag ik dat er ook in deze sokken bundels met eurobiljetten zaten.

In de ladekast op de zolder zag ik dat een kartonnen verpakking van mondwater lag. In deze verpakking zaten eurobiljetten met een waarde van zevenhonderdvijftig euro.
Wij hebben onderzoek ingesteld in een personenauto voorzien van het kenteken [kenteken 1] ten name gesteld van [betrokkene 1] , de vrouw van verdachte [verdachte] .

Wij troffen achter in de kofferbak van de auto twee opgerolde sokken met inhoud. Bij telling bleek dat er in de eerste sok bankbiljetten zaten met een totaalwaarde van 9.700 euro en in de tweede sok bankbiljetten met een totaalwaarde van 7.900 euro.

Vervolgens troffen wij in een tissue box, welke op het dashboard van de genoemde auto stond een stapel bankbiljetten aan. Bij een nadere controle bleken het biljetten te zijn met een totaal waarde van 2.330 euro.

Wij zagen dat het meeste aangetroffen geld was vastgemaakt in coupures met daaromheen een elastiekje.

4. Een proces-verbaal d.d. 1 maart 2017 van de politie met 2016386800. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (op p. 57 e.v.):


Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:


Door de Belastingdienst, met tussenkomst van het iCOV, zijn rapportages verstrekt van verdachte [verdachte] en zijn vrouw [betrokkene 1] ter zake de vermogens- en inkomstenpositie.

Verdachte [verdachte] is woonachtig aan de [a-straat 1] te [plaats] tezamen met [betrokkene 1] en hun vier kinderen.

De inkomsten van 2009 tot en met 2012 zijn uitsluitend verkregen middels een levensverzekering van [A] en een uitkering van het UWV. Dit inkomen varieert in genoemde periode netto van minimaal 17.433 euro tot maximaal 20.455 euro op jaarbasis. Er zijn geen overige inkomsten bekend.

In de jaren 2012 tot en met 2017 is er kindgebonden budget toegekend voor een totaalbedrag van respectievelijk 2.487 euro, 2.116 euro, 2.368 euro, 1.726 euro, 1.975 euro en 2.069 euro.

In de jaren 2012 tot en met 2017 is er zorgtoeslag toegekend voor een totaalbedrag van respectievelijk 1.327 euro, 1.204 euro, 922 euro, 601 euro, 892 euro en 804 euro.

5. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming. Dit geschrift houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (op p. 76 e.v. ):


Inbeslagneming

Plaats: [a-straat 1]

Datum: 28 november 2016


Volgnummer 1

Categorie omschrijving: geld

Inhoud: 100 x 50 euro

Waarde: EUR 5000,00


Volgnummer 2

Categorie omschrijving: geld

Inhoud: 100 x 50 euro

Waarde: EUR 5000,00


Volgnummer 3

Categorie omschrijving: geld

Inhoud: 159x 50 euro, 7x 100 euro en 4x 200 euro

Waarde: EUR 9450,00


Volgnummer 4

Categorie omschrijving: geld

Inhoud: 60x 50 euro, 40x 100 euro, 22x 500 euro

Waarde: EUR 18000,00


Volgnummer 5

Categorie omschrijving: geld

Inhoud: 80x 50 euro, 8x 100 euro, 1x 200 euro

Waarde: EUR 5000,00


Volgnummer 6

Categorie omschrijving: geld

Inhoud: 100x 50 euro

Waarde: EUR 5000,00


Volgnummer 7

Categorie omschrijving: geld

Inhoud: 100 x 50 euro

Waarde: EUR 5000,00


Volgnummer 8

Categorie omschrijving: geld

Inhoud: 100 x 50 euro

Waarde: EUR 5000,00


Volgnummer 9

Categorie omschrijving: geld

Inhoud: 89 x 50 euro

Waarde: EUR 4450,00

Volgnummer 10
Categorie omschrijving: geld
Inhoud: 100 x 50 euro

Waarde: EUR 5000,00

6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 november 2016 met nr. PL2016386800-19 van de politie Rotterdam. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (op p. 101 e.v.):


Als de op 29 november 2016 afgelegde verklaring van de verdachte [verdachte] :


Ik heb het geld bewaard in een tas. Ik heb het in een zwarte tas gestopt.


De zwarte schoudertas die op de kledingkast lag, van wie is die tas?

Die tas is van mij


En van wie zijn die sokken?

Ook van mij

Ik heb het geld in die sokken gedaan.


7. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, met nr. PL1700-2016386800-15. Dit geschrift houdt onder meer in (op blz. 87 e.v.):


Volgnummer 5
Inhoud: sok met geld


Volgnummer 8:

Object: kleding (sok).”

2.3.

Het bestreden arrest bevat, voor zover hier relevant, de volgende nadere bewijsoverwegingen:


Verweren
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hiertoe heeft de raadsman meerdere verweren gevoerd.
(…)
Bewijsvermoeden witwassen
De raadsman heeft aangevoerd, overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen, dat de verdachte een verklaring voor de herkomst van het aangetroffen geld heeft gegeven welke concreet, verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken is. De omstandigheid dat de verdachte meerdere verklaringen heeft gegeven voor de herkomst van het geld kan verklaard worden door de psychische en fysieke problemen die de verdachte ten tijde van het afleggen van die verklaringen onderging, alsmede de omstandigheid dat er problemen waren met de Nederlandse taal en het ontbreken van een tolk Albanees die het Kosovaarse accent beheerste. De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de herkomst van het geld gelegen is in geïnde huren van een tweetal appartementen in Duitsland, zoals door de verdachte is verklaard.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Verspreid over meerdere plaatsen is bij de verdachte een geldbedrag van in totaal meer dan € 100.00,- in contanten aangetroffen. Uit de inkomsten van de verdachte is, gelet op de hoogte daarvan, de herkomst van dit grote geldbedrag niet te verklaren. Daarbij is de wijze van bewaren, zoals in een sok in de kofferbak van de auto of in een plastic zak bovenop de kledingkast, dermate opmerkelijk dat naar het oordeel van het hof het vermoeden gerechtvaardigd is dat deze geldbedragen uit (enig) misdrijf afkomstig zijn. Dit betekent dat van de verdachte verwacht mag worden dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen. De verdachte heeft meerdere verklaringen gegeven voor het aangetroffen geld. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verklaring aangaande de geïnde huren op zichzelf bezien reeds volstrekt niet aannemelijk is. Kijkend naar (de hoogte van) het inkomen van de verdachte en zijn vrouw in (een deel van de) periode waarin de huurgelden geïnd zouden zijn, dan vermag het hof niet in te zien hoe van dit inkomen een gezin kan zijn onderhouden zonder dat gebruik is gemaakt van de geïnde huurgelden. Aldus acht het hof het onaannemelijk dat de verdachte al de geïnde huurgelden heeft kunnen opsparen en op 28 november 2016 contant voorhanden heeft kunnen hebben.
Het verweer wordt verworpen.”

2.4.

De bijlage bij het verkorte arrest houdt, voor zover hier relevant, nog het volgende in als aanvulling op het arrest en de bewijsmiddelen:


Aanvulling (verbetering) op het arrest en de bewijsmiddelen:
(…)
In aanvulling op zijn pleitnota heeft de raadsman betoogd dat het geld afkomstig was uit door de verdachte zelf gepleegde misdrijven. Deze (blote) stelling – die door de verdachte overigens nimmer is ingenomen, ook niet ter zitting in hoger beroep – is niet gespecificeerd, laat staan onderbouwd en wordt daarom door het hof gepasseerd.

Het hof is van oordeel dat een legale herkomst van het geld niet aannemelijk is (geworden) en dat het in de gegeven omstandigheden – waarvoor het hof tevens verwijst naar hetgeen de rechtbank in onderdeel 4 van haar vonnis heeft overwogen, waar het hof zich geheel achter schaart en tot het zijne maakt – niet anders kan dan dat het geld van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte, die zelf het geld op vreemdsoortige wijze heeft verstopt, dat ook wist.”

2.5.

Het vonnis van de rechtbank houdt, voor zover het hof daarnaar heeft verwezen, het volgende in:


"4. Waardering van het bewijs
4.1. Vrijspraak zonder nadere motivering
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.


4.2. Bewijswaardering feit 1 subsidiair


4.2.1. Standpunt verdediging
Aangevoerd is dat niet bewezen kan worden dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Zoals van de verdachte verwacht mocht worden, heeft hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd. Het Openbaar Ministerie heeft nagelaten om daar vervolgens (voldoende) onderzoek naar te doen. Zodoende is er geen situatie waarin een criminele herkomst van het geld als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. De verdachte dient te worden vrijgesproken.
4.2.2. Beoordeling
Toetsingskader
De verdachte wordt verweten dat hij een geldbedrag van ruim honderdduizend euro heeft witgewassen. De rechtbank stelt met de officier van justitie en de verdediging vast dat er geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is.
Witwassen kan in een dergelijk geval bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het ligt op de weg van het Openbaar Ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.
De rechtbank dient vast te stellen of de feiten en omstandigheden zodanig zijn dat er zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Als de verklaring van de verdachte daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Vermoeden van witwassen
De verdachte is staande gehouden op grond van de Wet wapens en munitie. Bij de verdachte is geen wapen aangetroffen, wel had hij ruim € 13.000,- contant geld bij zich. Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn er in de woning en in de auto van zijn vrouw die bij de woning geparkeerd stond, ook aanzienlijke contante geldbedragen aangetroffen. Dat geld was met elastiekjes gebundeld, verstopt in sokken, een tissuebox en verpakking van mondwater en een deel bestond uit biljetten van € 500,-. In totaal heeft de verdachte € 101.540,- aan contant geld voorhanden gehad. Naar het oordeel van de rechtbank is er onder deze omstandigheden zonder meer sprake van een vermoeden van witwassen.
Verklaringen van de verdachte
De verdachte heeft diverse en wisselende verklaringen afgelegd over de herkomst van het geld en in een later stadium documenten overgelegd die deze verklaringen zouden moeten onderbouwen.
Bij zijn aanhouding heeft de verdachte verklaard dat hij het in zijn jas en portemonnee aangetroffen geld bij zich droeg omdat hij de dag daarna naar Kosovo zou vertrekken. Een deel van het geld – het bedrag van € 1.750,- dat hij in zijn jas droeg – had hij kort daarvoor ontvangen van een kennis, om het bij diens familie te bezorgen in Kosovo.
In zijn eerste politieverhoor heeft hij verklaard dat hij € 10.000,- van een kennis, genaamd Murat, had geleend om er een auto mee te kunnen kopen voor de handel. Over meer vermogen dan het bij hem bij zijn aanhouding aangetroffen geldbedrag zou hij niet beschikken.
In zijn tweede verhoor verklaarde de verdachte aanvankelijk dat het niet kan dat er meer geld is aangetroffen. Pas wanneer hij wordt geconfronteerd met de geldbedragen die tijdens de doorzoeking in zijn woning en de auto van zijn vrouw zijn aangetroffen, verklaarde hij dat familie uit Kosovo dat geld heeft gebracht en dat het bestemd is voor de autohandel. Bij voorlezing van dat tweede verhoor verklaart de verdachte dat zijn eerdere verklaringen niet kloppen: het aangetroffen geld is zijn eigen geld dat nog over is van een contante opname van € 160.000,- van zijn bankrekening kort na de invoering van de euro in 2002. Hij had meer dan twintig jaar geleden geld op zijn bankrekening gekregen in verband met de verkoop van een stuk land in Kosovo.

In zijn derde politieverhoor heeft de verdachte verklaar dat hij dat geld zelf heeft gespaard in zijn werkzame leven. Ook had hij een stuk grond in Kosovo waar nu een flat op staat, verkocht voor € 420.000. Hij heeft het geldbedrag opgenomen omdat hij geen vertrouwen had in de bank en in de euro.
Later heeft de verdachte enkele in april 2017 in [plaats] (Kosovo) onder ede opgemaakte verklaringen overgelegd waarin de verdachte, zijn broer en een ander familielid verklaren dat de verdachte in 1992 een stuk land met een erf heeft verkocht voor 279.500 Duitse Marken (hetgeen volgens de politie toen een waarde van € 142.906 vertegenwoordigde) en in 2002 een huis in Kosovo voor € 62.200. Voorts heeft hij een koopovereenkomst van een appartement in Duitsland overgelegd. De verdachte verklaart dat hij dat appartement samen met zijn broer heeft gekocht en dat hij dat verhuurt. In zijn laatste verklaring bij de politie verklaart hij voor het eerst dat hij huurpenningen zou hebben ontvangen in Duitsland en dat hij eens in de zoveel tijd daar zou hebben gepind en dat geld contant mee naar Nederland zou hebben gebracht.
Uit de wijze waarop de verhoren zijn verlopen, blijkt dat de verdachte na zijn aanhouding geen openheid van zaken heeft willen geven omtrent het contante vermogen waarover hij beschikte. Pas op het moment dat hij met de resultaten van de doorzoeking werd geconfronteerd, is hij gaan verklaren. Die verklaringen zijn in het geheel niet consistent. Zo heeft de verdachte eerst verklaard dat hij grond heeft verkocht in Kosovo en dat hij dat geld meer dan twintig jaar geleden op zijn rekening heeft gekregen, later dat hij grond heeft verkocht voor € 420.000,- en dat dat geld is opgegaan aan familieleden en de wederopbouw. Nog weer later heeft hij verklaard dat hij het met de verkoop van die grond gemoeide bedrag van (omgerekend ongeveer) € 140.000,- in vijf termijnen in Duitse Marken contant betaald heeft gekregen. Dat geld zou hij mee naar Nederland hebben genomen en bij de bank hebben omgewisseld. Pas in een veel later stadium verklaarde de verdachte over woningen in Duitsland waar hij jaarlijks duizenden euro’s huurpenningen uit zou verkrijgen.
De verdachte heeft desgevraagd bankafschriften afgegeven bij de politie. Door de politie is vastgesteld dat de rekeningafschriften niet compleet en/of opvolgend zijn. De verdachte stelt niet meer over de ontbrekende bankafschriften te beschikken. Waar wel uit de verstrekte rekeningafschriften blijkt dat de verdachte op 21 februari 2002 een bedrag van € 140.000,- heeft opgenomen, is uit de rekeningafschriften niet af te leiden hoe en wanneer dat op de rekening van de verdachte is bijgeschreven.
Ter terechtzitting van 2 mei 2018 heeft de rechtbank de verdachte voorgehouden dat de opname van € 140.000,- plaatsvond in de maand dat hij blijkens de koopovereenkomst ook appartementen in Duitsland ter waarde van € 143.000 heeft gekocht. Op de vraag of de opname met de aankoop van de appartementen te maken had, heeft de verdachte geantwoord dat hij dat geld voor zover hij zich kan herinneren heeft opgenomen toen de gulden overging in de euro. Het geld heeft hij opgenomen om thuis te houden omdat hij de banken niet vertrouwde. Wat opvalt, is dat er drie dagen voor de contante opname van bovengenoemd bedrag € 20.000,- uit een doorlopend krediet op de bankrekening van de verdachte wordt bijgeschreven. De verdachte heeft niet kunnen verklaren waarom hij geld heeft geleend om dat bedrag vervolgens samen met zijn andere geld contant op te nemen en verdeeld over zijn woning en auto jarenlang te bewaren.
De verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd en heeft zijn verklaring naarmate de tijd verstreek bijgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank draagt de wijze waarop zijn uiteindelijke verklaring tot stand is gekomen niet bij aan de geloofwaardigheid van die verklaring.
De door de verdachte en zijn raadsman (afwijkende) aangevoerde redenen voor de wisselende verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet geloofwaardig. Niet valt in te zien waarom de verdachte uit angst een andere verklaring zou hebben afgelegd terwijl de toenmalige raadsman van de verdachte de verhoren van 28 en 30 november 2016 heeft bijgewoond. Gelet op het politieverhoor van 1 december 2017 waar de verdachte zonder tolk en in het bijzijn van zijn huidige raadsman is gehoord, kan ook ene gestelde taalbarrière de verschillen niet verklaren.
Al het voorgaande in overweging nemende komt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaring van de verdachte hoogst onaannemelijk is.
Dat ligt anders ten aanzien van het geldbedrag dat in een envelop in de woning is aangetroffen. Ten aanzien van dat bedrag heeft de verdachte vanaf de aanvang specifiek verklaard dat dat geld van de kinderen is. Die verklaring heeft de verdachte op de zitting van 2 mei 2018 bevestigd. De verdachte zal partieel worden vrijgesproken van witwassen ten aanzien van dat geldbedrag, en dat bedrag zal worden bewaard ten behoeve van teruggave aan de rechthebbende.
Subsidiair verweer raadsman
Voor zover de raadsman het verweer heeft gevoerd dat het geld dat de verdachte voorhanden heeft gehad, afkomstig was uit een door hem zelf gepleegd misdrijf en dat niet bewezen kan worden dat hij dit geld heeft verborgen of verhuld – om welke reden de verdachte zou moeten worden vrijgesproken –, oordeelt de rechtbank dat de in dit verweer besloten liggende stelling dat het geld middellijk of onmiddellijk afkomstig was van een door de verdachte zelf gepleegd misdrijf, feitelijke grondslag ontbeert. Dit verweer behoeft daarom geen nadere bespreking.
4.2.3 Conclusie
De hiervoor opgesomde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, maken dat het niet anders kan dan dat het bewezenverklaarde geldbedrag van enig misdrijf afkomstig moet zijn en dat de verdachte dit ook wist. Het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen.”

3 Het eerste middel

Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, onvoldoende met redenen is omkleed. Deze klacht valt uiteen in twee deelklachten.

In de eerste plaats wordt geklaagd dat het hof in strijd met art. 423 lid 3 Sv in de aanvulling op het arrest een verwijzing heeft opgenomen naar (een onderdeel van) het vonnis van de rechtbank.

In de tweede plaats wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat een legale herkomst van het geld niet aannemelijk is (geworden) en dat het in de gegeven omstandigheden niet anders kan dan dat het geld van misdrijf afkomstig is, ontoereikend is gemotiveerd.

Eerste deelklacht

3.1.

Bij de beoordeling van de eerste deelklacht moet het volgende worden vooropgesteld. Op grond van art. 138b Sv, in verbinding met art. 415 Sv, wordt onder een verkort arrest verstaan een arrest waarin geen (opgave van) bewijsmiddelen zijn (is) opgenomen. Indien tegen een verkort arrest een gewoon rechtsmiddel is aangewend, wordt het arrest ingevolge art. 365a lid 2 Sv – afgezien van twee zich hier niet voordoende uitzonderingen – aangevuld met de (opgave van) bewijsmiddelen bedoeld in art. 359 lid 3 Sv. Met de term 'aanvullen' heeft de wetgever tot uitdrukking willen brengen dat de verkorte uitspraak op alle overige punten aan de wettelijke eisen moet voldoen en alleen de bewijsmiddelen en de redengevende omstandigheden kunnen worden aangevuld of gewijzigd.1 De Hoge Raad legt dit zo uit dat ook de bewijsoverweging uit een verkort arrest in de aanvulling zowel verbeterd als aangevuld mag worden.2 Zoals gezegd geldt dit alleen voor de bewijsmotivering en dus niet voor andere onderdelen van het arrest. Het is niet toegestaan om pas in de aanvulling op een verkort arrest een wijziging tenlastelegging te vermelden of de bewezenverklaring zelf, de kwalificatie, de strafmotivering of de ontnemingsbeslissing te wijzigen.3

3.2.

Verder bepaalt art. 423 lid 3 Sv dat het gerechtshof, in geval van vernietiging van het vonnis van de rechtbank, niettemin bevoegd is om bepaalde gedeelten daarvan in zijn arrest over te nemen. Uit de bewoordingen ‘in zijn arrest’ leidt de steller van het middel af dat het niet toegestaan is om gedeelten van de bewijsmotivering uit het vonnis van de rechtbank pas in de aanvulling op het arrest over te nemen. In de onderhavige zaak heeft het hof in zijn nadere bewijsoverweging mede naar de bewijsmotivering uit het – door het hof vernietigde – vonnis van de rechtbank verwezen. Ik zie niet in waarom het hof dat niet had mogen doen, omdat ook deze verwijzing als een toegestane aanvulling van de bewijsmotivering uit het verkorte arrest kan worden aangemerkt.4 Voor zover het middel hierover klaagt, faalt het.

Tweede deelklacht

3.3.

De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat een legale herkomst van het geld niet aannemelijk is (geworden) en dat het in de gegeven omstandigheden niet anders kan dan dat het geld van misdrijf afkomstig is, ontoereikend is gemotiveerd.

3.4.

De uitgangspunten voor een bewezenverklaring op grond van art. 420bis lid 1 sub b Sr zijn door de Hoge Raad als volgt samengevat:


“2.3.2. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.


2.3.3. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.


Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.


Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.”5

3.5.

De bewijsconstructie van het hof is als volgt opgebouwd. Het hof heeft vastgesteld dat verspreid over verschillende plaatsen bij de verdachte een geldbedrag van in totaal meer dan € 100.000,- in contanten is aangetroffen, dat de herkomst van dit grote geldbedrag niet te verklaren is uit de – bij de Belastingdienst bekende – inkomsten van de verdachte en dat de eurobiljetten onder meer werden aangetroffen in een sok in de kofferbak van de auto en in een plastic zak bovenop de kledingkast.
Vervolgens heeft het hof – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat deze omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat deze geldbedragen uit (enig) misdrijf afkomstig zijn. Daarmee lag het op de weg van de verdachte om een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn.

Het hof heeft de verklaring van de verdachte echter als onaannemelijk terzijde geschoven en geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Daartoe heeft het hof allereerst in aanmerking genomen dat de verklaring aangaande de geïnde huren op zichzelf bezien naar het oordeel van het hof reeds volstrekt niet aannemelijk is, omdat het hof gelet op (de hoogte van) het inkomen van de verdachte en zijn vrouw in (een deel van) de periode waarin de huurgelden geïnd zouden zijn, niet vermag in te zien hoe van dit inkomen een gezin kan zijn onderhouden zonder dat gebruik is gemaakt van de geïnde huurgelden. Daarnaast heeft het hof – mede door de bewijsoverwegingen van de rechtbank over te nemen – in aanmerking genomen dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd, terwijl de daarvoor aangevoerde redenen ongeloofwaardig zijn, en de verklaringen op onderdelen onvoldoende zijn onderbouwd.

3.6.

In de toelichting op het middel wordt allereerst aangevoerd dat de overweging van het hof dat, gelet op de hoogte van het inkomen van de verdachte en zijn vrouw in de periode waarin de huurgelden geïnd zouden zijn in Duitsland, niet valt in te zien hoe van dit inkomen een gezin kan zijn onderhouden zonder dat gebruik is gemaakt van de geïnde huurgelden, onbegrijpelijk is. Volgens de steller van het middel blijkt uit de bewijsvoering van het hof dat de verdachte met zijn gezin in die periode van een inkomen leefde dat net boven dan wel rond het sociale minimum lag, zodat juist niet valt in te zien waarom zij daarvan niet zouden hebben kunnen rondkomen, al wordt toegegeven dat dat geen vetpot was.

3.7.

Hier heeft de steller van het middel een punt. Uit bewijsmiddel 4 volgt immers dat het inkomen van 2009 tot en met 2015 op jaarbasis neerkwam op een nettobedrag van minimaal € 17.433,- tot maximaal € 20.455,-. Dat bedrag is hoger dan het sociaal jaarminimum dat voor gehuwden en gelijkgestelden een brutobedrag van € 19.843,80 per jaar inhoudt.6

3.8.

Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden. Ook met weglating van deze overweging is het oordeel van het hof dat het, ondanks de verklaringen die de verdachte heeft gegeven, niet anders kan zijn dan dat het geld van enig misdrijf afkomstig is, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het hof heeft immers vastgesteld dat uit de verstrekte rekeningafschriften weliswaar blijkt dat de verdachte op 21 februari 2002 een bedrag van € 140.000,- heeft opgenomen, maar dat uit deze rekeningafschriften niet valt af te leiden hoe en wanneer dat bedrag op de rekening van de verdachte is bijgeschreven. Ook heeft de verdachte niet kunnen verklaren waarom hij in diezelfde tijd een geldbedrag van € 20.000,- heeft geleend om dat bedrag vervolgens samen met zijn andere geld contant op te nemen. Daarnaast wijst het hof er in zijn bewijsmotivering op dat de verdachte steeds wisselende verklaringen heeft afgelegd over de herkomst van het geld. Zo heeft hij op de vraag van de rechtbank in eerste aanleg of de opname in 2002 met de aankoop van de appartementen in Duitsland te maken had, geantwoord dat hij dat geld voor zover hij zich kan herinneren heeft opgenomen toen de gulden overging in de euro en thuis heeft gehouden omdat hij de banken niet vertrouwde. Zo sluitend is de verklaring van de verdachte over de herkomst van het bij hem aangetroffen geld, nog los van de in hoger beroep ingenomen stelling dat het zou gaan om gespaarde huurinkomsten van de Duitse appartementen, dus niet. Daarom kan ook niet worden gezegd dat het oordeel van het hof hierover onbegrijpelijk is. Voor een verdere toetsing is in cassatie geen plaats.7

3.9.

Het middel leidt niet tot cassatie.

4 Het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt in de kern dat het bewezen verklaarde ten onrechte, dan wel onvoldoende met redenen omkleed, als witwassen in de zin van art. 420bis, lid 1 sub b, Sr is gekwalificeerd. De steller van het middel heeft hierover een primaire en subsidiaire klacht geformuleerd.
De primaire klacht houdt in dat het hof in strijd met art. 358, lid 3 en lid 5, Sv pas in de aanvulling op het arrest een beslissing heeft genomen op een door de raadsman van de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer.
De subsidiaire klacht komt erop neer dat de verwerping van dit uitdrukkelijk voorgedragen verweer onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd.

4.2.

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2018 heeft de raadsman daar het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:


BEWIJS
(…)
Uit dit dossier blijkt niet dat het niet anders kan zijn dan dat het geld onmiddellijk afkomstig is van enige misdrijf.
Als dat wel zo is, dient het uitgangspunt volgens het dossier te zijn dat het geld afkomstig is uit een door cliënt zelf begaan misdrijf (dat ligt dan in de rede omdat het zijn geld betreft).
Omdat geen sprake is van handelingen/gedragingen die duiden op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld en er slechts kan worden gesproken van het voorhanden hebben van de geldbedragen dient er ofwel vrijspraak, dan wel een Ontslag van alle Rechtsvervolging te worden uitgesproken.”

4.3.

In de bijlage bij het verkorte arrest heeft het hof dit verweer als volgt samengevat en verworpen:


Aanvulling (verbetering) op het arrest en de bewijsmiddelen:
(…)
In aanvulling op zijn pleitnota heeft de raadsman betoogd dat het geld afkomstig was uit door de verdachte zelf gepleegde misdrijven. Deze (blote) stelling – die door de verdachte overigens nimmer is ingenomen, ook niet ter zitting in hoger beroep – is niet gespecificeerd, laat staan onderbouwd en wordt daarom door het hof gepasseerd.”

Primaire klacht

4.4.

Primair klaagt het middel dat het hof in strijd met art. 358, lid 3 en lid 5, Sv pas in de aanvulling op het arrest een beslissing heeft genomen op een door de raadsman van de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer dat het bewezen verklaarde niet witwassen als bedoeld in art. 420bis, lid 1 sub b, Sr oplevert.

4.5.

Zoals hiervoor onder 3.1. is vooropgesteld, mag het hof in de aanvulling op het verkorte arrest een nadere bewijsoverweging opnemen. Eveneens is het toegestaan om een bewijsoverweging uit het verkorte arrest in de aanvulling te verbeteren of aan te vullen. Met betrekking tot verweren of verzoeken waarop de rechter op straffe van nietigheid gehouden is bepaaldelijk een beslissing te geven, geldt dat dergelijke beslissingen in het verkorte arrest zelf opgenomen dienen te worden, voor zover daarop niet reeds ter terechtzitting is beslist.8 Dit is slechts anders indien het gaat om een ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat betrekking heeft op de bewijsbeslissing, waaronder mede begrepen de bewijsvoering. De weerlegging daarvan mag wel worden opgenomen in de aanvulling als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv.9

4.6.

Gelet hierop, is in het onderhavige geval de – hiervoor onder 4.3. weergegeven – beslissing van het hof op het door de raadsman van de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer met betrekking tot de kwalificatie-uitsluitingsgrond inderdaad ten onrechte (pas) opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a Sv. Daarover klaagt het middel op zichzelf terecht.

4.7.

Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden. De Hoge Raad heeft immers reeds uitgemaakt dat onvoldoende rechtens te respecteren belang bestaat bij vernietiging op grond van de enkele – op zichzelf terecht voorgestelde – klacht dat een beslissing of de motivering daarvan ten onrechte niet in het arrest zelf, maar in de in art. 365a Sv bedoelde aanvulling is opgenomen. Daaraan heeft de Hoge Raad ten grondslag gelegd dat de verdachte in cassatie in de gelegenheid is om de juistheid en begrijpelijkheid van de beslissing en motivering daarvan in volle omvang aan de Hoge Raad voor te leggen.10 Daartoe strekt de subsidiaire klacht van het middel, die ik hierna bespreek.

Subsidiaire klacht

4.8.

Subsidiair klaagt het middel dat de verwerping van een door de raadsman van de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd.

4.9.

Het middel doet een beroep op de rechtspraak van de Hoge Raad over het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er – kort gezegd – op neer dat in zulke gevallen extra eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van witwassen, in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Deze rechtsregels hebben betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.11

4.10.

Het hof heeft in de onderhavige zaak overwogen dat de (blote) stelling van de raadsman dat het geld afkomstig was uit door de verdachte zelf gepleegde misdrijven – een stelling die volgens het hof door de verdachte nimmer is ingenomen, ook niet ter zitting in hoger beroep – niet is gespecificeerd, laat staan onderbouwd en daarom door het hof wordt gepasseerd. Daarin ligt als kennelijk oordeel besloten dat het hof niet aannemelijk heeft geacht dat het betrokken geldbedrag onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig was. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, aangezien uit de hiervoor onder 4.2. weergegeven pleitnota niet blijkt dat met voldoende concretisering12 is aangevoerd dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, terwijl uit de door het hof gebezigde bewijsvoering evenmin rechtstreeks voortvloeit dat het geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.13

4.11.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5 Het derde middel

5.1.

Het middel klaagt dat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd, omdat de opgelegde (bijkomende) vermogensstraffen verbazing wekken. In dat verband wijst de steller van het middel erop dat het hof “enerzijds heeft vastgesteld dat verzoeker niet rond kon komen van het bij de Belastingdienst bekende inkomen, maar anderzijds naast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden een onvoorwaardelijke geldboete van € 15.000,00 heeft opgelegd en de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedragen van in totaal € 101.460,00 verbeurd verklaard”.

5.2.

De raadsman heeft volgens zijn pleitnota op de terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2018, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd:


STRAFMAAT


Cliënt is first offender althans voor dit soort feiten.


Cliënt heeft zoals is onderbouwd zowel psychische als lichamelijke klachten.


In NL hanteert het Openbaar Ministerie een niet gepubliceerde regel, waarbij bij witwassen van geld bedragen normaliter wordt volstaan met het doen van afstand van het geldbedrag en daarnaast mogelijk het betalen van een geldboete van tussen de 5-10% van het inbeslaggenomen bedrag. De verdediging overlegt hierbij transacties en correspondentie met het Openbaar Ministerie op verschillende niveaus, waaruit blijkt dat dat in de praktijk bestaat en ook nagenoeg standaard wordt geïmplementeerd.


In deze zaak heb ik van cliënt begrepen dat dit aanbod zou zijn gedaan, maar dat cliënt om principiële redenen daarvan heeft afgezien.


Gelet daarop, het tijdsverloop in deze zaak en de bijzondere persoonlijke omstandigheden om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf, dan wel een onvoorwaardelijke taakstraf dan wel een geldboete.


Gelet op het ontbreken van documentatie van cliënt ten aanzien van soortgelijke feiten zou het strafdoel vergelding bij een mogelijke straf minder moeten worden gehanteerd, terwijl de speciale preventie bij dit feitencomplex en deze verdachte op de voorgrond zou moeten treden en zou er derhalve geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf moeten worden opgelegd.”

5.3.

Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:


“Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.


Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot contant geldbedrag. Witwassen tast de integriteit van het betalingsverkeer. Met witwassen wordt het gebruiken van geld met een criminele herkomst in het reguliere betalingsverkeer gefaciliteerd. Hiertegen dient streng te worden opgetreden.


Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 november 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.


Het hof is van oordeel dat in beginsel slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Doch overweegt dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan gebleken is ter terechtzitting in hoger beroep, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormen.


Inbeslaggenomen geldbedragen
Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedragen, zoals deze vermeld zijn onder 1 tot en met 16 op de lijst van' inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zal het hof de verbeurdverklaring gelasten, nu met betrekking, tot deze geldbedragen het onder 1 bewezen verklaarde is begaan.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.


Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag, zoals vermeld onder 17 op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.”

5.4.

Vooropgesteld moet worden dat de feitenrechter vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van factoren die hij voor de strafoplegging van belang acht.14 Deze keuze behoeft in beginsel geen motivering.15 Alleen als de straftoemeting op zichzelf onbegrijpelijk is of verbazing wekt en als gevolg daarvan onbegrijpelijk is, kan in cassatie worden ingegrepen.16 Voorts houdt de rechter – ingevolge art. 24 Sr – bij de vaststelling van de geldboete en de oplegging van verbeurdverklaring rekening met de draagkracht van de verdachte in de mate waarin dat nodig is met het oog op een passende bestraffing van de verdachte zonder dat deze in zijn inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen.17 Die beoordeling is in hoge mate van feitelijke aard, mede waarom de controle in cassatie ook in dit opzicht bepaald terughoudend is.18 Bij de vraag of de rechter zijn oordeel op dit punt voldoende heeft gemotiveerd, kan een rol spelen of een (draagkracht)verweer is gevoerd en, zo ja, hoe indringend de aangevoerde argumenten zijn.19

5.5.

In de hiervoor onder 5.3. weergegeven strafmotivering heeft het hof overwogen dat het de op te leggen straffen heeft bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Voorts heeft het hof de ernst van het feit in aanmerking genomen en in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Daarop oordeelt het hof eerst dat in beginsel slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Vervolgens overweegt het hof echter dat, gelet op de de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan gebleken is ter terechtzitting in hoger beroep, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke geldboete een passende reactie vormen. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat de verdediging heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf, dan wel een onvoorwaardelijke taakstraf of een geldboete. Kennelijk heeft het hof in die zin aan dit verweer gehoor gegeven.

5.6.

Ook overigens wekken de door het hof opgelegde vermogensstraffen geen verbazing. In hoger beroep is door de verdediging geen draagkrachtverweer gevoerd. Desondanks heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van verdachte, althans in ieder geval bij de oplegging van de verbeurdverklaring. Voorts blijkt uit de hiervoor onder 5.2. weergegeven pleitnotities dat de raadsman heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie in Nederland een “regel” hanteert, “waarbij bij witwassen van geld bedragen normaliter wordt volstaan met het doen van afstand van het geldbedrag en daarnaast mogelijk het betalen van een geldboete van tussen de 5-10% van het inbeslaggenomen bedrag”. Kennelijk heeft de verdediging hiermee beoogd dat het hof zich bij deze praktijk aansluit door het in beslag genomen geldbedrag verbeurd te verklaren en een geldboete op te leggen ter hoogte van – omgerekend – om en nabij € 5.000,- à € 10.000,-. Ook in dat opzicht kan naar mijn mening niet gezegd worden dat het verbazing wekt dat het hof het in beslag genomen geldbedrag ter hoogte van € 101.060,-. verbeurd heeft verklaard en daarnaast een geldboete heeft opgelegd ter hoogte van € 15.000,-. In zoverre acht ik de strafoplegging, gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, toereikend gemotiveerd.

5.7.

Daaraan doet niet af dat het hof in een nadere bewijsoverweging met betrekking tot het witwassen heeft overwogen dat het, kijkend naar (de hoogte van) het inkomen van de verdachte en zijn vrouw in (een deel van) de periode waarin de huurgelden geïnd zouden zijn, niet vermag in te zien hoe van dit inkomen een gezin kan zijn onderhouden zonder dat gebruik is gemaakt van de geïnde huurgelden. Daarmee is immers nog niet gezegd dat de verdachte niet in staat moet worden geacht de geldboete te kunnen betalen.

5.8.

Het middel faalt.

6 Het vierde middel

6.1.

Het middel bevat de klacht dat de redelijke termijn in cassatiefase is overschreden.

6.2.

Namens de verdachte is op 24 december 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 13 september 2019 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De klacht houdt in dat de stukken niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden, zodat de redelijke termijn is geschonden. De inzendtermijn is met afgerond achttien dagen overschreden. Daarbij merk ik op dat ook de termijn van zestien maanden sinds het instellen van het cassatieberoep is overschreden, zodat dit verzuim niet meer valt te repareren met een voortvarende afdoening door de Hoge Raad. Dit betekent dat de schending dient te leiden tot strafvermindering zoals de Hoge Raad gepast zal voorkomen.20

6.3.

Het middel is terecht voorgesteld.

7 Conclusie

7.1.

Het eerste, tweede en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende verkorte motivering. Het vierde middel is terecht voorgesteld.

7.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. Kamerstukken II 1994/95, 23 989, nr. 3, p. 7 en 13.

2 HR 16 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1153, NJ 1999/387, rov. 3.4; HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5531, NJ 2001/352, m.nt. Knigge, rov. 4.4; en HR 24 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4162, NJ 2002/629, rov. 3.4. Zie hierover kritisch Melai/Groenhuijsen, Het Wetboek van Strafvordering, art. 365a Sv, aant. 25 (bewerkt door P.A.M. Mevis; bijgewerkt t/m 1 augustus 2001).

3 Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Knigge van 15 juni 2010 bij HR 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9771, ECLI:NL:PHR:2010:BM9771, par. 8 tot en met 13, waarin hij onder meer opmerkt dat klachten over ontoelaatbare aanvullingen of verbeteringen in beginsel niet zonder meer tot cassatie hoeven te leiden. De Hoge Raad laat een niet toelaatbare wijziging of aanvulling van het verkorte arrest van het hof buiten beschouwing en doet in sommige gevallen de zaak zelf af met verbetering van de gronden of laat in het verkorte arrest in stand omdat het geen gebrek vertoont dat tot cassatie moet leiden.

4 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Aben van 27 augustus 2013 bij HR 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:1658, ECLI:NL:PHR:2013:1617.

5 HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298, m.nt. Rozemond.

6 Volgens de website van het UWV bedraagt het sociaal minimum vanaf 1 januari 2020 voor gehuwden en gelijkgestelden een brutobedrag van € 1.653,65 per maand, wat op jaarbasis een brutobedrag van € 19.843,80 is. Zie https://www.uwv.nl/particulieren/bedragen/detail/sociaal-minimum.

7 Vgl. HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1197, rov. 3.5.

8 HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5531, NJ 2001/352, m.nt. Knigge, rov. 4.3. Zie ook onder meer HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2961, NJ 2002/233, rov. 3.5 (ontvankelijkheidsverweer); HR 23 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3254, rov. 3.3 (verzoek tot psychische rapportage); HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8075, NJ 2013/143, m.nt. Reijntjes, rov. 3.4 (getuigenverzoek).

9 Zie HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.8.3.

10 HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8075, NJ 2013/143, m.nt. Reijntjes, rov. 3.4. Vgl. ook het tweede overzichtsarrest over de toepassing van art. 80a RO in strafzaken, HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, rov. 2.5.2. Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee van 14 mei 2019 bij HR 4 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:836, ECLI:NL:PHR:2019:458, onder 9 tot en met 15.

11 Vgl. onder meer HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3169, NJ 2016/83 m.nt. Keulen. Zie ook mijn eerdere conclusie van 21 juni 2016 bij HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2294, ECLI:NL:PHR:2016:780, onder 3.5.

12 Vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3618, NJ 2015/160, m.nt. Keijzer, rov. 2.3.2, sub iii.

13 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt van 27 juni 2017 bij HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2486, ECLI:NL:PHR:2017:960, onder 23 tot en met 25.

14 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2018, p. 264-265.

15 HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805.

16 Vgl. HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5479, NJ 2006/549. Zie ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Kluwer 2018, p. 922.

17 Zie art. 33 lid 2 Sr waarin art. 24 Sr van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op de verbeurdverklaring.

18 Vgl. F.W. Bleichrodt & P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Kluwer 2016, p. 339-340.

19 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt van 22 april 2014 bij HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1655, ECLI:NL:PHR:2014:712, onder 21.

20 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis.